diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml
index 06f9573c02..5cc2daedd5 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml
@@ -1,2884 +1,2882 @@
ChrisShumwayHerschreven door RemkoLodderVertaald door &unix; beginselenOverzichtHet volgende hoofdstuk behandelt de basiscommando's en
functionaliteit van het &os; besturingssysteem. Veel van dit
materiaal is relevant voor elk &unix; achtig besturingssysteem.
Als de lezer reeds bekend is met het materiaal, hoeft dit
hoofdstuk niet gelezen te worden. Lezer die nog niet eerder
met &os; te maken hebben gehad wordt aangeraden door te
lezen.Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer:Hoe virtuele consoles in &os; gebruikt
kunnen worden;Hoe &unix; bestandspermissies werken en hoe
bestandsvlaggen in &os; werken;Hoe het standaard &os; bestandssysteem eruit ziet;Hoe een &os; harde schijf is ingedeeld;Hoe bestandssystemen gemount en ge-unmount
worden;Wat processen, daemons en signalen zijn;Wat een shell is en hoe de standaard omgevingsvariabelen
veranderd kunnen worden;Hoe elementaire tekstverwerkers te gebruiken;Wat apparaten en apparaatmountpunten zijn;Welk binair formaat &os; gebruikt;Hoe handleidingen te gebruiken meer informatie.Virtuele consoles en terminalsVirtuele consolesterminals&os; kan op diverse manieren gebruikt worden.
Één van deze manieren is het typen van commando's
in een tekstterminal. Veel van de flexibiliteit en kracht van
een &unix; besturingssysteem is gemakkelijk beschikbaar als je
&os; op deze manier gebruikt. Dit onderdeel beschrijft wat
terminals en consoles zijn en hoe
je deze kan gebruiken in &os;.De consoleconsoleAls &os; niet is ingesteld om automatisch een grafische
omgeving te starten tijdens het opstarten, geeft het systeem
een login prompt als het gestart is. Dit gebeurt direct nadat
de startscripts klaar zijn. Er wordt iets als het volgende
getoond:Additional ABI support:.
Local package initialization:.
Additional TCP options:.
Fri Sep 20 13:01:06 EEST 2002
&os;/i386 (pc3.example.org) (ttyv0)
login:De meldingen op het scherm kunnen wellicht iets anders zijn
op een systeem, maar het zal iets soortgelijks zijn. De
laatste twee regels zijn de regels waar het nu over gaat.
De voorlaatste regel toont:&os;/i386 (pc3.example.org) (ttyv0)Deze regel bevat enkele informatie over het systeem dat
net gestart is: dit is een &os; console,
draaiend op een Intel of soortgelijke processor op de x86
architectuur.
Dit betekent i386. Let op: ook al
draait &os; niet op een Intel 386 processor, toch is dit
een i386. Het is niet het type
processor, maar de processor
architectuur.
De naam van de machine (elke &unix; machine heeft een
naam) is pc3.example.org en dit is de console
van het systeem, de ttyv0
terminal.De laatste regel is altijd:login:Dit is het deel waar een gebruikersnaam
ingevuld moet worden om aan te melden op &os;. Het volgende
deel beschrijft hoe dat werkt.Aanmelden op &os;&os; is een multi-user en multi-processing systeem. Dit is
de formele beschrijving die meestal gegeven wordt aan een
systeem dat gebruikt wordt door meerdere personen die
gelijktijdig verschillende programma's draaien op
één enkele machine.Elk multi-user systeem heeft een manier nodig om een
gebruiker van alle andere gebruikers te kunnen
onderscheiden. In &os; (en alle andere &unix; achtige
besturingssystemen), wordt dit bereikt door te eisen dat
elke gebruiker moet aanmelden op het systeem
voordat hij/zij programma's kan draaien. Elke gebruiker heeft
een unieke naam (de gebruikersnaam) en een
persoonlijke, geheime sleutel (het wachtwoord).
&os; vraagt om deze twee gegevens voordat het een gebruiker
toegestaat om programma's te draaien.startup scriptsDirect nadat &os; is opgestart en de opstartscripts
Opstart scripts zijn programma's die automatisch gestart
worden tijdens het opstarten. Het hoofddoel van deze
programma's is om dingen goed te zetten zodat alle andere
programma's ook kunnen draaien, en om services te starten
die je geconfigureerd hebt om bruikbare zaken in de
achtergrond te doen.
afgerond zijn, wordt een prompt getoond dat vraagt om een
geldige aanmeldnaam op te geven.login:In dit voorbeeld wordt aangenomen de gebruikersnaam
john is. Als na deze prompt
john wordt getype en op
Enter wordt gedrukt, verschijnt hierna
een prompt om het wachtwoord in te
voeren:login: john
Password:Nu kan john's wachtwoord ingevoerd
worden en op Enter gedrukt worden. Het
wachtwoord wordt niet getoond! Daarover
hoeft geen zorg te bestaan. Het is voldoende om te zeggen dat
dit om veiligheidsredenen gedaan wordt.Als het juiste wachtwoord is ingegeven, is er aangemeld bij
op &os; en in het systeem klaar om alle beschikbare commando's
uit te voeren.Na het aanmelden is de MOTD of het
bericht van de dag zichtbaar, gevolgd door een commandoprompt
(een #, $ of een
% karakter). Dit geeft aan dat er succesvol
is aangemeld op &os;.Meerdere consoles&unix; programma's draaien in één console is
prima, maar &os; kan veel programma's tegelijk draaien. Om
maar één console te hebben waar commando's
ingetypt kunnen worden zou zonde zijn van een besturingssysteem
als &os; waar meerdere programma's tegelijkertijd op kunnen
draaien. Hier kunnen virtuele consoles van pas
komen.&os; kan ingesteld worden om verschillende virtuele
consoles te tonen. Met toetscombinaties kan van de ene console
naar de gewisseld worden. Elke console heeft zijn eigen
uitvoerkanaal, en &os; zorgt ervoor dat alle toetsenbordinvoer
en monitoruitvoer goed wordt gezet als er van de ene console
naar de volgende wordt gewisseld.In &os; kunnen speciale toetscombinaties gebruikt worden om
te wisselen naar een ander virtueel console.
Een redelijk technische en accurate beschrijving van
alle details over de &os; console en toetsenborddrivers
staan in de hulppagina's van &man.syscons.4;,
&man.atkbd.4;, &man.vidcontrol.1; en &man.kbdcontrol.1;.
Hier wordt niet verder op ingegaan, maar de
geïnteresseerde lezer kan altijd de hulppagina's
raadplegen voor meer details en een grondige uitleg over
hoe alles werkt.
In &os; kan
AltF1,
AltF2
tot en met
AltF8
gebruikt worden om te wisselen naar een ander virtueel
console.Als wordt gewisseld van de ene naar de andere console zorgt
&os; dat de uitvoer bewaard blijft. Het resultaat is een
illusie van het hebben van meerdere schermen en
toetsenboarden die gebruikt kunnen worden om commando's in te
voeren om &os; te laten draaien. De programma's die in de ene
virtuele console draaien, stoppen niet als de console niet
zichtbaar is. Ze blijven doordraaien als naar een andere
virtuele console wordt gewisseld.Het bestand /etc/ttysDe standaardinstelling van &os; start op met acht virtuele
consoles. Dit is echter geen vaste waarde en een installatie
kan eenvoudig aangepast worden, zodat het systeem gestart
wordt met meer of minder virtuele consoles. De hoeveelheid en
instellingen van de virtuele consoles worden ingesteld in
/etc/ttys./etc/ttys kan gebruikt worden om
virtuele consoles in te stellen. Elke niet-commentaar
regel in dit bestand (regels die niet beginnen met een
# karakter) bevat instellingen voor een
terminal of virtuele console. De standaardversie van dit
bestand die meegeleverd wordt met &os; stelt negen virtuele
consoles in en activeert er acht. Dit zijn de regels die
beginnen met ttyv:# naam getty type status commentaar
#
ttyv0 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure
# Virtual terminals
ttyv1 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure
ttyv2 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure
ttyv3 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure
ttyv4 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure
ttyv5 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure
ttyv6 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure
ttyv7 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure
ttyv8 "/usr/X11R6/bin/xdm -nodaemon" xterm off secureEen uitgebreide beschrijving van elke kolom in dit
bestand en alle mogelijke opties voor virtuele consoles staan
in de &man.ttys.5; hulppagina
gebruiken.Single-user consoleIn staat een
gedetailleerde beschrijving van de single-user
modus. Het is belanrijk te melden dat er in
single-user modus maar één console is. Er zijn
geen virtuele consoles beschikbaar. De instellingen van de
single-user modus console staan ook in
/etc/ttys . De regel begint met
console:# name getty type status commentaar
#
# Als een console gemarkeerd is als "insecure", zal het init script om het root-wachtwoord
# vragen wanneer het in single-user mode komt.
console none unknown off secureZoals het commentaar boven de console
regel aangeeft, kan in deze regel het woord
secure gewijzigd worden in
insecure. In dat geval vraagt &os; bij
het opstarten in single-user modus nog steeds om een
root-wachtwoord.Pas op als dit wordt veranderd in
insecure. Als het wachtwoord
van de gebruiker root zoek is,
wordt het opstarten in single-user modus lastig. Het is nog
steeds mogelijk, maar het kan vrij moeilijk zijn voor iemand
die &os; niet zo goed kent met betrekking tot het opstarten
en de programma's die daarbij gebruikt worden.RechtenUNIX&os;, direct afgeleid van BSD &unix;, is gebaseerd op
verschillende belangrijke &unix; concepten. Het meest bekende is
dat &os; een multi-user systeem is. Het systeem kan meerdere
gebruikers behandelen die tegelijkertijd totaal verschillende
dingen doen. Het systeem is verantwoordelijk voor het netjes
delen en beheren voor aanvragen voor hardware, randapparatuur,
geheugen en cpu tijd tussen elke gebruiker.Omdat het systeem in staat is om meerdere gebruikers te
ondersteunen, heeft alles wat door het systeem beheerd wordt een
set van rechten die aangeeft wie mag lezen, schrijven en de
bron mag uitvoeren. Deze rechten zijn opgeslagen in drie
octetten, die weer in drie stukjes onderverdeeld zijn:
één voor de eigenaar van het bestand,
één voor de groep waar het bestand toe behoort en
één voor de overigen. De numerieke weergave werkt
als volgt:RechtenBestandsrechtenWaardeRechtMaprecht0Niet lezen, niet schrijven, niet uitvoeren---1Niet lezen, niet schrijven, uitvoeren--x2Niet lezen, schrijven, niet uitvoeren-w-3Niet lezen, schrijven, uitvoeren-wx4Lezen, niet schrijven, niet uitvoerenr--5Lezen, niet schrijven, uitvoerenr-x6Lezen, schrijven, niet uitvoerenrw-7Lezen, schrijven, uitvoerenrwxlsmappenDe optie kan gebruikt worden met
&man.ls.1; om een lange lijst met de inhoud van een map te zien
die een kolom heeft met informatie over bestandsrechten voor de
eigenaar, groep en de rest. ls -l in een
willekeurige map kan het volgende laten zien:&prompt.user; ls -l
total 530
-rw-r--r-- 1 root wheel 512 Sep 5 12:31 myfile
-rw-r--r-- 1 root wheel 512 Sep 5 12:31 otherfile
-rw-r--r-- 1 root wheel 7680 Sep 5 12:31 email.txt
...Zo ziet de eerste kolom van ls -l
eruit:-rw-r--r--Het eerste (meest linkse) karakter geeft aan of dit een
reguliere bestand is, een map, een speciaal karakter
component(!), een socket of een andere pseudo-file component(!).
In dit geval betekent de - dat het een
regulier bestand is. De volgende drie karakters,
rw- in dit voorbeeld, geven de rechten voor de
eigenaar van het bestand. De drie karakters
r--erna geven de rechten van voor de groep van
het bestand. De overige drie karakters r--
tonen de rechten voor de rest. Een streepje betekent dat de
rechten uitgeschakeld zijn. In het geval van dit bestand zijn de
rechten zo ingesteld dat de eigenaar kan lezen en schrijven naar
het bestand, de groep het bestand kan lezen, en de rest kan het
bestand alleen lezen. Volgens de tabel hierboven worden de
rechten 644, waar de cijfers de drie stukjes
van de rechten aangeven.Dit is allemaal leuk en aardig, maar hoe controleert het
systeem dan rechten voor apparaten? &os; behandelt de meeste
hardware apparaten als bestanden die door programma's kunnen
worden geopend en gelezen, en waar data naar toe kan worden
geschreven, net zoals elk ander bestand. Deze speciale apparaat
bestanden worden bewaard in de map
/dev.Mappen worden ook behandeld als bestanden. Ze hebben lees,
schrijf en uitvoerbare rechten. De uitvoerbare vlag voor een map
heeft een klein verschil qua betekenis dan die voor gewone
bestanden. Als een map als uitvoerbaar gemarkeerd is, betekent
het dat erin gekeken mag worden. Het is dus mogelijk om te
wisselen naar de map met cd (wissel
directory). Dit betekent ook dat in de map bestanden benaderen
benaderd kunnen worden waarvan de naam bekend is. Dit is
natuurlijk afhankelijk van de rechten op het bestand zelf.In het bijzonder, om een lijst van de map te kunnen maken,
moet een gebruiker leesrechten op de map hebben. Om een bestand
te verwijderen zijn de naam van het bestanden en schrijf
en uitvoerrechten op de map nodig waarin het
bestand zich bevindt.Er zijn meer rechtenvlaggen, maar die worden in gebruikt
in speciale gevallen, zoals setuid binaries en sticky mappen.
Meer informatie over bestandsrechten en die die aangepast kunnen
worden staat in &man.chmod.1;.TomRhodesBijgedragen door Symbolische rechtenrechtensymbolischSymbolische rechten, soms ook wel symbolische expressies,
gebruiken karakters in plaats van octale getallen om rechten
aan bestanden en en mappen te geven. Symbolische expressies
gebruiken de volgende opbouw (wie) (actie) (permissies), waar
de volgende waardes beschikbaar zijn:OptieLetterVertegenwoordigt(wie)uGebruiker(wie)gGroepseigenaar(wie)oOverigen(wie)aIedereen (wereld)(actie)+Rechten toevoegen(actie)-Rechten verwijderen(actie)=Stel deze rechten in(recht)rLezen(recht)wSchrijven(recht)xUitvoeren(recht)tSticky bit(recht)sVerander UID of GIDDeze waardes worden gebruikt met &man.chmod.1;, net zoals
eerder, alleen nu met letters. Het volgende commando kan
gebruikt worden om de overige gebruikers toegang tot
BESTAND te ontzeggen:&prompt.user; chmod go= BESTANDEr kan een door komma's gescheiden lijst geleverd worden als
meer dan één wijziging aan een bestand moet worden
uitgevoerd. Het volgende commando past de rechten voor de groep
en de wereld aan door de schrijfrechten te
ontnemen om daarna iedereen uitvoerrechten te geven:&prompt.user; chmod go-w,a+x BESTANDTomRhodesGeschreven door &os; bestandsvlaggenNaast de bestandsrechten die hiervoor zijn besproken,
biedt &os; ondersteuning voor bestandsvlaggen.
Deze vlaggen bieden een aanvullend beveiligingsniveau en
controle over bestanden, maar niet over mappen.Bestandsvlaggen voegen een extra niveau van controle over
bestanden, waardoor verzekerd kan worden dat in sommige
gevallen zelfs root een bestand niet kan
verwijderen.Bestandsvlaggen worden gewijzigd met het hulpprogramma
&man.chflags.1;, dat een eenvoudige interface heeft. Om
bijvoorbeeld de systeemvlag niet verwijderdbaar in te stellen
op het bestand file1:
- &prompt.root; chflags sunlink
- file1
+ &prompt.root; chflags sunlink file1Om de vlag niet verwijderbaar weer te verwijderen kan het
voorgaande command met no voor
worden uitgevoerd:
- &prompt.root; chflags nosunlink
- file1
+ &prompt.root; chflags nosunlink file1Om de vlaggen op een bestand te bekijken, kan &man.ls.1;
met de vlaggen gebruikt worden:&prompt.root; ls -lo file1De uitvoer hoort er ongeveer als volgt uit te zien:-rw-r--r-- 1 trhodes trhodes sunlnk 0 Mar 1 05:54 file1Een aantal vlaggen kan alleen ingesteld of verwijderd
worden door de gebruiker root. In andere
gevallen kan de eigenaar van een bestand vlaggen instellen.
Meer informatie voor beheerders staat in &man.chflags.1; en
&man.chflags.2;.MappenstructuurmappenstructuurDe &os; mappenstructuur is erg belangrijk om het systeem
goed te leren kennen. Het belangrijkste concept om greep op te
krijgen is die van de rootmap, /. Deze map is de
eerste die gemount wordt tijdens het opstarten en bevat het
basissysteem dat nodig is om het besturingssysteem gereed te
maken voor multi-user taken. De rootmap bevat ook mountpunten
voor elk ander bestandssysteem dat misschien gemountd
wordt.Een mountpunt is een map waar extra bestandssystemen aan
gemount kunnen worden. Standaard mountpunten bevatten
/usr, /var,
/tmp, /mnt en /cdrom. Naar
deze mappen wordt meestal verwezen in
/etc/fstab, een tabel met bestandssystemen
en mountpunten ter referentie voor het systeem. De meeste
bestandssystemen in /etc/fstab worden
automatisch gemount tijdens het opstarten door het script
&man.rc.8;, behalve als ze de optie
hebben. Details staan beschreven in .Een complete beschrijving over het bestandssysteem staat in
&man.hier.7;. Hier wordt volstaan met een overzicht van de
voorkomende mappen.MapOmschrijving/Rootmap van het bestandssysteem./bin/Gebruikersapplicaties, belangrijk voor zowel
single user als multi-user omgevingen./boot/Programma's en instellingenbestanden die
gebruikt worden tijdens het opstarten van het
besturingssysteem./boot/defaults/Bestanden met standaardinstellingen voor
opstarten;, zie &man.loader.conf.5;./dev/Apparaatnodes;, zie &man.intro.4;./etc/Bestanden met systeeminstellingen en
scripts./etc/defaults/Bestanden met standaard systeeminstellingen;, zie
&man.rc.8;./etc/mail/Instellingenbestanden voor mail transport
programma's zoals &man.sendmail.8;./etc/namedb/Instellingenbestanden voor
named, zie &man.named.8;./etc/periodic/Scripts die dagelijks, wekelijks en maandelijks
via &man.cron.8; worden uitgevoerd,
zie &man.periodic.8;./etc/ppp/Instellingenbestanden voor ppp,
zie &man.ppp.8;./mnt/Lege map, veel gebruikt door systeembeheerders als
tijdelijk mountpunt voor opslagruimtes./proc/Process bestandssysteem;, zie &man.procfs.5; en
&man.mount.procfs.8;./rescue/Statisch gelinkte programma's voor noodherstel,
zie &man.rescue.8;./root/Thuismap van de gebruiker
root./sbin/Systeemprogramma's en administratieprogramma's
belangrijk voor zowel single-user en multi-user
omgevingen./stand/Programma's die gebruikt worden in een standalone
omgeving./tmp/Tijdelijke bestanden, meestal een op &man.mfs.8;
geheugen gebaseerd bestandssysteem (de inhoud van
/tmp wordt
meestal NIET bewaard tijdens het rebooten)./usr/Hier bevindt zich het leeuwendeel van alle
hulpprogramma's en gewone programma's./usr/bin/Standaard programma's, programmeertools./usr/include/Standaard C invoegbestanden./usr/lib/Functiebibliotheken./usr/libdata/Diverse databestanden voor hulpprogramma's./usr/libexec/Systeemdaemons en systeemhulpprogramma's
(uitgevoerd door andere programma's)./usr/local/Lokale programma's, bibliotheken, etc. Wordt ook
gebruikt als standaard locatie voor de &os; ports.
Binnen /usr/local, wordt de
algemene layout bepaald door &man.hier.7;, dat ook voor
/usr wordt gebruikt.
Uitzonderingen is de map man, die direct onder
/usr/local ligt in plaats van
onder /usr/local/share, en de
documentatie voor ports is te vinden in
share/doc/port.
/usr/obj/Architectuur afhankelijke doelstructuur voor
resultaten van de bouw van
/usr/src./usr/portsDe &os; Portscollectie (optioneel)./usr/sbin/Systeemdaemons en systeemhulpprogramma's
(uitgevoerd door gebruikers)./usr/share/Architectuur onafhankelijke bestanden./usr/src/BSD en/of lokale broncodebestanden./usr/X11R6/Uitvoerbare bestanden en bibliotheken, etc, voor
de X11R6 distributie (optioneel)./var/Multifunctionele logboek-, tijdelijke,
transparante en spool bestanden./var/log/Diverse logboekbestanden van het systeem./var/mail/Postbusbestanden van gebruikers./var/spool/Diverse printer- en
mailsysteemspoolingmappen./var/tmp/Tijdelijke bestanden die bewaard worden bij een
herstart van het systeem./var/ypNIS maps.Organisatie van schijvenDe kleinste vorm van organisatie die &os; gebruikt om
bestanden te vinden is de bestandsnaam. Bestandsnamen zijn
hoofdlettergevoelig, wat betekent dat
readme.txt en
README.TXT twee verschillende bestanden
zijn. &os; gebruikt de extensie niet (.txt)
van een bestand om te bepalen of het bestand een programma, een
document of een vorm van data is.Bestanden worden bewaard in mappen. Een map kan leeg zijn of
of honderden bestanden bevatten. Een map kan ook andere mappen
bevatten, wat het mogelijk maakt om een hiërarchie van
mappen te maken. Dit maakt het veel makkelijker om data te
organiseren.Bestanden en mappen worden aangegeven door het bestand
of de map aan te geven, gevolgd door een voorwaardse slash,
/, gevolgd door andere mapnamen die nodig
zijn. Als map foo de map
bar bevat, die op zijn beurt het bestand
readme.txt bevat, dan wordt de volledige
naam of pad naar het bestand
foo/bar/readme.txt.Mappen en bestanden worden bewaard op een bestandssysteem.
Elk bestandssysteem bevat precies één map op het
hoogste niveau die de rootmap van het
bestandssysteem heet. Deze rootmap kan op zijn beurt andere
mappen bevatten.Tot zover is dit waarschijnlijk hetzelfde als voor elk ander
besturingssysteem. Er zijn een paar verschillen. &ms-dos;
gebruikt bijvoorbeeld een \ om bestanden en
mappen te scheiden, terwijl &macos; gebruik maakt van
:.&os; gebruikt geen schijfletters, of andere schijfnamennamen
in het pad. &os; gebruikt geen
c:/foo/bar/readme.txt.Eén bestandssysteem wordt aangewezen als
root bestandssysteem, waar naar wordt
verwezen met /. Elk ander bestandssysteem
wordt daarna gemount onder het root
bestandssysteem. Hoeveel schijven er ook aan een &os; systeem
hangen, het lijkt als elke map zich op dezelfde schijf
bevindt.Stel er zijn drie bestandssystemen met de namen
A,B en
C. Elk bestandssysteem heeft
één root map die twee andere mappen bevat,
A1 en A2 (zo ook voor de
andere twee: B1, B2,
C1 en C2).A wordt het root besturingsysteem. Met
ls, dat de inhoud van de map kan tonen, zijn
de twee mappen A1 en A2 te
zien. De mappenstructuur ziet er als volgend uit: /
|
+--- A1
|
`--- A2Een bestandssysteem moet gemount worden in een map op een
ander bestandssysteem. Als nu bestandssysteem
B wordt gemount onder de map
A1 vervangt BA1 en zien de mappingen in
B er als volgt uit: /
|
+--- A1
| |
| +--- B1
| |
| `--- B2
|
`--- A2Elk bestand dat in de mappen B1 en
B2 directories aanwezig is, kan benaderd
worden met het pad /A1/B1 of
/A1/B2. Elk bestand dat in
/A1 stond is tijdelijk verborgen en komt
tevoorschijn als Bis
ge-unmountvan A.Als B gemount is onder
A2 ziet de diagram er als volgt uit: /
|
+--- A1
|
`--- A2
|
+--- B1
|
`--- B2en de paden zouden dan respectievelijk
/A2/B1 en /A2/B2
zijn.Bestandssystemen kunnen op elkaar worden gemount. Doorgaand
op het vorige voorbeeld kan het bestandssysteem
C gemount worden bovenop de map
B1 in het bestandssysteem
B. Dit resulteert in: /
|
+--- A1
|
`--- A2
|
+--- B1
| |
| +--- C1
| |
| `--- C2
|
`--- B2Of C kan direct onder het bestandssysteem
A gemount worden, onder de map
A1: /
|
+--- A1
| |
| +--- C1
| |
| `--- C2
|
`--- A2
|
+--- B1
|
`--- B2Hoewel het niet gelijk is, lijkt het op het gebruik van
join in &ms-dos;.Beginnende gebruikers hoeven zich hier gewoonlijk niet mee
bezig te houden. Normaal gesproken worden bestandssystemen
gemaakt als &os; wordt geïnstalleerd en er wordt
besloten waar ze gemount worden. Meestal worden ze ook niet
gewijzigd tot de een nieuwe schijf aan een systeem wordt
toegevoegd.Het is mogelijk om één groot root
bestandssysteem te hebben en geen andere. Deze benadering
heeft voordelen en nadelen.Voordelen van meerdere bestandssystemenVerschillende bestandssystemen kunnen verschillende
mount opties hebben. Met een goede
voorbereiding kan het root bestandssysteem bijvoorbeeld als
alleen-lezen gemount worden, waardoor het onmogelijk wordt
om per ongeluk kritische bestanden te verwijderen of te
bewerken. Het scheiden van andere bestandssystemen die
beschrijfbaar zijn door gebruikers, zoals
/home van andere bestandssystemen stelt
de beheerder in staat om ze nosuid te
mounten. Deze optie voorkomt dat
suid/guid bits
op uitvoerbare bestanden effectief gebruikt kunnen worden,
waardoor de beveiliging mogelijk beter wordt.&os; optimaliseert automatisch de layout van bestanden
op een bestandssysteem, afhankelijk van hoe het
bestandssysteem wordt gebruikt. Een bestandsysteem dat veel
bestanden bevat waar regelmatig naar geschreven wordt, wordt
anders geoptimaliseerd dan een bestandssysteem dat minder
maar grotere bestanden bevat. Door het gebruik van
één groot bestandssysteem werkt de
optimalisatie niet.&os;'s bestandssystemen zijn erg robuust als er
bijvoorbeeld een stroomstoring is, hoewel een stroomstoring
op een kritiek moment nog steeds kan leiden tot schade aan de
structuur van het bestandssysteem. Door het verdelen van
data over meerdere bestandssystemen, is de kans groter dat
het systeem nog opstart, wat terugzetten van een backup
makkelijker maakt als dat nodig is.Voordeel van één bestandssysteemBestandssystemen hebben een vaste grootte. Als bij de
installatie van &os; een bestandssysteem wordt gemaakt, is
het later mogelijk dat de partitie groter gemaakt moet
worden. Dit is niet zo makkelijk zonder een backup, het
opnieuw maken van het bestandssysteem met gewijzigde grootte
en het terugzetten van de gebackupte data.&os; 4.4 en latere versies hebben &man.growfs.8;,
waarmee de grootte van het bestandssysteem is aan te passen
terwijl het draait.Bestandssystemen worden opgeslagen in partities. Dit
betekent niet hetzelfde als de algemene betekenis van de term
partitie (bijvoorbeeld, &ms-dos; partitie), vanwege &os;'s &unix;
achtergrond. Elke partitie wordt geïdentificeerd door een
letter van a tot en met h.
Elke partitie kan slechts één bestandssysteem
hebben, wat betekent dat bestandssystem vaak omschreven worden
aan de hand van hun mountpunt in de bestandssysteem
hiërarchie of de letter van de partitie waar ze in
opgeslagen zijn.&os; gebruikt ook schijfruimte voor
wisselbestanden. Wisselbestanden geven
&os; virtueel geheugen. Dit geeft de
computer de mogelijkheid om net te doen alsof er veel meer
geheugen in de machine aanwezig is dan werkelijk het geval is.
Als &os; geen geheugen meer heeft, verplaatst het data die op dat
moment niet gebruikt wordt naar de wisselbestanden en plaatst het
terug als het wel nodig is (en zet iets anders in ruil daarvoor
terug.Aan sommige partities zijn bepaalde conventies
gekoppeld.PartitieConventieaBevat meestal het root bestandssysteembBevat meestal de swapruimtecHeeft meestal dezelfde grootte als de hele harde
schijf. Dit geeft hulpprogramma's de mogelijkheid
om op een complete schijf te werken (voor bijvoorbeeld een
bad block scanner) om te werken op de
c partitie. Meest wordt hierop dan
ook geen bestandssysteem gecreeërd.dPartitie d had vroeger een
speciale betekenis, maar die is verdwenen. Tegenwoordig
werken sommige hulpprogramma's raar als ze verteld worden
dat ze moeten werken op partitie d,
dus sysinstall maakt normaal
gesproken partitie d niet.Elke partitie die een bestandssysteem bevat is opgeslagen
in wat &os; noemt een slice. Slice is
&os;'s term voor wat meeste mensen partities noemen. Dit komt
wederom door &os;'s &unix; achtergrond. Slices zijn genummerd
van 1 tot en met 4.slicespartitiesgevaarlijk toegewijdSlicenummers volgen de apparaatnamen, voorafgegaan door een
s die begint bij 1. Dus
da0s1 is de eerste slice op
de eerste SCSI drive. Er kunnen maximaal vier fysieke slices op
een schijf staan, maar er kunnen logische slices in fysieke
slices van het correcte type staan. Deze uitgebreide slices zijn
genummerd vanaf 5. Dus ad0s5
is de eerste uitgebreide slice op de eerste IDE schijf. Deze
apparaten worden gebruikt door bestandssystemen waarvan verwacht
wordt dat ze een slice in beslag nemen.Slices, gevaarlijk toegewijde (dangerously
dedicated) fysieke drivers en andere drives bevatten
partities, die worden weergegeven door
letters vanaf a tot h.
Deze letter wordt achter de apparaatnaam geplakt. Dus
da0a is de a partitie op de
eerste da drive, die gevaarlijk toegewijd is.
ad1s3e is de vijfde partitie
op de derde slice van de tweede IDE schijf.Elke schijf op het systeem wordt geïdentificeerd. Een
schijfnaam start met een code die het type aangeeft en dan een
nummer dat aangeeft welke schijf het is. In tegenstelling tot
bij slices, start het nummeren van schijven bij 0.
Standaardcodes staan beschreven in .Bij een referentie aan een partitie verwacht &os; ook dat
aan de slice en schijf refereert die de partitie bevat wordt
gerefereerd en als naar een slice wordt verwezen moet ook de
schijfnaam genoemd worden. Dit kan door de schijfnaam,
s, het slice nummer en de partitieletter aan
te geven. Voorbeelden staan in .In staat een
conceptmodel van een schijflayout die een en ander
verduidelijkt.Voordat &os; geïnstalleerd kan worden moeten eerst de
schijfslices gemaakt worden en daarna moeten de partities op de
slices voor &os; gemaakt worden. Daarna wordt op elke
partitie het bestandssysteem (of wisselbestand) gemaakt en als
laatste wordt besloten waar het filesysteem gemount wordt.
Voorbeeld schijf-, slice- en partitienamenNameBetekenisad0s1aDe eerste partitie (a) op de
eerste slice (s1) op de eerste IDE
schijf (ad0).da1s2eDe vijfde partitie (e) op de
tweede slice (s1) op de tweede SCSI
schijf (da1).Conceptmodel van een schijfHet onderstaande diagram geeft aan hoe &os; de eerste IDE
schijf in het systeem ziet. Stel dat de schijf 4 GB groot
is en dat deze twee 2 GB slices (&ms-dos; partities)
bevat. De eerste slice bevat een &ms-dos; schijf,
C: en de tweede slice bevat een &os;
installatie. Deze &os; installatie heeft drie partities en
een partitie met een wisselbestand.De drie partities hebben elk een bestandssysteem. Partitie
a wordt gebruikt voor het root
bestandssysteem, e voor de map
/var en f voor de map
/usr..-----------------. --.
| | |
| DOS / Windows | |
: : > Eerste slice, ad0s1
: : |
| | |
:=================: ==: --.
| | | Partitie a, gemount als / |
| | > gerefereerd als ad0s2a |
| | | |
:-----------------: ==: |
| | | Partitie b, gebruikt als swap |
| | > gerefereerd als ad0s2b |
| | | |
:-----------------: ==: | Partitie c, geen
| | | Partition e, gebruikt als /var > bestandssysteem, bevat
| | > gerefereerd als ad0s2e | alle &os; slices,
| | | | ad0s2c
:-----------------: ==: |
| | | |
: : | Partitie f, gebruikt als /usr |
: : > gerefereerd als ad0s2f |
: : | |
| | | |
| | --' |
`-----------------' --'Mounten en unmounten van bestandssystemenHet bestandssysteem wordt het best weergegeven als een boom,
met de stam als /.
/dev, /usr en de andere
map in root zijn takken die weer hun eigen takken kunnen hebben,
zoals /usr/local, etc.root bestandssysteemEr zijn verschillende redenen om sommige van deze mappen
op aparte bestandssystemen te plaatsen.
/var bevat de mappen
log/, spool/ en
verschillende types tijdelijke bestanden en kan volraken. Het
laten vollopen van het root bestandssysteem is geen goed idee,
dus het splitsen van /var van
/is vaak de favoriet.Een andere vaak voorkomende reden om bepaalde mapbomen
op aparte bestandssystemen te plaatsen, is om ze op verschillende
fysieke schrijven te zetten of gescheiden virtuele schijven zoals
gemounte Netwerk bestandssystemen of cd-rom
drives.Het bestand fstabbestandssystemengemount met fstabTijdens het opstartproces,
worden bestandssystemen die vermeld staan in
/etc/fstab automatisch gemount
(tenzij ze vermeld staan met )./etc/fstab bevat een lijst van regels
die aan het volgende formaat voldoen:apparaat/mountpuntfstypeoptiesdumpfreqpassnoapparaatEen apparaatnaam (die moet bestaan) zoals uitgelegd
in .mountpuntEen map (die moet bestaan) waarop het bestandssysteem
gemount moet worden.fstypeHet bestandssysteem type dat aan &man.mount.8;
gegeven wordt. Het standaard &os; bestandssysteem is
ufs.optiesDit is of voor lezen en
schrijven bestandssytemen, of voor
alleen lezen, gevolgd door elke andere optie die mogelijk
nodig is. Een standaard optie is
voor bestandssystemen die niet automatisch gemount
worden tijdens het opstarten. Andere opties staan in
&man.mount.8;.dumpfreqDit wordt gebruikt door &man.dump.8; om te bepalen
welke bestandssystemen gedumpt moeten worden. Als het
veld niet is ingevuld, wordt aangenomen dat er een nul
staat.passnoDit bepaalt in welke volgorde bestandssystemen
gecontroleerd moeten worden. Bestandssystemen die
overgeslagen moeten worden moeten hun
passno waarde op nul hebben staan.
Voor het root bestandssysteem (dat voor alle andere
gecontroleerd moet worden) moet passno
op één staan en passno
waarden voor andere bestandssystemen moeten een waarde
hebben groter dan één. Als bestandssysteem
dezelfde passno waarde hebben probeert
&man.fsck.8; deze bestandssystemen tegelijkertijd
te controleren.In &man.fstab.5; staat meer informatie over de opmaak van
/etc/fstab en de mogelijke opties.Het commando mountbestandssystemenmounten&man.mount.8; wordt gebruikt om bestandsystemen te
mounten.De meest eenvoudige vorm is:&prompt.root; mount apparaatmountpuntAlle opties voor het commando staat in &man.mount.8;, maar
de meest voorkomende zijn:MountoptiesMount alle bestandssystemen die in
/etc/fstab staan, behalve die
gemarkeerd staan als noauto, uitgesloten
zijn door de optie of die al
gemount zijn.Doe alles behalve het echt aanroepen van de mount
systeemopdracht. Deze optie is handig in samen met de
optie om te bepalen wat &man.mount.8;
eigenlijk probeert te doen.Forceert het mounten van een niet schoon
bestandssysteem (gevaarlijk) of forceert het innemen van
schrijftoegang als de mountstatus van een bestandssysteem
wijzigt van lezen en schrijven naar alleen lezen.Mount het bestandssysteem alleen lezen. Dit is
identiek aan de optie
( voor &os; versies ouder dan 5.2)
voor de optie .fstypeMount het opgegeven bestandssysteem als het opgegeven
type bestandssysteem of mount alleen bestandssystemen
van het aangegeven type als ook de optie
is opgegeven.ufs is het standaard
bestandssysteem.Werk mountopties van het bestandssysteem bij.Geef uitgebreide informatie (verbose).Mount het bestandssysteem lezen en schrijven.De optie accepteert een door komma's
gescheiden lijst van opties, waaronder de volgende:nodevIntrepeteer geen speciale apparaten op het
bestandssysteem. Dit is een nuttige
veiligheidsoptie.noexecSta geen uitvoerbare bestanden toe op dit
bestandssysteem. Ook dit is een nuttige
veiligheidsoptie.nosuidIntrepeteer geen setuid of setgid opties op het
bestandssysteem. Ook dit is een nuttige
veiligheidsoptie.Het commando umountbestandssystemenunmounten&man.umount.8; heeft een mountpunt, een apparaatnaam,
of als
parameter.Alle vormen kunnen de optie hebben om
een bestandsysteem te forceren te unmounten en de optie
voor uitgebreide informatie. De optie
is meestal geen goed idee. Forceren dat
een bestandssysteem geunmount wordt kan de computer laten
crashen of data op het bestandssysteem beschadigen.De opties en
worden gebruikt om alle bestandssystemen te unmounten,
mogelijk nader gespecificeerd door de optie
met daarachter op welke typen bestandssystemen het betrekking
heeft. Voor de optie geldt dat deze niet
probeert het root bestandssysteem te unmounten.Processen&os; is een multi-tasking besturingssysteem. Dit betekent
dat het lijkt alsof er meer dan één proces
tegelijkertijd draait. Elk programma dat draait wordt een
proces genoemd. Elk commando dat wordt
uitgevoerd start op zijn minst één nieuw proces en
er zijn systeemprocessen die continu draaien om het systeem
functioneel te houden.Elk proces wordt geïdentificeerd door een nummer dat
process ID of PID
heet, en net zoals bij bestanden heeft elk proces
één eigenaar en groep. De eigenaars- en
groepsinformatie wordt gebruikt om te bepalen welke bestanden en
apparaten het proces mag openen, waarbij gebruik wordt gemaakt
van de bestandsrechten die eerder zijn behandeld. Veel processen
hebben ook een ouderproces (parent proces). Het ouderproces is
het proces het ze door gestart is. Als commando's in een shell
worden ingevoerd, start de shell een proces en elk commando dat
draait is ook een proces. De uitzondering hierop is het
speciale proces &man.init.8;. init is altijd
het eerste proces, dus het PID is altijd 1.
init wordt automatisch gestart door de kernel
als &os; opstart.Twee commando's die erg handig zijn om te zien welke
processen er draaien zijn &man.ps.1; en &man.top.1;.
ps wordt gebruikt om een statische lijst op te
vragen van de processen die op het moment van uitvoeren draaien
en kan hun PID, geheugengebruik, de startende commandoregel,
enzovoort, tonen. top geeft alle draaiende
processen weer en werkt de status elke paar seconden bij zodat
interactief wordt weergegeven wat een computer aan het doen
is.Standaard laat ps alleen zien welke
commando's draaien waarvan de gebruiker die het uitvoert de
eigenaar is:&prompt.user; ps
PID TT STAT TIME COMMAND
298 p0 Ss 0:01.10 tcsh
7078 p0 S 2:40.88 xemacs mdoc.xsl (xemacs-21.1.14)
37393 p0 I 0:03.11 xemacs freebsd.dsl (xemacs-21.1.14)
48630 p0 S 2:50.89 /usr/local/lib/netscape-linux/navigator-linux-4.77.bi
48730 p0 IW 0:00.00 (dns helper) (navigator-linux-)
72210 p0 R+ 0:00.00 ps
390 p1 Is 0:01.14 tcsh
7059 p2 Is+ 1:36.18 /usr/local/bin/mutt -y
6688 p3 IWs 0:00.00 tcsh
10735 p4 IWs 0:00.00 tcsh
20256 p5 IWs 0:00.00 tcsh
262 v0 IWs 0:00.00 -tcsh (tcsh)
270 v0 IW+ 0:00.00 /bin/sh /usr/X11R6/bin/startx -- -bpp 16
280 v0 IW+ 0:00.00 xinit /home/nik/.xinitrc -- -bpp 16
284 v0 IW 0:00.00 /bin/sh /home/nik/.xinitrc
285 v0 S 0:38.45 /usr/X11R6/bin/sawfishIn het bovenstaande voorbeeld is de uitvoer van &man.ps.1;
georganiseerd in een aantal kolommen. PID
is het proces ID. PIDs worden toegekend vanaf 1 en lopen op tot
99999. Als ze allemaal zijn gebruikt, worden ze hergebruikt. De
TT kolom toont de tty vanwaar het programma
draait en wordt nu buiten beschouwing gelaten.
STAT toont de huidige staat van het programma
en ook deze kolom wordt buiten beschouwing gelaten.
TIME is de hoeveelheid tijd die het programma
gedraaid heeft op de CPU. Dit is meestal niet de verstreken
tijd vanaf het moment dat het programma is gestart. Veel
programma's wachten omdat er alleen gebruik wordt gemaakt van de
CPU als er iets voor het programma te doen is. Als laatste is
COMMAND de commandoregel die gebruikt is
om het programma te starten.&man.ps.1; ondersteunt een aantal opties die de informatie
wijzigen die wordt weergegeven. Één van de meest
nuttige combinaties is auxww. De optie
toont informatie over alle draaiende
processen, niet alleen die van de gebruiker die is aangemeld. De
optie toont de gebruikersnaam van de
proceseigenaar, evenals geheugengebruik. De optie
toont informatie over daemonprocessen en met
de optie laat &man.ps.1; de volledige
commandoregel zien, in plaats van een mogelijk afgekorte regel
omdat die te lang is om op het scherm te passsen..De uitvoer van &man.top.1; is hetzelfde:&prompt.user; top
last pid: 72257; load averages: 0.13, 0.09, 0.03 up 0+13:38:33 22:39:10
47 processes: 1 running, 46 sleeping
CPU states: 12.6% user, 0.0% nice, 7.8% system, 0.0% interrupt, 79.7% idle
Mem: 36M Active, 5256K Inact, 13M Wired, 6312K Cache, 15M Buf, 408K Free
Swap: 256M Total, 38M Used, 217M Free, 15% Inuse
PID USERNAME PRI NICE SIZE RES STATE TIME WCPU CPU COMMAND
72257 nik 28 0 1960K 1044K RUN 0:00 14.86% 1.42% top
7078 nik 2 0 15280K 10960K select 2:54 0.88% 0.88% xemacs-21.1.14
281 nik 2 0 18636K 7112K select 5:36 0.73% 0.73% XF86_SVGA
296 nik 2 0 3240K 1644K select 0:12 0.05% 0.05% xterm
48630 nik 2 0 29816K 9148K select 3:18 0.00% 0.00% navigator-linu
175 root 2 0 924K 252K select 1:41 0.00% 0.00% syslogd
7059 nik 2 0 7260K 4644K poll 1:38 0.00% 0.00% mutt
...De uitvoer is gesplitst in twee secties. De kop (de eerste
vijf regels) toont het laatst uitgegeven PID, de gemiddelde
systeembelasting (hoe druk is een systeem), de uptime van het
systeem (tijd verstreken sinds laatste reboot) en de huidige
tijd. De andere cijfers in de kop tonen hoeveel processen er
draaien (in dit geval 47) , hoeveel geheugen en swap er gebruikt
wordt en hoeveel processortijd het systeem besteed aan
verschillende taakgroepen.Daaronder staat een serie van kolommen die soortgelijke
informatie bevatten als de uitvoer van &man.ps.1;. Zo zijn het
PID, de gebruikersnaam, de hoeveelheid processortijd en het
commando dat gebruikt is om het proces te starten te zien.
&man.top.1; laat standaard ook zien hoeveel geheugen er gebruikt
wordt door een proces. Dit staat in twee kolommen waarbij in de
eerste kolom het maximale geheugengebruik wordt getoond en in de
tweede kolom het huidige geheugengebruik. Maximale gebruik is
de hoeveelheid geheugen die het proces nodig had in de tijd dat
het bestaat en het residente gebruik is hoeveel er op het moment
van weergeven gebruikt wordt. In dit voorbeeld is zichtbaar dat
&netscape; bijna 30 MB RAM nodig
had, maar op het moment van uitvoeren 9 MB verbruikt.&man.top.1; werkt het beeld automatisch iedere twee seconden
bij. Dat kan gewijzigd worden met de optie
.Daemons, signalen en het stoppen van processenAls een gebruiker een editor draait is het makkelijk om de
editor te besturen, te vertellen om bestanden te openen, etc.
Dit kan omdat de editor de mogelijkheden geeft om dat te doen en
omdat de editor gekoppeld is aan een
terminal. Sommige programma's zijn niet
ontworpen om te draaien met continue gebruikersinvoer, dus
als zij de kans krijgen ontkoppelen zij zich van de terminal.
Een webserver reageert bijvoorbeeld de hele dag op webaanvragen
en heeft eigenlijk geen input van een lokale gebruiker nodig.
Programma's die email van locatie naar locatie transporteren zijn
een ander voorbeeld.Deze programma's heten daemons.
Daemons waren karakters in de Griekste mythologie, goed noch
slecht, ze waren dienende geesten die op grote schaal nuttige
dingen deden voor de mensheid. Net zoals de huidige webservers
en mailservers nuttige dingen doen. Dit is waarom de mascotte
voor BSD al lang een vrolijk kijkende daemon met puntoren en een
drietand is.Er is een overeenkomst om programma's die meestal draaien als
daemon te voorzien van het achtervoegsel d.
BIND is de Berkeley Internet Name
Daemon (het echte programma heet named), de
Apache webserver heet
httpd, de printerspooldriver heet
lpd, etc. Deze overeenkomst geldt niet
altijd. De hoofd maildaemon voor
Sendmail heet bijvoorbeeld
sendmail en niet
maild.Soms is communicatie met een daemon nodig. Deze
communicatie heet signaleren (signals).
Er kan met een daemon (of met elk ander draaiend proces)
gecommunicaeerd worden door er een signaal naartoe te sturen. Er
zijn een verschillende signalen. Sommige hebben een specifieke
bedoeling, andere worden geïntrepeteerd door de applicatie.
In de documentatie van de applicatie staat hoe de applicatie
signalen intrepeteert. Er kan alleen een signaal naar een proces
gezonden worden waar de uitvoerende gebruiker eigenaar van is.
Als met &man.kill.1; of &man.kill.1;een signaal naar een proces
van een andere gebruiker wordt gestuurd, wordt de toegang
geweigerd. De enige uitzondering hierop is de
root gebruiker, die signalen naar processen
van alle gebruikers kan sturen.&os; stuurt soms ook signalen naar applicaties. Als een
applicatie slecht geschreven is en hij probeert geheugen te
benaderen waar hij niet naartoe mag, stuurt &os; het proces een
Segmentation Violation signaal
(SIGSEGV). Als een applicatie de
systeemaanroep &man.alarm.3; heeft gebruikt om na een bepaalde
periode een alarm te ontvangen, wordt er een Alarm signaal
heen gestuurd (SIGALRM), etc.Twee signalen kunnen gebruikt worden om een proces te
stoppen: SIGTERM en
SIGKILL. SIGTERM is de
nette manier om een proces te killen. Het proces kan het signaal
afvangen, begrijpen dat de eigenaar wil dat
het wordt afgesloten, wellicht logboekbestanden sluiten die
geopend zijn en alle onderhanden activiteiten afhandelen. In een
aantal gevallen kan een proces SIGTERM
negeren: als het midden in een taak zit die niet beëindigd
kan worden.SIGKILL mag niet worden genegeerd door een
proces. Dit is het Wat je ook aan het doen bent, stop er
nu mee signaal. Na een SIGKILL
stopt &os; het proces meteen.
Dit is niet geheel waar. Er zijn een aantal dingen
die niet onderbroken kunnen worden. Als het proces
bijvoorbeeld een bestand probeert uit te lezen dat op een
andere computer in het netwerk staat en de andere computer
is verdwenen (uitgezet of het netwerk heeft een fout), dan
wordt er gezegd dat het proces niet
onderbroken kan worden. Uiteindelijk loopt
het proces uit de tijd, meestal na twee minuten. Zodra het
uit de tijd loopt, wordt het proces alsnog gestopt.Andere veelgebruikte signalen zijn SIGHUP,
SIGUSR1 en SIGUSR2. Dit
zijn algemeen bruikbare signalen en verschillende applicaties
zullen verschillend reageren als ze verstuurd worden.Stel dat het bestand met instellingen voor de webserver is
aangepast. Dan moet aan de webserver verteld worden dat die de
instellingen opnieuw moet lezen. Hiervoor zou
httpd gestopt en gestart kunnen worden, maar
dit resulteert in een korte onderbreking van de webserverdienst,
wat ongewenst kan zijn. De meeste daemons zijn geschreven om te
reageren op het SIGHUP signaal door het
opnieuw inlezen van het instellingenbestand. Dus in plaats van
het stoppen en herstarten van httpd kan het
SIGHUP signaal gezonden worden. Omdat er geen
standaard manier is om op deze signalen te reageren, reageren
verschillende daemons anders. Het is verstandig eerst de
documentatie van de daemon in kwestie te lezen.Zoals onderstaand voorbeeld laat zien, worden signalen door
&man.kill.1; verzonden.Het versturen van een signaal naar een procesDit voorbeeld toont hoe een signaal naar &man.inetd.8;
wordt verstuurd. Het bestand met instellingen voor
inetd is
/etc/inetd.conf en
inetd leest dit bestand opnieuw in als er
een SIGHUP wordt verstuurd.Eerst moet het proces ID worden opgezocht van het proces
waar een signaal naar verzonden moeten worden. Dit kan door
&man.ps.1; en &man.grep.1; te gebruiken. &man.grep.1; wordt
gebruikt om in de uitvoer te zoeken en te kijken naar de
string die de gebruiker opgeeft. Dit commando wordt gedraaid
als een normale gebruiker en &man.inetd.8; wordt gedraaid
onder de gebruiker root, dus aan
&man.ps.1; moet de optie meegegeven
worden.&prompt.user; ps -ax | grep inetd
198 ?? IWs 0:00.00 inetd -wWDus PID van &man.inetd.8; is 198. In sommige gevallen
kan grep inetd ook voorkomen in de
uitvoer. Dit komt door de manier waarop &man.ps.1; de lijst
van draaiende processen moet vinden.Met &man.kill.1; kan het signaal verzonden worden. Omdat
&man.inetd.8; wordt gedraaid door root
moet &man.su.1; gebruikt worden om root
te worden.&prompt.user; suPassword:
&prompt.root; /bin/kill -s HUP 198Zoals zovaak met &unix; commando's, geeft &man.kill.1;
geen uitvoer als het succesvol uitgevoerd is. Als een
signaal wordt verzonden naar een proces waarvan de gebruiker
niet zelf de eigenaar is, dan is de melding: kill:
PID: Operation not
permitted. Als het PID verkeerd wordt
ingevuld, wordt het signaal naar het verkeerde proces
verzonden, wat slecht kan zijn, of, als de gebruiker geluk
heeft, wordt het verzonden naar een PID dat momenteel niet in
gebruik is, waarop de foutmelding kill:
PID: No such process
verschijnt.Waarom /bin/kill gebruiken?Veel shells leveren kill als
ingebouwd commando. Dat betekent dat de shell het
signaal direct verstuurt in plaats van door het starten van
/bin/kill. Dit kan erg nuttig zijn,
maar verschillende shells hebben een verschillende
opdrachtregel voor het specificeren van de naam van het
signaal dat verstuurd moet worden. In plaats van ze
allemaal te leren, is het eenvoudiger om gewoon
/bin/kill PID
te gebruiken.Andere signalen versturen werkt bijna hetzelfde door
TERM of KILL op de
commandoregel te vervangen door wat nodig is.Het stoppen van willekeurige processen op een systeem is
meestal een slecht idee. In het bijzonder bij &man.init.8; met
proces ID 1. Het draaien van /bin/kill -s KILL
1 is een snelle manier om een systeem uit te
zetten. Argumenten die aan &man.kill.1; worden meegegeven
moeten altijd twee keer gecontroleerd
worden voordat op Enter
gedrukt wordt.ShellsshellscommandoregelIn &os; wordt een groot deel van het alledaagse werk
gedaan vanuit een omgeving met een commandoregel die shell heet.
De grootste taak van een sheel is om commando's van het
invoerkanaal op te vangen en deze uit te voeren. Veel shells
hebben ook functies ingebouwd om mee te helpen om alledaagse
taken zoals bestandsbeheer, bestandsglobbing, bestanden wijzigen
vanaf de commandoregel, commandomacro's schrijven en uitvoeren en
omgevingsvariabelen instellen en wijzigen. &os; heeft een aantal
shells bijgeleverd zoals sh, de Bourne Shell
en tcsh, de verbeterede C-shell. Er zijn veel
andere shells beschikbaar in de &os; Portscollectie zoals
zsh en bash.Welke shell gebruiken? Dit is een kwestie van smaak. Een
C–programmeur voelt zich misschien prettiger bij een
C–achtige shell, zoals tcsh. Een
voormalig &linux; gebruiker of iemand die niet veel ervaring
heeft met een &unix; commandoregel interface wil misschien
bash proberen. Elke shell heeft zijn eigen
unieke eigenschappen die wel of niet werken voor een bepaalde
gebruiker.Een standaard optie in een shell is bestandsnaam completie.
Door het intikken van de eerste paar letters van een commando of
bestandsnaam, kan de shell opdracht gegeven worden om automatisch
de rest het commando of bestandsnaam toe te voegen met de
Tab toets op het toetsenbord. Stel dat er twee
bestanden zijn met de namen foobar en
foo.bar en foo.bar moet
verwijderd worden. Dan kan op het toetsenbord
rm fo[Tab].[Tab]
ingevoerd worden.De shell geeft rm foo[BEEP].bar
weer.De [BEEP] geeft aan dat de shell in staat was om de
bestandsnaam te completeren omdat er meer dan één
soortgelijk bestand was. foobar en
foo.bar beginnen met fo,
maar het was in staat om het af te maken tot
foo. Na het invoeren van een
. en daarna Tab, is de shell
in staat om de rest van de bestandsnaam aan te vullen.omgevingsvariabelenEen andere optie van de shell is het gebruik van
omgevingsvariabelen. Omgevingsvariabelen zijn variabele
sleutelparen die opgeslagen zijn in de omgevingsruimte van een
shell. Deze ruimte kan uitgelezen worden door elk programma
dat door de shell wordt uitgevoerd en bevat dus veel
programmainstellingen. Hieronder staat een lijst van standaard
omgevingsvariabelen en wat ze beteken:omgevingsvariabelenVariabeleOmschrijvingUSERGebruikersnaam van de gebruiker die is
aangemeld.PATHEen lijst van mappen, gescheiden door een
: voor het zoeken naar binaire
bestanden.DISPLAYNetwerknaam van het X11 scherm om verbinding mee
te maken, indien beschikbaar.SHELLDe huidige shell.TERMDe naam van de huidige gebruikersterminal.
Gebruikt om de mogelijkheden van de terminal te
bepalen.TERMCAPDatabaseregel met terminal escape codes voor het
uitvoeren van diverse terminalfuncties.OSTYPEType besturingssysteem, bijvoorbeeld &os;.MACHTYPEDe CPU architectuur waar het systeem op
draait.EDITORDe teksteditor waar de gebruiker de voorkeur aan
geeft.PAGERDe tekstpager waar de gebruiker de voorkeur aan
geeft.MANPATHLijst van mappen gescheiden door een
: voor het zoeken naar
handleidingen.Bourne shellsHet instellen van omgevingsvariabelen verschilt van shell tot
shell. In de C–achtige shells zoals
tcsh en csh moet
setenv gebruikt worden om omgevingsvariabelen
in te stellen. In Bourne-shells zoals sh en
bash moet export gebruikt
worden om de omgevingsvariabelen in te stellen. Om bijvoorbeeld
de omgevingsvariabele EDITOR te wijzigen naar
/usr/local/bin/emacs onder
csh of tcsh moet het
volgende gedaan worden:&prompt.user; setenv EDITOR /usr/local/bin/emacsIn Bourne shells is dat:&prompt.user; export EDITOR="/usr/local/bin/emacs"Met de meeste shells kunnen de omgevingsvariabelen ook
weergegeven worden door een $ karakter voor
de variabelenaam te plaatsen op de commandoregel.
echo $TERM zou weergeven wat er in
$TERM gezet is, omdat de shell
$TERM uitbreid en het resultaat doorgeeft aan
echo.Shells kennen veel speciale karakters, die meta-karakters
heten, als speciale weergaves van data. De meest voorkomende is
het karakter * karakter, dat elk
karakter in een bestandsnaam voorstelt. Deze speciale
meta-karakters kunnen gebruikt worden om bestandsnaamglobbing te
doen. Door bijvoorbeeld echo * in te voeren,
is het resultaat bijna hetzelfde als door het uitvoeren van
ls, omdat de shell alle bestanden die
van toepassing zijn aan echo geeft om ze daarna te tonen.Om te voorkomen dat de shell deze speciale tekens
verwerkt, kunnen ze uitgeschakeld worden door er het backslash
karakter (\) voor te plaatsen.
echo $TERM print de inhoud van TERM naar het
scherm. echo \$TERM print $TERM zoals het
geschreven is.Shell wijzigenDe makkelijkste manier om de shell te wijzigen is
door het chsh commando te gebruiken.
Door chsh te starten wordt de editor gestart
die in de EDITOR omgevingsvariable staat. Als
deze niet is ingesteld, wordt vi
gestart. In de editor kan de regel waarop
Shell: staat gewijzigd worden.Aan chsh kan ook de optie
meegegeven worden. Dit stelt de shell in,
zonder dat een editor gebruikt hoeft te worden. Als de shell
bijvoorbeeld gewijzigd moet worden in bash,
kan dat als volgt:&prompt.user; chsh -s /usr/local/bin/bashDit kan ook door chsh zonder parameters
te starten en de regel met daarin de shell te wijzigen.De te gebruiken shell moet
geregistreerd zijn in /etc/ssh. Als een
shell uit de Portscollectie
is geïnstalleerd, is dit meestal automatisch gebeurd.
Als de shell met de hand is geïnstalleerd moet het
onderstaande gedaan worden.Als bijvoorbeeld bash met de hand
geïnstalleerd is in /usr/local/bin,
dient het onderstaande te gebeuren:&prompt.root; echo "/usr/local/bin/bash" >> /etc/shellsHierna kan chsh weer gedraaid
worden.TeksteditorsteksteditorseditorsEen groot deel van de instellingen in &os; wordt gemaakt door
het bewerken van tekstbestanden. Hierdoor is het een goed
idee om bekend te zijn met een tekstverwerker. &os; heeft er een
paar in het basissysteem en veel anderen zijn beschikbaar via de
Portscollectie.eeeditorseeDe makkelijkste en simpelste editor om te leren is de editor
ee, wat easy editor
betekent. Om ee te starten, moet op
de commandoregel ee
bestandsnaam ingevoerd
worden, waar bestandsnaam de naam is
van het bestand dat bewerkt moet worden. Om bijvoorbeeld
/etc/rc.conf te bewerken, wordt
ee /etc/rc.conf ingegeven. Eenmaal in
ee worden alle manipulatie commando's die de
editor heeft weergegeven aan de bovenkant van het scherm. Het
karakter dakje ^ staat voor de toets
CTRL op het toetsenbord, dus
^e vormt de toetscombinatie Ctrle.
Om uit ee te komen wordt op de toets
Esc gedrukt en daar kan gekozen worden om de
editor te verlaten. De editor vraagt dan of de wijzigingen
bewaard moeten worden als het bestand veranderd is.vieditorsviEmacseditorsEmacs&os; heeft ook uitgebreidere tekstverwerkers, zoals
vi, in het basissysteem en andere
editors als Emacs en
vim maken onderdeel uit van de &os;
Portscollectie (editors/emacs
en editors/vim). Deze
editors leveren veel meer functionaliteit en kracht maar zijn
lastiger om te leren. Als echter veel met tekstverwerking gedaan
wordt, is het leren van een krachtige editor als
vim of
Emacs verstandig omdat deze
uiteindelijk veel tijd kan besparen.Apparaten en apparaatnodesApparaat is een term die meestal wordt gebruikt
voor hardwareonderdelen in een systeem, zoals schijven, printers
grafische kaarten en toetsenborden. Als &os; opstart laat het
vooral zien welke apparaten gedetecteerd worden. Deze
opstartmeldingen kunnen nagekeken worden door het bestand
/var/run/dmesg.boot te bekijken.acd0 is bijvoorbeeld de eerste IDE
cd-rom drive, terwijl kbd0 staat voor
het toetsenbord.Veel van deze apparaten moeten in een &unix;
besturingssysteem benaderd worden via speciale bestanden die
apparaatnodes heten en te vinden zijn in de map
/dev.Apparaatnodes makenAls een nieuw apparaat wordt toegevoegd aan een systeem of
als ondersteuning voor extra apparaten wordt gecompileerd, dan
moeten misschien één of meer apparaatnodes voor
het nieuwe apparaat gemaakt worden.Het MAKEDEV scriptOp systemen zonder DEVFS (dit is het
geval voor alle &os; versies vóór 5.0) worden
apparaatnodes gemaakt door het script &man.MAKEDEV.8; zoals
hieronder wordt aangegeven:&prompt.root; cd /dev
&prompt.root; sh MAKEDEV ad1Dit voorbeeld maakt de juiste apparaatnode voor de tweede
IDE drive wanneer die geïnstalleerd is.DEVFS (apparaatbestandssysteem -
DEVice File System) Het apparaatbestandssysteem of DEVFS,
levert toegang tot de apparaatruimte van de kernel in het
globale bestandssysteem. In plaats van dat het nodig is om
apparaatnodes te maken en te wijzigen, doet
DEVFS dit.In &man.devfs.5; staat meer informatie.DEVFS wordt standaard gebruikt in
&os; 5.0 en verder.Binaire formatenOm te kunnen begrijpen waarom &os; gebruik maakt van
het &man.elf.5; formaat, is het belangrijk op de hoogte zijn
van de drie dominante uitvoerbare formaten voor
&unix;:&man.a.out.5;Het oudste en klassieke &unix; object
formaat. Het gebruikt een korte en compacte kop met een
magisch nummer aan het begin dat veel gebruikt wordt
om het formaat aan te geven (&man.a.out.5; geeft meer
details). Het bevat drie laadbare segmenten: .tekst, .data
en .bss, een symbolentabel en een stringtabel.COFFHet SVR3 object formaat. De kop bestaat uit een
sectietabel, dus er kunnen meer dan alleen .tekst, .data,
en .bss secties zijn.&man.elf.5;De opvolger van COFF, heeft
meerdere secties en 32-bit of 64-bit als mogelijke waarden.
Één nadeel: ELF was ook
ontworpen met de aanname dat er maar één
ABI per systeemarchitectuur zou zijn. Deze aanname is
eigenlijk redelijk incorrect, zelfs niet in de
commerciële SYSV wereld (die op zijn minst drie ABIs
heeft: SRV4, Solaris en SCO).&os; probeert om dit probleem heen te werken door
een hulpprogramma te leveren voor het
brandmerken van een bekend
ELF uitvoerbaar bestand met informatie
over de ABI waar hij mee kan werken. In &man.brandelf.1;
staat meer informatie.&os; komt uit het klassieke kamp en gebruikt
het &man.a.out.5; formaat, een technologie die zich bewezen heeft
door meerdere generaties van BSD versies heen, tot het begin van
de 3.X versies. Alhoewel het al mogelijk was om
ELF programma's en kernels te bouwen en te
draaien op een &os; systeem , verzette &os; zich eerst tegen de
druk om over te schakelen naar ELF als
standaard formaat. Waarom? Toen het &linux; kamp hun pijnlijke
wissel maakte naar ELF, was dat niet zozeer
om van het a.out formaat af te komen, maar
meer omdat van het op de inflexibele jump-tabel gebaseerde
gedeelde bibliotheekmechanisme af te komen, die het maken van
gedeelde bibliotheken erg moeilijk maakte voor bedrijven en
ontwikkelaars. Omdat de ELF hulprogramma's
een oplossing voor het gedeelde bibliotheek probleem waren en
algemeen gezien werden als een stap vooruit,
werd de migratie geaccepteerd als noodzakelijk kwaad en werd de
wissel uitgevoerd. Het gedeelde bibliotheek mechanisme van &os;
is meer gebaseerd op het gedeelde bibliotheek mechanisme van
Sun's &sunos; en daardoor erg makkelijk te gebruiken.Waarom zijn er zoveel verschillende formaten?In het duistere donkere verleden was er simpele hardware.
Deze simpele hardware ondersteunde een simpel klein systeem.
a.out was volledig adequaat voor de taak om
binaire bestanden op dat simpele systeem te vertegenwoordigen
(een PDP-11). Toen mensen &unix; van deze machine gingen porten,
behielden ze het a.out formaat omdat het
voldeed voor de vroege ports van &unix; naar architecturen
als Motorola 68k, VAXen, enzovoort.Toen besloot een slimme hardware engineer dat als hij de
software kon forceren om wat simpele truckjes te doen, hij in
staat was om een paar onderdelen van het ontwerp af te schaven,
waardoor zijn processorcore sneller kon draaien. Terwijl men
probeerde om het met deze nieuwe vorm van hardware te laten
werken (vandaag de dag beter bekend als RISC),
was a.out te beperkt voor deze hardware.
Dus werden er vele formaten ontworpen om betere prestaties te
krijgen uit deze hardware dan het simpele formaat
a.out kon leveren. Toen werden
COFF, ECOFF en een paar
andere duistere formaten uitgevonden en werden de limieten
verkend, waarna men besloot om zich te richten op
ELF.Daarnaast werden programma's groter en bleven schijven (en
fysiek geheugen) relatief klein, zodat het concept van een
gedeelde bibliotheek werd geboren. Het VM systeem werd ook meer
verfijnd. Terwijl al deze verbeteringen bereikt werden door het
a.out formaat, werd het nut met elke nieuwe
eigenschap verder uitgerekt. Daarnaast wilde men dingen
dynamisch laden tijdens het starten of delen weggooien nadat het
programma zijn intiële code had gedraaid om te blijven
hangen in het hoofdgeheugen en in de wisselbestanden. Talen
werden verder verfijnd en men wilde dat code automatisch werd
aangeroepen voor main. Er werden veel hacks gedaan in het
a.out formaat om alles mogelijk te maken en
dit werkte ook enige tijd. Na verloop van tijd was
a.out niet meer in staat om alle problemen
te adresseren zonder toenemende overhead in code en
complexibiliteit. Hoewel ELF veel van deze
problemem verhielp, was het moeilijk om te wisselen naar een
systeem dat compleet anders werkte. Dus moest
ELF wachten totdat het pijnlijker was om
a.out te behouden dan het te migreren naar
ELF.Met het verstrijken van de tijd, werden de bouwprogramma's
die &os; heeft afgeleid van hun bouwprogramma's (vooral de
assembler en de loader) ontwikkeld in twee parallel lopende
takken. De &os; tree voegde gedeelde bibliotheken toe en heeft
wat bugs opgelost. De mensen van GNU die deze programma's hebben
geschreven, hebben ze herschreven en simpelere ondersteuning
toegevoegd voor het bouwen van cross-compilers, waarbij
verschillende formaten zo nodig ingevoegd konden worden,
enzovoort. Omdat veel mensen cross-compilers wilden bouwen die
gericht waren op &os;, hadden die pech, omdat de oudere broncode
van &os; voor as en
ld niet opgewassen was tegen deze
taak. De nieuwe GNU programmaketen
(binutils) ondersteunt
cross-compiling, ELF, gedeelde bibliotheken,
C++ extensies, enzovoort. Daarnaast leveren veel
leverancierds ELF binaire bestanden en is het
goed voor &os; om het te draaien.ELF heeft meer expressiemogelijkheden dan
a.out en geeft meer
uitbreidingsmogelijkheden aan het basissysteem. De
ELF hulpprogramma's worden beter onderhouden
en geven de mogelijkheid tot ondersteuning voor cross compilatie,
wat voor veel mensen belangrijk is. ELF is
misschien iets trager dan a.out, maar
het meten daarvan kan vrij lastig zijn. Er zijn ook ontelbare
verschillen tussen de twee in hoe ze pages opslaan,
initiële code verwerken, enzovoort. Geen van allen zijn ze
erg belangrijk, maar er zijn verschillen. Na verloop van tijd
verdwijnt de ondersteuning voor a.out uit de
GENERIC kernel en uiteindelijk ook helemaal
uit de kernel als de noodzaak voor a.out
gebaseerde programma's voorbij is.Meer informatieHandleidingenhandleidingenDe meest uitvoerige documentatie van &os; is geschreven
in de vorm van handleidingen. Bijna elk programma op het
systeem heeft een kleine handleiding die uitlegt wat de
basisopties en verschillende argumenten doen. Deze
handleidingen bekeken worden met man. Het
gebruik van man gaat als volgt:&prompt.user; man commandocommando is de naam van het commando
waar meer informatie over getoond moet worden. Om bijvoorbeeld
meer informatie weer te geven over ls kan
het volgende uitgevoerd worden:&prompt.user; man lsDe handleidingen zijn opgedeeld in genummerde
onderdelen:Gebruikerscommando's.Systeemaanroepen en foutnummernummers.Functies in de C bibliotheken.Apparaatdrivers.Bestandsindelingen.Spelletjes en andere afleidingen.Diverse informatie.Systeemonderhoud en commando'sKernelontwikkelaars.In sommige gevallen kan een bepaald onderwerp vaker
voorkomen in een onderdeel van de handleidingen. Er is
bijvoorbeeld een gebruikerscommando chmod
en een systeemaanroep chmod(). In deze
gevallen kan man aangegeven worden welke
documentatie weer te geven door het specificeren van het
onderdeel:&prompt.user; man 1 chmodDit geeft de handleiding van het gebruikerscommando
chmod weer. Verwijzingen naar een bepaald
onderdeel van de handleiding worden traditioneel tussen haakjes
geplaatst: &man.chmod.1; verwijst naar het commando
chmod en &man.chmod.2; verwijst naar de
systeemaanroep.Dit werkt prima als de naam van het commando bekend is en
alleen informatie nodig is over het het commando gebruikt kan
worden, maar wat als de naam van het commando niet bekend is?
Dan kan man gebruikt worden om naar
trefwoorden te zoeken in de commandobeschrijvingen door de
optie te gebruiken:
&prompt.user; man -k mailMet dit commando wordt een overzicht getoond met commando's
die het trefwoord mail in hun omschrijving
hebben. Dit is gelijk aan het commando
apropos.Dus om meer informatie over spannende commando's met een
onbekende functie in /usr/bin te krijgen
is het volgende commando voldoende:&prompt.user; cd /usr/bin
&prompt.user; man -f *Het onderstaande commando resulteert in hetzelfde:&prompt.user; cd /usr/bin
&prompt.user; whatis *Gnu infobestandenFree Software Foundation&os; heeft veel applicaties en hulpmiddelen die gemaakt
zijn door de Free Software Foundation (FSF). Als extraatje
voor de documentatie hebben deze programma's uitgebreidere
html bestanden die infobestanden heten,
die uitgelezen kunnen worden met info of,
als emacs is geïnstalleerd, de
infomodus van emacs.&man.info.1; wordt als volgt gebruikt:&prompt.user; infoh geeft een korte beschrijving en
? toont een een kort
commando–overzicht.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml
index f9b51568fb..a597dc25c3 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml
@@ -1,3291 +1,3332 @@
ChernLeeGeschreven door MikeSmithNaar een tutorial van MattDillonTevens gebaseerd op tuning(7) door DannyPanstersVertaald door Instellingen en optimalisatieOverzichtsysteeminstellingensysteemoptimalisatieSysteeminstellingen zijn een belangrijk aspect van &os;.
Correcte instellingen helpen moeilijkheden bij toekomstige
upgrades te voorkomen. In dit hoofdstuk wordt het instellen van
&os; beschreven, alsmede een aantal prestatiebevorderende
maatregelen waarmee een &os; systeem geoptimaliseerd kan
worden.Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer:Hoe efficiënt om te gaan met bestandssystemen en
wisselpartities;De grondbeginselen van het rc.conf
instellingensysteem en van het opstarten van toepassingen
(diensten) met
/usr/local/etc/rc.d;Hoe een netwerkkaart ingesteld en getest wordt;Hoe virtuele hosts op netwerkapparatuur ingesteld
worden;Hoe de instellingenbestanden in
/etc gebruikt worden;Hoe &os; geoptimaliseerd kan worden met
sysctl variabelen;Hoe schijfprestaties te verbeteren en hoe
kernelbeperkingen gewijzigd kunnen worden.Veronderstelde voorkennis:De &unix; en &os; grondbeginselen () begrijpen;Bekend zijn met de grondbeginselen van kernelinstellingen
en compilatie ().Initiële instellingenPartitionerenpartitioneren/etc/var/usrBasispartitiesBij het aanmaken van bestandssystemen met
&man.disklabel.8; of &man.sysinstall.8; is het van belang
dat op een harde schijf de data-overdracht het snelst is aan
de buitenste sporen en het langzaamst aan de binnenste.
Kleinere en veelgebruikte bestandssystemen kunnen daarom het
beste aan het begin van de schijf geplaatst worden, terwijl
grotere partities als /usr meer naar het
einde van de schijf geplaatst kunnen worden. Het is een goed
idee om partities aan te maken in deze of gelijksoortige
volgorde: root, swap, /var,
/usr.De grootte van /var
hangt af van de wijze waarop de machine gebruikt gaat worden.
/var wordt gebruikt voor onder meer
mailboxen, logbestanden en printerdata en -wachtrijen.
Mailboxen en logbestanden kunnen onverwacht groot worden,
afhankelijk van het aantal systeemgebruikers en de bewaarduur
van logbestanden. Meestal is minder dan een gigabyte
voldoende. /var/tmp moet wel groot
genoeg moet zijn om packages te kunnen bevatten.De partitie /usr bevat veel van de
benodigde systeembestanden. Die bevat tevens de
&man.ports.7;collectie (aanbevolen) en de broncode
(optioneel). Beide zijn optioneel tijdens de installatie.
Voor deze partitie wordt tenminste 2 gigabyte
aanbevolen.Het is verstandig rekening te houden met de vereiste
schijfruimte bij het kiezen van partitiegroottes. Als in een
partitie onvoldoende vrije schijfruimte is, terwijl een
andere vrijwel niet gebruikt wordt, is dat een vervelend
en niet optimaal oplosbaar probleem.&man.sysinstall.8;'s Auto-defaults
partitiekeuze kan in de ervaring van sommige gebruikers
mogelijk te kleine /var en
/ partities opleveren. Partitioneren
moet verstandig en niet te zuinig gebeuren.Wisselpartities (swap)swap groottewisselpartitiewisselpartitiegrootteDe vuistregel is dat het wisselbestand ongeveer het
dubbele van de grootte van het systeemgeheugen (RAM) moet
zijn. Als de machine bijvoorbeeld 128 megabytes
geheugen heeft, kan het beste een wisselbestand van
(tenminste) 256 megabytes gebruikt worden. Minder
dan 256 megabytes swap is in dit geval af te raden.
Systemen met weinig geheugen kunnen overigens beter
functioneren met meer swap. Ook is het verstandig rekening
te houden met eventuele geheugenuitbreiding in de toekomst.
Bovendien zijn de VM paging algoritmen van de kernel zo
afgestemd dat ze het beste presteren bij een wisselbestand
van tenminste tweemaal de grootte van het geheugen. Een te
kleine swap kan dus inefficiënties in de VM code tot
gevolg hebben en mogelijk problemen veroorzaken als het
systeemgeheugen uitgebreid wordt.Op grotere systemen met meerdere SCSI schijven (of
meerdere IDE schijven op verschillende controllers) is het
aan te raden om op elke schijf een wisselpartitie in te
stellen (dit kan tot en met vier schijven), elk met ongeveer
dezelfde grootte. De kernel kan met arbitraire groottes
werken, maar interne datastructuren schalen tot viermaal de
grootste swappartitie. De kernel kan de beschikbare ruimte
voor het wisselbestand het meest optimaal indelen als de
partities ongeveer even groot zijn. Een grote swap is prima,
ook als ze zelden gebruikt wordt. Zo kan het gemakkelijker
zijn om een (uit de hand gelopen) proces dat het systeem
grotendeels bezet houdt te beëindigen, voordat er
opnieuw opgestart moet worden.Waarom partitioneren?Waarom niet één enkele grote partitie
gebruiken? Er zijn verscheidene redenen waarom dit niet zo'n
goed idee is. De verschillende partities hebben hun eigen
karakteristieke operationele gedrag en vereisten. Door ze te
scheiden zijn er betere mogelijkheden om het systeem te
optimaliseren. Vanaf de / en
/usr partities wordt bijvoorbeeld vooral
gelezen en er wordt weinig naar geschreven, terwijl er in
/var en /var/tmp
zowel veel gelezen als geschreven wordt.Door een systeem goed te partitioneren wordt vermeden dat
fragmentatie die optreedt in de kleinere partities met veel
schrijfactiviteit doorsijpelt naar partities die vooral
lees-intensief zijn. Door schrijf-intensieve partities aan
het begin van de schijf te plaatsen, zijn de prestaties wat
betreft invoer/uitvoer het beste is daar waar het het
meest nodig is. Ofschoon er natuurlijk ook de best mogelijke
in/uit prestaties wenselijk zijn in de grotere partities,
weegt het plaatsen van deze bestandssystemen aan het begin
van de schijf niet tegen de voordelen van het plaatsen van
/var aan het begin van de schijf (na
root en swap) voor de totale snelheid van het systeem.
Tenslotte zijn er veiligheidsoverwegingen. Een compacte en
nette rootpartitie die vrijwel alleen-lezen is, heeft een
betere kans om een nare crash te overleven.Hoofdinstellingenrc bestandenrc.confDe voornaamste lokatie voor systeeminstellingen is
/etc/rc.conf. Dit bestand bevat een scala
aan instellingen, die gebruikt wordt om het systeem in te stellen
bij het opstarten. De naam impliceert dit al. Het is informatie
voor de rc* bestanden (rc staat voor
resource configuration of
broninstellingen).De systeembeheerder wordt geacht regels toe te voegen aan
rc.conf om de standaardinstellingen uit
/etc/defaults/rc.conf aan te passen. Het
standaardbestand moet niet letterlijk gekopiëerd worden
naar /etc. Het bevat standaardwaardes en is
niet bedoeld als voorbeeld. Alle wijzigingen die specifiek
zijn voor een systeem horen in /etc/rc.conf
thuis.In een clusterscenario is het nuttig om systeemspecifieke
instellingen te scheiden van algemene instellingen die voor het
hele cluster gelden. Hiervoor kunnen een aantal strategieën
worden gebruikt. De aanbevolen benadering is om gedeelde
instellingen in een ander bestand te plaatsen, zoals
/etc/rc.conf.site en dit invoegen in
/etc/rc.conf, wat verder alleen
systeemspecifieke informatie bevat.Aangezien rc.conf gelezen wordt door
&man.sh.1; is dit eenvoudig te bereiken:rc.conf:. rc.conf.site
hostname="node15.example.com"
network_interfaces="fxp0 lo0"
ifconfig_fxp0="inet 10.1.1.1"rc.conf.site:defaultrouter="10.1.1.254"
saver="daemon"
blanktime="100"rc.conf.site kan dan naar elk systeem
gedistribueerd worden met rsync of een
gelijksoortig programma, terwijl rc.conf
uniek blijft.Het actualiseren van het systeem met &man.sysinstall.8;
of make world overschrijft
rc.conf niet, zodat de bestaande
systeeminstellingen niet verloren gaan.Toepassingen instellenGeïnstalleerde toepassingen hebben meestal hun eigen
instellingenbestanden, met hun eigen syntaxis, etc. Het is van
belang deze bestanden apart te houden van het basissysteem,
zodat ze makkelijk gelokaliseerd kunnen worden en beheerd kunnen
worden met de hulpmiddelen voor pakketbeheer./usr/local/etcDeze bestanden worden meestal geïnstalleerd in
/usr/local/etc. Als een toepassing een
uitgebreide set bestanden voor instellingen heeft, wordt er een
submap voor aangemaakt.Bij de installatie van een port of package, worden normaliter
ook voorbeeldbestanden met instellingen geïnstalleerd. Deze
zijn doorgaans te herkennen aan een toevoegsel
.default. Als er geen bestaande
instellingenbestanden voor de toepassing zijn, kunnen ze gemaakt
worden door de .default bestanden te
kopiëren.Een voorbeeld is de map
/usr/local/etc/apache:-rw-r--r-- 1 root wheel 2184 May 20 1998 access.conf
-rw-r--r-- 1 root wheel 2184 May 20 1998 access.conf.default
-rw-r--r-- 1 root wheel 9555 May 20 1998 httpd.conf
-rw-r--r-- 1 root wheel 9555 May 20 1998 httpd.conf.default
-rw-r--r-- 1 root wheel 12205 May 20 1998 magic
-rw-r--r-- 1 root wheel 12205 May 20 1998 magic.default
-rw-r--r-- 1 root wheel 2700 May 20 1998 mime.types
-rw-r--r-- 1 root wheel 2700 May 20 1998 mime.types.default
-rw-r--r-- 1 root wheel 7980 May 20 1998 srm.conf
-rw-r--r-- 1 root wheel 7933 May 20 1998 srm.conf.defaultAan de grootte van de bestanden is te zien dat alleen
srm.conf gewijzigd is. Als later de
Apache port wordt vernieuwd, wordt dit
bestand niet overschreven.TomRhodesBijgedragen door Diensten startendienstenVeel gebruikers kiezen ervoor om software van derden te
installeren op &os; vanuit de Portscollectie. In veel gevallen
is het noodzakelijk om de software dusdanig in te stellen dat
het opstart tijdens het booten. Diensten zoals mail/postfix of www/apache13 zijn slechts twee
voorbeelden van softwarepakketten die gestart kunnen worden
tijdens de systeemstart. In deze paragraaf wordt toegelicht
hoe software van derde partijen kan worden gestart.In &os; worden de meeste diensten, zoals &man.cron.8;, door
de opstartscripts van het systeem gestart. Deze scripts kunnen
verschillen tussen &os; en leverancierversies, echter het meest
belangrijke aspect om in gedachten te houden is dat hun
opstartinstellingen verwerkt kunnen worden door simpele
opstartscripts.Voor de komst van rcNG zetten applicaties simpelweg een
opstartscript in de map /usr/local/etc/rc.d dat dan
uitgelezen werd door de opstartscripts van het systeem. Deze
scripts werden dan uitgevoerd tijdens de laatste stappen van
een systeemstart.Terwijl veel individuen bezig waren om de oude stijl van
instellen naar de nieuwe stijl over te zetten, bleef sommige
software nog steeds een script nodig hebben in de genoemde map.
De subtiele verschillen in de scripts hangen af van het wel of
niet gebruiken van rcNG. Vóór &os; 5.1
werden scripts oude stijl gebruikt en in bijna
alle gevallen voldoet een script nieuwe
stijl.Elk script moet een .sh toegevoegd
hebben aan het einde en elk script moet opstartbaar zijn door
het systeem. Het laatstgenoemde kan bereikt worden met
chmod en door het zetten van de rechten
755. Er zouden ook minimaal de opties
start en stop moeten zijn
voor de applicatie.Het simpelste opstartscript ziet er waarschijnlijk als
volgt uit:#!/bin/sh
echo -n ' utility'
case "$1" in
start)
/usr/local/bin/utility
;;
stop)
kill -9 `cat /var/run/utility.pid`
;;
*)
echo "Usage: `basename $0` {start|stop}" >&2
exit 64
;;
esac
exit 0Dit script levert de opties stop en
start voor de applicatie met de naam
utility.Dit kan handmatig gestart worden met:&prompt.root; /usr/local/etc/rc.d/utility.sh startHoewel niet alle software van derden een regel nodig heeft
in /etc/rc.conf, wordt er bijna elke
dag een wel een port veranderd om deze instellingen te
ondersteunen. De meldingen tijdens de installatie van de port
bevatten vaak meer informatie. Sommige software
van derden levert opstartscripts die de applicatie kunnen laten
werken met rcNG. Dit wordt in de volgende paragraaf
behandeld.Uitgebreide applicatieinstellingenNu &os; rcNG heeft, zijn de instellingen van
applicaties die mee moeten opstarten verbeterd. Er is meer
diepgang in gekomen. Door gebruik te maken van de
sleutelwoorden die in de paragraaf rcNG behandeld worden,
kunnen applicaties nu starten na andere diensten.
DNS kan bijvoorbeeld extra opties
meekrijgen van /etc/rc.conf in plaats
van hard ingestelde opties in het opstartscript. Een
basisscript ziet er ongeveer als volgt uit:#!/bin/sh
#
# PROVIDE: utility
# REQUIRE: DAEMON
# BEFORE: LOGIN
# KEYWORD: FreeBSD shutdown
#
# WIJZIG DEZE WAARDEN NIET HIER
# MAAR IN HET BESTAND /etc/rc.conf
#
utility_enable=${utility_enable-"NO"}
utility_flags=${utility_flags-""}
utility_pidfile=${utility_pidfile-"/var/run/utility.pid"}
. /etc/rc.subr
name="utility"
rcvar=`set_rcvar`
command="/usr/local/sbin/utility"
load_rc_config $name
pidfile="${utility_pidfile}"
start_cmd="echo \"Starting ${name}.\"; /usr/bin/nice -5 ${command} ${utility_flags} ${command_args}"
run_rc_command "$1"Dit script zorgt ervoor dat
utility wordt gestart voor
de dienst login, maar na de dienst
daemon. Het biedt ook de mogelijkheid
voor het instellingen en volgen van het
PID of het process ID
bestand.Voor deze applicatie kan dan de volgende regel in
/etc/rc.conf geplaatst worden:utility_enable="YES"Deze nieuwe methode maakt het volgende mogelijk:
makkelijker commandoregelopties manipuleren, importeren van
standaardfuncties uit /etc/rc.subr,
compatibiliteit met het &man.rcorder.8; programma en het
eenvoudiger instellingen via
/etc/rc.conf. In essentie kan dit
script zelfs geplaatst worden in de map /etc/rc.d. Dat kan in
potentie wel het &man.mergemaster.8; programma van de wijs
brengen als dat gebruikt wordt voor het bijwerken van
software.Diensten met diensten startenAndere diensten, zoals POP3 server
daemons, IMAP, enzovoort, kunnen gestart
worden door gebruik te maken van &man.inetd.8;. Daaraan is
voorafgegaan dat die dienst uit de Portscollectie is
geïstalleerd en dat er een regel met instellingen is
toegevoegd aan /etc/inetd.conf of
één van de bestaande niet actieve regels is
geactiveerd. Werken met inetd
en zijn instellingen wordt uitgebreid toegelicht in de
paragraaf over inetd.In sommige gevallen is het handiger om &man.cron.8; te
gebruiken om diensten te starten. Deze aanpak heeft een aantal
voordelen omdat cron start als de eigenaar
van crontab. Dit stelt reguliere
gebruikers in staat om sommige applicaties te starten en te
onderhouden.cron levert een unieke optie: plaats van
een tijdsspecificatie kan @reboot gebruikt
worden. Dit zorgt ervoor dat de taak gestart wordt als
&man.cron.8; gestart wordt, meestal tijdens een
systeemstart.TomRhodesGeschreven door cron instellencroninstellenEen zeer nuttig hulpprogramma in &os; is &man.cron.8;. De
cron daemon draait op de achtergrond en
controleert voortdurend /etc/crontab. Ook
controleert cron de map
/var/cron/tabs, op zoek naar nieuwe
crontab bestanden. Deze
crontab bestanden bevatten informatie over
specifieke taken die cron moet verrichten op
gezette tijden.cron gebruikt twee verschillende soorten
instellingenbestanden: de systeemcrontab en gebruikerscrontabs.
Het enige verschil tussen deze twee formaten is het zesde veld.
In de systeemcrontab is dit de gebruikersnaam die het commando
uitvoert. Hierdoor kunnen met de systeemcrontab commando's als
iedere gebruiker uitgevoerd worden. In een gebruikerscrontab is
het zesde veld het uit te voeren commando en alle commando's
worden uitgevoerd als de gebruiker die de crontab heeft
aangemaakt. Dit is een belangrijke veiligheidsmaatregel.Gebruikerscrontabs geven individuele gebruikers de
mogelijkheid om bepaalde terugkerende taken automatisch te
laten uitvoeren zonder dat root rechten
noodig zijn. Commando's in de crontab van een gebruiker
worden uitgevoerd met de rechten van de eigenaar.root kan ook een gebruikerscrontab
aanleggen. Dit is niet dezelfde als
/etc/crontab (de systeemcrontab). Omdat
er al een systeemcrontab is, is het doorgaans niet nodig om een
gebruikerscrontab voor root te
maken./etc/crontab (de systeemcrontab) ziet er
uit als volgt:# /etc/crontab - root's crontab for &os;
#
# $&os;: src/etc/crontab,v 1.32 2002/11/22 16:13:39 tom Exp $
#
#
SHELL=/bin/sh
PATH=/etc:/bin:/sbin:/usr/bin:/usr/sbin
HOME=/var/log
#
#
#minuut uur mdag maand wdag wie commando
#
#
*/5 * * * * root /usr/libexec/atrun Zoals in de meeste &os; instellingenbestanden gaat het
karakter # vooraf aan commentaar.
Commentaar wordt gebruikt als uitleg en geheugensteun.
Commentaar dient niet vermengd te worden met commando's,
anders wordt het commentaar opgevat als deel van het
commando. Blanco regels worden genegeerd.Eerst worden omgevingsvariabelen gedefiniëerd.
Hoervoor wordt het is-gelijk karakter (=)
gebruikt. In het bovenstaande voorbeeld wordt het gebruikt
voor de variabelen SHELL, PATH
en HOME. Als de regel SHELL
ontbreekt, gebruikt cron standaard
sh als shell. Voor de omgevingsvariabele
PATH bestaat geen standaardwaarde. Als
PATH ontbreekt moeten absolute paden
gebruikt worden. Als HOME ontbreekt, gebruikt
cron de thuismap van de de gebruiker die
cron aanroept.In deze commentaarregel staan de zeven velden van een
crontabdefinitie. Dit zijn minuut,
uur, mdag,
maand, wdag,
wie en commando. De
betekenissen liggen voor de hand: minute
is het aantal minuten van het tijdstip waarop het commando
moet worden uitgevoerd; hour geeft het uur
aan; mdag staat voor de dag van de maand;
maand staat voor het maandnummer en
wdag geeft de dag van de week aan. Het
veld wie is bijzonder en bestaat alleen in
/etc/crontab. Het geeft aan als welke
gebruiker het commando uitgevoerd moet worden. Een gebruiker
die zijn eigen crontab installeert,
heeft deze optie niet. Het veld command
bevat het uit te voeren commando.In deze regel worden aan de hierboven besproken opties
waarden toegekend. Er wordt gebruik gemaakt van
*/5 en * karakters.
Deze betekenen eerst-laatst en kunnen gezien
worden als telkens. In deze regel staat
dus dat het commando atrun elke vijf
minuten moet worden uitgevoerd door
root, ongeacht welke dag of maand het
is. Meer informatie over atrun staat in
&man.atrun.8;.Commando's kunnen een willekeurig aantal opties of
argumenten meekrijgen. Als commando's echter meerdere regels
nodig hebben moeten deze regels afgebroken worden met een
backslash \ karakter, om aan te geven dat ze
op de volgende regel vervolgd worden.Dit is de basisopzet voor elk crontab
bestand. De enige uitzondering is de aanwezigheid van veld zes,
waar de gebruikersnaam wordt aangegeven. Dit veld bestaat alleen
in het systeembestand /etc/crontab. Voor
crontabbestanden van individuele gebruikers
moet dit veld worden weggelaten.Een crontab installerenDe onderstaande procedure moet niet gebruikt worden om de
systeemcrontab te wijzigen of te installeren. Er kan een
gewone editor gebruikt worden. cron
ziet dat het bestand veranderd is en begint direct met het
gebruiken van de nieuwe versie. Deze
FAQ vraag geeft verdere uitleg.Om een nieuwe crontab te installeren
moet eerst een bestand in het juiste formaat gemaakt worden en
daarna moet het geiuml;nstalleerd worden met
crontab commando:&prompt.root; crontab crontabbestandIn dit voorbeeld is crontabbestand de
naam van een eerder gemaakt
crontabbestand.Er bestaat ook een optie om een lijst van
geïnstalleerde crontab bestanden op
te vragen, namelijk de optie van
crontab.Gebruikers die hun eigen crontabbestand willen schrijven
zonder het gebruik van een sjabloon, kunnen gebruik maken van
crontab -e. Dit opent de
EDITOR met een leeg bestand. Als het bestand
wordt opgeslagen en de editor wordt afgesloten, wordt het
bestand automatisch als crontab
geïnstalleerd.Een gebruikerscrontab kan verwijderd
worden door de met crontab de optie
te gebruiken.TomRhodesGeschreven door Gebruik van rc met &os; 5.XrcNG&os; gebruikt inmiddels het NetBSD rc.d
systeem bij het opstarten van het systeem. Veel van de bestanden
in /etc/rc.d zijn scripts voor basisdiensten
die werken met de opties ,
en , analoog aan
hoe diensten die via een port of package zijn geïnstalleerd
gestart worden met de scripts in
/usr/local/etc/rc.d. &man.sshd.8; kan
bijvoorbeeld als volgt herstart worden:&prompt.root; /etc/rc.d/sshd restartDeze procedure is vrijwel gelijk voor andere diensten.
Uiteraard worden diensten meestal automatisch gestart zoals
in &man.rc.conf.5; staat. Om de Network Address Translation
daemon bij het opstarten te laten starten is de volgende regel in
/etc/rc.conf bijvoorbeeld voldoende:natd_enable="YES"Als er reeds een natd_enable="NO" regel
is, kan NO gewoon in YES
veranderd worden. De rc scripts starten, voor zover nodig,
automatisch andere afhankelijke diensten.Omdat het rc.d systeem in eerste
instantie bedoeld is om diensten te starten en stoppen bij het
opstarten en afsluiten van het systeem, werken de standaardopties
, en
alleen als de juiste variabelen in
/etc/rc.conf zijn ingesteld. Het commando
sshd restart alleen dan als
sshd_enable de waarde YES
heeft in /etc/rc.conf. Als er een service
gestart, gestopt of herstart moet worden, ongeacht de definities
in /etc/rc.conf, moet het commando
voorafgegaan worden door force. Dus om
sshd te herstarten ongeacht
/etc/rc.conf setting, voldoet het volgende
commando:&prompt.root; /etc/rc.d/sshd forcerestartHet is eenvoudig te controleren of een dienst is ingeschakeld
is in /etc/rc.conf door het bijpassende
rc.d script uit te voeren met de optie
. Voor sshd:&prompt.root; /etc/rc.d/sshd rcvar
# sshd
$sshd_enable=YESDe tweede regel (# sshd) is de
uitvoer van sshd, geen
root console.De optie wordt gebruikt om vast te
stellen of een dienst gestart is. Om bijvoorbeeld te controleren
of sshd gestart is:&prompt.root; /etc/rc.d/sshd status
sshd is running as pid 433.Het is ook mogelijk om een dienst te herladen met de optie
. Dan wordt er getracht een signaal te
sturen aan een individuele dienst, waarbij de dienst de bestanden
met instellingen opnieuw in moet lezen. Meestal komt dit neer
op het verzenden van het signaal
SIGHUP signaal.De structuur van rcNG wordt niet
alleen gebruikt voor netwerkdiensten, maar ook voor het merendeel
van de systeemstart. In dit kader is bijvoorbeeld het bestand
bgfsck interessant. Als dit script wordt
uitgevoerd, wordt de volgende boodschap getoond:Starting background file system checks in 60 seconds.Dit script wordt dus gebruikt voor bestandssysteemcontrole
in de achtergrond, hetgeen alleen tijdens de systeemstart
gebeurt.Veel systeemdiensten zijn afhankelijk van andere diensten om
correct te kunnen functioneren. Zo starten NIS en andere
RPC-gebaseerde diensten niet als de rpcbind
(portmapper) dienst nog niet draait. Om dit te stroomlijnen
wordt informatie over afhankelijkheden en andere meta-data
ingevoegd in het commentaar bovenaan het opstartscript. Deze
commentaarregels worden vervolgens tijdens de systeemstart
met &man.rcorder.8; verwerkt om zo vast te stellen in welke
volgorde de systeemdiensten gestart moeten worden. De volgende
sleutelwoorden kunnen worden opgenomen aan het begin van elk
opstartscript:PROVIDE: geeft aan in welke diensten
dit bestand voorziet.REQUIRE: geeft aan welke andere
diensten vereist zijn voor deze dienst. Dit script wordt
uitgevoerd na de aangegeven
diensten.BEFORE: geeft diensten aan die
afhankelijk zijn van deze dienst. Dit bestand wordt
uitgevoerd vóór de
aangegeven diensten.KEYWORD: &os; of NetBSD. Dit wordt gebruikt voor
speciale eigenschappen van één van de
*BSD's.Met deze methode kan een systeembeheerder gemakkelijk
systeemdiensten besturen, zonder gedoe met
runlevels zoals bij sommige andere &unix;
systemen.Meer informatie over het &os; 5.X
rc.d staat in &man.rc.8; en
&man.rc.subr.8;.MarcFonvieilleGeschreven door Netwerkkaarten instellennetwerkkaarteninstellenHet is tegenwoordig nauwelijks voorstelbaar dat een computer
geen netwerkverbinding heeft. Het toevoegen en instellen van
een netwerkkaart is een gebruikelijke taak voor een &os;
beheerder.Het juiste stuurprogramma vindennetwerkkaartenstuurprogrammaVoor het zoeken begint, moet duidelijk zijn om welke kaart
het gaat, welke chip erop zit en of het een PCI of ISA kaart
is. &os; ondersteunt vele kaarten. Op de Hardware
Compatibiliteitslijst voor de betreffende release om staan de
kaarten die ondersteund worden.Als duidelijk is dat een kaart ondersteund wordt, moet
vastgesteld worden wat het geschikte stuurprogramma is.
In het bestand /usr/src/sys/conf/NOTES
(/usr/src/sys/arch/conf/LINT
voor &os; 4.X) staat een lijst van stuurprogramma's voor
netwerkinterfaces met wat informatie over de ondersteunde
chipsets of kaarten. In geval van twijfel biedt de hulppagina
voor het stuurprogramma (man) vaak uitkomst.
In het algemeen bevat deze meer informatie over de ondersteunde
hardware en mogelijke problemen die kunnen optreden.NOTES bestaat niet op &os; 4.X.
In plaats daarvan kan in het bestand
LINT informatie gevonden worden over een
groot aantal netwerkkaarten. In staan meer details over
NOTES versus
LINT.Als een veelgebruikte kaart gebruikt wordt, hoeft meestal
niet ver gezocht te worden. Stuurprogramma's voor
veelvoorkomende netwerkinterfaces al aanwezig in de algemene
GENERIC kernel. In dat geval wordt zo'n
al gevonden worden bij het opstarten, bijvoorbeeld met het
volgende bericht:dc0: <82c169 PNIC 10/100BaseTX> port 0xa000-0xa0ff mem 0xd3800000-0xd38
000ff irq 15 at device 11.0 on pci0
dc0: Ethernet address: 00:a0:cc:da:da:da
miibus0: <MII bus> on dc0
ukphy0: <Generic IEEE 802.3u media interface> on miibus0
ukphy0: 10baseT, 10baseT-FDX, 100baseTX, 100baseTX-FDX, auto
dc1: <82c169 PNIC 10/100BaseTX> port 0x9800-0x98ff mem 0xd3000000-0xd30
000ff irq 11 at device 12.0 on pci0
dc1: Ethernet address: 00:a0:cc:da:da:db
miibus1: <MII bus> on dc1
ukphy1: <Generic IEEE 802.3u media interface> on miibus1
ukphy1: 10baseT, 10baseT-FDX, 100baseTX, 100baseTX-FDX, autoIn dit voorbeeld zitten er twee kaarten in het systeem die
het stuurprogramma &man.dc.4; gebruiken.Als het stuurprogramma voor een NIC geen onderdeel is van
de GENERIC kernel, dan dient het juiste
stuurprogramma voor die NIC geladen te worden. Dit kan op twee
manieren:De meest eenvoudige manier is het laden van een
kernelmodule voor een netwerkkaart met &man.kldload.8;.
Niet alle NIC stuurprogramma's zijn als module beschikbaar.
Zo zijn er bijvoorbeeld geen modules beschikbaar voor ISA
kaarten.Ondersteuning voor een kaart kan ook in de kernel
gecompileerd worden. In
/usr/src/sys/conf/NOTES,
/usr/src/sys/arch/conf/NOTES
en de hulppagina van het stuurprogramma is na te lezen wat
er in het kernelinstellingenbestand moet staan. In staat meer informatie over het
compileren van een eigen kernel. Als een netwerkkaart al
bij het opstarten wordt herkend door de
GENERIC kernel, is er geen reden om
een andere kernel te bouwen.De netwerkkaart instellennetwerkkaarteninstellenNadat een geschikt stuurprogramma geladen is, moet de kaart
nog ingestelt worden. Mogelijk is dit al gebeurd door
sysinstall tijdens de
installatie.Om de instellen van de netwerkkaarten weer te geven
zien:&prompt.user; ifconfig
dc0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet 192.168.1.3 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.1.255
ether 00:a0:cc:da:da:da
media: Ethernet autoselect (100baseTX <full-duplex>)
status: active
dc1: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet 10.0.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 10.0.0.255
ether 00:a0:cc:da:da:db
media: Ethernet 10baseT/UTP
status: no carrier
lp0: flags=8810<POINTOPOINT,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
lo0: flags=8049<UP,LOOPBACK,RUNNING,MULTICAST> mtu 16384
inet 127.0.0.1 netmask 0xff000000
tun0: flags=8010<POINTOPOINT,MULTICAST> mtu 1500Op oudere versies van of &os; moet volgens
&man.ifconfig.8; misschien de optie
gebruikt worden. In &man.ifconfig.8;zijn meer details over
de syntaxis te lezen. In dit voorbeeld is de uitvoer over
IPv6 (inet6 etc.) achterwege
gelaten.In dit voorbeeld werden de volgende apparaten
weergegeven:dc0: de eerste Ethernet
interface;dc1: de tweede Ethernet
interface;lp0: de parallelle poort
interface;lo0: het loopback
apparaat;tun0: het tunnelapparaat
gebruikt door ppp.&os; gebruikt de naam van het stuurprogramma gevolgd door
een nummer voor de volgorde waarop de kaarten gedetecteerd zijn
bij het opstarten. sis2 is de derde
netwerkkaart in het systeem die het stuurprogramma &man.sis.4;
gebruikt.In het vorige voorbeeld is het apparaat
dc0 volledig operationeel. Dit blijkt
uit de volgende indicatoren:UP betekent dat de kaart
ingesteld is en klaar voor gebruik;De kaart heeft een Internet (inet)
adres (in dit geval 192.168.1.3);Het heeft een geldig subnetmasker
(netmask; 0xffffff00 is hetzelfde als
255.255.255.0);Het heeft een geldig broadcastadres (in dit geval,
192.168.1.255);Het MAC adres van de kaart (ether)
is 00:a0:cc:da:da:da;De fysieke mediaselectie staat in autoselectiemodus
(media: Ethernet autoselect (100baseTX
<full-duplex>)).
dc1 is ingesteld om met
10baseT/UTP media te werken. Meet
informatie over de mogelijke media types staan in de
hulppagina's voor het betreffende stuurprogramma.De status van de link (status)
is active, dat wil zeggen dat de drager
is gevonden. Bij dc1staat echter
status: no carrier. Dit is normaal als
er geen ethernet kabel in de kaart gestoken is.Als de uitvoer &man.ifconfig.8; uitvoer er ongeveer zoals
hieronder uitziet, dan is de netwerkkaart nog niet
ingesteld:dc0: flags=8843<BROADCAST,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
ether 00:a0:cc:da:da:daOm de kaart te instellen zijn root
rechten nodig. De netwerkkaart van vanaf de console worden
ingesteld met &man.ifconfig.8;, maar dan moet dat na elke
herstart herhaald worden. Daarom wordt het vrijwel altijd in
/etc/rc.conf gezet.In /etc/rc.conf moet voor elke
netwerkkaart in een systeem een regel toegevoegd worden. In
het huidige voorbeeld zou dat het volgende kunnen zijn:ifconfig_dc0="inet 192.168.1.3 netmask 255.255.255.0"
ifconfig_dc1="inet 10.0.0.1 netmask 255.255.255.0 media 10baseT/UTP"dc0, dc1,
enzovoort, moeten vervangen worden door de correcte
stuurprogramma's voor de netwerkkaarten, zo ook de
IP adressen. In de handleiding van het
stuurprogramma en van &man.ifconfig.8; staan meer details over
de mogelijke opties en in &man.rc.conf.5; staat meer informatie
over /etc/rc.conf.Als het netwerk al is ingesteld tijdens het installeren van
&os; staan er al enkele regels met betrekking tot de
netwerkkaart(en) in /etc/rc.conf. Het is
dus handig /etc/rc.conf te controleren
voordat er regels toegevoegd worden.Ook /etc/hosts moet worden gewijzigd
om de namen en IP adressen van
verschillende machines op het lokale netwerk, als ze er nog
niet in staan. Meer informatie staat in &man.hosts.5; en
/usr/share/examples/etc/hosts.Testen en problemen oplossenAls de veranderingen in /etc/rc.conf
zijn gemaakt, moet het systeem opnieuw gestarten worden (of
moeten nauwkeurig alle daemons gestart of herstart worden).
Veranderingen aan de interface(s) worden dan toegepast en dan
kan er controleerd worden of herstarten goed werkt zonder
foutmeldingen.Als de kaart werkt, maar de performance is slecht, dan kan
het de moeite waard zijn om &man.tuning.7; door te nemen.
Incorrecte netwerkinstellingen kunnen ook tot langzame
verbindingen leiden.Soms kunnen enkele device timeouts
optreden. Met sommige kaarten is dit normaal gedrag. Maar als
dit continu gebeurd of storend is, is het verstandig uit te
zoeken of er geen sprake is van een hardwareconfict tussen de
netwerkkaart en een ander apparaat. Ook dient nogmaals de
bekabeling gecontroleer te worden. Misschien zit er niets
anders op dan een andere netwerkkaart te gebruiken.Het is ook mogelijk dat er watchdog
timeout foutmeldingen optreden. Als eerste moet
dan de netwerkkabel fecontroleerd worden. Veel kaarten hebben
een PCI slot nodig dat Bus Mastering ondersteunt. Sommige
oudere moederborden hebben maar één PCI slot
waarmee dit kan (meestal slot 0). In de documentatie van de
netwerkkaart en het moederbord is na te gaan of dit het
probleem is.No route to host meldingen treden op
als het systeem niet in staat is om een pakket naar de
eindbestemming te routeren. Dit kan gebeuren als er geen
standaardroute aangegeven is of als er een kabel niet verbonden
is. De uitvoer van netstat -rn moet
gecontroleerd worden en of er een geldige route is naar de
bestemming. Mocht dit niet het geval zijn, dan staat er meer
informatie in .ping: sendto: Permission denied
foutmeldingen worden vaak veroorzaakt door een verkeerd
ingestelde firewall. Als de kernel ipfw
activeert bij het opstarten zonder dat er firewallregels zijn
gedefiniëerd, is het standaardbeleid om alle verkeer te
weigeren, zelfs pings! In staat
meer informatie.Er kan ook sprake zijn van onvoldoende prestaties doordat
de mediaselectie instelling niet optimaal is. In dergelijke
gevallen is het mogelijk om de mediaselectie niet als
autoselect in te stellen, maar expliciet
aan te geven wat de mediaselectie moet zijn, bijvoorbeeld
10baseT/UTP voor twisted pair. Hoewel dit voor de meeste
hardware helpt, kan het zijn dat de problemen blijven.
Dan moeten nogmaals de netwerkinstellingen gecontroleerd worden
en geeft de &man.tuning.7; handleiding wellicht meer
informatie.Virtuele hostsvirtuele hostsIP aliassen&os; wordt veel gebruikt voor virtuele sitehosting, waarbij
één fysieke server er op het netwerk uitziet alsof
het meerdere servers zijn. Dit kan bereikt worden door meerdere
IP adressen toe te kennen aan dezelfde
interface.Een bepaalde netwerkinterface heeft een echt
adres en kan daarnaast een willekeurig aantal
alias adressen hebben. Normaliter worden
dergelijke aliassen toegevoegd door aliasregels toe te voegen aan
/etc/rc.conf.Een aliasregel voor de interface
fxp0 ziet er zo uit:ifconfig_fxp0_alias0="inet xxx.xxx.xxx.xxx netmask xxx.xxx.xxx.xxx"De aliasregels moeten beginnen met alias0
en moete elkaar dan opvolgen (bijvoorbeeld
_alias1,, _alias2,
enzovoort). Het instelproces stopt als er een nummer
ontbreekt.Het is belangrijk dat aliassen het juiste netmasker hebben.
Dit is eenvoudig: Een bepaalde interface moet altijd
één adres hebben dat het netmasker van het netwerk
correct representeert. Elk ander adres binnen dit netwerk op
deze interface (alias) moet een netmasker van allemaal
1'en (bits) hebben (getoond als 255.255.255.255 of 0xffffffff).Een voorbeeld. Stel de fxp0
interface is verbonden met twee netwerken, het 10.1.1.0 netwerk met masker 255.255.255.0 en het 202.0.75.16 met netmasker 255.255.255.240. Het systeem moet ook
de adressen 10.1.1.1 tot en met
10.1.1.5 en 202.0.75.17 tot en met 202.0.75.20 krijgen. Zoals hierboven
vermeld, heeft alleen het eerste adres in een netwerkreeks (in
dit geval 10.0.1.1 en 202.0.75.17) een geldig netmasker. Alle
overige (10.1.1.2 tot en met
10.1.1.5 en 202.0.75.18 tot en met 202.0.75.20) moeten ingesteld worden met
het netmasker 255.255.255.255.De volgende regels voor /etc/rc.conf
stellen een adapter in voor het bovenstaande scenario:ifconfig_fxp0="inet 10.1.1.1 netmask 255.255.255.0"
ifconfig_fxp0_alias0="inet 10.1.1.2 netmask 255.255.255.255"
ifconfig_fxp0_alias1="inet 10.1.1.3 netmask 255.255.255.255"
ifconfig_fxp0_alias2="inet 10.1.1.4 netmask 255.255.255.255"
ifconfig_fxp0_alias3="inet 10.1.1.5 netmask 255.255.255.255"
ifconfig_fxp0_alias4="inet 202.0.75.17 netmask 255.255.255.240"
ifconfig_fxp0_alias5="inet 202.0.75.18 netmask 255.255.255.255"
ifconfig_fxp0_alias6="inet 202.0.75.19 netmask 255.255.255.255"
ifconfig_fxp0_alias7="inet 202.0.75.20 netmask 255.255.255.255"Instellingenbestanden/etc layoutInstellingengegevens wordt in een aantal mappen bewaard.
Daar zijn onder andere:/etcGenerieke systeeminstellingenbestanden, specifiek
voor het systeem./etc/defaultsDe standaardversies van
systeeminstellingenbestanden die gebruikt worden als er
geen in /etc staat./etc/mailExtra &man.sendmail.8; instellingenbestanden of
instellingenbestanden voor andere MTAs.
/etc/pppInstellingen voor zowel user- als kernel-ppp
programma's./etc/namedbStandaardlocatie voor &man.named.8; gegevens.
Normaal gesproken bevinden zich hier
named.conf en
zonebestanden./usr/local/etcInstellingenbestanden voor geïnstalleerde
software. Kan submappen hebben waarin bij elkaar
horende instellingengegevens van een applicatie
gegroepeerd zijn./usr/local/etc/rc.dStart en stop scripts voor geïnstalleerde
diensten./var/dbAutomatisch gemaakte systeemspecifieke
databasebestanden, zoals de packagedatabase, de
&man.locate.1; database, enzovoort.HostnamenhostnaamDNS/etc/resolv.confresolv.confIn /etc/resolv.conf wordt
voorgeschreven op welke wijze &os; het Domain Name System
(DNS) moet gebruiken.De meest voorkomende termen in
resolv.conf zijn:nameserverHet IP adres van een
naamserver die ondervraagd moet worden voor
naam/IP conversie. De servers
worden in volgorde geprobeerd en het maximale aantal
is drie.searchZoeklijst voor het opzoeken van hostnamen.
Meestal wordt deze bepaald door het domein waarop de
lokale hostnaam zich bevindt.domainDe lokale domeinnaam.Een typisch resolv.conf
bestand:search example.com
nameserver 147.11.1.11
nameserver 147.11.100.30search en domain
dienen niet tegelijk gebruikt te worden.Als DHCP wordt gebruikt: &man.dhclient.8; overschrijft
meestal resolv.conf met informatie
ontvangen van de DHCP server./etc/hostshosts/etc/hosts is een eenvoudige
tekstdatabase uit de dagen van het oude internet. Het werkt
samen met DNS en NIS om namen en IP
adressen over en weer te vertalen. Lokale computers,
verbonden via een LAN, kunnen hier het beste in opgenomen
worden om zo op simpele wijze naam/IP
conversie voor een LAN te hebben, zonder noodzaak voor een
&man.named.8; server. Ook kunnen naamaliassen toegekend
worden (vergelijkbaar met CNAMES bij DNS). Op soortgelijke
wijze kan /etc/hosts gebruikt worden als
een (zeer beperkte) lokale DNS cache.
# $&os;$
#
# Host Database
# Dit bestand hoort de adressen en aliassen te bevatten
# voor de lokale hosts die dit bestand gebruiken.
# Bij gebruik van DNS of NIS hoeft dit bestand helemaal niet gebruikt
# te worden. Zie /etc/nsswitch.conf voor de volgorde van resolutie.
#
#
::1 localhost localhost.my.domain myname.my.domain
127.0.0.1 localhost localhost.my.domain myname.my.domain
#
# Verzonnen netwerk.
#10.0.0.2 myname.my.domain myname
#10.0.0.3 myfriend.my.domain myfriend
#
# Volgens RFC 1918 mogen de volgende IP netwerken gebruikt worden
# als private netwerken die niet met internet verbonden zijn:
#
# 10.0.0.0 - 10.255.255.255
# 172.16.0.0 - 172.31.255.255
# 192.168.0.0 - 192.168.255.255
#
# Als er toch verbinding moet zijn met internet, zijn echte
# officieel toegewezen nummers nodig. Probeer ECHT GEEN eigen
# netwerknummers te verzinnen, maar vraag ze op bij de provider
# (als die er is) of bij de Internet Registry (ftp naar
# rs.internic.net, map `/templates').
#/etc/hosts heeft als formaat:[Internet address] [official hostname] [alias1] [alias2] ...Bijvoorbeeld:10.0.0.1 myRealHostname.example.com myRealHostname foobar1 foobar2In &man.hosts.5; staat meer informatie.Logboekbestanden instellenlogboekbestandensyslog.confsyslog.confsyslog.conf is het
instellingenbestand voor het programma &man.syslogd.8;. Het
geeft aan welke soorten syslog berichten
er gelogd moeten worden en naar welke logboekbestanden,
apparaten, gebruikers of machines.# $&os;$
#
# Spaties zijn TOEGESTAAN als veldscheiding in dit bestand.
# Maar andere *nix-achtige systemen eisen nog steeds het gebruik
# van tabs als veldscheiding. Als dit bestand gedeeld wordt met
# andere systemen, is het verstandig alle tabs als veldscheiding
# te gebruiken.
# Zie ook de handleding van syslog.conf(5).
*.err;kern.debug;auth.notice;mail.crit /dev/console
*.notice;kern.debug;lpr.info;mail.crit;news.err /var/log/messages
security.* /var/log/security
mail.info /var/log/maillog
lpr.info /var/log/lpd-errs
cron.* /var/log/cron
*.err root
*.notice;news.err root
*.alert root
*.emerg *
# verwijder het commentaarkarakter om alle schrijfacties naar
# /dev/console naar /var/log/console.log te schrijven.
#console.info /var/log/console.log
# verwijder het commentaarkarakter om alle berichten naar
# /var/log/all.log te schrijven.
#*.* /var/log/all.log
# # verwijder het commentaarkarakter om alle liggen naar een andere
# host in te schakelen met de naam loghost.
#*.* @loghost
# # verwijder het commentaarkarakter als inn draait.
# news.crit /var/log/news/news.crit
# news.err /var/log/news/news.err
# news.notice /var/log/news/news.notice
!startslip
*.* /var/log/slip.log
!ppp
*.* /var/log/ppp.logIn &man.syslog.conf.5; staat meer informatie.newsyslog.confnewsyslog.confnewsyslog.conf is het
instellingenbestand voor &man.newsyslog.8;, een programma
dat op gezette tijden via &man.cron.8; wordt uitgevoerd.
&man.newsyslog.8; stelt vast wanneer logboekbestanden
gearchiveerd moeten worden of anderszins opnieuw gerangschikt
moeten worden. logfile wordt hernoemd
naar logfile.0,
logfile.0
naar logfile.1, enzovoort.newsyslog.conf geeft aan welke
logboekbestanden beheerd moeten worden, hoeveel er in
archieven bewaard moeten worden en wanneer ze aangemaakt
moeten worden. Logboekbestanden kunnen gereorganiseerd en/of
gearchiveerd worden als ze een bepaalde grootte bereikt
hebben of op een bepaald periodiek tijdstip of een bepaalde
datum.# configuration file for newsyslog
# $&os;$
#
# filename [owner:group] mode count size when [ZB] [/pid_file] [sig_num]
/var/log/cron 600 3 100 * Z
/var/log/amd.log 644 7 100 * Z
/var/log/kerberos.log 644 7 100 * Z
/var/log/lpd-errs 644 7 100 * Z
/var/log/maillog 644 7 * @T00 Z
/var/log/sendmail.st 644 10 * 168 B
/var/log/messages 644 5 100 * Z
/var/log/all.log 600 7 * @T00 Z
/var/log/slip.log 600 3 100 * Z
/var/log/ppp.log 600 3 100 * Z
/var/log/security 600 10 100 * Z
/var/log/wtmp 644 3 * @01T05 B
/var/log/daily.log 640 7 * @T00 Z
/var/log/weekly.log 640 5 1 $W6D0 Z
/var/log/monthly.log 640 12 * $M1D0 Z
/var/log/console.log 640 5 100 * ZIn &man.newsyslog.8; staat meer informatie.sysctl.confsysctl.confsysctlsysctl.conf lijkt veel op
rc.conf. Waardetoekenning heeft weer de
vorm variable=value. De ingestelde
&man.sysctl.8; waarden worden doorgevoerd op het moment dat het
systeem naar multi-user modus gaat. Niet alle variabelen
kunnen in deze modus gewijzigd worden.Hieronder staat een voorbeeld van
sysctl.conf waarin het loggen van gevallen
waarin een proces beëindigd wordt ten gevolge van een
fataal signaal (bijvoorbeeld een TERM signaal of een exitcode
van een programma dat crasht) wordt uitgezet en waarin de
&linux; emulatielaag zodanig wordt ingesteld dat een &linux;
programma ook echt rapporteert dat het onder &os;
draait:kern.logsigexit=0 # Do not log fatal signal exits (e.g. sig 11)
compat.linux.osname=&os;
compat.linux.osrelease=4.3-STABLEOptimaliseren met sysctlsysctloptimaliseringmet sysctl&man.sysctl.8; is een interface waarmee veranderingen gemaakt
kunnen worden aan een draaiend &os; systeem. Er zijn onder meer
vele geavanceerde opties voor de TCP/IP stack
en het virtuele geheugensysteem, waarmee een ervaren
systeembeheerder de systeemprestaties drastisch kan verbeteren.
Met &man.sysctl.8; kunnen meer dan vijfhonderd ststeemvariabelen
opgevraagd en ingesteld worden.In essentie heeft &man.sysctl.8; twee funkties: het lezen en
wijzigen van systeeminstellingen.Om alle leesbare variabelen te tonen:&prompt.user; sysctl -aOm een bepaalde variabele op te vragen, bijvoorbeeld
kern.maxproc:&prompt.user; sysctl kern.maxproc
kern.maxproc: 1044Om een bepaalde variabele toe te kennen (te wijzigen), is de
syntaxis
variable=value:&prompt.root; sysctl kern.maxfiles=5000
kern.maxfiles: 2088 -> 5000Waarden van sysctl variabelen zijn doorgaans strings (tekst),
getallen of booleans (1 als waar,
0 als onwaar).Om automatisch variabelen in te stellen als de machine start,
kunnen ze toegevoegd worden aan
/etc/sysctl.conf. Meer informatie staat in
&man.sysctl.conf.5; en .TomRhodesGeschreven door &man.sysctl.8; alleen-lezenIn sommige gevallen is het wenselijk zijn om &man.sysctl.8;
- waarden die alleen-lezen zijn toch te wijzigen. Dit wordt niet
- aangeraden, maar het is soms onvermijdelijk.
+ waarden die alleen-lezen zijn toch te wijzigen. Hoewel dit soms
+ onontkoombaar is, kan het alleen bij een (her)start gedaan
+ worden.
Op sommige laptops is bijvoorbeeld het apparaat
&man.cardbus.4; niet in staat om geheugenregio's af te tasten,
met als gevolg foutmeldingen als:cbb0: Could not map register memory
device_probe_and_attach: cbb0 attach returned 12In dergelijke gevallen moeten er meestal enkele
&man.sysctl.8; instellingen gewijzigd worden die alleen-lezen
zijn en een standaardwaarde hebben. Dit kan bereikt worden door
&man.sysctl.8; OIDs in de lokale
/boot/loader.conf te zetten.
Standaardinstellingen staan in
/boot/defaults/loader.conf.Om het bovenstaande probleem op te lossen moet in
in /boot/loader.confhw.pci.allow_unsupported_io_range=1 ingesteld
worden. Dan werkt &man.cardbus.4; wel goed.Harde schijven optimaliserenSysctl variabelenvfs.vmiodirenablevfs.vmiodirenableDe sysctl variabele vfs.vmiodirenable
kan de waarde 0 (uit) of 1 (aan) hebben. De standaardwaarde
is 1. Deze variabele bepaalt hoe mappen door het systeem
in een cache bewaard worden. De meeste mappen zijn
klein en gebruiken slechts een klein fragment (typisch
1 K) in het bestandssysteem en nog minder (typisch
512 bytes) in de buffercache. Als deze variabele
uit staat (op 0) bewaart de buffercache slechts een bepaald
aantal mappen in de cache, ook al is er een overvloed aan
geheugen beschikbaar. Wanneer deze aan staat (op 1), wordt
de VM pagecache gebruikt, waardoor voor het cachen van mappen
al het geheugen kan worden gebruikt. Het is echter wel zo
dat het minimale in-core geheugen dat gebruikt wordt om een
map te cachen in dat geval de fysieke pagegrootte is
(typisch 4 K) in plaats van 512 bytes. Het is aan
te raden deze optie aan te laten staat als gebruik gemaakt
worden van diensten die met grote aantallen bestanden werken,
zoals webcaches, grote mailsystemen en newsservers. Als deze
optie aan blijft staan, verlaagt die de prestaties niet, ook
al kost het meer geheugen. Door experimenteren is dit voor
een systeem na te gaan.vfs.write_behindvfs.write_behindDe sysctl variabele vfs.write_behind
staat standaard aan (1). Dit betekent dat
het bestandssysteem gegevens naar het medium gaat schrijven
op het moment dat er een volledig cluster aan data verzameld
is. Dit is meestal het geval bij het schrijven van grote
sequentiële bestanden. Het idee is om te voorkomen dat
de buffercache verzadigd raakt met vuile buffers zonder dat
dit bijdraagt aan de I/O prestaties. Dit kan echter
processen ophouden en onder sommige omstandigheden is het
wellicht beter deze sysctl uit te zetten.vfs.hirunningspacevfs.hirunningspaceDe sysctl variabele vfs.hirunningspace
bepaalt hoeveel nog te schrijven gegevens er in het complete
systeem op elk moment in de wachtrij naar schijfcontrollers
mag staan. De standaardwaarde is meestal voldoende, maar op
machines met veel schijven, is het beter deze te verhogen
naar vier of vijf megabyte. Het
instellen van een te hoge waarde (groter dan de
schrijfdrempel van de buffercache) kan leiden tot zeer
slechte prestaties bij clustering. Stel deze waarde niet
arbitrair hoog in! Hogere schrijfwaarden kunnen vertraging
veroorzaken in het lezen, als dit tegelijk
plaatsvindt.Er zijn verscheidene andere sysctls voor buffercache en
VM pagecache. Het wordt afgeraden deze te wijzigen. Sinds
&os; 4.3 is het VM systeem zeer goed in staat zichzelf
automatisch te optimaliseren.vm.swap_idle_enabledvm.swap_idle_enabledDe sysctl variabele
vm.swap_idle_enabled is nuttig in grote
multi-user systemen met veel gebruikers die af- en aanmelden
en veel onbenutte processen. Dergelijke systemen hebben de
neiging om voortdurend de vrije geheugenreserves onder druk
te zetten. Het is mogelijk om de prioriteit van
geheugenpages die verband houden met onbenutte processen
sneller te laten dalen dan met het normale pageout algoritme,
door deze sysctl aan te zetten en via
vm.swap_idle_threshold1 en
vm.swap_idle_threshold2 de swapout
hysterese (in seconden onbenut) af te stemmen. Deze optie
dient alleen gebruikt te worden als ze echt nodig is, want de
andere kant van de medaille is dat dit eerder pre-page
geheugen inhoudt in plaats van later, waardoor het meer
wisselbestand- en schijfbandbreedte kost. In een klein
systeem heeft deze optie een voorspelbaar effect, maar in
grote systemen waar al sprake is van een matige paging kan
deze optie het mogelijk maken voor het VM systeem om hele
processen gemakkelijk in en uit het geheugen te halen.hw.ata.wchw.ata.wcTen tijde van &os; 4.3 is er geflirt met het
uitzetten van IDE schrijfcaching. Hierdoor neemt de
bandbraadte naar IDE schijven af, maar het werd als
noodzakelijk beschouwd vanwege ernstige problemen met
gegevensinconsistentie die door harde schijfproducenten
geëintroduceerd waren. Het probleem is dat IDE schijven
niet de waarheid vertellen over wanneer een schrijfactie
klaar is. Door IDE schrijfcaching wordt data niet alleen
ongeordend geschreven, maar soms kan zelfs het schrijven van
sommige blokken voortdurend uitgesteld worden als er sprake
is van een hoge schijfbelasting. Een crash of stroomstoring
kan dan ernstige corruptie van het bestandssysteem
veroorzaken. Daarom werd de standaardinstelling van &os;
voor alle zekerheid gewijzigd. Helaas was het resultaat een
groot verlies aan prestaties en na die release is de
standaardwaarde weer terug veranderd. Met de sysctl
variabele hw.ata.wc kan gecontroleerd
worden of schrijfcaching aan of uit staat. Als
schrijfcaching uit staat, het die weer aangezet worden door
hw.ata.wc naar 1 te zetten. Aangezien dit
een kernelvariabele is, moet deze ingesteld worden vanuit de
bootloader tijdens het opstarten. Nadat de kernel eenmaal
opgestart is, heeft het wijzigen van deze sysctl geen
effect.Meer informatie staat in &man.ata.4;.SCSI_DELAY
(kern.cam.scsi_delay)kern.cam.scsi.delaykerneloptiesSCSI_DELAYDe SCSI_DELAY kernelinstelling kan
gebruikt worden om de opstarttijd te versnellen. De
standaardwaarde is nogal hoog en kan 15
seconden vertraging veroorzaken. Met modernere SCSI systemen
is 5 seconden al voldoende. Nieuwere
versies van &os; (5.0 en hoger) gebruiken de opstartvariabele
kern.cam.scsi_delay. Zowel deze als de
optie SCSI_DELAY gebruiken waarden
uitgedrukt in milliseconden en
niet in
seconden.SoftupdatesSoftupdatestunefs&man.tunefs.8; kan gebruikt worden om een bestandsysteem
nauwkeurig af te stellen. Het heeft veel opties, maar nu wordt
alleen het aan- en uitzetten van softupdates besproken. Dat
gaat als volgt:&prompt.root; tunefs -n enable /filesystem
&prompt.root; tunefs -n disable /filesystemEen bestandssysteem kan niet met &man.tunefs.8; gewijzigd
worden als het gemount is. Softupdates aanzetten wordt dus in
het algemeen gedaan vanuit single-user modus, voordat partities
gemount zijn.Vanaf &os; 4.5, is het mogelijk om softupdates
aan te zetten op het moment dat de bestandssystemen aangemaakt
worden, door middel van de -U optie van
&man.newfs.8;.Softupdates zorgen voor een drastische verbetering van de
meta-data prestaties, met name het aanmaken en verwijderen van
bestanden, door gebruik van een geheugencache. Het wordt dan
ook aangeraden om op alle bestandssystemen softupdates te
gebruiken. Er zijn twee nadelen aan softupdates: softupdates
garandeert een consistent bestandssysteem in geval van een
crash, maar het kan makkelijk enkele seconden (zelfs een
minuut) achter liggen met het daadwerkelijk bijwerken op de
fysieke harde schijf. Als een systeem crasht wordt wellicht
meer werk verloren dan anders het geval zou zijn. Daarnaast
vertraagt softupdates het vrijgeven van bestandssysteemblokken.
Als een bestandssysteem (zoals de root partitie) bijna vol is,
dan kan het verrichten van een grote update, zoals
make installworld, ertoe leiden dat het
bestandssysteem ruimtegebrek krijgt en dat daardoor de operatie
mislukt.Meer over softupdatesSoftupdatesdetailsEr zijn traditioneel twee methodes om de metadata van een
bestandssysteem terug naar de schijf te schrijven. Het
bijwerken van metadata houdt het bijwerken van van
niet-inhoudelijke data zoals inodes of mappen in.Historisch gezien was het gebruikelijk om metadataupdates
synchroon weg te schrijven. Als een map bijvoorbeeld
gewijzigd was, wachtte het systeem totdat de verandering
daadwerkelijk naar de schijf geschreven was. De databuffers
(de inhoud van een bestand) werden doorgeschoven naar de
buffercache en op een later moment asynchroon op de schijf
opgeslagen. Het voordeel van deze benadering is dat ze
altijd veilig is. Als het systeem faalt tijdens het
bijwerken, is de metadata nog altijd consistent. Een bestand
kan volledig gecreëerd zijn of helemaal niet. Als de
datablokken van een bestand nog niet van de buffercache naar
de schijf geschreven zijn ten tijde van de crash, is
&man.fsck.8; in staat om dit te herkennen en het
bestandssysteem te repareren door de lengte van het bestand
nul te maken. Deze implementatie is ook helder en eenvoudig.
Het nadeel is echter dat het wijzigen van metadata een traag
proces is. Een rm -r commando benadert
bijvoorbeeld alle bestanden in een map sequentiëel, maar
elke mapverandering (verwijderen van een bestand) wordt
synchroon naar de schijf geschreven. Dit omvat ook het
bijwerken van de map zelf, van de inodetabel en mogelijk ook
van indirecte blokken die voor het bestand in kwestie
zijn gealloceerd. Gelijksoortige processen spelen zich af
bij een commando als tar -x, waarbij een
grote bestandshiëearchie wordt uitgepakt.De tweede mogelijkheid is om het bijwerken van metadata
asynchroon weg te schrijven. Dit is standaard in
&linux;/ext2fs en als een *BSD ufs bestandssysteem met
mount -o async gemount is, is de werking
hetzelfde. Alle bijwerkingen aan metagegevens worden
eenvoudigweg doorgegeven aan de buffercache en vermengd met
inhoudelijke updates van de bestandsgegevens. Het voordeel
is een grote winst aan snelheid, omdat er niet telkens
gewacht hoeft te worden op het bijwerken van metagegevens tot
deze daadwerkelijk naar de schijf geschreven zijn. De
implementatie is ook in dit geval helder en eenvoudig. Het
grote nadeel is uiteraard dat er geen enkele garantie is voor
de consistentie van het bestandssysteem. Als het systeem
faalt tijdens een operatie waarbij veel metagegevens worden
bijgewerkt (bijvoorbeeld door een stroomstoring of iemand
drukt op de resetknop), blijft het bestandssysteem in een
onvoorspelbare toestand achter. Er is geen mogelijkheid om
de toestand van het bestandssysteem te onderzoeken als het
systeem weer opstart, want de datablokken van een bestand
kunnen al weggeschreven zijn geweest terwijl het wegschrijven
van bijwerkingen aan de inodetabel of de bijhorende map nog
niet plaats heeft gevonden. Het is zelfs onmogelijk om een
fsck te implementeren die de overgebleven
chaos kan opruimen: de benodigde informatie is gewoon niet
volledig aanwezig op de schijf. Als een bestandssysteem op
deze manier onherstelbaar beschadigd is, is de enige optie
&man.newfs.8; te gebruiken en vervolgens te herstellen van
een backup.De gebruikelijke oplossing voor dit probleem is het
implementeren van dirty region logging,
ook wel journaling genoemd, hoewel deze
term niet consistent gebruikt wordt en soms ook wordt
gebruikt voor andere vormen van transactielogging. Het
bijwerken van metagegevens wordt nog steeds synchroon
geschreven, maar slechts naar een klein gebied van de schijf.
Later worden ze dan naar de juiste locatie verplaatst. Omdat
het loggebied klein is, hoeven de koppen van de schijf zelfs
tijdens schrijfintensieve operaties nog maar over een kleine
fysieke afstand te bewegen en door deze snellere respons zijn
dit soort operaties sneller dan op de traditionele manier.
De extra complexiteit van de implementatie is nogal beperkt,
dus het risico van introductie van extra bugs valt mee. Een
nadeel is dat alle metagegevens tweemaal geschreven worden
(eerst naar het loggebied en later nog eens naar de
definitieve locatie). Dus bij normaal gebruik kan er sprake
zijn van wat men wel noemt een performance
pessimization. Anderzijds kunnen in geval van een
crash alle nog uitstaande metagegevensoperaties snel worden
teruggedraaid of vanuit het loggebied alsnog worden
afgemaakt, wanneer de machine weer opstart. Het
bestandssysteem start dan snel op.Kirk McKusick, de vader van het Berkeley FFS, loste dit
probleem op met softupdates, wat betekent dat alle uitstaande
acties voor het bijwerken van metagegevens in het geheugen
bewaard worden en dan geordend naar de schijf geschreven
worden. Dit heeft het gevolg dat in geval van intensieve
operaties met betrekking tot metagegevens, latere
bijwerkingen aan een item eerdere bewerkingen opvangen
(catch) als deze nog in het geheugen zitten en
nog niet weggeschreven waren. Dus alle operaties,
op bijvoorbeeld een map, worden in het algemeen eerst in het
geheugen uitgevoerd voordat er wordt bijgewerkt naar schijf.
De datablokken worden geordend conform hun positie, zodat ze
nooit weggeschreven worden voordat hun metagegevens
geschreven zijn. Als het systeem een crash ondervindt,
veroorzaakt dat impliciet het terugdraaien van uitstaande
operaties (log rewind): alle operaties die nog
niet weggeschreven waren lijken nooit gebeurd te zijn. Zo
wordt een consistent bestandssysteem in stand gehouden dat
eruit ziet alsof het 30 tot 60 seconden eerder was. Het
gebruikte algoritme garandeert dat alle bronnen die in
gebruik zijn als zodanig gemarkeerd worden in hun daarvoor
geschikte bitmaps: blokken en inodes. Na een crash is de
enige allocatiefout die kan optreden dat bronnen gemarkeerd
kunnen zijn als in gebruik (used), terwijl ze
feitelijk alweer beschikbaar (free) zijn.
&man.fsck.8; herkent deze situatie en stelt dergelijke vrij
te maken bronnen opnieuw beschikbaar. Het is volkomen veilig
om na een crash te negeren dat het bestandssysteem niet
schoon is en het tot mounten te dwingen met
mount -f. Om niet langer gebruikte
bronnen vrij te maken moet later &man.fsck.8; uitgevoerd
worden. Dit is dan ook het idee achter background
fsck: op het moment dat het systeem aan het
opstarten is, wordt er alleen een
snapshot van het systeem bewaard.
fsck kan later uitgevoerd worden. Alle
bestandssystemen kunnen dirty gemount worden
en het systeem kan gewoon verder opstarten naar multi-user
modus. Vervolgens zijn er fscks
gepland die in de achtergrond draaien voor elk
bestandssysteem dat niet schoon is en waarmee bezette bronnen
vrijgegeven worden. Bestandssystemen die geen gebruik maken
van softupdates moeten echter nog steeds gebruik maken van de
normale fsck in de voorgrond.Het voordeel van softupdates is dat operaties op
metagegevens bijna net zo snel zijn als asynchrone updates
(dat wil zeggen sneller dan met
logging, waarbij de metagegevens keer
keer geschreven worden). Nadelen zijn de complexiteit van
de code (wat een groter risico op bugs impliceert in een
gebied dat bijzonder gevoelig is voor verlies van
gebruikersgegevens) en een groter geheugenverbruik. Tevens
moet de gebruiker wennen aan enkele eigenaardigheden. Na
een crash lijkt de toestand van het bestandssysteem wat
ouder. In situaties waar de standaard
synchrone benadering een aantal lege bestanden zou hebben
achtergelaten na fsck, is het met
softupdates juist zo dat dergelijke bestanden er helemaal
niet zijn, omdat de metadata of de bestandsinhoud nooit naar
de schijf is geschreven. Schijfruimte wordt pas vrijgegeven
als de bijwerkingen aan metagegevens en inhoudelijke
bestandsdata weggeschreven zijn, wat mogelijk pas enige tijd
na het uitvoeren van rm plaatsvindt. Dit
kan problemen veroorzaken als er grote hoeveelheden data
naar een bestandssysteem geschreven worden dat onvoldoende
vrije ruimte heeft om alle bestanden twee keer te kunnen
bevatten (bijvoorbeeld in /tmp).Fijnafstemming van kernellimietenfijnafstemmingkernellimietenBestandsproceslimietenkern.maxfileskern.maxfileskern.maxfiles kan worden verhoogd of
verlaagd, afhankelijk van de systeembehoeften. Deze
variabele geeft het maximale aantal bestandsdescriptors op
een systeem. Als de bestandsdescriptortabel vol is,.toont de
systeembuffer meerdere malen file: table is
full, hetgeen achteraf te zien is net
dmesg.Elk geopend bestand, socket of fifo heeft een
bestandsdescriptor. Een grote produktieserver kan makkelijk
enige duizenden bestandsdescriptors nodig hebben, afhankelijk
van het soort en aantal diensten die tegelijk draaien.De standaardwaarde voor kern.maxfiles
wordt bepaald door de optie MAXUSERS in
het bestand met kernelinstellingen.
kern.maxfiles groeit evenredig met de
waarde van MAXUSERS. Als een aangepaste
kernel wordt gebouwd, is het een goed idee om deze
kerneloptie in te stellen afhankelijk van het gebruikt van
een systeemhet (maar niet te laag). Hoewel een
produktieserver misschien niet 256 gebruikers gelijktijdige
gebruikers heeft, kunnen de benodigde systeembronnen best
vergelijkbaar zijn met een grootschalige webserver.Vanaf &os; 4.5 kan meestal het beste
MAXUSERS op 0 gezet
worden in het bestand met kernelinstellingen. Er wordt dan
een redelijke waarde gekozen, die gebaseerd is op de
hoeveelheid RAM in een systeem.kern.ipc.somaxconnkern.ipc.somaxconnDe sysctl variabele kern.ipc.somaxconn
beparkt de grootte van de luisterwachtrij voor het accepteren
van nieuwe TCP verbindingen. De standaardwaarde van
128 is meestal te laag voor robuuste
behandeling van nieuwe verbindingen in een zwaarbeladen
webserver omgeving. Voor zulke omgevingen wordt aangeraden
deze waarde te verhogen tot 1024 of hoger.
De dienstdaemon beperkt misschien zelf de luisterwachtrij
(bijvoorbeeld &man.sendmail.8; of
Apache), maar heeft vaak een
mogelijkheid in een configuratiebestand de wachtrijgrootte
aan te passen. Grote luisterwachtrijen zijn
ook beter in het ontwijken van Ontzegging van Dienst
(DoS) aanvallen.NetwerkbeperkingenDe kerneloptie NMBCLUSTERS bepaalt het
aantal netwerk Mbufs dat beschikbaar is voor een systeem. Een
veel bezochte server met een laag aantal Mbufs beperkt de
mogelijkheden van &os;. Elk cluster staat voor ongeveer
2 K geheugen, dus een waarde van 1024 stelt 2 megabyte
aan kernelgeheugen voor, dat is gereserveerd voor
netwerkbuffers. Een simpele berekening geeft aan hoeveel er
nodig is. Stel dat een webserver met een maximum van 1000
simultane verbindingen voor elke verbinding 16 K aan
ontvangst netwerkbuffers en 16 K aan zendbuffers kost, dan
is ongeveer 32 MB aan netbuffers nodig voor de webserver.
Een goede vuistregel is te vermeniguldigen met twee,
dus 2x32 MB / 2 KB = 64 MB /
2 kB = 32768. Voor machines met veel geheugen wordt
4096 tot 32768 aangeraden. Er moet in geen geval een arbitrair
hoge waarde voor deze sysctl opgegeven worden, want dat kan
leiden tot een crash tijdens het opstarten. Met de optie
van &man.netstat.1; kan clustergebruik
van het netwerk bekeken worden.De loaderparameter kern.ipc.nmbclusters
moet gebruikt worden om dit tijdens het opstarten toe te
passen. Alleen voor oudere versies van &os; is het nodig om de
kerneloptie NMBCLUSTERS te gebruiken.Voor drukke servers die extensief gebruik maken van de
systeemaanroep &man.sendfile.2;, kan het nodig zijn het aantal
&man.sendfile.2; buffers te verhogen via de kerneloptie
NSFBUFS of door de waarde in te stellen in
/boot/loader.conf (in &man.loader.8; staan
details). Als er in de procestabel processen staan met een
status sfbufa is dat een algemene indicator
dat deze parameter aangepast moet worden. De sysctl variabele
kern.ipc.nsfbufs is alleen-lezen en
laat zien op welke waarde deze kernelvariabele is ingesteld.
Deze parameter schaalt engiszins met de variabele
kern.maxusers, maar het kan nodig zijn om
deze bij te stellen.Zelfs als een socket als non-blocking gemarkeerd is, dan
nog kan het aanroepen van &man.sendfile.2; op de non-blocking
socket ertoe leiden dat er toch blokkade optreedt totdat er
voldoende struct sf_buf's vrijgemaakt
zijn.net.inet.ip.portrange.*net.inet.ip.portrange.*De sysctle variabelelen
net.inet.ip.portrange.* bepalen welke
reeks poortnummers automatisch gebonden wordt aan TCP en UDP
sockets. Er zijn drie gebieden: een laag gebied, een
(standaard) middengebied en een hoog gebied. De meeste
netwerkprogramma's gebruiken het standaardbereik, wat
begrensd wordt door
net.inet.ip.portrange.first en
net.inet.ip.portrange.last met
standaardwaarden van respectievelijk 1024 en 5000. Gebonden
poortreeksen worden gebruikt voor uitgaande verbindingen en
het is onder bepaalde omstandigheden mogelijk dat poorten
op raken. Dit gebeurt meestal in het geval van een zwaar
belaste webproxy. Poortbereik is niet van belang als vooral
diensten draaien die zich bezighouden met inkomende
verbindingen, zoals een normale webserver, of als het aantal
uitgaande verbindingen beperkt is, zoals bij een mailrelay.
Voor situaties waarin een tekort aan poorten dreigt, wordt
aangeraden om net.inet.ip.portrange.last
bescheiden op te hogen. Een waarde van
10000, 20000 of
30000 is redelijk. Er moet ook rekening
met effecten op firewalls gehouden worden als de poortreeks
gewijzigd wordt. Sommige firewalls kunnen grote
poortreeksen blokkeren, meestal de lagere poorten, en
verwachten dat andere systemen hogere poorten gebruiken voor
uitgaande verbindingen. Om deze reden wordt het aanbevolen
om net.inet.ip.portrange.first te
verlagen.TCP Bandbreedtevertragingsproduct (TCP Bandwidth Delay
Product)TCP bandbreedtevertragingsproductnet.inet.tcp.inflight.enableDe TCP bandbreedtevertragingsproduct limitatie lijkt op
TCP/Vegas in NetBSD. Het kan aangezet worden door de sysctl
variabelel net.inet.tcp.inflight.enable
de waarde 1 te geven. Het systeem
tracht dan het bandbreedtevertragingssprodukt te berekenen
voor elke verbinding en beperkt dan de hoeveelheid gegevens
in de wachtrij naar het netwerk tot de hoeveelheid die
vereist is om maximale doorvoer te kunnen handhaven.Dit is nuttig bij gebruik van modems, Gigabit Ethernet of
zelfs bij hoge snelheid WAN links (of elke andere link met
een groot bandbreedtevertragingsprodukt), in het bijzonder
als ook windowschaling of een groot verzendwindow gebruikt
wordt. Als deze optie aangezet wordt, dient ook
net.inet.tcp.inflight.debug de waarde
0 te krijgen (geen debugging) en voor
produktiegebruik kan het instellen van
net.inet.tcp.inflight.min naar minstens
6144 voordeel opleveren. Het instellen
van hoge minima kan effectief het beperken van bandbreedte
ondermijnen, afhankelijk van de link. De mogelijkheid tot
limitering zorgt ervoor dat de hoeveelheid data die opgebouwd
wordt, in tussentijdse route- en switchwachtrijen verlaagd
kan worden en tevens kan de hoeveelheid gegevens die
opgebouwd wordt in de interfacewachtrij van de lokale host
verlaagd worden. Met minder pakketten in wachtrijen, kunnen
interactieve verbindingen opereren met lagere
Round Trip tijden, met name over
langzame modems. Deze optie gaat alleen over datatransmissie
(upload / serverkant) en heeft geen effect gegevensontvangst
(download / clientkant).Aanpassen van
net.inet.tcp.inflight.stab wordt
niet aangeraden. Deze parameter krijgt
standaard een waarde van 20, wat 2 maximale pakketten
opgeteld bij de bandbreedtevensterberekening representeert.
Het extra venster is nodig om het algoritme stabiel te houden
en om de reactietijd bij veranderende omstandigheden te
verbeteren, maar het kan ook leiden tot langere pingtijden
over langzame verbindingen (zonder het inflight algoritme kan
dit echter nog erger zijn). In dergelijke gevallen kan deze
parameter misschien verlaagd worden naar 15, 10 of 5 en
misschien moet voor het gewenste effect ook
net.inet.tcp.inflight.min verlaagd worden
(bijvoorbeeld naar 3500). Het verlagen van deze parameters
moet pas in laatste instantie overwogen worden.In 4.X en eerdere releases van &os; staan de sysctl
variabelen inflight direct onder
net.inet.tcp. Hun namen waren (in
alfabetische volgorde):
net.inet.tcp.inflight_debug,
net.inet.tcp.inflight_enable,
net.inet.tcp.inflight_max,
net.inet.tcp.inflight_min,
net.inet.tcp.inflight_stab.
+
+
+ Virtueel Geheugen
+
+
+ kern.maxvnodes
+
+ Een vnode is de interne representatie van een bestand of
+ een map. Het verlagen van het aantal beschikbare vnodes
+ voor het besturingssysteem leidt dus tot een daling van disk
+ I/O. Normaliter wordt dit door het besturingssysteem
+ afgehandeld en hoeft de instelling niet gewijzigd te worden.
+ Im sommige gevallen kan disk I/O de beperkende factor zijn en
+ kan het systeem alle beschikbare vnodes in gebruik hebben.
+ Dan dient deze instelling gewijzigd te worden. De
+ hoeveelheid inactief en beschikbaar RAM dient meegenomen te
+ worden in de beslissing.
+
+ Het huidige aantal gebruikte vnodes kan als volgt bekeken
+ worden:
+
+ &prompt.root; sysctl vfs.numvnodes
+vfs.numvnodes: 91349
+
+ Om het maximale aantal vnodes weer te geven:
+
+ &prompt.root; sysctl kern.maxvnodes
+kern.maxvnodes: 100000
+
+ Als het huidige aantal gebruikte vnodes dicht bij het
+ maximale aantal ligt, is het verstandig om
+ kern.maxvnodes op te hogen met 1.000.
+ Ook vfs.numvnodes dient in de gaten
+ gehouden te worden. Als de waarde weer tot aan het maximum
+ stijgt, dan moet kern.maxvnodes verder
+ opgehoogd worden. Er dient een verschuiving op te treden in
+ het door &man.top.1; gerapporteerde geheugengebruik. Er
+ hoort meer geheugen actief te zijn.
+
+ Wisselbestandruimte toevoegenHoe goed er ook gepland wordt, soms draait een systeem gewoon
niet zoals verwacht. Een oorzaak hiervoor kan een tekort aan
wisselbestandruimte zijn. Als blijkt dat er meer
wisselbestandruimte nodig is, kan dat eenvoudig. Er zijn drie
manieren om de totale ruimte beschikbaar als wisselbestand te
vergroten: een nieuwe harde schijf toevoegen, swappen over NFS of
een wisselbestand maken op een bestaande (UFS of andere)
partitie.Wisselbestand (partitie) op een nieuwe harde
schijfDit is natuurlijk de beste manier om de
wisselbestandsruimte te vergroten en een goed excuus om een
extra harde schijf toe te voegen. Die komt immers altijd wel
van pas. In dat geval kan het beste de discussie over
wisselbestandruimte in
nog eens herlezen worden om wat suggesties te krijgen over hoe
wisselbestandpartitie(s) het beste ingedeeld kunnen
worden.Swappen over NFSIn het algemeen wordt swappen over NFS niet aangeraden
omdat het langzaam is. Dit dient alleen gebruikt te worden als
het onmogelijk om naar een lokale schijf te swappen. In &os;
versies voor 4.X was het hanteren van een wisselbestand over
NFS erg langzaam en inefficiënt. Nieuwere versies werken
beter, maar dan nog wordt swappen over NFS sterk gelimiteerd
door de aanwezige netwerkbandbreedte en belast het de NFS
server.WisselbestandenHet is mogelijk om een bestand aan te maken van een
bepaalde grootte en dit als swap te gebruiken. In dit
voorbeeld wordt een 64 MB bestand gebruikt,
/usr/swap0. Uiteraard kan een
willekeurige naam gebruikt worden.Een wisselbestand aanmaken met &os; 4.XDe kernel moet het vnode stuurprogramma bevatten. In
recente versies van GENERIC
is vnode niet opgenomen.pseudo-device vn #Vnode driver (turns a file into a device)Een vn-apparaat aanmaken:&prompt.root; cd /dev
&prompt.root; sh MAKEDEV vn0Een wisselbestand aanmaken
(/usr/swap0):&prompt.root; dd if=/dev/zero of=/usr/swap0 bs=1024k count=64Correcte rechten op (/usr/swap0)
instellen:&prompt.root; chmod 0600 /usr/swap0Wisselbestand opnemen in
/etc/rc.conf:swapfile="/usr/swap0" # Set to name of swapfile if aux swapfile desired.Nu kan de machine herstart worden of het
wisselbestand meteen te gebruiken:&prompt.root; vnconfig -e /dev/vn0b /usr/swap0 swapEen wisselbestand aanmaken met &os; 5.XDe kernel moet het stuurprogramma voor de
geheugenschijf (&man.md.4;) bevatten. Dat zit standaard
in de GENERIC kernel.device md # Memory "disks"Het wisselbestand /usr/swap0
aanmaken:&prompt.root; dd if=/dev/zero of=/usr/swap0 bs=1024k count=64De correctie rechten op
/usr/swap0 instellen:&prompt.root; chmod 0600 /usr/swap0Het wisselbestand opnemen in
/etc/rc.conf:swapfile="/usr/swap0" # Set to name of swapfile if aux swapfile desired.De machine moet herstart worden of om het
wisselbestand direct in te schakelen:&prompt.root; mdconfig -a -t vnode -f /usr/swap0 -u 0 && swapon /dev/md0HitenPandyaGeschreven door TomRhodesEnergie- en bronnenbeheerHet is belangrijk om hardwarebronnen op een efficiënte
wijze te benutten. Voordat ACPI
geïntroduceerd werd was het erg lastig en onflexibel
om het energieverbruik en de thermische eigenschappen van een
systeem te beheersen. De hardware werd beheerst door deze of
gene interface, ingebed in het BIOS, zoals de
Plug-n-play BIOS (PNPBIOS) of
Advanced Power Management (APM), enzovoort.
Energie- en bronnenbeheer is een kerntaak van moderne
besturingssystemen. Het besturingssysteem moet bijvoorbeeld
systeemlimieten in de gaten houdt (en mogelijk een SMS sturen of
iets dergelijks) als de systeemtemperatuur onverwacht
toeneemt.In dit deel van het &os; handboek wordt uitgebreide
informatie verschaft over ACPI. Aan het einde
staan referenties naar meer leesmateriaal.
ACPI is op &os; 5.X en nieuwere systemen
als een standaard ingeladen kernelmodule aanwezig. In
&os; 4.9 kan ACPI aangezet worden door de
regel device acpica toe te voegen aan het
bestand met kernelinstellingen en een nieuwe kernel te bouwen en
te installeren.Wat is ACPI?ACPIAPMAdvanced Configuration and Power Interface
(ACPI) is een standaard die door een
alliantie van producenten geschreven is, met als doel te
voorzien in een een standaardinterface voor hardware bronnen-
en energiebeheer. Een belangrijk element is dat het meer
flexibiliteit en beheersmogelijkheden biedt aan het
besturingssysteem (OS). Moderne systemen
hebben de limieten van de huidige PNP interfaces verder
opgerekt dan wenselijk en misschien wel mogelijk was.
ACPI is de directe opvolger van
APM (Advanced Power Management). Centraal
is het verleggen van hardwarebeheer en -monitoring naar de OS
laag in plaats van de zeer beperkte BIOS laag.Tekortkomingen van APMMet de Advanced Power Management (APM)
faciliteit kan het energieverbruik van een systeem geregeld
worden op basis van de systeemactiviteit. Het APM BIOS wordt
geleverd door de systeemproducent of -verkoper en het is
specifiek voor dat betreffende hardware platform. Een APM
stuurprogramma in het besturingssysteem regelt vervolgens de
toegang tot de APM Software Interface, die
het besturen van vermogensniveau mogelijk maakt.Er zijn vier hoofdproblemen met APM te onderscheiden: ten
eerste wordt het energiebeheer verricht door een BIOS
(afhankelijk van producent) en het besturingssysteem heeft daar
geen kennis van. De gebruiker die idle-time waarden instelt
voor een harde schijf in het APM BIOS is hier een voorbeeld
van. Dan zal het BIOS de harde schijf langzamer kunnen laten
draaien zonder dat het besturingssysteem de noodzaak ziet of
het goedkeurt. Ten tweede: de APM logica is ingebed in de
BIOS, waardoor het buiten het besturingssysteem om opereert.
Dit houdt in dat gebruikers problemen met hun APM BIOS alleen
kunnen verhelpen door een nieuw BIOS in het ROM te flashen,
wat een gevaarlijke en mogelijk onherstelbare operatie is.
Ten derde is APM een producent-specifieke technologie, in de
zin dat er altijd een hoge mate van duplicatie zal zijn van al
dan niet geslaagde pogingen om het wiel opnieuw uit te vinden
en uiteraard ook van bugs. Er is geen enkele garantie dat het
wegnemen van een bug door een producent ook een zelfde bug
wegneemt bij een concurrent. Tenslotte is het van belang te
weten dat de APM BIOS in het algemeen gewoon te weing geheugen
kon gebruiken om een ingewikkeld energiebeheer te kunnen
implementeren. Laat staan dat deze goed aanpasbaar was aan
veranderlijke doelstellingen voor de betreffende
machine.Plug-n-play BIOS (PNPBIOS) was
in veel situations onbetrouwbaar. PNPBIOS is 16-bit
technologie, dus het besturingssysteem moet 16-bit emulatie
gebruiken om met PNPBIOS methoden te kunnen samenwerken.Het &os; stuurprogramma APM is
gedocumenteerd in &man.apm.4;.ACPI instellenHet stuurprogramma acpi.ko wordt
standaard geladen bij het opstarten door de &man.loader.8;
en hoeft niet gecompileerd te worden.
De redenatie is dat er met modules gemakkelijker gewerkt kan
worden, bijvoorbeeld een andere acpi.ko
gebruiken zonder dat er een nieuwe kernel gebouwd moet worden.
Dit heeft het voordeel dat testen eenvoudiger is. Een andere
reden is dat het opstarten van ACPI nadat
een systeem eenmaal volledig opgestart is, weinig nuttig is en
in sommige gevallen fataal kan zijn. In geval van tijfel kan
ACPI beter uitgeschakeld worden. Dit
stuurprogramma kan niet gestopt worden als het eenmaal geladen
is, omdat de systeembus het gebruikt voor allerlei interacties
met hardware. ACPI kan uitgezet worden met
het hulpprogramma &man.acpiconf.8;. In feite kan de meeste
interactie met het ACPI systeem gedaan
worden via &man.acpiconf.8;. In wezen betekent dit dat als er
iets over ACPI in &man.dmesg.8; staat, het
hoogstwaarschijnlijk al draait.ACPI en APM
kunnen niet samenleven en moeten afzonderlijk en exclusief
gebruikt worden. De laatste die gestart wordt bepaalt of het
stuurprogramma de ander wel of niet ziet.In haar eenvoudigste vorm kan ACPI
gebruikt worden om het systeem in slaapmodus te zetten met de
vlag en een 1-5 optie
met &man.acpiconf.8;. De meeste gebruikers hebben alleen
1 nodig. De optie 5
verricht een soft-off, wat hetzelfde is
als:&prompt.root; halt -pAndere opties zijn mogelijk. In &man.acpiconf.8; staat
meer informatie.NateLawsonGeschreven door PeterSchultzMet medewerking van TomRhodes&os; ACPI gebruiken en debuggenACPI is een totaal nieuwe manier om
apparaten te ontdekken, om energieverbruik te beheren en om een
gestandaardiseerde toegang te bieden tot allerlei apparaten die
eerder via het BIOS beheerd werden. Er wordt
voortdurend vooruitgang geboekt om ACPI op
alle systemen te laten werken, maar bugs in de
ACPIMachine Language
(AML) bytecode van sommige moederborden,
onvolledigheden in &os;'s kernel subsystemen en bugs in de
&intel; ACPI-CA interpreter blijven
opduiken.Deze tekst is bedoeld om de &os; ACPI
beheerders (maintainers) te helpen met het vinden
van de hoofdoorzaken van problemen die voorkomen en met het
debuggen en het vinden van een oplossing.Debuginformatie aanleverenVoordat een probleem wordt aanmeld, moet het zeker zijn
dat de laatste BIOS versie draait en
indien beschikbaar de geïntregeerde controller
firmware versie.Diegenen die meteen een probleem willen indienen, sturen
de volgende informatie naar
freebsd-acpi@FreeBSD.org:Omschrijving van het foutieve gedrag, inclusief
systeemtype en model en alles wat de fout kan veroorzaken.
Als het een nieuw fenomeen is, dan dient ook zo accuraat
mogelijk aangegeven te worden wanneer de fout het eerst
optrad.De &man.dmesg.8; uitvoer van boot
-v, inclusief foutmeldingen die gegenereerd
worden als de fout optreedt.De &man.dmesg.8; uitvoer van boot
-v met ACPI uitgeschakeld,
indien het uitzetten van ACPI het
probleem oplost.Uitvoer van sysctl hw.acpi. Dit is
tevens een goede manier om uit te vinden welke
ACPI mogelijkheden een systeem
heeft.Een URL waar de
ACPISource
Language (ASL) gevonden
kan worden. De ASL dient
niet rechtstreeks naar de lijst
gezonden te worden, omdat deze nogal groot kan zijn. Een
kopie van een ASL kan gemaakt worden met het volgende
commando:&prompt.root; acpidump -t -d > name-system.asl(Vervang een aanmeldnaam door
$NAME en producent/model door
$SYSTEM. Bijvoorbeeld:
njl-FooCo6000.asl)De meeste &os; programmeurs lezen de &a.current;
mailinglijst, maar problemen gaan bij voorkeur ook naar
&a.acpi.name; zodat ze zeker gezien worden. Het kan enige tijd
duren voordat er antwoord komt, omdat deze mensen elders ook
nog fulltime banen hebben. Als de bug niet meteen duidelijk
is, komt er waarschijnlijk en verzoek om een
PR in te dienen via &man.send-pr.1;. Als er
een PR moet worden opgesteld, dan dient alle
hierboven gevraagde informatie vermeld te worden. Dit helpt om
het probleem te kunnen volgen en oplossen. Het sturen van een
PR zonder eerst &a.acpi.name; te mailen is
niet wenselijk, aangezien men PRs gebruikt
als herinnering, niet als rapportagesysteem. Mogelijk is een
probleem al eens door iemand anders aangemeld.AchtergrondACPI is aanwezig op alle moderne
computers die voldoen aan de ia32 (x86), ia64 (Itanium) of
amd64 (AMD) architecturen. De volledige standaard heeft vele
mogelijkheden zoals CPU prestatiebeheer,
energiebeheer, thermische zones, diverse batterijsystemen,
ingebedde controllers en busnummering. De meeste systemen
implementeren minder dan de volledige standaard. Een
desktopsysteem implementeert bijvoorbeeld meestal alleen
busnummering, terwijl laptops mogelijk ook koeling- en
batterijbeheer ondersteunen. Laptops hebben ook suspend en
resume (slapen en wakker worden) met hun eigen aanverwante
comlexiteit.Een ACPI-compliant systeem heeft
verscheidene componenten. Het BIOS is de
eerste en dan zijn er verscheidene tabellen in het geheugen
zoals FADT die zaken als de
APIC map (gebruikt voor
SMP) specificeren, beschikbaar gesteld door
verschillende producenten/verkopers. Daarnaast zijn er
specifieke eenvoudige instellingen en instellingenregisters,
ook allen specifiek voor de leverancier. Ook wordt er een
tabel van bytecode (de Differentiated System
Description Table DSDT)
geleverd die een op een boomstructuur lijkende namespace biedt
voor apparaten en apparaatobjectfuncties.Het stuurprogramma ACPI moet de
voorgedefinieerde tabellen verwerken, een interpreter voor
de bytecode implementeren en apparaatstuurprogramma's en de
kernel aanpassen om alleen al informatie van het
ACPI subsysteem te kunnen accepteren.
&intel; heeft een interpreter beschikbaar gesteld
(ACPI-CA) die door &os; en ook door &linux;
en NetBSD gebruikt wordt. De ACPI-CA
broncode staat in src/sys/contrib/dev/acpica. De
lijmcode (glue code) die
ACPI-CA laat werken met &os; staat in
src/sys/dev/acpica/Osd. Stuurprogramma's
die verscheidene ACPI apparaten
implementeren staan in src/sys/dev/acpica.Algemene problemenWil ACPI goed werken, dan moeten alle
onderdelen goed werken. Hieronder staan enkele algemene
problemen in volgorde van hoe vaak ze optreden en enkele
mogelijke oplossingen of manieren om de problemen te
vermijden.MuisproblemenSoms doet een muis het niet bij het opstarten uit de
slaapstand. Een bekend lapmiddel is het toevoegen van
hint.psm.0.flags="0x3000" aan het bestand
/boot/loader.conf. Als dat niet werkt,
dan wordt aangeraden een bugrapport in te sturen, zoals
eerder is beschreven.Suspend/resumeACPI heeft drie slaapstanden waarbij
het geheugen (RAM) wordt ingezet. Dit
zijn de STR toestanden
S1-S3,en nog een
slaap-met-gebruik-van-harde-schijf toestand
(STD) die S4 heet.
S5 is zacht uit en is de
normale status van een systeem als het is aangesloten maar
niet is aangezet. S4 kan feitelijk op
twee manieren geïmplementeerd worden:
S4BIOS is een
slaapstand naar schijf met behulp van het
BIOS en
S4OS wordt volledig
door het besturingssysteem beheerd.als eerste dienen de sysctl
items die iets met de slaapstand
te maken hebben gecontroleerd te worden. Hieronder staan de
resultaten voor een Thinkpad:hw.acpi.supported_sleep_state: S3 S4 S5
hw.acpi.s4bios: 0Dit betekent dat hier acpiconf -s
gebruikt kan worden om S3,
S4 OS en
S5 te testen. Als
gelijk was aan (1), dan zou er
S4BIOS ondersteuning
zijn in plaats van S4
OS.Als suspend/resume getest moet worden, dient, indien
ondersteund, bij S1 begonnen te worden.
Deze toestand heeft de grootste kans om te werken, omdat deze
niet veel stuurprogrammaondersteuning vereist. Niemand heeft
nog S2 geïmplementeerd, maar het is
ongeveer hetzelfde als S1. Daarna wordt
S3 getest. Dit is het diepste
STR niveau en heeft uitgebreide
ondersteuning van stuurprogramma's nodig om hardware goed
opnieuw te kunnen starten. Mochten er blokkades optreden,
dan kan naar de &a.acpi.name; lijst gemaild worden. Er kan
echter geen snelle oplossing verwacht worden, omdat er nog de
nodige stuurprogramma's/hardware liggen om getest en bewerkt
te worden.Om een probleem te kunnen isoleren helpt het om zoveel
mogelijk stuurprogramma's uit de kernel te halen. Als dit
werkt, kan er teruggewerkt worden naar de driver die schuldig
is aan het falen. Meestal vertonen binaire stuurprogramma's
als nvidia.ko, X11
beeldschermstuurprogramma's en USB de
meeste problemen, terwijl bijvoorbeeld Ethernet
interfaces meestal meteen goed werken. Als de
stuurprogramma's zonder problemen geladen en verwijderd
kunnen worden, dan is dit te automatiseren door de juiste
commando's in /etc/rc.suspend en
/etc/rc.resume te zetten. Er staat een
voorbeeld (achter commentaartekens) voor het laden en
verwijderen van een driver. Als het beeldscherm er na
wakker worden vreemd uitziet, kan geprobeerd worden
naar nul
(0) te zetten. Met langere of kortere
waarden voor kan
bekeken worden of dat helpt.In geval van problemen is het ook een optie om een
recente &linux; distibutie met ondersteuning voor
ACPI support te starten en daarvan de
suspend/resume ondersteuning op dezelfde hardware uit te
proberen. Als het werkt met &linux;, dan is het
waarschijnlijk een &os; stuurprogrammaprobleem en als het
mogelijk is uit te vinden over welke driver het gaat, kan dat
bijdragen aan het oplossen van het probleem.
ACPI houdt zich in het algemeen niet bezig
met andere stuurprogramma's bijvoorbeeld geluid,
ATA, enzovoort. Als er dus een echt
driverprobleem is, dan is waarchijnlijk uiteindelijk
ook nodig naar de &a.current.name; lijst te posten en naar de
beheerder van het stuurprogramma. Voor degenen met moed is
het vooral aan te raden een paar &man.printf.3;s in
problematische stukken van een stuurprogramma te plaatsen
voor debugging om na te gaan waar de resumefunctie precies
hangt.Tot slot kan geprobeerd worden om ACPI
uit te zetten en in plaats daarvan APM aan
te zetten. Als suspend/resume werkt met
APM, is het wellicht verstandig het
daarbij te houden, vooral met wat oudere apparatuur (voor
2000). Producenten hebben nogal wat tijd nodig gehad om
ACPI ondersteuning goed te krijgen en
voor oudere hardware is het waarschijnlijker dat er
BIOS problemen zijn met
ACPI.Systeem hangt (tijdelijk of permanent)Meestal is het hangen van het systeem het gevolg van
verloren interrupts of een interruptstorm. Chipsets kunnen
een heleboel problemen hebben, afhankelijk van hoe het
BIOS interrupts instelt voor het
opstarten, of de APIC
(MADT) tabel correct is en de routering
van het System Control Interrupt
(SCI).interrupt stormsInterruptstorms kunnen onderscheiden worden van verloren
geraakte interrupts door de uitvoer van vmstat
-i te controleren en de regel met
acpi0 goed te lezen. Als de teller in
toenemende mate hoger staat dan enkele per seconde, dan is
sprake van een interruptstorm. Als het systeem lijkt te
hangen, is het wellicht nog mogelijk door te dringen tot
de DDB (CTRLALTESC)
show interrupts uit te voeren.APICuitschakelenDe beste hoop in geval van interruptproblemen
is om APIC ondersteuning uit te zetten met
hint.apic.0.disabled="1" in
loader.conf.PanicsPanics zijn relatief zeldzaam met ACPI
en krijgen de hoogste prioriteit bij het oplossen. Eerst
moeten de verschillende gebeurtenissen waarmee de
panic (als mogelijk) te reproduceren is geïsoleerd
worden en moet een backtrace gemaakt worden.
options DDB dient aangezet te worden en er
dient een een seriële console () of een &man.dump.8; partitie
te komen.. In DDB is een backtrace te
maken met tr. Als de backtrace handmatig
opgeschreven moet worden, is het belangrijk dat in ieder
geval de bovenste en onderste vijf (5) regels van de
backtrace genoteerd worden.Daarna dient getracht te worden het systeem te starten
zonder ACPI. Als dat werkt, is het
ACPI subsysteem geïsoleerd en kunnen
de verschillende waarden
uitgeprobeerd worden. In &man.acpi.4; staan enkele
voorbeelden.Systeem slaat aan na slaapstand of stophw.acpi.disable_on_poweroff="0" kan
uitgezet worden in &man.loader.conf.5;. Hierdoor schakelt
ACPI bepaalde gebeurtenissen tijdens het
afsluitproces niet uit. Om dezelfde redenen moeten sommige
systemen deze waarde altijd op 1
(standaard) hebben staan. In het algemeen lost dit een
probleem op waarbij een systeem spontaan weer opkomt
nadat het in slaapstand is gezet of geheel gestopt is.Overige problemenAls er nog andere problemen zijn met
ACPI (met een docking station of
apparaten niet gedetecteerd, enzovoort), dan kan een mail
met beschijving naar de mailinglijst gezonden worden.
Sommige zaken kunnen echter gerelateerd zijn aan delen van
het ACPI subsysteem die nog niet af zijn,
dus het kan in sommige gevallen een tijd duren. Gebruikers
moeten soms geduld hebben en de bereidheid om eventuele
patches uit te proberen.ASL, acpidump en
IASLACPIASLHet grootste probleem is dat BIOS
producenten vaak incorrecte (of gewoon foutieve) bytecode
leveren. Dit blijkt doorgaans uit kernelboodschappen
als:ACPI-1287: *** Error: Method execution failed [\\_SB_.PCI0.LPC0.FIGD._STA] \\
(Node 0xc3f6d160), AE_NOT_FOUNDVaak kunnen dergelijke problemen geoplost worden door de
BIOS bij te werken tot de laatste revisie.
De meeste consoleberichten zijn onschuldig, maar als er andere
problemen zijn, zoals batterijstatus die niet werkt, dan ligt
het voor de hand te zoeken naar problemen in de
AML code. De bytecode die
AML genoemd wordt, wordt gecompileerd van
een broncodetaal ASL. Deze staat weer in
een tabel DSDT. Met &man.acpidump.8; kan
een kopie van de ASL gemaakt worden. Dan
moeten zowel de opties (laat inhoud van
vaste tabellen zien) als (disassembleer
AML naar ASL) gebruikt
worden. In Debuginformatie
aanleveren staat een voorbeeld.De eenvoudigste eerste controle is de
ASL code opnieuw compileren en kijken of
er foutmeldingen optreden. Waarschuwingen kunnen doorgaans
genegeerd worden, maar fouten zijn bugs die er meestal toe
leiden dat ACPI niet correct werkt. Om
ASL te hercompileren:&prompt.root; iasl eigen.aslASL reparerenACPIASLOp langere termijn is het de bedoeling dat voor vrijwel
elke machine ACPI werkt zonder enig
ingrijpen van de gebruiker. Op dit moment wordt er echter nog
gewerkt aan oplossingen voor veel voorkomende vergissingen die
BIOS producenten maken. De µsoft;
interpreter (acpi.sys en
acpiec.sys) controleert niet strikt of het
BIOS volledig aan de standaard voldoet,
waardoor het voorkomt dat BIOS makers die
alleen testen onder &windows; bepaalde fouten in hun
ASL nooit correct repareren. &os; hoopt
door te gaan met de identificatie en documentatie van welk
niet-standaard gedrag precies wordt toegelaten door
µsoft;'s interpreter en te dit te repliceren zodat &os;
kan werken zonder dat gebruikers zich gedwongen zien om de
ASL te repareren. Als een tijdelijke
oplossing en om te helpen met het in kaart brengen van bepaald
gedrag, kan de ASL handmatig gerepareerd
worden. Mocht dit lukken, dan wordt erop aangedrongen een
&man.diff.1; van de oude en de nieuwe ASL
te mailen, zodat het foutieve gedrag mogelijk in
ACPI-CA kan worden verwerkt, waardoor
andere gebruikers niet meer handmatig met hun
ASL aan de gang hoeven.ACPIerror messagesHieronder staat een lijst algemene foutmeldingen, hun
oorzaken en hoe ze op te lossen:_OS afhankelijkhedenSommige AMLs gaan ervan uit dat de
wereld enkel bestaat uit &windows; versies. &os; kan zich
voordoen als elk OS om te kijken of dit
problemen oplost. Een gemakkelijke manier om dit te doen is
hw.acpi.osname="Windows 2001" in te
stellen in /boot/loader.conf of andere
gelijksoortige strings die in een ASL
staan.Ontbrekende return opdrachtenSommige methoden hebben geen specifieke returnwaarde,
zoals wel vereist wordt door de standaard. Hoewel
ACPI-CA hier niets mee doet, heeft &os;
de mogelijkheid tot impliciete returns. Er kunnen ook
expliciet return opdrachten toegevoegd worden waar vereist,
als het bekend is welke waarden teruggevoerd moeten worden.
Om iasl te dwingen tot compilatie van
ASL kan de schakeloptie
gebruikt worden.De standaard AML aanpassenNadat eigen.asl aangepast is, kan
deze als volgt gecompileerd wordent:&prompt.root; iasl eigen.aslMet de optie is af te dwingen dat de
AML gemaakt wordt, zelfs als er
compileerfouten optreden. Sommige fouten (zoals ontbrekende
return opdrachten) worden automatisch opgelost door de
interpreter.DSDT.aml is de standaardnaam voor
het bestand dat door iasl wordt
geproduceerd. Dit is in plaats van de foutieve versie uit
het BIOS (die nog steeds
aanwezig is in het flashgeneugen) te laden door
/boot/loader.conf als volgt te
wijzigen:acpi_dsdt_load="YES"
acpi_dsdt_name="/boot/DSDT.aml"DSDT.aml moet in de map /boot staan.Debuguitvoer van ACPI
verkrijgenACPIproblemenACPIdebuggenHet stuurprogramma ACPI heeft een zeer
flexibele debugfaciliteit. Er kan zowel een set van
subsystemen aangegeven worden als het niveau van uitvoerigheid.
De te debuggen subsystemen worden aangegeven als lagen
(layers) en zijn opgedeeld in
ACPI-CA componenten (ACPI_ALL_COMPONENTS)
en ACPI hardware ondersteuning
(ACPI_ALL_DRIVERS). De uitvoerigheid van debuguitvoer wordt
aangegeven als het niveau (level) en gaat van
CPI_LV_ERROR (alleen fouten rapporteren) tot ACPI_LV_VERBOSE
(alles). Het niveau is een bitmasker en dus kunnen er meerdere
opties tegelijk ingeschakeld worden (gescheiden door spaties).
In de praktijk wordt wellicht een seriële console gebruikt
om de uitvoer te loggen als deze zo omvangrijk is dat de
console berichtbuffer vol loopt (misschien wel meerdere keren).
Een complete lijst van de individuele lagen en niveaus staat
in &man.acpi.4;.Debuguitvoer staat staandaard niet aan. Door
options ACPI_DEBUG toe te voegen aan het
bestand met kernelinstellingen als ACPI als
de kernel is gebouwd, wordt het ingeschakeld. Door
ACPI_DEBUG=1 toe te voegen aan
/etc/make.conf wordt het systeembreed
ingeschakeld. Als ACPI als module wordt
gebruikt (de normale situatie), dan hoeft slechts de
acpi.ko module opnieuw gecompileerd te
worden:&prompt.root; cd /sys/modules/acpi/acpi
&& make clean &&
make ACPI_DEBUG=1acpi.ko moet in
/boot/kernel komen te
staan en de gewenste debuglaag en het gewenste
niveau van uitvoerigheid dienen toegevoegd te worden aan
loader.conf. Hieronder een voorbeeld
waarmee debuguitvoer wordt aangezet voor alle
ACPI-CA componenten en alle
ACPI hardware stuurprogramma's
(CPU, LID, enzovoort.
Het niveau van uitvoerigheid is het laagst mogelijke. Er
worden alleen fouten gemeld.debug.acpi.layer="ACPI_ALL_COMPONENTS ACPI_ALL_DRIVERS"
debug.acpi.level="ACPI_LV_ERROR"Als de gezochte informatie wordt veroorzaakt door een
specifieke gebeurtenis (bijvoorbeeld in en uit slaapstand
gaan), dan kunnen wijzigingen aan
loader.conf achterwege blijven en in
plaats daarvan kan sysctl gebruikt worden om
laag en niveau in te stellen na het opstarten en zo het systeem
voor te bereiden op die specifieke gebeurtenis. De
sysctls hebben dezelfde namen als de
parameters in loader.conf.VerwijzingenMeer informatie over ACPI staat op de
volgende locaties:De &a.acpi;De ACPI mailinglijst archieven
De oude ACPI mailinglijst archieven
De ACPI 2.0 specificatie
&os; Handleidingen: &man.acpi.4;,
&man.acpi.thermal.4;, &man.acpidump.8;, &man.iasl.8;,
&man.acpidb.8;
DSDT debugging informatie.
(Gebruikt Compaq als voorbeeld, maar van algemeen
nut).
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/eresources/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/eresources/chapter.sgml
index e78586cddc..a3e840dc91 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/eresources/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/eresources/chapter.sgml
@@ -1,1886 +1,1907 @@
Bronnen op InternetDoor de snelle ontwikkeling van &os; zijn gedrukte media niet
zo praktisch om de laatste ontwikkelingen te volgen. Elektronische
bronnen zijn de beste, en vaak de enige, om op de hoogte te blijven
van de laatste ontwikkelingen. Omdat &os; draait op de inzet van
vrijwilligers, is de gebruikersgemeenschap vaak een soort
technische ondersteuningsgroep, die heeft ontdekt
dat e–mail en USENET de meeste effectieve manieren zijn om de
gebruikersgemeenschap te bereiken.Hieronder staan de meest belangrijke contactmogelijkheden met
de &os; gebruikersgemeenschap beschreven. Mochten er andere
bronnen zijn die hier niet beschreven zijn, laat die dan weten aan
de &a.doc;, zodat ze hier ook beschreven kunnen worden.MailinglijstenHoewel veel van de ontwikkelaars van &os; USENET lezen, kan
niet altijd gegarandeerd worden dat vragen die in een van de
groepen binnen comp.unix.bsd.freebsd.* gesteld
worden, op tijd beantwoord worden - als ze al beantwoord worden.
Door vragen op de daarvoor bestemde mailinglijsten te stellen,
wordt het gewenste &os; publiek bereikt, waardoor een beter, of
in ieder geval tijdiger, antwoord is gegarandaard.De doelstellingen van de verschillende lijsten staan
onderaan dit document. Lees alsjeblieft de
doelstellingen alvorens lid te worden of mail te
sturen. De meeste leden ontvangen tegenwoordig vaak
honderden &os; gerelateerde berichten per dag, en door de
doelstellingen en gebruiksregels op te stellen wordt gestreefd om
zo min mogelijk ruis op de lijn te krijgen. Door de voorgaande
adviezen te negeren zouden de mailinglijsten op termijn falen als
een effectief communicatiemedium over het project.Bij twijfel over naar welke lijst te posten, kan de pagina
Hoe de beste
resultaten uit de &os;-vragen mailinglijst te halen
wellicht helpen.Alvorens naar enige lijst te posten, is het verstandig te
leren hoe de mailinglijsten het beste gebruikt kunnen worden.
Hoe bijvoorbeeld zich vaak herhalende discussies voorkomen kunnen
worden door het document Veel Gestelde
Mailinglijstvragen (FAQ) te lezen.Voor alle mailinglijsten worden archieven bijgehouden die
doorzocht kunnen worden op de &os; World Wide Web
server. De met sleutelwoorden te doorzoeken archieven
bieden een voortreffelijke methode om antwoorden te vinden op
vaak gestelde vragen en horen geraadpleegd te worden voordat er
vragen op een lijst worden gesteld.LijstsamenvattingAlgemene lijsten: De volgende zijn
algemene lijsten waarop vrijelijk (en aangemoedigd) geabonneerd
kan worden:LijstDoel&a.cvsall.name;Wijzigen die aan de &os; broncode zijn
gemaakt&a.advocacy.name;&os; Evangelisatie&a.announce.name;Belangrijke gebeurtenissen en
projectdoelen&a.arch.name;Architectuur en ontwerp discussies&a.bugbusters.name;Discussie over het onderhoud van de &os;
probleemrapporten database en aanverwante
zaken&a.bugs.name;Bugbeschrijvingen&a.chat.name;Niet-technische onderwerpen met betrekking tot
de &os; gemeenschap&a.current.name;Discussie over het gebruik van &os.current;&a.isp.name;Zaken voor Internet Service Providers die &os;
gebruiken&a.jobs.name;Werk en mogelijkheden voor het geven van advies
met betrekking tot &os;&a.newbies.name;Activiteiten en discussies voor nieuwe gebruikers
van &os;&a.policy.name;Beleidsbeslissingen van het &os; Kernteam. Laag
volume en alleen-lezen&a.questions.name;Gebruikersvragen en technische
ondesteuning&a.security-notifications.name;Beveiligingswaarschuwingen&a.stable.name;Discussies over het gebruik van &os.stable;&a.test.name;Hier kunnen testberichten heengestuurd worden in
plaats van naar de eigenlijke lijstenTechnische lijsten: De volgende
lijsten zijn voor technische discussie. Het is van belang de
doelstellingen te lezen alvorens lid te worden of mail te
sturen omdat de richlijnen voor het gebruik en de inhoud erg
strikt zijn.LijstDoel&a.acpi.name;Ontwikkeling van ACPI en
energiebeheer&a.afs.name;Porten van AFS naar &os;&a.aic7xxx.name;Ontwikkeling van drivers voor de &adaptec; AIC
7xxx&a.alpha.name;Porten van &os; naar de Alpha&a.amd64.name;Porten van &os; naar AMD64 systemen&a.apache.name;Discussie over ports met betrekking tot
Apache&a.arm.name;Porten van &os; naar &arm; processors&a.atm.name;Het gebruik van ATM netwerken met &os;&a.audit.name;Audit van broncode project&a.binup.name;Ontwerp en ontwikkeling van het binaire
updatesysteem
+
+ &a.bluetooth.name;
+
+ &bluetooth; technologie gebruiken in &os;
+
+
&a.cluster.name;&os; gebruiken in een geclusterde omgeving&a.cvsweb.name;CVSweb onderhoud&a.database.name;Discussie over het gebruik en de ontwikkeling van
databases met &os;&a.doc.name;Het maken van &os; gerelateerde documenten&a.emulation.name;Emulatie van andere systemen zoals &linux;,
&ms-dos; en &windows;&a.firewire.name;&os; &firewire; (iLink, IEEE 1394) technische
discussie&a.fs.name;Bestandssystemen&a.geom.name;GEOM-specifieke discussies en
implementaties&a.gnome.name;Porten van GNOME en
GNOME applicaties&a.hackers.name;Algemene technische discussies&a.hardware.name;Algemene discussies over hardware voor het draaien
van &os;&a.i18n.name;&os; Internationalisatie&a.ia32.name;&os; op het IA-32 (&intel; x86) platform&a.ia64.name;Porten van &os; naar &intel;'s IA64
systemen&a.ipfw.name;Technische discussie over het herontwerp van de IP
firewallcode&a.isdn.name;ISDN ontwikkelaars&a.java.name;&java; ontwikkelaars en mensen die &jdk;'s porten
naar &os;&a.kde.name;Porten van KDE en
KDE applications&a.lfs.name;Porten van LFS naar &os;&a.libh.name;Het tweede generatie installatie en package
systeem&a.mips.name;Porten van &os; naar &mips;&a.mobile.name;Discussie over mobiel computeren&a.mozilla.name;Porten van Mozilla naar
&os;&a.multimedia.name;Multimedia applicaties&a.newbus.name;Technische discussies over
bus-architecturen&a.net.name;Discussies over netwerken en TCP/IP
broncode&a.openoffice.name;Porten van
OpenOffice.org en
&staroffice; naar
&os;&a.performance.name;Optimalisatie van prestaties voor installaties met
hoge prestaties en/of load&a.perl.name;Onderhoud van een aantal ports met betrekking tot
perl&a.pf.name;Discussies en vragen voor het pakketfilter
firewall systeem&a.platforms.name;Ports naar niet &intel; architectuur
platforms&a.ports.name;Discussie over de Portscollectie&a.ports-bugs.name;Discussie over bugs in ports en PR's&a.ppc.name;Porten van &os; naar de &powerpc;&a.python.name;&os;-specifieke Python
zaken&a.qa.name;Discussie over Quality Assurance, meestal in een
release traject&a.realtime.name;Ontwikkeling van realtime extensions voor
&os;&a.scsi.name;Het SCSI subsysteem&a.security.name;Beveiligingsonderwerpen betreffende &os;&a.small.name;&os; gebruiken in embedded toepassingen&a.smp.name;Discussies over het ontwerp voor [A]Symmetric
MultiProcessing&a.sparc.name;Porten van &os; naar op &sparc; gebaseerde
systemen&a.standards.name;Volgen van de C99 en de &posix; standaarden door
&os;&a.threads.name;Threading in &os;&a.testing.name;&os; prestatie- en stabiliteitstesten&a.tokenring.name;Ondersteuning voor Token Ring in &os;&a.usb.name;Discussie over &os; ondersteuning voor USB&a.vuxml.name;Discussie over VuXML infrastructuur&a.x11.name;Onderhoud en ondersteuning voor X11 op
&os;Beperkte lijsten: De volgende lijsten
zijn voor meer gespecialiseerd publiek en algemene gebruikers
hebben er waarschijnlijk niets aan. Het is verstandig om eerst
naam te maken in de technische lijsten alvorens lid te worden
van een van de onderstaande beperkte lijsten, zodat de
gebruiken op die lijst bekend zijn.LijstDoel&a.hubs.name;Mensen die mirror sites draaien (infrastructurele
ondersteuning)&a.usergroups.name;Gebruikersgroep coördinatie&a.vendors.name;Coördinatie van pre-release met
wederverkopers&a.www.name;Beheerders van www.FreeBSD.orgVerkorte versie van lijsten (digest):
Alle hierboven beschreven lijsten zijn beschikbaar in verkorte
vorm. Na het lid worden van een lijst zijn de digest opties
te wijzigen bij de accountopties.CVS lijsten: De volgende lijsten zijn
voor mensen met interesse in het zien van logboekberichten voor
wijzigingen in verschillende onderdelen van de
broncodestructuur. Het zijn Alleen-lezen
lijsten waar geen e–mail heen gezonden hoort te
worden.LijstBroncodegebiedBroncodebeschrijving&a.cvsall.name;/usr/(CVSROOT|doc|ports|projects|src)Alle wijzigingen op welke plaats in de structuur
dan ook (som van alle andere CVS commit
lijsten)&a.cvs-doc.name;/usr/(doc|www)Alle wijzigingen aan de doc en www
structuren&a.cvs-ports.name;/usr/portsAlle wijzigingen aan de ports structuur&a.cvs-projects.name;/usr/projectsAlle wijzigingen aan de projects structuur&a.cvs-src.name;/usr/srcAlle wijzigingen aan de src structuurHoe abonnerenOm te abonneren op een lijst kan geklikt worden op de naam
van de lijst hierboven of kan op &a.mailman.lists.link;
geklikt worden op de lijst waarin interesse bestaat. De pagina
waarop de lijsten staan beschreven bevat alle informatie die
nodig is om te abonneren.Om te posten op een lijst kan simpelweg een e–mail
gestuurd worden naar
lijstnaam@FreeBSD.org.
Daarna wordt die doorgestuurd aan leden van de lijst in de hele
wereld.Om het abonnement op een lijst op te zeggen kan op de URL
die onderaan iedere e–mail van een lijst staat geklikt
worden. Het is ook mogelijk om een e–mail te sturen naar
lijstnaam-unsubscribe@FreeBSD.org
om een abonnement op te zeggen.Hierbij nogmaals het advies om discussies op de technische
mailinglijsten technisch te houden. Als er alleen interesse
bestaat in belangrijke mededelingen dan wordt aangeraden te
abonnneren op &a.announce;, waarop zelden verkeer
voorkomt.LijstdoelstellingenAlle &os; mailinglijsten hebben eigen
regels waaraan voldaan dient te worden bij gebruik. Als
daaraan niet wordt voldaan, resulteert dat in maximaal twee (2)
schriftelijke waarschuwingen van de &os; Postmaster
postmaster@FreeBSD.org, waarna na de derde
overtreding de poster verwijderd wordt van alle &os;
mailinglijsten en alle toekomstige mail van het adres van de
verzender wordt uitgefilterd. Helaas zijn deze regels nodig,
omdat het internet van vandaag de dag een onvriendelijke
omgeving is en slechts weinigen zich bewust zijn van hoe
fragiel sommige mechanismen zijn.Standaardregels:Het onderwerp van iedere mail dient te voldoen aan de
basisdoelstellingen van de lijst waarnaar wordt gepost.
Als de lijst bijvoorbeeld over technische onderwerpen gaat,
dan hoort een post ook over iets technisch te gaan. Ruis
en flaming doen alleen af aan de waarde van een
mailinglijst voor alle leden en dat wordt niet getolereerd.
Voor vrije discussie dient de &a.chat; gebruikt te worden
die daar speciaal voor is ingesteld.Bijdragen horen niet naar meer dan twee mailinglijsten
verzonden te worden en alleen dan naar twee als het helder
en duidelijk is dat daarvoor de noodzaak bestaat. Voor de
meeste lijsten bestaat er al veel overlap in de leden en
met uitzondering van de meer esoterische lijsten, zoals
bijvoorbeeld -stable & -scsi, is er
eigenlijk slechts zelden aanleiding om naar meer dan een
lijst te posten. Als een bericht zo is verzonden dat er
meerdere mailinglijsten op de regel Cc
staan, dan hoort de regel Cc weer
ingekort te worden in een eventueel antwoord. De
verzender is verantwoordelijk voor zijn eigen
kruisposten, wie ook een eerdere zender
was.Persoonlijke aanvallen en profane taal (in de context
van een geschil) zijn niet toegestaan. Dit geldt zowel
voor gebruikers als ontwikkelaars. Grove schending van de
netiquette, zoals kopiëren uit of het volledig
doorsturen van persoonlijke e–mail zonder dat
daarvoor toestemming is gegeven, wordt niet op prijs
gesteld. Er zijn hoe dan ook zeer weinig gevallen zijn
waarin zoiets dergelijks wel binnen de doelstelling van een
lijst valt, waardoor dat soort e–mails op grond van
de inhoud alleen al vaak reden zijn voor een waarschuwing
(of ban).Adverteren voor niet-&os; gerelateerde producten is
streng verboden en heeft direct een ban tot gevolg als
helder is dat de overtreder adverteert door middel van
spam.Individuele
lijstdoelstellingen:&a.acpi.name;ACPI en
energiebeheerontwikkeling&a.afs.name;Andrew Bestandssysteem (Andrew File
System)Deze lijst is voor onderwerpen over het porten en
gebruik van AFS van CMU/Transarc&a.announce.name;Belangrijke gebeurtenissen en
projectdoelenDit is de mailinglijst voor hen die alleen interesse
hebben in gelegenheidsmededelingen of belangrijke &os;
gebeurtenissen. Hieronder vallen aankondigingen over
snapshots en andere releases. De lijst omvat ook
aankondigingen over nieuwe mogelijkheden binnen &os;. Er
kunnen ook oproepen gedaan worden voor vrijwilligers,
enzovoort. Deze lijst kent een laag volume en is
volledig gemodereerd.&a.arch.name;Discussie van architectuur en
ontwerpDeze lijst is bedoeld voor het bespreken van de &os;
architectuur. Berichten zijn in het algemeen strikt
technisch van aard. Voorbeelden van geschikte
onderwerpen zijn:Hoe het buildsysteem bijgewerkt kan worden
zodat meerdere aanpaste builds tegelijkertijd kunnen
lopen.Wat moet er aan VPS aangepast worden om Heidemann
layers te laten werken.Hoe kan de apparataatstuurprogramma interface
aangepast worden zodat dezelfde stuurprogramma's
netjes op vele bussen en architecturen gebruikt
kunnen worden.Hoe een netwerkstuurprogramma geschreven kan
worden.&a.audit.name;Broncode audit projectDit is de mailinglijst voor het &os; broncode audit
project. Hoewel in eerst instantie bedoeld voor
beveiliging gerelateerde wijzigingen, zijn de
doelstellingen aangepast naar alle wijzigingen in de
code.Op deze lijst komen veel patches voor en hij is
waarschijnlijk niet interessant voor de gemiddelde &os;
gebruiker. Beveiligingsdiscussies die niet gerelateerd
zijn aan een bepaalde broncodewijziging worden gehouden
op freebsd-security. Omgekeerd worden alle ontwikkelaars
aangemoedigd hun patches op deze lijst ter review aan te
bieden, zeker als hun patch een deel van het systeem
raakt waar een bug de integriteit van het systeem nadelig
kan beïnvloeden.&a.binup.name;&os; Binaire Updates
ProjectDeze lijst bestaat om de mogelijkheid te bieden tot
het bespreken van het binaire update systeem of
binup. Onderwerpen met
betrekking tot ontwerp, implementatie details, patches,
bugreports, statusreports, feature requests, commit
logs en alle andere dingen die met
binup te maken hebben kunnen
besproken worden.
+
+ &a.bluetooth.name;
+
+
+ &bluetooth; in &os;
+
+ Dit is het forum waar gebruikers van &bluetooth; op
+ &os; samenkomen. Gespreksstof op het gebied van ontwerp,
+ implementatiedetails, patches, probleemrapportages,
+ statusrapportages, verzoeken voor nieuwe mogelijkheden
+ en al het andere dat met &bluetooth; te maken heeft is
+ geschikt materiaal.
+
+
+
&a.bugbusters.name;Coördinatie afhandeling Problem
ReportsHet doel van deze lijst is een platform zijn voor de
coördinatie en discussie voor de Bugmeister, zijn
Bugbusters en anderen die interesse hebben in de PR
database. Deze lijst is niet bedoeld voor discussie van
specifieke bugs, patches of PR's.&a.bugs.name;Bug reportsDit is de mailinglijst voor het rapporteren van bugs
in &os;. Waar mogelijk dienen bugs ingezonden te worden
via &man.send-pr.1; of via de WEB interface
daarvan.&a.chat.name;Niet-technische onderwerpen met betrekking
tot de &os; gemeenschapDeze lijst bevat alle onderwerpen waar op andere
lijsten geen ruimte voor is wat betreft niet-technische
en sociale informatie. Er wordt gesproken over de moord
op Van Gogh, of er in onderkast of kapitalen geschreven
dient te worden, wie er te veel koffie drinkt, waar het
beste bier vandaan komt, enzovoort. Belangrijke
gebeurtenissen (zoals feestjes, bruiloften, geboorten,
nieuwe banen, enzovoort) kunnen op de technische lijsten
aangekondigd worden, maar antwoorden dienen naar deze
-chat lijst te gaan.&a.core.name;&os; KernteamDit is een interne mailinglijst die wordt gebruikt
door de kernleden. Er kunnen berichten naar gestuurd
worden als een belangrijke &os; gerelateerde zaak
arbitrage nodig heeft of een onderzoekende blik op hoog
niveau nodig is.&a.current.name;Discussie over het gebruikt van
&os.current;Dit is de mailinglijst voor gebruikers van
&os.current;. Er staan waarschuwingen op over nieuwe
mogelijkheden in -CURRENT die impact hebben op gebruikers
en instructies over de te nemen stappen om -CURRENT te
blijven. Iedereen die CURRENT draait, zou
zich moeten abonneren. Dit is een technische
mailinglijst waarop strikt technische berichten worden
verwacht.&a.cvsweb.name;&os; CVSweb ProjectTechnische discussie over het gebruik, de
ontwikkeling en het beheer van &os;-CVSweb.&a.doc.name;Documentatie projectDit is de mailinglijst voor het bespreken van
onderwerpen en projecten die te maken hebben met het
maken van documentatie voor &os;. De leden van deze
mailinglijst worden samen The &os; Documentation
Project genoemd. Het is een open lijst waarop
zonder problemen een abonnement genomen kan worden en
bijdragen zeer op prijs worden gesteld!&a.firewire.name;&firewire; (iLink, IEEE
1394)Dit is de mailinglijst voor het bespreken van het
ontwerp en de implementatie van een &firewire; (ook wel
IEEE 1394 of iLink) subsysteem voor &os;. Relevante
onderwerpen omvatten de standaarden, bus apparaten en
hun protocollen, adapter boards/kaarten/chipssets en de
architectuur en implementatie van code voor een juiste
ondersteuning.&a.fs.name;BestandssystemenDiscussie over &os; bestandssystemen. Dit is een
technische mailinglijst waarop slechts strikt technische
bijdragen worden verwacht.&a.geom.name;GEOMDiscussie specifiek over GEOM en gerelateerde
implementaties. Dit is een technische mailinglijst
waarop slechts strikt technische bijdragen worden
verwacht.&a.gnome.name;GNOMEDiscussie over de GNOME
bureaubladomgeving voor &os;. Dit is een technische
mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen
worden verwacht.&a.ipfw.name;IP FirewallDit is het forum voor technische bespreking van het
herontwerp van de IP firewall code in &os;. Dit is een
technische mailinglijst waarop slechts strikt technische
bijdragen worden verwacht.&a.ia64.name;Porten van &os; naar IA64Dit is een technische mailinglijst voor individuen
die actief werken aan het porten van &os; naar het IA-64
platform van &intel;, om problemen op tafel te leggen of
alternatieve oplossingen te bespreken.
Geïnteresseerden die alleen de technische bespreking
willen volgen zijn ook welkom.&a.isdn.name;ISDN CommunicatieDit is de mailinglijst voor discussie over de
ontwikkeling van ISDN ondersteuning voor &os;.&a.java.name;&java; OntwikkelingDit is de mailinglijst voor het bespreken van de
ontwikkeling van significante &java; applicaties voor
&os; en het porten en het beheer van &jdk;'s.&a.jobs.name;Banen in de aanbieding en
gezochtDit is een forum voor vacatures en CV's specifiek
gerelateerd aan &os;, bijvoorbeeld als er &os;
gerelateerd werk wordt gezocht of in de aanbieding is.
Dit is geen mailinglijst voor
algemene werkonderwerpen omdat daarvoor al elders ruimte
staat.Ook deze lijst wordt net als alle andere FreeBSD.org mailinglijsten
wereldwijd verspreid. Daarom dient duidelijk vermeld te
worden om welke locatie het gaat en onder welke
voorwaarden telewerken of bijdragen in huisvesting
mogelijk zijn.E–mail dient alleen open formaten te bevatten.
Bij voorkeur platte tekst, maar standaard Portable
Document Format (PDF), HTML en een
aantal andere, zijn acceptabel voor lezers. Gesloten
formaten, zoals µsoft; Word
(.doc), worden door de
mailinglijstserver geweigerd.&a.kde.name;KDEDiscussie over KDE op &os;
systemen. Dit is een technische mailinglijst waarop
slechts strikt technische bijdragen worden
verwacht.&a.hackers.name;Technische discussiesDit is een forum voor technische discussie met
betrekking tot &os;. Dit is de leidende technische
mailinglijst die is bestemd voor mensen die actief aan
&os; werken om problemen aan het voetlicht te brengen of
alternatieve oplossingen te bespreken.
Geïnteresseerden die alleen de technische bespreking
willen volgen zijn ook welkom. Dit is een technische
mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen
worden verwacht.&a.hardware.name;Algemene discussie over &os;
hardwareAlgemene discussie over de typen hardware waar &os;
op draait en problemen en oplossingen over wat te kopen
en wat vooral niet.&a.hubs.name;MirrorsitesAankondigingen en discussie voor beheerders van &os;
mirrorsites.&a.isp.name;Onderwerpen voor Internet Service
ProvidersDeze mailinglijst is voor het bespreken van relevante
onderwerpen voor Internet Service Providers (ISP's) die
&os; gebruiken. Dit is een technische mailinglijst
waarop slechts strikt technische bijdragen worden
verwacht.&a.newbies.name;Bespreken activiteiten voor nieuwelingen
(newbies)Hier worden alle mogelijke activiteiten voor
nieuwelingen besproken die niet al ergens anders worden
besproken, waaronder: onafhankelijk leren en problemen
oplossen, bronnen vinden en gebruiken, hulp zoeken, hoe
en welke mailinglijsten te gebruiken, algemene
onderwerpen, fouten maken, pochen, ideeën delen,
verhalen, morele (maar geen technische) ondersteuning en
actief deelnemen in de &os; gemeenschap. Problemen en
vragen horen thuis in freebsd-questions en
freebsd-newbies gaat om het ontmoeten van anderen die met
dezelfde dingen bezig zijn als de andere
nieuwelingen.&a.openoffice.name;OpenOffice.orgDiscussie over het porten en beheren van
OpenOffice.org en
&staroffice;.&a.performance.name;Discussie over het optimaliseren of
versnellen van &os;Deze mailinglijst is een platform voor hackers,
beheerders en/of andere belanghebbenden om &os; en
prestaties gerelateerde onderwerpen te bespreken.
De onderwerpen die besproken kunnen worden omvatten &os;
installaties met een hoge load, systemen met
prestatieproblemen of systemen die tegen de limieten van
&os; aan zitten. Zij die willen meewerken om de
prestaties van &os; te verbeteren worden sterk
aangemoedigd op deze lijst te abonneren. Deze lijst
is bijzonder technisch en bijzonder geschikt voor
ervaren &os; gebruikers, hackers en beheerders die &os;
snel, robuust en schaalbaar willen houden. Deze lijst
is geen vraag-en-antwoord lijst die dient als vervanging
voor het lezen van documentatie, maar hier worden
bijdragen geleverd of vragen gesteld over nog niet eerder
beschreven prestatie gerelateerde onderwerpen.&a.pf.name;Discussie en vragen over het pakketfilter
firewall systeemDiscussie over het pakketfilter (pf) firewall
systeem aangaande &os;. Technische discussie en
gebruikersvragen zijn beiden welkom. Deze lijst is ook
de plaats om het ALTQ QoS framework te bespreken.&a.platforms.name;Porten van niet-&intel;
platformsCross-platform &os; zaken, algemene discussie en
voorstellen voor niet-&intel; &os; ports. Dit is een
technische mailinglijst waarop slechts strikt technische
bijdragen worden verwacht.&a.policy.name;Kernteam
beleidsbeslissingenDit is een laag volume, alleen-lezen mailinglijst
voor beleidsbeslissingen van het &os; Kernteam.&a.ports.name;Discussie over
portsDiscussie over de Portscollectie
(/usr/ports) van &os;, de ports
infrastructuur en algemene coördinatie aangaande
ports. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts
strikt technische bijdragen worden verwacht.&a.ports-bugs.name;Discussie over ports
bugsDiscussie over problem reports voor de &os;
Portscollectie
(/usr/ports), voorgestelde ports of
aanpassingen aan ports. Dit is een technische
mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen
worden verwacht.&a.python.name;Python op &os;Dit is een lijst voor discussie gerelateerd aan het
verbeteren van ondersteuning voor Python op &os;. Dit is
een technische mailinglijst. Hij is voor mensen die aan
het porten van Python, aanverwante modules en Zope dingen
naar &os; werken.&a.questions.name;GebruikersvragenDit is de mailinglijst voor vragen over &os;. Er
horen geen how to vragen op de technische
mailinglijsten thuis, tenzij een vraag erg technisch van
aard is.&a.scsi.name;SCSI subsysteemDit is de mailinglijst voor mensen die aan het SCSI
subsysteem voor &os; werken. Dit is een technische
mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen
worden verwacht.&a.security.name;Beveiligingsonderwerpen&os; computerbeveiligingsonderwerpen (DES, Kerberos,
bekende beveiligingsgaten, oplossingen, enzovoort). Dit
is een technische mailinglijst waarop slechts strikt
technische bijdragen worden verwacht. Dit is zeker geen
vraag-en-antwoord lijst, maar bijdragen voor de FAQ
(zowel vraag als
antwoord) zijn welkom.&a.security-notifications.name;BeveiligingswaarschuwingenWaarschuwingen voor &os; beveiligingsproblemen en
oplossingen. Dit is geen discussielijst. De
discussielijst is &a.security.name;.&a.small.name;&os; gebruiken in embedded
toepassingenOp deze lijst worden onderwerpen gerelateerd aan
ongebruikelijk kleine en enbedded &os; installaties
besproken. Dit is een technische mailinglijst waarop
slechts strikt technische bijdragen worden
verwacht.&a.stable.name;Discussie over het gebruik van
&os.stable;Dit is de mailinglijst voor gebruikers van
&os.stable;. Er worden ook waarschuwingen op gepost over
nieuwe opties in -STABLE die invloed op de systemen van
gebruikers kunnen hebben en instructies over de te nemen
stappen om -STABLE te blijven. Iedereen die
STABLE draait hoort zich op deze lijst
te abonneren. Dit is een technische mailinglijst waarop
slechts strikt technische bijdragen worden
verwacht.&a.standards.name;Conformeren C99 &
POSIXDit is een forum voor technische bespreking
gerelateerd aan het conformeren van &os; aan de C99 en de
POSIX standaarden.&a.usb.name;Discussie over &os; ondersteuning voor
USBDit is de mailinglijst voor technische bespreking van
onderwerpen gerelateerd aan &os; ondersteuning voor
USB.&a.usergroups.name;Gebruikersgroep Coördinatie
LijstDit is de mailinglijst voor coördinatoren voor
alle lokale gebruikersgroepen, zodat ze met elkaar en een
lid van het Kernteam zaken kunnen bespreken. Deze lijst
hoort beperkt te blijven tot een overzicht van overleggen
en de coördinatie van projecten waarbij meerdere
gebruikersgroepen betrokken zijn.&a.vendors.name;VerkopersCoördinatie en discussie tussen het &os; project
en verkopers van software en hardware voor &os;.Filters op de mailinglijstenDe &os; mailinglijsten worden op verschillende manieren
gefilterd om het doorsturen van spam, virussen en andere
ongewenste e–mail te beperken. De hieronder beschreven
filteracties bevatten niet alle genomen acties voor de
beveiliging van de mailinglijsten.Er is een beperkt aantal typen bijlagen toegestaan op de
mailinglijsten. Alle bijlagen met een MIME content type dat
niet in de onderstaande lijst staat worden verwijderd voordat
de mail wordt doorgestuurd naar de mailinglijsten.application/octet-streamapplication/pdfapplication/pgp-signatureapplication/x-pkcs7-signaturemessage/rfc822multipart/alternativemultipart/relatedmultipart/signedtext/htmltext/plaintext/x-difftext/x-patchSommige mailinglijsten staan wellicht bijlagen toe met
andere MIME content typen, maar de bovenstaande lijst zal
gelden voor de meeste mailinglijsten.Als een e–mail zowel een HTML als een platte tekst
versie bevat, dan wordt de HTML versie verwijderd. Als een
mail alleen een HTML versie bevat, dan wordt die omgezet naar
platte tekst.Usenet nieuwsgroepenNaast de twee specifieke &os; nieuwsgroepen zijn er nog veel
andere waarin &os; wordt besproken of die anderszins relevant
zijn voor &os; gebruikers. Er zijn sleutelwoord
doorzoekbare archieven voor een aantal van die
nieuwsgroepen, met dank aan Warren Toomey
wkt@cs.adfa.edu.au.Specifieke BSD nieuwsgroepencomp.unix.bsd.freebsd.announcecomp.unix.bsd.freebsd.miscde.comp.os.unix.bsd
(Duits)fr.comp.os.bsd
(Frans)it.comp.os.freebsd
(Italiaans)Overige interessante &unix; nieuwsgroepencomp.unixcomp.unix.questionscomp.unix.admincomp.unix.programmercomp.unix.shellcomp.unix.user-friendlycomp.security.unixcomp.sources.unixcomp.unix.advocacycomp.unix.misccomp.bugs.4bsdcomp.bugs.4bsd.ucb-fixescomp.unix.bsdX Window systeemcomp.windows.x.i386unixcomp.windows.xcomp.windows.x.appscomp.windows.x.announcecomp.windows.x.intrinsicscomp.windows.x.motifcomp.windows.x.pexcomp.emulators.ms-windows.wineWorld wide web serversOnderstaande lijst met World Wide Web Servers wordt
automatisch samengesteld om zo actueel mogelijk te zijn en is
daarom niet vertaald.
&chap.eresources.www.inc;
E–mail adressenDe onderstaande gebruikersgroepen bieden &os; gerelateerde
e–mail adressen aan voor hun leden. De aangegeven
beheerders behouden zich het recht voor om een account te
verwijderen als die op enigerlei wijze wordt misbruikt.DomeinFaciliteitenGebruikersgroepBeheerderukug.uk.FreeBSD.orgAlleen forwardenfreebsd-users@uk.FreeBSD.orgLee Johnston
lee@uk.FreeBSD.orgShell accountsDe onderstaande gebruikersgroepen bieden shell accounts aan
voor mensen die het &os; project actief ondersteunen. De
aangegeven beheerders behouden zich het recht voor om een account
te verwijderen als die op enigerlei wijze wordt misbruikt.HostToegangFaciliteitenBeheerderdogma.freebsd-uk.eu.orgTelnet/FTP/SSHE–mail, webhosting, anonieme FTPLee Johnston
lee@uk.FreeBSD.org
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/firewalls/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/firewalls/chapter.sgml
index f26d64cbcc..395a4110bd 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/firewalls/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/firewalls/chapter.sgml
@@ -1,3487 +1,3489 @@
Joseph J.BarbishBijgedragen door BradDavisOmgezet naar SGML en bijgewerkt door SiebrandMazelandVertaald door FirewallsfirewallbeveiligingfirewallsInleidingFirewalls bieden de mogelijkheid om inkomend en uitgaand
verkeer op een systeem te filteren. Een firewall gebruikt
daarvoor een of meer groepen regels (rules) om
netwerkpakketten te inspecteren als ze binnenkomen of weggaan
door netwerkverbindingen en staat dat verkeer dan toe of
blokkeert het. De regels van een firewall kunnen
één of meerdere eigenschappen van pakketten
onderzoeken waaronder, maar niet uitsluitend, het protocol, het
bron- of bestemmingsadres en de bron- en bestemmingspoort.Firewalls kunnen de veiligheid van een host of netwerk enorm
vergroten. Ze kunnen één of meer van de volgende
dingen doen:Applicaties, diensten en machines op een intern
netwerk te beschermen tegen ongewild verkeer van het
internet.Toegang tot internet voor interne hosts te limiteren
of uitschakelen.Ondersteuning bieden voor netwerkadres vertaling
(network address translation of
NAT), waarmee er vanaf een intern
netwerk met private IP adressen een
internetverbinding gedeeld kan worden met één
IP adres of met een groep van publieke
adressen die automatisch wordt toegewezen.Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer:Hoe pakketfilteringsregels op de juiste wijze
samengesteld kunnen worden;De verschillen tussen de firewalls die bij &os;
worden geleverd;Hoe de OpenBSD firewall PF te
gebruiken en in te stellen;Hoe IPFILTER te gebruiken en
in te stellen;Hoe IPFW te gebruiken en in te
stellen.Er wordt aangenomen dat de lezer van dit hoofdstuk:Basisbegrip heeft van &os; en internetconcepten.Firewallconceptenfirewallsets regelsEr zijn twee basismogelijkheden om sets met regels te maken
voor firewalls: inclusief of
exclusief. Een exclusieve firewall staat al het
verkeer door behalve het verkeer dat past bij de set met regels.
Een inclusieve firewall doet het tegenovergestelde. Die staat
alleen verkeer toe dat past bij de regels en blokkeert al het
overige verkeer.Inclusieve firewalls zijn in het algemeen veiliger dan
exclusieve firewalls omdat ze het risico op het toestaan van
ongewild verkeer door een firewall aanzienlijk reduceren.De beveiliging kan nog verder vergroot worden met een
stateful firewall. Een stateful firewall houdt
bij welke connecties er door de firewall tot stand zijn gekomen
en laat alleen verkeer door dat bij een bestaande connectie hoort
of onderdeeel is van een connectie in opbouw. Het nadeel van een
stateful firewall is dat die kwetsbaar kan zijn voor Ontzegging
van Dienst (DoS) aanvallen als er een groot aantal nieuwe
verbindingen binnen korte tijd wordt opgezet. Met de meeste
firewalls is het mogelijk een combinatie te maken van stateful en
niet stateful gedrag om een optimale firewall voor een site te
maken.Firewallsoftware&os; heeft drie soorten firewallsoftware in de
- basisinstallatie. Dat zijn IPFILTER (ook bekend als IPF),
- IPFIREWALL (ook bekend als IPFW) en PF (de pakketfilter van
- OpenBSD). IPFIREWALL heeft ingebouwde mogelijkheden om
- bandbreedte te regelen met de DUMMYNET traffic
- shaper. IPFILTER heeft geen traffic shaper om
- bandbreedte te regelen, maar dit kan wel gedaan worden met de
- port ALTQ. DUMMYNET en ALTQ worden meestal
- gebruikt door ISPs en bedrijven. IPF, IPFW en PF gebruiken
- regels om de toegang van pakketten tot een systeem te regelen,
- hoewel ze dat op andere manieren doen en de syntaxis voor regels
- anders is.
-
- De voorbeeldregels voor IPFW (in
- /etc/rc.firewall) die meekomen met de
- basisinstallatie zijn verouderd en gecompliceerd en ze maken
- geen gebruik van stateful regels op de interface die in
- verbinding staat met internet. Daar wordt alleen gebruik
- gemaakt van staatloze regels die alleen poorten voor diensten
- open of dicht kunnen zetten. De stateful regels die in dit
- onderdeel staan zijn de opvolger van dat wat in
- /etc/rc.firewall met het basissysteem
- meekomt.
-
- Stateful regels hebben technisch geavanceerde
- inspectiemogelijkheden om bescherming te bieden tegen de
- overvloed aan methoden die door aanvallers gebruikt
- worden.
-
- Zowel IPF, IPFW als PF kunnen nog steeds de staatloze
- regels gebruikt blijven worden. Die verouderde regels worden
- in dit onderdeel niet behandeld. Hier worden alleen de nieuwe,
- moderne stateful regels en de volgorde waarin die van
- toepassing zijn behandeld.
-
- We raden aan de mogelijkheden van beide firewalls te
- bestuderen om te bepalen welke firewall in een situatie het
- beste past.
+ basisinstallatie. Dat zijn: IPFILTER (ook bekend als IPF),
+ IPFIREWALL (ook bekend als IPFW) en de pakketfilter van
+ OpenBSD (ook bekend als PF). &os; heeft ook twee ingebouwde
+ pakketten voor het regelen van verkeer (in de basis het
+ beheersen van bandbreedtegebruik): &man.altq.4; en
+ &man.dummynet.4;. Dummynet is traditioneel sterk verbonden met
+ IPFW en ALTQ met
+ IPF/PF. IPF, IPFW en PF
+ gebruiken allemaal regels om de toegang van pakketten tot een
+ systeem te regelen, hoewel ze dat op andere manieren doen en de
+ syntaxis voor regels anders is.
+
+ De reden dat er meerdere firewallpakketten in &os; zitten is
+ dat verschillende mensen verschillende eisen en voorkeuren
+ hebben. Geen enkel firewallpakket is het beste.De schrijver van dit artikel geeft de voorkeur aan IPFILTER
omdat daarmee stateful regels minder complex zijn toe te passen
in een omgeving waar NAT wordt gebruikt en
IPF heeft een ingebouwde ftp proxy waardoor de regels voor het
- veilig gebruiken van FTP eenvoudiger worden. Daarnaast past
- het beter bij het kennisniveau van een onervaren
- firewallgebruiker.
+ veilig gebruiken van FTP eenvoudiger worden.
Omdat alle firewalls gebaseerd zijn op het inspecteren van
- aangegeven controlevelden in pakketten, moet iemand die
+ aangegeven controlevelden in pakketten, moet iemand die sets van
firewallregels opstelt begrijpen hoe TCP/IP
werkt, welke waarde de controlevelden kunnen hebben en hoe die
waarden gebruikt worden in normaal verkeer. Op de volgende
webpagina wordt een prima uitleg gegeven: .De OpenBSD Packet Filter (PF) en
ALTQfirewallPFVanaf juli 2003 is de OpenBSD firewalltoepassing
PF geporteerd naar &os; wn bwschikbaar gekomen
in de &os; Portscollectie. In november 2004 was &os; 5.3 de
eerste release die PF bevatte is integraal
onderdeel van het basissysteem. PF is een
complete en volledige firewall die optioneel
ALTQ bevat (Alternate Queuing).
ALTQ biedt Quality of Service
(QoS) bandbreedtebeheersing waardoor een
bepaalde bandbreedte gegarandeerd kan worden aan verschillende
diensten op basis van filterregels. Het OpenBSD project zorgt
voor een erg goed gebruikershandboek voor PF (PF User's Guide)
dat niet in dit onderdeel wordt opgenomen omdat dat niet nodig
is.Hieronder wordt de beschikbaarheid van PF voor de
verschillende &os; releases en versies weergegeven:&os; VersiePF BeschikbaarheidPre-4.X versiePF is niet beschikbaar voor uitgaven van &os; ouder
dan de tak 4.X.Alle versies van de tak 4.XPF is beschikbaar als onderdeel van KAME.5.X uitgaven voor 5.3-RELEASEDe port security/pf kan gebruikt
worden om PF te installeren op deze versie van &os;.
Deze uitgaven waren gericht op ontwikkelaars en mensen
die een voorproefje wilden hebben van vroege versies van
5.X. Het wordt sterk aangeraden om te upgraden naar
5.3-RELEASE of een nieuwere versie van &os;.5.3-RELEASE en latere versiesPF onderdeel van het basissysteem. Gebruik de port
security/pf op deze
versies van &os; niet. Dat werkt
niet en dus dient de &man.pf.4;-ondersteuning uit het
basissysteem gebruikt te worden.Meer informatie staat op de PF voor &os;
website: .Het OpenBSD PF gebruikershandboek staat hier: .PF in &os; 5.X staat op het niveau van OpenBSD versie
3.5. De port uit de &os; Portscollectie is op het niveau van
OpenBSD versie 3.4. Houd dit in gedachten bij het doornemen
van het gebruikershandboek.PF inschakelenPF zit in de basisinstallatie van &os; voor versies vanaf
5.3 als aparte run time laadbare module. Een
systeem laadt de PF laadbare module dynamisch in de kernel als
pf_enable="YES" in
rc.conf staat. In de laadbare module is
loggen via &man.pflog.4; ingeschakeld.
+
+
+ De module verwacht dat options INET en
+ device bpf beschikbaar zijn. Tenzij
+ NOINET6 was ingesteld (bijvoorbeeld in
+ &man.make.conf.5;) tijdens het bouwen, is ook
+ options INET6 nodig.
+ Kerneloptieskerneloptiesdevice pfkerneloptiesdevice pflogkerneloptiesdevice pfsyncHet is niet verplicht om PF in te schakelen door het mee
te compileren in de &os; kernel. Dit wordt alleen beschreven
als achtergrondinformatie. Door PF in de kernel te
compileren wordt de laadbare module niet gebruikt.Voorbeeld kernelinstellingen voor PF staan beschreven in
de /usr/src/sys/conf/NOTES kernel source
en worden hier weergegeven:device pf
device pflog
device pfsyncdevice pf schakelt ondersteuning voor de
Packet Filter firewall in.device pflog schakelt het
optionele &man.pflog.4; pseudo netwerkapparaat in dat gebruikt
kan worden om verkeer te loggen naar een &man.bpf.4;
descriptor. De &man.pflogd.8; daemon kan gebruikt worden om
de logboekinformatie naar schijf te schrijven.device pfsync schakelt het
optionele &man.pfsync.4; pseudo netwerkapparaat in waarmee de
state wijzigingen gemonitord kunnen worden.
Omdat dit geen onderdeel is van de laadbare module, moet dit
in een aangepaste kernel gebouwd worden om het te kunnen
gebruiken.Deze instellingen worden pas actief nadat een kernel
waarvoor deze instellingen zijn gemaakt is gebouwd en
geïnstalleerd.Beschikbare opties voor
rc.confDe volgende instellingen moeten in /etc/rc.conf
staan om PF bij het booten te activeren:pf_enable="YES" # Schakel PF in (laad module als nodig)
pf_rules="/etc/pf.conf" # bestand met regels voor pf
pf_flags="" # aanvullende vraagen voor opstarten pfctl
pflog_enable="YES" # start pflogd(8)
pflog_logfile="/var/log/pflog" # waar pflogd het logboekbestand moet opslaan
pflog_flags="" # aanvullende vlaggen voor opstarten pflogdAls er een LAN achter de firewall staat en er pakketten
doorgestuurd moeten worden naar computers op dat LAN of als
NAT actief is, dan moet de volgende optie ook ingesteld
worden:gateway_enable="YES" # Schakel in als LAN gatewayALTQ inschakelenALTQ is alleen beschikbaar door de
opties in de &os; Kernel te compileren.
ALTQ wordt niet door alle
netwerkkaartstuurprogramma's ondersteund. In &man.altq.4;
staat een lijst met ondersteunde stuurprogramma's voor de
betreffende versie. Met de volgende opties wordt
ALTQ ingeschakeld en additionele
functionaliteit toegevoegd:options ALTQ
options ALTQ_CBQ # Class Bases Queuing (CBQ)
options ALTQ_RED # Random Early Detection (RED)
options ALTQ_RIO # RED In/Out
options ALTQ_HFSC # Hierarchical Packet Scheduler (HFSC)
options ALTQ_PRIQ # Priority Queuing (PRIQ)
options ALTQ_NOPCC # Required for SMP buildoptions ALTQ schakelt het
ALTQ framework in.options ALTQ_CBQ schakelt Class Based
Queuing (CBQ) in. Met
CBQ kan de bandbreedte van een verbinding
worden opgedeeld in verschillende klasses of wachtrijen om
verkeer te prioriteren op basis van filterregels.options ALTQ_RED schakelt Random Early
Detection (RED) in. RED
wordt gebruikt om netwerkverstopping te voorkomen.
RED doet dit door de lengte van de wachtrij
te meten en die te vergelijken met de minimale en maximale
drempelwaarden voor de wachtrij. Als de wachtrij groter is
dan de maximale waarde worden alle nieuwe pakketten genegeerd.
Het werkt naar zijn naam, dus RED negeert
willekeurig pakketten van verschillende verbindingen.options ALTQ_RIO schakelt Random Early
Detection In and Out in.options ALTQ_HFSC schakelt de
Hierarchical Fair Service Curve Packet Scheduler in. Meer
informatie over HFSC staat op .options ALTQ_PRIQ schakelt Priority
Queuing (PRIQ) in. PRIQ
laat verkeerd dat in een hogere wachtrij staat altijd eerder
door.options ALTQ_NOPCC schakelt
SMP ondersteuning voor
ALTQ in. Deze optie is verplicht op
SMP systemen.De IPFILTER (IPF) firewallfirewallIPFILTER
+
+ Aan dit onderdeel wordt nog gewerkt. De inhoud is wellicht
+ niet altijd volledig en juist.
+
+
Darren Reed is de auteur van IPFILTER, dat niet afhankelijk
is van één besturingssysteem. Het is een open
source applicatie die is geporteerd naar &os;, NetBSD, OpenBSD,
SunOS, HP/UX en Solaris besturingssystemen. IPFILTER wordt
actief ondersteund en onderhouden en er worden regelmatig nieuwe
versies uigebracht.IPFILTER is gebaseerd op een firewall aan de kernelkant en
een NAT mechanisme dat gecontroleerd en
gemonitord kan worden door programma's in userland. De
firewallregels kunnen ingesteld of verwijderd worden met het
hulpprogramma &man.ipf.8;. De NAT regels
kunnen ingesteld of verwijderd worden met &man.ipnat.1;. Het
programma &man.ipfstat.8; kan actuele statistieken leveren voor
de kernelonderdelen van IPFILTER. &man.ipmon.8; kan acties van
IPFILTER wegschrijven naar logboekbestanden van het
systeem.IPF is oorspronkelijk geschreven met logica die regels
verwerkte volgens het principe de laatst passende regel
wint en gebruikte toen alleen staatloze regels. In de
loop der tijd is IPF verbeterd en zijn de opties
quick en keep state
toegevoegd waarmee de logica van het verwerken van regels
drastisch is gemoderniseerd. In de officiële documentatie
van IPF worden de verouderde regels en verwerkingslogica
behandeld. De moderne functies worden alleen behandeld als
opties, waardoor hun nut dat er een veiliger firewall mee te
maken volledig onderbelicht blijft.De instructies in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op regels die
gebruik maken van de optie quick en de
stateful optie keep state. Dit is het
raamwerk waarmee een set van inclusieve firewallregels wordt
samengesteld.Een inclusieve firewall staat alleen pakketten toe die
voldoen aan de regels. Op die manier kan er in de hand
gehouden worden welke diensten van binnen de firewall naar
buiten mogen en welke diensten op het private netwerk vanaf
het internet bereikbaar zijn. Al het andere verkeer wordt
vanuit het ontwerp standaard geblokkeerd en gelogd.
Inclusieve firewalls zijn veel veiliger dan exclusieve
firewalls. Het is ook de enige wijze voor de opzet van een
firewall die in dit hoofdstuk wordt behandeld.Voor een gedetailleerde uitleg over de verwerking van de
verouderde regels zie
en .De IPF FAQ is te vinden op .IPF inschakelenIPFILTERinschakelenIPF zit in de basisinstallatie van &os; als een aparte
run time laadbare module. Een systeem laadt de
IPF kernel laadbare module dynamisch als
ipfilter_enable="YES" in
rc.conf staat. Voor de laadbare module
zijn de opties logging en default
pass all ingeschakeld. IPF hoeft niet in de
kernel gecompileerd te worden om het standaardgedrag te
wijzigen naar block all. Dat is mogelijk
door als laatste regel een regel toe te voegen die al het
verkeer blokkeert.KerneloptieskerneloptiesIPFILTERkerneloptiesIPFILTER_LOGkerneloptiesIPFILTER_DEFAULT_BLOCKIPFILTERkerneloptiesHet is niet verplicht om IPF in te schakelen door de
volgende opties in de &os; kernel te compileren. Dit wordt
alleen beschreven als achtergrondinformatie. Door IPF in de
kernel te compileren wordt de laadbare module niet
gebruikt.Voorbeeld kernelinstellingen voor IPF staan beschreven in
de /usr/src/sys/i386/conf/LINTin de
kernelbroncode
(/usr/src/sys/arch/conf/LINT
voor &os; 4.X) en worden hier beschreven:options IPFILTER
options IPFILTER_LOG
options IPFILTER_DEFAULT_BLOCKoptions IPFILTER schakelt ondersteuning
voor de IPFILTER firewall in.options IPFILTER_LOG schakelt de
optie in waarmee IPF verkeer kan loggen door het naar het
ipl pakketloggende
pseudo–apparaat te schrijven voor iedere regel met het
sleutelwoord log erin.options IPFILTER_DEFAULT_BLOCK
wijzigt het standaardgedrag zodat ieder pakket waarop geen
enkele pass regel van toepassing is
wordt geblokkeerd.Deze instelling worden pas actief nadat een kernel
waarvoor deze instellingen zijn gemaakt is gebouwd en
geïnstalleerd.Beschikbare opties voor rc.confDe volgende instellingen moeten in /etc/rc.conf
staan om IPF bij het booten te activeren:ipfilter_enable="YES" # Start ipf firewall
ipfilter_rules="/etc/ipf.rules" # laad regels uit het doelbestand
ipmon_enable="YES" # Start IP monitor log
ipmon_flags="-Ds" # D = start als daemon
# s = log naar syslog
# v = log tcp window, ack, seq
# n = vertaal IP & poort naar namenAls er een LAN achter de firewall staat dat gebruik maakt
van IP adressen uit de privaat reeks, dan
moet de volgende optie ook ingesteld worden om
NAT functionaliteit in te schakelen:gateway_enable="YES" # Schakel in als LAN gateway
ipnat_enable="YES" # Start ipnat functie
ipnat_rules="/etc/ipnat.rules" # bestand met regels voor ipnatIPFipf&man.ipf.8; wordt gebruikt om het bestand met
firewallregels te laden. Gewoonlijk wordt er een bestand
aangemaakt waarin de situatieafhankelijke regels staan
waarmee in één keer de bestaande regels kunnen
worden vervangen:&prompt.root; ipf -Fa -f /etc/ipf.rules: verwijder alle interne tabellen
met regels.: laad het aangegeven
bestand met regels.Hiermee wordt het mogelijk wijzigingen te maken aan het
bestand met eigen regels en met &man.ipf.8; de firewall aan
te passen met verse regels zonder het systeem te booten.
Deze methode is erg handig om nieuwe regels te testen omdat
dit zo vaak als nodig gedaan kan worden.In &man.ipf.8; worden alle opties die beschikbaar zijn
toegelicht.&man.ipf.8; verwacht dat het bestand met regels een
standaard tekstbestand is. Het accepteert geen bestand met
regels dat is opgesteld als een script dat gebruik maakt van
substitutie.Er is wel een mogelijkheid om IPF regels op te stellen
en gebruik te maken van substitutie. Meer informatie staat
in .IPFSTATipfstatIPFILTERstatistieken&man.ipfstat.8; haalt de totalen van de statistieken op
die horen bij de firewall sinds die is gestart en toont deze.
Het kan ook zijn dat de tellers in tussentijd op nul zijn
gesteld met ipf –Z.In &man.ipfstat.8; worden alle details behandeld.Standaard ziet &man.ipfstat.8; uitvoer er ongeveer als
volgt uit:input packets: blocked 99286 passed 1255609 nomatch 14686 counted 0
output packets: blocked 4200 passed 1284345 nomatch 14687 counted 0
input packets logged: blocked 99286 passed 0
output packets logged: blocked 0 passed 0
packets logged: input 0 output 0
log failures: input 3898 output 0
fragment state(in): kept 0 lost 0
fragment state(out): kept 0 lost 0
packet state(in): kept 169364 lost 0
packet state(out): kept 431395 lost 0
ICMP replies: 0 TCP RSTs sent: 0
Result cache hits(in): 1215208 (out): 1098963
IN Pullups succeeded: 2 failed: 0
OUT Pullups succeeded: 0 failed: 0
Fastroute successes: 0 failures: 0
TCP cksum fails(in): 0 (out): 0
Packet log flags set: (0)Als er als optie voor inkomend of
voor uitgaand wordt meegegeven, dan wordt
de juiste lijst met regels die de kernel op dat moment gebruikt
weergegeven.ipfstat –in toont de tabel met
regels voor inkomend verkeer met regelnummersipfstat –on toont de tabel met
regels voor uitgaand verkeer met regelnummersDe uitvoer ziet er ongeveer als volgt uit:@1 pass out on xl0 from any to any
@2 block out on dc0 from any to any
@3 pass out quick on dc0 proto tcp/udp from any to any keep stateipfstat –ih toont de tabel met
regels voor inkomend verkeer, waarbij voor iedere regel staat
hoe vaak die van toepassing was.ipfstat –oh toont de tabel met
regels voor uitgaand verkeer, waarbij voor iedere regel staat
hoe vaak die van toepassing was.De uitvoer ziet er ongeveer als volgt uit:2451423 pass out on xl0 from any to any
354727 block out on dc0 from any to any
430918 pass out quick on dc0 proto tcp/udp from any to any keep stateEen van de belangrijkste functies van
ipfstat is de vlag
waarmee de staat-tabel wordt getoond op een wijze die
vergelijkbaar is met de wijze waarop &man.top.1; de draaiende
&os; procestabel toont. Als een firewall wordt aangevallen dan
geeft deze functie de mogelijkheid om de pakketten van de
aanvaller te identificeren en nader te onderzoeken. De
optionele subvlaggen bieden de mogelijkheid om een bron of
bestemmings IP adres, poort of protocol aan
te geven dat gemonitord moet worden. Details zijn na te lezen
in &man.ipfstat.8;.IPMONipmonIPFILTERloggenOm &man.ipmon.8; te laten werken zoals bedoeld, moet de
kerneloptie IPFILTER_LOG aan staan. Dit
commando kan op twee verschillende wijzen gebruikt worden.
De standaard is van toepassing als het commando op de
commandoregel wordt ingegeven zonder de optie
.De daemon wordt gebruikt als continu een systeemlogboek
bijgewerkt moet worden zodat het mogelijk is om
gebeurtenissen in het verleden te bekijken. Zo zijn &os; en
IPFILTER ingesteld om samen te werken. &os; heeft ingebouwde
mogelijkheden om automatisch syslogs te roteren. Daarom is
het beter om de uitvoer naar &man.syslogd.8; te geschrijven
dan naar een gewoon bestand. In rc.conf
is te zien dat de instelling ipmon_flags
de waarde heeft:ipmon_flags="-Ds" # D = start als daemon
# s = log naar syslog
# v = log tcp window, ack, seq
# n = vertaal IP & poort naar namenDe voordelen van loggen zijn duidelijk. Het biedt de
mogelijkheid om na het feit informatie na te zien als: welke
pakketten heeft de firewall laten vallen, waar kwamen ze
vandaan en waar gingen ze heen? Dit zijn allemaal voordelen
als het gaat om uitvinden waar een aanvaller vandaan komt en
wat hij heeft geprobeerd.Zelfs als loggen is ingeschakeld logt IPF nog niets uit
zichzelf. De beheerder van de firewall beslist welke actieve
regels iets weg moeten schrijven door het sleutelwoord
log aan die regels toe te voegen.
Gewoonlijk worden alleen deny regels
gelogd.Het is heel normaal om als laatste regel een
deny regel aan de set met regels toe te
voegen waar het sleutelwoord log in staat.
Zo krijgt een beheerder alle pakketten te zien waarop geen
enkele regel van toepassing was.Loggen met IPMONSyslogd heeft een eigen methode
om logboekgegevens te scheiden. Het maakt gebruik van speciale
groepen die facility en level
heten. &man.ipmon.8; in mode gebruikt
local0 als facilitynaam.
Alle door &man.ipmon.8; gelogde gegevens gaan naar
local0. De nu volgende levels kunnen
gebruikt worden om de gelogde gegevens nog verder uit elkaar te
trekken als dat gewenst is.LOG_INFO – pakketten gelogd met het sleutelwoord "log" als actie in plaats van pass of block.
LOG_NOTICE – gelogde pakketten die ook zijn doorgelaten
LOG_WARNING – gelogde pakketten die ook geblokkeerd zijn
LOG_ERR – gelogde pakketten die een verkeerde opbouw hebben, "short"Om IPFILTER alle gelogde gegevens naar
/var/log/ipfilter.log te laten schrijven,
dient dat bestand te bestaan. Dat kan met het volgende
commando:&prompt.root; touch /var/log/ipfilter.logDe syslogfunctie wordt beheerd met instellingen in
/etc/syslog.conf.
syslog.conf biedt aanzienlijke
flexibiliteit in hoe syslog omgaat met systeemberichten die
door softwaretoepassingen als IPF worden gegeven.Zo kan de volgende instelling toegevoegd worden aan
/etc/syslog.conf:local0.* /var/log/ipfilter.loglocal0.* betekent dat alle
logberichten naar de aangegeven plaats geschreven moeten
worden.Om de wijzigingen in
/etc/syslog.conf actief te maken kan er
gereboot worden of is het mogelijk de syslogtaak een schop te
geven zodat /etc/syslog.conf opnieuw
wordt ingelezen met /etc/rc.d/syslogd
reload. Voor &os; 4.X is dit killall
-HUP syslogd. Het PID
(procesnummer) is te achterhalen door een overzicht van taken
te tonen met ps –ax. Het PID is het
nummer in de linker kolom voor de regel waarop
syslog staat.Vaak wordt vergeten
/etc/newsyslog.conf te wijzigen om het
nieuw aangemaakte logboekbestand te laten roteren.De opmaak van gelogde berichtenBerichten die door ipmon wordt gezonden
bestaan uit velden die gescheiden worden door een spatie.
Velden die in alle berichten zitten zijn:De datum waarop het pakket is ontvangen.De tijd waarop het pakket is ontvangen weergegeven
als HH:MM:SS.F voor uren, minuten, seconden en fracties
van een seconde. De fractie kan meerdere cijfers lang
zijn.De naam van de interface waarop het pakket is
ontvangen, bijvoorbeeld
dc0.De groep en regelnummer van de regel, bijvoorbeeld
@0:17.Deze kunnen ingezien worden met
ipfstat -in.De acties: p voor doorgelaten
(passed), b voor
geblokkeerd (blocked),
S voor een verkeerd pakket
(short packet), n voor
dat er geen enkele regel van toepassing was,
L voor een logboekregel. De volgorde
waarin deze acties getoond worden is: S, p, b, n, L. Een
hoofdletter P of B
betekent dat het pakket gelogd is vanwege een globale
instelling, niet vanwege één regel in het
bijzonder.De adressen. Dit zijn eigenlijk drie velden: het
bronadres en poort gescheiden door een komma het symbool
–> en het bestemmingsadres en poort.
209.53.17.22,80 –>
198.73.220.17,1722.Achter PR staat de naam van het
protocol of het nummer, bijvoorbeeld PR
tcp.Achter len staan de lengte van de
pakketkop en de totale lengte van het pakket,
bijvoorbeeld len 20 40.Als het pakket een TCP pakket is, dan
is er nog een veld dat begint met een verbindingsstreepje
met daarachter letters die overeenkomen met vlaggen die
ingeschakeld waren. In &man.ipmon.8; is een lijst met
letters en bijbehorende vlaggen te vinden.Als het pakket een ICMP pakket is, dan worden aan het
einde twee velden toegevoegd. Het eerste is altijd
ICMP en het volgende het ICMP bericht en
subbericht type, gescheiden door een slash, bijvoorbeeld
ICMP 3/3 voor een poort niet
bereikbaar bericht.Script met regels met substitutie bouwenGeoefende gebruikers van IPF maken een bestand dat de
regels bevat en stellen dat op zo'n manier op dat het
uitgevoerd kan worden als een script met substitutie. Het
grote voordeel van deze werkwijze is dat er dan alleen de
waarde van een variabele gewijzigd hoeft te worden en dat
als het script opnieuw wordt uitgevoerd, op alle plaatsen
waar de variabele wordt gebruikt, de nieuwe waarde in de
regels wordt opgenomen. Omdat het een script is, kan
substitutie gebruik worden om vaak voorkomende waarden
de definiëren zodat ze in meerdere regels vervangen
kunnen worden. Dit wordt geïllustreerd in het
onderstaande voorbeeld.De syntaxis die in het script wordt gebruikt is
compatibel met de shells sh,
csh en tcsh.Velden waarvoor substitutie van toepassing is worden
vooraf gegaan door het dollarteken
$.Definities worden niet vooraf gegaan door het voorvoegsel
$.De waarden van een definitie moet omsloten worden door
dubbele aanhalingstekens (").Een set regels begint wellicht als volgt:############## Begin IPF regels script #########################
oif="dc0" # naam van de uitgaande interface
odns="192.0.2.11" # IP adres van DNS server ISP
myip="192.0.2.7" # statische IP adres gekregen van ISP
ks="keep state"
fks="flags S keep state"
# Er kan gekozen worden om dit script te gebruiken om een eigen
# /etc/ipf.rules script te maken of dit script kan gebruikt worden
# "as is"
#
# Haal bij één van deze regels het commentaarteken weg
# en plaats hem bij de ander.
#
# 1) Deze kan gebruikt worden om /etc/ipf.rules te maken:
#cat > /etc/ipf.rules << EOF
# 2) Deze kan gebruikt worden om het script "as is" te starten:
# Let op: er moet een lege regel zijn na het EOF teken.
/sbin/ipf -Fa -f - << EOF
# Verleen toegang tot de DNS van de ISP.
pass out quick on $oif proto tcp from any to $odns port = 53 $fks
pass out quick on $oif proto udp from any to $odns port = 53 $ks
# Sta uitgaand verkeer voor niet beveiligd www verkeer toe
pass out quick on $oif proto tcp from $myip to any port = 80 $fks
# Sta uitgaand verkeer voor beveiligd www verkeer toe (https over TLS SSL)
pass out quick on $oif proto tcp from $myip to any port = 443 $fks
EOF
################## Einde IPF regels script ########################Dat is alles. De regels zijn niet van belang in dit
voorbeeld, maar tonen hoe substitutievelden worden
gedefinieerd en hoe ze worden gebruikt. Als het bovenstaande
voorbeeld de inhoud van
/etc/ipf.rules.script was, dan kon het
geladen worden door het vanaf de commandoregel aan te
roepen:&prompt.root; sh /etc/ipf.rules.scriptEr is wel een probleem met het gebruik van regels in
combinatie met substitutie. IPF snapt het niet en kan deze
scripts niet direct lezen.Dit script kan gebruikt worden op één van de
volgende twee manieren:Haal het commentaarteken weg bij de regel die begint met
cat en zet het commentaarteken bij de
regel die begint met /sbin/ipf. Plaats
ipfilter_enable="YES" in
/etc/rc.conf zoals gewoonlijk en start
het script eenmalig na elke wijziging om
/etc/ipf.rules te maken of bij te
werken.Schakel IPFILTER uit in de systeem opstart scripts door
ipfilter_enable="NO" toe te voegen aan
/etc/rc.conf (dit is de
standaardwaarde).Voeg een script zoals de volgende toe aan de
/usr/local/etc/rc.d opstart
directory. Het script zou een duidelijke naam
moeten hebben zoals ipf.loadrules.sh.
De .sh is noodzakelijk.#!/bin/sh
sh /etc/ipf.rules.scriptDe permissies op dit script moeten zijn: lezen,schrijven
en uitvoeren voor de gebruiker root.&prompt.root; chmod 700 /usr/local/etc/rc.d/ipf.loadrules.shAls het systeem nu herstart, worden de regels via het
script gestart.Sets van IPF regelsEen set regels is een groep ipf regels
die is gemaakt om pakketten toe te staan of te blokkeren op
basis van de eigenschappen van dat pakket. De
bi-directionele uitwisseling van pakketten tussen hosts
bestaat uit een gesprek dat een sessie heet. De set van
firewallregels beoordeelt pakketten twee keer: als het
aankomt van de host op het publieke internet en als het de
host weer verlaat op de weg terug naar de host op het
publieke internet. Iedere TCP/IP dienst
als telnet, www, mail, etc, heeft zijn eigen protocol, bron
IP adres en bestemmings
IP adres of de bron- en bestemmingspoort.
Deze attributen vormen de basis voor het opstellen van regels
waarmee diensten toegelaten of geblokkeerd kunnen
worden.IPFILTERvolgorde regelverwerkingIPF is oorspronkelijk geschreven met logica die regels
verwerkte volgens het principe de laatst passende
regel wint en gebruikte toen alleen staatloze regels.
In de loop der tijd is IPF verbeterd en zijn de opties
quick en keep state toegevoegd
waarmee de logica van het verwerken van regels drastisch is
gemoderniseerd.De instructies in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op regels
die gebruik maken van de optie quick
en de stateful optie keep state. Dit
is het raamwerk waarmee een set van inclusieve firewallregels
wordt samengesteld.Een inclusieve firewall staat alleen diensten toe die
voldoen aan de regels. Op die manier kan er in de hand
gehouden worden welke diensten van binnen de firewall naar
buiten mogen en welke diensten op het private netwerk vanaf
het internet bereikbaar zijn. Al het andere verkeer wordt
vanuit het ontwerp standaard geblokkeerd en gelogd.
Inclusieve firewalls zijn veel veiliger dan exclusieve
firewalls. Het is ook de enige wijze voor de opzet van een
firewall die in dit hoofdstuk wordt behandeld.Werk bij het wijzigen van firewallregels zeer
voorzichtig. Met sommige instellingen is een
server niet meer bereikbaar. Om het
veilig te spelen is het aan te raden de eerste instellingen
vanaf het console te maken, in plaats van via
ssh.RegelsyntaxisIPFILTERregelsyntaxisDe regelsyntaxis die hier wordt besproken is versimpeld
door alleen de moderne stateful regels en de eerste
van toepassing zijnde regel wint te belichten. De
complete regelsyntaxis is na te lezen in &man.ipf.8Het karakter # wordt gebruikt om het
begin van een opmerking te markeren en zowel op een eigen
regel als achter een firewallregel staan. Lege regels worden
genegeerd.Regels bevatten sleutelwoorden die in een bepaalde
volgorde van links naar rechts op een regel horen te staan.
Sleutelwoorden worden vet weergegeven. Sommige
sleutelwoorden hebben subopties die zelf ook weer
sleutelwoorden hebben die ook weer subopties kunnen hebben.
Alle opties die hier direct onder staan, worden daaronder
uitgebreid weergegeven en verderop in dit hoofdstuk in een
aparte paragraaf behandeld.ACTIE IN/UIT OPTIES SELECTIE STATEFUL
PROTO BRON_ADR,BEST_ADR OBJECT POORT_NUM TCP_VLAG STATEFUL
ACTIE = block | passIN/UIT = in | outOPTIES = log | quick | on
interfacenaamSELECTIE = protowaarde |
bron/bestemming IP | poort = nummer | flags
flag–valuePROTO = tcp/udp | udp | tcp |
icmpBRON_ADR,BEST_ADR = all | from
object to objectOBJECT = IP adres | anyPOORT_NUM = poortnummerTCP_VLAG = SSTATEFUL = keep stateACTIEDe actie geeft aan wat er met het pakket gedaan moet
worden als het van toepassing is op de rest van de
filterregel. Iedere regel moet een
actie hebben. De volgende acties zijn mogelijk:block geeft aan dat het pakket
moet verdwijnen als de parameters van toepassing zijn het
het pakket.pass geeft aan dat het pakket
doorgelaten moet worden als de parameters van toepassing
zijn op het pakket.IN/UITEen verplicht onderdeel voor iedere filterregel waarin
expliciet wordt aangegeven op welke zijde van de in/uit
hij van toepassing is. Het volgende sleutelwoord moet
in of out
zijn, anders is de regel syntactisch onjuist.in betekent dat de regel van
toepassing is op inkomende pakketten.out betekent dat de regel van
toepassing is op inkomende pakketten.OPTIESDeze opties moeten in de volgorde waarin ze hier
beschreven staan gebruikt worden.log geeft aan dat het pakket naar het
ipl logboekbestand geschreven moeten
worden (zoals verderop beschreven staat in de paragraaf
Loggen) als de regel van toepassing is op
het pakket.quick geeft aan dat als een regel van
toepassing is, dat de laatste regel moet zijn die wordt
gecontroleerd, waardoor er een pad wordt
kortgesloten waardoor de volgende regels voor
dat pakket niet meer gecontroleerd worden. Deze optie is
voor de moderne regels eigenlijk verplicht.on geeft de interface aan die in de
parameters meegenomen moet worden. De namen van interfaces
kunnen getoond worden met &man.ifconfig.8;. Als deze optie
wordt gebruikt, kan een regel alleen van toepassing zijn als
het pakket door de aangegeven interface gaat in de richting
die is aangegeven
(in/out). Ook deze
optie is verplicht voor de moderne regels.Als een pakket wordt gelogd, dan wordt de kop van het
pakket weggeschreven naar het ipl
pakketloggende pseudo–apparaat. Direct na het
sleutelwoord log mogen de volgende opties
gebruikt worden (in de aangegeven volgorde):body geeft aan dat de eerste 128 bytes
van de inhoud van het pakket worden opgeslagen na de
kop.first; als het sleutelwoord
log samen met keep
state wordt gebruikt, wordt het aangeraden om
deze optie ook te gebruiken zodat alleen het pakket dat als
eerste in de sessie van toepassing was en niet ook alle
pakketten die daarna in de sessie volgens
keep state van toepassing
zijn.SELECTIEDe sleutelwoorden in deze paragraaf worden gebruikt om
attributen van het pakket dat wordt geïnspecteerd te
beschrijven om te bepalen of een regel wel of niet van
toepassing is. Er is een sleutelwoord
en er zijn subopties waarvan er
één of meer gekozen moeten worden. De
volgende attributen zijn beschikbaar voor het proces en
moeten in de aangegeven volgorde worden gebruikt:PROTOproto is het
sleutelwoord dat moet worden aangegeven samen met een van de
sleutelwoorden uit de subopties. De waarde geeft een bepaald
protocol aan dat van toepassing moet zijn. Ook deze optie is
verplicht voor de moderne regels.tcp/udp, tcp,
udp, icmp of ieder
ander protocol dat in /etc/protocols
staat wordt herkend en kan gebruikt worden. Het bijzondere
protocol sleutelwoord tcp/udp kan gebruikt
worden om zowel voor TCP als
UDP pakketten van toepassing te laten zijn. Het is
toegevoegd voor het gemak om vrijwel gelijke regels te
voorkomen.BRON_ADR/BEST_ADRHet sleutelwoord all is in feite
hetzelfde als from any to any zonder
overige parameters.from bron to dest; de
sleutelwoorden from en
to worden gebruikt om te testen op
IP adressen. In regels moet zowel een
bron als bestemmings IP adres
aangegeven worden. any is een
bijzonder sleutelwoord dat van toepassing is voor ieder
IP adres als in from any to
any of from 0.0.0.0/0 to any
of from any to 0.0.0.0/0 of
from 0.0.0.0 to any of from
any to 0.0.0.0.IP adressen mogen ingevoerd worden
in de vorm numeriek, door punten gescheiden
adres/maskerlengte of als een enkelvoudig
IP adres in de vorm numeriek, door
punten gescheiden.Het is vaak lastig om te komen tot een reeks adressen
in de vorm adres/masker. De volgende webpagina kan daar
wellicht bij helpen: .POORTAls in een regel op een poort wordt gecontroleerd, voor
bron- of bestemmingspoort of beiden, dan is dat alleen van
toepassing op TCP en UDP pakketten. Bij
het maken van poortvergelijkingen kunnen zowel de dienstnamen
uit /etc/services als een uit een
natuurlijk getal bestaand poortnummer ingesteld worden. Als
de poort onderdeel is van het from object
dan wordt het vergeleken met het poortnummer van de bron en
als het onderdeel is van het to object,
dan wordt het vergeleken met het poortnummer van de
bestemming. Het gebruik van het to object
is in de moderne regels verplicht en neemt de vorm aan van
from any to any port = 80.Poortvergelijkingen kunnen op verschillende manieren
ingesteld worden met een aantal verschillende operators.
Er kunnen ook reeksen van poorten ingesteld worden.port = of een van de volgende
operators: !=, <, >, <, >=, eq, ne,
lt, gt, le, ge.Reeksen van poorten worden met de volgende optie
aangegeven: port <> of
><.De volgende twee parameters die betrekking hebben op
bron en bestemming, zijn verplicht in de moderne
regels.TCP_VLAGVlaggen zijn alleen beschikbaar voor het filteren
van TCP. De letters staan voor
de mogelijke vlaggen die bekeken kunnen worden in de
kop van een TCP pakket.In de moderne regels wordt de optie flags
S gebruikt om het verzoek tot het starten van
een TCP sessie.STATEFULkeep state geeft aan dat in een regel
met pass voor alle pakketten die van
toepassing zijn stateful gefilterd moet worden.Deze optie is voor moderne regels verplicht.Stateful filterenIPFILTERstateful filterenMet stateful filteren wordt verkeer benaderd als een
uitwisseling van pakketten tussen twee kanten die een sessie
zijn. Als het is ingeschakeld, dan maakt het
mechamisme dynamisch interne
regels voor pakketten die in de sessie horen te volgen. Het
kan bekijken of de karakteristieken van de sessie tussen
verzender en ontvanger de juiste procedure volgen. Alle
pakketten die niet passen in de sessie, worden automatisch
geblokkeerd.keep state staat ook ICMP pakketten toe
die gerelateerd zijn aan een TCP of UDP
sessie. Dus als er een ICMP type 3 code 4 komt in antwoord op
websurfen, dat wordt toegestaan van binnen naar buiten door een
keep state regel, dan wordt dat toegelaten.
Pakketten waarvan IPF zeker is dat ze onderdeel zijn van de
sessie worden toegelaten, zelfs als ze van een ander protocol
zijn.Wat er gebeurt: pakketten die naar buiten gaan op de
interface die met internet is verbonden worden eerst
vergeleken met de dynamische staattabel. Als een pakket
voldoet aan de verwachting van het volgende pakket in de
sessie, dan mag het de firewall verlaten en wordt de
staattabel bijgewerkt. De overige pakketten worden
vergeleken met de set van regels voor uitgaand
verkeer.Pakketten die binnenkomen op de interface die met
internet is verbonden worden eerst vergeleken met de
dynamische staattabel. Als een pakket voldoet aan de
verwachting van het volgende pakket in de sessie, dan mag het
de firewall verlaten en wordt de staattabel bijgewerkt. De
overige pakketten worden vergeleken met de set van regels
voor uitgaand verkeer.Als de sessie wordt beëindigd wordt hij uit de
dynamische staattabel verwijderd.Met stateful filteren is het mogelijk om de focus te
leggen op het blokkeren of toestaan van nieuwe sessies.
Als een nieuwe sessie tot stand mag komen, dan worden alle
volgende pakketten automatisch doorgelaten en al het
vervalste verkeer wordt automatisch tegegehouden. Als een
nieuwe sessie wordt geweigerd, dan wordt geen enkel pakket
doorgelaten. Met stateful filteren zijn er uitgebreide
mogelijkheden voor onderzoek om bescherming te bieden tegen
de veelheid aan aanvallen die tegenwoorden door aanvallers
worden uitgevoerd.Voorbeeld van inclusieve regelsDe onderstaande regels zijn een voorbeeld van hoe een
erg veilige inclusieve firewall opgezet kan worden. Een
inclusieve firewall staat alleen diensten toe die passen bij
de pass regels en blokkeert al het
overige verkeer. Alle firewalls hebben tenminste twee
interfaces waarop regels van toepassing zijn om de firewall
te laten werken.Alle &unix; systemen en dus ook &os; zijn zo ontworpen
dat ze voor interne communicatie de interface
lo0 en IP adres
127.0.0.1 gebruiken. De
firewall moet dit interne verkeer gewoon doorgang laten
vinden.Voor de interface die is verbonden met het publieke
internet worden regels gemaakt waarmee sessies naar het
internet mogelijk gemaakt worden en toegang wordt gegeven
voor pakketten die uit die sessies terug komen. Dit kan
de PPP interface tun0 zijn of de
netwerkkaart die is verbonden met een xDSL of
kabelmodem.In gevallen dat er één of meer netwerkkaarten
zijn aangesloten op het LAN achter de firewall, dan moeten er
op de firewall regels zijn om het verkeer tussen die interfaces
vrije doorgang te geven.De regels worden opgedeeld in drie onderdelen: alle
interfaces met vrije doorgang, uitgaand op publieke
interfaces en inkomend op publieke interfaces.In iedere sectie moeten zo staan dat de regels die het
meest gebruikt worden vóór de regels die minder
vaak gebruikt worden staan. De laatste regel van een onderdeel
geeft aan dat al het overige verkeer op die interface in die
richting geblokkeerd en gelogd moet worden.In het onderdeel Uitgaand staan alleen regels met
pass die parameters bevatten om
individuele diensten beschikbaar te maken zodat er internet
toegang is. Al die regels moeten gebruik maken van
quick, on,
proto, port en
keep state. De regels met
proto tcp maken ook gebruik van
flag om te bekijken of het een pakket
betreft voor het opzetten van een sessie om de stateful
functionaliteit aan te sturen.In het onderdeel Inkomend staan alle regels voor het
blokkeren van ongewenste pakketten eerst om twee redenen.
Als eerste kan het zo zijn dat wat er wordt geblokkeerd
later toegestaan zou worden door regels die diensten
toestaan. De tweede reden is dat nu ongewenste pakketten
die vaak voor komen en die bij voorkeur niet in de
logboeken voor komen niet meer van toepassing zijn op de
laatste regel van het onderdeel waarin ze zouden worden
gelogd. Met de laatste regel van dit onderdeel worden
alle overige pakketten geblokkeerd en gelogd en ze kunnen
bewijsmateriaal zijn in een zaak tegen iemand die heeft
geprobeerd een systeem aan te vallen.Voor al het verkeer dat wordt geweigerd wordt geen
antwoord gestuurd. De pakketten verdwijnen gewoon. Zo weet
een aanvaller niet of een pakket het doelsysteem wel heeft
bereikt. Zo kan een aanvaller geen informatie verzamelen
over een systeem: hoe minder informatie er over een systeem
- beschikbaar is, hoe veiliger het is. Zo wordt bijvoorbeeld
- een inkomend verzoek van een nmap OS
- fingerprint gelogd omdat een aanvaller zoiets zou
- proberen.
+ beschikbaar is, hoe meer tijd iemand erin moet steken voordat
+ er iets slechts gedaan kan worden. Zo wordt bijvoorbeeld
+ een inkomend verzoek van een nmap OS fingerprint
+ gelogd omdat een aanvaller zoiets zou proberen.
We raden aan om als er logmeldingen komen van een regel
met log first het commando
ipfstat -hio uit te voeren om te
bekijken hoe vaak de regel van toepassing is geweest om te
kijken of de firewall overspoeld wordt, m.a.w. aangevallen
wordt.Als er pakketten gelogd worden waarvan de beheerder het
poortnummer niet herkent, dan is de functie van dat poortnummer
na te zoeken in /etc/services of op .Op de volgende link worden poortnummers van Trojans
beschreven: .De onderstaande set regels is een complete en erg veilige
inclusieve set met regels voor een firewall die de auteur
zelf heeft gebruikt op zijn syteem. Deze set met regels is
een aanrader en eenvoudig aan te passen door commentaar te
maken van een regel voor een dienst die niet gewenst
is.Logberichten die niet gewenst zijn, zijn uit te sluiten
door ze met een regel te blokkeren in het begin van het
onderdeel Inkomend.Voor de onderstaande regels dient de
dc0 interfacenaam in iedere regel
vervangen te worden door de interfacenaam van de netwerkkaart
in het systeem die met het publieke internet is verbonden.
Voor gebruikers van PPP zou dat tun0
zijn.Dit zou de inhoud van /etc/ipf.rules
kunnen zijn:#################################################################
# Geen beperkingen op de interface aan de LAN kant.
# Niet nodig als er geen LAN is.
################################################################
#pass out quick on xl0 all
#pass in quick on xl0 all
#################################################################
# Geen beperkingen op de loopback interface
#################################################################
pass in quick on lo0 all
pass out quick on lo0 all
#################################################################
# Interface aan het publieke internet (onderdeel Uitgaand).
# Inspecteer verzoeken om een sessie te starten van achter de
# firewall op het private netwerk of vanaf de server zelf naar
# het publieke internet.
#################################################################
# Geef toegang tot de DNS server van de ISP.
# xxx moet het IP adres van de DNS van de ISP zijn.
# Dupliceer deze regels als een ISP meedere DNS servers heeft.
# Haal het IP adres evt. uit /etc/resolv.conf.
pass out quick on dc0 proto tcp from any to xxx port = 53 flags S keep state
pass out quick on dc0 proto udp from any to xxx port = 53 keep state
# Geef toegang tot de DHCP server van de ISP voor kabel- en
# xDSL-netwerken. Deze regel is niet nodig als gebruik gemaakt worden
# van PPP naar het publieke internet. In dat geval kan de hele groep
# verwijderd worden. Gebruik de volgende regel en controleer het
# logboek voor het IP adres. Wijzig dan het IP adres in de regel
# commentaar hieronder en verwijder de eerste regel.
pass out log quick on dc0 proto udp from any to any port = 67 keep state
#pass out quick on dc0 proto udp from any to z.z.z.z port = 67 keep state
# Sta niet beveiligd www verkeer toe.
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 80 flags S keep state
# Sta beveiligd www verkeer over TLS SSL toe.
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 443 flags S keep state
# Sta het verzenden en ontvangen van e-mail toe.
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 110 flags S keep state
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 25 flags S keep state
# Sta Time toe.
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 37 flags S keep state
# Sta NNTP nieuws toe.
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 119 flags S keep state
# Sta lokale en LAN gebruiker toe niet beveiligde FTP te gebruiken
# (zowel passieve als actieve modes). Deze functie maakt gebruik van
# de in IPNAT ingebouwde FTP proxy die in het bestand met nat regels
# staat om dit in één regel te laten werken. Als er met
# pkg_add packages toegevoegd moeten kunnen worden op een systeem, dan
# is deze regel nodig.
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 21 flags S keep state
# Sta beveiligde FTP, Telnet en SCP toe.
# Deze functie maakt gebruik van SSH (secure shell)
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 22 flags S keep state
# Sta uitgaande niet beveiligde telnet toe.
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 23 flags S keep state
# Sta de &os; CVSUP functie toe.
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 5999 flags S keep state
# Sta ping toe naar het publieke internet.
pass out quick on dc0 proto icmp from any to any icmp–type 8 keep state
# Sta whois toe vanaf overal naar het publieke internet.
pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 43 flags S keep state
# Blokkeer en log het eerste voorkomen van al het andere dat probeert
# buiten te komen. Deze regel dwingt de 'block all' logica af.
block out log first quick on dc0 all
#################################################################
# Interface aan het publieke internet (onderdeel Inkomend).
# Inspecteert pakketten die van het publieke internet komen
# met als bestemming de host zelf of het private netwerk.
#################################################################
# Blokkeer al het verkeer voor niet–routeerbare of gereserveerde
# adresreeksen.
block in quick on dc0 from 192.168.0.0/16 to any #RFC 1918 privaat IP
block in quick on dc0 from 172.16.0.0/12 to any #RFC 1918 privaat IP
block in quick on dc0 from 10.0.0.0/8 to any #RFC 1918 privaat IP
block in quick on dc0 from 127.0.0.0/8 to any #loopback
block in quick on dc0 from 0.0.0.0/8 to any #loopback
block in quick on dc0 from 169.254.0.0/16 to any #DHCP auto–config
block in quick on dc0 from 192.0.2.0/24 to any #gereserveerd voor documentatie
block in quick on dc0 from 204.152.64.0/23 to any #Sun cluster interconnect
block in quick on dc0 from 224.0.0.0/3 to any #Klasse D & E multicast
##### Blokkeer wat vervelende dingen ############
# die niet in de logboeken moeten komen.
# Blokkeer flagmenten.
block in quick on dc0 all with frags
# Block korte TCP pakketten.
block in quick on dc0 proto tcp all with short
# Blokkeer source gerouteerde pakketten.
block in quick on dc0 all with opt lsrr
block in quick on dc0 all with opt ssrr
# Blokkeer pogingen voor nmap OS fingerprint.
# Log first occurrence of these so I can get their IP address
block in log first quick on dc0 proto tcp from any to any flags FUP
# Blokkeer alles met speciale opties.
block in quick on dc0 all with ipopts
# Blokkeer publieke pings.
block in quick on dc0 proto icmp all icmp–type 8
# Blokkeer ident.
block in quick on dc0 proto tcp from any to any port = 113
# Blokkeer alle Netbios diensten. 137=naam, 138=datagram, 139=sessie.
# Netbios is de &windows; bestandsdeeldienst.
# Blokkeer &windows; hosts2 name server verzoeken 81.
block in log first quick on dc0 proto tcp/udp from any to any port = 137
block in log first quick on dc0 proto tcp/udp from any to any port = 138
block in log first quick on dc0 proto tcp/udp from any to any port = 139
block in log first quick on dc0 proto tcp/udp from any to any port = 81
# Sta inkomend verkeer toe van de DHCP server van de ISP. Deze regel
# moet het IP adres van de DHCP server van de ISP bevatten omdat die
# de enige toegestane bron van dit type pakketten moet zijn. Alleen
# van belang voor kabel en xDSL instellingen. Deze regel is niet nodig
# voor PPP verbindingen naar het publieke internet. Dit is hetzelfde
# IP adres dat in het Uitgaande onderdeel is opgezocht.
pass in quick on dc0 proto udp from z.z.z.z to any port = 68 keep state
# Sta inkomend webverkeer toe omdat er een Apache server draait.
pass in quick on dc0 proto tcp from any to any port = 80 flags S keep state
# Sta niet beveiligde telnet sessie toe vanaf het publieke internet.
# Dit heeft het label niet veilig omdat gebruikersnaam en
# wachtwoord als platte tekst over internet gaan. Als er geen telnet
# server draait, hoeft deze regel niet actief te zijn.
#pass in quick on dc0 proto tcp from any to any port = 23 flags S keep state
# Sta beveiligde FTP, telnet en SCP toe vanaf internet.
# Deze functie gebruik SSH(secure shell).
pass in quick on dc0 proto tcp from any to any port = 22 flags S keep state
# Blokkeer en log het eerste voorkomen van al het andere dat probeert
# binnen te komen. Het loggen van alleen het eerste voorkomen stopt
# een ontzegging van dienst aanval die gericht is op het laten
# vollopen van de partitie waarop de logboeken staan. Deze regel dwingt
# de 'block all' logica af.
block in log first quick on dc0 all
################### Einde van de regels ###################################NATNATIP masqueradingNATnetwork address translationNATnetwerkadres vertalingNATNAT staat voor Network Address
Translation (netwerkadres vertaling). In &linux; heet dit IP
Masquerading. Een van de vele mogelijkheden die IPF
NAT kan bieden is het delen van
één IP adres op het publieke
internet met een LAN achter een firewall.De vraag zou kunnen rijzen waarom iemand dat zou willen.
ISP's wijzen normaliter namelijk dynamisch een
IP adres toe aan hun niet-commerciële
gebruikers. Dynamisch betekent hier dat het
IP adres iedere dat er wordt ingebeld of
dat de kabel- of xDSL-modem uit- en aangeschakeld wordt
anders kan zijn. Dit IP adres is het
adres waarmee een netwerkapparaat bekend is op het publieke
internet.Stel dat er vijf PC's in een huis staan en iedere
computer in dat huis heeft toegang tot internet nodig. Dan
zouden er bij een ISP vijf individuele accounts moeten zijn
en vijf telefoonlijnen om dat te realiseren.Met NAT is er maar één
account bij een ISP nodig en moeten er vier PC's met kabels
op een switch aangesloten waarop ook een &os; systeem is
aangesloten dat als gateway gaat opereren.
NAT zal automatisch de private LAN
IP adressen van alle PC's vertalen naar
een enkel publiek IP adres als de
pakketten de firewall naar het internet verlaten.NAT wordt vaak gebruikt zonder
toestemming of wetenschap van een ISP en in de meeste
gevallen is het, als het wordt ontdekt, grond voor een ISP
om de account op te zeggen. Commerciële gebruikers
betalen veel meer voor hun internet verbindingen en krijgen
vaak een reeks statische IP adressen die
nooit verandert. Een ISP verwacht en staat toe dat
commerciële gebruikers NAT inzetten
voor connectiviteit voor hun interne netwerk.Er is een speciale reeks van IP
adressen gereserveerd voor NAT op LANs.
Volgens RFC 1918 kunnen de volgende reeksen
IP adressen gebruikt worden op private
netwerken die nooit direct op het publieke internet
gerouteerd worden.Eerste IP–Laatste IP10.0.0.0–10.255.255.255172.16.0.0–172.31.255.255192.168.0.0–192.168.255.255IPNATNATen IPFILTERipnatNAT regels worden geladen met
ipnat. De NAT regels
worden vaak opgeslagen in /etc/ipnat.rules
. Meer details staan in &man.ipnat.1;.Bij het maken van wijzigingen aan de
NAT regels nadat NAT
gestart is, wordt aangeraden de wijziging aan het bestand met
regels te maken en daarna met ipnat
alle actieve NAT regels
te wissen. Daarna kunnen de regels uit het bestand weer als
volgt geladen worden:&prompt.root; ipnat -CF -f /etc/ipnat.rulesGebruiksgegevens over NAT kunnen
getoond worden met:&prompt.root; ipnat -sDe huidige inhoud van de NAT tabellen
kan getoond worden met:&prompt.root; ipnat -lMet het volgende commando kan de uitgebreide rapportage
worden ingeschakeld en dan wordt informatie over het
verwerken van verkeer en de actieve regels getoond:&prompt.root; ipnat –vIPNAT regelsNAT regels zijn erg flexibel en er
kunnen veel dingen mee gedaan worden om behoeften van
bedrijven en thuisgebruikers in te vullen.De syntaxis van de regels die hier wordt toegelicht is
vereenvoudigd om te passen bij een niet-commerciële
omgeving. De complete syntaxis is na te lezen in
&man.ipnat.5;.De syntaxis voor een NAT regel ziet er
ongeveer als volgt uit:map IFLAN_IP_REEKS –> PUBLIEK_ADRESDe regel begint met het sleutelwoord
map.IF dient vervangen te worden
door de aanduiding van de externe interface.LAN_IP_REEKS is de reeks die
clients op een LAN gebruiken, meestal iets van 192.168.1.0/24.PUBLIEK_ADRES kan het publieke
IP adres zijn of een speciaal sleutelwoord
0.32, wat betekent dat het
IP adres van IF
gebruikt moet worden.Hoe NAT werktEen pakket komt vanaf het LAN aan bij de firewall en
heeft een publieke bestemming. Het wordt verwerkt door de
filterregels voor inkomend verkeer en daarna krijgt
NAT de kans zijn regels op het pakket toe
te passen. De regels worden van boven naar beneden toegepast
en de eerste regel die van toepassing is wint.
NAT controleert voor alle regels het
pakket op interfacenaam en bron IP adres.
Als de interfacenaam van een pakket past bij een
NAT regel dan wordt het bron
IP adres van dat pakket gecontroleerd, dat
is dus een IP adres op het private LAN,
om te bekijken of het valt in de reeks die is opgegeven aan
de linkerkant van een NAT regel. Als ook
dat klopt, dan wordt het bron IP adres van
het pakket vervangen (rewritten) door een
publiek IP adres dat verkregen kan zijn
met het sleutelwoord 0.32.
NAT werkt dan zijn interne
NAT tabel bij, zodat als er een pakket uit
die sessie terugkomt van het publieke internet, dat pakket
weer gepast kan worden bij het originele private
IP adres en door de firewallregels
gefilterd kan worden om daarna, als dat mag, naar een client
gestuurd te worden.IPNAT inschakelenVoor IPNAT zijn de onderstaande
instellingen in /etc/rc.conf
beschikbaar.Om verkeer tussen interfaces te kunnen routeren:gateway_enable="YES"Om IPNAT automatisch te starten:ipnat_enable="YES"Om aan te geven waar de IPNAT regels
staan:ipnat_rules="/etc/ipnat.rules"NAT voor een groot LANVoor netwerken met grote aantallen PC's of netwerken
met meerdere LAN's kan het een probleem worden om al die
private IP adressen met één
enkel publiek IP adres te vervangen,
omdat vaak dezelfde poortnummers gebruikt worden. Er zijn
twee manieren om dit probleem op te lossen.Aangeven welke poorten te gebruikenEen normale regel voor NAT ziet er als volgt uit:map dc0 192.168.1.0/24 –> 0.32Met de bovenstaande regel blijft de bronpoort
ongewijzigd als het pakket door IPNAT
gaat. Door gebruik te maken van het sleutelwoord
portmap kan IPNAT
ingesteld worden om alleen bronpoorten in de aangegeven reeks
te gebruiken. Zo stelt de onderstaande regel in dat
IPNAT de bronpoort aanpast naar een
poortnummer dat in de aangegeven reeks valt:map dc0 192.168.1.0/24 –> 0.32 portmap tcp/udp 20000:60000Het kan nog eenvoudiger door gebruik te maken van het
sleutelwoord auto zodat
IPNAT zelf bepaalt welke poorten gebruikt
kunnen worden:map dc0 192.168.1.0/24 –> 0.32 portmap tcp/udp autoMeerdere publieke adressen gebruikenIn grote netwerken komt er een moment waarop er gewoon
te veel adressen zijn om te bedienen met één
IP adres. De volgende regel vertaalt
alle verbindingen naar 204.134.75.1:map dc0 192.168.1.0/24 –> 204.134.75.1Dit kan gewijzigd worden naar een reeks addressen met
de volgende regel:map dc0 192.168.1.0/24 –> 204.134.75.1–10Er kan ook een subnet aangegeven worden met een CIDR
notatie als in het volgende voorbeeld:map dc0 192.168.1.0/24 –> 204.134.75.0/24Poorten omleidenHet is erg gebruikelijk om een webserver, mailserver,
database server en DNS server op verschillende computers
op een LAN te draaien. Het uitgaande verkeer van die
servers kan dan met NAT afgehandeld
worden, maar er moet ook ingesteld worden dat inkomend
verkeer bij de juiste computer terecht komt.
IPNAT gebruikt daarvoor de opties in
NAT waarmee verkeer omgeleid kan worden.
Als bijvoorbeeld een webserver op 10.0.10.25 draait en het publieke
IP adres zou 20.20.20.5 zijn, dan zou dit mogelijk
zijn met één van de volgende twee regels:map dc0 20.20.20.5/32 port 80 –> 10.0.10.25 port 80
map dc0 0/32 port 80 –> 10.0.10.25 port 80Voor een DNS server op een LAN die ook vanuit internet
bereikbaar met zijn en die draait op 10.0.10.33 zou de regel er als
volgt uit zien:map dc0 20.20.20.5/32 port 53 –> 10.0.10.33 port 53 udpFTP en NATFTP is dinosaurus uit het tijdperk van voor internet was
zoals het nu is, toen onderzoeksinstellingen met elkaar
verbonden waren via huurlijnen en FTP de aangewezen methode
was om bestanden met elkaar uit te wisselen. Maar bij het
gebruik van FTP worden gebruikersnaam en wachtwoord als
platte tekst verzonden en het protocol is nooit aangepast.
FTP is er in twee smaken: actief en passief. Het verschil
zit 'm in hoe het datakanaal wordt opgezet. De passieve
variant is veiliger voor een gebruiker omdat bij deze variant
beide communicatiekanalen door de client zelf worden opgezet.
Op de volgende link zijn details over FTP na te lezen:
.IPNAT regelsIPNAT heeft een een speciale FTP proxy
ingebouwd die kan worden ingeschakeld met een
NAT map regel. Die kan
al het uitgaande verkeer monitoren wat betreft
opstartverzoeken voor sessies voor actieve en passieve FTP en
dynamisch tijdelijke filterregels maken die alleen het
poortnummer dat echt in gebruik is voor het datakanaal
doorlaten. Hiermee wordt een veiligheidsrisico dat normaal
gepaard gaat met FTP, namelijk het toestaan van grote reeksen
hoge poortnummers, weggenomen.De volgende regel handelt al het FTP verkeer van het
LAN af:map dc0 10.0.10.0/29 –> 0/32 proxy port 21 ftp/tcpDe regel hieronder handelt het FTP verkeer van de
gateway zelf af:map dc0 0.0.0.0/0 –> 0/32 proxy port 21 ftp/tcpDeze laatste regel handelt al het niet–FTP
verkeer voor het LAN af:map dc0 10.0.10.0/29 –> 0/32De FTP map regel hoort voor de
normale regels te staan. Alle pakketten worden als eerste
vergeleken met de eerste regel en zo verder. Eerst wordt
gekeken over de interfacenaam overeenkomt, daarna het
bron IP adres van het LAN en dan of het
een FTP pakket is. Als dat allemaal klopt, dan maakt de
speciale FTP proxy een tijdelijke filterregel die de
pakketten uit de FTP sessie naar binnen en buiten doorlaat
en ook NAT toepast op de FTP pakketten. Alle pakketten
van het LAN die niet van het protocoltype FTP zijn en dus
niet bij de eerste regel passen, worden tegen de derde
regel gehouden die van toepassing is vanwege de interface
en bron IP adres, zodat er dan
NAT op toegepast wordt.IPNAT FTP filterregelsAls de NAT FTP proxy wordt gebruikt
is er maar één filterregel voor FTP
nodig. Zonder de FTP proxy zouden er drie regels nodig
zijn:# Sta LAN client toe te FTP-en naar internet
# Actieve en passieve modes
pass out quick on rl0 proto tcp from any to any port = 21 flags S keep state
# Sta opzetten van het datakanaal voor passieve mode toe voor hoge poorten
pass out quick on rl0 proto tcp from any to any port > 1024 flags S keep state
# Laat het datakanaal van de FTP server binnen voor actieve mode
pass in quick on rl0 proto tcp from any to any port = 20 flags S keep stateFTP NAT proxy bugVanaf &os; 4.9, waar IPFILTER versie 3.4.31 bij zit,
werkt de FTP proxy volgens de documentatie tot de sessie
wordt afgesloten. Als dit wordt gedaan dan worden
pakketten die terug komen van de FTP server geblokkeerd en
gelogd als inkomend op poort 21. De NAT
FTP proxy lijkt zijn tijdelijke regels te vroeg te
verwijderen, nog voordat het antwoord van de FTP server
dat de verbinding gesloten kan worden is ontvangen. Er is
een PR gepost op de ipf mailinglijst.Hoewel dit niet opgelost kan worden, is het mogelijk
een regel in te stellen waarmee de ongewilde logboekregels
niet ontstaan. Als alternatief is het mogelijk ze gewoon
te negeren. De meeste mensen maken niet zoveel gebruik van
uitgaande FTP.block in quick on rl0 proto tcp from any to any port = 21IPFWfirewallIPFW
+
+ Aan dit onderdeel wordt nog gewerkt. De inhoud is wellicht
+ niet altijd volledig en juist.
+
+
IPFIREWALL (IPFW) is een firewall die binnen &os; wordt
ontwikkeld en onderhouden door vrijwilligers, leden van de
staf. Het maakt gebruik van verouderde staatloze regels en een
verouderde techniek om te realiseren wat eenvoudige stateful
logica zou kunnen heten.
+ De set voorbeeldregels van IPFW (die in
+ /etc/rc.firewall staat) uit de standaard
+ &os; installatie is redelijk eenvoudig en niet voorbereid om
+ zonder wijzigingen gebruikt te worden. Het voorbeeld maakt geen
+ gebruik van stateful filteren, wat een voordeel is in de meeste
+ situaties. Daarom worden deze regels niet als basis gebruikt in
+ dit onderdeel.
+
De staatloze syntaxis van IPFW is krachtig door de
technisch geavanceerde mogelijkheden van de regelsyntaxis die
de kennis van de gemiddelde gebruiker van firewalls ver
overstijgt. IPFW is gericht op de professionele gebruiker
of de gevorderde thuisgebruiker die hoge eisen stelt aan de
wijze waarop er met pakketten wordt omgegaan. Voordat de
kracht van de IPFW regels echt ingezet kan worden, moet de
gebruiker veel weten over de verschillende protocollen en
de wijze waarop pakketten in elkaar zitten. Het tot op dat
niveau behandelen van stof valt buiten de doelstellingen van
dit boek.IPFW bestaat uit zeven componenten: de verwerkingseenheid
voor de firewallregels, verantwoording, loggen, regels met
divert (omleiden) waarmee
NAT gebruikt kan worden en de speciale
gevorderde mogelijkheden voor bandbreedte management DUMMYNET,
de bridge mogelijkheden en de ipstealth mogelijkheden.IPFW inschakelenIPFWinschakelenIPFW zit bij de basisinstallatie van &os; als een losse
in run-time laadbare module. Het systeem laadt de kernel
module dynamisch als in rc.conffirewall_enable="YES" staat. IPFW hoeft
niet in de &os; kernel gecompileerd te worden, tenzij het
nodig is dat NAT beschikbaar is.Na het rebooten van een systeem met
firewall_enable="YES" in
rc.conf is het volgende bericht op het
scherm te zien tijdens het booten:ipfw2 initialized, divert disabled, rule-based forwarding disabled, default to deny, logging disabledIn de laadbare module zit de mogelijkheid om te loggen
gecompileerd. In /etc/sysctl.conf kan een
instelling gemaakt worden waardoor loggen na volgende herstarts
wordt ingeschakeld:net.inet.ip.fw.verbose_limit=5KerneloptieskerneloptiesIPFIREWALLkerneloptiesIPFIREWALL_VERBOSEkerneloptiesIPFIREWALL_VERBOSE_LIMITIPFWkerneloptiesHet is niet verplicht om IPFW in te schakelen door het
mee te compileren in de &os; kernel, tenzij de
NAT functionaliteit beschikbaar moet zijn.
Dit wordt alleen beschreven als achtergrondinformatie.
Door IPFW in de kernel te compileren wordt de laadbare module
niet gebruikt.options IPFIREWALLMet IPFIREWALL wordt IPFW ingeschakeld
als deel van de kernel.options IPFIREWALL_VERBOSEMet IPFIREWALL_VERBOSE wordt het
loggen van pakketten die worden verwerkt met IPFW mogelijk
als het sleutelwoord in een regel
staat.options IPFIREWALL_VERBOSE_LIMIT=5Limiteert het aantal pakketten dat per regel wordt gelogd
via &man.syslogd.8;. Deze optie kan gebruikt worden in
vijandige omgevingen waar de activiteit van een firewall gelogd
moet worden. Hierdoor kan een mogelijke ontzegging van dienst
aanval door syslog flooding voorkomen worden.kerneloptiesIPFIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPToptions IPFIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPTMet IPFIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPT wordt
standaard alles door de firewall doorgelaten. Dit wordt
aangeraden als iemand voor het eerst een firewall
opzet.options IPV6FIREWALL
options IPV6FIREWALL_VERBOSE
options IPV6FIREWALL_VERBOSE_LIMIT
options IPV6FIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPTVoor de bovenstaande opties geldt dat ze hetzelfde doen
als de opties voor IPv4, alleen doen ze dat voor IPv6. Als
IPv6 niet wordt gebruikt, dan wordt aangeraden de optie
IPV6FIREWALL te gebruiken zonder regels,
zodat al het IPv6 verkeer wordt geblokkeerd.kerneloptiesIPDIVERToptions IPDIVERTMet IPDIVERT wordt de
NAT functionaliteit ingeschakeld.Als IPFIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPT
niet wordt gebruikt of de regels van de firewall staan geen
verkeer toe, dan worden alle pakketten van en naar de
machine waar dit voor geldt geblokkeerd./etc/rc.conf optiesAls IPFW niet in de kernel is gecompileerd, dan moet het
geladen worden met de volgende instellingen in
/etc/rc.conf:firewall_enable="YES"Om de firewallregels uit een bestand te laden kan de
volgende instelling gebruikt worden:firewall_script="/etc/ipfw.rules"Om loggen in te schakelen:firewall_logging="YES"Het enige dat de variabele
firewall_logging doet is de sysctlt
variabele net.inet.ip.fw.verbose op de
waarde 1 zetten (zie ). Er is geen variabele in
rc.conf om logboeklimieten in te
stellen, maar dat kan ingesteld worden via een sysctl
variabele, handmatig of via het bestand
/etc/sysctl.conf:net.inet.ip.fw.verbose_limit=5Het commando IPFWipfwipfw wordt gebruikt om met de hand
regels toe te voegen of te verwijderen als IPFW actief is.
Het probleem met deze methode is dat, als het systeem down
wordt gebracht, alle regels die gewijzigd of verwijderd zijn
verloren gaan. Door alle regels in een bestand op te nemen
dat bij het booten wordt geladen of door het bestand waarin
de wijzigingen zijn gemaakt als een machine draait te laden
bestaat die probleem niet.Met ipfw kunnen de actieve regels van
de firewall op het scherm getoond worden. De
verantwoordingsmogelijkeden van &man.ipfw.8; maken
dynamisch tellers aan voor iedere regel en houden die bij
voor alle pakketten die van toepassing zijn op die regel.
Dit biedt ook een mogelijkheid om een regel te testen.Om alle regels in volgorde te tonen:&prompt.root; ipfw listOm alle regels te tonen met de tijd waarop deze voor het
laatst van toepassing was:&prompt.root; ipfw –t listHet volgende commando kan gebruikt worden om de
verantwoordingsinformatie, pakettellers en de regel zelf te
tonen. De eerste kolom is het regelnummer met daarachter
het aantal keren dat de regel van toepassing was voor
inkomend verkeer, gevolgd door het aantal keren dat de regel
van toepassing was voor uitgaand verkeer. Als laatste wordt
de regel zelf getoond:&prompt.root; ipfw –a listOok kunnen onder de statische regels de dynamische regels
getoond worden:&prompt.root; ipfw –d listEn de dynamische regels die verlopen zijn:&prompt.root; ipfw –d –e listDe tellers op nul gesteld worden:&prompt.root; ipfw zeroAlleen de tellers voor regel
NUM op nul stellen:&prompt.root; ipfw zero NUMSets van IPFW regelsEen set regels is een groep &man.ipfw.8; regels die is
gemaakt om pakketten toe te staan of te blokkeren op basis
van de eigenschappen van dat pakket. De bi-directionele
uitwisseling van pakketten tussen hosts bestaat uit een
gesprek dat een sessie heet. De set van firewallregels
beoordeelt pakketten twee keer: als het aankomt van de host
op het publieke internet en als het de host weer verlaat op
de weg terug naar de host op het publieke internet. Iedere
TCP/IP dienst als
telnet, www, mail, etc, heeft zijn eigen protocol, bron
IP adres en bestemmings
IP adres of de bron- en bestemmingspoort.
Deze attributen vormen de basis voor het opstellen van
regels waarmee diensten toegelaten of geblokkeerd kunnen
worden.IPFWvolgorde regelverwerkingAls een pakket de firewall binnenkomt wordt het
vergeleken met de eerste regel in de set regels en zo gaat
dat voor iedere regel vanaf boven tot beneden. Als een
regel van toepassing is op een pakket, dan wordt het
actieveld van de regel uitgevoerd. Dit wordt de
de eerst passende regel wint zoekmethode
genoemd. Als een pakket bij geen enkele regel past, dan
wordt de standaardregel 65535 toegepast, die alle pakketten
weigert zonder een antwoord terug te sturen naar de
verzender.Het zoeken gaat door na regels met
count, skipto en
tee.De instructies in dit onderdeel zijn gebaseerd op regels
die gebruik maken van de stateful opties keep
state, limit,
in/out en
via. Dit is het raamwerk waarmee een
set van inclusieve firewallregels wordt samengesteld.Een inclusieve firewall staat alleen diensten toe die
voldoen aan de regels. Op die manier kan er in de hand
gehouden worden welke diensten van binnen de firewall naar
buiten mogen en welke diensten op het private netwerk vanaf
het internet bereikbaar zijn. Al het andere verkeer wordt
vanuit het ontwerp standaard geblokkeerd en gelogd.
Inclusieve firewalls zijn veel veiliger dan exclusieve
firewalls. Het is ook de enige wijze voor de opzet van een
firewall die in dit hoofdstuk wordt behandeld.Er wordt aangeraden voorzichtig te zijn als er vanaf
het netwerk aan de firewallregels wordt gewerkt omdat het
gevaar bestaat buitengesloten te worden.RegelsyntaxisIPFWregelsyntaxisDe regelsyntaxis zoals hier toegelicht is vereenvoudigd
door alleen te tonen wat nodig is om een standaard
inclusieve set met firewallregels te maken. De complete
beschijving van alle mogelijkheden staat in
&man.ipfw.8;.Regels bevatten sleutelwoorden die in een bepaalde
volgorde van links naar rechts op een regel horen te staan.
Sleutelwoorden worden vet weergegeven. Sommige
sleutelwoorden hebben subopties die zelf ook weer
sleutelwoorden hebben die ook weer subopties kunnen
hebben.Het karakter # wordt gebruikt om
het begin van een opmerking te markeren en kan zowel op een
eigen regel als achter een firewallregel staan. Lege
regels worden genegeerd.CMD REGEL_NUMMER ACTIE LOGGEN SELECTIE
STATEFULCMDIedere regel moet beginnen met
add om hem toe te voegen aan de
tabel met regels.REGEL_NUMMERIedere regel moet een regelnummer hebben.ACTIEBij een regel kunnen één of meer acties
horen die worden uitgevoerd als een regel geldt voor een
pakket.allow | accept | pass |
permitDeze opties betekenen allemaal hetzelfde: als de
regel geldt voor een pakket, laat dat pakket dan door en
stop met het zoeken naar geldende regels.check–stateVergelijkt het pakket met de tabel met dynamische
regels. Als het erin staat, dan wordt de actie van
de dynamisch door deze regel gemaakte regel uitgevoerd.
Anders wordt er verder gezocht door de regels. Een
regel met check–state heeft
geen selectiecriteria. Als er geen regel met
check–state in de set met
regels staat, dan wordt de tabel met dynamische regels
bij het eerste voorkomen van
keep–state of
limit gecontroleerd.deny | dropDeze opties betekenen hetzelfde: als de regel geldt
voor een pakket, blokkeer dat pakket dan en stop met het
zoeken naar geldende regels.Loggenlog of
logamountAls een regel met het sleutelwoord
log van toepassing is op een
pakket, dan wordt er een bericht naar &man.syslogd.8;
geschreven met de facilitynaam SECURITY. Er wordt alleen
een bericht geschreven als het aantal voor die regel
gelogde pakketten niet groter is dan de instelling
logamount. Als
logamount niet is ingesteld, dan
wordt de limiet uit de &man.sysctl.8; variabele
net.inet.ip.fw.verbose_limit gehaald. In beide gevallen
bestaat er in het geval de waarde nul is geen limiet.
Als de limiet is bereikt, dan kan het loggen weer
ingeschakeld worden door de teller voor het loggen weer
op nul te stlelen voor die regel met
ipfwzero.Er wordt gelogd als een pakket zeker past bij een
regel, maar voordat de actie (bijvoorbeeld
accept of
deny) op een pakket wordt
toegepast. Uiteindelijk bepaalt de gebruiker zelf voor
welke regels loggen wordt ingeschakeld.SelectieDe sleutelwoorden in deze paragraaf beschrijven de
attributen van een pakket die bekeken worden bij het
bepalen of een regel wel of niet op een pakket van
toepassing is. De attributen waarop gecontroleerd kan
worden moeten in de beschreven volgorde gebruikt
worden.udp | tcp | icmpNaast de hierboven aangegeven protocollen kunnen alle
in /etc/protocols beschreven
protocollen gebruikt worden. De waarde die wordt
opgegeven is het protocol dat van toepassing moet zijn.
Dit attribuut is verpicht.from bron to bestDe sleutelwoorden from en
to worden gebruikt om te bekijken
of een regel van toepassing is op IP
adressen. Een regel moet zowel bron- als
bestemmingsadressen bevatten. any is
een bijzonder sleutelwoord dat van toepassing is op alle
IP adressen. me is
een bijzonder sleutelwoord dat van toepassing is op alle
IP adressen die ingesteld zijn op
interfaces van een &os; systeem. Zo kan dit onderdeel dus
bijvoorbeeld de volgende vormen aannemen:
from me to any,
from any to me,
from 0.0.0.0/0 to any,
from any to 0.0.0.0/0,
from 0.0.0.0 to any,
from any to 0.0.0.0,
from me to 0.0.0.0.
IP adressen mogen ingevoerd worden
in de vorm numeriek, door punten gescheiden
adres/maskerlengte of als een enkelvoudig
IP adres in de vorm numeriek, door
punten gescheiden. De volgende link kan hulp verschaffen
bij het schrijven van IP adressen in
de vorm adres/maskerlengte: Dit attribuut
is verpicht.poortnummerWordt gebruikt voor protocollen die poortnummers
ondersteunen (als TCP en UDP). Het
gebruik van een poortnummer is verplicht. Er mogen ook
dienstnamen uit /etc/services
gebruikt worden in plaats van nummers.in | outIs op respectievelijk inkomende of uitgaande
pakketten van toepassing. De sleutelwoorden
in of out
zijn verplicht in een regel.via IFDeze parameter geeft aan op welke interface de regel
van toepassing is, waarbij IF de
exacte naam van de bedoelde interface is.setupDit is een verplicht sleutelwoord waarmee wordt
aangegeven dat er gezocht wordt naar een pakket met het
verzoek tot het opstarten van een TCP
sessie.keep–stateDit is een verplicht sleutelwoord. Als er een pakket
op een regel met keep–state
van toepassing is, dan wordt er door de firewall een
dynamische regel gemaakt die bi–directioneel
verkeer zal toestaan tussen bron en bestemming en de
bijbehorende poorten voor hetzelfde protocol.limit {bron–adr | bron–poort |
best–adr | best–poort}De firewall staat maar N
verbindingen toe met dezelfde groep parameters uit een
regel. Er kunnen één of meer van de
parameters bron- of bestemmingsadres en bron- en
bestemmingspoort gebruikt worden.
limit en
keep–state kunnen niet in
dezelfde regel gebruikt worden.
limit geeft dezelfde mogelijkheden
als keep–state en voegt daar
zijn eigen mogelijkheden aan toe.Regeloptie statefulIPFWstateful filterenBij stateful filteren wordt verkeer bekeken als
bi–directioneel verkeer dat samen een sessie vormt.
Het heeft de mogelijkheid om te bepalen of de sessie
tussen de zender en de ontvanger op de juiste wijze
voortgaat. Alle pakketten die niet precies in de
verwachting van een sessie passen worden automatisch als
fout geblokkeerd.check–state wordt gebruikt
om aan te geven waar IPFW regels tegen de mogelijkheden
voor dynamische regels gehouden moeten worden. Als er
een passende regel bij een pakket wordt gevonden, dan kan
dat pakket de firewall verlaten en wordt een nieuwe regel
gemaakt voor het volgende pakket dat wordt verwacht in de
sessie. Als er geen regel van toepassing is op het pakket,
dan wordt de volgende regel in de groep regels
getest.De mogelijkheden voor dynamische regels zijn kwetsbaar
voor een aanval die SYN–flood heet, waarmee wordt
geprobeerd een zeer groot aantal regels aan te laten maken.
Om deze aanval tegen te gaan, is er vanaf &os; versie 4.5
de optie limit beschikbaar. Met deze
optie kan het maximaal aantal simultane sessies geregeld
worden op basis van bron en bestemmingsvelden. Als het
aantal sessies gelijk aan het maximale aantal sessies is,
wordt een pakket voor een nieuwe sessie geweigerd.Firewallberichten loggenIPFWloggenDe voordelen van loggen zijn duidelijk. Het biedt de
mogelijkheid om na het feit informatie na te zien als:
welke pakketten heeft de firewall laten vallen, waar kwamen
ze vandaan en waar gingen ze heen. Dit zijn allemaal
voordelen als het gaat om uitvinden waar een aanvaller
vandaan komt en wat hij heeft geprobeerd.Zelfs als logging is ingeschakeld logt IPFW nog niets
uit zichzelf. De beheerder van de firewall beslist welke
actieve regels iets weg moeten schrijven door het
sleutelwoord log aan die regels toe
te voegen. Gewoonlijk worden alleen
deny regels gelogd. Dit geldt
bijvoorbeeld voor de deny regel
voor inkomende ICMP pings. Het is
gebruikelijk om de standaard ipfw regel
te dupliceren, daar log in op te
nemen, en deze als laatste in de set met regels te
plaatsen. Zo zijn alle pakketten te zien die niet voldeden
aan ook maar één regel.Loggen heeft ook mogelijke nadelen. Het is mogelijk om
te veel te loggen en dan om te komen in logboekgegevens
die uiteindelijk een schijf kunnen vullen. Een DoS aanval
om een schijf met logs te vullen is een van de oudst bekende
typen DoS aanvallen. Logberichten van de firewall worden
niet alleen naar &man.syslogd.8; geschreven, maar ook op
het root console getoond waar ze snel
erg vervelend kunnen worden.De kerneloptie
IPFIREWALL_VERBOSE_LIMIT=5 beperkt het
aantal opeenvolgende berichten dat naar &man.syslogd.8;
wordt geschreven voor één specifieke regel.
Als deze optie is ingeschakeld, worden in dit geval
maximaal vijf berichten voor dezelfde regel gemeld. Als er
meer berichten op dezelfde regel zouden zijn, zou dat als
volgt aan &man.syslogd.8; gemeld worden:last message repeated 45 timesStandaard worden alle gelogde pakketten weggeschreven
naar /var/log/security, wat is
ingesteld in /etc/syslog.conf.Regelscript bouwenDe meeste ervaren gebruikers van IPFW maken een bestand
waarin de regels staan en stellen dat zo op dat het als
script uitgevoerd kan worden. Het grootste voordeel van
deze methode is dat de firewallregels allemaal vervangen
kunnen worden zonder dat het systeem geboot moet worden.
Deze methode is ook erg geschikt voor het testen van regels
omdat de procedure zo vaak als nodig uitgevoerd kan worden.
Omdat het een script is, kan er gebruik gemaakt worden van
substitutie zodat veel gebruikte waarden verduidelijkt
kunnen worden. In het volgende voorbeeld wordt hier
gebruik van gemaakt.De syntaxis die in het script wordt gebruikt is
compatibel met de shells sh,
csh en tcsh. Velden
waarvoor substitutie van toepassing is worden vooraf gegaan
door het dollarteken $. Definities worden niet
vooraf gegaan door het voorvoegsel $. De waarden
van een definitie moet omsloten worden door "dubbele
aanhalingstekens".Een bestand met regels kan als volgt beginnen:############### begin voorbeeldscript ipfw regels ##############
#
ipfw –q –f flush # Verwijder alle bestaande regels.
# Stel standaarden in.
oif="tun0" # uitgaande interface.
odns="192.0.2.11" # IP adres DNS server ISP.
cmd="ipfw –q add " # Voorvoegsel voor regel.
ks="keep–state" # Te lui om iedere keer in te typen.
$cmd 00500 check–state
$cmd 00502 deny all from any to any frag
$cmd 00501 deny tcp from any to any established
$cmd 00600 allow tcp from any to any 80 out via $oif setup $ks
$cmd 00610 allow tcp from any to $odns 53 out via $oif setup $ks
$cmd 00611 allow udp from any to $odns 53 out via $oif $ks
################### einde voorbeeldscript ipfw regels ###########Dat is alles. De feitelijke functie van de regels is
in dit voorbeeld van ondergeschikt belang. Dit was slechts
een voorbeeld om het gebruik van substitutie te
illustreren.Als het bovenstaande voorbeeld het de inhoud van
/etc/ipfw.rules was, dan kon het
herladen worden met het volgende commando:&prompt.root; sh /etc/ipfw.rules/etc/ipfw.rules zou overal kunnen
staan met iedere gewenste naam.Wat in het bovenstaande voorbeeld met een bestand is
gerealiseerd, kan ook met de hand:&prompt.root; ipfw –q –f flush
&prompt.root; ipfw –q add 00500 check–state
&prompt.root; ipfw –q add 00502 deny all from any to any frag
&prompt.root; ipfw –q add 00501 deny tcp from any to any established
&prompt.root; ipfw –q add 00600 allow tcp from any to any 80 out via tun0 setup keep–state
&prompt.root; ipfw –q add 00610 allow tcp from any to 192.0.2.11 53 out via tun0 setup keep–state
&prompt.root; ipfw –q add 00611 allow udp from any to 192.0.2.11 53 out via tun0 keep–stateSet met stateful regelsDe volgende set met regels, waarin geen gebruik gemaakt
wordt van NAT, is een voorbeeld van hoe
een erg veilige inclusieve firewall kan worden opgezet.
Een inclusieve firewall laat alleen diensten toe waarvoor
pass regels van toepassing zijn en
blokkeert al het andere verkeer. Alle firewalls hebben
tenminste twee interfaces waarvoor regels moeten zijn die
de firewall in staat stellen zijn werk te doen.Alle &unix; systemen en dus ook &os; zijn zo ontworpen
dat ze voor interne communicatie de interface
lo0 en IP adres
127.0.0.1 gebruiken. De
firewall moet dit interne verkeer gewoon doorgang laten
vinden.Voor de interface die is verbonden met het publieke
internet worden regels gemaakt waarmee sessies naar het
internet mogelijk gemaakt worden en toegang wordt gegeven
voor pakketten die uit die sessies terug komen. Dit kan
de PPP interface tun0 zijn of de
netwerkkaart die is verbonden met een xDSL of
kabelmodem.In gevallen dat er meer dan één
netwerkkaart is aangesloten op het private netwerk achter
de firewall, moeten er op de firewall regels zijn om het
verkeer tussen die interfaces vrije doorgang te
geven.De regels worden opgedeeld in drie onderdelen: alle
interfaces met vrije doorgang, uitgaand op publieke
interfaces en inkomend op publieke interfaces.De volgorde van de regels in iedere sectie voor
publieke interfaces moet zo zijn dat de regels die het
meest gebruikt worden vóór de regels staan
die minder vaak gebruikt worden. De laatste regel van een
onderdeel geeft aan dat al het overige verkeer op die
interface in die richting geblokkeerd en gelogd moet
worden.In het onderdeel Uitgaand staan alleen regels met
allow die parameters bevatten om
individuele diensten beschikbaar te maken zodat er internet
toegang is. Al die regels moeten gebruik maken van
proto, port,
in/out, via
en keep-state. De regels met
proto tcp maken ook gebruik van
setup om te bekijken of het een
pakket betreft voor het opzetten van een sessie om de
stateful functionaliteit aan te sturen.In het onderdeel Inkomend staan alle regels voor het
blokkeren van ongewenste pakketten eerst om twee redenen.
Als eerste kan het zo zijn dat wat er wordt geblokkeerd
later toegestaan zou worden door regels die diensten
toestaan. De tweede reden is dat nu ongewenste pakketten
die vaak voorkomen en die bij voorkeur niet in de logboeken
voorkomen niet meer van toepassing zijn op de laatste regel
van het onderdeel waarin ze zouden worden gelogd. Met de
laatste regel van dit onderdeel worden alle overige
pakketten geblokkeerd en gelogd en ze kunnen
bewijsmateriaal zijn in een zaak tegen iemand die heeft
geprobeerd een systeem aan te vallen.Voor al het verkeer dat wordt geweigerd wordt geen
antwoord gestuurd. Die pakketten verdwijnen gewoon. Zo
weet een aanvaller niet of een pakket het doelsysteem wel
heeft bereikt. Zo kan een aanvaller geen informatie
verzamelen over een systeem: hoe minder informatie er over
een systeem beschikbaar is, hoe veiliger het is. Als er
pakketten gelogd worden waarvan de beheerder het poortnummer
niet herkent, dan is de functie van dat poortnummer na te
zoeken in /etc/services of op .
Op de volgende link worden poortnummers van Trojans
beschreven: .Voorbeeld van een set inclusieve regelsHet volgende voorbeeld is een complete inclusieve set
regels die geen gebruik maakt van NAT.
Deze set met regels is een aanrader en eenvoudig aan te
passen door commentaar te maken van een regel voor een
dienst die niet gewenst is. Logberichten die niet gewenst
zijn, zijn uit te sluiten door ze met een regel te
blokkeren in het begin van het onderdeel Inkomend. Voor de
onderstaande regels dient de dc0
interfacenaam in iedere regel vervangen te worden door de
interfacenaam van de netwerkkaart in het systeem die met
het publieke internet is verbonden. Voor gebruikers van
PPP zou dat tun0 zijn.Er zit een structuur in de regels:Alle regels die controleren op het verzoek voor het
opzetten van een sessie gebruiken
keep–state.Alle diensten die vanaf internet bereikbaar zijn
gebruiken limit om
flooding te voorkomen.Alle regels gebruiken in of
out om de richting aan te
geven.Alle regels gebruiken via
interfacenaam om aan te geven op welke
interface de regel van toepassing is.De volgende regels zouden in
/etc/ipfw.rules kunnen staan:################ Begin bestand met IPFW regels ###############################
# Verwijder eerst de bestaande regels.
ipfw –q –f flush
# Stel commando voorvoegsel in.
cmd="ipfw –q add"
pif="dc0" # Interfacenaam van NIC die verbinding
# met het publieke internet heeft.
#################################################################
# Geen beperkingen op de interface aan de LAN kant. Alleen nodig
# als er een LAN is. Wijzig xl0 naar de gebruikte interfacenaam.
#################################################################
#$cmd 00005 allow all from any to any via xl0
#################################################################
# Geen beperkingen op de loopback interface.
#################################################################
$cmd 00010 allow all from any to any via lo0
#################################################################
# Sta het pakket toe als het aan de tabel met dynamische regels
# was toegevoegd met een 'allow keep–state' commando.
#################################################################
$cmd 00015 check–state
#################################################################
# Interface aan het publieke internet (onderdeel Uitgaand).
# Inspecteer verzoeken om een sessie te starten van achter de
# firewall op het private netwerk of vanaf de server zelf naar
# het publieke internet.
#################################################################
# Geef toegang tot de DNS server van de ISP.
# x.x.x.x moet het IP adres van de DNS van de ISP zijn.
# Dupliceer deze regels als een ISP meedere DNS servers heeft.
# Haal het IP adres evt. uit /etc/resolv.conf
$cmd 00110 allow tcp from any to x.x.x.x 53 out via $pif setup keep–state
$cmd 00111 allow udp from any to x.x.x.x 53 out via $pif keep–state
# Geef toegang tot de DHCP server van de ISP voor kabel- en
# xDSL-netwerken. Deze regel is niet nodig als gebruik gemaakt worden
# van PPP naar het publieke internet. In dat geval kan de hele groep
# verwijderd worden. Gebruik de volgende regel en controleer het
# logboek voor het IP adres. Wijzig dan het IP adres in de regel
# commentaar hieronder en verwijder de eerste regel.
$cmd 00120 allow log udp from any to any 67 out via $pif keep–state
#$cmd 00120 allow udp from any to x.x.x.x 67 out via $pif keep–state
# Sta niet beveiligd www verkeer toe.
$cmd 00200 allow tcp from any to any 80 out via $pif setup keep–state
# Sta beveiligd www verkeer over TLS SSL toe.
$cmd 00220 allow tcp from any to any 443 out via $pif setup keep–state
# Sta het verzenden en ontvangen van e-mail toe.
$cmd 00230 allow tcp from any to any 25 out via $pif setup keep–state
$cmd 00231 allow tcp from any to any 110 out via $pif setup keep–state
# Sta de FreeBSD CVSUP functie toe voor uid root.
$cmd 00240 allow tcp from me to any out via $pif setup keep–state uid root
# Sta ping toe.
$cmd 00250 allow icmp from any to any out via $pif keep–state
# Sta Time toe naar buiten.
$cmd 00260 allow tcp from any to any 37 out via $pif setup keep–state
# Sta NNTP nieuws toe naar buiten.
$cmd 00270 allow tcp from any to any 119 out via $pif setup keep–state
# Sta beveiligde FTP, Telnet en SCP toe naar buiten.
# Deze functie maakt gebruik van SSH (secure shell).
$cmd 00280 allow tcp from any to any 22 out via $pif setup keep–state
# Sta whois toe naar buiten.
$cmd 00290 allow tcp from any to any 43 out via $pif setup keep–state
# Blokkeer en log al het andere dat probeert buiten te komen.
# Deze regel dwingt de 'block all' logica af.
$cmd 00299 deny log all from any to any out via $pif
#################################################################
# Interface aan het publieke internet (onderdeel Inkomend).
# Inspecteert pakketten die van het publieke internet komen
# met als bestemming de host zelf of het private netwerk.
#################################################################
# Blokkeer al het verkeer voor niet-routeerbare of gereserveerde
# adresreeksen.
$cmd 00300 deny all from 192.168.0.0/16 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP
$cmd 00301 deny all from 172.16.0.0/12 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP
$cmd 00302 deny all from 10.0.0.0/8 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP
$cmd 00303 deny all from 127.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback
$cmd 00304 deny all from 0.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback
$cmd 00305 deny all from 169.254.0.0/16 to any in via $pif #DHCP auto–config
$cmd 00306 deny all from 192.0.2.0/24 to any in via $pif #gereserveerd voor documentatie
$cmd 00307 deny all from 204.152.64.0/23 to any in via $pif #Sun cluster interconnect
$cmd 00308 deny all from 224.0.0.0/3 to any in via $pif #Klasse D & E multicast
# Blokkeer publieke pings.
$cmd 00310 deny icmp from any to any in via $pif
# Blokkeer ident.
$cmd 00315 deny tcp from any to any 113 in via $pif
# Blokkeer alle Netbios diensten. 137=naam, 138=datagram, 139=sessie.
# Netbios is de Windows® bestandsdeeldienst.
# Blokkeer Windows hosts2 name server verzoeken 81.
$cmd 00320 deny tcp from any to any 137 in via $pif
$cmd 00321 deny tcp from any to any 138 in via $pif
$cmd 00322 deny tcp from any to any 139 in via $pif
$cmd 00323 deny tcp from any to any 81 in via $pif
# Blokkeer gefragmenteerde pakketten.
$cmd 00330 deny all from any to any frag in via $pif
# Blokkeer ACK pakketten die niet in de table met dynamische regels
# staan.
$cmd 00332 deny tcp from any to any established in via $pif
# Geef toegang tot de DHCP server van de ISP voor kabel- en
# xDSL-netwerken. Deze regel is niet nodig als gebruik gemaakt worden
# van PPP naar het publieke internet. In dat geval kan de hele groep
# verwijderd worden. Hier wordt hetzelfde IP adres gebruikt als in de
# sectie voor Uitgaand verkeer.
#$cmd 00360 allow udp from any to x.x.x.x 67 in via $pif keep–state
# Sta inkomend webverkeer toe omdat er een Apache server draait.
$cmd 00400 allow tcp from any to me 80 in via $pif setup limit src–addr 2
# Sta beveiligde FTP, telnet en SCP toe vanaf internet.
$cmd 00410 allow tcp from any to me 22 in via $pif setup limit src–addr 2
# Sta niet beveiligde telnet sessie toe vanaf het publieke internet.
# Dit heeft het label ``niet veilig'' omdat gebruikersnaam en
# wachtwoord als platte tekst over internet gaan. Als er geen telnet
# server draait, hoeft deze regel niet actief te zijn.
$cmd 00420 allow tcp from any to me 23 in via $pif setup limit src–addr 2
# Weiger en log alle niet toegestane inkomende verbindingen van buiten.
$cmd 00499 deny log all from any to any in via $pif
# Al het andere verkeer wordt standaard geblokkeerd. Weiger en log alle
# pakketten die tot hier zijn gekomen om te bekijken welke het waren.
$cmd 00999 deny log all from any to any
################ Einde bestand met IPFW regels ########################Voorbeeld NAT en stateful
regelsNATen IPFWOm NAT met IPFW te gebruiken moeten
een aantal instellingen gemaakt worden. In het
instellingenbestand voor de kernel moet option
divert toegevoegd worden aan de andere
IPFIREWALL opties.Naast de normale IPFW opties in
/etc/rc.conf zijn de volgende
nodig:natd_enable="YES" # Schakel NATD in
natd_interface="rl0" # interfacenaam voor de publieke internet NIC
natd_flags="–dynamic –m" # –m = behoud poortnummers als mogelijkStateful regels samen met de
divert natd regel gebruiken maakt
het schrijven van regels veel gecompliceerder. De plaats
van de regels met check–state
en divert natd zijn van kritiek
belang. De logica bestaat niet langer uit het eenvoudigweg
van boven naar beneden doorwerken van de regels. Er wordt
dan ook een nieuw type actie gebruik:
skipto. Bij het gebruik van
skipto is het verplicht iedere regel
te nummeren zodat duidelijk is waar een
skipto precies heen springt.Hieronder staat een groep regels zonder commentaar
waarin een manier om pakketten door de groep regels te
leiden wordt aangegeven.De verwerking begint met de eerste regel en er wordt
steeds een volgende regel gecontroleerd tot het einde
wordt bereikt of totdat een regel op het gecontroleerde
pakket van toepassing is, op dat pakket wordt toegepast
en de verwerking van regels daardoor stopt. In het
voorbeeld zijn de regels 100, 101, 450, 500, and 510 van
belang. Die regels regelen de vertaling van inkomende en
uitgaande pakketten zodat er in de tabel met de
dynamische keep–state regels
altijd het private IP adres staat.
Daarnaast is het van belang op te merken dat er in alle
allow en
deny regels de richting van het
pakket wordt gecontroleerd (inkomend of uitgaand) en over
welke interface het pakket gaat. Merk ook op dat alle
uitgaande verzoeken voor het starten van een sessie met
een skipto naar regel 500 gaan voor
NAT.Stel dat een gebruiker zijn webbrowser gebruikt om een
webpagina op te halen. Webpagina's gebruiken poort 80 voor
communicatie. Er komt een pakket de firewall binnen dat
niet past bij regel 100 omdat het naar buiten gaat en niet
naar binnen. Het komt voorbij regel 101 omdat dit het
eerste pakket is en er dus nog niets voor in de dynamische
keep-state tabel staat. Als het pakket bij 125 aankomt
blijkt het te passen bij die regel. Het gaat naar buiten
door de interface aan het publieke internet. Het pakket
heeft dan nog steeds het bron IP adres
van het private LAN. Als blijkt dat deze regel geldt, dan
gebeuren er twee dingen: door
keep–state wordt er een regel
in de dynamische keep–state tabel gezet en wordt de
aangegeven actie uitgevoerd. De actie is onderdeel van de
informatie uit de dynamische tabel. In dit geval is het
skipto 500. In regel 500 wordt
NAT op het IP adres
van het pakket toegepast en dan kan het weg. Het volgende
is van groot belang. Dit pakket komt aan op zijn
bestemming en als er een antwoord terug komt, dan begint de
verwerking van dat pakket weer van voor af aan. Nu voldoet
het aan regel 100 en dus wordt het bestemmingsadres
vertaald naar het bijbehorende IP adres
op het LAN. Daarna past het bij de
check–state regel en wordt een
vermelding in de tabel gevonden wat betekent dat er een
bestaande sessie is en wordt het doorgelaten naar het LAN.
Het gaat dan naar de PC op het LAN die als eerste een
pakket heeft verzonden en die verstuurt een nieuw pakket
met de vraag om een volgend segment met data naar de
server. Nu blijkt bij controle van de
check–state regel dat die op
het pakket van toepassing moet zijn en er staat een
vermelding in de tabel voor uitgaand verkeer. Daarom wordt
de bijbehorende actie skipto 500
uitgevoerd. Het pakket springt naar regel 500, er wordt
NAT op toegepast en het kan zijn weg
vervolgen.Wat betreft binnenkomende pakketten wordt alles dat
onderdeel is van een bestaande sessie automatisch
afgehandeld door de
check–state regel en de juist
geplaatste divert natd regels. Nu hoeven
alleen de foute pakketten nog geweigerd te worden en moet
ondersteuning voor inkomende diensten ingesteld worden. In
dit geval draait er een Apache server op de gateway machine
die vanaf internet bereikbaar moet zijn. Het nieuwe
inkomende pakket past bij regel 100 en het
IP adres wordt aangepast aan het interne
IP adres van de gateway machine. Dat
pakket wordt dan gecontroleerd op alle ongewenste
eigenschappen en komt uiteindelijk aan bij regel 425 die
van toepassing blijkt te zijn. In dat geval kunnen er twee
dingen gebeuren: de pakketregel wordt in de dynamische
keep–state tabel gezet, maar nu wordt het aantal nieuwe
sessies dat van het bron IP adres komt
gelimiteerd tot twee. Dit is een bescherming tegen DoS
aanvallen op de dienst die op dat poortnummer wordt
aangeboden. De actie is allow, dus het
pakket wordt tot het LAN toegelaten. Voor het antwoord
herkent de check–state regel dat het
pakket bij een bestaande sessie hoort, stuurt het naar regel
500 voor NAT en stuurt het via de
uitgaande interface weg.Voorbeeld Set Regels #1:#!/bin/sh
cmd="ipfw –q add"
skip="skipto 500"
pif=rl0
ks="keep–state"
good_tcpo="22,25,37,43,53,80,443,110,119"
ipfw –q –f flush
$cmd 002 allow all from any to any via xl0 # exclude LAN traffic
$cmd 003 allow all from any to any via lo0 # exclude loopback traffic
$cmd 100 divert natd ip from any to any in via $pif
$cmd 101 check–state
# Toegestaan uitgaand verkeer.
$cmd 120 $skip udp from any to xx.168.240.2 53 out via $pif $ks
$cmd 121 $skip udp from any to xx.168.240.5 53 out via $pif $ks
$cmd 125 $skip tcp from any to any $good_tcpo out via $pif setup $ks
$cmd 130 $skip icmp from any to any out via $pif $ks
$cmd 135 $skip udp from any to any 123 out via $pif $ks
# Blokkeer al het verkeer voor niet-routeerbare of gereserveerde
# adresreeksen.
$cmd 300 deny all from 192.168.0.0/16 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP
$cmd 301 deny all from 172.16.0.0/12 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP
$cmd 302 deny all from 10.0.0.0/8 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP
$cmd 303 deny all from 127.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback
$cmd 304 deny all from 0.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback
$cmd 305 deny all from 169.254.0.0/16 to any in via $pif #DHCP auto–config
$cmd 306 deny all from 192.0.2.0/24 to any in via $pif #gereserveerd voor documentatie
$cmd 307 deny all from 204.152.64.0/23 to any in via $pif #Sun cluster
$cmd 308 deny all from 224.0.0.0/3 to any in via $pif #Klasse D & E multicast
# Toegestaan inkomend verkeer.
$cmd 400 allow udp from xx.70.207.54 to any 68 in $ks
$cmd 420 allow tcp from any to me 80 in via $pif setup limit src–addr 1
$cmd 450 deny log ip from any to any
# Dit is de 'skipto' locatie voor de uitgaande stateful regels.
$cmd 500 divert natd ip from any to any out via $pif
$cmd 510 allow ip from any to any
######################## Einde regels ##################Het volgende voorbeeld doet vrijwel hetzelfde als het
bovenstaande, maar volgt een zelfdocumenterende stijl voor
het opstellen van regels en commentaar waardoor minder
ervaren gebruikers beter kunnen begrijpen wat de regels
doen.Voorbeeld Set Regels #2:
#!/bin/sh
################ Begin bestand met IPFW regels ###############################
# Verwijder eerst de bestaande regels.
ipfw –q –f flush
# Stel commando voorvoegsel in.
cmd="ipfw –q add"
skip="skipto 800"
pif="rl0" # Interfacenaam van NIC die verbinding
# met het publieke internet heeft.
#################################################################
# Geen beperkingen op de interface aan de LAN kant.
# Wijzig xl0 naar de gebruikte interfacenaam.
#################################################################
$cmd 005 allow all from any to any via xl0
#################################################################
# Geen beperkingen op de loopback interface.
#################################################################
$cmd 010 allow all from any to any via lo0
#################################################################
# Controleer of pakket inkomend is. NAT in dat geval.
#################################################################
$cmd 014 divert natd ip from any to any in via $pif
#################################################################
# Sta het pakket toe als het aan de tabel met dynamische regels
# was toegevoegd met een 'allow keep–state' commando.
#################################################################
$cmd 015 check–state
#################################################################
# Interface aan het publieke internet (onderdeel Uitgaand).
# Inspecteer verzoeken om een sessie te starten van achter de
# firewall op het private netwerk of vanaf de server zelf naar
# het publieke internet.
#################################################################
# Geef toegang tot de DNS server van de ISP.
# x.x.x.x moet het IP adres van de DNS van de ISP zijn.
# Dupliceer deze regels als een ISP meedere DNS servers heeft.
# Haal het IP adres evt. uit /etc/resolv.conf
$cmd 020 $skip tcp from any to x.x.x.x 53 out via $pif setup keep–state
# Geef toegang tot de DHCP server van de ISP voor kabel en xDSL.
$cmd 030 $skip udp from any to x.x.x.x 67 out via $pif keep–state
# Sta niet beveiligd www verkeer toe.
$cmd 040 $skip tcp from any to any 80 out via $pif setup keep–state
# Sta beveiligd www verkeer over TLS SSL toe.
$cmd 050 $skip tcp from any to any 443 out via $pif setup keep–state
# Sta het verzenden en ontvangen van e-mail toe.
$cmd 060 $skip tcp from any to any 25 out via $pif setup keep–state
$cmd 061 $skip tcp from any to any 110 out via $pif setup keep–state
# Sta de FreeBSD CVSUP functie toe voor uid root.
$cmd 070 $skip tcp from me to any out via $pif setup keep–state uid root
# Sta ping toe naar het publieke internet.
$cmd 080 $skip icmp from any to any out via $pif keep–state
# Sta Time toe.
$cmd 090 $skip tcp from any to any 37 out via $pif setup keep–state
# Sta NNTP nieuws toe.
$cmd 100 $skip tcp from any to any 119 out via $pif setup keep–state
# Sta beveiligde FTP, Telnet en SCP toe.
# Deze functie maakt gebruik van SSH (secure shell).
$cmd 110 $skip tcp from any to any 22 out via $pif setup keep–state
# Sta whois toe.
$cmd 120 $skip tcp from any to any 43 out via $pif setup keep–state
# Sta NPT tijdserver toe.
$cmd 130 $skip udp from any to any 123 out via $pif keep–state
#################################################################
# Interface aan het publieke internet (onderdeel Inkomend).
# Inspecteert pakketten die van het publieke internet komen
# met als bestemming de host zelf of het private netwerk.
#################################################################
# Blokkeer al het verkeer voor niet-routeerbare of gereserveerde
# adresreeksen.
$cmd 300 deny all from 192.168.0.0/16 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP
$cmd 301 deny all from 172.16.0.0/12 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP
$cmd 302 deny all from 10.0.0.0/8 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP
$cmd 303 deny all from 127.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback
$cmd 304 deny all from 0.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback
$cmd 305 deny all from 169.254.0.0/16 to any in via $pif #DHCP auto–config
$cmd 306 deny all from 192.0.2.0/24 to any in via $pif #gereserveerd voor documentatie
$cmd 307 deny all from 204.152.64.0/23 to any in via $pif #Sun cluster
$cmd 308 deny all from 224.0.0.0/3 to any in via $pif #Klasse D & E multicast
# Blokkeer ident.
$cmd 315 deny tcp from any to any 113 in via $pif
# Blokkeer alle Netbios diensten. 137=naam, 138=datagram, 139=sessie.
# Netbios is de Windows® bestandsdeeldienst.
# Blokkeer Windows hosts2 name server verzoeken 81.
$cmd 320 deny tcp from any to any 137 in via $pif
$cmd 321 deny tcp from any to any 138 in via $pif
$cmd 322 deny tcp from any to any 139 in via $pif
$cmd 323 deny tcp from any to any 81 in via $pif
# Blokkeer gefragmenteerde pakketten.
$cmd 330 deny all from any to any frag in via $pif
# Blokkeer ACK pakketten die niet in de table met dynamische regels
# staan.
$cmd 332 deny tcp from any to any established in via $pif
# Geef toegang tot de DHCP server van de ISP voor kabel- en
# xDSL-netwerken. Deze regel is niet nodig als gebruik gemaakt worden
# van PPP naar het publieke internet. In dat geval kan de hele groep
# verwijderd worden. Hier wordt hetzelfde IP adres gebruikt als in de
# sectie voor Uitgaand verkeer.
$cmd 360 allow udp from x.x.x.x to any 68 in via $pif keep–state
# Sta inkomend webverkeer toe omdat er een Apache server draait.
$cmd 370 allow tcp from any to me 80 in via $pif setup limit src–addr 2
# Sta beveiligde FTP, telnet en SCP toe vanaf internet.
$cmd 380 allow tcp from any to me 22 in via $pif setup limit src–addr 2
# Sta niet beveiligde telnet sessie toe vanaf het publieke internet.
# Dit heeft het label ``niet veilig'' omdat gebruikersnaam en
# wachtwoord als platte tekst over internet gaan. Als er geen telnet
# server draait, hoeft deze regel niet actief te zijn.
#$cmd 390 allow tcp from any to me 23 in via $pif setup limit src–addr 2
# Weiger en log alle niet toegestane inkomende verbindingen vanaf het
# publieke internet.
$cmd 400 deny log all from any to any in via $pif
# Weiger en log alle niet toegestane uitgaande verbindingen naar
# internet.
$cmd 450 deny log all from any to any out via $pif
# Dit is de 'skipto' locatie voor de uitgaande stateful regels
$cmd 800 divert natd ip from any to any out via $pif
$cmd 801 allow ip from any to any
# Al het andere verkeer wordt standaard geblokkeerd. Weiger en log alle
# pakketten die tot hier zijn gekomen om te bekijken welke het waren.
$cmd 999 deny log all from any to any
################ Einde bestand met IPFW regels ########################
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/kernelconfig/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/kernelconfig/chapter.sgml
index 9717ac960a..a85820381f 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/kernelconfig/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/kernelconfig/chapter.sgml
@@ -1,1918 +1,1922 @@
JimMockBijgewerkt en opnieuw gestructureerd door JakeHambyOorspronkelijk bijgedragen door RenéLadanVertaald door De &os;-kernel instellenSamenvattingkerneleen eigen kernel bouwenDe kernel is de kern van het &os;-besturingssysteem en is
verantwoordelijk voor het geheugenbeheer, het opleggen van
beveiligingsregels, het aansturen van het netwerk, de toegang tot
schijven en nog veel meer. Hoewel steeds meer in &os; dynamisch
instelbaar wordt, is het af en toe nodig om de kernel opnieuw in
te stellen en te compileren.Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer:Waarom het nodig is om een eigen kernel te bouwen;
Hoe een nieuw kernelinstellingenbestand te schrijven of
een bestaand kernelinstellingenbestand aan te passen;Hoe het kernelinstellingenbestand te gebruiken om een
nieuwe kernel aan te maken en te bouwen;Hoe een nieuwe kernel te installeren;Hoe de ingangen in /dev die nodig
kunnen zijn aan te maken;Hoe problemen op te lossen als er iets verkeerd gaat.
Alle opdrachten die in dit hoofdstuk als voorbeeld zijn
gegeven moeten als root uitgevoerd worden om
te slagen.Redenen om een eigen kernel te bouwenTraditioneel heeft &os; zoals dat heet een
monolitische kernel gehad. Dit betekent dat de
kernel één groot programma was, een vaste lijst
van apparaten ondersteunde en als het gewenst was om het gedrag
van de kernel te veranderen, moest er een nieuwe kernel
gecompileerd worden en moest daarna de computer opnieuw gestart
worden met de nieuwe kernel.Vandaag de dag beweegt &os; zich snel naar een model waar
veel van de functionaliteit van de kernel in modules zit die
dynamisch in en uit de kernel kunnen worden geladen, naargelang
dat noodzakelijk is. Dit stelt de kernel in staat om zich aan
nieuwe hardware aan te passen die plotseling beschikbaar komt
(zoals PCMCIA-kaarten in een laptop) of om nieuwe functionaliteit
in zich op te nemen die niet noodzakelijk was toen de kernel
oorspronkelijk werd gecompileerd. Dit staat bekend als een
modulaire kernel.Desondanks is het nog steeds nodig om enkele dingen van de
kernel statisch in te stellen. In sommige gevallen komt dit
doordat de functionaliteit zo diep geworteld zit in de kernel dat
het niet dynamisch laadbaar gemaakt kan worden. In andere
gevallen kan het simpelweg komen doordat nog niemand de tijd
heeft genomen om een dynamisch laadbare kernelmodule voor die
functionaliteit te schrijven.Het bouwen van een eigen kernel is een van de meest
belangrijke beproevingen die bijna elke BSD-gebruiker moet
doorstaan. Hoewel dit proces veel tijd in beslag neemt, levert
het veel voordelen op voor een &os; systeem. In tegenstelling
tot de GENERIC-kernel, die vele typen
hardware moet ondersteunen, ondersteunt een eigen kernel alleen
de hardware van de computer waar hij voor gemaakt is. Dit biedt
een aantal voordelen, zoals:Een snellere opstarttijd. Aangezien de kernel alleen de
hardware zoekt die zich in het systeem bevindt, kan de tijd
die het systeem nodig heeft om op te starten aanzienlijk
korter worden;Minder geheugengebruik. Een eigen kernel gebruikt vaak
minder geheugen dan de GENERIC-kernel,
wat van belang is aangezien de kernel zich altijd in het
echte geheugen moet bevinden. Om deze reden is een eigen
kernel geknipt voor een systeem met een kleine hoeveelheid
RAM;Aanvullende hardware-ondersteuning. Een eigen kernel kan
ingebouwde ondersteuning bieden voor apparaten die zich niet
in de GENERIC-kernel bevinden, zoals
geluidskaarten.Bouwen en installeren van een eigen kernelkernelbouwen / installerenEerst wordt er een overzicht gegeven van de mappen waarin de
kernel gebouwd wordt. Alle genoemde mappen staan onder de map
/usr/src/sys, die ook toegankelijk is via
de padnaam /sys. Er zijn hier een aantal
mappen aanwezig die de verschillende delen van de kernel
representeren, maar de meest belangrijke hiervan zijn
arch/conf, waarin
de eigen kernelinstellingen bewerkt worden en
compile, waarin de eigen kernel gebouwd
wordt. arch representeert hier
één van i386,
alpha, amd64,
ia64, powerpc,
sparc64 of pc98 (een
alternatieve ontwikkelingstak van PC-hardware die populair is in
Japan). Alles binnen de map van een bepaalde architectuur is er
alleen voor die architectuur. De rest van de code is
machine-onafhankelijk en hetzelfde op alle platformen waarnaar
&os; eventueel geport kan worden. De indeling van de
mapstructuur is logisch: alle ondersteunde apparaten,
bestandssystemen en opties staan in een eigen submap. Versies
van &os; beneden 5.X ondersteunen alleen de
i386-, alpha- en
pc98-architecturen.Dit hoofdstuk veronderstelt dat de i386-architectuur in de
voorbeelden gebruikt wordt. Als dit voor de lezer anders is,
moeten de juiste aanpassingen aan de padnamen worden gemaakt voor
de architectuur van zijn systeem.Als de map /usr/src/sysniet aanwezig is op een systeem, dan is de
kernelbroncode niet geïnstalleerd. De eenvoudigste manier
om dit te doen is door sysinstall (
/stand/sysinstall voor versies van &os;
ouder dan 5.2) te draaien als root en
Configure,
Distributions,
src, sys
te kiezen. Als sysinstall ongewenst
is en er toegang is tot een officiële
&os; cd-rom, is de broncode ook vanaf de opdrachtregel te
installeren:&prompt.root; mount /cdrom
&prompt.root; mkdir -p /usr/src/sys
&prompt.root; ln -s /usr/src/sys /sys
&prompt.root; cat /cdrom/src/sys.[a-d]* | tar -xzvf -Daarna kan vanuit de map
arch/conf het
instellingenbestand GENERIC naar de naam
voor de eigen kernel gekopieerd worden:&prompt.root; cd /usr/src/sys/i386/conf
&prompt.root; cp GENERIC MIJNKERNELTraditioneel bestaat deze naam geheel uit hoofdletters en als
er meerdere &os;-machines worden beheerd met verschillende
hardware is het een goed idee om het te vernoemen naar de
hostnaam van de machine. Omwille van dit voorbeeld wordt het
MIJNKERNEL genoemd.Het kernelinstellingenbestand direct onder
/usr/src opslaan kan een slecht idee zijn.
In geval van problemen kan het verleidelijk zijn om
/usr/src te verwijderen en opnieuw te
beginnen. Nadat dit gedaan is kost het vaak maar enkele
seconden om te realiseren dat het instellingenbestand voor de
eigen kernel verwijderd is. Ook moet
GENERIC niet gewijzigd worden, omdat het
tijdens de volgende keer dat de
broncodestructuur bijgewerkt wordt, overschreven kan
worden waarbij de wijzigingen in de kernelinstellingen verloren
gaan.Het kan gewenst zijn om het kernelinstellingenbestand
ergens anders op te slaan en een symbolische link naar het
bestand in de map
i386 aan te
maken:&prompt.root; cd /usr/src/sys/i386/conf
&prompt.root; mkdir /root/kernels
&prompt.root; cp GENERIC /root/kernels/MIJNKERNEL
&prompt.root; ln -s /root/kernels/MIJNKERNELNu moet MIJNKERNEL met de favoriete
tekstverwerker bewerkt worden. Voor beginners is waarschijnlijk
alleen de tekstverwerker vi
beschikbaar, die te ingewikkeld is om hier te beschrijven, maar
goed is beschreven in vele boeken in de bibliografie. &os; biedt ook de
eenvoudigere tekstverwerker ee, die
voor een beginner de keuze bij uitstek is. De commentaarregels
in het begin kunnen gewijzigd worden om de persoonlijke
instellingen of de veranderingen die gemaakt zijn ten opzichte
van GENERIC weer te geven.&sunos;Voor degenen die een kernel op &sunos; of een andere BSD
hebben gebouwd zal veel van dit bestand bekend voorkomen.
Echter, voor degenen die van een ander besturingssysteem zoals
DOS komen, kan het instellingenbestand
GENERIC overdonderend overkomen, dus moeten
de beschrijvingen in de sectie Het Instellingenbestand
zorgvuldig opgevolgd worden.Als de broncodestructuur
gesynchroniseerd is met de nieuwste broncode van het
&os;-project, moet altijd
/usr/src/UPDATING gelezen worden voordat
enige updatestappen worden genomen. Dit bestand beschrijft
alle belangrijke zaken en gebieden binnen de broncodestructuur
die speciale aandacht nodig hebben.
/usr/src/UPDATING komt altijd overeen met
de lokale versie van de &os;-broncode en is daarom meer
bijgewerkt met nieuwe informatie dan dit handboek.Nu moet de broncode voor de kernel gecompileerd worden.
Hiervoor zijn twee procedures beschikbaar en degene die gebruikt
wordt hangt af van de reden waarom de kernel opnieuw gebouwd
wordt en de gebruikte versie van &os;.Als alleen de kernelbroncode is
geïnstalleerd, moet procedure 1 gevolgd worden.Als een versie van &os; lager dan 4.0 wordt gedraaid, en
er niet wordt geupdate naar
&os; 4.0 of hoger door middel van de
make buildworld–procedure, moet
procedure 1 gebruikt worden.Als er een nieuwe kernel gebouwd wordt zonder dat de
broncode geupdate wordt (misschien om een nieuwe optie, zoals
IPFIREWALL, toe te voegen), kunnen beide
procedures gebruikt worden.Als de kernel opnieuw wordt gebouwd als onderdeel van een
make buildworld-proces, moet procedure 2
gebruikt worden.cvsupCTMCVSanoniemAls de broncodestructuur niet op enige
wijze bijgewerkt is sinds de laatste keer dat er met succes een
buildworld-installworld
cyclus werd uitgevoerd, CVSup noch
CTM werden gedraaid en
anoncvs werd niet gebruikt, dan is
het veilig om config,
make depend, make,
make install te gebruiken.Procedure 1: een kernel op traditionele
wijze bouwenDraai &man.config.8; om de kernelbroncode aan te
maken:&prompt.root; /usr/sbin/config MIJNKERNELGa naar de bouwmap. &man.config.8; geeft de naam van
deze map nadat het gedraaid is zoals boven is
aangegeven:&prompt.root; cd ../compile/MIJNKERNELVoor &os; versies lager dan 5.0 moet het volgende
gebruikt worden:&prompt.root; cd ../../compile/MIJNKERNELCompileer de kernel:&prompt.root; make depend
&prompt.root; makeInstalleer de nieuwe kernel:&prompt.root; make installProcedure 2: een kernel op de nieuwe wijze
bouwenGa naar de map /usr/src:&prompt.root; cd /usr/srcCompileer de kernel:&prompt.root; make buildkernel KERNCONF=MIJNKERNELInstalleer de nieuwe kernel:&prompt.user; make installkernel KERNCONF=MIJNKERNELIn &os; 4.2 en eerder moet
KERNCONF= door KERNEL=
vervangen worden. Een 4.2-STABLE die voor 2 februari 2001 is
opgehaald herkent KERNCONF= niet./boot/kernel.oldDe nieuwe kernel wordt naar de map /boot/kernel gekopieerd als
/boot/kernel/kernel en de oude kernel wordt
verplaatst naar /boot/kernel.old/kernel. Nu
moet het systeem afgesloten worden en opnieuw worden opgestart om
gebruik te maken van de nieuwe kernel. Er zijn wat instructies
voor problemen
oplossen aan het einde van dit hoofdstuk, die erg nuttig
kunnen zijn als er iets misgaat. Vergeet niet om het gedeelte te
lezen waarin staat uitgelegd hoe te herstellen als de nieuwe
kernel niet
opstart.In &os; 4.X en eerder worden kernels in
/kernel en modules in /modules geïnstalleerd en
worden oude kernels gebackupt in
/kernel.old. Andere bestanden die te
maken hebben met het opstartproces, zoals de boot
&man.loader.8; en instellingen worden opgeslagen in
/boot. Modules van derde partijen of
eigen modules kunnen in /modules opgeslagen worden,
alhoewel gebruikers erop bedacht moeten zijn dat het erg
belangrijk is dat de modules synchroon worden gehouden met de
gecompileerde kernel. Modules die niet bedoeld zijn om met de
gecompileerde kernel te draaien kunnen voor instabiliteit of
onjuistheden zorgen.Als er nieuwe apparaten (zoals geluidskaarten) zijn
toegevoegd en &os; 4.X of eerder wordt gedraaid, kan het
zijn dat er enkele apparaatnodes aan de map /dev moeten worden toegevoegd,
voordat ze gebruikt kunnen worden. Er staat meer informatie
in het Apparaatnodes
maken later in dit hoofdstuk.JoelDahlBijgewerkt voor &os; 5.X door Het instellingenbestandkernelNOTESkernelLINTNOTESLINTkernelinstellingenbestandHet algemene formaat van een instellingenbestand is vrij
eenvoudig. Elke regel bevat een sleutelwoord en
één of meer argumenten. Omwille van de eenvoud
bevatten de meeste regels maar één argument. Alles
wat na een # komt, wordt als commentaar
beschouwd en genegeerd. De volgende gedeelten beschrijven elk
sleutelwoord, in het algemeen in dezelfde volgorde als
GENERIC, alhoewel sommige samenhangende
sleutelwoorden gegroepeerd zijn in een enkel gedeelte (zoals
Netwerken) zelfs al staan ze verspreid in het bestand
GENERIC.
Een uitputtende lijst van architectuurafhankelijke opties en
apparaten staat in het bestand NOTES, dat in
dezelfde map staat als GENERIC.
Architectuuronafhankelijke opties staan in
/usr/src/sys/conf/NOTES.NOTES bestaat niet in &os; 4.X.
In plaats daarvan bevat het bestand LINT
een uitgebreide uitleg over opties en apparaten in
GENERIC. LINT had
twee doelen in 4.X: een naslagwerk leveren om kernelopties te
kiezen voor het bouwen van een eigen kernel en een
kernelinstelling leveren met zoveel mogelijk instelbare opties
ingesteld op niet-standaardwaarden. De redenering hierachter
was dat zo'n instelling veel hielp (en nog steeds helpt) met
het testen van nieuwe code en veranderingen aan bestaande code
die conflicten met andere delen van de kernel kunnen
veroorzaken. Er zijn in 5.X echter een hoop veranderingen
gemaakt aan het raamwerk van kernelinstellingen. Een voorbeeld
hiervan is dat de instelopties van de stuurprogramma's zijn
verplaatst naar een bestand hints zodat ze
tijdens het opstarten dynamisch veranderd en geladen kunnen
worden, en LINT kon deze aanwijzingen niet
meer bevatten. Om deze en andere redenen is
LINT hernoemd tot
NOTES en heeft het hoofdzakelijk z'n
eerste bestaansreden gehouden: de beschikbare opties
documenteren voor gebruikersgemak.In &os; 5.X en latere versies is het nog steeds
mogelijk om een bouwbaar bestand LINT aan
te maken door middel van:&prompt.root; cd /usr/src/sys/i386/conf && make LINTkernelinstellingenbestandHet volgende is een voorbeeld van het
kernelinstellingenbestand GENERIC met
aanvullend commentaar omwille van de helderheid. Dit voorbeeld
is redelijk gelijk aan de versie in
/usr/src/sys/i386/conf/GENERIC.#
# GENERIC -- Standaard kernelinstellingenbestand voor &os;/i386
#
# Meer informatie over dit bestand staat in het onderdeel Het Instellen
# van de FreeBSD-kernel in het handboek:
#
# http://www.FreeBSD.org/doc/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/kernelconfig-config.html
#
# Het handboek is ook lokaal beschikbaar in /usr/share/doc/handbook
# als de doc distributie is geïnstalleerd. Op de &os; World Wide Web
# server (http://www.FreeBSD.org/) staat altijd de meest recente
# informatie.
#
# Een uitputtende lijst met opties en meer gedetailleerde beschrijving
# van de apparaatregels staat ook in de bestanden ../../conf/NOTES en
# NOTES.
# Bij twijfel over het doel en de noodzaak van een regel dient eerst in
# NOTES gekeken te worden.
#
# $FreeBSD: /repoman/r/ncvs/src/sys/i386/conf/GENERIC,v 1.413 2004/08/11 01:34:18 rwatson Exp $De volgende sleutelwoorden zijn noodzakelijk in
elke kernel die gebouwd wordt:kerneloptiesmachinemachine i386Dit is de architectuur van de machine. Het moet
één van alpha,
amd64, i386,
ia64, pc98,
powerpc of sparc64
zijn.kerneloptiescpucpu I486_CPU
cpu I586_CPU
cpu I686_CPUBovenstaande optie geeft het type CPU aan dat in een systeem
zit. De CPU-regel kan meerdere keren voorkomen (als bijvoorbeeld
onbekend is of I586_CPU of
I686_CPU gebruikt moet worden), maar voor een
eigen kernel is het beter om alleen de aanwezige CPU aan te
geven. Als er twijfel bestaat over het type CPU, kan het bestand
/var/run/dmesg.boot worden bekeken voor de
opstartberichten.kerneloptiescputypeDe broncode van &os; bevat nog steeds ondersteuning voor
I386_CPU, maar staat standaard uit in zowel
-STABLE als -CURRENT. Dit betekent dat er nu de volgende
mogelijkheden zijn om &os; op een CPU van de 386-klasse te
installeren:Installeer een oudere versie van &os; en herbouw vanuit
de broncode zoals beschreven staat in .Bouw userland en de kernel op een nieuwere machine en
verricht de installatie op de 386 door gebruik te maken van
de voorgecompileerde bestanden in
/usr/obj (in
staan details).Maak een eigen versie van &os; die ondersteuning voor
I386_CPU bevat in de kernels van de
installatie-cd-rom.De eerste van deze opties is waarschijnlijk de
gemakkelijkste, maar deze heeft veel schijfruimte nodig wat een
probleem kan zijn voor 386-klasse machines.kerneloptiesidentident GENERICDit is de identificatie van de kernel. Dit moet veranderd
worden in de naam van de kernel, dus
MIJNKERNEL als de instructies van de
voorgaande voorbeelden gevolgd zijn. De waarde in de string
ident wordt afgebeeld wanneer de kernel
opstart, dus is het handig om de nieuwe kernel een andere naam te
geven als deze apart moet worden gehouden van de gebruikelijke
kernel (als er bijvoorbeeld een experimentele kernel gebouwd
wordt).kerneloptiesmaxusersmaxusers nDe optie maxusers stelt de grootte van een
aantal belangrijke systeemtabellen in. Dit aantal moet ruwweg
gelijk zijn aan het aantal gebruikers dat verwacht wordt
gelijktijdig van de machine gebruik te maken.Met ingang van &os; 4.5 stelt het systeem deze waarde
zelf in als deze uitdrukkelijk op 0 is gezet.
Het auto-tuning-algoritme stelt
maxusers in afhankelijk van de hoeveelheid
geheugen in het systeem, met een minimum van 32 en een
maximum van 384.
In &os; 5.X en hoger heeft maxusers een
standaardwaarde van 0 als deze niet gespecificeerd is. Als er
een versie van &os; lager dan 4.5 wordt gebruikt of het gewenst
is om de waarde zelf te beheren, wordt aangeraden om
maxusers minstens op 4 te zetten, met name als
het X Window systeem in gebruik is of als er software
gecompileerd wordt. De reden hiervoor is dat de belangrijkste
tabel die door maxusers ingesteld wordt, het
maximum aantal processen is, dat ingesteld wordt op 20 +
16 * maxusers, dus als maxusers op 1
ingesteld wordt, zijn er maar 36 gelijktijdige processen
mogelijk, inclusief de ongeveer achttien processen die door het
systeem tijdens het opstarten start en de ongeveer vijftien
processen die waarschijnlijk aangemaakt worden door het opstarten
van het X Window systeem. Zelfs een eenvoudige taak als het
afbeelden van een hulppagina start negen processen op om de
pagina te filteren, te decomprimeren en af te beelden. Als
maxusers op 64 ingesteld wordt, zijn er 1044
gelijktijdige processen mogelijk, wat genoeg moet zijn voor bijna
alle soorten gebruik. Als echter de gevreesde fout
proc table full verschijnt als er
geprobeerd wordt om een programma op te starten of als er een
server gedraaid wordt met een groot aantal gelijktijdige
gebruikers, zoals ftp.FreeBSD.org,
kan het getal altijd verhoogd worden en kan de kernel opnieuw
gebouwd worden.maxusers stelt geen
grens aan het aantal gebruikers dat op de machine kan
aanmelden. Het stelt gewoon verschillende tabelgroottes in op
redelijke waardes, uitgaande van het maximum aantal gebruikers
dat waarschijnlijk de machine gebruikt en van het aantal
processen dat elk van deze gebruikers zal draaien. Een
sleutelwoord dat wel het aantal
gelijktijdige aanmeldingen op afstand en X-terminalvensters
begrenst is pseudo-device pty
16. In &os; 5.X kan dit getal
genegeerd worden omdat daar het stuurprogramma &man.pty.4;
auto-cloning is. Er kan eenvoudig gebruik
worden gemaakt van de regel device pty in
het instellingenbestand.# Floating point ondersteuning - niet uitschakelen.
device npxnpx is de interface naar de wiskundige
floating point-eenheid in &os;, die ofwel de hardware coprocessor
is ofwel de softwarematige wiskundige emulator. Dit is
niet optioneel.# Pseudo devices
device loop # Netwerk loopbackDit is het generieke loopbackapparaat voor TCP/IP. Als
telnet of FTP op localhost (ook bekend als
127.0.0.1) gebruikt wordt, loopt
dat via dit apparaat. Dit is verplicht. Op
&os; 4.X moet de volgende regel gebruikt worden:# Gebruiken in &os; 4.X
pseudo-device loopAlles wat nu volgt is min of meer optioneel. Meer informatie
over elke optie staat in de notities eronder of ernaast.#Om statisch te compileren in device wiring in plaats van /boot/device.hints.
#hints "GENERIC.hints" # Standaardlocatie voor devices.In &os; 5.X en nieuwer wordt &man.device.hints.5;
gebruikt om opties van de programma's die de apparaten aansturen
in te stellen. De standaardplaats die &man.loader.8; controleert
tijdens het opstarten is /boot/device.hints.
Met de optie hints is het mogelijk om deze
aanwijzingen statisch in de kernel te compileren, waardoor er
geen noodzaak is om een bestand device.hints
in /boot aan te maken.#makeoptions DEBUG=-g # Bouw kernel met gdb(1) debug symbolen.Om ruimte te sparen in de installatieplaats voegt het normale
bouwproces van &os; geen debug-informatie toe tijdens het bouwen
van de kernel en stript de meeste symbolen nadat de resulterende
kernel is gelinkt. Voor het testen van kernels van de tak
-CURRENT of van zelfgemaakte veranderingen in de &os;-kernel kan
het gewenst zijn om deze regel uit te commentariëren. Dit
zet het gebruik van de optie aan die
debug-informatie aanzet als de broncode wordt doorgegeven aan
&man.gcc.1;. Hetzelfde kan bereikt worden met de optie
van &man.config.8; als de
traditionele manier wordt gebruikt om een kernel
te bouwen. Meer informatie staat in .options SCHED_4BSD # 4BSD taakplannerDe traditionele taakplanner voor &os;. Afhankelijk van de
systeembelasting kan de prestatie worden verhoogd door de nieuwe
scheduler ULE voor &os; te gebruiken, die speciaal voor SMP
ontworpen is, maar ook goed werkt op UP-systemen. Vervang
desgewenst, om deze uit te proberen,
SCHED_4BSD door SCHED_ULE
in het instellingenbestand.options INET # internetwerkenNetwerkondersteuning. Laat dit aanstaan, zelfs als een
verbinding met een netwerk niet gepland is. De meeste
programma's hebben tenminste een loopbacknetwerk nodig (dat wil
zeggen het maken van netwerkverbindingen binnen de PC), dus dit
is eigenlijk verplicht.options INET6 # IPv6 communicatieprotocollenDit zet de IPv6-communicatieprotocollen aan.options FFS # Berkeley Fast BestandssysteemDit is het basisbestandssysteem voor de harde schijf. Laat
dit erin staan als er vanaf de harde schijf wordt
opgestart.
+ options SOFTUPDATES # Schakel FFS Softupdates ondersteuning in
+
+ Deze optie zet softupdates in de kernel aan en helpt om de
+ schijftoegang voor schrijven te verhogen. Zelfs als deze
+ functionaliteit door de kernel geleverd wordt, moet die voor
+ specifieke schijven worden aangezet. Bekijk de uitvoer van
+ &man.mount.8; om te zien of softupdates aanstaat voor de
+ systeemschijven. Als de optie soft-updates
+ niet zichtbaar is, dient deze geactiveerd te worden met behulp
+ van &man.tunefs.8; voor bestaande bestandssystemen of
+ &man.newfs.8; voor nieuwe bestandssystemen.
+
options UFS_ACL # Ondersteuning voor toeganscontrolelijstenMet deze optie, die alleen in &os; 5.X aanwezig is,
wordt de ondersteuning voor toegangscontrolelijsten aangezet.
Hiervoor zijn uitgebreide attributen en UFS2
nodig. Een en ander wordt in detail beschreven in . ACL's staan standaard
aan en moeten niet uitgezet worden in de kernel als ze al eerder
op een bestandssysteem zijn gebruikt, omdat dit de
toegangscontrolelijsten verwijdert en hierdoor de manier waarop
bestanden beschermd worden op onvoorspelbare wijze
verandert.options UFS_DIRHASH # Verbeter prestaties in grote mappenDeze optie bevat functionaliteit om schijfoperaties op grote
mappen te versnellen, ten koste van extra geheugen. Deze staat
normaalgesproken, zoals voor een grote server of interactief
werkstation, aan en wordt uitgezet als &os; op een kleiner
systeem wordt gebruikt waar geheugen het belangrijkste en
schijfsnelheid minder belangrijk is, zoals voor een
firewall.
- options SOFTUPDATES # Schakel FFS Softupdates ondersteuning in
-
- Deze optie zet softupdates in de kernel aan en helpt om de
- schijftoegang voor schrijven te verhogen. Zelfs als deze
- functionaliteit door de kernel geleverd wordt, moet die voor
- specifieke schijven worden aangezet. Bekijk de uitvoer van
- &man.mount.8; om te zien of softupdates aanstaat voor de
- systeemschijven. Als de optie soft-updates
- niet zichtbaar is, dient deze geactiveerd te worden met behulp
- van &man.tunefs.8; voor bestaande bestandssystemen of
- &man.newfs.8; voor nieuwe bestandssystemen.
-
-
options MD_ROOT # MD is een potentieel rootapparaatDeze optie zet ondersteuning aan voor een virtuële
schijf die in het geheugen wordt geïmplementeerd en als
rootapparaat wordt gebruikt.kerneloptiesNFSkerneloptiesNFS_ROOToptions NFSCLIENT # Netwerk Bestandssysteem Client
options NFSSERVER # Netwerk Bestandssysteem Server
options NFS_ROOT # NFS bruikbaar als /, NFSCLIENT nodigHet netwerkbestandssysteem. Dit kan weggelaten worden tenzij
er gepland is om partities te mounten van een &unix;
bestandsserver over TCP/IP.kerneloptiesMSDOSFSoptions MSDOSFS # MSDOS BestandssysteemHet &ms-dos; bestandssysteem. Dit kan veilig weggelaten
worden, tenzij er gepland is om een DOS-geformatteerde partitie
van de harde schijf tijdens het opstarten te mounten. Het wordt
automatisch geladen als er voor de eerste keer een DOS-partitie
wordt gemount, zoals boven beschreven. Bovendien geeft de
uitstekende software emulators/mtools toegang tot
DOS-floppies zonder dat ze gemount en gedismount moeten worden en
heeft het MSDOSFS helemaal niet nodig.options CD9660 # ISO 9660 BestandssysteemHet ISO 9960-bestandssysteem voor cd-roms. Commentarieer dit
uit als er geen cd-rom drive aanwezig is of als er slechts af en
toe data-cd-roms gemount worden (aangezien het dynamisch geladen
wordt als er voor de eerste keer een data-cd-rom gemount wordt).
Audio-CD's hebben dit bestandssysteem niet nodig.options PROCFS # ProcesbestandssysteemHet procesbestandssysteem. Dit is een als-of
bestandssysteem, gemount in /proc, dat
programma's als &man.ps.1; in staat stelt om meer informatie over
de draaiende processen te geven. In &os; 5.X en hoger is
het onder de meeste omstandigheden niet nodig om
PROCFS te gebruiken, omdat de meeste debug- en
monitorgereedschappen zijn aangepast om zonder
PROCFS te draaien. In tegenstelling tot
&os; 4.X mounten nieuwe installaties op &os; 5.X
standaard het procesbestandssysteem niet. Bovendien moeten
6.X-CURRENT kernels die gebruik maken van
PROCFS, nu ook ondersteuning bevatten voor
PSEUDOFS:options PSEUDOFS # Pseudo-bestandssysteem frameworkPSEUDOFS is niet beschikbaar in
&os; 4.X.options GEOM_GPT # GUID Partitietabellen.Met deze optie kan een groot aantal partities op een enkele
schijf aanwezig zijn.options COMPAT_43 # Compatibel met BSD 4.3 [ERIN HOUDEN!]Compatibiliteit met 4.3BSD. Laat dit aanstaan. Sommige
programma's gedragen zich vreemd als dit uitgecommentarieerd
wordt.options COMPAT_FREEBSD4 # Compatibel met &os; 4Deze optie is nodig op &os; 5.X &i386; en Alpha systemen
om ondersteuning te bieden aan applicaties die gecompileerd zijn
op oudere versies van &os; en gebruik maken van oudere
systeemaanroep-interfaces. Het is aanbevolen dat deze optie
gebruikt wordt op alle &i386; en Alpha systemen die mogelijk
oudere applicaties draaien. Voor platformen die pas in 5.X
ondersteuning verwierven, zoals ia64 en &sparc64;, is deze optie
niet nodig.options SCSI_DELAY=15000 # Vertraging (in ms) voordat SCSI wordt afgezocht.Dit zorgt ervoor dat de kernel vijftien seconden wacht
voordat die elk SCSI-apparaat in het systeem afzoekt. Als er
alleen IDE harde schijven zijn, kan deze optie genegeerd worden,
anders is het misschien wenselijk om deze waarde te verlagen tot
vijf seconden, om het opstarten te versnellen. Uiteraard moet
deze waarde weer verhoogd worden als &os; problemen heeft om de
SCSI-apparaten te herkennen.options KTRACE # ktrace(1) ondersteuningDit schakelt kernelondersteuning voor het volgen processen
in, wat handig is tijdens debuggen.options SYSVSHM # SYSV-stijl gedeeld geheugenDeze optie biedt System V gedeeld geheugen. Meestal
wordt dit wegens de XSHM-uitbreiding in X gebruikt, waar door
vele grafische programma's automatisch gebruik van wordt gemaakt
voor extra snelheid. Als X gebruik wordt, is het raadzaam om dit
op te nemen.options SYSVMSG # SYSV-stijl berichtwachtrijenDit biedt ondersteuning voor System V berichten. Ook
deze optie voegt slechts een paar honderd bytes aan de kernel
toe.options SYSVSEM # SYSV-stijl semaforenDit biedt ondersteuning voor System V semaforen. Het
wordt minder vaak gebruikt, maar voegt slechts een paar honderd
bytes aan de kernel toe.De optie van het commando &man.ipcs.1;
geeft een lijst van alle processen die een van deze
System V faciliteiten gebruikt.options _KPOSIX_PRIORITY_SCHEDULING # POSIX P1003_1B real-time extensiesDit biedt real-time-uitbreidingen die in de 1993 &posix; zijn
toegevoegd. Bepaalde applicaties in de Portscollectie gebruiken
deze (zoals &staroffice;).options KBD_INSTALL_CDEV # installeer een CDEV-ingang in /devDeze optie is gerelateerd aan het toetsenbord. Het
installeert een CDEV-ingang in /dev.options AHC_REG_PRETTY_PRINT # Toon register bitveld in debuguitvoer.
# Voegt ~128k toe aan driver.
options AHD_REG_PRETTY_PRINT # Toon register bitveld in debuguitvoer.
# Voegt ~215k toe aan driver.Dit helpt bij het debuggen door makkelijker te lezen
registerdefinities af te beelden.options ADAPTIVE_GIANT # Giant mutex is adaptief.Giant is de naam van een wederzijds uitsluitingsmechanisme
(een sleep mutex) dat een grote verzameling kernelbronnen
beschermt. Vandaag de dag is dit een onaccaptabele
prestatie-bottleneck die actief door sloten wordt vervangen die
individuele bronnen beschermen. De optie
ADAPTIVE_GIANT zorgt ervoor dat Giant in de
verzamelingen van mutexen wordt opgenomen waar actief wordt
opgespind. Dit betekent dat wanneer een thread de Giant-mutex
wil nemen, maar die reeds door een thread op een andere CPU
genomen is, de eerste thread blijft draaien en wacht tot er een
slot vrijkomt. Normaalgesproken zou de thread weer gaan slapen
en wachten op de volgende kans om te draaien. Laat dit er in
geval van twijfel instaan.kerneloptiesSMPdevice apic # I/O APICHet apic-apparaat zet de ondersteuning voor I/O-APIC voor het
afleveren van interrupts aan. Het apic-apparaat kan zowel in UP-
als in SMP-kernels gebruikt worden, maar is noodzakelijk voor
SMP-kernels. Voeg options SMP toe om
ondersteuning voor meerdere processoren op te nemen.device isaAlle computers die door &os; ondersteund worden hebben
één van deze apparaten. Verwijder dit niet, zelfs
niet als er geen ISA-sloten aanwezig zijn. &os; biedt momenteel
slechts gedeeltelijke ondersteuning aan IBM PS/2 (Micro Channel
Architecture)-systemen. Meer informatie over de ondersteuning
voor MCA staat in
/usr/src/sys/i386/conf/notes.device eisaNeem dit op voor een EISA-moederbord. Dit zet ondersteuning
voor zelfdetectie en -instelling aan voor alle apparaten op de
EISA-bus.device pciNeem dit op voor een PCI-moederbord. Dit zet ondersteuning
voor zelfdetectie van PCI-kaarten en gatewaying van
PCI-naar-ISA-bus aan.
- device agp
-
- Neem dit op als er een AGP-kaart in het systeem aanwezig is.
- Dit zet ondersteuning voor AGP aan, en ondersteuning voor AGP
- GART voor borden die deze mogelijkheden hebben.
-
# Floppy drives
device fdcDit is de controller voor de floppydrive.# ATA- en ATAPI-apparaten
device ataDit stuurprogramma biedt ondersteuning aan alle ATA- en
ATAPI-apparaten. Er is slechts één device
ata-regel nodig om de kernel alle PCI
ATA/ATAPI-apparaten te laten ontdekken op moderne
machines.device atadisk # ATA schijvenDit is samen met device ata nodig voor ATA
schijven.device ataraid # ATA RAID schijvenDit is samen met device ata nodig voor ATA
RAID-schijven.
device atapicd # ATAPI cd-rom drivesDit is samen met device ata nodig voor
ATAPI cd-rom drives.device atapifd # ATAPI floppy drivesDit is samen met device ata nodig voor
ATAPI floppydrives.device atapist # ATAPI tape drivesDit is samen met device ata nodig voor
ATAPI tapedrives.options ATA_STATIC_ID # Statische apparaatnummeringDit zorgt ervoor dat de controller statisch nummert. Zonder
deze optie worden nummers dynamisch toegewezen.# SCSI Controllers
device ahb # EISA AHA1742 familie
device ahc # AHA2940 en onboard AIC7xxx apparaten
device ahd # AHA39320/29320 en onboard AIC79xx apparaten
device amd # AMD 53C974 (Teckram DC-390(T))
device isp # Qlogic familie
device mpt # LSI-Logic MPT-Fusion
#device ncr # NCR/Symbios Logic
device sym # NCR/Symbios Logic (nieuwere chipsets)
device trm # Tekram DC395U/UW/F DC315U adapters
device adv # Advansys SCSI adapters
device adw # Advansys wide SCSI adapters
device aha # Adaptec 154x SCSI adapters
device aic # Adaptec 15[012]x SCSI adapters, AIC-6[23]60.
device bt # Buslogic/Mylex MultiMaster SCSI adapters
device ncv # NCR 53C500
device nsp # Workbit Ninja SCSI-3
device stg # TMC 18C30/18C50SCSI controllers. Commentarieer de regels uit voor apparaten
die niet in het systeem aanwezig zijn. Als het een systeem met
alleen IDE apparaten betreft, kunnen ze allemaal weggelaten
worden.# SCSI randapparaten
device scbus # SCSI bus (nodig voor SCSI)
device ch # SCSI media changers
device da # Direct Access (schijven)
device sa # Sequential Access (tape, enzovoort)
device cd # CD
device pass # Passthrough apparaat (directe SCSI-toegang)
device ses # SCSI Omgevingsdiensten (en SAF-TE)SCSI-aanhangels. Ook hier geldt dat apparaten die niet
aanwezig zijn uitgecommentarieerd kunnen worden, of als alleen
IDE-hardware aanwezig aanwezig is, ze allemaal weggelaten kunnen
worden.Het USB-stuurprogramma &man.umass.4; en enkele andere
stuurprogramma's gebruiken het SCSI-subsysteem, alhoewel ze
geen echte SCSI-apparaten zijn. Daarom mag SCSI-ondersteuning
niet verwijderd worden als dit soort stuurprogramma's in de
kernelinstellingen worden opgenomen.# RAID controllers met interfaces naar het SCSI subsysteem
device amr # AMI MegaRAID
+device arcmsr # Areca SATA II RAID
device asr # DPT SmartRAID V, VI en Adaptec SCSI RAID
device ciss # Compaq Smart RAID 5*
device dpt # DPT Smartcache III, IV - Zie NOTES voor opties
device hptmv # Highpoint RocketRAID 182x
device iir # Intel Integrated RAID
device ips # IBM (Adaptec) ServeRAID
device mly # Mylex AcceleRAID/eXtremeRAID
device twa # 3ware 9000 series PATA/SATA RAID
# RAID controllers
device aac # Adaptec FSA RAID
device aacp # SCSI passthrough voor aac (CAM nodig)
device ida # Compaq Smart RAID
device mlx # Mylex DAC960 famile
device pst # Promise Supertrak SX6000
device twe # 3ware ATA RAIDOndersteunde RAID-controllers. Als een van deze niet
aanwezig is, kan deze uitgecommentarieerd of verwijderd
worden.# atkbdc0 bestuurt het toetsenbord en de PS/2 muis
device atkbdc # AT toetsenbordcontrollerDe toetsenbordcontroller (atkbdc) biedt
I/O-diensten aan voor het AT-toetsenbord en het PS/2-type van
aanwijsapparaten. Deze controller is noodzakelijk voor het
toetsenbordstuurprogramma (atkbd) en het
PS/2-aanwijsapparaatstuurprogramma
(psm).device atkbd # AT toetsenbordHet stuurprogramma atkbd biedt samen met
de controller atkbdc toegang tot het
AT84-toetsenbord of het uitgebreide AT-toetsenbord dat verbonden
is met de controller voor het AT-toetsenbord.device psm # PS/2 muisDit apparaat kan gebruikt worden als de muis in de
PS/2-muispoort wordt geplugd.device vga # VGA videokaart stuurprogrammaHet stuurprogramma voor de videokaart.# splash screen/screensaver
device splash # Splash screen en screensaver ondersteuningEen splash-scherm tijdens het opstarten! Screensavers hebben
deze optie ook nodig (voor &os; 4.X dient
pseudo-device splash gebruikt te
worden.# syscons is het standaard consolestuurprogramma, lijkt op een SCO console
device scsc is het standaard consolestuurprogramma
en lijkt op een SCO-console. Aangezien de meeste programma's die
met een volledig scherm werken de console via een
terminaldatabase zoals termcap benaderen,
moet het niet uitmaken of dit of vt, het
VT220-compatibele consolestuurprogramma,
gebruikt wordt. Wanneer er aangemeld wordt, dient de variabele
TERM op scoansi gezet worden
indien programma's die met een volledig scherm werken problemen
hebben om met dit console te draaien.# Schakel dit in voor het pcvt (VT220 compatibele) consolestuurprogramma
#device vt
#options XSERVER # ondersteuning voor X server op een vt console
#options FAT_CURSOR # begin met een blokcursorDit is een VT220-compatibel consolestuurprogramma,
achterwaarts compatibel met de VT100/102. Het werkt goed op
enkele laptops die hardware-incompatibiliteiten hebben met
sc. Ook dient de variabele
TERM op vt100 of
vt220 gezet te worden bij het aanmelden. Dit
stuurprogramma kan ook nuttig zijn wanneer er verbinding wordt
gemaakt met een groot aantal verschillende machines in een
netwerk, waarbij de ingangen termcap of
terminfo voor het apparaat
sc vaak niet beschikbaar zijn.
vt100 is op bijna elk platform
beschikbaar.
+ device agp
+
+ Neem dit op als er een AGP-kaart in het systeem aanwezig is.
+ Dit zet ondersteuning voor AGP aan, en ondersteuning voor AGP
+ GART voor borden die deze mogelijkheden hebben.
+
APM# Ondersteuning voor energiebeheer (zie NOTES voor meer opties)
#device apmOndersteuning voor geavanceerd energiebeheer (Advanced Power
Management). Dit is nuttig voor laptops, alhoewel dit in
&os; 5.X en hoger standaard uitgeschakeld is in
GENERIC.# Schakel suspend/resume ondersteuning voor de i8254 in.
device pmtimerHet stuurprogramma voor het timerapparaat voor
energiebeheergebeurtenissen, zoals APM en ACPI.# PCCARD (PCMCIA) ondersteuning.
# PCMCIA en cardbus bridge ondersteuning.
device cbb # cardbus (yenta) bridge
device pccard # PC Card (16-bit) bus
device cardbus # CardBus (32-bit) busOndersteuning voor PCMCIA. Dit is wenselijk voor
laptopgebruikers.# Serial (COM) poorten
device sio # 8250, 16[45]50-gebaseerde seriële poortenDit zijn de seriële poorten waarnaar in de wereld van
&ms-dos;/&windows; verwezen wordt als
COM-poorten.Als er een intern modem op COM4 en
een seriële poort op COM2
aanwezig is, moet het IRQ van het modem in 2 worden veranderd
(om duistere technische redenen geldt dat IRQ2 = IRQ9) om er
vanuit &os; toegang toe te krijgen. Als er een multipoort
seriële kaart aanwezig is, staat in &man.sio.4; meer
informatie over de juiste waarden die aan
/boot/device.hints toegevoegd moeten
worden. Sommige videokaarten (vaak gebaseerd op S3 chips)
gebruiken IO-adressen van de vorm 0x*2e8, en
omdat vele goedkope serieële kaarten de 16-bits
IO-adresruimte niet volledig decoderen, botsen ze met deze
kaarten waardoor de COM4-poort
praktisch onbruikbaar is.Elke serieële poort moet een uniek IRQ hebben (tenzij
er gebruik wordt gemaakt van een van de multipoortkaarten
waarbij gedeelde interrupts ondersteund worden), dus kunnen de
standaard IRQ's voor COM3 en
COM4 niet gebruikt worden.# Parallelle poort
device ppcDit is de interface voor de parallelle poort op de
ISA-bus.device ppbus # Parallelle poortbus (verplicht)Biedt ondersteuning voor de parallelle poortbus.device lpt # PrinterOndersteuning voor parallelle poort-printers.Alle van de bovenstaande drie zijn noodzakelijk om
ondersteuning voor parallelle printers aan te zetten.device plip # TCP/IP over parallelDit is het stuurprogramma voor de parallelle
netwerkinterface.device ppi # Parallelle poort interface apparaatDe algemene I/O (geek-poort) + IEEE1284 I/O.#device vpo # scbus en da verplichtzipdriveDit is voor een Iomega Zipdrive. Hiervoor is ondersteuning
voor scbus en da nodig. De
beste prestaties worden gehaald met poorten in EPP
1.9-modus.#device pucDit dient uitgecommentarieerd te worden indien er een
domme seriële of parallelle PCI-kaart
aanwezig is die ondersteund wordt door het &man.puc.4;
verbindingsstuurprogramma.# PCI Ethernet NIC's.
device de # DEC/Intel DC21x4x (Tulip)
device em # Intel PRO/1000 adapter Gigabit Ethernet Card
device ixgb # Intel PRO/10GbE Ethernet Card
device txp # 3Com 3cR990 (Typhoon)
device vx # 3Com 3c590, 3c595 (Vortex)Verscheidene PCI-netwerkkaartstuurprogramma's. Degenen die
niet in het systeem aanwezig zijn kunnen uitgecommentarieerd of
verwijderd worden.# PCI Ethernet NIC's die de MII bus controller code gebruiken.
# NB: 'device miibus' moet behouden blijven om deze NIC's te kunnen gebruiken!
device miibus # MII bus ondersteuningOndersteuning voor MII-bus is noodzakelijk voor sommige PCI
10/100 Ethernet-NICs, namelijk voor diegenen die MII-geldige
transceivers gebruiken of interfaces voor transceiverbesturing
implementeren die als een MII werken. Door device
miibus aan de kernelinstellingen toe te voegen wordt
de ondersteuning voor de generieke miibus-API en voor alle
PHY-stuurprogramma's opgenomen, waaronder een generieke voor
PHYs die niet specifiek door een individueel stuurprogramma
worden behandeld.
- device dc # DEC/Intel 21143 en verschillende gelijkwerkenden
-device miibus # MII bus ondersteuning
-device bfe # Broadcom BCM440x 10/100 Ethernet
+ device bfe # Broadcom BCM440x 10/100 Ethernet
device bge # Broadcom BCM570xx Gigabit Ethernet
device dc # DEC/Intel 21143 en verschillende gelijkwerkenden
device fxp # Intel EtherExpress PRO/100B (82557, 82558)
+device lge # Level 1 LXT1001 gigabit ethernet
+device nge # NatSemi DP83820 gigabit ethernet
device pcn # AMD Am79C97x PCI 10/100 (voorrang boven 'lnc')
device re # RealTek 8139C+/8169/8169S/8110S
device rl # RealTek 8129/8139
device sf # Adaptec AIC-6915 (Starfire)
device sis # Silicon Integrated Systems SiS 900/SiS 7016
device sk # SysKonnect SK-984x & SK-982x gigabit Ethernet
device ste # Sundance ST201 (D-Link DFE-550TX)
device ti # Alteon Networks Tigon I/II gigabit Ethernet
device tl # Texas Instruments ThunderLAN
device tx # SMC EtherPower II (83c170 EPIC)
+device ge # VIA VT612x gigabit ethernet
device vr # VIA Rhine, Rhine II
device wb # Winbond W89C840F
device xl # 3Com 3c90x (Boomerang, Cyclone)Stuurprogramma's die gebruik maken van de MII
bus-controllercode.# ISA Ethernet NIC's. Inclusief pccard NIC's.
device cs # Crystal Semiconductor CS89x0 NIC
# 'device ed' heeft 'device miibus' nodig
device ed # NE[12]000, SMC Ultra, 3c503, DS8390 kaarten
device ex # Intel EtherExpress Pro/10 en Pro/10+
device ep # Etherlink III-gebaseerde kaarten
device fe # Fujitsu MB8696x-gebaseerde kaarten
device ie # EtherExpress 8/16, 3C507, StarLAN 10, etc.
device lnc # NE2100, NE32-VL Lance Ethernet kaarten
device sn # SMC's 9000 serie Ethernet chips
device xe # Xircom pccard Ethernet
# ISA apparaten die de oude ISA shims gebruiken
#device leISA Ethernetstuurprogramma's. In
/usr/src/sys/i386/conf/NOTES
staan details over welke kaarten door welk stuurprogramma
ondersteund worden.# Draadloze NIC kaarten
device wlan # 802.11 ondersteuning
device an # Aironet 4500/4800 802.11 draadloze NIC's.
device awi # BayStack 660 en anderen
device wi # WaveLAN/Intersil/Symbol 802.11 draadloze NIC's.
#device wl # Oudere niet-802.11 Wavelan draadloze NIC.Ondersteuning voor verscheidene draadloze kaarten.device mem # Geheugen- en kernelgeheugenapparatenDe geheugenapparaten van het systeem.device io # I/O apparaatDeze optie stelt een proces in staat om I/O-privileges te
verkrijgen. Dit is nuttig als er gebruikerprogramma's worden
geschreven die direct met hardware werken. Dit is nodig om het
X Window systeem te draaien.device random # Entropy apparaatCryptografisch veilige willekeurige getallengenerator.device ether # Ethernet ondersteuningether is allen noodzakelijk als er een
Ethernetkaart aanwezig is. Het bevat code voor het generieke
Ethernet protocol. Op &os; 4.X dient
pseudo-device ether gebruikt te worden.device sl # Kernel SLIPsl dient voor SLIP-ondersteuning. Dit is
bijna geheel overgenomen door PPP, wat eenvoudiger is op te
zetten, beter geschikt is voor modem-naar-modem-verbindingen en
krachtiger is. Met &os; 4.X dient
pseudo-device sl gebruikt te worden.device ppp # Kernel PPPDit dient voor PPP-ondersteuning van inbelverbindingen door
de kernel. Er is ook een versie van PPP als gebruikersapplicatie
geïmplementeerd die tun gebruikt en meer
flexibiliteit en mogelijkheden biedt zoals demand-bellen.
Met &os; 4.X dient pseudo-device ppp
gebruikt te worden.device tun # Packet tunnel.Dit wordt gebruikt door de gebruikers-PPP-software. In
PPP staat meer informatie. Met
&os; 4.X dient pseudo-device tun gebruikt
te worden.
device pty # Pseudo-ttys (telnet, etc.)Dit is een pseudo-terminal of gesimuleerde
aanmeldpoort. Die wordt gebruikt door binnenkomende sessies van
telnet en rlogin, door
xterm en voor sommige andere
applicaties zoals Emacs.Met &os; 4.X dient
pseudo-device ptynummer
gebruikt te worden. Het nummer na
pty geeft het aantal
pty's aan dat aangemaakt dient te worden.
Als er meer dan het standaard aantal van zestien gelijktijdige
xterm schermen en/of remote
aanmeldingen nodig zijn, dient dit nummer overeenkomstig
verhoogd te worden, tot maximaal 256.device md # GeheugenschijvenPseudo-apparaten die een schijf in het geheugen implementeren.
Met &os; 4.X dient pseudo-device md
gebruikt te worden.device gif # IPv6 en IPv4 tunnelenDit implementeert IPv6-over-IPv4-tunneling,
IPv4-over-IPv6-tunneling, IPv4-over-IPv4-tunneling en
IPv6-over-IPv6-tunneling. Met ingang van &os; 4.4 is het
apparaat gifzelfklonend en
dient de regel pseudo-device gif gebruikt te
worden. Eerdere versies van &os; 4.X vereisen een getal,
bijvoorbeeld pseudo-device gif 4.device faith # IPv6-naar-IPv4-relay (vertaling)Dit pseudo-apparaat onderschept pakketten die ernaar
verzonden worden en leidt ze om naar het IPv4/IPv6-vertaaldaemon.
Met &os; 4.X dient pseudo-device faith 1
gebruikt te worden.# Het `bpf' apparaat schakelt de Berkeley Pakketfilter in.
# Wees bewust van de administratieve consequenties die dit heeft!
+# 'bpf' is nodig bij gebruik van DHCP.
device bpf # Berkeley pakketfilterDit is het Berkeley Pakketfilter. Dit pseudo-apparaat staat
netwerkinterfaces toe om in luistermodus gezet te worden, zodat
elk pakket op een uitzendnetwerk (bijvoorbeeld een Ethernet)
onderschept wordt. Deze pakketten kunnen naar schijf onderschept
en/of onderzocht worden met het programma &man.tcpdump.1;. Met
&os; 4.X dient pseudo-device bpf gebruikt
te worden.Het apparaat &man.bpf.4; wordt ook gebruikt door
&man.dhclient.8; om het IP-adres van de standaardrouter
(gateway) te verkrijgen, enzovoorts. Als DHCP gebruikt wordt,
dient dit ingeschakeld te blijven.# USB support
device uhci # UHCI PCI->USB interface
device ohci # OHCI PCI->USB interface
+#device ehci # EHCI PCI->USB interface (USB 2.0)
device usb # USB Bus (verplicht)
#device udbp # USB Double Bulk Pipe apparaten
device ugen # Generic
device uhid # Human Interface Devices
device ukbd # Toetsenbord
device ulpt # Printer
device umass # Schijnven/Massaopslag - scbus en da nodig
device ums # Muis
device urio # Diamond Rio 500 MP3 speler
device uscanner # Scanners
# USB Ethernet, requires mii
device aue # ADMtek USB Ethernet
device axe # ASIX Electronics USB Ethernet
+device cdce # Generic USB over Ethernet
device cue # CATC USB Ethernet
device kue # Kawasaki LSI USB Ethernet
device rue # RealTek RTL8150 USB EthernetOndersteuning voor verscheidene USB-apparaten.# FireWire ondersteuning
device firewire # FireWire bus code
device sbp # SCSI over FireWire (scbus en da nodig)
device fwe # Ethernet over FireWire (niet-standaard!)Ondersteuning voor verscheidene Firewire-apparaten.Meer informatie en aanvullende apparaten die door &os;
ondersteund worden staan in
/usr/src/sys/i386/conf/NOTES.Instellingen bij veel geheugen
(PAE)Physical Address Extensions
(PAE)veel geheugenSommige machines (PAE) hebben meer
geheugen nodig dan limiet van 4 gigabyte op User+Kernel Virtual
Adress (KVA) ruimte. Vanwege deze limiet
voegde Intel ondersteuning toe voor toegang tot 36-bits fysieke
adresruimte in de &pentium; Pro en nieuwere lijn van
CPU's.De Physical Address Extension (PAE)
mogelijkheden van de &intel; &pentium; Pro en nieuwere CPU's
staan geheugenhoeveelheden toe tot 64 gigabyte. &os; biedt
ondersteuning voor deze mogelijkheid via de kernelinsteloptie
, die beschikbaar is in de 4.X-serie van
&os; met ingang van 4.9-RELEASE en in de 5.X-serie van &os;
met ingang van 5.1-RELEASE. Vanwege de beperkingen van de
geheugenarchitectuur van Intel wordt er geen onderscheid
gemaakt tussen geheugen boven of beneden 4 gigabytes. Geheugen
dat boven de 4 gigabytes is toegewezen wordt gewoon bij het
beschikbare gevoegd.Om ondersteuning voor PAE in de kernel
aan te zetten, dient de volgende regel aan het
kernelinstellingenbestand te worden toegevoegd:options PAEDe ondersteuning voor PAE in &os; is
alleen beschikbaar voor &intel; IA-32-processoren. Ook dient
opgemerkt te worden dat ondersteuning voor
PAE nog niet wijdverbreid getest is en
als betakwaliteit beschouwd dient te worden vergeleken met
andere stabiele kenmerken van &os;.Ondersteuning voor PAE in &os; heeft
enige beperkingen:Een proces kan niet meer dan 4 gigabyte VM-ruimte
krijgen;KLD-modules kunnen niet in een
kernel worden geladen die PAE aan heeft
staan, vanwege de verschillen in het bouwraamwerk van een
module en de kernel;Apparaatstuurprogramma's die geen gebruik maken van de
&man.bus.dma.9;-interface zullen gegevenscorruptie
veroorzaken in een kernel die PAE aan
heeft staan en hun gebruik wordt afgeraden. Om deze reden
wordt er een kernelinstellingenbestand voor
PAE geleverd met &os; 5.X, die alle
stuurprogramma's uitsluit waarvan bekend is dat ze niet
werken in een kernel die PAE aan heeft
staan;Sommige systeeminstellingen bepalen het
geheugenbronverbruik aan de hand van de hoeveelheid
beschikbaar fysiek geheugen. Zulke instellingen kunnen
onnodig veel toewijzen vanwege de grote hoeveelheid
geheugen in een PAE systeem. Een
voorbeeld hiervan is de sysctl
, die het maximum aantal
vnodes dat in de kernel aanwezig mag zijn beheert. Het is
aan te raden om deze en andere van dit soort instellingen
aan te passen aan een redelijke waarde;Het kan nodig zijn om de virtuele kerneladresruimte
(KVA) te vergroten of om het aantal
kernelbronnen dat veel gebruikt wordt (zie boven) te
verminderen om zo uitputting van KVA te
voorkomen. De kerneloptie kan
gebruikt worden om de KVA-ruimte te
vergroten.Om prestatie- en stabiliteitsredenen is het aan te raden om
&man.tuning.7; te raadplegen. &man.pae.4; bevat bijgewerkte
informatie over de ondersteuning voor PAE in
&os;.Apparaatnodes makenapparaatnodesMAKEDEVAls &os; 5.0 of hoger gedraaid wordt, kan deze
sectie veilig worden overgeslagen. Deze versies gebruiken
&man.devfs.5; om transparant apparaatnodes voor de gebruiker toe
te wijzen.Bijna elk apparaat in de kernel heeft een overeenkomstige
node-ingang in de map /dev.
Deze nodes zien eruit als reguliere bestanden, maar zijn
eigenlijk speciale ingangen in de kernel die door programma's
gebruikt worden om toegang tot het apparaat te verkrijgen. Het
shellscript /dev/MAKEDEV, dat wordt
uitgevoerd als het besturingssysteem voor het eerst wordt
geïnstalleerd, maakt bijna alle ondersteunde apparaatnodes
aan. Het maakt echter niet alle nodes aan,
dus als ondersteuning voor een apparaat wordt toegevoegd, loont
het om te controleren of de geschikte ingangen in de map aanwezig
zijn en deze toe te voegen als ze ontbreken. Hier volgt een
eenvoudig voorbeeld:Stel dat ondersteuning voor de IDE cd-rom aan de kernel wordt
toegevoegd:device ad0Dit betekent dat de map /dev moet worden
onderzocht op ingangen die met acd0
beginnen, mogelijk gevolgd door een letter zoals
c of voorafgegaan door de letter
r, wat duidt op een raw
apparaat. Die bestanden zijn daar niet, dus moet in de map
/dev het volgende ingegeven worden:MAKEDEV&prompt.root; sh MAKEDEV acd0Als dit script geëindigd is, zijn de ingangen
acd0c en racd0c in de
map /dev aanwezig, wat duidt op een juiste
uitvoer.Voor geluidskaarten maakt het volgende commando de juiste
ingangen aan:&prompt.root; sh MAKEDEV snd0Als apparaatnodes voor apparaten als geluidskaarten worden
aangemaakt en andere mensen toegang tot de machine hebben, kan
het wenselijk zijn om de apparaten tegen toegang van buitenaf
te beschermen door deze aan /etc/fbtab toe
te voegen. In &man.fbtab.5; staat meer informatie.Deze eenvoudige procedure dient gevolgd te worden voor elk
ander apparaat dat niet in GENERIC staat en
geen ingangen heeft in /dev.Alle SCSI-controllers gebruiken dezelfde verzameling
ingangen in /dev, dus is het niet nodig om
deze aan te maken. Ook hebben netwerkkaarten en SLIP/PPP
pseudo-apparaten geen ingang in /dev, dus
is het niet nodig om hierover bezorgd te zijn.Problemen oplossenEr zijn vijf categoriën problemen die op kunnen treden
tijdens het bouwen van een eigen kernel:config faaltAls het commando &man.config.8; faalt bij het verwerken
van de kernelbeschrijving, is er waarschijnlijk ergens een
eenvoudige fout gemaakt. Gelukkig geeft &man.config.8; het
nummer van de regel weer waarmee het problemen had, dus kan
snel de regel gevonden worden waarin de fout zit.
In het onderstaande voorbeeld dient gecontroleerd te worden
of het sleutelwoord juist is ingevoerd door het met de
kernel GENERIC of een andere
referentie te vergelijken:config: line 17: syntax errormake faaltAls make faalt, duidt dit meestal op
een fout in de kernelbeschrijving die niet erg genoeg is om
door &man.config.8; opgemerkt te worden. De instellingen
dienen nogmaals nagekeken te worden. Als het probleem nog
steeds niet is op te lossen, stuur dan een mail naar de
&a.questions; met de kernelinstellingen. Dat leidt meestal
snel tot een diagnose.Het installeren van de nieuwe kernel misluktAls het compileren van de kernel goed ging, maar het
installeren mislukte (make install of
make installkernel faalde), dient als
eerste gecontroleerd te worden of het systeem op
beveiligingsniveau (securelevel) 1 of hoger draait (zie
&man.init.8;). De kernelinstallatie probeert namelijk om
de vlag immutable van de oude kernel te verwijderen en de
vlag immutable op de nieuwe kernel te zetten. Aangezien
beveiligingsniveau 1 of hoger verhindert om de vlag
immutable te verwijderen van enig bestand op het systeem,
dient de kernelinstallatie op beveiligingsniveau 0 of lager
uitgevoerd te worden.Bovenstaande geldt alleen voor &os; 4.X en eerdere
versies. &os; 5.X en hogere versies zetten de vlag
immutable niet op de kernel en een mislukte poging om de
kernel de kernel te installeren duidt meestal op een
fundamenteler probleem.De kernel start niet opAls de nieuwe kernel niet opstart of de apparaten
niet herkent is kalmte geboden. &os; heeft een uitstekend
mechanisme om van niet-compatibele kernels te herstellen.
De gewenste kernel om mee op te starten kan vanuit de &os;
boot loader gekozen worden. Als het systeem terugtelt
vanaf 10, kan deze vanuit het opstartmenu gekozen worden.
Sla een willekeurige toets, behalve de
Enter toets, aan, voer
unload in en daarna
boot
/boot/kernel.old/kernel
of de bestandsnaam van enige andere kernel die correct
opstart. Als de kernelinstellingen gewijzigd worden, is
het altijd aan te raden om een kernel bij de hand te houden
waarvan bekend is dat die juist werkt.Nadat er met een goede kernel is opgestart, kan het
instellingenbestand gecontroleerd worden en geprobeerd
worden om de kernel nogmaals te bouwen. Een behulpzame
bron is het bestand /var/log/messages,
dat onder andere alle kernelberichten van alle keren dat er
succesvol is opgestart vastlegt. Ook geeft &man.dmesg.8;
alle kernelberichten weer van de huidige
opstartprocedure.Als er problemen zijn met het bouwen van een kernel,
dient een GENERIC, of een andere
kernel waarvan bekend is dat die werkt, bewaard te worden
onder een andere naam die niet verwijderd wordt als de
volgende kernel gebouwd wordt. Er kan niet op
kernel.old vertrouwd worden omdat
bij de installatie van een nieuwe kernel
kernel.old overschreven wordt met de
laatst geïnstaleerde kernel, die niet hoeft te
werken. Ook dient de werkende kernel zo snel mogelijk
naar de juiste plaats /boot/kernel verplaatst te
worden, omdat anders commando's als &man.ps.1; eventueel
onjuist werken. Hiervoor dient simpelweg de map met de
goede kernel hernoemd te worden:&prompt.root; mv /boot/kernel /boot/kernel.slecht
&prompt.root; mv /boot/kernel.goed /boot/kernelVoor versies van &os; eerder dan 5.X luidt het juiste
commando om het kernelbestand dat make
installeert te ontgrendelen (om een andere
kernel definitief terug te zetten):&prompt.root; chflags noschg /kernelAls dit niet mogelijk is, wordt er waarschijnlijk op
een beveiligingsniveau groter dan nul gedraaid. Wijzig
kern_securelevel in
/etc/rc.conf naar
–1 en start het systeem opnieuw.
Deze instelling kan op het vorige niveau worden
teruggezet als de nieuwe kernel naar behoren
werkt.Als het wenselijk is om de nieuwe kernel
vast te zetten op zijn plaats, of enig
ander bestand, zodat het niet verplaatst of verknoeid kan
worden:&prompt.root; chflags schg /kernelDe kernel werkt, maar &man.ps.1; werkt niet meerAls er een andere versie van de kernel is
geïnstalleerd dan degene waarmee de
systeemgereedschappen gebouwd zijn, bijvoorbeeld een kernel
voor 5.X op een 4.X-systeem, werken vele
systeemstatuscommando's als &man.ps.1; en &man.vmstat.8;
niet langer. De wereld moet opnieuw gecompileerd en
geïnstalleerd worden en met dezelfde broncodestructuur
als de kernel zijn gebouwd. Dit is een van de redenen
waarom het normaliter geen goed idee is om een afwijkende
versie van de kernel ten opzichte van de rest van de wereld
te gebruiken.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/mirrors/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/mirrors/chapter.sgml
index 7ac4efe070..f7e635e2b7 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/mirrors/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/mirrors/chapter.sgml
@@ -1,3110 +1,3129 @@
&os; verkrijgenCd-rom en DVD uitgeversWinkelproducten in doos&os; is beschikbaar in een doos (&os; cd-roms, additionele
software en gedrukte documentatie) bij verschillende
verkopers:CompUSA
WWW: Frys Electronics
WWW: Cd-roms en DVD's&os; cd-roms en DVD's zijn te koop bij veel online
winkels:Daemon News MallPO Box 161Nauvoo, IL62354Verenigde Staten
Telefoon: +1 866 273-6255
Fax: +1 217 453-9956
E–mail: sales@bsdmall.com
WWW: BSD-Systems
E–mail: info@bsd-systems.co.uk
WWW: fastdiscs.com6 Eltham CloseLeeds, LS6 2TYVerenigd Koninkrijk
Telefoon: +44 870 1995 171
E–mail: sales@fastdiscs.com
WWW: &os; Mall, Inc.3623 Sanford StreetConcord, CA94520-1405Verenigde Staten
Telefoon: +1 925 674-0783
Fax: +1 925 674-0821
E–mail: info@freebsdmall.com
WWW:
-
-
- &os; Services Ltd
- 11 Lapwing Close
- BicesterOX26 6XR
- Verenigd Koninkrijk
- WWW:
-
-
-
Hinner EDVSt. Augustinus-Str. 10D-81825MünchenDuitsland
Telefoon: (089) 428 419
WWW: Ikarios22-24 rue Voltaire92000NanterreFrankrijk
WWW: JMC SoftwareIerland
Telefoon: 353 1 6291282
WWW:
+
+
+ Linux CD Mall
+ Private Bag MBE N348
+ Auckland 1030
+ Nieuw Zeeland
+ Telefoon: +64 21 866529
+ WWW:
+
+
+
The Linux EmporiumHilliard House, Lester WayWallingfordOX10 9TAVerenigd Koninkrijk
Telefoon: +44 1491 837010
Fax: +44 1491 837016
WWW:
+
+
+ Linux+ DVD Magazine
+ Lewartowskiego 6
+ Warsaw
+ 00-190
+ Polen
+ Telefoon: +48 22 860 18 18
+ E–mail: editors@lpmagazine.org
+ WWW:
+
+
+
Linux System Labs Australia21 Ray DriveBalwyn NorthVIC - 3104Australië
Telefoon: +61 3 9857 5918
Fax: +61 3 9857 8974
WWW: LinuxCenter.RuGalernaya Street, 55Saint-Petersburg190000Rusland
Telefoon: +7-812-3125208
E–mail: info@linuxcenter.ru
WWW:
-
-
-
- UNIXDVD.COM LTD
- 57 Primrose Avenue
- Sheffield
- S5 6FS
- Verenigs Koninkrijk
- WWW:
-
- DistributeursWederverkopers die &os; cd-rom producten willen verkopen
kunnen contact opnemen met een distributeur:Cylogistics809B Cuesta Dr., #2149Mountain View, CA94040Verenigde Staten
Telefoon: +1 650 694-4949
Fax: +1 650 694-4953
E–mail: sales@cylogistics.com
WWW: &os; Services Ltd11 Lapwing CloseBicesterOX26 6XRVerenigd Koninkrijk
WWW: Ingram Micro1600 E. St. Andrew PlaceSanta Ana, CA92705-4926Verenigde Staten
Telefoon: 1 (800) 456-8000
WWW: Kudzu, LLC7375 Washington Ave. S.Edina, MN55439Verenigde Staten
Telefoon: +1 952 947-0822
Fax: +1 952 947-0876
E–mail: sales@kudzuenterprises.comLinuxCenter.RuGalernaya Street, 55Saint-Petersburg190000Rusland
Telefoon: +7-812-3125208
E–mail: info@linuxcenter.ru
WWW: Navarre Corp7400 49th Ave SouthNew Hope, MN55428Verenigde Staten
Telefoon: +1 763 535-8333
Fax: +1 763 535-0341
WWW: FTP sitesDe officië broncode voor &os; is beschikbaar via anoniem
toegankelijke FTP in de hele wereld via vele mirrorsites. De
site
heeft een goede verbinding en staat veel verbindingen toe, maar
het is waarschijnlijk beter om een mirrorsite te zoeken die
dichterbij is (zeker als het doel is ook een
soort mirrorsite op te zetten).De &os; mirrorsites
database is beter bijgewerkt dan die in het
Handboek omdat die lijst uit DNS komt in plaats van een met de
hand ingevoerde lijst.&os; is beschikbaar via de onderstaande anonieme FTP mirror
sites. Bij het kiezen van anonieme FTP voor het verkrijgen van
&os; wordt aangeraden een site die dichtbij ligt te kiezen. De
mirrorsites die in de lijst staan als Primaire
Mirrorsites hebben meestal het complete &os; archief
(alle beschikbare versies voor alle architecturen) maar downloads
zijn waarschijnlijk sneller van een site die in het land of de
regio van de gebruiker staat. De regionale sites hebben de
meeste recente versies voor de meest populaire architecturen,
maar hebben wellicht niet het complete archief. Alle sites geven
toegang via anonieme FTP, maar een aantal sites hebben ook andere
toegangsmogelijkheden. De toegangsmogelijkheden voor iedere site
staan tussen haakjes achter de hostnaam. De rest van deze
paragraaf wordt automatisch samengesteld en is niet
vertaald.
&chap.mirrors.ftp.inc;
Anonieme CVSInleidingCVSanoniemAnonieme CVS (of ook wel bekend als
anoncvs) is een functie die beschikbaar is
met de hulpprogramma's die bij &os; zitten om te synchroniseren
met een elders aanwezig CVS depot. Het staat gebruikers van
&os; onder andere toe om zonder bijzondere rechten alleen-lezen
operaties uit te voeren op een van de officiële anoncvs
servers van het &os; project. Om het te kunnen gebruiken dient
de omgevingsvariabele CVSROOT zo ingesteld te
worden dat hij wijst naar de gewenste anoncvs server, dient het
bekende wachtwoord anoncvs bij het commando
cvs login opgegeven te worden en kan daarna
&man.cvs.1; gebruikt worden om het te benaderen als ieder
lokaal aanwezig depot.Het commando cvs login slaat de
wachtwoorden die voor aanmelden bij de CVS server op in een
bestand met de naam .cvspass in de map
HOME. Als dit bestand niet bestaat, is het
mogelijk dat er een foutmelding wordt gegeven als
cvs login de eerste keer wordt gebruikt.
Dat kan opgelost worden door een leeg bestand
.cvspass te maken en dan opnieuw aan te
melden.Hoewel de diensten CVSup en
anoncvs beiden vrijwel dezelfde functie
invullen, zijn er redenen die de keuze voor de
synchronisatiemethode beïnvloeden. In een notendop is
CVSup veel efficiënter in het
gebruik van netwerkbronnen en is het de meest geavanceerde van
de twee, maar daar staat iets tegenover. Voor het gebruik van
CVSup moet eerst een speciale client
geïnstalleerd en ingesteld worden voordat er bits kunnen
gaan stromen en dat kan dan alleen in de redelijk grote brokken
die in CVSupcollections heten.Anoncvs kan daarentegen gebruikt
worden om alles te bekijken van een individueel bestand tot aan
een specifiek programma (als ls of
grep) door aan de naam van de CVS module
te refereren. Ook anoncvs is alleen
geschikt voor alleen-lezen operaties op het CVS depot, dus als
het de bedoeling is om lokaal ontwikkelwerk en hetzelfde depot
met delen uit het &os; project te combineren, dan biedt alleen
CVSup daar een oplossing
voor.Anonieme CVS gebruikenHet instellen van &man.cvs.1; om gebruik te maken van
een Anoniem CVS depot is een kwestie van het instellen van de
omgevingsvariabele CVSROOT op een van de
anoncvs servers van het &os; project. Op
het moment van schrijven zijn de volgende servers
beschikbaar:Oostenrijk:
:pserver:anoncvs@anoncvs.at.FreeBSD.org:/home/ncvs
Gebruikt cvs login en gebruik een
willekeurig wachtwoord.Frankrijk:
:pserver:anoncvs@anoncvs.fr.FreeBSD.org:/home/ncvs
(pserver (wachtwoord anoncvs), ssh
(geen wachtwoord)Duitsland:
:pserver:anoncvs@anoncvs.de.FreeBSD.org:/home/ncvs
Gebruik cvs login en gebruik als
wachtwoord anoncvsDuitsland:
:pserver:anoncvs@anoncvs2.de.FreeBSD.org:/home/ncvs
(rsh, pserver, ssh, ssh/2022)Japan:
:pserver:anoncvs@anoncvs.jp.FreeBSD.org:/home/ncvs
Gebruik cvs login en gebruik als
wachtwoord anoncvsZweden:
freebsdanoncvs@anoncvs.se.FreeBSD.org:/home/ncvs
(alleen ssh - geen wachtwoord)SSH HostKey: 1024 a7:34:15:ee:0e:c6:65:cf:40:78:2d:f3:cd:87:bd:a6 root@apelsin.fruitsalad.org
SSH2 HostKey: 1024 21:df:04:03:c7:26:3e:e8:36:1a:50:2d:c7:ae:b8:5f ssh_host_dsa_key.pubVS:
freebsdanoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs
(alleen ssh - geen wachtwoord)SSH HostKey: 1024 a1:e7:46:de:fb:56:ef:05:bc:73:aa:91:09:da:f7:f4 root@sanmateo.ecn.purdue.edu
-SSH2 HostKey: 1024 52:02:38:1a:2f:a8:71:d3:f5:83:93:8d:aa:00:6f:65 /etc/ssh/ssh_host_dsa_key.pub
+SSH2 HostKey: 1024 52:02:38:1a:2f:a8:71:d3:f5:83:93:8d:aa:00:6f:65 ssh_host_dsa_key.pub
VS:
anoncvs@anoncvs1.FreeBSD.org:/home/ncvs (alleen ssh - geen
wachtwoord)
- SSH HostKey: 1024 f1:6a:9c:6d:e3:f3:ae:f8:b5:68:ac:30:cb:11:32:9b root@ender.liquidneon.com
-SSH2 HostKey: 1024 9a:d6:e1:e2:4f:58:36:77:e5:5b:60:ee:94:1b:c1:c0 ssh_host_dsa_key.pub
+ SSH HostKey: 1024 4b:83:b6:c5:70:75:6c:5b:18:8e:3a:7a:88:a0:43:bb root@ender.liquidneon.com
+SSH2 HostKey: 1024 80:a7:87:fa:61:d9:25:5c:33:d5:48:51:aa:8f:b6:12 ssh_host_dsa_key.pubOmdat met CVS vrijwel iedere versie die ooit beschikbaar is
geweest uitgecheckt kan worden, is het van
belang op de hoogte te zijn van de &man.cvs.1; vlag voor
revisie () en welke waarden zie zoal kan
aannemen in het &os; Project depot.Er zijn twee soorten labels (tags): revisielabels en
taklabels (branch). Een revisielabel refereert aan een
specifieke revisie. De betekenis blijft van dag tot dag
gelijk. Aan de andere kant refereert een taklabel aan de
laatste revisie in een bepaalde ontwikkellijn op een bepaald
moment. Omdat een taklabel niet refereert aan een specifieke
revisie, kan die morgen anders zijn dan vandaag. bevat revisielabels waar
gebruikers in geïnteresseerd kunnen zijn. Nogmaals: deze
zijn allemaal niet geldig voor de Portscollectie omdat de
Portscollectie geen meerdere revisies kent.Als een specifiek taklabel wordt aangegeven, worden als
alles goed gaat, de laatste revisies uit een bepaalde
ontwikkellijn ontvangen. Als er een oudere versie opgehaald
moet worden, kan dat door met de vlag een datum aan te geven. In &man.cvs.1; staan
meer details.VoorbeeldenHoewel het sterk wordt aangeraden eerst de hulppagina's
voor &man.cvs.1; grondig door te lezen, volgen hier een aantal
snelle voorbeelden die feitelijk aangeven hoe Anonieme CVS
gebruikt kan worden.SSH gebruiken om de src/ tree uit
te checken:&prompt.user; cvs -d freebsdanoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs co src
The authenticity of host 'anoncvs.freebsd.org (128.46.156.46)' can't be established.
DSA key fingerprint is 52:02:38:1a:2f:a8:71:d3:f5:83:93:8d:aa:00:6f:65.
Are you sure you want to continue connecting (yes/no)? yes
Warning: Permanently added 'anoncvs.freebsd.org' (DSA) to the list of known hosts.Iets uitchecken uit -CURRENT (&man.ls.1;) en dat weer
verwijderen:&prompt.user; setenv CVSROOT :pserver:anoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs
&prompt.user; cvs loginAt the prompt, enter the passwordanoncvs.
&prompt.user; cvs co ls
&prompt.user; cvs release -d ls
&prompt.user; cvs logoutSSH gebruiken om de src/
structuur uit te checken:&prompt.user; cvs -d freebsdanoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs co src
The authenticity of host 'anoncvs.freebsd.org (128.46.156.46)' can't be established.
DSA key fingerprint is 52:02:38:1a:2f:a8:71:d3:f5:83:93:8d:aa:00:6f:65.
Are you sure you want to continue connecting (yes/no)? yes
Warning: Permanently added 'anoncvs.freebsd.org' (DSA) to the list of known hosts.De versie van &man.ls.1; in de 3.X-STABLE tak
uitchecken:&prompt.user; setenv CVSROOT :pserver:anoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs
&prompt.user; cvs loginAt the prompt, enter the passwordanoncvs.
&prompt.user; cvs co -rRELENG_3 ls
&prompt.user; cvs release -d ls
&prompt.user; cvs logoutEen lijst wijzigingen maken (als unified diffs) voor
&man.ls.1;&prompt.user; setenv CVSROOT :pserver:anoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs
&prompt.user; cvs loginAt the prompt, enter the passwordanoncvs.
&prompt.user; cvs rdiff -u -rRELENG_3_0_0_RELEASE -rRELENG_3_4_0_RELEASE ls
&prompt.user; cvs logoutUitzoeken welke modulenamen gebruikt kunnen
worden:&prompt.user; setenv CVSROOT :pserver:anoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs
&prompt.user; cvs loginAt the prompt, enter the passwordanoncvs.
&prompt.user; cvs co modules
&prompt.user; more modules/modules
&prompt.user; cvs release -d modules
&prompt.user; cvs logoutAndere bronnenDe volgende bronnen kunnen bijdragen aan een beter begrip
van CVS:CVS
Tutorial van Cal Poly.CVS Home,
de CVS gemeenschap voor ontwikkeling en
ondersteuning.CVSweb
is de &os; Project webinterface voor CVS.CTM gebruikenCTMCTM is een methode om een map
elders gesynchroniseerd te houden met een centrale. Het is
ontwikkeld voor gebruik met de &os; broncode, hoewel sommigen het
ook voor andere doeleinden handig vinden. Er bestaat op dit
moment weinig tot geen documentatie over het proces van het maken
van delta's. Voor informatie over het gebruik van
CTM kan het beste contact gezocht
worden met de &a.ctm-users.name; mailinglijst.Waarom CTM gebruiken?CTM geeft een lokale kopie van
de &os; broncode. Die is in een aantal smaken
beschikbaar. Of het gaat om slechts één tak of
de complete CVS structuur, CTM kan
het bieden. CTM is gewoon gemaakt
voor actieve ontwikkelaars die met &os; werken, maar geen of
een slechte internetverbinding hebben of gewoon automatisch de
laatste wijzigingen willen ontvangen. De meest actieve takken
kennen op z'n hoogst drie delta's per dag. Het is het
overwegen waard om ze per automatische mail te laten sturen.
De grootte van de updates wordt altijd zo klein mogelijk
gehouden. Meestal kleiner dan 5 K en soms (in tien
procent van de gevallen) is het 10–50 K. In
uitzonderlijke gevallen komt het voor dat een mail van
100 K of meer wordt gestuurd.Het is wel van belang op de hoogte te zijn van de valkuilen
die een rol spelen bij het direct werken met broncode in plaats
van met een voorverpakte release. Dit geldt nog meer als wordt
gewerkt met de current code. Het lezen van
Bijblijven met &os; wordt sterk
aangeraden.Wat is er nodig om CTM te
gebruiken?Voor het gebruik van CTM zijn
twee dingen nodig: het CTM
programma en de initiële delta's om de applicatie te
voeden en naar een current niveau te
komen.CTM is al onderdeel van &os;
sinds versie 2.0 is uitgebracht en is te vinden in
/usr/src/usr.sbin/ctm, als de broncode
aanwezig is.Als er een oudere versie van 2.0 draait van &os;, is het
mogelijk om de huidige CTM code
direct op te halen van .De delta's voor
CTM kunnen op twee manieren komen:
met FTP of per e-mail. De volgende FTP sites bieden
ondersteuning voor CTM:Er staan er nog meer in de paragraaf mirrors.FTP de relevante map en download het bestand
README vanaf daar.Voor delta's via e-mail:Er dient een abonnement genomen te worden op een van de
CTM distributielijsten.
&a.ctm-cvs-cur.name; ondersteunt de complete CVS structuur.
&a.ctm-src-cur.name; ondersteunt het hoofd van de ontwikkeltak.
&a.ctm-src-4.name; ondersteunt de 4.X release tak, enzovoort.
Om te abonneren kan geklikt worden op de bovenstaande links of
via &a.mailman.lists.link; kan in een lijst geklikt worden op
de lijst waarvoor waarvoor een abonnement gewenst is. De
lijstpagina bevat instructies over hoe te abonneren.Na het ontvangen van CTM updates
per mail, kan ctm_rmail gebruikt worden voor
het uitpakken en verwerken. ctm_rmail kan
zelfs direct vanuit /etc/aliases gebruikt
worden om het proces volledig automatisch te laten verlopen.
In de hulppagina van ctm_rmail staan meer
details.Welke methode ook gebruikt wordt voor de
CTM delta's, het is belangrijk een
abonnement te nemen op de &a.ctm-announce.name; mailinglijst.
In de toekomst worden alleen op die lijst aankondigingen
gedaan over het CTM systeem.
Abonneren kan door op de link hierboven te klikken en de
instructies te volgen.CTM de eerste keer
gebruikenVoordat de CTM delta's gebruikt
kunnen worden, moet er een startpunt voor bepaald
worden.Eerst moet bepaald worden wat er al is. Het is mogelijk te
beginnen vanuit een lege map. Dan moet een
initiële Empty delta gebruikt worden om een
door CTM ondersteunde structuur te
starten. Het is de bedoeling dat deze start
delta's ooit voor het gemak op de cd-rom komen te staan, maar
dit is nog niet het geval.Omdat de structuren tientallen megabytes groot zijn, heeft
het de voorkeur om al met iets te beginnen. Als er een
-RELEASE cd-rom beschikbaar is, kan de initiële broncode
gekopieerd of uitgepakt worden. Dit bespaart nogal wat
dataverkeer.De start delta's kunnen herkend worden aan
de X die aan het nummer is toegevoegd
(bijvoorbeeld src-cur.3210XEmpty.gz). De
nummering achter de X komt overeen met de
oorsprong van het initiële zaad.
Empty is een lege map. Er wordt in het
algemeen iedere honderd delta's een basistransitie voor
Empty gemaakt. Die zijn trouwens groot: 70
tot 80 Megabytes gzip data is normaal voor
de XEmpty delta's.Als er een delta als startpunt is gekozen, zijn ook alle
delta's met hogere volgnummers nodig.CTM in het dagelijks leven
gebruikenOm de delta's toe te passen:&prompt.root; cd /where/ever/you/want/the/stuff
&prompt.root; ctm -v -v /where/you/store/your/deltas/src-xxx.*CTM begrijpt delta's in
gzip formaat, dus het niet nodig om eerst
gunzip te gebruiken. Dat spaart
diskruimte.Tenzij het zeker is van de veiligheid van het proces, doet
CTM niets met de structuur. Om een
delta te verifiëren kan ook de vlag
gebruikt worden en dan komt
CTM ook niet aan een structuur. Dan
wordt alleen de integriteit van de delta gecontroleerd en of
die zonder problemen op de huidige structuur kan worden
toegepast.CTM kent nog meer opties die in
de hulppagina's worden besproken.Meer is er niet. Iedere keer dat er een delta wordt
ontvangen, moet die door CTM gehaald
worden om de broncode bijgewerkt te houden.Delta's kunnen het beste niet verwijderd worden als het
lastig is ze opnieuw te downloaden. Dan kunnen ze het beste
bewaard worden voor het geval er eens iets gebeurt. Zelfs als
er alleen floppy's beschikbaar zijn, is het wellicht verstandig
die te gebruiken met fdwrite.Lokale wijzigingen behoudenEen ontwikkelaar wil graag experimenteren met bestanden in
de structuur en die bestanden veranderen.
CTM ondersteunt lokale wijzigingen
in beperkte mate: alvorens te kijken of bestand
foo bestaat, zoekt het eerst naar
foo.ctm. Als dat bestand bestaat, past
CTM de wijzigigen daarop toe in
plaats van op foo.Dit gedrag biedt een eenvoudige mogelijkheid om lokale
wijzigingen bij te houden. Dat kan dus door bestanden die
gewijzigd gaan worden te kopiëren naar een bestand met
dezelfde naam met de toevoeging .ctm. Dan
kan er vrijelijk gespeeld worden met de code, terwijl
CTM het bestand
.ctm bijwerkt.Andere interessante mogelijkheden van
CTMUitvinden wat precies wordt veranderd met
bijwerkenHet is mogelijk een lijst met wijzigingen te maken die
CTM zou maken op het broncodedepot
met de optie .Dit is nuttig als het gewenst is om een logboek bij te
houden van de wijzigingen, de te wijzigen bestanden voor- of
na te bewerken op welke manier dan ook, of als de gebruiker
gewoon een beetje paranoïde is.Back-ups maken vóór bijwerkenSoms kan het wenselijk zijn om een back-up te maken van
alle bestanden die gewijzigd gaan worden door een
CTM update.Met back-upt
CTM alle bestanden die gewijzigd
gaan worden door een CTM delta
naar back–upbestand.Te wijzigen bestanden door bijwerken beperkenSoms is het wenselijk de reikwijdte voor een
CTM update te beperken of kan het
wenselijk zijn om maar een paar bestanden bij te werken uit
een aantal delta's.Een lijst met bestanden die
CTM mag bewerken kan aangegeven
worden met de opties en
en het opgeven van regular
expressions.Om bijvoorbeeld een bijgewerkte kopie van
lib/libc/Makefile te maken uit de
verzameling met opgeslagen CTM
delta's, kan het volgende commando uitgevoerd worden:&prompt.root; cd /where/ever/you/want/to/extract/it/
&prompt.root; ctm -e '^lib/libc/Makefile' ~ctm/src-xxx.*Voor ieder te wijzigen bestand in een
CTM delta worden de opties
en toegepast in de
volgorde waarin ze op de commandoregel staan. Het bestand
wordt alleen door CTM verwerkt als
het passend is bevonden na het toepassen van alle parameters
in en .Toekomstige plannen voor
CTMDie zijn er:Een of andere vorm van authenticatie in het
CTM systeem bouwen zodat
vervalste CTM updates
afgevangen kunnen worden;De opties voor CTM opruimen
omdat ze verwarrend zijn geworden.Nog meerEr zijn ook delta's voor de
portscollectie, maar daar is nog niet zo
veel belangstelling voor.CTM mirrorsCTM/&os; is op de volgende
mirrorsites via anonieme FTP beschikbaar. Als voor
CTM anonieme FTP wordt gebruikt,
heeft het de voorkeur een site die in geografische zin dichtbij
is te gebruiken.Bij problemen kan contact gezocht worden met de
&a.ctm-users.name; mailinglijst.Californië, Bay Area, officiële bronZuid-Afrika, back-upserver voor oude delta'sTaiwan/R.O.C.Als er geen mirror dichtbij is of als die incompleet is,
kan een zoekmachine als alltheweb gebruikt
worden.CVSup gebruikenInleidingCVSup is een softwarepakket voor
het verspreiden en bijwerken van broncodestructueren vanaf een
master CVS depot op een andere server. De &os; broncode wordt
beheerd in een broncode depot op een centrale ontwikkelmachine
in Californië. Met CVSup
kunnen &os; gebruikers op eenvoudige wijze hun broncode
bijwerken.CVSup gebruikt een zogenaamd
pull model voor het bijwerken. In het
pull-model vraagt iedere client de server om updates als die
nodig zijn. De server wacht passief op een verzoek om updates
van zijn clients. Alle updates worden dus op initiatief van de
client gedaan. De server stuurt nooit ongevraagde updates.
Gebruikers moeten de CVSup client
handmatig draaien om te updaten of een cron
taak instellen om op regelmatige basis bij te werken.De term CVSup, op de gegeven
wijze geschreven, doelt op het complete softwarepakket. De
belangrijkste componenten zijn de client
cvsup, die op de machine van een gebruiker
draait, en de server cvsupd, die op alle
&os; mirrorsites draait.In de &os; documentatie en op de mailinglijsten zijn
referenties aan sup te vinden.
Sup was de voorloper van
CVSup en diende hetzelfde doel.
CVSup wordt op dezelfde manier
gebruikt als sup en gebruikt zelfs bestanden met instellingen
die ook te gebruiken zijn met sup.
Sup wordt niet langer gebruikt in
het &os; project omdat CVSup sneller
en flexibeler is.InstallatieDe meest eenvoudige wijze van installatie van
CVSup is met het voorgecompileerde
package net/cvsup uit de
&os; packagescollectie. Als het
gewenst is, kan CVSup ook uit de
broncode gebouwd worden in net/cvsup. De net/cvsup port is afhankelijk van
het Modula-3 systeem en dat kan wel even duren en er is ook
nogal wat schijfruimte voor nodig om het te downloaden en te
bouwen.Als CVSup gebruikt gaat
worden op een machine waarop geen
&xfree86; of
&xorg; staat, zoals een server,
dan dient de port waar geen
CVSup GUI bij
zit geïnstalleerd te worden: net/cvsup-without-gui.CVSup instellingenDe werking van CVSup wordt
gestuurd door een bestand met instellingen met de naam
supfile. Er staan een aantal
supfiles als voorbeeld in de map /usr/share/examples/cvsup/.De informatie in een supfile
beantwoordt de volgende vragen voor
CVSup:Welke bestanden
moeten ontvangen worden?Welke versies daarvan
moeten ontvangen worden?Waar moeten ze
vandaan komen?Waar moeten ze komen
te staan?Waar moet
cvsup zijn statusbestanden
bijhouden?In de volgende paragrafen wordt een
supfile bestand opgebouwd door
achtereenvolgens alle gestelde vragen te beantwoorden. Als
eerste wordt de algemene structuur van een
supfile beschreven.Een supfile is een tekstbestand.
Commentaar begint met een # en loopt tot het
einde van de regel. Lege regels en regels die alleen
commentaar bevatten worden genegeerd.Iedere regel die overblijft slaat op een groep bestanden
die ontvangen moet worden. De regel begint met de naam van een
collectie, een logische groep bestanden op de
server. De naam van de collectie geeft de server aan welke
bestanden er gestuurd moeten worden. Na de naam van de
collectie komen er geen of meer velden die gescheiden worden
door witruimte. Die velden beantwoorden de hierboven gestelde
vragen. Er zijn twee soorten velden: vlagvelden en
waardevelden. Een vlagveld bestaat uit een alleenstaand
sleutelwoord, bijvoorbeeld delete of
compress. Een waardeveld begint ook met
een sleutelwoord, maar het sleutelwoord wordt direct (zonder
witruimte) gevolgd door = en een tweede
woord. release=cvs is bijvoorbeeld een
waardeveld.In een supfile wordt meestal
aangegeven dat er meerdere collecties ontvangen moeten worden.
Het is mogelijk om een supfile te
structureren door expliciet alle relevante velden aan te geven
voor iedere collectie, maar dat maakt de regels in de
supfile nogal lang en het is onhandig
omdat de meeste velden hetzelfde zijn voor alle collecties in
een supfile.
CVSup biedt een systeem met
standaardinstellingen om dit probleem te omzeilen. Regels die
beginnen met de speciale pseuso-collectienaam
*default kunnen gebruikt worden om
standaarden in te stellen voor de collecties die er in de
supfile achteraan komen. Een
standaardwaarde kan voor individuele collecties overschreven
worden door een andere waarde in de collectie zelf aan te
geven. Standaarden kunnen ook middenin het bestand gewijzigd
of aangevuld worden met extra *default
regels.Na deze achtergronden wordt er nu een
supfile samengesteld voor het ontvangen en
bijwerken van de hoofd broncodestructuur van &os;-CURRENT.Welke bestanden moeten
ontvangen worden?De bestanden die via CVSup
beschikbaar zijn, zijn beschikbaar in groepen die
collecties heten. De beschikbare collecties
staan beschreven in de volgende paragraaf. In dit
voorbeeld is het de bedoeling dat de hele hoofd
broncodestructuur voor &os; wordt ontvangen. Daar is
één grote collectie voor:
src-all. De eerste stap in het maken
van een supfile is het opsommen van de
gewenste collecties, één per regel (in dit
geval maar één regel):src-allWelke versies daarvan
moeten ontvangen worden?Met CVSup kan vrijwel iedere
versie van de broncode die ooit heeft bestaan opgehaald
worden. Dat kan omdat de cvsupd
server direct vanaf het CVS depot werkt, dat alle versies
bevat. Er kan aangegeven welke ontvangen moeten worden met
de waardevelden tag= en
.Voorzichtigheid is geboden bij het correct aangeven
van velden met tag=. Sommige labels
zijn alleen geldig voor bepaalde collecties of bestanden.
Als ze incorrect worden aangeven of als er een spelfout
wordt gemaakt in een label, verwijdert
CVSup bestanden waarvan dat
waarschijnlijk niet de bedoeling is. Het label
tag=. dient eigenlijk
alleen gebruikt te worden voor de
ports-* collecties.Het veld tag= benoemt een symbolisch
label in het depot. Er zijn twee soorten labels:
revisielabels en taklabels. Een revisielabel refereert aan
een specifieke revisie. De betekenis blijft altijd
hetzelfde. Een taklabel refereert echter aan de laatste
revisie van een gegeven ontwikkellijn op een gegeven
moment. Omdat een taklabel niet refereert aan een
specifieke revisie, kan het morgen iets anders betekenen
dan vandaag. beschrijft de meest
interessante taklabels. Als er in het instellingenbestand
van CVSup een label wordt
aangegeven, moet dat vooraf gegaan worden door
tag= (RELENG_4 zal
tag=RELENG_4 worden). Voor de
Portscollectie is alleen tag=.
relevant.Labels dienen exact zo ingegeven te worden als ze
staan beschreven. CVSup kan
geen onderscheid maken tussen geldige en ongeldige
labels. Als er een spelfout in een label wordt gemaakt,
doet CVSup alsof er een geldig
label is ingegeven dat aan geen enkel bestand refereert.
Dan zal CVSup de bestaande
broncode wissen.Bij het aangeven van een taklabel wordt meestal de
laatste versie van de bestanden voor een bepaalde
ontwikkellijn ontvangen. Om een oudere versie te
ontvangen kan in het veld een datum
opgegeven worden. In &man.cvsup.1; staat hoe dat
werkt.Om bijvoorbeeld &os;-CURRENT te ontvangen dient het
volgende aan het begin van supfile
toegevoegd te worden:*default tag=.Er ontstaat een belangrijk speciaal geval als er geen
velden met tag= of
date= worden aangegeven. In dat geval
worden de eigenlijke RCS bestanden direct uit het CVS depot
van de server ontvangen in plaats van dat een bepaalde
versie wordt ontvangen. Ontwikkelaars geven in het
algemeen de voorkeur aan deze optie. Door zelf een kopie
van de broncode op hun systeem te hebben, krijgen ze de
mogelijkheid om zelf door eerdere versies van bestanden te
bladeren en de geschiedenis ervan te bekijken. Dit
voordeel kost wel veel schijfruimte.Waar moeten ze vandaan
komen?Het veld host= wordt gebruikt om
cvsup aan te geven waar de updates
vandaan moeten komen. Dat kan van elke CVSup mirrorsite, hoewel
er wordt aangeraden een site die geografisch dichtbij ligt
te kiezen. In dit voorbeeld wordt een fictieve &os;
distributiesite gebruikt, cvsup99.FreeBSD.org:*default host=cvsup99.FreeBSD.orgIn een werkelijke situatie dient de hostnaam gewijzigd
te worden in een host die echt bestaat voordat
CVSup gaat draaien. Iedere keer
dat cvsup wordt gestart, kan er een
andere host op de commandoregel opgegeven worden met de
optie .Waar moeten ze komen te
staan?Het veld prefix= geeft
cvsup aan waar de ontvangen bestanden
terecht moeten komen. In dit voorbeeld worden de bestanden
direct in de hoofd broncodestructuur
/usr/src geplaatst. De map
src is al impliciet in de gekozen
collecties, vandaar dat het onderstaande de juiste
instelling is:*default prefix=/usrWaar moet
cvsup zijn statusbestanden
bijhouden?De CVSup client houdt
statusbestanden bij in een map die base
wordt genoemd. Die bestanden helpen
CVSup efficiënter te
werken door bij te houden welke updates al eerder zijn
ontvangen. Hier wordt de standaard basemap gebruikt,
/var/db:*default base=/var/dbDe bovenstaande instelling wordt standaard gebruikt als
die niet wordt aangegeven in de
supfile, dus hij is eigenlijk niet
nodig.Als de basemap niet al bestaat, moet die gemaakt
worden. De cvsup client weigert te
draaien als de basemap niet bestaat.Allerlei supfile
instellingen:Er is nog een regel die in een
supfile moet staan:*default release=cvs delete use-rel-suffix compressrelease=cvs geeft de server aan dat
de informatie uit het &os; hoofd CVS depot moet komen. Dat
is eigenlijk altijd het geval, maar er zijn mogelijkheden
die buiten het bereik van dit handboek vallen.delete geeft
CVSup het recht om bestanden te
verwijderen. Dit moet altijd aangegeven worden zodat
CVSup de broncode altijd kan
bijwerken. CVSup gaat
voorzichtig om met het verwijderen van bestanden waar het
verantwoordelijk voor is. Extra bestanden in de structuur
worden met rust gelaten.use-rel-suffix is nogal
geheimzinnig. Voor de nieuwsgierigen staat er meer over in
&man.cvsup.1;. Anders kan het gewoon ingesteld worden
zonder erover na te denken.compress schakelt het gebruikt van
gzip compressie in voor het communicatiekanaal. Als de
verbinding een E1 of sneller is, hoeft er geen compressie
gebruikt te worden. Anders helpt het aanzienlijk.Alles combinerend:Hieronder staat de hele supfile
uit het voorbeeld:*default tag=.
*default host=cvsup99.FreeBSD.org
*default prefix=/usr
*default base=/var/db
*default release=cvs delete use-rel-suffix compress
src-allHet bestand refuseZoals hierboven al is aangegeven, gebruikt
CVSup een pull
methode. Dat betekent eigenlijk dat er een
verbinding wordt gemaakt met de
CVSup server en die zegt dan:
Dit kan er van mij gedownload worden..., en
dan antwoordt de client met: Oké, ik wil dit en
dat en zus en zo. Met de standaardinstellingen haalt
de CVSup client alle bestanden die
bij een collectie en het label horen dat in het bestand met
de instellingen is opgegeven. Maar dat is niet altijd
wenselijk, in het bijzonder als de doc,
ports of www
structuren worden gesynchroniseerd. De meeste mensen kunnen
geen vier of vijf talen lezen en die hebben de taalspecifieke
bestanden dus niet nodig. Als de Portscollectie met
CVSup wordt opgehaald, is het
mogelijk om iedere collectie apart aan te geven (bijvoorbeeld
ports-astrology,
ports-biology, enzovoort, in plaats van
eenvoudigweg ports-all). Maar omdat
de doc en www
structuren geen taalspecifieke collecties hebben, moet er
gebruik gemaakt worden van een van de vele mooie
mogelijkheden van CVSup: het
bestand refuse.Het bestand refuse geeft
CVSup in feite aan dat niet ieder
bestand uit een collectie opgehaald moet worden. Het geeft
dus aan dat de client bepaalde bestanden van de server moet
weigeren. Het bestand
refuse staat in (of kan gemaakt worden
in)
base/sup/.
base staat ingesteld in
supfile. De standaardlocatie voor
base is
/var/db. De standaardplaats voor
refuse is dus
/var/db/sup/refuse.Het bestand refuse heeft een erg
eenvoudige opmaak. Het bevat de namen van de bestanden die
niet gedownload mogen worden. Als een gebruiker bijvoorbeeld
geen andere talen spreekt dan Engels en Nederlands, maar
de Nederlandse vertaling van de documentatie hoeft niet
binnengehaald te worden, dan kan het volgende in het bestand
refuse gezet worden:doc/bn_*
doc/da_*
doc/de_*
doc/el_*
doc/es_*
doc/fr_*
doc/it_*
doc/ja_*
doc/nl_*
doc/no_*
doc/pl_*
doc/pt_*
doc/ru_*
doc/sr_*
doc/tr_*
doc/zh_*Dit gaat zo door voor de andere talen. De volledige
lijst staat in het &os;
CVS depot.Met deze handige eigenschap kunnen gebruikers met
langzamere verbindingen of zij die per minuut voor hun
internetverbinding betalen waardevolle tijd besparen omdat er
geen bestanden meer gedownload worden die nooit gebruikt
worden. Meer informatie over refuse
bestanden en andere leuke mogelijkheden van
CVSup staat in de
handleiding.CVSup draaienNu kan het bijwerken beginnen. Het commando is best wel
eenvoudig:&prompt.root; cvsup supfileDe supfile
is de naam van het supfile bestand dat
gebruikt moet worden. Aangenomen dat er X11 draait op een
machine, toont cvsup een GUI venster met
wat knoppen om de bekende acties uit te voeren. Het proces
start na het klikken op de knop
go.Omdat in dit voorbeeld de werkelijke structuur in
/usr/src wordt bijgewerkt, moet het
programma als root uitgevoerd worden,
zodat cvsup de rechten heeft die het nodig
heeft om de bestanden bij te werken. Het is voorstelbaar dat
de benodigde rechten, het net gemaakte bestand met instellingen
en het voor de eerste keer draaien van een programma zorgt voor
wat onrust. Daarom is het mogelijk proef te draaien zonder
dat er bestanden gewijzigd worden. Dat kan door ergens een
lege map te maken en een extra argument mee te geven op de
commandoregel:&prompt.root; mkdir /var/tmp/dest
&prompt.root; cvsup supfile /var/tmp/destDe opgegeven map is de bestemming voor alle
bestandsupdates. CVSup bekijkt wel
de bestanden in /usr/src, maar wijzigt ze
niet. Alle updates belanden in
/var/tmp/dest/usr/src.
CVSup werkt ook de statusbestanden
niet bij als het op deze wijze wordt uitgevoerd. De nieuwe
versies van de bestanden worden naar de aangegeven map
geschreven. Als er maar leestoegang is tot
/usr/src, hoeft een gebruiker zelfs geen
root te zijn bij het uitvoeren van dit
experiment.Als er geen X11 draait of als het niet wenselijk is een GUI
te gebruiken, dan kunnen daarvoor opties op de commandoregel
meegegeven worden bij het draaien van
cvsup:&prompt.root; cvsup -g -L 2 supfileDe optie geeft
CVSup aan dat de GUI niet gebruikt
hoeft te worden. Dit gebeurt automatisch als X11 niet draait,
maar anders moet het aangegeven worden.De optie geeft
CVSup aan dat details getoond
moeten worden over alle bestanden die bijgewerkt worden. Er
zijn drie niveau's van uitvoerigheid, van
tot . Standaard is het 0, wat betekent
dat er geen enkel bericht wordt getoond, met uitzondering van
foutmeldingen.Er zijn nog veel andere opties beschikbaar. Met
cvsup -H wordt een lijst met korte uitleg
getoond. Beschrijvingen met meer details staan in de
handleiding.Als het bijwerken op de gewenste manier loopt, kan het
regulier draaien van CVSup met
&man.cron.8; ingesteld worden. Natuurlijk hoort
CVSup zonder GUI te draaien als het
programma vanuit de &man.cron.8; draait.CVSup
bestandscollectiesDe via CVSup beschikbare
bestandscollecties zijn hiërarchisch georganiseerd. Er
zijn een paar grote collecties en die zijn opgedeeld in
kleinere sub-collecties. Het ontvangen van een collectie is
hetzelfde als het ontvangen van alle sub-collecties. De
hiërarchische relatie tussen de collecties wordt
hieronder aangegeven door het niveau van inspringen.De meest gebruikte collecties zijn
src-all en ports-all. De
andere collecties worden door kleine groepen mensen gebruikt
voor bijzondere doeleinden en sommige mirrorsites hebben ze
niet allemaal.cvs-all release=cvsHet &os; CVS hoofddepot, inclusief de cryptografische
code.distrib release=cvsBestanden die betrekking hebben op het
verspreiden en spiegelen van &os;.doc-all release=cvsBroncode voor het &os; Handboek en andere
documentatie, zonder de bestanden voor de &os;
website.ports-all release=cvsDe &os; Portscollectie.Als ports-all (het
complete portssysteem) niet bijgewerkt hoeft te
worden, maar enkele van de onderstaande
sub-collecties, dan moet
altijd ook de
ports-base sub-collectie
bijgewerkt worden! Als er iets wijzigt in de
infrastructuur van de ports waar
ports–base voor staat,
is het vrijwel zeker dat die wijzigingen heel
snel door echte ports gebruikt
gaan worden. Dus als alleen de
echte ports bijgewerkt worden en
als die gebruik maken van nieuwe mogelijkheden,
dan is de kans groot dat het bouwen daarvan
foutloopt met een vage foutmelding. Het
eerste dat gedaan moeten
worden is ervoor zorgen dat de
ports-base sub-collectie is
bijgewerkt.Bij het zelf bouwen van een lokale kopie van
ports/INDEXmOEtports-all geaccepteerd worden
(de hele port structuur). Het bouwen van
ports/INDEX met een
gedeeltelijke structuur wordt niet ondersteund.
Zie ook de FAQ.ports-accessibility
release=cvsSoftware voor minder valide
gebruikers.ports-arabic
release=cvsOndersteuning voor de Arabische
taal.ports-archivers
release=cvsArchiveringshulpmiddelen.ports-astro
release=cvsAstronomie ports.ports-audio
release=cvsGeluidsondersteuning.ports-base
release=cvsDe infrastructuur van de Portscollectie.
Bestanden uit de mappen
Mk/ en
Tools/ van
/usr/ports.Zie ook de belangrijke
waarschuwing hierboven: deze
sub-collectie dient
altijd bijgewerkt te
worden als er een onderdeel van de &os;
Portscollectie wordt bijgewerkt!ports-benchmarks
release=cvsBenchmarks.ports-biology
release=cvsBiologie.ports-cad
release=cvsComputer aided design programma's.ports-chinese
release=cvsOndersteuning voor de Chinese
taal.ports-comms
release=cvsCommunicatiesoftware.ports-converters
release=cvsKaraktercode omzetters.ports-databases
release=cvsDatabases.ports-deskutils
release=cvsDingen die op een bureaublad stonden
voordat computers waren uitgevonden.ports-devel
release=cvsOntwikkelhulpmiddelen.ports-dns
release=cvsDNS gerelateerde software.ports-editors
release=cvsEditors.ports-emulators
release=cvsEmulatoren voor
besturingssystemen.ports-finance
release=cvsMonetaire, financiële en
gerelateerde applicaties.ports-ftp
release=cvsFTP client en server programma's.ports-games
release=cvsSpelletjes.ports-german
release=cvsOndersteuning voor de Duitse taal.ports-graphics
release=cvsGrafische programma's.ports-hebrew
release=cvsOndersteuning voor de Hebreeuwse
taal.ports-hungarian
release=cvsOndersteuning voor de Hongaarse
taal.ports-irc
release=cvsInternet Relay Chat
hulpprogramma's.ports-japanese
release=cvsOndersteuning voor de Japanse
taal.ports-java
release=cvs&java; programma's.ports-korean
release=cvsOndersteuning voor de Koreaanse
taal.ports-lang
release=cvsProgrammeertalen.ports-mail
release=cvsMailsoftware.ports-math
release=cvsNumerieke rekensoftware.ports-mbone
release=cvsMBone applicaties.ports-misc
release=cvsVerschillende programma's.ports-multimedia
release=cvsMultimedia software.ports-net
release=cvsNetwerksoftware.ports-net-mgmt
release=cvsNetwerkbeheersoftware.ports-news
release=cvsUSENET news software.ports-palm
release=cvsSoftwareondersteuning voor
Palm
apparatuur.ports-polish
release=cvsOndersteuning voor de Poolse taal.ports-portuguese
release=cvsOndersteuning voor de Portugese
taal.ports-print
release=cvsPrintsoftware.ports-russian
release=cvsOndersteuning voor de Russische
taal.ports-science
release=cvsWetenschappelijk.ports-security
release=cvsBeveiligingsprogramma's.ports-shells
release=cvsCommandoregelshells.ports-sysutils
release=cvsSysteemprogramma's.ports-textproc
release=cvsTekstverwerkingsprogramma's (zonder
desktop publishing).ports-ukrainian
release=cvsOndersteuning voor de Oekraïnische
taal.ports-vietnamese
release=cvsOndersteuning voor de Vietnamese
taal.ports-www
release=cvsSoftware gerelateerd aan het Wereldwijde
Web.ports-x11
release=cvsPorts voor het X windowsysteem.ports-x11-clocks
release=cvsX11 klokken.ports-x11-fm
release=cvsX11 bestandsbeheerders.ports-x11-fonts
release=cvsX11 lettertypen en
lettertypeprogramma's.ports-x11-toolkits
release=cvsX11 hulpprogramma's.ports-x11-servers
release=cvsX11 servers.ports-x11-themesX11 thema's.ports-x11-wm
release=cvsX11 vensterbeheerprogramma's.src-all release=cvsDe hoofdbroncode van &os;, inclusief de
cryptografische code.src-base
release=cvsVerschillende bestanden bovenin de
/usr/src
structuur.src-bin
release=cvsGebruikersprogramma's die wellicht nodig
zijn in single-user modus
(/usr/src/bin).src-contrib
release=cvsProgramma's en bibliotheken van buiten
het &os; project die vrijwel ongewijzigd
gebruikt worden
(/usr/src/contrib).src-crypto release=cvsCryptografische programma's en
bibliotheken van buiten het &os; project, die
vrijwel ongewijzigd worden gebruikt
(/usr/src/crypto).src-eBones release=cvsKerberos en DES
(/usr/src/eBones). Niet
gebruikt in recente uitgaves van &os;.src-etc
release=cvsBestanden met systeeminstellingen
(/usr/src/etc).src-games
release=cvsSpelletjes
(/usr/src/games).src-gnu
release=cvsProgramma's die onder de GNU Public
License vallen
(/usr/src/gnu).src-include
release=cvsHeaderbestanden
(/usr/src/include).src-kerberos5
release=cvsKerberos5 beveiligingspakket
(/usr/src/kerberos5).src-kerberosIV
release=cvsKerberosIV beveiligingspakket
(/usr/src/kerberosIV).src-lib
release=cvsBibliotheken
(/usr/src/lib).src-libexec
release=cvsSysteemprogramma's die meestal door
andere programma's worden uitgevoerd
(/usr/src/libexec).src-release
release=cvsBestanden die nodig zijn voor het
maken van een &os; release
(/usr/src/release).src-sbin release=cvsSysteemprogramma's voor single-user modus
(/usr/src/sbin).src-secure
release=cvsCryptografische bibliotheken en
commando's
(/usr/src/secure).src-share
release=cvsBestanden die tussen meerdere systemen
gedeeld kunnen worden
(/usr/src/share).src-sys
release=cvsDe kernel
(/usr/src/sys).src-sys-crypto
release=cvsCryptografische kernelcode
(/usr/src/sys/crypto).src-tools
release=cvsVerschillende hulpprogramma's voor het
onderhoud van &os;
(/usr/src/tools).src-usrbin
release=cvsGebruikersprogramma's
(/usr/src/usr.bin).src-usrsbin
release=cvsSysteemprogramma's
(/usr/src/usr.sbin).www release=cvsDe broncode voor de &os; website.distrib release=selfDe instellingenbestanden van de
CVSup server zelf. Gebruikt
door de CVSup
mirrorsites.gnats release=currentDe GNATS bug-tracking database.mail-archive release=current&os; mailinglijstarchief.www release=currentDe voorbewerkte &os; websitebestanden (niet de
broncode). Gebruikt door WWW mirrorsites.Voor meer informatieDe CVSup FAQ en andere
informatie over CVSup is te vinden
op De
CVSup Homepage.De meeste &os;–gerelateerde discussie over
CVSup vindt plaats op de
&a.hackers;. Daar worden nieuwe versies van de software
aangekondigd, net als op de &a.announce;.Vragen en foutrapporten kunnen gericht worden aan de
auteur van het programma op
cvsup-bugs@polstra.com.CVSup sitesCVSup servers voor &os; draaien
op de onderstaande sites. Het overige deel van deze paragraaf
wordt automatisch samengesteld en is daarom niet vertaald.
&chap.mirrors.cvsup.inc;
CVS labelsBij het ophalen of bijwerken van broncode met
cvs of
CVSup moet een revisielabel meegegeven
worden. Een revisielabel refereert aan een specifieke lijn in
de &os; ontwikkeling of aan een specifiek moment in de tijd. Het
eerste type heet taklabel (branch tag) en het
tweede type heet releaselabel (release
tag).TaklabelsDeze zijn, met uitzondering van HEAD
(dat altijd een geldig label is), alleen van toepassing op de
src/ structuur. De
ports/, doc/ en
www/ structuren kennen geen takken.HEADSymbolische naam voor de hoofdlijn van &os;-CURRENT.
Ook de standaard als geen revisie is aangegeven.In CVSup wordt dit label
aangegeven met een . (dat is dus geen
interpunctie, maar een echt .
karakter).In CVS is dit de standaard als er geen revisietabel
is aangegeven. Het is meestal
geen goed idee om een checkout of
update van CURRENT broncode op een STABLE machine te
doen, tenzij dat expliciet de bedoeling is.RELENG_5De ontwikkellijn voor &os;-5.X, ook bekend als
&os; 5-STABLE.
+
+ RELENG_5_4
+
+
+ De releasetak voor &os;-5.4, alleen gebruikt voor
+ beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
+ aanpassingen.
+
+
+
RELENG_5_3De releasetak voor &os;-5.3, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_5_2De releasetak voor &os;-5.2 en &os;-5.2.1, alleen
gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere
kritische aanpassingen.RELENG_5_1De releasetak voor &os;-5.1, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_5_0De releasetak voor &os;-5.0, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_4De ontwikkellijn voor &os;-4.X, ook bekend als &os;
4-STABLE.RELENG_4_11De releasetak voor &os;-4.11, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_4_10De releasetak voor &os;-4.10, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_4_9De releasetak voor &os;-4.9, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_4_8De releasetak voor &os;-4.8, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_4_7De releasetak voor &os;-4.7, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_4_6De releasetak voor &os;-4.6 en &os;-4.6.2,
alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere
kritische aanpassingen.RELENG_4_5De releasetak voor &os;-4.5, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_4_4De releasetak voor &os;-4.4, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_4_3De releasetak voor &os;-4.3, alleen gebruikt voor
beveiligingswaarschuwingen en andere kritische
aanpassingen.RELENG_3De ontwikkellijn voor &os;-3.X, ook bekend als
3.X-STABLE.RELENG_2_2De ontwikkellijn voor &os;-2.2.X, ook bekend als
2.2-STABLE. Deze tak is sterk verouderd.ReleaselabelsDeze labels refereren aan een specifiek moment in de tijd
waarop een versie van &os; is uitgegeven. Het proces om tot
een release te komen is gedetailleerder beschreven in de
Release Engineering
Informatie en Release
Proces documenten. De src structuur gebruikt
labelnamen die beginnen met RELENG_ labels.
De ports en doc structuren gebruiken labels
waarvan de naam begint met het label
RELEASE. De www tenslotte, is niet
gemarkeerd met een bijzondere naam bij releases.
+
+ RELENG_5_4_0_RELEASE
+
+
+ &os; 5.4
+
+
+
RELENG_4_11_0_RELEASEFreeBSD 4.11RELENG_5_3_0_RELEASE&os; 5.3RELENG_4_10_0_RELEASE&os; 4.10RELENG_5_2_1_RELEASE&os; 5.2.1RELENG_5_2_0_RELEASE&os; 5.2RELENG_4_9_0_RELEASE&os; 4.9RELENG_5_1_0_RELEASE&os; 5.1RELENG_4_8_0_RELEASE&os; 4.8RELENG_5_0_0_RELEASE&os; 5.0RELENG_4_7_0_RELEASE&os; 4.7RELENG_4_6_2_RELEASE&os; 4.6.2RELENG_4_6_1_RELEASE&os; 4.6.1RELENG_4_6_0_RELEASE&os; 4.6RELENG_4_5_0_RELEASE&os; 4.5RELENG_4_4_0_RELEASE&os; 4.4RELENG_4_3_0_RELEASE&os; 4.3RELENG_4_2_0_RELEASE&os; 4.2RELENG_4_1_1_RELEASE&os; 4.1.1RELENG_4_1_0_RELEASE&os; 4.1RELENG_4_0_0_RELEASE&os; 4.0RELENG_3_5_0_RELEASE&os;-3.5RELENG_3_4_0_RELEASE&os;-3.4RELENG_3_3_0_RELEASE&os;-3.3RELENG_3_2_0_RELEASE&os;-3.2RELENG_3_1_0_RELEASE&os;-3.1RELENG_3_0_0_RELEASE&os;-3.0RELENG_2_2_8_RELEASE&os;-2.2.8RELENG_2_2_7_RELEASE&os;-2.2.7RELENG_2_2_6_RELEASE&os;-2.2.6RELENG_2_2_5_RELEASE&os;-2.2.5RELENG_2_2_2_RELEASE&os;-2.2.2RELENG_2_2_1_RELEASE&os;-2.2.1RELENG_2_2_0_RELEASE&os;-2.2.0AFS sitesEr draaien AFS servers voor &os; op de volgende sites:SwedenThe path to the files are:
/afs/stacken.kth.se/ftp/pub/FreeBSD/stacken.kth.se # Stacken Computer Club, KTH, Sweden
130.237.234.43 #hot.stacken.kth.se
130.237.237.230 #fishburger.stacken.kth.se
130.237.234.3 #milko.stacken.kth.seBeheerder: ftp@stacken.kth.sersync sitesDe volgende sites bieden &os; aan via het protocol rsync.
Het programma rsync werkt vrijwel
hetzelfde als &man.rcp.1;, maar kent meer mogelijkheden en
gebruikt het rsync remote-update protocol, dat alleen verschillen
tussen twee groepen bestanden overbrengt, waardoor het
synchroniseren via een netwerk drastisch wordt versneld. Dit
kan het beste gedaan worden als er een mirrorsite voor de
&os; FTP server of het &os; CVS depot draait. De
rsync suite is voor veel
besturingssystemen beschikbaar. Voor &os; kan het package of de
port uit net/rsync
geïnstalleerd worden.Tschechische Republiekrsync://ftp.cz.FreeBSD.org/Beschikbare collecties:ftp: een gedeeltelijke mirror van de &os;
FTP server.&os;: een volledige mirror van de &os; FTP
server.Duitslandrsync://grappa.unix-ag.uni-kl.de/Beschikbare collecties:freebsd-cvs: het volledige &os; CVS
depot.Deze machine mirrort onder andere ook de CVS depots
voor de NetBSD en OpenBSD projecten.Nederlandrsync://ftp.nl.FreeBSD.org/Beschikbare collecties:vol/4/freebsd-core: een volledige mirror
van de &os; FTP server.Verenigd Koninkrijkrsync://rsync.mirror.ac.uk/Beschikbare collecties:ftp.FreeBSD.org: een volledige mirror van
de &os; FTP server.Verenigde Statenrsync://ftp-master.FreeBSD.org/Deze server mag alleen gebruikt worden door &os;
primaire mirrorsites.Beschikbare collecties:&os;: het masterarchief van de &os;
FTP server.acl: de &os; master ACL
lijst.rsync://ftp13.FreeBSD.org/Beschikbare collecties:&os;: een volledige mirror van de &os; FTP
server.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml
index f09f19541f..7d651880b5 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml
@@ -1,2047 +1,2047 @@
RossLippertAangepast door SiebrandMazelandVertaald door MultimediaOverzicht&os; ondersteunt een breed bereik aan geluidskaarten,
waardoor het mogelijk is van geluid van hoge kwaliteit op een
computer te genieten. Hieronder vallen mogelijkheden om geluid
op te nemen en af te spelen in de MPEG Audio Layer 3 (MP3), WAV
en Ogg Vorbis formaten en vele andere formaten. De &os;
Portscollectie bevat ook programma's waarmee opgenomen audio
bewerkt kan worden, waarmee geluidseffecten toegevoegd kunnen
worden en aangesloten MIDI apparaten bestuurd kunnen
worden.Met wat wil om te experimenteren kunnen met &os;
videobestanden en DVD's afgespeeld worden. Er zijn minder
programma's om video te encoderen, te converteren en af te spelen
dan er zijn voor audio. Op het moment van schrijven is er
bijvoorbeeld geen programma in de &os; Portscollectie beschikbaar
waarmee video goed gehercodeerd kan worden. Deze functie zou
gebruikt kunnen worden om tussen formaten te converteren, zoals
mogelijk is met audio/sox.
De software in dit landschap is echter sterk aan verandering
onderhevig.In dit hoofdstuk worden de stappen beschreven die uitgevoerd
moeten worden om een geluidskaart in te stellen. Bij de
installatie en instelling van X11 () is al
beschreven hoe videokaarten ingesteld kunnen worden, hoewel er
nog wel een aantal mogelijkheden zijn om het afspelen te
verbeteren.Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer:Hoe een systeem zo in te stellen dat een geluidskaart
wordt herkend;Hoe getest kan worden of een kaart werkt door gebruik te
maken van voorbeeldapplicaties;Hoe problemen op te lossen met betrekking tot
geluidsinstellingen;Hoe MP3's en andere audio af te spelen en te
maken;Hoe video wordt ondersteund door de X server;Welke video speler/encoderports goede resultaten
geven;Hoe DVD's, .mpg en
.avi bestanden af te spelen;Hoe CD en DVD informatie naar bestanden geript kan
worden;Hoe een TV-kaart in te stellen;Hoe een scanner in te stellen.Er wordt aangenomen dat de lezer van dit hoofdstuk:Weet hoe een nieuwe kernel in te stellen en te
installeren ().Het proberen te mounten van audio CD's met &man.mount.8;
resulteert in ieder geval in een foutmelding en op zijn ergst
in een kernel panic. Dat type media heeft
een formaat dat afwijkt van het gebruikelijke
ISO-bestandssysteem.MosesMooreGeschreven door MarcFonvieilleAangepast voor &os; 5.X door Geluidskaart installerenSysteem instellenPCIISAgeluidskaartenAlvorens te beginnen is het van belang te weten welk model
een geluidskaart is, welke chip erop wordt gebruikt en of het
een PCI of ISA kaart is. &os; ondersteunt vele PCI en ISA
kaarten. De ondersteunde audioapparaten staan in een lijst in
de Hardware Notes.
In dit document staat ook beschreven welk stuurprogramma welke
kaart(en) ondersteunt.kernelinstellenOm een geluidsapparaat te gebruiken dient het juiste
apparaatstuurprogramma geladen te worden. Dit kan op twee
manieren. De meest eenvoudige manier is simpelweg een
kernelmodule te laden voor de gewenste geluidskaart met
&man.kldload.8;. Dit kan vanaf de commandoregel:&prompt.root; kldload snd_emu10k1Of door als volgt de juiste regel toe te voegen aan
/boot/loader.conf:snd_emu10k1_load="YES"De bovenstaande voorbeelden zijn voor een Creative
&soundblaster; Live! geluidskaart. De overige beschikbare
laadbare geluidsmodules staan beschreven in
/boot/defaults/loader.conf. Als niet
compleet duidelijk is welk stuurprogramma gebruikt dient te
worden, dan kan het met de module
snd_driver geprobeerd worden:&prompt.root; kldload snd_driverDit is een metastuurprogramma, dat in één
keer de meest voorkomende apparaatstuurprogramma's laadt.
Hiermee kan het zoeken naar het juiste stuurprogramma versneld
worden. Het is ook mogelijk om alle geluidsstuurprogramma's te
laden via de optie
/boot/loader.conf.Om onder &os; 4.X alle geluidsstuurprogramma's te
laden, dient de module snd geladen te
worden in plaats van snd_driver.Een tweede mogelijkheid is ondersteuning voor een
geluidskaart statisch in de kernel te compileren. In de
onderstaande paragrafen staat meer informatie over hoe op die
manier ondersteuning voor hardware toegevoegd kan worden. Meer
informatie over het hercompileren van een kernel staat in .Aangepaste kernel maken met geluidsondersteuningEerst moet het generieke audiostuurprogramma
&man.sound.4; aan de kernel toegevoegd worden. Daarvoor
dient het volgende te worden opgenomen in het bestand met
kernelinstellingen:device soundVoor &os; 4.X kan het volgende gebruikt
worden:device pcmDaarna kan ondersteuning voor de specifieke geluidskaart
toegevoegd worden. Daarvoor moet bekend zijn welk
stuurprogramma de kaart ondersteunt. Dit kan opgezocht
worden in de lijst met ondersteunde audioapparaten in de
Hardware Notes,
waar de correcte stuurprogramma's voor geluidskaarten
beschreven staan. Zo wordt een Creative &soundblaster; Live!
geluidskaart bijvoorbeeld ondersteund door het stuurprogramma
&man.snd.emu10k1.4;. Ondersteuning voor deze kaart kan als
volgt worden toegevoegd:device "snd_emu10k1"In de hulppagina voor een stuurprogramma staat welke
syntaxis gebruikt kan worden. Informatie over de syntaxis
van geluidsstuurprogramma's in de kernelinstellingen staat
ook in /usr/src/sys/conf/NOTES
(/usr/src/sys/i386/conf/LINT voor
&os; 4.X).Voor niet-PnP ISA-kaarten kan het nodig zijn dat de
kernel informatie gegeven moet worden over de instellingen
van een geluidskaart (IRQ, I/O poort, enzovoort). Dit kan
via het bestand /boot/device.hints. Bij
het starten van een systeem leest de &man.loader.8; dat
bestand uit en geeft de instellingen door aan de kernel. Zo
gebruikt een oude Creative &soundblaster; 16 ISA
niet-PnP-kaart het stuurprogramma &man.snd.sbc.4; en dient de
volgende regel toegevoegd te worden aan het bestand met
kernelinstellingen:device snd_sbcDaarnaast moet het volgende worden toegevoegd aan
/boot/device.hints:hint.sbc.0.at="isa"
hint.sbc.0.port="0x220"
hint.sbc.0.irq="5"
hint.sbc.0.drq="1"
hint.sbc.0.flags="0x15"In dit geval gebruikt de kaart I/O poort
0x220 en IRQ 5.De gebruikte syntaxis voor
/boot/device.hints staat beschreven in
de hulppagina voor het geluidsstuurprogramma. In
&os; 4.X worden deze instellingen direct in het bestand
met kernelinstellingen gezet. In het geval van de
bovenstaande ISA-kaart gaat dat al volgt:device sbc0 at isa? port 0x220 irq 5 drq 1 flags 0x15De bovenstaande instellingen zijn de standaard
instellingen. In sommige gevallen moeten IRQ of andere
instellingen gewijzigd worden om een apparaat juist te laten
werken. In &man.snd.sbc.4; staat meer informatie.Onder &os; 4.X hebben sommige systemen met
audioapparaten op het moederbord de volgende optie in het
bestand met kernelinstellingen nodig:options PNPBIOSGeluidskaart testenNa het herstarten met de aangepaste kernel of na het laden
van de benodigde module, hoort de geluidskaart ongeveer als
volgt te verschijnen in de systeemberichtbuffer
(&man.dmesg.8;):pcm0: <Intel ICH3 (82801CA)> port 0xdc80-0xdcbf,0xd800-0xd8ff irq 5 at device 31.5 on pci0
pcm0: [GIANT-LOCKED]
pcm0: <Cirrus Logic CS4205 AC97 Codec>De status van de geluidskaart kan gecontroleerd worden via
het bestand /dev/sndstat:&prompt.root; cat /dev/sndstat
FreeBSD Audio Driver (newpcm)
Installed devices:
pcm0: <Intel ICH3 (82801CA)> at io 0xd800, 0xdc80 irq 5 bufsz 16384
kld snd_ich (1p/2r/0v channels duplex default)De uitvoer kan per systeem wat verschillen. Als er geen
apparaten pcm verschijnen, dienen
eerdere stappen bekeken te worden. Bekijk nogmaals de
instellingen van de kernel en bevestig dat het juiste apparaat
is gekozen. Veel voorkomende problemen staan beschreven in
.Als het goed is werkt de geluidskaart nu. Als de cd-rom of
DVD-ROM drive juist is aangesloten op de geluidskaart, dan kan
er een CD in de drive gestoken worden en kan deze met
&man.cdcontrol.1; afgespeeld worden:&prompt.user; cdcontrol -f /dev/acd0 play 1Applicaties als audio/workman kunnen een
vriendelijker interface bieden. Wellicht is het handig om een
applicatie als audio/mpg123
te installeren om naar MP3 audiobestanden te luisteren. Een
snelle manier om de kaart te testen is het als volgt sturen van
data naar /dev/dsp:&prompt.user; cat filename > /dev/dspfilename kan ieder bestand zijn.
Deze commandoregel hoort wat ruis tot gevolg te hebben,
waardoor wordt bevestigd dat de geluidskaart echt werkt.&os; 4.X gebruikers moeten de geluidskaart
apparaatnodes maken voordat hij gebruikt kan worden. Als de
kaart voorkomt in de berichtbuffer als
pcm0, dan dient het volgende als
root uitgevoerd te worden:&prompt.root; cd /dev
&prompt.root; sh MAKEDEV snd0Als de kaart herkend is als
pcm1, kunnen dezelfde stappen als
hierboven gevolgd worden, waarbij
snd0 wordt vervangen door
snd1.MAKEDEV maakt een groep apparaatnodes
aan die gebruikt worden voor de applicaties die met geluid
te maken hebben.Niveau's voor de geluidskaartmixer kunnen aangepast worden
met het commando &man.mixer.8;. Er staan meer details in
&man.mixer.8;.Bekende problemenapparaatnodesI/O poortIRQDSPFoutOplossingunsupported
subdevice XXEén of meer van de apparaatnodes zijn
niet correct gemaakt. De bovenstaande stappen dienen
opnieuw uitgevoerd te worden.sb_dspwr(XX) timed
outDe I/O poort is niet correct ingesteld.bad irq XXHet IRQ is niet correct ingesteld. Zorg dat het
ingestelde IRQ en het IRQ voor het geluid hetzelfde
zijn.xxx: gus pcm not attached, out of
memoryEr is niet genoeg geheugen beschikbaar om het
apparaat te gebruiken.xxx: can't open
/dev/dsp!Controleer fstat | grep dsp
of een ander programma het apparaat geopend heeft.
Bekende probleemgevallen zijn
esound en
KDE's
geluidsondersteuning.MunishChopraGeschreven door Meerdere geluidsbronnen gebruikenHet is vaak wenselijk om meerdere geluidsbronnen
tegelijkertijd af te kunnen spelen, zoals wanneer
esound of
artsd het delen van een
geluidsapparaat met een andere applicatie niet
ondersteunen.Met &os; kan dit met Virtuele
Geluidskanalen, die ingesteld kunnen worden met de
&man.sysctl.8; faciliteit. Met virtuele kanalen kunnen de
afspeelkanalen van een geluidskaart gemultiplext worden door
het geluid in de kernel te mixen.Het aantal virtuele kanalen kan met twee sysctl knoppen
als root als volgt ingesteld
worden:&prompt.root; sysctl hw.snd.pcm0.vchans=4
&prompt.root; sysctl hw.snd.maxautovchans=4In het bovenstaande voorbeeld worden vier virtuele kanelen
gealloceerd, wat in het dagelijks gebruik voldoende is.
In hw.snd.pcm0.vchans staat het aantal
vitruele kanalen dat pcm0 heeft en is
instelbaar als een apparaat is aangesloten.
In hw.snd.maxautovchans staat het aantal
virtuele kanalen dat aan een nieuw audio-apparaat wordt gegeven
als het wordt aangesloten met &man.kldload.8;. Omdat de module
pcm onafhankelijk van de hardware
stuurprogramma's geladen kan worden, kan in
hw.snd.maxautovchans opgeslagen worden
hoeveel virtuele kanalen apparaten die later worden aangesloten
krijgen.Als er geen gebruik wordt gemaakt van &man.devfs.5;, dan
moeten applicaties wijzen naar
/dev/dsp0.x,
waar x tussen 0 en 3 ligt als
hw.snd.pcm.0.vchans is ingesteld op 4, zoals
in het bovenstaande voorbeeld. Op een systeem waar
&man.devfs.5; wordt gebruikt, wordt het voorgaande voor een
gebruiker automatisch transparant gealloceerd.JosefEl-RayesGeschreven door Standaardwaarden voor mixerkanalen instellenDe standaard waarden voor de mixerkanelen zijn ingesteld in
de broncode van het stuurprogramma &man.pcm.4;. Er zijn vele
applicaties en daemons waarmee waarden voor de mixer ingesteld
en onthouden kunnen worden en iedere keer bij het starten
weer kunnen worden ingesteld. Maar dit is geen nette
oplossing, omdat het netter is de standaardwaarden in te
stellen op het niveau van het stuurprogramma. Die kunnen
ingesteld worden door de gewenste waarden in te stellen in
/boot/device.hints. Bijvoorbeeld:hint.pcm.0.vol="100"Met de bovenstaande instelling wordt het volume van een
kanaal standaard op 100 ingesteld bij het laden van de module
&man.pcm.4;.
- Dit wordt alleen ondersteund in &os; 5.3 en
- hoger.
+ Dit wordt alleen ondersteund in &os; 5.3-RELEASE en
+ later.ChernLeeGeschreven door MP3 audioMet MP3 (MPEG Layer 3 Audio) kan geluid bijna in CD-kwaliteit
weergegeven worden en dus is er een goede reden om dit vooral
niet na te laten op een &os; werkstation.MP3 spelersVerreweg de meest populaire X11 MP3 speler is
XMMS (X Multimedia Systeem).
In XMMS kunnen
Winamp skins gebruikt worden, omdat
de GUI vrijwel gelijk is aan die van Nullsoft's
Winamp.
XMMS heeft ook een eigen plug-in
ondersteuning.XMMS kan geïnstalleerd
worden via de multimedia/xmms port of
package.De interface van XMMS is
intuïtief met een playlist, grafische equalizer en meer.
Gebruikers die bekend zijn met
Winamp vinden
XMMS vast eenvoudig te
gebruiken.De port audio/mpg123 is
een alternatieve MP3 speler die gebruik maakt van de
commandoregel.mpg123 werkt door het
geluidsapparaat en het MP3 bestand aan te geven op de
commandoregel, zoals hieronder wordt aangegeven:&prompt.root; mpg123 -a /dev/dsp1.0 Foobar-GreatestHits.mp3
High Performance MPEG 1.0/2.0/2.5 Audio Player for Layer 1, 2 and 3.
Version 0.59r (1999/Jun/15). Written and copyrights by Michael Hipp.
Uses code from various people. See 'README' for more!
THIS SOFTWARE COMES WITH ABSOLUTELY NO WARRANTY! USE AT YOUR OWN RISK!
Playing MPEG stream from Foobar-GreatestHits.mp3 ...
MPEG 1.0 layer III, 128 kbit/s, 44100 Hz joint-stereo/dev/dsp1.0 dient gewijzigd te worden in
het dsp apparaat van het systeem
waarop de MP3 afgespeeld moet worden.CD audio tracks rippenVoordat een CD of een CD track naar MP3 ge-encodeerd kan
worden moet de audiodata naar de harde schijf geript worden.
Dit gaat door de ruwe CDDA (CD Digital Audio) data naar
WAV-bestanden de kopiëren.Het hulpprogramma cdda2wav, dat
onderdeel is van de suite sysutils/cdrtools, kan gebruikt
worden om audio-informatie en de daarbij behorende informatie
van CD's te rippen.Als de audio CD in de drive zit, kan het volgende commando
als root uitgevoerd worden om een hele CD
naar individuele (per track) WAV-bestanden te rippen:&prompt.root; cdda2wav -D 0,1,0 -Bcdda2wav ondersteunt ATAPI (IDE)
cd-rom drives. Om van een IDE drive te rippen, dient de
apparaatnaam aangegeven te worden in plaats van de SCSI
eenheidsnummers. Om bijvoorbeeld track 7 van een IDE drive te
rippen:&prompt.root; cdda2wav -D /dev/acd0a -t 7De optie
geeft het
SCSI apparaat 0,1,0 aan, dat
overeenkomt met de uitvoer van cdrecord
-scanbus.Om individuele tracks te rippen kan gebruik gemaakt worden
van de optie :&prompt.root; cdda2wav -D 0,1,0 -t 7In het bovenstaande voorbeeld wordt track 7 van de audio
CD geript. Om een reeks tracks te rippen, bijvoorbeeld van
1 tot 7, kan een reeks opgegeven worden:&prompt.root; cdda2wav -D 0,1,0 -t 1+7Ook het hulpprogramma &man.dd.1; kan gebruikt worden om
audio tracks van ATAPI drives af te halen. Deze mogelijkheid
wordt beschreven in .MP3's encoderenTegenwoodig is de MP3 encoder
lame.
Lame staat in
audio/lame in de
portsstructuur.Met de geripte WAV-bestanden converteert het volgende
commando audio01.wav naar
audio01.mp3:&prompt.root; lame -h -b 192 \
--tt "Foo Titel" \
--ta "FooBar Artiest" \
--tl "FooBar Album" \
--ty "2005" \
--tc "Geript en encoded door Foo" \
--tg "Genre" \
audio01.wav audio01.mp3192 kbits lijkt de standaard bitrate voor MP3 te zijn.
Het is ook mogelijk 128 of 160 of andere bitrates te gebruiken.
Hoe hoger de bitrate, hoe meer schijfruimte de uiteindelijke
MP3-bestanden gebruiken, maar ook de kwaliteit wordt dan hoger.
Met de optie wordt de modus hogere
kwaliteit, maar iets langzamer ingeschakeld. Met de
opties vanaf worden de ID3 tags ingegeven,
die meestal informatie over een nummer bevatten en onderdeel
uitmaken van het MP3-bestand. In de hulppagina voor
lame staan nog meer opties die
gebruikt kunnen worden bij het encoderen beschreven.MP3's decoderenOm een CD te kunnen branden van MP3's, moeten ze omgezet
worden naar een niet gecomprimeerd WAV-formaat. Zowel
XMMS als
mpg123 ondersteunen de uitvoer van
MP3 naar een niet gecomprimeerd bestandsformaat.Naar schijf schrijven met
XMMS:Start XMMS;Klik rechts op het venster om het
XMMS menu te zien;Selecteer Preference onder
Options;Wijzig de Output Plugin naar Disk Writer
Plugin;Klik Configure;Voer een map in (of kies browse) waar de
ongecomprimeerde bestanden heengeschreven moeten
worden;Laad de MP3-bestanden zoals gewoonlijk in
XMMS, met het volume op 100% en
de EQ instellingen uitgeschakeld;Klik Play.
XMMS lijkt nu de MP3 af te
spelen, maar er is geen muziek te horen. Nu wordt
feitelijk de MP3 afgespeeld naar een bestand;Zorg ervoor dat de standaard Output Plugin wordt
teruggezet naar hoe de instellingen waren om weer naar
MP3's te kunnen luisteren.Schrijven naar stdout vanuit
mpg123:Voer mpg123 -s
audio01.mp3 >
audio01.pcm uit.XMMS schijft een bestand in het
WAV-formaat, terwijl mpg123 de MP3
converteert naar ruwe PCM audio data. Beide formaten kunnen
gebruikt worden met cdrecord om
audio CD's te maken. Met &man.burncd.8; moeten ruwe
PCM-bestanden gebruikt worden. Als er WAV-bestanden worden
gebruikt, is er een tik-geluid te horen bij het begin van
iedere track. Dit is het geluid van de kop van ieder
WAV-bestand. Met het hulpprogramma
SoX kan de kop van WAV-bestanden
verwijderd worden. Dit programma kan geïnstalleerd worden
met de port of package audio/sox&prompt.user; sox -t wav -r 44100 -s -w -c 2 track.wav track.rawIn staat meer informatie over
het gebruiken van een CD-brander in &os;.RossLippertGeschreven door Video afspelenVideo afspelen is een relatief nieuwe en zich snel
ontwikkelende richting voor applicaties. In tegenstelling tot
voor audio werkt alles hier niet zo soepel.Voor er wordt begonnen is het van belang te weten welk
model videokaart zich in een systeem bevindt en welke chip die
gebruikt. Hoewel &xorg; en
&xfree86; vele videokaarten
ondersteunen, zijn er veel minder geschikt om goed video mee af
te spelen. Er kan een lijst met ondersteunde extensies getoond
worden voor X server met de gebruikte videokaart door het
commando &man.xdpyinfo.1; uit te voeren terwijl X11
draait.Het is verstandig een kort MPEG-bestand beschikbaar te
hebben dat gebruikt kan worden als testbestand voor het
evalueren van de spelers en hun opties. Omdat sommige
DVD-spelers standaard zoeken naar DVD media in
/dev/dvd of deze apparaatnaam standaard in
de broncode hebben staan, is het wellicht verstandig om een
symbolische link te maken naar de juist apparaten:&prompt.root; ln -sf /dev/acd0c /dev/dvd
&prompt.root; ln -sf /dev/racd0c /dev/rdvdIn &os; 5.X, dat &man.devfs.5; gebruikt, worden
net iets andere links aangeraden:&prompt.root; ln -sf /dev/acd0 /dev/dvd
&prompt.root; ln -sf /dev/acd0 /dev/rdvdVanwege de werking van &man.devfs.5;, blijven handmatig
aangemaakte links niet bestaan als een systeem wordt herstart.
Om automatisch symbolische links aan te laten maken als een
systeem start, kunnen de volgende regels toegevoegd worden aan
/etc/devfs.conf:link acd0 dvd
link acd0 rdvdDaarnaast zijn voor het decoderen van DVD, waarvoor
bijzondere DVD-ROM functies aangeroepen worden, schrijfrechten
op de DVD-apparaten nodig.kerneloptiesCPU_ENABLE_SSEkerneloptiesUSER_LDTEen aantal van de hier besproken ports hebben specifieke
kernelopties nodig om correct gebouwd te worden. Voordat ze
gebouwd worden, dienen deze opties aan het bestand met
kernelinstellingen toegevoegd te worden, dient de kernel
opnieuw gebouwd te worden en het systeem opnieuw gestart te
worden:option CPU_ENABLE_SSE
option USER_LDToption USER_LDT bestaat niet in
&os; 5.X.Om de gedeeld geheugen interface van X11 te verbeteren,
wordt aangeraden dat een aantal variablelen van &man.sysctl.8;
worden verhoogd:kern.ipc.shmmax=67108864
kern.ipc.shmall=32768Videomogelijkheden vaststellenXVideoSDLDGAEr zijn een aantal methoden om video weer te geven onder
X11. Welke echt werkt, is voornamelijk afhankelijk van de
gebruikte hardware. Iedere hieronder beschreven methode geeft
andere resultaten op andere hardware. De laatste tijd krijgt
het renderen van video in X11 veel aandacht en bij iedere
versie van &xorg; of
&xfree86; kan er een aanzienlijke
verbetering zijn.Een lijst van veel gebruikte video-interfaces:X11: normale X11 uitvoer met gebruikmaking van gedeeld
geheugen;XVideo: een uitbreiding op de X11 interface die video
in een door X11 getekend object ondersteunt;SDL: de Simple Directmedia Layer;DGA: de Direct Graphics Access;SVGAlib: low level console grafische laag.XVideo&xorg; en
&xfree86; 4.X kennen een
uitbreiding XVideo, ook bekend als
Xvideo, Xv of xv, waarmee video direct weergegeven kan worden
in getekende objecten door een speciale versneller. Deze
uitbreiding geeft een goede afspeelkwaliteit, zelfs op
machines met mindere specificaties.Of de uitbreiding actief is, kan gecontroleerd worden met
het commando xvinfo:&prompt.user; xvinfoXVideo wordt ondersteund als de uitvoer er ongeveer als
volgt uitziet:X-Video Extension version 2.2
screen #0
Adaptor #0: "Savage Streams Engine"
number of ports: 1
port base: 43
operations supported: PutImage
supported visuals:
depth 16, visualID 0x22
depth 16, visualID 0x23
number of attributes: 5
"XV_COLORKEY" (range 0 to 16777215)
client settable attribute
client gettable attribute (current value is 2110)
"XV_BRIGHTNESS" (range -128 to 127)
client settable attribute
client gettable attribute (current value is 0)
"XV_CONTRAST" (range 0 to 255)
client settable attribute
client gettable attribute (current value is 128)
"XV_SATURATION" (range 0 to 255)
client settable attribute
client gettable attribute (current value is 128)
"XV_HUE" (range -180 to 180)
client settable attribute
client gettable attribute (current value is 0)
maximum XvImage size: 1024 x 1024
Number of image formats: 7
id: 0x32595559 (YUY2)
guid: 59555932-0000-0010-8000-00aa00389b71
bits per pixel: 16
number of planes: 1
type: YUV (packed)
id: 0x32315659 (YV12)
guid: 59563132-0000-0010-8000-00aa00389b71
bits per pixel: 12
number of planes: 3
type: YUV (planar)
id: 0x30323449 (I420)
guid: 49343230-0000-0010-8000-00aa00389b71
bits per pixel: 12
number of planes: 3
type: YUV (planar)
id: 0x36315652 (RV16)
guid: 52563135-0000-0000-0000-000000000000
bits per pixel: 16
number of planes: 1
type: RGB (packed)
depth: 0
red, green, blue masks: 0x1f, 0x3e0, 0x7c00
id: 0x35315652 (RV15)
guid: 52563136-0000-0000-0000-000000000000
bits per pixel: 16
number of planes: 1
type: RGB (packed)
depth: 0
red, green, blue masks: 0x1f, 0x7e0, 0xf800
id: 0x31313259 (Y211)
guid: 59323131-0000-0010-8000-00aa00389b71
bits per pixel: 6
number of planes: 3
type: YUV (packed)
id: 0x0
guid: 00000000-0000-0000-0000-000000000000
bits per pixel: 0
number of planes: 0
type: RGB (packed)
depth: 1
red, green, blue masks: 0x0, 0x0, 0x0Sommige van de weergegeven formaten (YUV2, YUV12,
enzovoort) zijn niet in iedere implementaties van XVideo
beschikbaar en hun afwezigheid kan sommige spelers
hinderen.Als het resultaat er als hieronder uitziet, is er geen
ondersteuning voor XVideo aanwezig op de videokaart in een
systeem:X-Video Extension version 2.2
screen #0
no adaptors presentAls XVideo voor een kaart niet wordt ondersteund, dan
betekent dat alleen dat het lastiger wordt om op een
beeldscherm aan de vereisten voor het renderen van video te
voldoen. Afhankelijk van de videokaart en de processor kan
het toch nog mogelijk zijn om acceptabele prestaties neer te
zetten. In staan
verwijzingen naar leesvoer over mogelijkheden voor het
verbeteren van prestaties.Eenvoudige Directmedia LaagDe Eenvoudige Directmedia Laag (Simple Directmedia
Layer), SDL, was bedoeld als een porting-laag tussen
µsoft.windows;, BeOS en &unix;, waardoor cross-platform
toepassingen konden worden ontwikkeld die efficiënt
gebruik maken van geluid en beelden. De SDL laag biedt een
abstractie op laag niveau naar de hardware die soms
efficiënter kan zijn dan de X11 interface.De SDL staat in devel/sdl12.Directe Grafische ToegangDirecte Grafische Toegang (Direct Graphics Access) is een
X11 uitbreiding die een programma in staat stelt voorbij te
gaan aan de X server en de framebuffer direct kan wijzigen.
Omdat hij afhankelijk is van geheugenmapping op een laag
niveau om dit delen uit te voeren, moeten programma's die er
gebruik van maken als root
draaien.De DGA uitbreiding kan getest en gebenchmarkt worden met
&man.dga.1;. Als dga draait, verandert
het de kleuren op een scherm als er een toets wordt
ingedrukt. Om te stoppen kan de toets q
gebruikt worden.Ports en packages met videovideopoortenvideopackagesIn dit onderdeel wordt de software die vanuit de &os;
Portscollectie beschikbaar is voor het afspelen van video
beschreven. Het afspelen van video is een tak van
softwareontwikkeling die erg in beweging is en de mogelijkheden
van de verschillende applicaties verschillen zeer
waarschijnlijk van wat hier is beschreven.Als eerste is het belangrijk om te weten dat veel
applicaties die met video te maken hebben en op &os; draaien
ontwikkeld zijn als &linux; applicaties. Veel van die
applicaties zijn op het moment van schrijven van
beta-kwaliteit. Problemen die te verwachten zijn bij het
gebruik van de beschreven videopakketten op &os; zijn:Een applicatie kan geen bestanden afspelen die zijn
gemaakt met een andere applicatie;Een applicatie kan geen bestanden afspelen die met de
applicatie zelf zijn gemaakt;Dezelfde applicatie, op twee verschillende machines
gebouwd, speelt hetzelfde bestand op twee machines anders
af;Een ogenschijlijk triviale filter, zoals het herschalen
van beeldgrootte, kan resulteren in vreselijk vervelende
artefacten door fouten in de routine voor het
herschalen;Een applicatie dumpt zijn core regelmatig;Documentatie wordt niet geïnstalleerd bij de port
en staat op het web of in de map work van de port.Veel van deze applicaties kunnen ook
Linux-ismes vertonen. Zo kunnen er bijvoorbeeld
problemen ontstaan door de wijze waarop standaard bibliotheken
zijn geïmplementeerd in de &linux; distributies of een
aantal van de mogelijkheden van de &linux;-kernel, waarvan
door de makers van de applicatie wordt aangenomen dat ze
aanwezig zijn. Dit soort problemen zijn niet altijd zichtbaar
en er wordt ook omheen gewerkt door de beheerders van ports,
wat tot de volgende mogelijke problemen kan leiden:Het gebruik van /proc/cpuinfo om
processorkarakteristieken uit te lezen;Het verkeerd gebruiken van threads, waardoor een
programma hangt als het klaar is, in plaats van dat het
echt eindigt;Software die nog niet in de &os; Portscollectie zit en
vaak gebruikt wordt samen met een applicatie die daar wel
onderdeel van uitmaakt.Tot nu toe is gebleken dat de ontwikkelaars van applicaties
wel coöperatief waren met de beheerders van ports om zo
het aantal work-arounds dat nodig was voor het porten tot een
minimum te beperken.MPlayerMPlayer is een zich snel
ontwikkelende videospeler. De doelen van het
MPlayer-team zijn snelheid en
flexibiliteit onder &linux; en andere Unices. Het project is
gestart toen de oprichter van het team genoeg had van de
slechte afspeelprestaties van de destijds beschikbare
spelers. Er zijn mensen die zeggen dat het grafische ontwerp
is opgeofferd voor het stroomlijnen van het ontwerp, maar het
blijkt dat, als een gebruiker gewend is aan de
commandoregelopties en de toetsencommando's, de applicatie
erg goed werkt.MPlayer bouwenMPlayermakenMPlayer staat in multimedia/mplayer.
MPlayer voert een aantal
hardwarecontroles uit tijdens het bouwen, wat resulteert in
een binair bestand dat niet van het ene naar het andere
systeem verplaatst kan worden. Daarom is het van belang
dat het uit de ports wordt gebouwd en niet als binair
package wordt geïnstalleerd. Daarnaast staan er ook
nog opties die vanaf de make
commandoregel meegegeven kunnen worden beschreven in de
Makefile en aan het begin van de
build:&prompt.root; cd /usr/ports/multimedia/mplayer
&prompt.root; make
N - O - T - E
Take a careful look into the Makefile in order
to learn how to tune mplayer towards you personal preferences!
For example,
make WITH_GTK1
builds MPlayer with GTK1-GUI support.
If you want to use the GUI, you can either install
/usr/ports/multimedia/mplayer-skins
or download official skin collections from
http://www.mplayerhq.hu/homepage/dload.htmlDe standaard portopties zijn voor de meeste gebruikers
voldoende. Maar als bijvoorbeeld de XviD codec nodig is,
dan moet de optie WITH_XVID op de
commandoregel meegegeven worden. Het standaard
DVD-apparaat kan ook gedefinieerd worden met de optie
WITH_DVD_DEVICE, waarbij standaard
/dev/acd0 wordt gebruikt.Op het moment van schrijven wordt de
MPlayer port gebouwd met de HTML
documentatie en twee uitvoerbare bestanden,
mplayer en mencoder,
wat een hulpmiddel is voor het opnieuw encoderen van
video.De HTML documentatie voor
MPlayer is erg informatief. Als
de lezer vindt dat er informatie over videohardware en
interfaces in dit hoofdstuk mist, dan is de documentatie
van MPlayer een zeer grondige
aanvulling. Het is de moeite waard de tijd te nemen om de
documentatie van MPlayer te
lezen, als meer informatie over de ondersteuning van video
in &unix; welkom is.MPlayer gebruikenMPlayergebruikenIedere gebruiker van MPlayer
dient een submap .mplayer in zijn
thuismap te hebben. Die kan als volgt gemaakt
worden:&prompt.user; cd /usr/ports/multimedia/mplayer
&prompt.user; make install-userDe commando-opties voor mplayer
staan in de hulppagina. Nog meer details staan in de HTML
documentatie. In dit onderdeel worden slechts een aantal
gebruiksmogelijkheden beschreven.Om een bestand als
testfile.avi
af te spelen met een van de beschikbare video-interfaces,
kan de optie gebruikt worden:&prompt.user; mplayer -vo xv testfile.avi&prompt.user; mplayer -vo sdl testfile.avi&prompt.user; mplayer -vo x11 testfile.avi&prompt.root; mplayer -vo dga testfile.avi&prompt.root; mplayer -vo 'sdl:dga' testfile.aviHet is de moeite waard alle bovenstaande opties uit te
proberen omdat hun relatieve prestatie afhangt van vele
factoren die aanzienlijk verschillen tussen
hardware.Om een DVD af te spelen dient
testfile.avi vervangen te worden door
waar
N het titelnummer is dat
afgespeeld moeten worden en
APPARAAT de
apparaatnode is voor de DVD-ROM. Om bijvoorbeeld titel 3
van /dev/dvd af te spelen:&prompt.root; mplayer -vo xv dvd://3 -dvd-device /dev/dvdHet standaard DVD-apparaat kan ingesteld worden bij
het bouwen van de MPlayer port
met de optie WITH_DVD_DEVICE.
Standaard is dit apparaat /dev/acd0.
Meer details staan in de Makefile
van de port.Om te stoppen, pauzeren, verder te spoelen, enzovoort,
kunnen de toetsendefinities gebruikt worden, die in te zien
zijn door mplayer -h uit te voeren of
de hulppagina te lezen.Overige belangrijke opties voor het afspelen zijn:
, waarmee het volledige scherm
wordt gebruikt, en , die
prestatieverhogend werkt.Om ervoor te zorgen dat de commandoregels niet te lang
worden, kan het bestand
.mplayer/config met
voorkeursinstellingen gemaakt worden:vo=xv
fs=yes
zoom=yesTenslotte kan mplayer gebruikt
worden om een DVD naar een bestand van het type
.vob te rippen. Om de tweede titel
van een DVD de dumpen kan het volgende commando gebruikt
worden:&prompt.root; mplayer -dumpstream -dumpfile out.vob dvd://2 -dvd-device /dev/dvdHet uitvoerbestand out.vob, is
van het type MPEG en kan bewerkt worden met andere in dit
onderdeel besproken programma's.mencodermencoderVoordat mencoder wordt gebruikt, is
het verstandig de opties uit de HTML-documentatie te
bekijken. Er is een hulppagina, maar die is niet echt
bruikbaar zonder de HTML-documentatie. Er zijn ontelbare
mogelijkheden om de kwaliteit te verhogen, de bitrate te
verlagen en formaten te wijzigen en een aantal van die
truuks maken het verschil tussen goede en slechte
prestaties. Hieronder staan een aantal voorbeelden
beschreven.Eenvoudigweg kopiëren:&prompt.user; mencoder input.avi -oac copy -ovc copy -o output.aviVerkeerde combinaties van commandoregelopties kunnen
resulteren in uitvoerbestanden die zelfs niet af te spelen
zijn door mplayer. Daarom wordt
aangeraden om het bij de optie
in
mplayer te houden als het alleen maar
nodig is een bestand te rippen.Om input.avi te converteren naar
de MPEG4-codec met MPEG3-audio encoding (audio/lame is
verplicht):&prompt.user; mencoder input.avi -oac mp3lame -lameopts br=192 \
-ovc lavc -lavcopts vcodec=mpeg4:vhq -o output.aviHiermee wordt uitvoer gemaakt die af te spelen is met
mplayer en
xine.input.avi kan worden vervangen
door en als
root gedraaid worden om een DVD titel
direct te hercoderen. Omdat het waarschijnlijk is dat de
eerste experimenten niet direct tevredenstellend zijn,
wordt aangeraden een titel eerst naar een bestand te dumpen
en dat als werkbestand te gebruiken.xine videospelerDe xine videospeler is een
project met een brede scope, dat niet alleen tracht een
allesomvattende video-oplossing te bieden, maar ook probeert
een herbruikbare basisbibliotheek en een modulair uitvoerbaar
bestand te maken dat uitgebreid kan worden met plug-ins. Het
kan als package en port geïnstalleerd worden uit
multimedia/xine.De xine speler heeft nog wat
ruwe randjes, maar is zeker goed van start gegaan. In de
praktijk heeft xine een snelle CPU
met een snelle videokaart of ondersteuning voor de XVideo
extensie nodig. De GUI is bruikbaar, maar wat
onhandig.Op het moment van schrijven wordt er geen invoermodule
bij xine geleverd waarmee CSS
gecodeerde DVD's afgespeeld kunnen worden. Er zijn er die
door andere partijen zijn gebouwd die dat type modules wel
hebben, maar die zijn niet beschikbaar in de &os;
Portscollectie.Vergeleken met MPlayer, doet
xine meer voor de gebruiker, maar
tegelijkertijd neemt het wat van de
fijnafstellingsmogelijkheden weg. De
xine videospeler werkt het beste
op XVideo interfaces.Standaard start de xine speler
op in een grafische gebruikersinterface. Via het menu kan
een specifiek bestand geopend worden:&prompt.user; xineHet is ook mogelijk om zonder de GUI direct een bestand
af te laten spelen:&prompt.user; xine -g -p mymovie.avitranscode
hulpprogramma'sDe software transcode is geen
speler, maar een verzameling hulpprogramma's voor het
hercoderen van .avi en
.mpg bestanden. Met
transcode wordt het mogelijk om
videobestanden samen te voegen, kapotte bestanden te
repareren en commandoregelprogramma's te gebruiken met
stdin/stdout stream interfaces.Net als MPlayer is
transcode bijzonder experimentele
software die vanuit de port multimedia/transcode gebouwd moet
worden. Er zijn veel opties voor make
beschikbaar en daaruit worden de volgende aangeraden:&prompt.root; make WITH_LIBMPEG2=yesAls ook multimedia/avifile wordt
geïnstalleerd, dan dient WITH_AVIFILE
aan de make commandoregel te worden
toegevoegd:&prompt.root; make WITH_AVIFILE=yes WITH_LIBMPEG2=yesHieronder staan twee voorbeelden beschreven waarin
transcode wordt gebruikt voor het
converteren van video met als resultaat anders geschaalde
uitvoer. Het eerste encodeert de uitvoer naar een openDIVX
AVI-bestand, het tweede encodeert het naar het meer portabele
formaat MPEG.&prompt.user; transcode -i input.vob -x vob -V -Z 320x240 \
-y opendivx -N 0x55 -o output.avi&prompt.user; transcode -i input.vob -x vob -V -Z 320x240 \
-y mpeg -N 0x55 -o output.tmp
&prompt.user; tcmplex -o output.mpg -i output.tmp.m1v -p output.tmp.mpa -m 1Er is een hulppagina voor transcode,
maar er is weinig documentatie voor de verschillende
tc* programma's (zoals
tcmplex) die ook zijn geïnstalleerd.
Voor ieder commando is wel de commandoregeloptie
beschikbaar, waarmee een korte
beschrijving voor het gebruik van het programma wordt
getoond.Als de twee vergeleken worden, draait
transcode aanzienlijk langzamer dan
mencoder, maar is de kans wel groter dat
er een bestand uit komt dat op de meeste spelers afgespeeld
kan worden. MPEG-bestanden die met
transcode zijn gemaakt, zijn bijvoorbeeld
al afgespeeld op &windows.media;
Player en Apple's
&quicktime;.Verder lezenDe beschikbare videosoftware pakketten voor &os; zijn fors
in ontwikkeling. Het is goed mogelijk dat in de nabije
toekomst de meeste problemen die hier aan de kaak zijn gesteld,
zijn opgelost. Intussen kunnen zij die het hoogst haalbare uit
de A/V mogelijkheden voor &os; willen halen, dat het beste
doen door wat beschikbaar is bij elkaar te scharrelen uit de
beschikbare FAQ's and tutorials en meerdere programma's
gebruiken. Het doel van deze paragraaf is de lezer wat
richting te geven op dat vlak.De MPlayer
documentatie is technisch erg informatief. Deze
documenten kunnen het beste bekeken worden door iemand die veel
kennis wil opdoen over video in &unix;. Op de
MPlayer mailinglijst wordt het niet
op prijsgesteld als iemand de documentatie niet heeft gelezen,
dus het is verstandig RTFM in gedachten te houden alvorens
bug reports naar ze te mailen.De xine
HOWTO bevat een hoofdstuk over het verbeteren van
prestaties, dat op alle spelers van toepassing is.Tenslotte zijn er nog een aantal veelbelovende applicaties
die het proberen waard zijn:Avifile
bestaat ook als port: multimedia/avifile;Ogle
is er ook als port: multimedia/ogle;Xtheater;multimedia/dvdauthor, een open
source pakket voor authoring van DVD content.JosefEl-RayesOorspronkelijk geschreven door MarcFonvieilleVerbeterd en aangepast door TV-kaarten installerenTV-kaartenInleidingMet TV-kaarten is het mogelijk om naar (kabel)uitzendingen
te kijken op een computer. Op de meeste kaarten kan composiet
video aangeleverd worden via een RCA of S-video input en
sommige kaarten hebben ook een FM tuner.&os; biedt ondersteuning voor PCI-gebaseerde TV-kaarten met
een Brooktree Bt848/849/878/879 of een Conexant CN-878/Fusion
878a Video Capture Chip met het stuurprogramma &man.bktr.4;.
Het is van belang dat er op de kaart ook een ondersteunde
tuner zit. Hiervoor kan &man.bktr.4; geraadpleegd worden,
waarin een lijst met ondersteunde tuners staat.Stuurprogramma toevoegenVoordat de kaart gebruikt kan worden, dient het
stuurprogramma &man.bktr.4; geladen te worden. Dit kan door
de volgende regel aan /boot/loader.conf
toe te voegen:bktr_load="YES"Daarnaast is het ook mogelijk om statisch ondersteuning
voor de TV-kaart in de kernel te compileren. Dan dient de
volgende regel toegevoegd te worden aan de
kernelinstellingen:device bktr
device iicbus
device iicbb
device smbusDe extra stuurprogramma's zijn nodig omdat de
kaartcomponenten verbonden zijn via een I2C bus. Met deze
instellingen kan een nieuwe kernel gebouwd en
geïnstalleerd worden.Als een systeem eenmaal ondersteuning biedt, hoort de
TV-kaart ongeveer als volgt bij een herstart getoond te
worden:bktr0: <BrookTree 848A> mem 0xd7000000-0xd7000fff irq 10 at device 10.0 on pci0
iicbb0: <I2C bit-banging driver> on bti2c0
iicbus0: <Philips I2C bus> on iicbb0 master-only
iicbus1: <Philips I2C bus> on iicbb0 master-only
smbus0: <System Management Bus> on bti2c0
bktr0: Pinnacle/Miro TV, Philips SECAM tuner.Deze berichten kunnen afwijken, afhankelijk van de
gebruikte hardware. Het is van belang te controleren of de
tuner juist herkend wordt; er kunnen nog een aantal
instellingen gemaakt worden voor parameters met &man.sysctl.8;
MIB's en in het kernelinstellingenbestand. Om bijvoorbeeld het
gebruik van een Philips SECAM tuner te forceren, kan de
volgende regel aan het bestand met kernelinstellingen worden
toegevoegd:options OVERRIDE_TUNER=6Dit kan ook via een instelling van &man.sysctl.8;:&prompt.root; sysctl hw.bt848.tuner=6In &man.bktr.4; en
/usr/src/sys/conf/NOTES staan meer details
over de beschikbare opties (onder &os; 4.X dient voor
/usr/src/sys/conf/NOTES het bestand
/usr/src/sys/i386/conf/LINT gelezen te
worden).Handige programma'sOm een TV-kaart te gebruiken, dient een van de volgende
applicaties geïnstalleerd te worden:multimedia/fxtv
biedt TV-in-een-window en beeld/audio/videocapture
mogelijkheden;multimedia/xawtv
is ook een TV applicatie met dezelfde mogelijkheden als
fxtv;misc/alevt
decodeert Videotext/Teletext en kan deze weergeven;audio/xmradio, een
applicatie om de FM tuner die bij sommige TV-kaarten zit te
gebruiken;audio/wmtune, een
handige bureaubladapplicatie voor radiotuners.Er zijn nog meer applicaties beschikbaar in de
Portscollectie.Problemen oplossenBij problemen met een TV-kaart dient eerst gecontroleerd te
worden of de videocapture chip en de tuner echt ondersteund
worden door het stuurprogramma &man.bktr.4; en of de juiste
instellingen worden gebruikt. Voor meer ondersteuning en
vragen over een specifieke TV-kaart is het aan te raden de
archieven van de &a.multimedia.name; mailinglijst te
raadplegen of er contact mee op te nemen.MarcFonvieilleGeschreven door ScannersscannersInleidingIn &os; is het, net als in andere moderne
besturingssystemen, mogelijk om scanners te gebruiken.
Gestandaardiseerde toegang tot scanners is mogelijk met de
SANE (Scanner Access Now
Easy) API uit de &os; Portscollectie.
SANE gebruikt ook een aantal &os;
apparaatstuurprogramma's om toegang te krijgen tot de hardware
van de scanner.&os; ondesteunt SCSI en USB scanners. Het is van belang te
controleren of een scanner door SANE
wordt ondersteund voordat er instellingen worden gemaakt.
SANE heeft een lijst met ondersteunde
apparaten waarin gekeken kan worden of een scanner
wordt ondersteund en wat de status voor ondersteuning is. In
&man.uscanner.4; staat een lijst met ondersteunde
USB-scanners.Kernel instellenZoals hierboven al is aangegeven, worden zowel SCSI als
USB-scanners ondersteund. Afhankelijk van de gebruikte
scannerinterface zijn verschillende apparaatstuurprogramma's
nodig.USB interfaceIn de GENERIC kernel zitten
standaard de apparaatstuurprogramma's die nodig zijn voor
ondersteuning van USB-scanners. In het geval wordt besloten
tot het maken van een aangepaste kernel, dan dienen de
volgende regels in het kernelinstellingenbestand te worden
opgenomen:device usb
device uhci
device ohci
device uscannerAfhankelijk van de USB-chipset op een moederbord, is
alleen device uhci of
device ohci nodig, maar het opnemen van
beiden in het bestand met kernelinstellingen is niet
schadelijk.Als het niet wenselijk is een nieuwe kernel te bouwen en
er wordt geen GENERIC kernel gebruikt,
dan kan de apparaatstuurprogrammamodule &man.uscanner.4;
direct geladen worden met &man.kldload.8;:&prompt.root; kldload uscannerOm de module bij iedere systeemstart te laden kan de
volgende regel aan /boot/loader.conf
worden toegevoegd:uscanner_load="YES"Na een herstart met een juiste ingestelde kernel of na
het laden van de benodigde module, kan de USB-scanner
aangesloten worden. De scanner hoort ongeveer als volgt
gemeld te worden in de systeemberichtbuffer
(&man.dmesg.8;):uscanner0: EPSON EPSON Scanner, rev 1.10/3.02, addr 2Het bovenstaande geeft aan dat de scanner de apparaatnode
/dev/uscanner0 gebruikt.Om onder &os; 4.X bepaalde USB-apparaten te zien,
moet daar de USB daemon (&man.usbd.8;) draaien. Om die in
te schakelen, dient usbd_enable="YES"
toegevoegd te worden aan /etc/rc.conf
en dient een systeem herstart te worden.SCSI interfaceAls een scanner een SCSI interface heeft, is het
belangrijk te weten welk SCSI controllerbord gebruikt gaat
worden. Afhankelijk van de gebruikte SCSI chipset, dient het
bestand met kernelinstellingen aangepast te worden. De
GENERIC kernel ondersteunt de meest
voorkomende SCSI controllers. In het bestand
NOTES (LINT onder
&os; 4.X) is de juiste instelling te vinden die
toegevoegd moet worden aan het bestand met
kernelinstellingen. Naast het toevoegen van het juiste
SCSI-adapter stuurprogramma, dienen ook de volgende regels
opgenomen te worden in het kernelinstellingenbestand:device scbus
device passAls de kernel juist gecompileerd is, horen de apparaten
zichtbaar te zijn in de systeemberichtbuffer tijdens het
opstarten:pass2 at aic0 bus 0 target 2 lun 0
pass2: <AGFA SNAPSCAN 600 1.10> Fixed Scanner SCSI-2 device
pass2: 3.300MB/s transfersAls een scanner niet aan staat tijdens het opstarten, is
het nog mogelijk handmatig detectie te forceren door de
SCSI-bus te laten scannen met &man.camcontrol.8;:&prompt.root; camcontrol rescan all
Re-scan of bus 0 was successful
Re-scan of bus 1 was successful
Re-scan of bus 2 was successful
Re-scan of bus 3 was successfulIn het bovenstaande geval zal de scanner ongeveer als
volgt verschijnen in de lijst met SCSI-apparaten:&prompt.root; camcontrol devlist
<IBM DDRS-34560 S97B> at scbus0 target 5 lun 0 (pass0,da0)
<IBM DDRS-34560 S97B> at scbus0 target 6 lun 0 (pass1,da1)
<AGFA SNAPSCAN 600 1.10> at scbus1 target 2 lun 0 (pass3)
<PHILIPS CDD3610 CD-R/RW 1.00> at scbus2 target 0 lun 0 (pass2,cd0)Meer details over SCSI-apparaten staan in &man.scsi.4; en
&man.camcontrol.8;.SANE instellenHet SANE systeem is opgesplitst
in twee delen: de backends (graphics/sane-backends) en de
frontends (graphics/sane-frontends). Het deel
met de backends zorgt voor de toegang tot de scanner zelf. In
de lijst met door SANEondersteunde
apparaten staat welk backend welke scanner(s)
ondersteunt. Het is echt nodig het juiste backend vast te
stellen, omdat het anders bijzonder lastig wordt een scanner
aan de praat te krijgen. Het deel met frontends levert een
grafische scaninterface
(xscanimage).Als eerste dient de port of het package graphics/sane-backends
geïnstalleerd te worden. Daarna kan met het commando
sane-find-scanner gecontroleerd worden welke
scanner er door het SANE systeem is
gedetecteerd:&prompt.root; sane-find-scanner -q
found SCSI scanner "AGFA SNAPSCAN 600 1.10" at /dev/pass3In de uitvoer is te lezen welk type interface en welke
apparaatnode worden gebruikt om de scanner met een systeem te
verbinden. Het merk en het model worden wellicht niet getoond,
maar dat is ook niet echt van belang.Sommige USB-scanners verlangen dat er firmware wordt
geladen. Dit wordt uitgelegd in de hulppagina van het
backend. Het is ook van belang &man.sane-find-scanner.1; en
&man.sane.7; te lezen.Hierna kan gecontroleerd worden of de scanner ook te zien
is voor een scanner-frontend. Er zit bij de
SANE backends een standaard
hulpprogramma &man.scanimage.1;. Met dit commando kunnen de
apparaten zichtbaar gemaakt worden en kan vanaf de
commandoregel gescand worden. Met de optie
kunnen de scannerapparaten getoond worden:&prompt.root; scanimage -L
device `snapscan:/dev/pass3' is a AGFA SNAPSCAN 600 flatbed scannerDe afwezigheid van uitvoer of een bericht dat aangeeft dat
er geen scanners zijn aangetroffen, betekent dat
&man.scanimage.1; niet in staat is een scanner te
identificeren. Als dit gebeurt, dient het instellingenbestand
voor het backend aangepast te worden en dient daar de juiste
instelling gemaakt te worden. De map /usr/local/etc/sane.d/ bevat
alle bestanden met instellingen voor de backends. Het is
bekend dat dit identificatieprobleem optreedt bij bepaalde
USB-scanners.De USB-scanner die in
wordt gebruikt, toont bijvoorbeeld de volgende informatie met
sane-find-scanner:&prompt.root; sane-find-scanner -q
found USB scanner (UNKNOWN vendor and product) at device /dev/uscanner0De bovenstaande uitvoer geeft aan dat de scanner juist is
gedetecteerd, dat hij de USB interface gebruikt en is
aangesloten op de apparaatnode
/dev/uscanner0. Nu kan gecontroleerd
worden of de scanner juist wordt geïdentificeerd:&prompt.root; scanimage -L
No scanners were identified. If you were expecting something different,
check that the scanner is plugged in, turned on and detected by the
sane-find-scanner tool (if appropriate). Please read the documentation
which came with this software (README, FAQ, manpages).Omdat in het bovenstaande voorbeeld de scanner niet wordt
geïdentificeerd, dient het bestand
/usr/local/etc/sane.d/epson.conf
gewijzigd te worden. De gebruikte scanner is een
&epson.perfection; 1650, dus in dit geval dient voor de scanner
het backend epson gebruikt te worden. Het
is van belang om het commentaar in de instellingenbestanden van
de backends te lezen. Het aanpassen van regels is eenvoudig:
plaats een commentaarkarakter voor alle regels voor andere
interfaces dan die nodig zijn weg (in dit geval worden alle
regels die beginnen met het woord scsi
uitgeschakeld, omdat er een USB interface wordt gebruiken), en
dan kan onderaan het bestand een regel met de gebruikte
interface en apparaatnode geplaatst worden:usb /dev/uscanner0Het is aan te raden de opmerkingen te lezen in het bestand
met instellingen voor het backend en ook de hulppagina, omdat
daarin meer details en de correcte syntaxis te vinden zijn. Nu
kan gecontroleerd worden of de scanner wèl juist wordt
geïdentificeerd:&prompt.root; scanimage -L
device `epson:/dev/uscanner0' is a Epson GT-8200 flatbed scannerIn het bovenstaande voorbeeld wordt duidelijk dat de
USB-scanner is geïdentificeerd. Het is niet belangrijk
dat het merk en model niet overeenkomen. Het belangrijkste is
het veld `epson:/dev/uscanner0', dat de
juiste benamingen voor het backend en de apparaatnode
aangeeft.Als scanimage -L in staat is een scanner
goed te zien, dan zijn de instellingen compleet. Er kan nu met
het apparaat gescand worden.Hoewel &man.scanimage.1; in staat is om vanaf de
commandoregel te scannen, is het aan te raden beelden te
scannen vanuit de grafische gebruikersinterface.
SANE heeft een eenvoudige, maar
efficiënte grafische interface:
xscanimage (graphics/sane-frontends).Xsane (graphics/xsane) is een ander
populair grafisch scanfrontend, dat geavanceerde
mogelijkheden biedt, zoals meerdere scanmodi (fotokopie, fax,
enzovoort), kleurcorrectie, batchscannen, enzovoort. Beide
applicaties zijn als plug-in voor
GIMP te gebruiken.Scannergebruik voor andere gebruikers toestaanAlle voorgaande taken zijn uitgevoerd met
root rechten, maar het is wellicht ook
nodig dat andere gebruikers de scanner kunnen gebruiken. Dan
heeft een gebruiker lees- en schrijfrechten nodig op de
apparaatnode voor een scanner. Een USB-scanner gebruikt
bijvoorbeeld apparaatnode /dev/uscanner0,
waarvan de groep operator eigenaar is.
Door gebruiker joe lid te maken van de
groep operator, kan die gebruiker de
scanner gebruiken:&prompt.root; pw groupmod operator -m joeIn &man.pw.8; staan meer details. Op de apparaatnode
/dev/uscanner0 moeten ook de juiste
rechten staan. Standaard kan de groep
operator alleen lezen op de
apparaatnode. Dit is te wijzigen door de volgende regel aan
/etc/devfs.rules toe te voegen:[system=5]
add path uscanner0 mode 660Daarna kan de volgende regel aan
/etc/rc.conf toegevoegd worden en dient
een machine herstart te worden:devfs_system_ruleset="system"Meer informatie over de bovenstaande instellingen staan in
&man.devfs.8; manual page. Onder &os; 4.X heeft de groep
operator standaard lees- en
schrijfrechten op /dev/uscanner0.Natuurlijk dient ook beveiliging een factor te zijn in de
afweging of een gebruiker lid gemaakt moet worden van een
bepaalde groep, zeker als dat om de groep
operator gaat.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/network-servers/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/network-servers/chapter.sgml
index 2bca9a606f..4b90c68720 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/network-servers/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/network-servers/chapter.sgml
@@ -1,5553 +1,5618 @@
MurrayStokelyGereorganiseerd door SiebrandMazelandVertaald door NetwerkdienstenOverzichtDit hoofdstuk behandelt een aantal veelgebruikte
netwerkdiensten op &unix; systemen. Er wordt ingegaan op de
installatie, het instellen, testen en beheren van verschillende
typen netwerkdiensten. Overal in dit hoofdstuk staan
voorbeeldbestanden met instellingen waar de lezer zijn voordeel
mee kan doen.Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer:Hoe om te gaan met de inetd
daemon;Hoe een netwerkbestandssysteem opgezet kan worden;Hoe een netwerkinformatiedienst (NIS) opgezet kan worden
voor het delen van gebruikersaccounts;Hoe automatische netwerkinstellingen gemaakt kunnen
worden met DHCP;Hoe een domeinnaam server opgezet kan worden;Hoe een Apache HTTP Server
opgezet kan worden;Hoe een File Transfer Protocol (FTP) Server opgezet kan
worden;Hoe een bestands- en printserver voor &windows; clients
opgezet kan worden met
Samba;Hoe datum en tijd gesynchroniseerd kunnen worden en hoe
een tijdserver opgezet kan worden met het NTP
protocol.Veronderstelde voorkennis:Basisbegrip van de scripts in
/etc/rc;Bekend zijn met basis netwerkterminologie;Kennis van de installatie van software van derde partijen
().ChernLeeGeschreven door De inetdSuper-ServerOverzicht&man.inetd.8; wordt de internet Super-Server
genoemd, omdat die verbindingen voor meerdere diensten beheert.
Als door inetd een verbinding wordt
ontvangen, bepaalt die voor welk programma de verbinding
bedoeld is, spawnt dat proces en delegeert de socket (het
programma wordt gestart met de socket van de dienst als
zijn standaard invoer, uitvoer en foutbeschrijvingen). Het
draaien van één instantie van
inetd reduceert de load op een
systeem in vergelijking met het in stand-alone modus draaien
van alle daemons.inetd wordt primair gebruikt om
andere daemons aan te roepen, maar het handelt een aantal
triviale protocollen direct af, zoals
chargen,
auth en
daytime.In deze paragraaf worden de basisinstellingen van
inetd behandeld met de opties vanaf
de commandoregel en met het instellingenbestand
/etc/inetd.conf.Instellingeninetd wordt gestart door het
/etc/rc.conf systeem. De
optie inetd_enable staat standaard op
NO, maar wordt door
sysinstall vaak ingeschakeld door de
instellingen van het medium beveiligingsprofiel. Door het
instellen van
inetd_enable="YES" of
inetd_enable="NO" in
/etc/rc.conf wordt
inetd bij het opstarten van een
systeem wel of niet ingeschakeld.Dan kunnen er ook nog een aantal commandoregelopties aan
inetd meegegeven worden met de optie
inetd_flags.Commandoregeloptiesinetd overzicht:inetd [-d] [-l] [-w] [-W] [-c maximum] [-C rate] [-a adres | hostnaam]
[-p bestandsnaam] [-R rate] [instellingenbestand]-dSchakel debugging in.-lSchakel het loggen van succesvolle verbindingen
in.-wSchakel TCP Wrapping voor externe diensten in (staat
standaard aan).-WSchakel TCP Wrapping voor internet diensten uit
inetd in (staat standaard
aan).-c maximumGeeft het maximale aantal gelijktijdige verzoeken voor
iedere dienst aan. De standaard is ongelimiteerd. Kan
per dienst ter zijde geschoven worden met de parameter
.-C rateGeeft het maximale aantal keren aan dat een dienst
vanaf een bepaald IP adres per minuut aangeroepen kan
worden. Kan per dienst ter zijde geschoven worden met de
parameter
.-R rateGeeft het maximale aantal keren aan dat een dienst
per minuut aangeroepen kan worden. De standaard is 256.
De instelling 0 geeft aan dat er geen
limiet is.-aGeeft een of meer IP adres associaties aan. Er kan
ook een hostnaam opgegeven worden, in welk geval het IPv4
of IPv6 adres dat met de hostnaam overeenkomst wordt
gebruikt. Meestal wordt er een hostnaam gebruikt als
inetd in een &man.jail.8;
draait en de hostnaam dus overeenkomst met de
&man.jail.8;-omgeving.Als er een hostnaam wordt aangegeven en zowel IPv4
als IPv6 zijn nodig, dan moeten er twee instellingen
in /etc/inetd.conf gemaakt worden,
voor beide protocollen een. Een TCP-gebaseerde
dienst heeft bijvoorbeeld twee regels met instellingen
nodig: tcp4 en tcp6
voor beide protocollen.-pGeeft het bestand aan waarin het proces ID opgeslagen
moet worden.Al deze opties kunnen aan inetd
meegegeven worden met de optie inetd_flags
in /etc/rc.conf. Standaard staat
inetd_flags op –wW,
dat TCP wrapping voor de interne en externe diensten van
inetd inschakelt. Voor beginnende
gebruikers hoeven deze waarden meestal niet aangepast te worden
of ingegeven te worden in
/etc/rc.conf.Een externe dienst is een daemon buiten
inetd, die wordt aangesproken als
er een verbinding voor wordt ontvangen. Een interne dienst
is een dienst die inetd vanuit
zichzelf kan aanbieden.inetd.confDe instellingen van inetd
worden beheerd in /etc/inetd.conf.Als er een wijziging wordt aangebracht in
/etc/inetd.conf, dan kan
inetd gedwongen worden om de
instellingen opnieuw in te lezen door een HangUP signaal naar
het inetd proces te sturen:inetd een HangUP signaal
sturen&prompt.root; kill -HUP `cat /var/run/inetd.pid`Iedere regel in het bestand met instellingen heeft
betrekking op een individuele daemon. Commentaar wordt vooraf
gegaan door een #. De opmaak van
/etc/inetd.conf is als volgt:service-name
socket-type
protocol
{wait|nowait}[/max-child[/max-connections-per-ip-per-minute]]
user[:group][/login-class]
server-program
server-program-argumentsEen voorbeeldregel voor de ftpd
daemon met IPv4:ftp stream tcp nowait root /usr/libexec/ftpd ftpd -lservice-nameDit is de dienstnaam van een daemon. Die moet
overeenkomen met een dienst uit
/etc/services. Hiermee kan de
poort waarop inetd moet
luisteren aangegeven worden. Als er een nieuwe dienst
wordt gemaakt, moet die eerst in
/etc/services gezet worden.socket-typeDit is stream,
dgram, raw of
seqpacket. stream
moet gebruikt worden voor connectie gebaseerde TCP
daemons, terwijl dgram wordt gebruikt
voor daemons die gebruik maken van het
UDP transport protocol.protocolEen van de volgende:ProtocolToelichtingtcp, tcp4TCP IPv4udp, udp4UDP IPv4tcp6TCP IPv6udp6UDP IPv6tcp46Zowel TCP IPv4 als v6udp46Zowel UDP IPv4 als v6{wait|nowait}[/max-child[/max-connections-per-ip-per-minute]] geeft aan of de daemon
die door inetd wordt
aangesproken zijn eigen sockets kan afhandelen of niet.
sockettypen moeten de optie
gebruiken, terwijl streamsocket
daemons, die meestal multi-threaded zijn, de optie
horen te gebruiken.
geeft meestal meerdere sockets aan
een daemon, terwijl een child
daemon spawnt voor iedere nieuwe socket.Het maximun aantal child daemons dat
inetd mag spawnen kan
ingesteld worden met de optie .
Als een limiet van tien instanties van een bepaalde
daemon gewenst is, dan zou er /10
achter gezet worden.Naast is er nog een andere
optie waarmee het maximale aantal verbindingen van een
bepaalde plaats naar een daemon ingesteld kan worden.
Dat kan met
. Een
waarde van tien betekent hier dat er van iedere IP adres
maximaal tien verbindingen naar daemon tot stand gebracht
kunnen worden. Dit kan gebruikt worden om bedoeld en
onbedoeld bronnengebruik van een machine te
voorkomen.In dit veld is of
verplicht.
en
zijn
optioneel.Een stream-type multi-threaded daemon zonder
or
limieten is eenvoudigweg:
nowait.Dezelfde daemon met een maximale limiet van tien
daemons zou zijn: nowait/10.Dezelfde instellingen met een limiet van twintig
connecties per IP adres per minuut en een totaal maximum
van tien child daemons zou zijn:
nowait/10/20.Deze opties worden allemaal gebruikt door de
standaardinstelling voor de
fingerd daemon:finger stream tcp nowait/3/10 nobody /usr/libexec/fingerd fingerd -suserDit is de gebruikersnaam waar een daemon onder
draait. Daemons draaien meestal als de gebruiker
root. Om veiligheidsredenen draaien
sommige daemons onder de gebruiker
daemon of de gebruiker met de minste
rechten: nobody.server-programHet volledige pad van de daemon die uitgevoerd moet
worden als er een verbinding wordt ontvangen. Als de
daemon een dienst is die door
inetd intern wordt geleverd,
dan moet de optie gebruikt
worden.server-program-argumentsDeze optie werkt samen met de optie
en hierin worden de
argumenten ingesteld, beginnend met
argv[0], die bij het starten aan de
daemon worden meegegeven. Als
mijndaemon -d de commandoregel is,
dan zou mijndaemon -d de waarde van
zijn. Hier
geldt ook dat als de daemon een interne dienst is, hier
de optie moet worden.BeveiligingAfhankelijk van het beveiligingsprofiel dat bij de
installatie is gekozen, kunnen veel van de daemons van
inetd standaard ingeschakeld zijn.
Het is verstandig een daemon die niet noodzakelijk is uit te
schakelen! Dat kan door een # voor de daemon
in /etc/inetd.conf en dan een hangup signaal naar inetd te
sturen. Sommige daemons, zoals
fingerd, zijn wellicht helemaal niet
gewenst omdat ze een aanvaller te veel informatie geven.Sommige daemons zijn zich niet echt bewust van beveiliging
en hebben lange of niet bestaande time-outs voor
verbindingspogingen. Hierdoor kan een aanvaller langzaam veel
verbindingen maken met een daemon en zo beschikbare bronnen
verzadigen. Het is verstandig voor die daemons de limietopties
en
te gebruiken.TCP wrapping staat standaard aan. Er staat meer informatie
over het zetten van TCP restricties op de verschillende daemons
die door inetd worden aangesproken
in &man.hosts.access.5;.Allerleidaytime,
time,
echo,
discard,
chargen en
auth zijn allemaal interne diensten
van inetd.De dienst auth biedt
identiteitsnetwerkdiensten (ident,
identd) en is tot op een bepaald
niveau instelbaar.Er staat meer informatie in &man.inetd.8;.TomRhodesGereorganiseerd en verbeterd door BillSwingleGeschreven door Netwerkbestandssysteem (NFS)NFSHet Netwerkbestandssysteem (Network File System) is een van
de vele bestandssystemen die &os; ondersteunt. Het staat ook wel
bekend als NFS.
Met NFS is het
mogelijk om mappen en bestanden met anderen in een netwerk te
delen. Door het gebruik van NFS kunnen gebruikers en
programma's bij bestanden op andere systemen op bijna dezelfde
manier als bij hun eigen lokale bestanden.De grootste voordelen van NFS zijn:Lokale werkstations gebruiken minder schijfruimte omdat
veel gebruikte data op één machine opgeslagen
kan worden en nog steeds toegankelijk is voor gebruikers via
het netwerk;Gebruikers hoeven niet op iedere machine een thuismap te
hebben. Thuismappen kunnen op de NFS
server staan en op het hele netwerk beschikbaar zijn;Opslagapparaten als floppydisks, cd-rom drives en
&iomegazip; drives kunnen door andere machines op een netwerk
gebruikt worden. Hierdoor kan het aantal drives met
verwijderbare media in een netwerk verkleind worden.Hoe NFS werktNFS bestaat uit tenminste twee
hoofdonderdelen: een server en een of meer clients. De client
benadert de gegevens die op een server machine zijn opgeslagen
via een netwerk. Om dit mogelijk te maken moeten er een aantal
processen ingesteld en gestart worden.In &os; 4.X is het hulpprogramma
portmap gebruikt in plaats van
rpcbind. Dus in &os; 4.X
moet elke rpcbind vervangen
worden door portmap in de
volgende voorbeelden.Op de server moeten de volgende daemons draaien:NFSserverfileserverUNIX clientsrpcbindportmapmountdnfsdDaemonBeschrijvingnfsdDe NFS daemon die verzoeken van
de NFS clients afhandelt.mountdDe NFS mountdaemon die
doorgestuurde verzoeken van &man.nfsd.8;
uitvoert.rpcbindDeze daemon geeft NFS
clients aan welke poort de NFS
server gebruikt.Op de client kan ook een daemon draaien:
nfsiod. De
nfsiod daemon handelt verzoeken van
de NFS server af. Dit is optioneel en kan
de prestaties verbeteren, maar het is niet noodzakelijk voor
een normale en correcte werking. Meer informatie staat in
&man.nfsiod.8;.NFS instellenNFSinstellenNFS instellen gaat redelijk rechtlijnig.
Alle processen die moeten draaien kunnen meestarten bij het
opstarten door een paar wijzigingen in
/etc/rc.conf.Op de NFS server dienen de volgende
opties in /etc/rc.conf te staan:rpcbind_enable="YES"
nfs_server_enable="YES"
mountd_flags="-r"mountd start automatisch als de
NFS server is ingeschakeld.Op de client dient de volgende optie in
/etc/rc.conf te staan:nfs_client_enable="YES"In het bestand /etc/exports staat
beschreven welke bestandssystemen NFS moet
exporteren (soms heet dat ook wel delen of
sharen). Iedere regel in
/etc/exports slaat op een bestandssysteem
dat wordt geëxporteerd en welke machines toegang hebben
tot dat bestandssysteem. Samen met machines die toegang
hebben, kunnen ook toegangsopties worden aangegeven. Er zijn
veel opties beschikbaar, maar hier worden er maar een paar
beschreven. Alle opties staan beschreven in
&man.exports.5;.Nu volgen een aantal voorbeelden voor
/etc/exports:NFSexport voorbeeldenHet volgende voorbeeld geeft een beeld van hoe een
bestandssysteem te exporteren, hoewel de instellingen
afhankelijk zijn van de omgeving en het netwerk. Om
bijvoorbeeld de map /cdrom te exporteren
naar drie machines die dezelfde domeinnaam hebben als de server
(vandaar dat de machinenamen geef domeinachtervoegsel hebben)
of in /etc/hosts staan. De vlag
exporteert het bestandssysteem als
alleen–lezen. Door die vlag kan een ander systeem niet
schrijven naar het geëxporteerde bestandssysteem./cdrom -ro host1 host2 host3Het volgende voorbeeld exporteert
/home naar drie hosts op basis van IP
adres. Dit heeft zin als er een privaat netwerk bestaat,
zonder dat er een DNS server is ingesteld.
Optioneel kan /etc/hosts gebruikt worden
om interne hostnamen in te stellen. Er is meer informatie te
vinden in &man.hosts.5;. Met de vlag
mogen submappen ook mountpunten zijn. De submap wordt dan niet
feitelijk gemount, maar de client mount dan alleen de submappen
die verplicht of nodig zijn./home -alldirs 10.0.0.2 10.0.0.3 10.0.0.4Het volgende voorbeeld exporteert /a
zo dat twee clients uit verschillende domeinen bij het
bestandssysteem mogen. Met de vlag
mag de gebruiker op het
andere systeem gegevens naar het geëxporteerde
bestandssysteem schrijven als root. Als
de vlag niet wordt gebruikt, dan
kan een gebruiker geen bestanden wijzigen op het
geëxporteerde bestandssysteem, zelfs niet als een
gebruiker daar root is./a -maproot=root host.example.com box.example.orgOm een client toegang te geven tot een geëxporteerd
bestandssysteem, moet die client daar rechten voor hebben. De
client moet daarvoor genoemd worden in
/etc/exports.In /etc/exports staat iedere regel
voor de exportinformatie van één bestandssysteem
naar één host. Per bestandssysteem mag een host
maar één keer genoemd worden en mag maar
één standaard hebben. Stel bijvoorbeeld dat
/usr een enkel bestandssysteem is. Dan is
de volgende /etc/exports niet
valide:># Werkt niet als /usr 1 bestandssysteem is
/usr/src client
/usr/ports clientEén bestandssysteem, /usr,
heeft twee regels waarin exports naar dezelfde host worden
aangegeven, client. In deze situatie is de
juiste instelling:/usr/src /usr/ports clientDe eigenschappen van een bestandssysteem dat naar een
bepaalde host wordt geëxporteerd moeten allemaal op
één regel staan. Regels waarop geen client
wordt aangegeven worden behandeld als een enkele host. Dit
beperkt hoe bestandssysteem geëxporteerd kunnen worden,
maar dat blijkt meestal geen probleem.Het volgende voorbeeld is een valide exportlijst waar
/usr en /exports
lokale bestandssystemen zijn:# Export src and ports to client01 and client02, but only
# client01 has root privileges on it
/usr/src /usr/ports -maproot=root client01
/usr/src /usr/ports client02
# The client machines have root and can mount anywhere
# on /exports. Anyone in the world can mount /exports/obj read-only
/exports -alldirs -maproot=root client01 client02
/exports/obj -roAls /etc/exports wordt aangepast, moet
mountd herstart worden om de
wijzigingen actief te maken. Dat kan door een HUP signaal naar
het mountd proces te sturen:&prompt.root; kill -HUP `cat /var/run/mountd.pid`Het is ook mogelijk een machine te herstarten, zodat &os;
alles netjes in kan stellen, maar dat is niet nodig. Het
uitvoeren van de volgende commando's als
root hoort hezelfde resultaat te
hebben.Op de NFS server:&prompt.root; rpcbind
&prompt.root; nfsd -u -t -n 4
&prompt.root; mountd -rOp de NFS client:&prompt.root; nfsiod -n 4Nu is alles klaar om feitelijk het netwerkbestandssysteem
te mounten. In de volgende voorbeelden is de naam van de
server server en de naam van de client is
client. Om een netwerkbestandssysteem
slechts tijdelijk te mounten of om alleen te testen, kan een
commando als het onderstaande als root op
de client uitgevoerd worden:NFSmounten&prompt.root; mount server:/home /mntHiermee wordt de map /home op de
server gemount op /mnt op de client. Als
alles juist is ingesteld, zijn nu in /mnt
op de client de bestanden van de server zichtbaar.Om een netwerkbestandssysteem iedere keer als een computer
opstart te mounten, kan het bestandssysteem worden toegevoegd
aan /etc/fstab file:server:/home /mnt nfs rw 0 0Alle beschikbare opties staan in &man.fstab.5;.Mogelijkheden voor gebruikNFS is voor veel doeleinden in te
zetten. Een aantal voorbeelden:NFSgebruikEen aantal machines een cd-rom of andere media laten
delen. Dat is goedkoper en vaak ook handiger, bijvoorbeeld
bij het installeren van software op meerdere
machines;Op grote netwerken kan het praktisch zijn om een
centrale NFS server in te richten,
waarop alle thuismappen staan. Die thuismappen kunnen dan
geëxporteerd worden, zodat gebruikers altijd
dezelfde thuismap hebben, op welk werkstation ze ook
aanmelden;Meerdere machines kunnen een gezamenlijke map
/usr/ports/distfiles hebben. Dan is
het mogelijk om een port op meerdere machines te
installeren, zonder op iedere machine de broncode te hoeven
downloaden.WylieStilwellGeschreven door ChernLeeHerschreven door Automatisch mounten met
amdamdautomatic mounter daemon&man.amd.8; (de automatic mounter daemon) mount automatisch
netwerkbestandssystemen als er aan een bestand of map binnen
dat bestandssysteem wordt gerefereerd.
amd unmount ook bestandssystemen die
een bepaalde tijd niet gebruikt worden. Het gebruikt van
amd is een aantrekkelijk en
eenvoudig alternatief ten opzichte van permanente mounts,
die meestal in /etc/fstab staan.amd werkt door zichzelf als
NFS server te koppelen aan de mappen /host
en /net. Als binnen die mappen een
bestand wordt geraadpleegd, dan zoekt
amd de bijbehorende netwerkmount op
en mount die automatisch. /net wordt
gebruikt om een geëxporteerd bestandssysteem van een
IP adres te mounten, terwijl /host wordt
gebruikt om een geëxporteerd bestandssysteem van een
hostnaam te mounten.Het raadplegen van een bestand in
/host/foobar/usr geeft
amd aan dat die moet proberen de
/usr export op de host
foobar te mounten.Een export mounten met
amdDe beschikbare mounts van een netwerkhost zijn te
bekijken met showmount. Om bijvoorbeeld
de mounts van de host foobar te
bekijken:&prompt.user; showmount -e foobar
Exports list on foobar:
/usr 10.10.10.0
/a 10.10.10.0
&prompt.user; cd /host/foobar/usrZoals in het bovenstaande voorbeeld te zien is, toont
showmount/usr als een
export. Als er naar de map
/host/foobar/usr wordt gegaan, probeert
amd de hostnaam
foobar te resolven en de gewenste export
automatisch te mounten.amd kan gestart worden door de
opstartscript door de volgende regel in
/etc/rc.conf te plaatsen:amd_enable="YES"Er kunnen ook nog opties meegegeven worden aan
amd met de optie
amd_flags. Standaard staat
amd_flags ingesteld op:amd_flags="-a /.amd_mnt -l syslog /host /etc/amd.map /net /etc/amd.map"In het bestand /etc/amd.map staan
de standaardinstellingen waarmee exports gemount worden. In
het bestand /etc/amd.conf staan een
aantal van de meer gevorderde instellingen van
amd.In &man.amd.8; en &man.amd.conf.5; staat meer
informatie.JohnLindGeschreven door Problemen bij samenwerking met andere systemenBepaalde Ethernet adapters voor ISA PC systemen kennen
limieten die tot serieuze netwerkproblemen kunnen leiden, in
het bijzonder met NFS. Dit probleem is niet specifiek voor
&os;, maar het kan op &os; wel voor komen.Het probleem ontstaat bijna altijd als (&os;) PC systemen
netwerken met high-performance werkstations, zoals van Silicon
Graphics, Inc. en Sun Microsystems, Inc. De NFS mount werkt
prima en wellicht lukken een aantal acties ook, maar dan ineens
lijkt de server niet meer te reageren voor de client, hoewel
verzoeken van en naar andere systemen gewoon verwerkt worden.
Dit gebeurt op een clientsysteem, of de client nu het &os
systeem is of het werkstation. Op veel systemen is er geen
manier om de client netjes af te sluiten als dit probleem is
ontstaan. Vaak is de enige mogelijkheid een reset van de
client, omdat het probleem met NFS niet opgelost kan
worden.Hoewel de enige correcte oplossing de
aanschaf van een snellere en betere Ethernet adapter voor het
&os; systeem is, is er zo om het probleem heen te werken dat
het werkbaar is. Als &os; de server is,
kan de optie gebruikt worden bij het
mounten door de client. Als het &os; systeem de
client is, dan dient het NFS
bestandssysteem gemount te worden met de optie
. Deze opties kunnen het vierde
veld zijn in een regel in fstab voor
automatische mounts en bij handmatige mounts met &man.mount.8;
kan de parameter gebruikt worden.Soms wordt een ander probleem voor dit probleem versleten,
als servers en clients zich op verschillende netwerken
bevinden. Als dat het geval is, dan dient
vastgesteld te worden dat routers de
UDP informatie op de juiste wijze routeren,
omdat er anders nooit NFS verkeer gerouteerd kan worden.In de volgende voorbeelden is fastws de
host(interface)naam van een high-performance werkstation en
freebox is de host(interface)naam van een &os;
systeem met een Ehernet adapter die mindere prestaties levert.
/sharedfs wordt het geëxporteerde
NFS bestandssysteem (zie &man.exports.5;) en
/project wordt het mountpunt voor het
geëxporteerde bestandssysteem op de client.
In sommige gevallen kunnen applicaties beter draaien als
extra opties als of
en gebruikt
worden.Voorbeelden voor het &os; systeem
(freebox) als de client in
/etc/fstab op
freebox:fastws:/sharedfs /project nfs rw,-r=1024 0 0Als een handmatig mountcommando op
freebox:&prompt.root; mount -t nfs -o -r=1024 fastws:/sharedfs /projectVoorbeelden voor het &os; systeem als de server in
/etc/fstab op
fastws:freebox:/sharedfs /project nfs rw,-w=1024 0 0Als een handmatig mountcommando op
fastws:&prompt.root; mount -t nfs -o -w=1024 freebox:/sharedfs /projectBijna iedere 16–bit Ethernet adapter werkt zonder de
hierboven beschreven restricties op de lees- en
schrijfgrootte.Voor wie het wil weten wordt nu beschreven wat er gebeurt
als de fout ontstaan, wat ook duidelijk maakt waarom het niet
hersteld kan worden. NFS werkt meestal met een
blockgrootte van 8 K (hoewel het mogelijk
is dat er kleinere fragmenten worden verwerkt). Omdat de
maximale grootte van een Ethernet pakket rond de
1500 bytes ligt, wordt een block
opgesplitst in meerdere Ethernet pakketten, hoewel het hoger in
de code nog steeds één eenheid is, en wordt
ontvangen, samengevoegd en bevestigd
als een eenheid. De high-performance werkstations kunnen de
pakketten waaruit een NFS eenheid bestaat bijzonder snel naar
buiten pompen. Op de kaarten met minder capaciteit worden de
eerdere pakketten door de latere pakketten van dezelfde eenheid
ingehaald voordat ze bij die host zijn aangekomen en daarom kan
de eenheid niet worden samengesteld en bevestigd. Als gevolg
daarvan ontstaat er op het werkstation een time-out en probeert
die de eenheid opnieuw te sturen, maar dan weer de hele eenheid
van 8 K, waardoor het proces wordt herhaald, ad
infinitum.Door de grootte van de eenheid kleiner te houden dan de
grootte van een Ethernet pakket, is het zeker dat elk Ethernet
pakket dat compleet is aangekomen bevestigd kan worden, zodat
de deadlock niet ontstaat.Toch kan een PC systeem nog wel overrompeld worden als
high-performance werkstations er op inhakken, maar met de
betere netwerkkaarten valt het dan in ieder geval niet om door
de NFS eenheden. Als het systeem toch wordt
overrompeld, dan worden de betrokken eenheden opnieuw
verstuurd en dan is de kans groot dat ze worden ontvangen,
samengevoegd en bevestigd.BillSwingleGeschreven door EricOgrenVerbeterd door UdoErdelhoffNetwerkinformatiesysteem (NIS/YP)Wat is het?NISSolarisHP-UXAIXLinuxNetBSDOpenBSDNIS,
dat staat voor Netwerkinformatiediensten (Network Information
Services), is ontwikkeld door Sun Microsystems om het beheer
van &unix; (origineel &sunos;) systemen te centraliseren.
Tegenwoordig is het eigenlijk een industriestandaard geworden.
Alle grote &unix; achtige systemen (&solaris;, HP-UX, &aix;,
&linux;, NetBSD, OpenBSD, &os;, enzovoort) ondersteunen
NIS.yellow pagesNISNIS
stond vroeger bekend als Yellow Pages, maar vanwege problemen
met het handelsmerk heeft Sun de naam veranderd. De oude term,
en yp, wordt nog steeds vaak gebruikt.NISdomeinenHet is een op RPC gebaseerd client/server systeem waarmee
een groep machines binnen een NIS domein een gezamenlijke set
met instellingenbestanden kan delen. Hierdoor kan een
beheerder NIS systemen opzetten met een minimaal aantal
instellingen en vanaf een centrale lokatie instellingen
toevoegen, verwijderen en wijzigen.Windows NTHet is te vergelijken met het &windowsnt; domeinsysteem en
hoewel de interne implementatie van de twee helemaal niet
overeenkomt, is de basisfunctionaliteit vergelijkbaar.Termen en processen om te onthoudenEr zijn een aantal termen en belangrijke
gebruikersprocessen die een rol spelen bij het implementeren
van NIS op &os;, zowel bij het maken van een NIS server als bij
het maken van een systeem dan NIS client is:rpcbindportmapTermBeschrijvingNIS domeinnaamEen NIS master server en al zijn clients
(inclusief zijn slave master) hebben een NIS
domeinnaan. Vergelijkbaar met een &windowsnt;
domeinnaam, maar de NIS domeinnaam heeft niets te maken
met DNS.rpcbindMoet draaien om RPC (Remote
Procedure Call in te schakelen, een netwerkprotocol dat
door NIS gebruikt wordt). Als
rpcbind niet draait, dan kan
een NIS server niet draaien en kan een machine ook geen
NIS client zijn (In &os; 4.X wordt
portmap in plaats van
rpcbind).ypbindVerbindt een NIS client aan zijn
NIS server. Dat gebeurt door met de NIS domeinnaam van
het systeem en door het gebruik van RPC
te verbinden met de server.
ypbind is de kern van
client-server communicatie in een NIS omgeving. Als
ypbind op een machine
stopt, dan kan die niet meer bij de NIS server
komen.ypservHoort alleen te draaien op NIS servers. Dit is
het NIS server proces zelf. Als &man.ypserv.8; stopt,
dan kan de server niet langer reageren op NIS
verzoeken (hopelijk is er dan een slave server om het
over te nemen). Er zijn een aantal implementaties van
NIS, maar niet die op &os;, die geen verbinding met
een andere server proberen te maken als de server
waarmee ze verbonden waren niet meer reageert. In dat
geval is vaak het enige dat werkt het server proces
herstarten (of zelfs de hele server) of het
ypbind proces op de
client.rpc.yppasswddNog een proces dat alleen op NIS master servers
hoort te draaien. Dit is een daemon waarbij NIS
clients hun NIS wachtwoorden kunnen wijzigen. Als deze
daemon niet draait, moeten gebruikers aanmelden op de
NIS master server en daar hun wachtwoord wijzigen.Hoe werkt het?Er zijn drie typen hosts in een NIS omgeving: master
servers, slave servers en clients. Servers zijn het centrale
depot voor instellingen voor een host. Master servers
bevatten de geauthoriseerd kopie van die informatie, terwijl
slave servers die informatie spiegelen voor redundantie.
Clients verlaten zich op de servers om hun die informatie ter
beschikking te stellen.Op deze manier kan informatie uit veel bestanden gedeeld
worden. De bestanden master.passwd,
group en hosts
worden meestal via NIS gedeeld. Als een proces op een client
informatie nodig heeft die normaliter in een van die lokale
bestanden staat, dan vraagt die het in plaats daarvan aan
de NIS servers waarmee hij verbonden is.Soorten machinesNISmaster serverEen NIS master server. Deze
server onderhoudt, analoog aan een &windowsnt; primary
domain controller, de bestanden die door alle NIS clients
gebruikt worden. De bestanden
passwd, group
en andere bestanden die door de NIS clients gebruikt
worden staan op de master server.Het is mogelijk om één machine master
server te laten zijn voor meerdere NIS domeinen. Dat
wordt in deze inleiding echter niet beschreven, omdat
die uitgaat van een relatief kleine omgeving.NISslave serverNIS slave servers. Deze zijn
te vergelijken met &windowsnt; backup domain controllers.
NIS slave servers beheren een kopie van de bestanden met
gegevens op de NIS master. NIS slave servers bieden
redundantie, die nodig is in belangrijke omgevingen. Ze
helpen ook om de belasting te verdelen met de master
server: NIS client maken altijd een verbinding met de NIS
server die het eerst reageert en dat geldt ook voor
antwoorden van slave servers.NISclientNIS clients. NIS clients
authenticeren, net als de meeste &windowsnt;
werkstations, tegen de NIS server (of de &windowsnt;
domain controller in het geval van &windowsnt;
werkstations) bij het aanmelden.NIS/YP gebruikenDit onderdeel behandelt het opzetten van een
NIS voorbeeldomgeving.Dit onderdeel veronderstelt dat &os; 3.3 of later
draait. De nu volgende instructies werken
waarschijnlijk voor iedere versie van
&os; hoger dan 3.0, maar dat hoeft niet waar te zijn.PlannenEr wordt uitgegaan van een beheerder van een klein
universiteitslab. Dat lab, dat bestaat uit &os; machines,
kent op dit moment geen centraal beheer. Iedere machine
heeft zijn eigen /etc/passwd en
/etc/master.passwd. Die bestanden
worden alleen met elkaar in lijn gehouden door handmatige
handelingen. Als er op dit moment een gebruiker aan het lab
wordt toegevoegd, moet adduser op alle 15
machines gedraaid worden. Dat moet natuurlijk veranderen en
daarom is besloten het lab in te richten met NIS, waarbij
twee machines als server worden gebruikt.Het lab ziet er ongeveer als volgt uit:MachinenaamIP adresRol Machineellington10.0.0.2NIS mastercoltrane10.0.0.3NIS slavebasie10.0.0.4Wetenschappelijk werkstationbird10.0.0.5Client machinecli[1-11]10.0.0.[6-17]Andere client machinesBij het voor de eerste keer instellen van een NIS schema
is het verstandig eerst na te denken over hoe dat opgezet
moet worden. Hoe groot een netwerk ook is, er moeten een
aantal beslissingen gemaakt worden.Een NIS domeinnaam kiezenNISdomeinnaamDit is wellicht niet de bekende
domeinnaam. Daarom wordt het ook de
NIS domeinnaam genoemd. Bij de broadcast
van een client om informatie wordt ook de naam van het NIS
domein waar hij onderdeel van uitmaakt meegezonden. Zo
kunnen meerdere servers op een netwerk bepalen of er
antwoord gegeven dient te worden op een verzoek. De NIS
domeinnaam is kan voorgesteld worden als de naam van een
groep hosts op op een of andere manier aan elkaar
gerelateerd zijn.Sommige organisaties kiezen hun internet domeinnaam als
NIS domeinnaam. Dat wordt niet aangeraden omdat het voor
verwarring kan zorgen bij het debuggen van
netwerkproblemen. De NIS domeinnaam moet uniek zijn binnen
een netwerk en het is handig als die de groep machines
beschrijft waarvoor hij geldt. Zo kan bijvoorbeeld de
Financiële afdeling van Acme Inc. als NIS domeinnaam
acme-fin hebben. In dit voorbeeld wordt
de naam test-domain gekozen.SunOSSommige besturingssystemen gebruiken echter (met name
&sunos;) hun NIS domeinnaam als hun internet domeinnaam.
Als er machines zijn op een netwerk die deze restrictie
kennen, dan moet de internet
domeinnaam als de naam voor het NIS domainnaam gekozen
worden.SysteemeisenBij het kiezen van een machine die als NIS server wordt
gebruikt zijn er een aantal aandachtspunten. Een van de
onhandige dingen aan NIS is de afhankelijkheid van de
clients van de server. Als een client de server voor zijn
NIS domein niet kan bereiken, dan wordt die machine vaak
onbruikbaar. Door het gebrek aan gebruiker- en
groepsinformatie bevriezen de meeste systemen. Daarom moet
er een machine gekozen worden die niet vaak herstart hoeft
te worden of wordt gebruikt voor ontwikkeling. De NIS
server is in het meest ideale geval een alleenstaande
server die als enige doel heeft NIS server te zijn. Als
een netwerk niet zwaar wordt gebruikt, kan de NIS server op
een machine die ook andere diensten aanbiedt gezet worden,
maar het blijft belangrijk om ervan bewust te zijn dat als
de NIS server niet beschikbaar is, dat nadelige invloed
heeft op alle NIS clients.NIS serversDe hoofdversies van alle NIS informatie staan opgeslagen
op één machine die de NIS master server heet.
De databases waarin de informatie wordt opgeslagen heten NIS
maps. In &os; worden die maps opgeslagen in
/var/yp/[domainnaam] waar
[domeinnaam] de naam is van het NIS
domein dat wordt bediend. Een enkele NIS server kan
tegelijkertijd meerdere NIS domeinen ondersteunen en het is
dus mogelijk dat er meerdere van zulke mappen zijn, een voor
ieder ondersteund domein. Ieder domein heeft zijn eigen
onafhankelijke set maps.In NIS master en slave servers worden alle NIS verzoeken
door de ypserv daemon afgehandeld.
ypserv is verantwoordelijk voor het
ontvangen van inkomende verzoeken van NIS clients, het
vertalen van de gevraagde domeinnaam en mapnaam naar een pad
naar het corresponderende databasebestand en het terugsturen
van de database naar de client.Een NIS master server opzettenNISserver opzettenHet opzetten van een master NIS server kan erg
eenvoudig zijn, afhankelijk van de behoeften. &os; heeft
ondersteuning voor NIS als basisfunctie. Alleen de
volgende regels hoeven aan
/etc/rc.conf toegevoegd te worden en
&os; doet de rest:nisdomainname="test-domain"
Deze regel stelt de NIS domainnaam in op
test-domain bij het instellen van
het netwerk (bij het opstarten).nis_server_enable="YES"
Dit geeft &os; aan de NIS server processen te starten
als het netwerk de volgende keer wordt
opgestart.nis_yppasswdd_enable="YES"
Dit schakelt de dameon rpc.yppasswdd
in die, zoals al eerder aangegeven, clients toestaat
om hun NIS wachtwoord vanaf een client machine te
wijzigen.Afhankelijk van de inrichting van NIS, kunnen er nog
meer instellingen nodig zijn. In het onderdeel NIS Servers die
ook NIS Clients Zijn staan meer details.Nu hoeft alleen /etc/netstart als
superuser uitgevoerd te worden. Dat stelt alles in met
gebruikmaking van de waarden uit
/etc/rc.conf.NIS maps initialiserenNISmapsDie NIS maps zijn
databasebestanden die in de map
/var/yp staan. Ze worden gemaakt uit
de bestanden met instellingen uit de map
/etc van de NIS master, met
één uitzondering:
/etc/master.passwd. Daar is een goede
reden voor, want het is niet wenselijk om de wachtwoorden
voor root en andere administratieve
accounts naar alle servers in het NIS domein te sturen.
Daar moet voor het initialiseren van de NIS maps het
volgende uitgevoerd worden:&prompt.root; cp /etc/master.passwd /var/yp/master.passwd
&prompt.root; cd /var/yp
&prompt.root; vi master.passwdDan horen alle systeemaccounts verwijderd te worden
(bin, tty,
kmem, games,
enzovoort) en alle overige accounts waarvoor het niet
wenselijk is dat ze op de NIS clients terecht komen
(bijvoorbeeld root en alle andere UID
0 (superuser) accounts)./var/yp/master.passwd hoort niet
te lezen te zijn voor een groep of voor de wereld (dus
modus 600)! Voor het aanpassen van de rechten kan
chmod gebruikt worden.Tru64 UNIXAls dat is gedaan, kunnen de NIS maps
geïnitialiseerd worden. Bij &os; zit een script
ypinit waarmee dit kan (in de hulppagina
staat meer informatie). Dit script is beschikbaar op de
meeste &unix; besturingssystemen, maar niet op allemaal.
Op Digital UNIX/Compaq Tru64 UNIX heet het
ypsetup. Omdat er maps voor een NIS
master worden gemaakt, wordt de optie
meegegeven aan
ypinit. Aangenomen dat de voorgaande
stappen zijn uitgevoerd, kunnen de NIS maps gemaakt worden
op de volgende manier:ellington&prompt.root; ypinit -m test-domain
Server Type: MASTER Domain: test-domain
Creating an YP server will require that you answer a few questions.
Questions will all be asked at the beginning of the procedure.
Do you want this procedure to quit on non-fatal errors? [y/n: n] n
Ok, please remember to go back and redo manually whatever fails.
If you don't, something might not work.
At this point, we have to construct a list of this domains YP servers.
rod.darktech.org is already known as master server.
Please continue to add any slave servers, one per line. When you are
done with the list, type a <control D>.
master server : ellington
next host to add: coltrane
next host to add: ^D
The current list of NIS servers looks like this:
ellington
coltrane
Is this correct? [y/n: y] y
[..uitvoer van het maken van de maps..]
NIS Map update completed.
ellington has been setup as an YP master server without any errors.ypinit hoort
/var/yp/Makefile gemaakt te hebben uit
/var/yp/Makefile.dist. Als dit
bestand is gemaakt, neemt dat bestand aan dat er in een
omgeving met een enkele NIS server wordt gewerkt met alleen
&os; machines. Omdat test-domain ook
een slave server bevat, dient
/var/yp/Makefile gewijzigd te
worden:ellington&prompt.root; vi /var/yp/MakefileAls de onderstaande regel niet al uitgecommentarieerd
is, dient dat alsnog te gebeuren:NOPUSH = "True"Een NIS slave server opzettenNISslave serverHet opzetten van een NIS slave server is nog
makkelijker dan het opzetten van de master. Dit kan door
aan te melden op de slave server en net als voor de master
server /etc/rc.conf te wijzigen. Het
enige verschil is dat nu de optie
gebruikt wordt voor het draaien van
ypinit. Met de optie
moet ook de naam van de NIS
master meegegven worden. Het commando ziet er dus als
volgt uit:coltrane&prompt.root; ypinit -s ellington test-domain
Server Type: SLAVE Domain: test-domain Master: ellington
Creating an YP server will require that you answer a few questions.
Questions will all be asked at the beginning of the procedure.
Do you want this procedure to quit on non-fatal errors? [y/n: n] n
Ok, please remember to go back and redo manually whatever fails.
If you don't, something might not work.
There will be no further questions. The remainder of the procedure
should take a few minutes, to copy the databases from ellington.
Transferring netgroup...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring netgroup.byuser...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring netgroup.byhost...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring master.passwd.byuid...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring passwd.byuid...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring passwd.byname...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring group.bygid...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring group.byname...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring services.byname...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring rpc.bynumber...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring rpc.byname...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring protocols.byname...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring master.passwd.byname...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring networks.byname...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring networks.byaddr...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring netid.byname...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring hosts.byaddr...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring protocols.bynumber...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring ypservers...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
Transferring hosts.byname...
ypxfr: Exiting: Map successfully transferred
coltrane has been setup as an YP slave server without any errors.
Don't forget to update map ypservers on ellington.Nu hoort er een map
/var/yp/test-domain te zijn waarin
kopieë van de NIS master server maps staan. Die
moeten bijgewerkt blijven. De volgende regel in
/etc/crontab op de slave servers
regelt dat:20 * * * * root /usr/libexec/ypxfr passwd.byname
21 * * * * root /usr/libexec/ypxfr passwd.byuidMet de bovenstaande twee regels wordt de slave
gedwongen zijn maps met de maps op de master server te
synchroniseren. Hoewel dit niet verplicht is, omdat de
master server probeert veranderingen aan de NIS maps door
te geven aan zijn slaves, is het wel verstandig om een
slave tot bijwerken te dwingen, omdat wachtwoordinformatie
van vitaal belang is voor systemen die van de server
afhankelijk zijn. Dit is des te belangrijker op drukke
netwerken, omdat daar het bijwerken van maps niet altijd
compleet afgehandeld hoeft te worden.Nu kan ook op de slave server het commando
/etc/netstart uitgevoerd worden, dat op
zijn beurt de NIS server start.NIS clientsEen NIS client maakt wat heet een verbinding (binding)
met een NIS server met de ypbind daemon.
ypbind controleert het standaarddomein van
het systeem (zoals ingesteld met
domainname) en begint met het broadcasten
van RPC verzoeken op het lokale netwerk. Die verzoeken
bevatten de naam van het domein waarvoor
ypbind een binding probeert te maken. Als
een server die is ingesteld om het gevraagde domein te
bedienen een broadcast ontvangt, dan antwoordt die aan
ypbind dat dan het IP adres van de server
opslaat. Als er meerdere servers beschikbaar zijn, een
master en bijvoorbeeld meerdere slaves, dan gebruikt
ypbind het adres van de eerste server die
antwoord geeft. Vanaf dat moment stuurt de client alle NIS
verzoeken naar die server. ypbindpingt de server zo nu en dan om te controleren
of die nog draait. Als er na een bepaalde tijd geen antwoord
komt op een ping, dan markeert ypbind het
domein als niet verbonden en begint het broadcasten opnieuw,
in de hoop dat er een andere server wordt
gelocaliseerd.Een NIS client opzettenNISclient instellenHet opzetten van een &os; machine als NIS client is
redelijk doorzichtig:Wijzig /etc/rc.conf en voeg de
volgende regels toe om de NIS domeinnaam in te stellen
en ypbind mee te laten starten bij
het starten van het netwerk:nisdomainname="test-domain"
nis_client_enable="YES"Om alle mogelijke regels voor accounts uit de NIS
server te halen, dienen alle gebruikersaccounts uit
/etc/master.passwd verwijderd te
worden en dient met vipw de volgende
regel aan het einde van het bestand geplaatst te
worden:+:::::::::Door deze regel wordt alle geldige accounts
in de password map van de NIS server toegang gegeven.
Er zijn veel manieren om de NIS client in te stellen
door deze regel te veranderen. In het onderdeel
netgroups
hieronder staat meer informatie. Zeer gedetailleerde
informatie staat in het boek NFS en NIS
beheren van O'Reilly.Er moet tenminste één lokale
account behouden blijven (dus niet geïmporteerd
via NIS) in /etc/master.passwd
en die hoort ook lid te zijn van de groep
wheel. Als er iets mis is met
NIS, dan kan die account gebruikt worden om via het
netwerk aan te melden, root te
worden en het systeem te repareren.Om alle groepen van de NIS server te importeren,
kan de volgende regel aan
/etc/group toegevoegd
worden:+:*::Na het afronden van deze stappen zou met ypcat
passwd de passwd map van de NIS server te zien
moeten zijn.NIS beveiligingIn het algemeen kan iedere netwerkgebruiker een RPC verzoek
doen uitgaan naar &man.ypserv.8; en de inhoud van de NIS maps
ontvangen, mits die gebruiker de domeinnaam kent. Omdat soort
ongeautoriseerde transacties te voorkomen, ondersteunt
&man.ypserv.8; de optie securenets, die gebruikt
kan worden om de toegang te beperken tot een opgegeven aantal
hosts. Bij het opstarten probeert&man.ypserv.8; de securenets
informatie te laden uit het bestand
/var/yp/securenets.Dit pad kan verschillen, afhankelijk van het pad dat
opgegeven is met de optie . Dit
bestand bevat regels die bestaan uit een netwerkspecificatie
en een netwerkmasker, gescheiden door witruimte. Regels die
beginnen met # worden als commentaar
gezien. Een voorbeeld van een securenetsbestand zou er zo
uit kunnen zien:# allow connections from local host -- mandatory
127.0.0.1 255.255.255.255
# allow connections from any host
# on the 192.168.128.0 network
192.168.128.0 255.255.255.0
# allow connections from any host
# between 10.0.0.0 to 10.0.15.255
# this includes the machines in the testlab
10.0.0.0 255.255.240.0Als &man.ypserv.8; een verzoek ontvangt van een adres dat
overeenkomt met een van de bovenstaande regels, dan wordt dat
verzoek normaal verwerkt. Als er geen enkele regel op het
verzoek van toepassing is, dan wordt het verzoek genegeerd en
wordt er een waarschuwing gelogd. Als het bestand
/var/yp/securenets niet bestaat, dan
accepteert ypserv verbindingen van iedere
host.Het programma ypserv ondersteunt ook
het pakket TCP Wrapper van Wietse
Venema. Daardoor kan een beheerder de instellingenbestanden
van TCP Wrapper gebruiken voor
toegangsbeperking in plaats van
/var/yp/securenets.Hoewel beide methoden van toegangscontrole enige vorm van
beveiliging bieden, zijn ze net als de privileged port test
kwetsbaar voor IP spoofing aanvallen. Al het
NIS gerelateerde verkeer hoort door een firewall
tegengehouden te worden.Servers die gebruik maken van
/var/yp/securenets kunnen wellicht
legitieme verzoeken van NIS clients weigeren als die gebruik
maken van erg oude TCP/IP implementaties. Sommige van die
implementaties zetten alle host bits op nul als ze een
broadcast doen en/of kijken niet naar het subnetmasker als ze
het broadcastadres berekenen. Hoewel sommige van die
problemen opgelost kunnen worden door de instellingen op de
client aan te passen, zorgen andere problemen voor het
noodgedwongen niet langer kunnen gebruiker van NIS voor die
client of het niet langer gebruiken van
/var/yp/securenets.Het gebruik van /var/yp/securenets
op een server met zo'n oude implementatie van TCP/IP is echt
een slecht idee en zal leiden tot verlies van NIS
functionaliteit voor grote delen van een netwerk.tcpwrapperHet gebruik van het TCP
Wrapper pakket leidt tot langere wachttijden
op de NIS server. De extra vertraging kan net lang genoeg
zijn om een timeout te veroorzaken in clientprogramma's, in
het bijzonder als het netwerk druk is of de NIS server traag
is. Als een of meer clients last hebben van dat symptoom,
dan is het verstandig om de clientsystemen in kwestie NIS
slave server te maken en naar zichzelf te laten
wijzen.Aanmelden voor bepaalde gebruikers blokkerenIn het lab staat de machine basie, die
alleen faculteitswerkstation hoort te zijn. Het is niet
gewenst die machine uit het NIS domein te halen, maar het
passwd bestand op de master NIS server
bevat nu eenmaal accounts voor zowel de faculteit als de
studenten. Hoe kan dat opgelost worden?Er is een manier om het aanmelden van specifieke gebruikers
op een machine te weigeren, zelfs als ze in de NIS database
staan. Daarvoor hoeft er alleen maar
–username
aan het einde van /etc/master.passwd op de
client machine toegevoegd te worden, waar
username de gebruikersnaam van de
gebruiker die niet mag aanmelden is. Dit gebeurt bij voorkeur
met vipw, omdat vipw
de wijzigingen aan /etc/master.passwd
controleert en ook de wachtwoord database opnieuw bouwt na
het wijzigen. Om bijvoorbeeld de gebruiker
bill aan te kunnen laten aanmelden op
basie:basie&prompt.root; vipw[add -bill to the end, exit]
vipw: rebuilding the database...
vipw: done
basie&prompt.root; cat /etc/master.passwd
root:[password]:0:0::0:0:The super-user:/root:/bin/csh
toor:[password]:0:0::0:0:The other super-user:/root:/bin/sh
daemon:*:1:1::0:0:Owner of many system processes:/root:/sbin/nologin
operator:*:2:5::0:0:System &:/:/sbin/nologin
bin:*:3:7::0:0:Binaries Commands and Source,,,:/:/sbin/nologin
tty:*:4:65533::0:0:Tty Sandbox:/:/sbin/nologin
kmem:*:5:65533::0:0:KMem Sandbox:/:/sbin/nologin
games:*:7:13::0:0:Games pseudo-user:/usr/games:/sbin/nologin
news:*:8:8::0:0:News Subsystem:/:/sbin/nologin
man:*:9:9::0:0:Mister Man Pages:/usr/share/man:/sbin/nologin
bind:*:53:53::0:0:Bind Sandbox:/:/sbin/nologin
uucp:*:66:66::0:0:UUCP pseudo-user:/var/spool/uucppublic:/usr/libexec/uucp/uucico
xten:*:67:67::0:0:X-10 daemon:/usr/local/xten:/sbin/nologin
pop:*:68:6::0:0:Post Office Owner:/nonexistent:/sbin/nologin
nobody:*:65534:65534::0:0:Unprivileged user:/nonexistent:/sbin/nologin
+:::::::::
-bill
basie&prompt.root;UdoErdelhoffGeschreven door Netgroups gebruikennetgroupsDe methode uit het vorige onderdeel werkt prima als er maar
voor een beperkt aantal gebruikers en/of machines speciale
regels nodig zijn. Op grotere netwerken
gebeurt het gewoon dat er wordt vergeten
om een aantal gebruikers de aanmeldrechten op gevoelige
machines te ontnemen of dat zelfs iedere individuele machine
aangepast moet worden, waardoor het voordeel van NIS teniet
wordt gedaan: centraal beheren.De ontwikkelaars van NIS hebben dit probleem opgelost met
netgroups. Het doel en de semantiek
kunnen vergeleken worden met de normale groepen die gebruikt
worden op &unix; bestandssystemen. De belangrijkste
verschillen zijn de afwezigheid van een numeriek ID en de
mogelijkheid om een netgroup aan te maken die zowel gebruikers
als andere netgroups bevat.Netgroups zijn ontwikkeld om gebruikt te worden voor grote,
complexe netwerken met honderden gebruikers en machines. Aan
de ene kant is dat iets Goeds. Aan de andere kant is het wel
complex en bijna onmogelijk om netgroups met een paar
eenvoudige voorbeelden uit te leggen. Dat probleem wordt in de
rest van dit onderdeel duidelijk gemaakt.Stel dat de succesvolle implementatie van NIS in het lab
de interesse heeft gewekt van een centrale beheerclub. De
volgende taak is het uitbreiden van het NIS domein met een
aantal andere machines op de campus. De onderstaande twee
tabellen bevatten de namen van de nieuwe gebruikers en de
nieuwe machines met een korte beschijving.Gebruikersna(a)m(en)Beschrijvingalpha,
betaGewone medewerkers van de IT afdelingcharlie,
deltaJunior medewerkers van de IT afdelingecho,
foxtrott,
golf, ...Gewone medewerkersable,
baker, ...StagiairsMachinena(a)m(en)Beschrijvingwar, death,
famine,
pollutionDe belangrijkste servers. Alleen senior
medewerkers van de IT afdeling mogen hierop
aanmelden.pride, greed,
envy, wrath,
lust, slothMinder belangrijke servers. Alle leden van
de IT afdeling mogen aanmelden op deze
machines.one, two,
three, four,
...Gewone werkstations. Alleen
echte medewerkers mogen op deze
machines aanmelden.trashcanEen erg oude machine zonder kritische data. Zelfs
de stagiair mag deze doos gebruiken.Als deze restricties ingevoerd worden door iedere gebruiker
afzonderlijk te blokkeren, dan wordt er een
-user regel per
systeem toegevoegd aan de passwd voor
iedere gebruiker die niet mag aanmelden op dat systeem. Als
er maar één regel wordt vergeten, kan dat een
probleem opleveren. Wellicht lukt het nog dit juist in te
stellen bij de bouw van een machine, maar het wordt
echt vergeten de regels toe te voegen voor
nieuwe gebruikers in de produktiegase. Murphy was tenslotte
een optimist.Het gebruik van netgroups biedt in deze situatie een aantal
voordelen. Niet iedere gebruiker hoeft separaat afgehandeld te
worden. Een gebruik kan aan een of meer groepen worden
toegevoegd en aanmelden kan voor alle leden van zo'n groep
worden toegestaan of geweigerd. Als er een nieuwe machine
wordt toegevoegd, dan hoeven alleen de aanmeldrestricties voor
de netgroups te worden ingesteld. Als er een nieuwe gebruiker
wordt toegevoegd, dan hoeft die alleen maar aan de juiste
netgroups te worden toegevoegd. Die veranderingen zijn
niet van elkaar afhankelijk: geen voor iedere combinatie
van gebruiker en machine moet het volgende .... Als
de NIS opzet zorgvuldig is gepland, dan hoeft er maar
één instellingenbestand gewijzigd te worden om
toegang tot machines te geven of te ontnemen.De eerst stap is het initialiseren van de NIS map netgroup.
&man.ypinit.8; van &os; maakt deze map niet standaard, maar als
die is gemaakt, ondersteunt de NIS implementatie hem wel. Een
lege map wordt als volgt gemaakt:ellington&prompt.root; vi /var/yp/netgroupNu kan hij gevuld worden. In het gebruikte voorbeeld zijn
tenminste vier netgroups: IT medewerkers, IT junioren, gewone
medewerkers en stagiars.IT_MW (,alpha,test-domain) (,beta,test-domain)
IT_APP (,charlie,test-domain) (,delta,test-domain)
USERS (,echo,test-domain) (,foxtrott,test-domain) \
(,golf,test-domain)
STAGS (,able,test-domain) (,baker,test-domain)IT_MW, IT_APP
enzovoort, zijn de namen van de netgroups. Iedere groep tussen
haakjes bevat een of meer gebruikersnamen voor die groep. De
drie velden binnen een groep zijn:De na(a)m(en) van de host(s) waar de volgende
onderdelen geldig zijn. Als er geen hostnaam wordt
opgegeven dan is de regel geldig voor alle hosts. Als er
wel een hostnaam wordt opgegeven, dan wordt een donker,
spookachtig en verwarrend domein betreden.De naam van de account die bij deze netgroup
hoort.Het NIS domein voor de account. Er kunnen accounts
uit andere NIS domeinen geïmporteerd worden in een
netgroup als een beheerder zo ongelukkig is meerdere
NIS domeinen te hebben.Al deze velden kunnen jokerkarakters bevatten. Details
daarover staan in &man.netgroup.5;.netgroupsDe naam van een netgroup mag niet langer zijn dan acht
karakters, zeker niet als er andere besturingssystemen binnen
een NIS domein worden gebruikt. De namen zijn
hoofdlettergevoelig: alleen hoofdletters gebruiken voor de
namen van netgroups is een makkelijke manier om onderscheid
te kunnen maken tussen gebruikers-, machine- en
netgroupnamen.Sommige NIS clients (andere dan die op &os; draaien)
kunnen niet omgaan met netgroups met veel leden. Sommige
oudere versies van &sunos; gaan bijvoorbeeld lastig doen als
een netgroup meer dan 15 leden heeft.
Dit kan omzeild worden door meerdere sub-netgroups te maken
met 15 gebruikers of minder en een echte netgroup die de
sub-netgroups bevat:BIGGRP1 (,joe1,domain) (,joe2,domain) (,joe3,domain) [...]
BIGGRP2 (,joe16,domain) (,joe17,domain) [...]
BIGGRP3 (,joe31,domain) (,joe32,domain)
BIGGROUP BIGGRP1 BIGGRP2 BIGGRP3Dit proces kan herhaald worden als er meer dan 225
gebruikers in een netgroup moeten.Het activeren en distribueren van de nieuwe NIS map is
eenvoudig:ellington&prompt.root; cd /var/yp
ellington&prompt.root; makeHiermee worden drie nieuwe NIS maps gemaakt:
netgroup,
netgroup.byhost en
netgroup.byuser. Met &man.ypcat.1; kan
bekeken worden op de nieuwe NIS maps beschikbaar zijn:ellington&prompt.user; ypcat -k netgroup
ellington&prompt.user; ypcat -k netgroup.byhost
ellington&prompt.user; ypcat -k netgroup.byuserDe uitvoer van het eerste commando hoort te lijken op de
inhoud van /var/yp/netgroup. Het tweede
commando geeft geen uitvoer als er geen host-specifieke
netgroups zijn ingesteld. Het derde commando kan gebruikt
worden om een lijst van netgroups voor een gebruiker op te
vragen.Het instellen van de client is redelijk eenvoudig. Om de
server war in te stellen hoeft alleen met
&man.vipw.8; de volgende regel in de regel daarna vervangen te
worden:+:::::::::Vervang de bovenstaande regel in de onderstaande.+@IT_MW:::::::::Nu worden alleen de gebruikers die in de netgroup
IT_MW geïmporteerd in de wachtwoord
database van de host war, zodat alleen die
gebruikers kunnen aanmelden.Helaas zijn deze beperkingen ook van toepassing op de
functie ~ van de shell en alle routines
waarmee tussen gebruikersnamen en numerieke gebruikers ID's
wordt gewisseld. Met andere woorden: cd
~user werkt niet,
ls –l toont het numerieke ID in plaats
van de gebruikersnaam en find . –user joe
–print faalt met de foutmelding No
such user. Om dit te repareren moeten alle
gebruikers geïmporteerd worden, zonder ze het
recht te geven aan te melden op een server.Dit kan gedaan worden door nog een regel aan
/etc/master.passwd toe te voegen:+:::::::::/sbin/nologinDit betekent importeer alle gebruikers, maar vervang
de shell door /sbin/nologin.
Ieder veld in een passwd regel kan door een
standaardwaarde vervangen worden in
/etc/master.passwd.De regel +:::::::::/sbin/nologin moet
na +@IT_MW::::::::: komen. Anders krijgen
alle gebruikers die uit NIS komen
/sbin/nologin als aanmeldshell.Na deze wijziging hoeft er nog maar één NIS
map gewijzigd te worden als er een nieuwe medewerker komt bij
de IT afdeling. Dezelfde aanpak kan gebruikt worden voor de
minder belangrijke servers door de oude regel
+::::::::: in de lokale versie van
/etc/master.passwd door iets als het
volgende te vervangen:+@IT_MW:::::::::
+@IT_APP:::::::::
+:::::::::/sbin/nologinVoor normale werkstations zijn het de volgende
regels:+@IT_MW:::::::::
+@USERS:::::::::
+:::::::::/sbin/nologinEn dat zou allemaal leuk en aardig zijn als er niet na een
paar weken een beleidsverandering komt: de IT afdeling gaat
stagiairs aannemen. De IT stagiairs mogen de normale
werkstations en de minder belangrijke servers gebruiken en de
junior beheerders mogen gaan aanmelden op de hoofdservers. Dat
kan door een nieuwe groep IT_STAG te maken
en de nieuwe IT stagiairs toe te voegen aan die netgroup en dan
de instellingen op iedere machine te gaan veranderen. Maar
zoals het spreekwoord zegt: Fouten in een centrale
planning leiden tot complete chaos.Deze situaties kunnen voorkomen worden door gebruik te
maken van de mogelijkheid in NIS om netgroups in netgroups op
te nemen. Het is mogelijk om rol-gebaseerde netgroups te
maken. Er kan bijvoorbeeld een netgroup
BIGSRV gemaakt worden om het aanmelden op de
belangrijke servers te beperken en er kan een andere netgroup
SMALLSRV voor de minder belangrijke servers
zijn en een derde netgroup met de naam
USERBOX voor de normale werkstations. Al
die netgroups kunnen de netgroups bevatten die op die machines
mogen aanmelden. De nieuwe regels in de NIS map netgroup zien
er dan zo uit:BIGSRV IT_MW IT_APP
SMALLSRV IT_MW IT_APP ITSTAG
USERBOX IT_MW ITSTAG USERSDeze methode voor het instellen van aanmeldbeperkingen
werkt redelijk goed als er groepen van machines gemaakt kunnen
worden met identieke beperkingen. Helaas blijkt dat eerder
uitzondering dan regel. Meestal moet het mogelijk zijn om per
machine in te stellen wie wel en wie niet mogen
aanmelden.Daarom is het ook mogelijk om via machine-specifieke
netgroups de hierboven aangegeven beleidswijziging op te
vangen. In dat scenario bevat
/etc/master.passwd op iedere machine twee
regels die met + beginnen. De eerste voegt de
netgroup toe met de accounts die op de machine mogen aanmelden
en de tweede voegt alle andere accounts toe met
/sbin/nologin als shell. Het is
verstandig om als naam van de netgroup de machinenaam in
HOOFDLETTERS te gebruiken. De regels zien er
ongeveer als volgt uit:+@MACHINENAAM:::::::::
+:::::::::/sbin/nologinAls dit voor alle machines is gedaan, dan hoeven de lokale
versies van /etc/master.passwd nooit meer
veranderd te worden. Alle toekomstige wijzigingen kunnen dan
gemaakt worden door de NIS map te wijzigen. Hieronder staat
een voorbeeld van een mogelijke netgroup map voor het
beschreven scenario met een aantal toevoegingen:# Definieer eerst de gebruikersgroepen
IT_MW (,alpha,test-domain) (,beta,test-domain)
IT_APP (,charlie,test-domain) (,delta,test-domain)
DEPT1 (,echo,test-domain) (,foxtrott,test-domain)
DEPT2 (,golf,test-domain) (,hotel,test-domain)
DEPT3 (,india,test-domain) (,juliet,test-domain)
ITSTAG (,kilo,test-domain) (,lima,test-domain)
D_STAGS (,able,test-domain) (,baker,test-domain)
#
# En nu een aantal groepen op basis van rollen
USERS DEPT1 DEPT2 DEPT3
BIGSRV IT_MW IT_APP
SMALLSRV IT_MW IT_APP ITSTAG
USERBOX IT_MW ITSTAG USERS
#
# Een een groep voor speciale taken.
# Geef echo en golf toegang tot de anti-virus machine.
SECURITY IT_MW (,echo,test-domain) (,golf,test-domain)
#
# Machine-gebaseerde netgroups
# Hoofdservers
WAR BIGSRV
FAMINE BIGSRV
# Gebruiker india heeft toegang tot deze server nodig.
POLLUTION BIGSRV (,india,test-domain)
#
# Deze is erg belangrijk en heeft strengere toegangseisen nodig.
DEATH IT_MW
#
# De anti-virus machine als hierboven genoemd.
ONE SECURITY
#
# Een machine die maar door 1 gebruiker gebruikt mag worden.
TWO (,hotel,test-domain)
# [...hierna volgen de andere groepen]Als er een soort database wordt gebruikt om de
gebruikersaccounts te beheren, dan is het in ieder geval nodig
dat ook het eerste deel van de map met de database
rapportagehulpmiddelen gemaakt kan worden. Dan krijgen nieuwe
gebruikers automatisch toegang tot de machines.Nog een laatste waarschuwing: het is niet altijd aan te
raden gebruik te maken van machine-gebaseerde netgroups. Als
er tientallen of zelfs honderden gelijke machines voor
bijvoorbeeld studentenruimtes worden uitgerold, dan is het
verstandiger rol-gebaseerde netgroups te gebruiken in plaats
van machine-gebaseerde netgroups om de grootte van de NIS map
binnen de perken te houden.Belangrijk om te onthoudenIn een NIS omgeving werken een aantal dingen wel
anders.Als er een gebruiker toegevoegd moet worden, dan moet
die alleen toegevoegd worden aan de
master NIS server en mag niet vergeten worden dat
de NIS maps herbouwd moeten worden. Als dit
wordt vergeten, dan kan de nieuwe gebruiker nergens anders
aanmelden dan op de NIS master. Als bijvoorbeeld een
nieuwe gebruiker jsmith toegevoegd
moet worden:&prompt.root; pw useradd jsmith
&prompt.root; cd /var/yp
&prompt.root; make test-domainEr kan ook adduser jsmith in plaats
van pw useradd jsmith gebruikt
worden.De beheeraccounts moeten buiten de NIS maps
gehouden worden. Het is niet handig als de
beheeraccounts en wachtwoorden naar machines waarop
gebruikers aanmelden die geen toegang tot die informatie
horen te hebben zouden gaan.De NIS master en slave moeten veilig blijven
en zo min mogelijk niet beschikbaar zijn. Als
de machine wordt gehackt of als hij wordt uitgeschakeld,
dan kunnen er in theorie nogal wat mensen niet meer
aanmelden.Dit is de belangrijkste zwakte van elk gecentraliseerd
beheersysteem. Als de NIS servers niet goed beschermd
worden, dan worden veel gebruikers boos!NIS v1 compatibiliteitypserv voor &os; biedt wat
ondersteuning voor NIS v1 clients. De NIS implementatie van
&os; gebruikt alleen het NIS v2 protocol, maar andere
implementaties bevatten ondersteuning voor het v1 protocol voor
achterwaartse compatibiliteit met oudere systemen. De
ypbind daemons die bij deze systemen
zitten proberen een binding op te zetten met een NIS v1 server,
hoewel dat niet per se ooit nodig is (en ze gaan misschien nog
wel door met broadcasten nadat ze een antwoord van een v2
server hebben ontvangen). Het is belangrijk om te melden dat
hoewel ondersteuning voor gewone clientcalls aanwezig is, deze
versie van ypserv geen v1 map
transferverzoeken af kan handelen. Daarom kan
ypserv niet gebruikt worden als
master of slave in combinatie met oudere NIS servers die alleen
het v1 protocol ondersteunen. Gelukkig worden er in deze tijd
niet meer zoveel van deze servers gebruikt.NIS servers die ook NIS clients zijnHet is belangrijk voorzichtig om te gaan met het draaien
van ypserv in een multi-server
domein waar de server machines ook NIS clients zijn. Het is
in het algemeen verstandiger om de servers te dwingen met
zichzelf te binden dan ze toe te staan een bindverzoek te
broadcasten en het risico te lopen dat ze een binding met
elkaar maken. Er kunnen vreemde fouten optreden als een van de
servers plat gaat als er andere servers van die server
afhankelijk zijn. Na verloop van tijd treedt op de clients wel
een timeout op en verbinden ze met een andere server, maar de
daarmee gepaard gaande vertraging kan aanzienlijk zijn en de
foutmodus is nog steeds van toepassing, omdat de servers dan
toch weer opnieuw een verbinding met elkaar kunnen
vinden.Het is mogelijk een host aan een specifieke server te
binden door aan ypbind de vlag
mee te geven. Om dit niet iedere
keer handmatig na een herstart te hoeven uitvoeren, kan de
volgende regel worden opgenomen in
/etc/rc.conf van de NIS server:nis_client_enable="YES" # start ook het client gedeelte
nis_client_flags="-S NIS domain,server"In &man.ypbind.8; staat meer informatie.WachtwoordformatenNISwachtwoordformatenEen van de meest voorkomende problemen bij het
implementeren van NIS is de compatibiliteit van het
wachtwoordformaat. Als een NIS server wachtwoorden gebruikt
die met DES gecodeerd zijn, dan kunnen alleen clients die ook
DES gebruiken ondersteund worden. Als er bijvoorbeeld
&solaris; NIS clients in een netwerk zijn, dan moet er vrijwel
zeker gebruik gemaakt worden van met DES gecodeerde
wachtwoorden.Van welk formaat clients en servers gebruik maken is te
zien in /etc/login.conf. Als een host
gebruik maakt van met DES gecodeerde wachtwoorden, dan staat er
in de klasse default een regel als de
volgende:default:\
:passwd_format=des:\
:copyright=/etc/COPYRIGHT:\
[Overige regels weggelaten]Andere mogelijke waarden voor
passwd_format zijn
blf en md5
(respectievelijk voor Blowfish en MD5 gecodeerde
wachtwoorden).Als er wijzigingen gemaakt zijn aan
/etc/login.conf dan moet de
login capability database herbouwd worden door het volgende
commando als root uit te voeren:&prompt.root; cap_mkdb /etc/login.confHet formaat van de wachtwoorden die al in
/etc/master.passwd staan worden niet
bijgewerkt totdat een gebruiker zijn wachtwoord voor de
eerste keer wijzigt nadat de login
capability database is herbouwd.Om te zorgen dat de wachtwoorden in het gekozen formaat
zijn gecodeerd, moet daarna gecontroleerd worden of de waarde
crypt_default in
/etc/auth.conf de voorkeur geeft aan het
gekozen formaat. Om dat te realiseren dient het gekozen
formaat vooraan gezet te worden in de lijst. Als er
bijvoorbeeld gebruik gemaakt wordt van DES gecodeerde
wachtwoorden, dan hoort de regel er als volgt uit te
zien:crypt_default = des blf md5Als de bovenstaande stappen op alle &os; gebaseerde NIS
servers en clients zijn uitgevoerd, dan is het zeker dat ze het
allemaal eens zijn over welk wachtwoordformaat er op het
netwerk wordt gebruikt. Als er problemen zijn bij de
authenticatie op een NIS client, dan is dit een prima startpunt
voor het uitzoeken waar de problemen vandaan komen. Nogmaals:
als er een NIS server in een heterogene omgeving wordt
geplaatst, dan is het waarschijnlijk dat er gebruik gemaakt
moet worden van DES op alle systemen, omdat dat de laagst
overeenkomende standaard is.GregSutterGeschreven door Automatisch netwerk instellen (DHCP)Wat is DHCP?Dynamic Host Configuration ProtocolDHCPInternet Software Consortium (ISC)DHCP, het Dynamic Host Configuration Protocol, schrijft
voor hoe een systeem verbinding kan maken met een netwerk en
hoe het de benodigde informatie kan krijgen om met dat netwerk
te communiceren. &os; gebruikt de ISC (Internet Software
Consortium) DHCP implementatie, dus alle
implementatie-specifieke informatie die hier wordt gegeven is
bedoeld voor de ISC distributie.Wat behandeld wordtIn dit onderdeel worden de client- en servercomponenten van
het ISC DHCP systeem beschreven. Het programma voor de client,
dhclient, zit standaard in &os; en de server
is beschrikbaar via de net/isc-dhcp3-server port. Naast
de onderstaande informatie, zijn de hulppagina's van
&man.dhclient.8;, &man.dhcp-options.5; en &man.dhclient.conf.5;
bruikbare bronnen.Hoe het werktUDPAls dhclient, de DHCP client, wordt
uitgevoerd op een clientmachine, dan begint die met het
broadcasten van verzoeken om instellingeninformatie. Standaard
worden deze verzoeken op UDP poort 68 gedaan. De server
antwoordt op UDP 67 en geeft de client een IP adres en andere
relevante netwerkinformatie, zoals een netmasker, router en DNS
servers. Al die informatie komt in de vorm van een DHCP
lease en is voor een bepaalde tijd geldig
(die is ingesteld door de beheerder van de DHCP server). Op
die manier kunnen IP adressen voor clients die niet langer met
het netwerk verbonden zijn (stale) automatisch weer ingenomen
worden.DHCP clients kunnen veel informatie van de server krijgen.
Er staat een uitputtende lijst in &man.dhcp-options.5;.&os; integratie&os; integreert de ISC DHCP client
dhclient volledig. Er is ondersteuning voor
de DHCP client in zowel het installatieprogramma als in het
basissysteem, waardoor het niet noodzakelijk is om kennis te
hebben van het maken van netwerkinstellingen voor het netwerk
waar een DHCP server draait. dhclient is
onderdeel van &os; distributies sinds 3.2.sysinstallDHCP wordt ondersteund door
sysinstall. Bij het instellen van
een netwerkinterface binnen
sysinstall is de tweede vraag:
Wil je proberen de interface met DHCP in te
stellen? Als het antwoord bevestigend luidt, dan
wordt dhclient uitgevoerd en als dat
succesvol verloopt, dan worden de netwerkinstellingen
automatisch ingevuld.Voor het gebruiken van DHCP bij het opstarten van het
systeem zijn twee instellingen nodig:DHCPvereistenHet apparaat bpf moet in de
kernel gecompileerd zijn. Dit kan door
device bpf (pseudo-device
bpf onder &os; 4.X) aan het bestand met
kernelinstellingen toe te voegen en de kernel te herbouwen.
Meer informatie over het bouwen van een kernel staat in
.Het apparaat bpf is al
onderdeel van de GENERIC kernel die
bij &os; zit, dus als er geen sprake is van een aangepaste
kernel, dan hoeft er geen nieuwe gemaakt te worden om DHCP
aan te praat te krijgen.Voor de lezer die bijzonder begaan is met
beveiliging, is het belangrijk aan te geven dat
bpf ook het apparaat is waardoor
pakketsnuffelaars hun werk kunnen doen (hoewel ze nog
steeds als root moeten draaien).
bpfis
noodzakelijk voor DHCP, maar als beveiliging bijzonder
belangrijk is, dan hoort bpf
waarschijnlijk niet in een kernel te zitten omdat de
verwachting dat er in de toekomst ooit DHCP gebruikt gaat
worden.In /etc/rc.conf moet het volgende
worden opgenomen:ifconfig_fxp0="DHCP"fxp0 dient vervangen te worden
door de juiste aanduiding van de interface die dynamisch
ingesteld moet worden, zoals beschreven staat in .Als er een andere lokatie voor
dhclient wordt gebruikt of als er extra
parameters aan dhclient meegegeven
moeten worden, dan dient ook iets als het volgende
toegevoegd te worden:dhcp_program="/sbin/dhclient"
dhcp_flags=""DHCPserverDe DHCP server, dhcpd, zit bij
de port net/isc-dhcp3-server in de
Portscollectie. Deze port bevat de ISC DHCP server en
documentatie.BestandenDHCPinstellingenbestanden/etc/dhclient.confVoor dhclient is een
instellingenbestand /etc/dhclient.conf
nodig. Dat bestand bevat meestal alleen maar commentaar,
omdat de standaardinstellingen redelijk zinvol zijn. Dit
bestand wordt beschreven in &man.dhclient.conf.5;./sbin/dhclientdhclient is statisch gelinkt en
staat in /sbin. Er staat meer
informatie over dhclient in
&man.dhclient.8;./sbin/dhclient-scriptdhclient-script is het
&os;-specifieke DHCP client instellingenscript. Het wordt
beschreven in &man.dhclient-script.8;, maar het is niet
nodig het te wijzigen om goed te werken./var/db/dhclient.leasesDe DHCP client houdt in dit bestand een database bij
van geldige leases, die naar een logboekbestand worden
geschreven. In &man.dhclient.leases.5; staat een iets
uitgebreidere beschrijving.Verder lezenHet DHCP protocol staat volledig beschreven in RFC 2131.
Er is nog een bron van informatie ingesteld op .Een DHCP server installeren en instellenWat behandeld wordtIn dit onderdeel wordt beschreven hoe een &os; systeem
zo ingesteld kan worden dat het opereert als DHCP server
door gebruik te maken van de ISC (Internet Software
Consortium) implementatie van de DHCP suite.Het servergedeelte van de suite is geen
standaardonderdeel van &os; en om deze dienst aan te bieden
dient de port net/isc-dhcp3-server
geïnstalleerd te worden. In
staat meer informatie over de Portscollectie.DHCP serverinstallatieDHCPinstallatieOm een &os; systeem in te stellen als DHCP server moet
het apparaat &man.bpf.4; in de kernel zijn opgenomen. Om dit
te doen dient device bpf
(pseudo-device bpf onder &os; 4.X)
aan het bestand met kernelinstellingen toegegvoegd te worden
en dient de kernel herbouwd te worden. Meer informatie over
het bouwen van kernels staat in .Het apparaat bpf is al onderdeel
van de GENERIC kernel die bij &os;, dus
het is meestal niet nodig om een aangepaste kernel te bouwen
om DHCP aan de praat te krijgen.Het is belangrijk te vermelden dat
bpf ook het apparaat is waardoor
pakketsnuffelaars kunnen werken (hoewel de programma's die
er gebruik van maken wel bijzondere toegang nodig hebben).
bpfis
verplicht voor DHCP, maar als beveiliging van belang is,
dan is het waarschijnlijk niet verstandig om
bpf in een kernel op te nemen
alleen omdat er in de toekomst misschien ooit DHCP gebruikt
gaat worden.Hierna dient het standaardbestand
dhcpd.conf dat door de port net/isc-dhcp3-server is
geïnstalleerd gewijzigd te worden. Standaard is dit
/usr/local/etc/dhcpd.conf.sample en dit
bestand dient gekopieerd te worden naar
/usr/local/etc/dhcpd.conf voordat de
wijzgingen worden gemaakt.De DHCP server instellenDHCPdhcpd.confdhcpd.conf is opgebouwd uit
declaraties over subnetten en hosts en is wellicht het meest
eenvoudig te beschijven met een voorbeeld:option domain-name "example.com";
option domain-name-servers 192.168.4.100;
option subnet-mask 255.255.255.0;
default-lease-time 3600;
max-lease-time 86400;
ddns-update-style none;
subnet 192.168.4.0 netmask 255.255.255.0 {
range 192.168.4.129 192.168.4.254;
option routers 192.168.4.1;
}
host mailhost {
hardware ethernet 02:03:04:05:06:07;
fixed-address mailhost.example.com;
}Deze optie geeft het domein aan dat door clients als
standaard zoekdomein wordt gebruikt. In
&man.resolv.conf.5; staat meer over wat dat
betekent.Deze optie beschrijft een door komma's gescheiden
lijst met DNS servers die de client moet
gebruiken.Het netmasker dat aan de clients wordt
voorgeschreven.Een client kan om een bepaalde duur vragen die een
lease geldig is. Anders geeft de server aan wanneer de
lease vervalt (in seconden).Dit is de maximale duur voor een lease die de server
toestaat. Als een client vraagt om een langere lease,
dan wordt die wel verstrekt, maar is de maar geldig
gedurende max-lease-time
seconden.Deze optie geeft aan of de DHCP server moet proberen
de DNS server bij te werken als een lease is geaccepteerd
of wordt vrijgegeven. In de ISC implementatie is deze
optie verplicht.Dit geeft aan welke IP adressen in de groep met
adressen zitten die zijn gereserveerd om uitgegeven te
worden aan clients. Alle IP adressen tussen de
aangegeven adressen en die adressen zelf worden aan
clients uitgegeven.Geeft de default gateway aan die aan de clients
wordt voorgeschreven.Het hardware MAC adres van een host, zodat de DHCP
server een host kan herkennen als die een verzoek
doet.Geeft een host aan die altijd hetzelfde IP adres
moet krijgen. Hier kan een hostnaam gebruikt worden,
omdat de DHCP server de hostnaam zelf opzoekt voordat de
lease-informatie terug wordt gegeven.Als dhcpd.conf is ingesteld, kan de
server met het volgende commando gestart worden:&prompt.root; /usr/local/etc/rc.d/isc-dhcpd.sh startAls er later wijzigingen in de instellingen gemaakt
moeten worden, dan is het belangrijk te onthouden dat het
sturen van een SIGHUP signaal naar
dhcpdniet
resulteert in het opnieuw laden van de instellingen, zoals
voor de meeste daemons geldt. Voor deze daemon dient een
signaal SIGTERM gestuurd te worden om het
proces te stoppen. Daarna dient de daemon met het hiervoor
beschreven commando weer gestart worden.BestandenDHCPinstellingenbestanden/usr/local/sbin/dhcpddhcpd is statisch gelinkt
en staat in /usr/local/sbin. In de
hulppagina voor &man.dhcpd.8; die meekomt met de port
staat meer informatie over
dhcpd./usr/local/etc/dhcpd.confdhcpd heeft een
instellingenbestand,
/usr/local/etc/dhcpd.conf, nodig
voordat de daemon diensten aan clients kan leveren. Het
bestand moet alle informatie bevatten die aan clients
gegeven moet worden en de informatie die nodig is voor
het draaien van de dienst. Dit instellingenbestand staat
beschreven in de hulppagina voor &man.dhcpd.conf.5; die
meekomt met de port./var/db/dhcpd.leasesDe DHCP server houdt in dit bestand een database bij
met leases die zijn uitgegeven en die naar een logboek
worden geschreven. In de hulppagina &man.dhcpd.leases.5;
die bij de port zit wordt dit uitvoeriger
beschreven./usr/local/sbin/dhcrelaydhcrelay wordt in
uitgebreidere omgevingen gebruikt waar de ene DHCP server
een verzoek van een client naar een andere DHCP server op
een ander netwerk doorstuurt. Als deze functionaliteit
nodig is, kan die beschikbaar komen door de port
net/isc-dhcp3-relay
te installeren. De hulppagina voor &man.dhcrelay.8; die
bij de port zit bevat meer details.ChernLeeGeschreven door Domeinnaamsysteem (DNS)OverzichtBIND&os; gebruikt standaard een versie van BIND (Berkeley
Internet Name Domain), wat de meest gebruikte implementatie van
het DNS protocol is. DNS is het protocol waarmee namen aan
IP adressen gebonden worden en vice versa. Zo wordt
bijvoorbeeld op een zoekopdracht voor www.FreeBSD.org geantwoord met het IP
adres van de webserver van het &os; Project en op een
zoekopdracht voor ftp.FreeBSD.org
wordt geantwoord met het bijbehorende IP adres van de FTP
machine. Het tegenovergestelde kan ook gebeuren. Een
zoekopdracht voor een IP adres kan de bijbehorende hostnaam
opleveren. Het is niet nodig om een nameserver te draaien om
op een systeem zoekopdrachten met DNS te maken.DNSDNS wordt op internet onderhouden door een complex systeem
van autoritaire root nameservers en andere nameservers met een
kleinere scope die domeininformatie hosten en cachen.In dit document wordt BIND 8.x beschreven, de stabiele
versie die in &os; wordt gebruikt. Versies van &os; 5.3
en later bevatten BIND9 en aanwijzingen voor
het instellen daarvan zijn later in dit hoofdstuk te vinden.
Gebruikers van &os; 5.2 en eerdere versies kunnen
BIND9 installeren vanuit de port net/bind9.RFC1034 and RFC1035 schrijven het DNS protocol voor.Op dit moment wordt BIND beheerd door het Internet Software
Consortium .TerminologieVoor het begrip van dit document dienen aan aantal termen
begrepen te worden.resolverreverse DNSroot zoneTermDefinitieVoorwaartse DNSHet koppelen van hostnamen aan IP
adressen;Herkomst (origin)Verwijst naar het domein dat door een bepaald
zonebestand wordt gedekt;named, BIND,
nameserverVaak gebruikte namen voor het BIND nameserver
pakket in &os;;ResolverEen systeemproces waarmee een machine
zoekopdrachten om zoneinformatie aan een nameserver
stelt;Reverse DNSHet tegenovergestelde van voorwaartse DNS. Het
koppelen van IP adressen aan hostnamen;Root zoneHet begin van de internet zonehiërarchie.
Alle zones vallen onder de root zone, net zoals alle
bestanden in een bestandssysteem onder de rootmap
vallen;ZoneEen individueel domein, subdomein of een deel van
de DNS die door dezelfde autoriteit wordt
beheerd.zonesvoorbeeldenVoorbeelden van zones:. is de root zone;org. is een zone onder de root
zone;example.org. is een
zone onder het zone org.;foo.example.org. is
een subdomein onder de zone example.org.;1.2.3.in-addr.arpa is een zone waarin
alle IP adressen die onder de IP ruimte 3.2.1.* vallen.Zoals te zien is staat het meer specifieke deel van een
hostnaam aan de linkerkant. Zo is example.org. bijvoorbeeld meer
specifiek dan org. en is org.
meer specifiek van de root zone. De indeling van ieder deel
van een hostnaam lijkt veel op een bestandssysteem: de map
/dev valt onder de root, enzovoort.Redenen om een nameserver te draaienNameservers bestaan in het algemeen in twee smaken: een
authoritative namserver en een caching namserver.Er is een authoritative namserver nodig als:het nodig is DNS informatie aan te bieden aan de wereld
om met autoriteit (authoritatively) op verzoeken te
antwoorden;een domein, zoals example.org, is geregistreerd
en er IP adressen aan hostnamen die daaronder liggen
toegewezen moeten worden;een IP adresblok reverse DNS entries nodig heeft (IP
naar hostnaam);een backup namserver, die slave wordt genoemd, moet
antwoorden op verzoeken als de primaire down of niet
toegankelijk is.Er is een caching namserver nodig als:een lokale DNS server kan cachen en wellicht sneller
kan antwoorden dan een namserver die verder weg
staat;het wenselijk is om het totale netwerkverkeer te
reduceren. Er is ooit vastgesteld dat DNS verkeer 5% of
meer van het totale verkeer op internet uitmaakt.Als er een verzoek wordt gedaan voor www.FreeBSD.org, dan doet de resolver
meestal een verzoek bij de nameserver van de ISP die de uplink
levert en ontvangt daarop een antwoord. Met een lokale,
caching namserver hoeft het verzoek maar één
keer door de caching nameserver naar de buitenwereld gedaan te
worden. Voor ieder volgend verzoek hoeft niet buiten het
lokale netwerk gekeken te worden omdat het al lokaal in de
cache staat.Hoe het werktOm begrijpelijke redenen heet de BIND daemon in &os;
named.BestandBeschrijvingnamedde BIND daemonndcname daemon beheerprogramma/etc/namedbmap waar BIND zoneinformatie staat/etc/namedb/named.confdaemon instellingenbestandZonebestanden staat meestal binnen de map
/etc/namedb en bevatten de DNS zone
informatie die de namserver aanbiedt.BIND startenBINDstartenOmdat BIND standaard wordt geïnstalleerd, is het
instellen relatief eenvoudig.Om de named daemon bij het
booten te laten starten kan de volgende regel in
/etc/rc.conf gezet worden:named_enable="YES"Om na het instellen de daemon handmatig te starten:&prompt.root; ndc startInstellingenbestandenBINDinstellingenbestanden/secondary>
make-localhost gebruikenHet volgende commando dient uitgevoerd te worden om het
bestand voor de lokale reverse DNS zone in
/etc/namedb/localhost.rev op de juiste
wijze aan te maken:&prompt.root; cd /etc/namedb
&prompt.root; sh make-localhost/etc/namedb/named.conf// $FreeBSD$
//
// In de hulppagina named(8) zijn meer details te vinden. Voor het
// opzetten van een primaire server is begrip van de werking van DNS
// noodzakelijk. Zelfs eenvoudige fouten kunnen de werking verstoren
// of veel onnodig verkeer veroorzaken.
options {
directory "/etc/namedb";
// Als toevoeging op de "forwarders" clausule kan de namserver ook
// worden aangegeven dat hij nooit zelf verzoeken mag maken, maar dat
// altijd aan zijn forwarders moet vragen door de volgende regel te
// activeren:
//
// forward only;
// Als er een DNS server beschikbaar is bij een upstream provider dan
// kan het IP adres op de regel hieronder ingegeven worden en kan die
// geactiveerd worden. Hierdoor wordt voordeel gehaald uit de cache,
// waardoor het DNS verkeer op internet vermindert.
/*
forwarders {
127.0.0.1;
};
*/Zoals al in het commentaar staat kan het gebruik van een
cache in de uplink met forwarders
ingeschakeld worden. In normale omstandigheden maakt een
namserver recursief verzoeken tot er een antwoord komt waar
de server naar op zoek is. Door de bovenstaande optie in te
schakelen wordt eerst bij de namserver die is opgegeven
gevraagd, waardoor er gebruik gemaakt kan worden van de
cache van die server. Als die namserver een drukke, snelle
namserver is, kan het erg de moeite waard zijn van deze
optie gebruik te maken.127.0.0.1 werkt hier
niet. Dat IP adres dient gewijzigd te
worden naar een werkende namserver in de uplink./*
* Als er een firewall tussen een host en namservers staat waarmee
* gesproken moet worden, dan dient het commentaar voor het
* query-source hieronder verwijderd te worden. In eerdere versies van
* BIND werden verzoeken altijd via poort 53 gedaan, maar vanaf
* BIND 8.1 wordt een poort zonder privileges gebruikt.
*/
// query-source address * port 53;
/*
* Als de namserver in een sandbox draait, kan het wenselijk zijn om
* een andere lokatie voor het dumpbestand in te geven.
*/
// dump-file "s/named_dump.db";
};
// Opmerking: het volgende wordt in een latere release ondersteund.
/*
host { any; } {
topology {
127.0.0.0/8;
};
};
*/
// Het opzetten van een secondary is veel eenvoudiger en dat wordt
// hieronder ruweg beschreven.
//
// Als er een lokale nameserver wordt gebruikt, dan dient niet
// vergeten te worden om 127.0.0.1 in /etc/resolv.conf te zetten zodat
// die eerst bevraagd wordt. Het is ook belangrijk wijzigingen aan te
// brengen in /etc/rc.conf om named te starten.
zone "." {
type hint;
file "named.root";
};
zone "0.0.127.IN-ADDR.ARPA" {
type master;
file "localhost.rev";
};
zone
"0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.IP6.INT" {
type master;
file "localhost.rev";
};
// NB: De IP adressen hieronder zijn bedoeld als voorbeeld en dienen
// niet gebruikt te worden!
//
// Voorbeeld secondary instellingen. Het kan handig zijn om tenminste
// secondary te worden voor de zone waar de host onderdeel van
// uitmaakt. Bij netwerkbeheerders kan nagevraagd worden welke server
// de primaire server is.
//
// De reverse lookup zone (IN-ADDR.ARPA) mag nooit vergeten worden! Dat
// zijn de eerste bytes van het respectievelijke IP adres in omgekeerde
// volgorde met daarachter ".IN-ADDR.ARPA".
//
// Het is echter van groot belang om de werking van DNS en BIND te
// begrijpen voordat er een primaire zone wordt opgeset. Er zijn
// nogal wat onverwachte valkuiten. Het opzetten van een secondary is
// veel eenvoudiger.
//
// NB: Het wordt afgeraden de onderstaande voorbeelden actief te maken.
// Er dienen bestaande namen en adressen gebruikt te worden.
//
// BELANGRIJK!!! &os; draait BIND in een zandbak (zie named_flags in
// rc.conf). In de map waarin de secundaire zones staat moet
// geschreven kunnen worden door BIND. Dat kan als volgt:
//
// mkdir /etc/namedb/s
// chown bind:bind /etc/namedb/s
// chmod 750 /etc/namedb/sMeer informatie over het draaien van BIND in een zandbak
staat in named
in een Zandbak Draaien.
/*
zone "example.com" {
type slave;
file "s/example.com.bak";
masters {
192.168.1.1;
};
};
zone "0.168.192.in-addr.arpa" {
type slave;
file "s/0.168.192.in-addr.arpa.bak";
masters {
192.168.1.1;
};
};
*/De bovenstaande voorbeelden komen uit
named.conf en zijn voorbeelden van
instellingen voor een slave, voor een forward en reverse
zone.Voor iedere nieuwe zone die wordt aangeboden dient een
nieuwe instelling voor de zone aan
named.conf toegevoegd te worden.De meest eenvoudige instelling voor de zone example.org kan er als volgt
uitzien:zone "example.org" {
type master;
file "example.org";
};De zone is een master, dat geeft de instelling
aan, waarvan de zoneinformatie in
/etc/namedb/example.org staat, wat de
instelling aangeeft.zone "example.org" {
type slave;
file "example.org";
};In het geval van de slave wordt de zoneinformatie
voor een zone getransporteerd van de master namserver en
opgeslagen in het ingestelde bestand. Als een master server
het niet meer doet of niet bereikbaar is, dan heeft de slave
server de getransporteerde zoneinformatie nog en kan die
aanbieden.ZonebestandenEen voorbeeldbestand voor een master zone voor example.org (als bestand
/etc/namedb/example.org):$TTL 3600
example.org. IN SOA ns1.example.org. admin.example.org. (
5 ; Serial
10800 ; Refresh
3600 ; Retry
604800 ; Expire
86400 ) ; Minimum TTL
; DNS Servers
@ IN NS ns1.example.org.
@ IN NS ns2.example.org.
; Machinenamen
localhost IN A 127.0.0.1
ns1 IN A 3.2.1.2
ns2 IN A 3.2.1.3
mail IN A 3.2.1.10
@ IN A 3.2.1.30
; Aliases
www IN CNAME @
; MX Record
@ IN MX 10 mail.example.org.Iedere hostnaam die eindigt op een . is
een exacte hostnaam, terwijl alles zonder een
. op het einde refereert aan de oorsprong.
Zo wordt www bijvoorbeeld vertaald naar
www.origin.
In de zone uit het voorbeeld hierboven is de oorsprong
example.org., dus www
vertaalt naar www.example.org.De regels in een zonebestand volgen de volgende
opmaak:recordnaam IN recordtype waardeDNSrecordsDe meest gebruikte DNS records:SOAbegin van zoneautoriteit (start of
authority)NSeen bevoegde (authoritative) name
serverAeen hostadresCNAMEde canonieke (canonical) naam voor een
aliasMXmail exchangerPTReen domeinnaam pointer (gebruikt in
reverse DNS)
example.org. IN SOA ns1.example.org. admin.example.org. (
5 ; Serial
10800 ; Refresh after 3 hours
3600 ; Retry after 1 hour
604800 ; Expire after 1 week
86400 ) ; Minimum TTL of 1 dayexample.org.de domeinnaam, ook de oorsprong voor dit
zonebestand.ns1.example.org.de primaire/bevoegde namserver voor deze
zone.admin.example.org.de persoon die verantwoordelijk is voor
deze zone, e-mailadres met @ vervangen.
admin@example.org wordt
admin.example.org.5het serienummer van het bestand. Dit moet iedere
keer als het zonebestand wordt aangepast opgehoogd
worden. Tegenwoordig geven veel beheerders de voorkeur
aan de opmaak yyyymmddrr voor het
serienummer. 2001041002 betekent
dan dat het voor het laatst is aangepast op
10–04–2001. De laatste
02 betekent dat het zonebestand een
aantal keer is aangepast op die dag. Het serienummer
is belangrijk omdat het slave nameservers aangeeft dat
een zone is bijgewerkt.
@ IN NS ns1.example.org.Hierboven staat een NS regel. Voor iedere nameserver
die bevoegde antwoorden moet geven voor de zone hoort er
zo'n regel te zijn. De @ betekent
hetzelfde als example.org.
Een @ vertaalt naar de oorsprong.
localhost IN A 127.0.0.1
ns1 IN A 3.2.1.2
ns2 IN A 3.2.1.3
mail IN A 3.2.1.10
@ IN A 3.2.1.30Een A record geeft een machinenaam aan. Hierboven is te
zien dat ns1.example.org zou
resolven naar 3.2.1.2.
Nogmaals, het symbool voor oorsprong, @,
wordt hier gebruikt en dus zou example.org resolven naar
3.2.1.30.
www IN CNAME @Een canoniek name record wordt meestal gebruikt voor het
geven van aliasen aan een machine. In het voorbeeld is
www een alias naar de machine die gelijk is
aan de oorsprong, example.org (3.2.1.30). CNAME's kunnen gebruikt
worden om een alias aan hostnamen te geven of om round robin
één hostnaam naar meerdere machines te laten
wijzen.MX record
@ IN MX 10 mail.example.org.MX records geven aan welke mailservers verantwoordelijk
zijn voor het afhandelen van inkomende mail voor de zone.
mail.example.org is de hostnaam
voor de mailserver en 10 is de prioriteit voor die
mailserver.Het is mogelijk meerdere mailservers in te stellen met
prioriteiten 3, 2 en 1. Een mailserver die probeert mail
af te leveren voor example.org probeert dat eerst
bij de MX met de hoogste prioriteit, daarna de op een na
hoogste, enzovoort, totdat de mail afgeleverd kan
worden.Voor in-addr.arpa zonebestanden (reverse DNS) wordt
dezelfde opmaak gebruikt, maar dan met PTR regels in plaats
van A of CNAME.$TTL 3600
1.2.3.in-addr.arpa. IN SOA ns1.example.org. admin.example.org. (
5 ; Serial
10800 ; Refresh
3600 ; Retry
604800 ; Expire
3600 ) ; Minimum
@ IN NS ns1.example.org.
@ IN NS ns2.example.org.
2 IN PTR ns1.example.org.
3 IN PTR ns2.example.org.
10 IN PTR mail.example.org.
30 IN PTR example.org.Dit bestand geeft de juiste IP adressen voor hostnamen
in het voorbeelddomein hierboven.Caching nameserverBINDcaching namserverEen caching namserver is een namserver die voor geen
enkele zone bevoegd is en alleen verzoeken doet en die onthoudt
voor later gebruik. Het opzetten ervan is eenvoudigweg het
opzetten van een namserver zonder zones toe te voegen.named in een zandbak
draaienBINDin een zandbak draaienchrootAls extra beveiligingsmaatregel is het wellicht wenselijk
om &man.named.8; als een gebruiker zonder privileges te draaien
en de instellingen zo te maken dat die &man.chroot.8; in een
zandbakmap draait. Hierdoor is alles buiten de zandbak niet
toegankelijk voor de named daemon.
Hierdoor wordt de schade die aangericht kan worden beperkt in
het geval dat named wordt gehackt.
Standaard kent &os; een gebruiker en groep
bind die voor dit doel bestemd
zijn.Er wordt ook wel gesteld dat het verstandiger is om
named met
chroot te draaien, maar in plaats daarvan
in een &man.jail.8; te draaien. Dit wordt hier niet
beschreven.Omdat named niet in staat is
ook maar iets buiten de zankbak te raadplegen (zoals gedeelde
bibliotheken, log sockets, enzovoort), moeten er een aantal
stappen gevolgd worden om named goed
te laten draaien. In de onderstaande controlelijst wordt
aangenomen dat het pad naar de zandbak
/etc/namedb is en dat er geen wijzigingen
gemaakt zijn aan de inhoud van die map. De volgende stappen
dienen als root uitgevoerd te
worden:Maak alle mappen die named
verwacht:&prompt.root; cd /etc/namedb
&prompt.root; mkdir -p bin dev etc var/tmp var/run master slave
&prompt.root; chown bind:bind slave var/*named hoeft alleen in
deze mappen te schrijven, dus krijgt het alleen daar
rechten.Herschik en maak de basiszone en stel het bestand met
instellingen in:&prompt.root; cp /etc/localtime etc
&prompt.root; mv named.conf etc && ln -sf etc/named.conf
&prompt.root; mv named.root master
&prompt.root; sh make-localhost && mv localhost.rev localhost-v6.rev master
&prompt.root; cat > master/named.localhost
$ORIGIN localhost.
$TTL 6h
@ IN SOA localhost. postmaster.localhost. (
1 ; serial
3600 ; refresh
1800 ; retry
604800 ; expiration
3600 ) ; minimum
IN NS localhost.
IN A 127.0.0.1
^DHierdoor kan named de
correcte tijd melden aan &man.syslogd.8;.sysloglogboekbestandennamedAls er een oudere versie dan &os; 4.9-RELEASE draait,
dient een statisch gelinkte kopie van
named-xfer gebouwd te worden en
naar de zankbak gekopieerd te worden:&prompt.root; cd /usr/src/lib/libisc
&prompt.root; make cleandir && make cleandir && make depend && make all
&prompt.root; cd /usr/src/lib/libbind
&prompt.root; make cleandir && make cleandir && make depend && make all
&prompt.root; cd /usr/src/libexec/named-xfer
&prompt.root; make cleandir && make cleandir && make depend && make NOSHARED=yes all
&prompt.root; cp named-xfer /etc/namedb/bin && chmod 555 /etc/namedb/bin/named-xferNadat de statisch gelinkte
named-xfer is geïnstalleerd, is het
nodig wat op te ruimen om te voorkomen dat er kopieen van
bibliotheken of programma's in de boomstructuur met
broncode achterblijven:&prompt.root; cd /usr/src/lib/libisc
&prompt.root; make cleandir
&prompt.root; cd /usr/src/lib/libbind
&prompt.root; make cleandir
&prompt.root; cd /usr/src/libexec/named-xfer
&prompt.root; make cleandirDeze stap gaat wel eens verkeerd. Als dit gebeurt,
kan het volgende commando uitgevoerd worden:&prompt.root; cd /usr/src && make cleandir && make cleandirDaarnaast kan de /usr/obj
structuur verwijderd worden:&prompt.root; rm -fr /usr/obj && mkdir /usr/objHiermee wordt aanwezige rommel uit de
broncodestructuur verwijderd en kunnen de hierboven
beschreven stappen opnieuw uitgevoerd worden.Als &os; version 4.9-RELEASE of later wordt gebruikt,
dan is named-xfer in
/usr/libexec standaard statisch
gelinkt en kan er simpelweg met &man.cp.1; een kopie naar
de zandbak gemaakt worden.Maak een dev/null die zichtbaar is
voor named en waar
named kan schrijven:&prompt.root; cd /etc/namedb/dev && mknod null c 2 2
&prompt.root; chmod 666 nullSymlink /var/run/ndc naar
/etc/namedb/var/run/ndc:&prompt.root; ln -sf /etc/namedb/var/run/ndc /var/run/ndcHiermee wordt voorkomen dat er iedere keer als
&man.ndc.8; wordt uitgevoerd de optie
meegegeven moet worden. Omdat de inhoud van
/var/run bij het booten wordt
verwijderd, kan het wenselijk zijn dit commando aan de
&man.crontab.5; van root toe te
voegen met de optie .sysloglogboekbestandennamedStel &man.syslogd.8; in om een extra
log socket te maken waar
named heen kan schrijven. Dit
kan door -l /etc/namedb/dev/log toe te
voegen aan de syslogd_flags variable in
/etc/rc.conf.chrootMaak de instelling om named
te starten en zich met chroot in een
zandbak te plaatsen met de volgende aanpassing in
/etc/rc.conf:named_enable="YES"
named_flags="-u bind -g bind -t /etc/namedb /etc/named.conf"In het instellingenbestand
/etc/named.conf staan
volledige paden relatief aan de
zandbak. Het bestand in de regel hierboven
is dus feitelijk
/etc/namedb/etc/named.conf.Nu dient /etc/namedb/etc/named.conf
gewijzigd te worden, zodat named
weet welke zones geladen moeten worden en waar ze staan. Nu
volgt een van commentaar voorzien voorbeeld. Alle regels
zonder commentaar wijken niet af van de opzet voor een DNS
server die niet in een zandbak draait:options {
directory "/";
named-xfer "/bin/named-xfer";
version ""; // Laat versie BIND niet zien
query-source address * port 53;
};
// ndc control socket
controls {
unix "/var/run/ndc" perm 0600 owner 0 group 0;
};
// Zones follow:
zone "localhost" IN {
type master;
file "master/named.localhost";
allow-transfer { localhost; };
notify no;
};
zone "0.0.127.in-addr.arpa" IN {
type master;
file "master/localhost.rev";
allow-transfer { localhost; };
notify no;
};
zone "0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.ip6.int" {
type master;
file "master/localhost-v6.rev";
allow-transfer { localhost; };
notify no;
};
zone "." IN {
type hint;
file "master/named.root";
};
zone "private.example.net" in {
type master;
file "master/private.example.net.db";
allow-transfer { 192.168.10.0/24; };
};
zone "10.168.192.in-addr.arpa" in {
type slave;
masters { 192.168.10.2; };
file "slave/192.168.10.db";
};De opdracht directory heeft als
waarde / omdat alle bestanden die
named nodig heeft binnen die
map staan. Dit staat dus gelijk aan
/etc/namedb voor een
normale gebruiker.Geeft het volledige pad naar het uitvoerbare bestand
named-xfer (vanuit de optiek van
named). Dit is nodig omdat
named is gecompileerd om
standaard te zoeken naar named-xfer in
/usr/libexec.Geeft de bestandsnaam
(relatief aan de instelling directory
hierboven) waar named het
zonebestand voor deze zone kan vinden.Geeft de bestandsnaam
(relatief aan de instelling directory
hierboven) waar named een kopie
van het zonebestand moet schrijven nadat die succesvol van
de master server is gekopieerd. Daarom moest de eigenaar
van de map slave naar
bind gewijzigd worden in een eerdere
stap.Na het doorlopen van de hierboven beschreven stappen kan
de server herstart worden of kunnen &man.syslogd.8; herstart en
&man.named.8; gestart worden, mits de nieuwe opties voor
syslogd_flags en
named_flags zijn ingesteld. Dan draait
named in een zandbak!BeveiligingHoewel BIND de meest gebruikte implementatie van DNS is,
is er altijd nog het beveiligingsvraagstuk. Soms worden er
mogelijke en te misbruiken beveiligingsgaten gevonden.Het is verstandig om bij te blijven met CERT
beveiligingswaarschuwingen en een abonnement te nemen op de
&a.security-notifications; om bij te blijven met de
beveiligingsproblemen wat betreft internet en &os;.Als er problemen ontstaan, kan het bijwerken van broncode
en het opnieuw bouwen van named
geen kwaad doen.Verder lezenBIND/named hulppagina's:
&man.ndc.8;, &man.named.8;, &man.named.conf.5;Officiële
ISC BIND pagina
BIND FAQO'Reilly
DNS en BIND 4e EditieRFC1034
- Domeinnamen - Concepten en FaciliteitenRFC1035
- Domeinnamen - Implementatie en
SpecificatieTomRhodesGeschreven door BIND9 en &os;bind9instellenHet uitbrengen van &os; 5.3 was het moment van
introductie van de BIND9
DNS server software in de distributie.
Dit betekende nieuwe beveiligingsmogelijkheden, een nieuwe
indeling van het bestandssysteem en automatische instelling van
&man.chroot.8;. Deze paragraaf bestaat uit twee delen. In het
eerste deel worden de nieuwe mogelijkheden en hun instelling
beschreven en het tweede gedeelte gaat over hulp bij het upgraden
naar &os; 5.3. Vanaf dit moment wordt er simpelweg verwezen
naar &man.named.8; in plaats van naar BIND.
Dit onderdeel slaat het beschrijven van de terminologie over,
omdat die eerder is besproken. De theorie wordt ook niet
beschreven. Het is aan te raden om die eerdere onderdelen te
lezen voor dit onderdeel.De bestanden met instellingen voor
named staan op dit moment in /var/named/etc/namedb/ en moeten
voor gebruik aangepast worden. Daar worden de meeste
instellingen gemaakt.Een master zone instellenOm een master zone in te stellen kan in /var/named/etc/namedb/ het volgende
uitgevoerd worden:&prompt.root; sh make-localhostAls alles goed is gegaan hoort er een nieuw bestand in de
master map te staan. De
bestandsnamen horen localhost.rev voor de
lokale domeinnaam te zijn en
localhost-v6.rev voor
IPv6 instellingen. Instellingen voor
standaardgebruik staan al in het instellingenbestand
named.conf file.Een slave zone instellenInstellingen voor extra domeinen of subdomeinen kunnen
worden ingesteld als slave zones. In de meeste gevallen kan
het bestand master/localhost.rev gewoon
naar de map slave
gekopieerd worden en aangepast worden. Als dat is gedaan,
moeten de bestanden op de juiste wijze toegevoegd worden aan
named.conf, zoals in het volgende
voorbeeld voor example.com:zone "example.com" {
type slave;
file "slave/example.com";
masters {
10.0.0.1;
};
};
zone "0.168.192.in-addr.arpa" {
type slave;
file "slave/0.168.192.in-addr.arpa";
masters {
10.0.0.1;
};
};In dit voorbeeld is het master IP adres
de primaire domain server vanwaar de zones gehaald worden. Die
hoeft niet per se zelf een DNS server te
zijn.Opstarten instellenOm de named daemon met het
systeem te laten starten, hoort de volgende optie in
rc.conf te staan:named_enable="YES"Hoewel er nog andere mogelijkheden bestaan, is dit het
absolute minimum. In &man.rc.conf.5; staan nog meer
mogelijkheden beschreven. Als er niets in
rc.conf staat, kan
named gestart worden vanaf de
commandoregel:&prompt.root; /etc/rc.d/named startBIND9 beveiligingHoewel &os; named automatisch in een
&man.chroot.8; omgeving zet, zijn er nog een aantal andere
beveiligingsmogelijkheden die kunnen helpen om mogelijke
aanvallen op de DNS dienst af te
slaan.Toegangscontrolelijsten opvragenEen toegangscontrolelijst (acl) voor vraagstellingen kan
gebruikt worden om vraagstellingen voor zones te beperken.
De instelling gaat door een netwerk te definiëren binnen
het token acl en dan een lijst met
IP adressen aan te geven in de
instellingen voor de zone. Om domeinen toe te staan om de
voorbeeldhost te gebruiken, kan iets als het volgende
gebruikt worden:acl "example.com" {
192.168.0.0/24;
};
zone "example.com" {
type slave;
file "slave/example.com";
masters {
10.0.0.1;
};
allow-query { example.com; };
};
zone "0.168.192.in-addr.arpa" {
type slave;
file "slave/0.168.192.in-addr.arpa";
masters {
10.0.0.1;
};
allow-query { example.com; };
};Opvragen versie beperkenHet opvragen van de versie van de DNS
server kan een ingang zijn voor een aanvaller, die deze
informatie kan gebruiken om te zoeken naar bekende exploits
of bugs om in te breken op de host.Het instellen van een vals versienummer beschermt een
server niet tegen exploits. Alleen het bijwerken naar een
versie die niet kwetsbaar is beschermt een server.Er kan een valse versiestring ingesteld worden in de
sectie options van
named.conf:options {
directory "/etc/namedb";
pid-file "/var/run/named/pid";
dump-file "/var/dump/named_dump.db";
statistics-file "/var/stats/named.stats";
version "None of your business";
};MurrayStokelyGeschreven door Apache HTTP serverwebserversopzettenApacheOverzicht&os; wordt gebruikt om een paar van de drukste websites ter
wereld te draaien. De meeste webservers op internet maken
gebruik van de Apache HTTP Server.
Apache softwarepackages staan op de
&os; installatiemedia. Als Apache
niet bij de oorsponkelijke installatie van &os; is
meegeïnstalleerd, dan kan dat vanuit de www/apache13 of www/apache2 port.Als Apache succesvol is
geïnstalleerd, moeten er instelingen gemaakt
worden.In dit onderdeel wordt versie 1.3.X van de
Apache HTTP Server behandeld omdat
die het meest gebruikt wordt op &os;.
Apache 2.X biedt veel nieuwe
mogelijkheden, maar wordt hier niet beschreven. Meer
informatie over Apache 2.X is
te vinden op .InstellenApacheconfiguration fileHet belangrijkste bestand met instellingen voor de
Apache HTTP Server op &os; is
/usr/local/etc/apache/httpd.conf. Dit
bestand is een typisch &unix; tekstgebaseerd
instellingenbestand waarin regels met commentaar beginnen met
het karakter #. Het uitputtend beschrijven
van alle mogelijke instellingen valt buiten het bereik van dit
boek, dus worden alleen de meest gebruikte directieven
beschreven.ServerRoot "/usr/local"Hierin wordt de standaard mappenhiërarchie voor
de Apache installatie
aangegeven. Binaire bestanden staan in de submappen
bin en sbin van de serverroot en
bestanden met instellingen staan in etc/apache.ServerAdmin beheerder@beheer.adresHet adres waaraan problemen met de server gemaild
kunnen worden. Dit adres verschijnt op een aantal door
de server gegenereerde pagina's, zoals documenten met
foutmeldingen.ServerName www.example.comMet ServerName kan een hostnaam
ingesteld worden die wordt teruggezonden aan de clients
als de naam van de server anders is dan die is ingesteld
(gebruik bijvoorbeeld www in plaats van
de echte hostnaam).DocumentRoot "/usr/local/www/data"DocumentRoot: de map waaruit de
documenten worden geserveerd. Standaard worden alle
verzoeken uit deze map gehaald, maar er kunnen
symbolische links en aliasen gebruikt worden om naar
andere locaties te wijzen.Het is altijd een goed idee om back-ups te maken van het
instellingenbestand voor Apache
vóór het maken van wijzigingen. Als de juiste
instellingen gemaakt zijn, kan
Apache gestart worden.Apache draaienApachestarten of stoppenApache draait niet vanuit de
inetd super server zoals veel andere
netwerkdiensten. Hij is ingesteld om zelfstandig te draaien
vanwege beter prestaties voor het afhandelen van inkomende
HTTP verzoeken van client webbrowsers. Er wordt een
shellscriptwrapper bijgeleverd om het starten, stoppen en
herstarten zo eenvoudig mogelijk te maken. Het volgende
commando start Apache voor de eerste
keer:&prompt.root; /usr/local/sbin/apachectl startDe server kan op iedere moment gestopt worden met:&prompt.root; /usr/local/sbin/apachectl stopNa het maken van wijzigingen aan het instellingenbestand
moet de dienst herstart worden:&prompt.root; /usr/local/sbin/apachectl restartOm Apache te herstarten zonder
bestaande connecties te verbreken:&prompt.root; /usr/local/sbin/apachectl gracefulIn &man.apachectl.8; staat meer informatie.Om Apache met het systeem mee te
starten kan de volgende regel aan
/etc/rc.conf worden toegevoegd:apache_enable="YES"Als het nodig is additionele commandoregelopties op te
geven voor de Apachehttpd bij het opstarten, dan kunnen die in
de volgende regel in rc.conf meegegeven
worden:apache_flags=""Nu de webserver draait, is die te benaderen door een
webbrowser te wijzen naar http://localhost/.
De standaard webpagina is
/usr/local/www/data/index.html.Virtuele hostingApache ondersteunt twee
verschillende manieren van Virtuele Hosting. De eerste
methode is Naam-gebaseerde Virtuele Hosting. Naam-gebaseerde
Virtuele Hosting gebruikt de HTTP/1.1 headers van de clients
om de hostnaam uit te zoeken. Hierdoor kunnen meerdere
domeinen hetzelfde IP adres delen.Om Apache gebruik te laten
maken van Naam-gebaseerde Virtuele Hosting kan een regel als
de volgende in httpd.conf worden
opgenomen:NameVirtualHost *Als een webserver www.domein.tld heet en er moet een
virtueel domein voor www.anderdomein.tld gaan draaien, dan
kunnen de volgende regels aan httpd.conf
worden toegevoegd:<VirtualHost *>
ServerName www.domein.tld
DocumentRoot /www/domein.tld
-<VirtualHost>
+</VirtualHost>
<VirtualHost *>
ServerName www.anderdomein.tld
DocumentRoot /www/anderdomein.tld
</VirtualHost>De adressen en de paden uit dit voorbeeld kunnen in echte
implementaties uiteraard gewijzigd worden.Meer informatie over het opzetten van virtuele hosts staat
in de officiële documentatie voor
Apache op Apache modulesApachemodulesEr zijn veel verschillende
Apache modules die functionaliteit
toevoegen aan de basisdienst. De &os; Portscollectie biedt
op een eenvoudige manier de mogelijkheid om
Apache samen met de meeste populaire
add-on modules te installeren.mod_sslwebserverveiligSSLcryptografieDe module mod_ssl gebruikt
de OpenSSL bibliotheek om sterke cryptografie te leveren via
de protocollen Secure Sockets Layer (SSL v2/v3) en
Transport Layer Security (TLS v1). Deze module levert
alles wat nodig is om een getekend certificaat aan te vragen
bij een vertrouwde certificaatautoriteit om een veilige
webserver onder &os; te kunnen draaien.Als Apache nog niet is
geïnstalleerd, dan is er een versie van
Apache 1.3.X die
mod_ssl bevat en
geïnstalleerd kan worden met de www/apache13-modssl port. SSL
ondersteuning is ook voor
Apache 2.X beschikbaar in de
www/apache2 port, waar
het standaard is ingeschakeld.mod_perlPerlHet Apache/Perl
integratieproject brengt de volledige kracht van de Perl
programmeertaal en de Apache HTTP
Server samen. Met de
mod_perl module is het mogelijk om
Apache modules volledig in Perl te
schrijven. Daarnaast voorkomt een ingebouwde persistente
interpreter in de server de overhead van het starten van een
externe interpreter en de nadelen van het opstarten van
Perl.Als Apache nog niet is
geïnstalleerd, dan is er een versie van
Apache die
mod_perl bevat en
geïnstalleerd kan worden met de www/apache13-modperl port.
+
+
+
+ Tom
+ Rhodes
+ Geschreven door
+
+
+
+
PHPPHP
- PHP, dat staat voor PHP: Hypertext
- Preprocessor, is een veelgebruikte algemene Open
- Source scripttaal die bijzonder bruikbaar is voor
- webontwikkeling en die ingebed kan worden in HTML. De
- syntaxis is afgeleid van C, &java; en Perl en blijkt
- makkelijk te leren. Het belangrijkste doel van de taal is
- webontwikkelaars in staat te stellen om gemakkelijk dynamisch
- samengestelde webpagina's te schrijven. Maar er kan nog veel
- meer met PHP gedaan worden.
-
- PHP kan geïnstalleerd worden met de lang/php5 port.
+ In de afgelopen jaren hebben steeds meer bedrijven zich
+ op Internet gericht om hun omzet te verhogen en hun
+ zichtbaarheid te vergroten. Hiermee is ook de behoefte aan
+ interactieve webcontent toegenomen. Hoewel sommige bedrijven
+ zoals µsoft; oplossingen hebben geïntroduceerd
+ voor hun eigen (proprietary) producten, heeft ook de open
+ source gemeenschap een antwoord op de vraag gegeven. Een van
+ die antwoorden, breed ingezet, heet
+ PHP.
+
+ PHP, ook bekend als
+ Hypertext Preprocessor, is een algemene
+ scripttaal die bijzonder geschikt is voor webontwikkeling.
+ Het is mogelijk de taal in te bedden in
+ HTML en de syntaxis is afgeleid van C,
+ &java; en Perl met de bedoeling webontwikkelaars in staat te
+ stellen en dynamisch samengestelde pagina's te
+ schrijven.
+
+ Om aan de Apache webserver
+ ondersteuning voor PHP5 toe te voegen kan
+ eerst de port www/mod_php5 toegevoegd
+ worden.
+
+ Hiermee worden de modules die nodig zijn voor de
+ ondersteuning van dynamische webapplicaties
+ geïnstalleerd en ingesteld. De volgende regels dienen
+ in /usr/local/etc/apache/httpd.conf te
+ staan:
+
+ LoadModule php5_module libexec/apache/libphp5.so
+AddModule mod_php5.c
+ <IfModule mod_php5.c>
+ DirectoryIndex index.php index.html
+ </IfModule>
+
+ <IfModule mod_php5.c>
+ AddType application/x-httpd-php .php
+ AddType application/x-httpd-php-source .phps
+ </IfModule>
+
+ Na afronding dient eenvoudigweg apache herstart te worden
+ met apachectl:
+
+ &prompt.root; apachectl graceful
+
+ De ondersteuning voor PHP in &os; is
+ extreem modulair. Als ondersteuning voor een bepaalde
+ extensie gewenst is, hoeft een beheerder alleen maar de
+ bewust port te installeren en
+ Apache te herstarten zoals
+ hierboven is aangegeven.
+
+ Om bijvoorbeeld ondersteuning voor de
+ MySQL databaseserver aan
+ PHP5 toe te voegen
+ kan gewoonweg de port databases/php5-mysql
+ geïnstalleerd worden en het volgende commando gegeven
+ worden:
+
+ &prompt.root; apachectl graceful
+
+ Hiermee wordt de MySQL
+ ondersteuning in
+ Apache ingeschakeld.MurrayStokelyGeschreven door File Transfer Protocol (FTP)FTP serversOverzichtHet File Transfer Protocol (FTP) biedt gebruikers een
eenvoudige manier om bestanden van en naar een FTP server te
verplaatsen. &os; bevat FTP
server software, ftpd, in het
basissysteem. Hierdoor is het opzetten en beheren van een
FTP server op
&os; erg overzichtelijk.InstellenDe belangrijkste stap bij het instellen is de beslissing
welke accounts toegang krijgen tot de FTP server. Een normaal
&os; systeem heeft een aantal systeemaccounts die gebruikt
worden voor daemons, maar onbekende gebruikers mag niet
toegestaan worden van die accounts gebruikt te maken. In
/etc/ftpusers staat een lijst met
gebruikers die geen FTP toegang hebben. Standaard staan daar
de voorgenoemde accounts in, maar het is ook mogelijk om daar
gebruikers toe te voegen die geen FTP toegang mogen
hebben.Het kan ook wenselijk zijn de FTP toegang voor sommige
gebruikers te beperken, maar niet onmogelijk te maken. Dit kan
met /etc/ftpchroot. In dat bestand staan
gebruikers en groepen waarop FTP toegangsbeperkingen van
toepassing zijn. In &man.ftpchroot.5; staan alle details die
hier niet beschreven zijn.FTPanoniemOm anonieme FTP toegang voor een server in te schakelen,
dient er een gebruiker ftp op een &os;
systeem aangemaakt te worden. Dan kunnen gebruikers op de
server aanmelden met de gebruikersnaam ftp
of anonymous en met ieder wachtwoord
(de geldende conventie schrijft voor dat dit een e-mail adres
van de gebruiker is). De FTP server roep bij een anonieme
aanmelding &man.chroot.2; aan, zodat er alleen toegang is tot
de thuismap van de gebruiker ftp.Er zijn twee tekstbestanden waarin welkomstberichten voor
de FTP clients gezet kunnen worden. De inhoud van
/etc/ftpwelcome wordt getoond voordat
gebruikers een aanmeldprompt zien. Na een succesvolle
aanmelding wordt de inhoud van
/etc/ftpmotd getoond. Het genoemde pad
is relatief ten opzichte van de aanmeldomgeving, dus voor
anonieme gebruikers wordt ~ftp/etc/ftpmotd
getoond.Als een FTP server eenmaal correct is ingesteld, moet die
ingeschakeld worden in /etc/inetd.conf.
Daar moet het commentaarkarakter # voor de
bestaande ftpd regel verwijderd
worden:ftp stream tcp nowait root /usr/libexec/ftpd ftpd -lNadat het bestand met instellingen is gewijzigd, moet er
een HangUP signaal verstuurd worden naar
inetd, zoals uitgelegd in .Nu kan aangemeld worden op de FTP server met:&prompt.user; ftp localhostBeherensysloglogboekbestandenFTPDe ftpd daemon gebruikt
&man.syslog.3; om berichten te loggen. Standaard plaatst de
systeemlogdaemon berichten over FTP in
/var/log/xferlog. De lokatie van het FTP
logboek kan gewijzigd worden door de volgende regels in
/etc/syslog.conf te wijzigen:ftp.info /var/log/xferlogFTPanoniemHet is verstandig na te denken over de gevaren die op de
loer liggen bij het draaien van een anonieme FTP server. Dat
geldt in het bijzonder voor het laten uploaden ven bestanden.
Het is dan goed mogelijk dat een FTP site een forum wordt om
commerciële software zonder licenties uit te wisselen of
erger. Als anonieme uploads toch nodig zijn, dan horen de
rechten op die bestanden zo te staan dat ze niet door andere
anonieme gebruikers gelezen kunnen worden tot er door een
beheerder naar gekeken is.MurrayStokelyGeschreven door Bestands- en printdiensten voor µsoft.windows; clients
(Samba)Samba serverMicrosoft Windowsfile serverWindows clientsprint serverWindows clientsOverzichtSamba is een populair open
source softwarepakket dat bestands- en printdiensten voor
µsoft.windows; clients biedt. Die clients kunnen
dan ruimte op een &os; bestandssysteem gebruiken alsof het
een lokale schijf is en &os; printers gebruiken alsof het
lokale printers zijn.Samba software packages horen
op de &os; installatiemedia te staan. Als
Samba bij de basisinstallatie niet
mee is geïnstalleerd, dan kan dat alsnog via de net/samba3 port of met het
package.InstellenEen standaardbestand met instellingen voor
Samba wordt geïnstalleerd als
/usr/local/etc/smb.conf.default. Dit
bestand dient gekopieerd te worden naar
/usr/local/etc/smb.conf en voordat
Samba gebruikt kan worden, moeten er
aanpassingen aan worden gemaakt.smb.conf bevat de instellingen voor
Samba, zoals die voor de printers en
de gedeelde bestandssystemen die gedeeld worden
met &windows; clients. Het Samba
pakket bevat een webgebaseerde beheermodule die
swat heet, waarmee
smb.conf op een eenvoudige manier
ingesteld kan worden.De Samba webbeheermodule gebruiken (SWAT)De Samba Webbeheermodule (SWAT) draait als een daemon
vanuit inetd. Daarom dient voor
de volgende regel uit /etc/inetd.conf
het commentaarkarakter verwijderd te worden voordat
swat gebruikt kan worden om
Samba in te stellen:swat stream tcp nowait/400 root /usr/local/sbin/swatNadat het bestand met instellingen is gewijzigd, moet er
een HangUP signaal verstuurd worden naar
inetd, zoals uitgelegd in .Als swat is ingeschakeld in
inetd.conf, kan de module gebruikt
worden door met een browser een verbinding te maken met
. Er dient
aangemeld te worden met de root account
van het systeem.Na succesvol aanmelden op de hoofdpagina voor de
Samba instellingen, is het
mogelijk de systeemdocumentatie te bekijken of te starten
door op het tabblad Globals te klikken.
Het onderdeel Globals correspondeert met
de sectie [global] in
/usr/local/etc/smb.conf.Systeembrede instellingenOf Samba nu wordt ingesteld
door /usr/local/etc/smb.conf direct te
bewerken of met swat, de eerste
instellingen die gemaakt moeten worden zijn de
volgende:workgroupNT Domeinnaam of Werkgroepnaam voor de computers
die verbinding gaan maken met de server.netbios nameNetBIOSHiermee wordt de NetBIOS naam waaronder de
Samba server bekend zal zijn
ingesteld. Standaard is de naam het eerste gedeelte
van de DNS naam van een host.server stringHiermee wordt de string ingesteld die te zien is
als het commando net view en een
aantal andere commando's die gebruik maken van de
descriptieve tekst voor de server gebruikt
worden.BeveiligingsinstellingenTwee van de belangrijkste instellingen in
/usr/local/etc/smb.conf zijn het
gekozen beveiligingsmodel en het wachtwoord voor
clientgebruikers. Deze worden met de volgende instellingen
gemaakt:securityDe twee meest gebruikte mogelijkheden hier zijn
security = share en
security = user. Als de clients
gebruikersnamen hebben die overeenkomen met hun
gebruikersnaam op de &os; machine, dan is het
verstandig om te kiezen voor beveiliging op
gebruikersniveau. Dit is het standaard
beveiligingsbeleid en kent als voorwaarde dat
gebruikers zich eerst moeten aanmelden voordat ze
toegang krijgen tot gedeelde bronnen.Bij beveiliging op shareniveau hoeft een client
niet met een geldige gebruikersnaam en wachtwoord aan
te melden op de server voor het mogelijk is om een
verbinding te proberen te krijgen met een gedeelde
bron. Dit was het standaardbeveiligingsmodel voor
oudere versies van
Samba.passdb backendNIS+LDAPSQL databaseSamba kent aan de
achterkant verschillende authenticatiemodellen.
Clients kunnen authenticeren met LDAP, NIS+, een SQL
database of een aangepast wachtwoordbestand. De
standaard authenticatiemethode is
smbpasswd. Meer wordt hier niet
behandeld.Als aangenomen wordt dat de standaard achterkant
smbpasswd wordt gebruikt, dan moet
/usr/local/private/smbpasswd gemaakt
worden om Samba in staat te
stellen clients te authenticeren. Alle &unix;
gebruikersaccounts toegang geven vanaf &windows; clients gaat
met het volgende commando:&prompt.root; grep -v "^#" /etc/passwd | make_smbpasswd > /usr/local/private/smbpasswd
&prompt.root; chmod 600 /usr/local/private/smbpasswdIn de Samba documentatie staat
meer informatie over instellingen. Met de hier gegeven
basisuitleg moet het mogelijk zijn
Samba draaiende te krijgen.Samba startenOm Samba in te schakelen bij het
starten van een systeem dient de volgende regel aan
/etc/rc.conf toegevoegd te worden:samba_enable="YES"Samba kan op ieder moment
gestart worden met:&prompt.root; /usr/local/etc/rc.d/samba.sh start
Starting SAMBA: removing stale tdbs :
Starting nmbd.
Starting smbd.Samba bestaat feitelijk uit drie
afzonderlijke daemons. Het script
samba.sh start de daemons
nmbd en
smbd. Als de winbind name
resolution diensten in smb.conf zijn
ingeschakeld, dan start ook de daemon
winbindd.Samba kan op ieder moment
gestopt worden met:&prompt.root; /usr/local/etc/rc.d/samba.sh stopSamba is een complexe
softwaresuite met functionaliteit waarmee verregaande
ingratie met µsoft.windows; netwerken mogelijk wordt.
Informatie die verder gaat dan de basisinstallatie staat op
.TomHukinsGeschreven door Tijd synchroniseren met NTPNTPOverzichtNa verloop van tijd gaat de tijd van een computer meestal
uit de pas lopen. Het Netwerk Tijd Protocol (NTP) kan ervoor
zorgen dat de tijd accuraat blijft.Veel diensten op internet zijn afhankelijk, of hebben veel
voordeel, van het betrouwbaar zijn van de tijd. Zo ontvangt
een webserver bijvoorbeeld veel verzoeken om een bestand te
sturen als dat gewijzigd is sinds een bepaald moment. In een
LAN omgeving is het van groot belang dat computers die
bestanden delen van eenzelfde server gesynchroniseerde tijd
hebben zodat de tijdstempels consistent blijven. Diensten
zoals &man.cron.8; zijn ook afhankelijk van een betrouwbare
systeemtijd om commando's op het ingestelde moment uit te
voeren.NTPntpdBij &os; zit de &man.ntpd.8; NTP server die gebruikt kan worden
om bij andere NTP servers de tijd op
te vragen om de eigen klok gelijk te zetten of om de juiste
tijd te verstrekken aan andere apparaten.Passende NTP servers kiezenNTPchoosing serversOm de tijd te synchroniseren moeten er één
of meer NTP
servers beschikbaar zijn. Een lokale systeembeheerder of een
ISP heeft wellicht een NTP server voor dit doel opgezet. Het
is verstandig om documentatie te raadplegen en te bekijken of
dat het geval is. Er is een online
lijst van publiek toegankelijke NTP servers waarop een
NTP server gezocht kan worden die in geografische zin dichtbij
een te synchroniseren computer ligt. Het is belangrijk te
voldoen aan het beleid voor de betreffende server en
toestemming te vragen als dat in de voorwaarden staat.Het is verstandig meerdere, niet van elkaar afhankelijke,
NTP servers te kiezen voor het geval een van de servers niet
langer betrouwbaar is of niet bereikbaar is. &man.ntpd.8;
gebruikt de antwoorden die van andere servers ontvangen worden
op intelligente wijze: betrouwbare servers krijgen voorrang
boven ontbetrouwbare servers.Machine instellenNTPinstellenBasisinstellingenntpdateAls het alleen de bedoeling is de tijd te synchroniseren
bij het opstarten van een machine, dan kan &man.ntpdate.8;
gebruikt worden. Dit kan van toepassing zijn op desktops
die regelmatig herstart worden en niet echt regelmatig
gesynchroniseerd hoeven te worden. Op sommige machines hoort
echter &man.ntpd.8; te draaien.Het gebruik van &man.ntpdate.8; bij het opstarten is ook
een goed idee voor machines waarop &man.ntpd.8; draait. De
&man.ntpd.8; wijzigt de tijd geleidelijk, terwijl
&man.ntpdate.8; gewoon de tijd instelt, hoe groot het
verschil tussen de bestaande tijd van een machine en de
correcte tijd ook is.Om &man.ntpdate.8; tijdens het opstarten in te schakelen
kan ntpdate_enable="YES" aan
/etc/rc.conf worden toegevoegd. Alle
voor de synchronisatie te gebruiken servers moeten dan,
samen met eventuele opties voor &man.ntpdate.8;, in
ntpdate_flags aangegeven worden.NTPntp.confAlgemene instellingenNTP wordt ingesteld met het bestand
/etc/ntp.conf in het formaat dat
beschreven staat in &man.ntp.conf.5;. Hieronder volgt een
eenvoudig voorbeeld:server ntplocal.example.com prefer
server timeserver.example.org
server ntp2a.example.net
driftfile /var/db/ntp.driftDe optie server geeft aan welke
servers er gebruikt moeten worden, met op elke regel een
server. Als de server wordt ingesteld met het argument
prefer, zoals bij ntplocal.example.com, dan krijgt die
server de voorkeur boven de andere. Een antwoord van een
voorkeursserver wordt genegeerd als dat significant afwijkt
van de antwoorden van de andere servers. In andere gevallen
wordt het gebruikt zonder rekening te houden met de andere
antwoorden. Het argument prefer wordt
meestal gebruikt voor NTP servers waarvan bekend is dat ze
erg betrouwbaar zijn, zoals die met speciale tijdbewaking
hardware.De optie driftfile geeft aan welk
bestand gebruikt wordt om de offset van de klokfrequentie van
het systeem op te slaan. &man.ntpd.8; gebruikt die om
automatisch te compenseren voor het natuurlijke afwijken van
de tijd, zodat er zelfs bij gebrek aan externe bronnen een
redelijke accurate tijdsinstelling mogelijk is.De optie driftfile geeft aan welk
bestand gebruikt wordt om informatie over eerdere
antwoorden van NTP servers die gebruikt worden op te slaan.
Dit bestand bevat interne informatie voor NTP. Het hoort
niet door andere processen gewijzigd te worden.Toegang tot een server instellenEen NTP server is standaard toegankelijk voor alle
hosts op een netwerk. De optie restrict
in /etc/ntp.conf maakt het mogelijk om
aan te geven welke machines de dienst mogen benaderen.Voor het blokkeren van toegang voor alle andere machines
kan de volgende regel aan /etc/ntp.conf
toegevoegd worden:restrict default ignoreOm alleen machines op bijvoorbeeld het locale netwerk toe
te staan hun tijd te synchroniseren met een server, maar
ze tegelijkertijd niet toe te staan om de server te draaien
of de server als referentie voor synchronisatie te gebruiken,
kan de volgende regel toegevoegd worden:restrict 192.168.1.0 mask 255.255.255.0 nomodify notrapHierboven is 192.168.1.0
een IP adres op een LAN en 255.255.255.0 is het bijbehorende
netwerkmasker./etc/ntp.conf mag meerdere regels
met restrict bevatten. Meer details staan
in het onderdeel Access Control Support
van &man.ntp.conf.5;.De NTP server draaienDe NTP server kan bij het opstarten gestart worden door de
regel ntpd_enable="YES" aan
/etc/rc.conf toe te voegen. Om extra
opties aan &man.ntpd.8; mee te geven kan de parameter
ntpd_flags in
/etc/rc.conf gebruikt worden.Om de server zonder een herstart van de machine te starten
kan ntpd uitgevoerd worden, met toevoeging
van de parameters uit ntpd_flags in
/etc/rc.conf. Bijvoorbeeld:&prompt.root; ntpd -p /var/run/ntpd.pidIn &os; 4.X, dienen de
ntpd uit het bovenstaande voorbeeld
vervangen te worden door xntpd.ntpd gebruiken met een tijdelijke
Internetverbinding&man.ntpd.8; heeft geen permanente verbinding met een
netwerk nodig om goed te werken. Maar als er gebruik gemaakt
wordt van een inbelverbinding, is het wellicht verstandig om
ervoor te zorgen dat uitgaande NTP verzoeken geen uitgaande
verbinding kunnen starten. Als er gebruik gemaakt wordt van
user PPP, kunnen er filter commando's
ingesteld worden in /etc/ppp/ppp.conf.
Bijboorbeeld:set filter dial 0 deny udp src eq 123
# NTP verkeer zorgt niet voor uitbellen
set filter dial 1 permit 0 0
set filter alive 0 deny udp src eq 123
# Inkomend NTP verkeer houdt de verbinding niet open
set filter alive 1 deny udp dst eq 123
# Uitgaand NTP verkeer houdt de verbinding niet open
set filter alive 2 permit 0/0 0/0Meer details staan in de PACKET
FILTERING sectie in &man.ppp.8; en in de voorbeelden
in /usr/share/examples/ppp/.Sommige internet providers blokkeren lage poorten,
waardoor NTP niet kan werken omdat er nooit een antwoord
ontvangen kan worden door een machine.Meer informatieHTML documentatie voor de NTP server staat in
/usr/share/doc/ntp/.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/pgpkeys/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/pgpkeys/chapter.sgml
index a9d373f83b..c638d41bf0 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/pgpkeys/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/pgpkeys/chapter.sgml
@@ -1,940 +1,961 @@
PGP sleutelspgp sleutelsIn het geval een handtekening van een van de beambten of
ontwikkelaars gecontroleerd moet worden of er een versleutelde
e-mail aan ze gezonden moet worden, worden hier voor het gemak een
aantal sleutels weergegeven. Een complete sleutelring van FreeBSD.org gebruikers kan op de
volgende link gedownload worden: http://www.FreeBSD.org/doc/pgpkeyring.txt.Beambten&a.security-officer;
&pgpkey.security-officer;
&a.core-secretary;
&pgpkey.core-secretary;
Leden Kernteam&a.jhb;
&pgpkey.jhb;
&a.kuriyama;
&pgpkey.kuriyama;
&a.scottl;
&pgpkey.scottl;
&a.imp;
&pgpkey.imp;
&a.wes;
&pgpkey.wes;
&a.murray;
&pgpkey.murray;
&a.peter;
&pgpkey.peter;
Ontwikkelaars&a.will;
&pgpkey.will;
&a.mat;
&pgpkey.mat;
&a.asami;
&pgpkey.asami;
&a.barner;
&pgpkey.barner;
&a.dougb;
&pgpkey.dougb;
&a.tobez;
&pgpkey.tobez;
&a.damien;
&pgpkey.damien;
&a.mbr;
&pgpkey.mbr;
&a.harti;
&pgpkey.harti;
&a.obraun;
&pgpkey.obraun;
&a.jmb;
&pgpkey.jmb;
&a.brueffer;
&pgpkey.brueffer;
&a.markus;
&pgpkey.markus;
&a.wilko;
&pgpkey.wilko;
&a.jcamou;
&pgpkey.jcamou;
&a.perky;
&pgpkey.perky;
&a.jon;
&pgpkey.jon;
&a.luoqi;
&pgpkey.luoqi;
&a.ache;
&pgpkey.ache;
&a.seanc;
&pgpkey.seanc;
&a.cjh;
&pgpkey.cjh;
&a.cjc;
&pgpkey.cjc;
&a.marcus;
&pgpkey.marcus;
&a.nik;
&pgpkey.nik;
&a.ceri;
&pgpkey.ceri;
&a.brooks;
&pgpkey.brooks;
&a.gnn;
&pgpkey.gnn;
&a.pjd;
&pgpkey.pjd;
&a.bsd;
&pgpkey.bsd;
&a.danfe;
&pgpkey.danfe;
&a.dd;
&pgpkey.dd;
&a.ale;
&pgpkey.ale;
&a.peadar;
&pgpkey.peadar;
&a.josef;
&pgpkey.josef;
&a.ue;
&pgpkey.ue;
&a.ru;
&pgpkey.ru;
&a.le;
&pgpkey.le;
&a.stefanf;
&pgpkey.stefanf;
&a.jedgar;
&pgpkey.jedgar;
&a.green;
&pgpkey.green;
&a.lioux;
&pgpkey.lioux;
&a.fanf;
&pgpkey.fanf;
&a.blackend;
&pgpkey.blackend;
&a.petef;
&pgpkey.petef;
&a.billf;
&pgpkey.billf;
&a.patrick;
&pgpkey.patrick;
&a.gioria;
&pgpkey.gioria;
&a.jmg;
&pgpkey.jmg;
&a.dannyboy;
&pgpkey.dannyboy;
&a.dhartmei;
&pgpkey.dhartmei;
&a.jhay;
&pgpkey.jhay;
&a.sheldonh;
&pgpkey.sheldonh;
&a.mikeh;
&pgpkey.mikeh;
&a.mheinen;
&pgpkey.mheinen;
&a.niels;
&pgpkey.niels;
&a.ghelmer;
&pgpkey.ghelmer;
&a.mux;
&pgpkey.mux;
&a.mich;
&pgpkey.mich;
&a.foxfair;
&pgpkey.foxfair;
&a.jkh;
&pgpkey.jkh;
&a.ahze;
&pgpkey.ahze;
&a.trevor;
&pgpkey.trevor;
&a.phk;
&pgpkey.phk;
&a.joe;
&pgpkey.joe;
&a.vkashyap;
&pgpkey.vkashyap;
&a.kris;
&pgpkey.kris;
&a.keramida;
&pgpkey.keramida;
&a.fjoe;
&pgpkey.fjoe;
&a.andreas;
&pgpkey.andreas;
&a.jkois;
&pgpkey.jkois;
&a.sergei;
&pgpkey.sergei;
&a.maxim;
&pgpkey.maxim;
&a.jkoshy;
&pgpkey.jkoshy;
&a.rik;
&pgpkey.rik;
&a.rushani;
&pgpkey.rushani;
&a.clement;
&pgpkey.clement;
&a.mlaier;
&pgpkey.mlaier;
&a.alex;
&pgpkey.alex;
&a.erwin;
&pgpkey.erwin;
+
+ &a.lawrance;
+ &pgpkey.lawrance;
+
+
&a.leeym;
&pgpkey.leeym;
+
+ &a.sam;
+ &pgpkey.sam;
+
+
+
+ &a.jylefort;
+ &pgpkey.jylefort;
+
+
&a.netchild;
&pgpkey.netchild;
&a.lesi;
&pgpkey.lesi;
&a.glewis;
&pgpkey.glewis;
&a.delphij;
&pgpkey.delphij;
&a.avatar;
&pgpkey.avatar;
&a.ijliao;
&pgpkey.ijliao;
&a.clive;
&pgpkey.clive;
&a.clsung;
&pgpkey.clsung;
&a.arved;
&pgpkey.arved;
&a.remko;
&pgpkey.remko;
&a.pav;
&pgpkey.pav;
&a.bmah;
&pgpkey.bmah;
&a.mtm;
&pgpkey.mtm;
&a.dwmalone;
&pgpkey.dwmalone;
&a.kwm;
&pgpkey.kwm;
&a.matusita;
&pgpkey.matusita;
&a.ken;
&pgpkey.ken;
&a.dinoex;
&pgpkey.dinoex;
&a.sanpei;
&pgpkey.sanpei;
&a.jim;
&pgpkey.jim;
&a.marcel;
&pgpkey.marcel;
&a.marck;
&pgpkey.marck;
&a.tmm;
&pgpkey.tmm;
&a.rich;
&pgpkey.rich;
&a.knu;
&pgpkey.knu;
&a.max;
&pgpkey.max;
&a.yoichi;
&pgpkey.yoichi;
&a.bland;
&pgpkey.bland;
&a.simon;
&pgpkey.simon;
&a.anders;
&pgpkey.anders;
&a.obrien;
&pgpkey.obrien;
&a.philip;
&pgpkey.philip;
&a.hmp;
&pgpkey.hmp;
&a.mp;
&pgpkey.mp;
&a.roam;
&pgpkey.roam;
&a.den;
&pgpkey.den;
&a.pirzyk;
&pgpkey.pirzyk;
&a.jdp;
&pgpkey.jdp;
&a.krion;
&pgpkey.krion;
&a.markp;
&pgpkey.markp;
&a.thomas;
&pgpkey.thomas;
&a.hq;
&pgpkey.hq;
&a.dfr;
&pgpkey.dfr;
&a.trhodes;
&pgpkey.trhodes;
&a.benno;
&pgpkey.benno;
&a.paul;
&pgpkey.paul;
&a.roberto;
&pgpkey.roberto;
&a.guido;
&pgpkey.guido;
&a.niklas;
&pgpkey.niklas;
&a.marks;
&pgpkey.marks;
&a.hrs;
&pgpkey.hrs;
&a.wosch;
&pgpkey.wosch;
&a.das;
&pgpkey.das;
&a.schweikh;
&pgpkey.schweikh;
&a.gshapiro;
&pgpkey.gshapiro;
&a.arun;
&pgpkey.arun;
&a.nork;
&pgpkey.nork;
&a.vanilla;
&pgpkey.vanilla;
&a.cshumway;
&pgpkey.cshumway;
&a.demon;
&pgpkey.demon;
&a.jesper;
&pgpkey.jesper;
&a.scop;
&pgpkey.scop;
&a.glebius;
&pgpkey.glebius;
&a.kensmith;
&pgpkey.kensmith;
&a.ben;
&pgpkey.ben;
&a.des;
&pgpkey.des;
&a.sobomax;
&pgpkey.sobomax;
&a.dcs;
&pgpkey.dcs;
&a.brian;
&pgpkey.brian;
&a.nsouch;
&pgpkey.nsouch;
&a.ssouhlal;
&pgpkey.ssouhlal;
&a.vs;
&pgpkey.vs;
&a.gsutter;
&pgpkey.gsutter;
&a.metal;
&pgpkey.metal;
&a.nyan;
&pgpkey.nyan;
&a.mi;
&pgpkey.mi;
&a.gordon;
&pgpkey.gordon;
&a.lth;
&pgpkey.lth;
&a.thierry;
&pgpkey.thierry;
&a.flz;
&pgpkey.flz;
&a.viny;
&pgpkey.viny;
+
+ &a.ume;
+ &pgpkey.ume;
+
+
&a.ups;
&pgpkey.ups;
&a.nectar;
&pgpkey.nectar;
&a.adamw;
&pgpkey.adamw;
&a.nate;
&pgpkey.nate;
&a.wollman;
&pgpkey.wollman;
&a.joerg;
&pgpkey.joerg;
&a.bz;
&pgpkey.bz;
&a.phantom;
&pgpkey.phantom;
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/security/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/security/chapter.sgml
index e0178b9e8f..dbf964cd33 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/security/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/security/chapter.sgml
@@ -1,5559 +1,5558 @@
MatthewDillonVeel uit dit hoofdstuk is overgenomen uit de
security(7) handboekpagina van SiebrandMazelandVertaald door BeveiligingbeveiligingOverzichtDit hoofdstuk biedt een basisinleiding in
systeembeveiligingsconcepten, een aantal goede basisregels en
een paar gevorderde onderwerpen binnen &os;. Veel van de
onderwerpen die worden behandeld kunnen ook worden toegepast op
systemen en internet in het algemeen. Het internet is niet
langer een vriendelijke omgeving waar iedereen
een goede buur wil zijn. Het beveiligen van een systeem is
onontbeerlijk als gegevens, intellectueel eigendom, tijd en wat
dan ook uit de handen van hackers c.s. gehouden moeten
worden.&os; biedt veel hulpmiddelen en mechanismen om te zorgen
voor de integriteit en veiligheid van een systeem en
netwerk.Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer:Van basis systeembeveiligingsconcepten in relatie tot
&os;;Meer over verschillende versleutelingsmechanismen die
beschikbaar zijn in &os; zoals DES en
MD5;Hoe eenmalige wachtwoordauthenticatie opgezet kan
worden;Hoe TCP Wrappers in te stellen voor
gebruik met inetd;Hoe KerberosIV op &os;
releases eerder dan 5.0 opgezet kan worden;Hoe Kerberos5 op &os; 5.0
release en verder opgezet kan worden;Hoe IPsec wordt ingesteld en hoe een
VPN op te zetten tussen &os; en
µsoft.windows; machines;Hoe OpenSSH, &os;'s
SSH implementatie, in te stellen en te
gebruiken;Wat filesysteem ACLs zijn en hoe
die te gebruiken;Hoe het hulpprogramma
Portaudit gebruikt kan worden om
softwarepakketten uit de Portscollectie te auditen;Hoe om te gaan met publicaties van &os;
beveiligingswaarschuwingen;Iets van Procesaccounting en hoe dat is in te schakelen
in &os;.Er wordt aangenomen dat de lezer van dit hoofdstuk:Basisbegrip heeft van &os; en internetconcepten.In dit boek worden nog meer onderwerpen met betrekking tot
beveiliging beschreven. Zo wordt bijvoorbeeld Verplichte
Toegangscontrole (Mandatory Access Control) besproken in en Internet Firewalls in .IntroductieBeveiliging is een taak die begint en eindigt bij de
systeembeheerder. Hoewel alle BSD &unix; multi-user systemen
enige inherente beveiliging kennen, is het bouwen en onderhouden
van additionele beveiligingsmechanismen om de gebruikers
eerlijk te houden waarschijnlijk een van de
zwaarste taken voor de systeembeheerder. Machines zijn zo veilig
als ze gemaakt worden en beveiligingsoverwegingen staan altijd op
gespannen voet met de wens om gebruiksvriendelijkheid. &unix;
systemen zijn in het algemeen in staat tot het tegelijkertijd
uitvoeren van een enorm aantal processen en veel van die
processen acteren als server - daarmee wordt bedoeld dat externe
entiteiten er verbindingen mee kunnen maken en ertegen kunnen
praten. Nu de minicomputers en mainframes van gisteren de
desktops van vandaag zijn en computers onderdeel zijn van
netwerken en internetwerken, wordt beveiliging nog
belangrijker.Beveiliging kan het beste ingesteld worden door een gelaagde
ui-aanpak. In een notendop zijn er het beste net
zoveel lagen van beveiliging als handig is en daarna dient het
systeem zorgvuldig gemonitord te worden op inbraken. Het is niet
wenselijk beveiliging te overontwerpen, want dat doet afbreuk aan
de detectiemogelijkheden en detectie is een van de belangrijkste
aspecten van beveiligingsmechanismen. Zo heeft het bijvoorbeeld
weinig zin om de schg vlaggen (zie
&man.chflags.1;) op ieder binair bestand op een systeem te
zetten, omdat het, hoewel dit misschien tijdelijk binaire
bestanden beschermt, een inbreker in een systeem ervan kan
weerhouden een eenvoudig te detecteren wijziging te maken
waardoor beveiligingsmaatregelen de inbreker misschien
helemaal niet ontdekken.Systeembeveiliging heeft ook te maken met het omgaan met
verschillende vormen van aanvallen, zoals een poging om een
systeem te crashen of op een andere manier onstabiel te maken,
zonder te proberen de root account aan te
vallen (break root). Aandachtspunten voor
beveiliging kunnen opgesplitst worden in categorieën:Ontzeggen van dienst aanvallen (Denial of
service).Gebruikersaccounts compromitteren.root compromitteren via
toegankelijke servers.root compromitteren via
gebruikersaccounts.Achterdeur creëren (Backdoor).DoS aanvallenOntzegging van Dienst (DoS)beveiligingOntzegging van Dienst DoS aanvallen(DoS)Ontzegging van Dienst (DoS)Een ontzegging van dienst (DoS) aanval is een techniek die
de machine middelen ontneemt. In het algemeen zijn DoS aanvallen
brute kracht mechanismen die proberen de machine te crashen of op
een andere manier onbruikbaar te maken door de machine of de
netwerkcode te overvragen. Sommige DoS aanvallen proberen
misbruik te maken van bugs in de netwerkcode om een machine met
een enkel pakket te crashen. Zoiets kan alleen gerepareerd
worden door een aanpassing aan de kernel te maken. Aanvallen op
servers kunnen vaak hersteld worden door op de juiste wijze
opties in stellen om de belasting van servers te limiteren in
ongunstige omstandigheden. Omgaan met brute kracht aanvallen is
lastiger. Zo is een aanval met gefingeerde pakketten
(spoofed-packet) vrijwel niet te stoppen, behalve
dan door het systeem van internet los te koppelen. Misschien
gaat de machine er niet door plat, maar het kan wel een volledige
internetverbinding verzadigen.beveiligingaccount compromitteringEen gecompromitteerde gebruikersaccount komt nog veel vaker
voor dan een DoS aanval. Veel systeembeheerders draaien nog
steeds standaard telnetd,
rlogind,
rshd en
ftpd servers op hun machines. Deze
servers communiceren standaard niet over beveiligde verbindingen.
Het resultaat is dat als er een redelijk grote gebruikersgroep
is, er altijd wel van een of meer van de gebruikers die van
afstand op dat systeem aanmelden (wat toch de meest normale en
makkelijke manier is om op een systeem aan te melden) het
wachtwoord is afgeluisterd (sniffed). Een
oplettende systeembeheerder analyseert zijn logboekbestanden om
te zoeken naar verdachte bronadressen, zelfs als het om
succesvolle aanmeldpogingen gaat.Uitgangspunt moet altijd zijn dat als een aanvaller toegang
heeft tot een gebruikersaccount, de aanvaller de
root account kan compromitteren. In
werkelijkheid is het wel zo dat voor een systeem dat goed
beveiligd is en goed wordt onderhouden, toegang tot een
gebruikersaccount niet automatisch betekent dat de aanvaller ook
root privileges kan krijgen. Het is van
belang dit onderscheid te maken, omdat een aanvaller zonder
toegang tot root in het algemeen zijn sporen
niet kan wissen en op z'n best wat kan rommelen met bestanden van
de gebruiker of de machine kan crashen. Gecompromitteerde
gebruikersaccounts zijn vrij normaal omdat gebruikers normaliter
niet de voorzorgsmaatregelen nemen die systeembeheerders
nemen.beveiligingachterdeurenSysteembeheerders moeten onthouden dat er in potentie heel
veel manieren zijn om toegang tot root te
krijgen. Een aanvaller zou het
root wachtwoord kunnen kennen, een bug kunnen
ontdekken in een dienst die onder root
draait en daar via een netwerkverbinding op in kunnen breken of
een aanvaller zou een probleem kunnen met een suid-root programma
dat de aanvaller in staat stelt root te
worden als hij eenmaal toegang heeft tot een gebruikersaccount.
Als een aanvaller een manier heeft gevonden om
root te worden op een machine, dan hoeft
hij misschien geen achterdeur (backdoor) te
installeren. Veel bekende manieren die zijn gevonden om
root te worden, en weer zijn afgesloten,
vereisen veel werk van de aanvaller om zijn rommel achter zich op
te ruimen, dus de meeste aanvallers installeren een achterdeur.
Een achterdeur biedt de aanvaller een manier om makkelijk opnieuw
root toegang tot het systeem te krijgen, maar
dit geeft de slimme systeembeheerder ook een makkelijke manier om
de inbraak te ontdekken. Het onmogelijk maken een achterdeur te
installeren zou best wel eens nadelig kunnen zijn voor
beveiliging, omdat hiermee nog niet het gat gedicht is waardoor
er in eerste instantie is ingebroken.Beveiligingsmaatregelen moeten altijd geïmplementeerd
worden in een meerlagenmodel en worden als volgt
gecategoriseerd:Beveiligen van root en
medewerkersaccounts.Beveiligen van root – servers
onder root en suid/sgid binaire
bestanden.Beveiligen van gebruikersaccounts.Beveiligen van het wachtwoordbestand.Beveiligen van de kern van de kernel, ruwe apparaten
en bestandssystemen.Snel detecteren van ongeoorloofde wijzigingen aan het
systeem.Paranoia.In het volgende onderdeel van dit hoofdstuk gaan we dieper in
op de bovenstaande punten.&os; beveiligenbeveiliging&os; beveiligenCommando vs. protocolIn dit hele document gebruiken we
vette tekst om te verwijzen naar een
commando of applicatie en een monospaced
lettertype om te verwijzen naar specifieke commando's.
Protocollen staan vermeld in een normaal lettertype. Dit
typografische onderscheid is zinvol omdat bijvoorbeeld ssh
zowel een protocol als een commando is.In de volgende onderdelen behandelen we de methodes uit de
vorige paragraaf om een
&os; systeem te beveiligen.Beveiligen van root en
medewerkersaccounts.suOm te beginnen: doe geen moeite om medewerkersaccounts
te beveiligen als de root account niet
beveiligd is. Op de meeste systemen heeft de
root account een wachtwoord. Als eerste
moet aangenomen worden dat dit wachtwoord
altijd gecompromitteerd is. Dit betekent
niet dat het wachtwoord verwijderd moet worden. Het wachtwoord
is namelijk bijna altijd nodig voor toegang via het console van
de machine. Het betekent wel dat het niet mogelijk gemaakt
moet worden om het wachtwoord te gebruiken buiten het console
om en mogelijk zelfs niet via het &man.su.1; commando. Pty's
moeten bijvoorbeeld gemarkeerd staan als onveilig
(insecure) in het bestand
/etc/ttys zodat direct aanmelden met
root via telnet
of rlogin niet wordt toegestaan. Als andere
aanmelddiensten zoals sshd gebruikt
worden, dan hoort direct aanmelden via
root uitgeschakeld staat. Dit kan door
het bestand /etc/ssh/sshd_config te
bewerken en ervoor te zorgen dat
PermitRootLogin op NO
staat. Dit moet gebeuren voor iedere methode van toegang
– diensten zoals FTP worden vaak over het hoofd gezien.
Het direct aanmelden van root hoort alleen
te mogen via het systeemconsole.wheelNatuurlijk moet een systeembeheerder de mogelijkheid hebben
om root te worden. Daarvoor kunnen een
paar gaatjes geprikt worden. Maar dan moet ervoor gezorgd
worden dat er voor deze gaatjes extra aanmelden met een
wachtwoord nodig is. Eén manier om
root toegankelijk te maken is door het
toevoegen van de juiste medewerkersaccounts aan de
wheel groep (in
/etc/group). De medewerkers die lid zijn
van de groep wheel mogen
su–en naar root.
Maak medewerkers nooit native lid van de groep
wheel door ze in de groep
wheel te plaatsen in
/etc/group. Medewerkersaccounts horen lid
te zijn van de groep staff en horen dan
pas toegevoegd te worden aan de groep
wheel in het bestand
/etc/group. Alleen medewerkers die ook
echt toegang tot root nodig hebben horen
in de groep wheel geplaatst te worden.
Het is ook mogelijk, door een authenticatiemethode als Kerberos
te gebruiken, om het bestand .k5login van
Kerberos in de root account te gebruiken
om een &man.ksu.1; naar root toe te staan
zonder ook maar iemand lid te maken van de groep
wheel. Dit is misschien wel een
betere oplossing, omdat het
wheel-mechanisme het nog steeds mogelijk
maakt voor een inbreker root te breken als
de inbreker een wachtwoordbestand te pakken heeft gekregen en
toegang kan krijgen tot één van de
medewerkersaccounts. Hoewel het instellen van het
wheel-mechanisme beter is dan niets, is
het niet per se de meest veilige optie.Een indirecte manier om de medewerkersaccounts te
beveiligen en uiteindelijk ook de toegang tot
root, is het gebruik van alternatieve
aanmeldmethodes en de wachtwoorden van de medewerkersaccounts,
zoals het heet uit te sterren. Met &man.vipw.8;
kan iedere instantie van een gecodeerd wachtwoord vervangen
worden door een enkel *
karakter. Met dit commando worden
/etc/master.passwd en de
gebruikers/wachtwoord database bijgewerkt om het aanmelden met
wachtwoord uit te schakelen.Een regel voor een medewerkersaccount als:foobar:R9DT/Fa1/LV9U:1000:1000::0:0:Foo Bar:/home/foobar:/usr/local/bin/tcshZou veranderd moeten worden naar:foobar:*:1000:1000::0:0:Foo Bar:/home/foobar:/usr/local/bin/tcshDoor deze wijziging kan niet langer normaal aangemeld
worden omdat het gecodeerde wachtwoord nooit gelijk is aan de
*. Nu dit is gebeurd, moeten
medewerkers een ander mechanisme gebruiken om zich te
authenticeren zoals &man.kerberos.1; of &man.ssh.1; met een
publiek/privaat sleutelpaar. Bij het gebruik van iets als
Kerberos moeten gewoonlijk de machines waarop de Kerberos
server draait en het desktop werkstation beveiligd worden. Bij
het gebruik van een publiek/privaat sleutelpaar met ssh, moet
in het algemeen de machine van waar wordt
aangemeld beveiligd worden (meestal een werkstation). Het is
mogelijk nog een beveiligingslaag toe te voegen door het
sleutelpaar te beschermen met een wachtwoord als het aan te
maken met &man.ssh-keygen.1;. Door accounts van medewerkers
uit te sterren is het ook gegarandeerd dat ze
alleen aan kunnen melden door gebruik te maken van de veilige
toegangsmethodes die de beheerder heeft ingesteld. Hierdoor
worden alle medewerkers gedwongen veilige, gecodeerde
verbindingen te gebruiken voor al hun sessies. Daarmee wordt
een belangrijk beveiligingsgat gesloten dat veel indringers
gebruiken: snuffelen aan het netwerk vanaf een niet-relevante
minder veilige machine.Meer indirecte beveiligingsmechanismen hebben ook als
uitgangspunt dat vanaf een zwaarder beveiligde machine wordt
aangemeld op een minder beveiligd systeem. Als een
hoofdserver bijvoorbeeld allerlei servers draait, zou het
werkstation er geen moeten draaien. Om een werkstation
redelijk veilig te laten zijn, dienen er zo min mogelijk
servers op te draaien, bij voorkeur zelfs geen en er zou een
schermbeveiliging met wachtwoordbeveiliging op moeten draaien.
Maar als een aanvaller fysieke toegang heeft tot een
werkstation, dan kan hij elke beveiliging die erop is
aangebracht omzeilen. Dit probleem dient echt overwogen te
worden, net als het feit dat de meeste aanvallen van een
afstand plaatsvinden, via het netwerk, door mensen die geen
fysieke toegang hebben tot werkstations of servers.KerberosIVHet gebruik van iets als Kerberos geeft de mogelijkheid
om het wachtwoord van de account van een medewerker buiten
gebruik te stellen of te wijzigen op één plaats,
waarbij het meteen actief is op alle machines waarop die
medewerker een account heeft. Als de account van een
medewerker gecompromitteerd raakt, moet vooral de mogelijkheid
om per direct het wachtwoord voor machines te kunnen aanpassen
niet onderschat worden. Met afzonderlijke wachtwoorden kan het
veranderen van wachtwoorden op N systemen een puinhoop worden.
Met Kerberos kunnen ook wachtwoordrestricties opgelegd worden:
het is niet alleen mogelijk om een Kerberos
ticket na een bepaalde tijd te laten verlopen,
maar het Kerberos systeem kan afdwingen dat de gebruiker na een
bepaalde tijd een nieuw wachtwoord kiest (na bijvoorbeeld een
maand).Beveiligen van root – servers
onder root en suid/sgid binaire
bestandenntalkcomsatfingerzandbakkensshdtelnetdrshdrlogindEen voorzichtige systeembeheerder draait alleen die servers
die nodig zijn, niets meer, niets minder. Bedenk dat
servers van derde partijen vaak de meeste neiging hebben tot
het vertonen van bugs. Zo staat bijvoorbeeld het draaien van
een oude versie van imapd of
popper gelijk aan het weggeven van
de root account aan de hele wereld. Draai
nooit een server die niet zorgvuldig is onderzocht. Veel
servers hoeven niet te draaien als root.
Zo kunnen de ntalk,
comsat en
finger daemons bijvoorbeeld draaien
in speciale gebruikerszandbakken
(sandboxes). Een zandbak
is niet perfect, tenzij er heel veel moeite gedaan wordt, maar
de meerlagenbenadering blijft bestaan: als iemand via een
server die in een zandbak draait weet in te breken, dan moeten
ze eerst nog uit de zandbak komen. Hoe groter het aantal lagen
is waar een inbreker doorheen moet, hoe kleiner de kans op
succes is. root gaten zijn historisch
gezien aanwezig geweest in vrijwel iedere server die ooit als
root gedraaid heeft, inclusief de
basisservers van een systeem. Op een machine waarop mensen
alleen aanmelden via sshd en nooit
via telnetd of
rshd of
rlogind dienen die servers
uitgeschakeld te worden!&os; draait ntalkd,
comsat en
finger tegenwoordig standaard in een
zandbak. Een ander programma dat misschien beter in een
zandbak kan draaien is &man.named.8;. In
/etc/defaults/rc.conf staat als commentaar
welke parameters er nodig zijn om
named in een zandbak te draaien.
Afhankelijk van of het een nieuwe systeeminstallatie of het
bijwerken van een bestaand systeem betreft, worden de speciale
gebruikersaccounts die bij die zandbakken horen misschien niet
geïnstalleerd. Een voorzichtige systeembeheerder
onderzoekt en implementeert zandbakken voor servers waar dat
ook maar mogelijk is.sendmailEr zijn een aantal diensten die vooral niet in een zandbak
draaien: sendmail,
popper,
imapd,
ftpd en andere. Voor sommige
servers zijn alternatieven, maar dat kost misschien meer tijd
dan er te besteden is (gemak dient de mens). Het kan voorkomen
dat deze servers als root moeten draaien
en dat er vertrouwd moet worden op andere mechanismen om een
inbraak via die servers te detecteren.De andere grote mogelijkheid voor root
gaten in een systeem zijn de suid-root en sgid binaire
bestanden die geïnstalleerd zijn op een systeem. Veel van
die bestanden, zoals rlogin, staan
in /bin, /sbin,
/usr/bin of
/usr/sbin. Hoewel het niet 100% veilig
is, mag aangenomen worden dat de suid en sgid binaire bestanden
van een standaardsysteem redelijk veilig zijn. Toch worden er
nog wel eens root gaten gevonden in deze
bestanden. Zo is er in 1998 een root gat
gevonden in Xlib waardoor
xterm (die normaliter suid is)
kwetsbaar bleek. Een voorzichtige systeembeheerder kiest voor
better to be safe than sorry door de suid
bestanden die alleen medewerkers hoeven uit te voeren aan een
speciale groep toe te wijzen en de suid bestanden die niemand
gebruikt te lozen (chmod 000). Een server
zonder monitor heeft normaal gezien
xterm niet nodig. Sgid bestanden
kunnen bijna net zo gevaarlijk zijn. Als een inbreker een
sgid-kmem stuk kan krijgen, dan kan hij wellicht
/dev/kmem lezen en dus het gecodeerde
wachtwoordbestand, waardoor mogelijk ieder account met
een wachtwoord besmet is. Een inbreker toegang tot de groep
kmem kan krijgen, zou bijvoorbeeld mee
kunnen kijken met de toetsaanslagen die ingegeven worden via de
pty's, inclusief die pty's die gebruikt worden door gebruikers
die via beveiligde methodes aanmelden. Een inbreker die
toegang krijgt tot de groep tty kan naar
bijna alle tty's van gebruikers schrijven. Als een gebruiker
een terminalprogramma of een terminalemulator met een
toetsenbordsimulatieoptie draait, dan kan de inbreker in
potentie een datastroom genereren die ervoor zorgt dat de
terminal van de gebruiker een commando echot, dat dan wordt
uitgevoerd door die gebruiker.Beveiligen van gebruikersaccountsGebruikersaccounts zijn gewoonlijk het meest lastig om te
beveiligen. Hoewel er allerlei Draconische maatregelen genomen
kunnen worden met betrekking tot de medewerkers en hun
wachtwoorden weggesterd kunnen worden, gaat dat
waarschijnlijk niet lukken met de gewone gebruikersaccounts.
Als er toch voldoende vrijheid is, dan prijst de beheerder zich
gelukkig en is het misschien toch mogelijk de accounts
voldoende te beveiligen. Als die vrijheid er niet is, dan
moeten die accounts gewoon netter gemonitord worden. Het
gebruik van ssh en
Kerberos voor gebruikersaccounts is
problematischer vanwege het extra beheer en de ondersteuning,
maar nog steeds een prima oplossing in vergelijking met een
gecodeerd wachtwoordbestand.Beveiligen van het wachtwoordbestandDe enige echte oplossing is zoveel mogelijk wachtwoorden
* maken en ssh
of Kerberos gebruiken voor toegang
tot die accounts. Hoewel een gecodeerd wachtwoordbestand
(/etc/spwd.db) alleen gelezen kan worden
door root, is het wel mogelijk dat een
inbreker leestoegang krijgt tot dat bestand zonder dat de
aanvaller root-schrijftoegang krijgt.Beveiligingsscripts moeten altijd controleren op en
rapporteren over wijzigingen in het wachtwoordbestand (zie ook
Bestandsintegriteit
Controleren hieronder).Beveiligen van de kern van de kernel, ruwe apparaten en
bestandssystemenAls een aanvaller toegang krijgt tot
root dan kan hij ongeveer alles, maar er
zijn een paar slimmigheidjes. Zo hebben bijvoorbeeld de meeste
moderne kernels een ingebouwde pakketsnuffeldriver
(packet sniffing). Bij &os; is dat het
bpf apparaat. Een inbreker zal in het
algemeen proberen een pakketsnuffelaar te draaien op een
gecompromitteerde machine. De inbreker hoeft deze mogelijkheid
niet te hebben en bij de meeste systemen is het niet verplicht
het bpf apparaat mee te
compileren.sysctlMaar zelfs als het bpf
apparaat is uitgeschakeld, dan zijn er nog
/dev/mem en
/dev/kmem. De inbreker kan namelijk nog
schrijven naar ruwe schrijfapparaten. En er is ook nog een
optie in de kernel die modulelader (module
loader) heet, &man.kldload.8;. Een ondernemende
inbreker kan een KLD module gebruiken om zijn eigen
bpf apparaat of een ander
snuffelapparaat te installeren in een draaiende kernel. Om
deze problemen te voorkomen, moet de kernel op een hoger
veiligheidsniveau draaien, ten minste securelevel 1. Het
securelevel wordt ingesteld met sysctl op de
kern.securelevel variabele. Als securelevel
op 1 staat, is het niet langer mogelijk te schrijven naar ruwe
apparaten en speciale chflags vlaggen als
schg worden dan afgedwongen. Ook dient de
vlag schg gezet te worden op kritische
opstartbestanden, mappen en scriptbestanden. Alles dat wordt
uitgevoerd voordat het securelevel wordt ingesteld. Dit is
misschien wat overdreven en het wordt lastiger een systeem te
vernieuwen als dat in een hoger securelevel draait. Er is een
compromis mogelijk door het systeem in een hoger securelevel te
draaien maar de schg vlag niet op alle
systeembestanden en mappen te zetten die maar te vinden zijn.
/ en /usr zouden ook
als alleen-lezen gemount kunnen worden. Het is nog belangrijk
om op te merken dat als de beheerder te Draconisch omgaat
met dat wat hij wil beschermen, hij daardoor kan veroorzaken
dat die o-zo belangrijke detectie van een inbraak wordt
misgelopen.Bestandsintegriteit controleren: binaire bestanden,
instellingenbestanden, enzovoortAls puntje bij paaltje komt kan de kern van een systeem
maar tot een bepaald punt beveiligd worden zonder dat het
minder prettig werken wordt. Zo werk het zetten van de
schg bit met chflags op
de meeste bestanden in / en
/usr waarschijnlijk averechts, omdat,
hoewel de bestanden beschermd zijn, ook het venster waarin
detectie plaats kan vinden is gesloten. De laatste laag van
beveiliging is waarschijnlijk de meest belangrijke: detectie.
Alle overige beveiliging is vrijwel waardeloos (of nog erger:
geeft een vals gevoel van veiligheid) als een mogelijke inbraak
niet gedetecteerd kan worden. Een belangrijk doel van het
meerlagenmodel is het vertragen van een aanvaller, nog meer dan
hem te stoppen, om de detectiekant van de vergelijking de kans
te geven hem op heterdaad te betrappen.De beste manier om te zoeken naar een inbraak is zoeken
naar gewijzigde, missende of onverwachte bestanden. De beste
manier om te zoeken naar gewijzigde bestanden is vanaf een
ander (vaak gecentraliseerd) systeem met beperkte toegang.
Met zelfgeschreven scripts op dat extra beveiligde systeem met
beperkte toegang ben is een beheerder vrijwel onzichtbaar voor
mogelijke aanvallers en dat is belangrijk. Om het nut te
maximaliseren moeten in het algemeen dat systeem met beperkte
toegang best veel rechten gegeven worden op de andere machines
in het netwerk, vaak via een alleen-lezen NFS export van de
andere machines naar het systeem met beperkte toegang of door
ssh sleutelparen in te stellen om
het systeem met beperkte toegang een
ssh verbinding te laten maken met de
andere machines. Buiten het netwerkverkeer, is NFS de minst
zichtbare methode. Hierdoor kunnen de bestandssystemen
op alle client machines vrijwel ongezien gemonitord worden.
Als de server met beperkte toegang verbonden is met de client
machines via een switch, dan is de NFS methode vaak de beste
keus. Als de server met beperkte toegang met de andere
machines is verbonden via een hub of door meerdere routers, dan
is de NFS methode wellicht niet veilig genoeg (vanuit een
netwerk standpunt) en kan beter ssh
gebruikt worden, ondanks de audit-sporen die
ssh achterlaat.Als de machine met beperkte toegang eenmaal minstens
leestoegang heeft tot een clientsysteem dat het moet gaan
monitoren, dan moeten scripts gemaakt worden om dat monitoren
ook echt uit te voeren. Uitgaande van een NFS mount, kunnen
de scripts gebruik maken van eenvoudige systeem hulpprogramma's
als &man.find.1; en &man.md5.1;. We adviseren minstens
één keer per dag een md5 te maken van alle
bestanden op de clientmachine en van instellingenbestanden als
in /etc en
/usr/local/etc zelfs vaker. Als er
verschillen worden aangetroffen ten opzichte van de basis md5
informatie op het systeem met beperkte toegang, dan hoort het
script te gillen om een beheerder die het moet gaan uitzoeken.
Een goed beveiligingsscript controleert ook op onverwachte suid
bestanden en op nieuwe en verwijderde bestanden op
systeempartities als / en
/usr.Als ssh in plaats van NFS wordt
gebruikt, dan is het schrijven van het script lastiger. Dan
moeten de scripts met scp naar de client
verplaatst worden om ze uit te voeren, waardoor ze zichtbaar
worden. Voor de veiligheid dienen ook de binaire bestanden die
het script gebruikt, zoals &man.find.1;, gekopieerd te
worden. De ssh client op de client
zou al gecompromitteerd kunnen zijn. Het is misschien
noodzakelijk ssh te gebruiken over onveilige verbindingen, maar
dat maakt alles een stuk lastiger.Een goed beveiligingsscript voert ook controles uit op de
instellingenbestanden van gebruikers en medewerkers:
.rhosts, .shosts,
.ssh/authorized_keys, enzovoort…
Dat zijn bestanden die buiten het bereik van de
MD5 controle vallen.Als gebruikers veel schijfruimte hebben, dan kan het te
lang duren om alle bestanden op deze partitie te controleren.
In dat geval is het verstandig de mount vlaggen zo in te
stellen dat suid binaire bestanden en apparaten op die
partities niet zijn toegestaan. Zie daarvoor de
nodev en nosuid opties
(zie &man.mount.8;). Die partities moeten wel toch nog
minstens eens per week doorzocht worden, omdat het doel van
deze beveiligingslaag het ontdekken van een inbraak is, of die
nu succesvol is of niet.Procesverantwoording (zie &man.accton.8;) kost relatief
gezien weinig en kan bijdragen aan een evaluatie mechanisme
voor na inbraken. Het is erg handig om uit te zoeken hoe
iemand precies heeft ingebroken op het systeem, mits het
bestand nog onbeschadigd is na de inbraak.Tenslotte horen beveiligingsscripts de logboekbestanden te
verwerken en de logboekbestanden zelf horen zo veilig mogelijk
tot stand te komen. remote syslog kan erg
zinvol zijn. Een aanvaller probeert zijn sporen uit te wissen
en logboekbestanden zijn van groot belang voor een
systeembeheerder als het gaat om uitzoeken wanneer en hoe er is
ingebroken. Een manier om logboekbestanden veilig te stellen
is door het systeemconsole via een seriële poort aan te
sluiten op een veilige machine en zo continu informatie te
verzamelen.ParanoiaEen beetje paranoia is niet verkeerd. Eigenlijk kan de
systeembeheerder zoveel beveiligingsopties inschakelen als hij
wil, als deze maar geen impact hebben op het gebruiksgemak en
de beveiligingsopties die wel impact
hebben op het gebruiksgemak kunnen ingeschakeld worden als daar
zorgvuldig mee wordt omgegaan. Nog belangrijker is misschien
dat er een juiste combinatie wordt gevonden. Als de
aanbevelingen uit dit document woord voor woord worden
opgevolgd, dan worden daarmee de methodes aan een toekomstige
aanvaller verraden, die ook toegang heeft tot dit
document.Ontzeggen van Dienst aanvallenOntzegging van Dienst (DoS)In deze paragraaf worden Ontzeggen van Dienst aanvallen
(Denial of Service of DoS) behandeld. Een DoS
aanval wordt meestal uitgevoerd als pakketaanval. Hoewel er
weinig gedaan kan worden tegen de huidige aanvallen met
gefingeerde pakketten die een netwerk kunnen verzadigen, kan
de schade geminimaliseerd worden door ervoor te zorgen dat
servers er niet door plat gaan.Limiteren van server forks.Limiteren van springplank (springboard)
aanvallen (ICMP response aanvallen, ping broadcast,
etc.).Kernel Route Cache.Een veelvoorkomende DoS aanval tegen een server die forkt
is er een die probeert processen, file descriptors en geheugen
te gebruiken tot de machine het opgeeft.
inetd (zie &man.inetd.8;) kent een
aantal instellingen om dit type aanval af te zwakken. Hoewel
het mogelijk is ervoor te zorgen dat een machine niet plat
gaat, is het in het algemeen niet mogelijk te voorkomen dat de
dienstverlening door de aanval wordt verstoord. Meer is te
lezen in de handleiding van inetd
en het advies is in het bijzonder aandacht aan de
, en
opties te besteden. Aanvallen met gefingeerde
IP adressen omzeilen de
optie naar inetd, dus in het
algemeen moet een combinatie van opties gebruikt worden.
Sommige op zichzelf staande servers hebben parameters waarmee
het aantal forks gelimiteerd kan worden.Sendmail heeft de optie
die veel beter blijkt te
werken dan het gebruik van de opties van sendmail waarmee de
werklast gelimitteerd kan worden. De parameter
MaxDaemonChildren moet zodanig ingesteld
worden dat als sendmail start, hij
hoog genoeg is om de te verwachten belasting aan te kunnen,
maar niet zo hoog is dat de computer het aantal instanties van
sendmails niet aankan zonder plat te
gaan. Het is ook verstandig om sendmail in de wachtrij modus
() te draaien en de
daemon (sendmail -bd) los te koppelen van de
verwerking van de wachtrij (sendmail -q15m).
Als de verwerking van wachtrij real-time moet, kunnen de
tussenpozen voor verwerking verkort worden door deze
bijvoorbeeld op in te stellen, maar dan
is een redelijke instelling van
MaxDaemonChildren van belang om
die sendmail te beschermen tegen
trapsgewijze fouten (cascade failures).Syslogd kan direct aangevallen
worden en het is sterk aan te raden de
optie te gebruiken waar dat ook maar mogelijk is en anders de
optie.Er dient voorzichtig omgesprongen te worden met diensten
die terugverbinden zoals
TCP Wrapper's reverse-identd die
direct aangevallen kan worden. In het algemeen is het hierom
onverstandig gebruik te maken van de reverse-ident optie van
TCP Wrapper.Het is een goed idee om interne diensten af te schermen
voor toegang van buitenaf door ze te firewallen op de routers
aan de rand van een netwerk (border routers).
Dit heeft als achtergrond dat verzadigingsaanvallen voorkomen
van buiten het LAN voorkomen kunnen worden. Daarmee wordt geen
aanval op root via het netwerk en die
diensten daaraan voorkomen. Er dient altijd een exclusieve
firewall te zijn, d.w.z. firewall alles
behalve poorten A, B, C, D en M-Z.
Zo worden alle lage poorten gefirewalled behalve die voor
specifieke diensten als named (als
er een primary is voor een zone),
ntalkd,
sendmail en andere diensten die
vanaf internet toegankelijk moeten zijn. Als de firewall
andersom wordt ingesteld, als een inclusieve of tolerante
firewall, dan is de kans groot dat er wordt vergeten een aantal
diensten af te sluiten of dat er een nieuwe
interne dienst wordt toegevoegd en de firewall niet wordt
bijgewerkt. Er kan nog steeds voor gekozen worden de hoge
poorten open te zetten, zodat een tolerante situatie ontstaat,
zonder de lage poorten open te stellen. &os; biedt ook de
mogelijkheid een reeks poortnummers die gebruikt worden voor
dynamische verbindingen in te stellen via de verscheidene
net.inet.ip.portrangesysctls (sysctl -a | fgrep
portrange), waardoor ook de complexiteit van de
firewall instellingen kan vereenvoudigen. Zo kan bijvoorbeeld
een normaal begin tot eindbereik ingesteld worden van 4000 tot
5000 en een hoog poortbereik van 49152 tot 65535. Daarna kan
alles onder 4000 op de firewall geblokkeerd worden (met
uitzondering van bepaalde poorten die vanaf internet bereikbaar
moeten zijn natuurlijk).ICMP_BANDLIMEen andere veelvoorkomende DoS aanval is de springplank
aanval: een server zo aanvallen dat de respons van die server
de server zelf, het lokale netwerk of een andere machine
overbelast. De meest voorkomende aanval van dit type is de
ICMP ping broadcast aanval. De aanvaller
fingeert ping pakketten die naar het broadcast adres van het
LAN worden gezonden met als bron het IP adres
van de machine die hij eigenlijk aan wil vallen. Als de routers
aan de rand van het netwerk niet zijn ingesteld om een ping aan
een broadcast adres te blokkeren, dan kan het LAN genoeg
antwoorden produceren om de verbinding van het slachtoffer (het
gefingeerde bronadres) te verzadigen, zeker als de aanvaller
hetzelfde doet met tientallen andere netwerken.
Broadcastaanvallen met een volume van meer dan 120 megabit zijn
al voorgekomen. Een tweede springplank aanval is er een tegen
het ICMP foutmeldingssysteem. Door een pakket te maken waarop
een ICMP foutmelding komt, kan een aanvaller de inkomende
verbinding van een server verzadigen en de uitgaande verbinding
wordt verzadigd door de foutmeldingen. Dit type aanval kan een
server ook laten crashen, zeker als de server de ICMP
antwoorden niet zo snel kwijt kan als ze ontstaan. De kernel
van &os; kent een nieuwe compileeroptie
waarmee de effectiviteit van dit
type aanvallen afneemt. De laatste belangrijke klasse
springplankaanvallen hangt samen met een aantal interne
diensten van inetd zoals de UDP echo
dienst. Een aanvaller fingeert eenvoudigweg een UDP pakket met
als bronadres de echopoort van Server A en als bestemming de
echopoort van Server B, waar Server A en B allebei op een LAN
staan. Die twee servers gaan dat pakket dan heen en weer
kaatsen. Een aanvaller kan beide servers overbelasten door een
aantal van deze pakketten te injecteren. Soortgelijke problemen
kunnen ontstaan met de chargen
poort. Een competente systeembeheerder zal al deze interne
inetd test-diensten
uitschakelen.Gefingeerde pakketten kunnen ook gebruikt worden om de
kernel route cache te overbelasten. Raadpleeg daarvoor de
net.inet.ip.rtexpire,
rtminexpire en rtmaxcachesysctl parameters. Een aanval met
gefingeerde pakketten met een willekeurig bron IP zorgt ervoor
dat de kernel een tijdelijke cached route maakt in de
routetabel, die uitgelezen kan worden met netstat -rna
| fgrep W3. Deze routes hebben een levensduur van
ongeveer 1600 seconden. Als de kernel merkt dat de cached
routetabel te groot is geworden, dan wordt
rtexpire dynamisch verkleind, maar deze
waarde wordt nooit lager dan rtminexpire.
Er zijn twee problemen:De kernel reageert niet snel genoeg als een laag
belaste server wordt aangevallen.rtminexpire is niet laag genoeg om
de kernel de aanval te laten overleven.Als servers verbonden zijn met het internet via een E3
of sneller, dan is het verstandig om handmatig
rtexpire en rtminexpire
aan te passen via &man.sysctl.8;. Als de een van de parameters
op nul wordt gezet, dan crasht de machine. Het instellen van
beide waarden op 2 seconden is voldoende om de routetabel
tegen een aanval te beschermen.Aandachtspunten voor toegang met
Kerberos en
SSHsshKerberosIVEr zijn een aantal aandachtspunten die in acht genomen
moeten worden als Kerberos of ssh gebruikt worden. Kerberos V
is een prima authenticatieprotocol, maar er zitten bugs in de
kerberos versies van telnet en
rlogin waardoor ze niet geschikt
zijn voor binair verkeer. Kerberos codeert standaard sessie
niet, tenzij de optie wordt gebruikt.
ssh codeert standaard wel
alles.ssh werkt prima, maar het stuurt coderingssleutels
standaard door. Dit betekent dat als gegeven een veilig
werkstation met sleutels die toegang geven tot de rest van het
systeem en ssh wordt gebruikt om verbinding te maken met een
onveilige machine, die sleutels gebruikt kunnen worden. De
sleutels zelf zijn niet bekend, maar ssh stelt een
doorstuurpoort in zolang als een gebruikers aangemeld blijft.
Als de aanvaller roottoegang heeft op de
onveilige machine, dan kan hij die poort gebruiken om toegang
te krijgen tot alle machines waar de sleutels van de gebruiker
toegang toe geven.Het advies is ssh in combinatie met Kerberos te gebruiken
voor het aanmelden door medewerkers wanneer dat ook maar
mogelijk is. ssh kan gecompileerd
worden met Kerberos ondersteuning. Dit vermindert de kans op
blootstelling van ssh sleutels en beschermt tegelijkertijd
de wachtwoorden met Kerberos. ssh sleutels zouden alleen
gebruikt moeten worden voor geautomatiseerde taken vanaf
veilige machines (iets waar Kerberos ongeschikt voor is). Het
advies is om het doorsturen van sleutels uit te schakelen in de
ssh instellingen of om de from=IP/DOMAIN
optie te gebruiken die ssh in staat stelt het bestand
authorized_keys te gebruiken om de
sleutel alleen bruikbaar te maken voor entiteiten die zich
aanmelden vanaf vooraf aangewezen machines.BillSwingleDelen geschreven en herschreven door SiebrandMazelandVertaald door DES, MD5 en cryptbeveiligingcryptcryptDESMD5Iedere gebruiker op een &unix; systeem heeft een wachtwoord
bij zijn account. Het lijkt voor de hand liggend dat deze
wachtwoorden alleen bekend horen te zijn bij de gebruiker en het
eigenlijke besturingssysteem. Om deze wachtwoorden geheim te
houden, zijn ze gecodeerd in een eenweg hash
(one-way hash), wat betekent dat ze eenvoudig
gecodeerd kunnen worden maar niet gedecodeerd. Met andere
woorden, wat net gesteld werd is helemaal niet waar: het
besturingssysteem kent het echte wachtwoord
niet. De enige manier om een wachtwoord in platte
tekst te verkrijgen, is door er met brute kracht naar
te zoeken in alle mogelijke wachtwoorden.Helaas was DES, de Data Encryption Standard, de enige
manier om wachtwoorden veilig te coderen toen &unix; ontstond.
Dit was geen probleem voor gebruikers in de VS, maar omdat
de broncode van DES niet geëxporteerd mocht worden moest
&os; een manier vinden om zowel te gehoorzamen aan de wetten van
de VS als aansluiting te houden bij alle andere &unix; varianten
die nog steeds DES gebruikten.De oplossing werd gevonden in het splitsen van de
coderingsbibliotheken zodat gebruikers in de VS de DES
bibliotheken konden installeren en gebruiken en internationale
gebruikers een coderingsmethode konden gebruiken die
geëxporteerd mocht worden. Zo is het gekomen dat &os; MD5
is gaan gebruiken als coderingsmethode. Van MD5 wordt aangenomen
dat het veiliger is dan DES, dus de mogelijkheid om DES te
installeren is vooral beschikbaar om aansluiting te kunnen
houden.Het crypt mechanisme herkennenVoor &os; 4.4 was libcrypt.a een
symbolic link die wees naar de bibliotheek die gebruikt werd voor
codering. In &os; 4.4 veranderde libcrypt.a
zodat er een instelbare wachtwoordhash bibliotheek kwam. Op dit
moment ondersteunt de bibliotheek DES, MD5 en Blowfish
hashfuncties. Standaard gebruikt &os; MD5 om wachtwoorden te
coderen.Het is vrij makkelijk om uit te vinden welke
coderingsmethode &os; op een bepaald moment gebruikt. De
gecodeerde wachtwoorden in
/etc/master.passwd bekijken is een manier.
Wachtwoorden die gecodeerd zijn met MD5 zijn langer dan wanneer
ze gecodeerd zijn met DES hash. Daarnaast beginnen ze met de
karakters $1$. Wachtwoorden
die beginnen met $2a$ zijn
gecodeerd met de Blowfish hashfunctie. DES password strings
hebben geen bijzondere kenmerken, maar ze zijn korter dan MD5
wachtwoorden en gecodeerd in een 64-karakter alfabet waar geen
$ karakter in zit. Een relatief korte
string die niet begint met een dollar teken is dus
waarschijnlijk een DES wachtwoord.Het wachtwoord formaat voor nieuwe wachtwoorden wordt
ingesteld met de passwd_format
aanmeldinstelling in /etc/login.conf waar
des, md5 of
blf mag staan. Zie de &man.login.conf.5;
handboekpagina voor meer informatie over
aanmeldinstellingen.Eenmalige wachtwoordeneenmalige wachtwoordenbeveiligingeenmalige wachtwoordenS/Key is een eenmalige wachtwoord methode die gebaseerd is op
de eenweg hashfunctie. &os; gebruikt een MD4 hash om aansluiting
te houden, maar andere systemen gebruiken ook wel MD5 en DES-MAC.
S/Key is al een onderdeel van het &os; basissysteem vanaf versie
1.1.5 en wordt ook in een groeiend aantal andere
besturingssystemen gebruikt. S/Key is een geregistreerd
handelsmerk van Bell Communications Research, Inc.Vanaf versie 5.0 van &os; is S/Key vervangen door OPIE
(Eenmalige Wachtwoorden in Alles - One-time Passwords In
Everything). OPIE gebruikt standaard een MD5 hash.Hier worden drie verschillende soorten wachtwoorden
besproken. De eerste is het normale &unix; of Kerberos
wachtwoord. Dit heet het &unix; wachtwoord. Het
tweede type is een eenmalig wachtwoord dat wordt gemaakt met het
S/Key programma key of het OPIE
programma &man.opiekey.1; en dat wordt geaccepteerd door
keyinit of &man.opiepasswd.1; en de
aanmeldprocedure. Dit heet het eenmalige
wachtwoord. Het laatste type wachtwoord is het
wachtwoord dat wordt opgegeven aan de key/
opiekey programma's (en soms aan de
keyinit / opiepasswd
programma's) die gebruikt worden om eenmalige wachtwoorden te
maken. Dit type heet geheim wachtwoord of gewoon
een wachtwoord zonder toevoeging.Het geheime wachtwoord heeft niets te maken met het &unix;
wachtwoord; ze kunnen hetzelfde zijn, dat wordt afgeraden. S/Key
en OPIE geheime wachtwoorden kennen niet de beperking van 8
karakters als de oude &unix; wachtwoorden.
Bij &os; mag het wachtwoord voor aanmelden tot 128
karakters lang zijn.
Het mag onbeperkt lang zijn. Wachtwoorden van een zes of zeven
woorden lange zin zijn niet ongewoon. Voor het overgrote deel
werkt het S/Key of OPIE systeem volledig onafhankelijk van het
&unix; wachtwoordsysteem.Buiten het wachtwoord zijn er nog twee stukjes data die van
belang zijn voor S/Key en OPIE. Het eerste wordt
zaad (seed) of
sleutel (key) genoemd en bestaat
uit twee letters en vijf cijfers. Het tweede stukje data heet de
iteratieteller (iteration count),
een nummer tussen 1 en 100. S/Key maakt een eenmalig wachtwoord
door het zaad en het geheime wachtwoord aaneen te schakelen en
daarop het door de iteratieteller aangegeven keren MD4/MD5 hash
toe te passen. Daarna wordt het resultaat omgezet in zes korte
Engelse woorden. Die zes woorden zijn een eenmalige wachtwoord.
Het authenticatiesysteem (hoofdzakelijk PAM) houdt bij welk
eenmalig wachtwoord het laatst is gebruikt en de gebruiker wordt
geauthenticeerd als de hash van het door de gebruiker ingegeven
wachtwoord gelijk is aan het vorige wachtwoord. Omdat er een
eenweg hash wordt gebruikt, is het onmogelijk om toekomstige
eenmalige wachtwoorden te maken als iemand toch een eenmalig
wachtwoord heeft afgevangen. De iteratieteller wordt verlaagd na
iedere succesvolle aanmelding om de gebruiker en het
aanmeldprogramma synchroon te houden. Als de iteratieteller op 1
staat, moeten S/Key en OPIE opnieuw ingesteld worden.Er zijn drie programma's bij ieder systeem betrokken die
hieronder worden besproken. De key en
opiekey programma's hebben een iteratieteller,
zaad en een geheim wachtwoord nodig en maken dan een eenmalig
wachtwoord of een lijst van opeenvolgende eenmalige wachtwoorden.
De programma's keyinit en
opiepasswd worden gebruikt om respectievelijk
S/Key en OPIE te initialiseren en om wachtwoorden,
iteratietellers en zaad te wijzigen. Ze accepteren zowel
wachtwoordzinnen als een iteratieteller, zaad en een eenmalig
wachtwoord. De programma's keyinfo en
opieinfo bekijken de relevante bestanden
waarin de eigenschappen staan (/etc/skeykeys
of /etc/opiekeys) en tonen de huidige
iteratieteller en zaad van de gebruiker die het commando
uitvoert.Nu worden vier verschillende acties besproken. Bij de eerste
worden keyinit of
opiepasswd gebruikt in een beveiligde
verbinding om voor het eerst eenmalige wachtwoorden in te stellen
of om een wachtwoord of zaad aan te passen. Bij de tweede worden
keyinit of opiepasswd
gebruikt in een niet-beveiligde verbinding samen met
key of opiekey over een
beveiligde verbinding om hetzelfde te bereiken. In een derde
scenario wordt key/opiekey
gebruikt om te melden over een onveilige verbinding. Het vierde
scenario behandelt het gebruik van key of
opiekey om een aantal sleutels aan te maken
die opgeschreven of afgedrukt kunnen worden, zodat ze meegenomen
kunnen worden naar een plaats van waar geen enkele veilige
verbinding opgezet kan worden.Veilige verbinding initialiserenOm S/Key voor de eerste keer te initialiseren, een
wachtwoord te wijzigen of zaad te veranderen over een
beveiligde verbinding (bijvoorbeeld op het console van een
machine of via ssh), moet het
commando keyinit gebruikt worden zonder
parameters terwijl een gebruiker als zichzelf is
aangemeld:&prompt.user; keyinit
Adding unfurl:
Reminder - Only use this method if you are directly connected.
If you are using telnet or rlogin exit with no password and use keyinit -s.
Enter secret password:
Again secret password:
ID unfurl s/key is 99 to17757
DEFY CLUB PRO NASH LACE SOFTBij OPIE wordt opiepasswd
gebruikt:&prompt.user; opiepasswd -c
[grimreaper] ~ $ opiepasswd -f -c
Adding unfurl:
Only use this method from the console; NEVER from remote. If you are using
telnet, xterm, or a dial-in, type ^C now or exit with no password.
Then run opiepasswd without the -c parameter.
Using MD5 to compute responses.
Enter new secret pass phrase:
Again new secret pass phrase:
ID unfurl OTP key is 499 to4268
MOS MALL GOAT ARM AVID COEDAls Enter new secret pass phrase: of
Enter secret password: op het scherm verschijnt,
dient een wachtwoord of wachtwoordzin ingevoerd te worden. Dit
is dus niet het aanmeldwachtwoord is, maar dat dit wordt gebruikt
om eenmalige wachtwoorden te maken. De ID regel
geeft de parameters van het verzoek weer: de aanmeldnaam, de
iteratieteller en zaad. Bij het aanmelden kent het systeem deze
parameters en worden deze weergegeven zodat ze niet onthouden
hoeven te worden. Op de laatste regel staat het eenmalige
wachtwoord dat overeenkomt met die parameters en het geheime
wachtwoord. Als de gebruiker direct opnieuw zou aanmelden, zou
hij dat eenmalige wachtwoord moeten gebruiken.Onveilige verbinding initialiserenOm te initialiseren of een wachtwoord te wijzigen over een
onveilige verbinding, moet er al ergens een veilige verbinding
bestaand de gebruiker key of
opiekey kan uitvoeren. Dit kan een desktop
programma zijn op een &macintosh; of een shell prompt op een
machine die vertrouwd wordt. De gebruiker moet ook een
iteratieteller verzinnen (100 is wellicht een prima getal) en
moet een eigen zaad bedenken of er een laten fabriceren. Over
de onveilige verbinding (naar de machine die de gebruiker wil
initialiseren) wordt het commando keyinit -s
gebruikt:&prompt.user; keyinit -s
Updating unfurl:
Old key: to17758
Reminder you need the 6 English words from the key command.
Enter sequence count from 1 to 9999: 100
Enter new key [default to17759]:
s/key 100 to 17759
s/key access password:
s/key access password:CURE MIKE BANE HIM RACY GOREBij OPIE is dat opiepasswd:&prompt.user; opiepasswd
Updating unfurl:
You need the response from an OTP generator.
Old secret pass phrase:
otp-md5 498 to4268 ext
Response: GAME GAG WELT OUT DOWN CHAT
New secret pass phrase:
otp-md5 499 to4269
Response: LINE PAP MILK NELL BUOY TROY
ID mark OTP key is 499 gr4269
LINE PAP MILK NELL BUOY TROYOm het standaard zaad te accepteren (dat het programma
keyinit nogal verwarrend een
key) noemt, is de invoer
Return. Voor een toegangswachtwoord wordt
ingevoerd, dient eerst gewisseld te worden naar de veilige
verbinding of het S/Key desktop programma en dienen dezelfde
parameters ingegeven te worden:&prompt.user; key 100 to17759
Reminder - Do not use this program while logged in via telnet or rlogin
Enter secret password: <secret password>
CURE MIKE BANE HIM RACY GOREOf bij OPIE:&prompt.user; opiekey 498 to4268
Using the MD5 algorithm to compute response.
Reminder: Don't use opiekey from telnet or dial-in sessions.
Enter secret pass phrase:
GAME GAG WELT OUT DOWN CHATIn de onveilige verbinding wordt nu het eenmalige
wachtwoord in het relevante programma
gekopieerd.Een enkel eenmalig wachtwoord makenAls S/Key of OPIE eenmaal is ingesteld staat er bij het
aanmelden iets als het volgende:&prompt.user; telnet example.com
Trying 10.0.0.1...
Connected to example.com
Escape character is '^]'.
FreeBSD/i386 (example.com) (ttypa)
login: <username>
s/key 97 fw13894
Password:Of bij OPIE:&prompt.user; telnet example.com
Trying 10.0.0.1...
Connected to example.com
Escape character is '^]'.
FreeBSD/i386 (example.com) (ttypa)
login: <username>
otp-md5 498 gr4269 ext
Password: NB: de S/Key en OPIE meldingen hebben een erg zinvolle
optie (die hier niet te zien is): als er op
Return wordt gedrukt bij de wachtwoordregel,
wordt de echo aangezet, zodat de invoer zichtbaar is. Dit is
erg handig als er met de hand een wachtwoord wordt ingegeven,
zoals wanneer het wordt ingevoerd vanaf een afdruk.MS-DOSWindowsMacOSNu moet het eenmalige wachtwoord gemaakt worden om het
aanmeldprompt mee te antwoorden. Dit moet gedaan worden op een
vertrouwd systeem waarop key of
opiekey beschikbaar is. Er zijn ook
versies voor &ms-dos;, &windows; en &macos;. Voor beide
commando's moet zowel de iteratieteller als het zaad ingeven
worden op de commandoregel. Deze kan zo overgenomen worden
vanaf het aanmeldprompt op de machine waarop de gebruiker wil
aanmelden.Op het vertrouwde systeem:&prompt.user; key 97 fw13894
Reminder - Do not use this program while logged in via telnet or rlogin.
Enter secret password:
WELD LIP ACTS ENDS ME HAAGBij OPIE:&prompt.user; opiekey 498 to4268
Using the MD5 algorithm to compute response.
Reminder: Don't use opiekey from telnet or dial-in sessions.
Enter secret pass phrase:
GAME GAG WELT OUT DOWN CHATNu het eenmalige wachtwoord er is, kan het aanmelden
doorgang vinden:login: <username>
s/key 97 fw13894
Password: <return to enable echo>
s/key 97 fw13894
Password [echo on]: WELD LIP ACTS ENDS ME HAAG
Last login: Tue Mar 21 11:56:41 from 10.0.0.2 ... Meerdere eenmalige wachtwoorden makenSoms moet is een gebruiker ergens waarvandaan er geen
toegang is tot een vertrouwde machine of een beveiligde
verbinding. In dat geval is het mogelijk om met de
key en opiekey commando's
een aantal eenmalige wachtwoorden te maken om uit te printen en
deze mee te nemen:&prompt.user; key -n 5 30 zz99999
Reminder - Do not use this program while logged in via telnet or rlogin.
Enter secret password: <secret password>
26: SODA RUDE LEA LIND BUDD SILT
27: JILT SPY DUTY GLOW COWL ROT
28: THEM OW COLA RUNT BONG SCOT
29: COT MASH BARR BRIM NAN FLAG
30: CAN KNEE CAST NAME FOLK BILKOf bij OPIE:&prompt.user; opiekey -n 5 30 zz99999
Using the MD5 algorithm to compute response.
Reminder: Don't use opiekey from telnet or dial-in sessions.
Enter secret pass phrase: <secret password>
26: JOAN BORE FOSS DES NAY QUIT
27: LATE BIAS SLAY FOLK MUCH TRIG
28: SALT TIN ANTI LOON NEAL USE
29: RIO ODIN GO BYE FURY TIC
30: GREW JIVE SAN GIRD BOIL PHIMet worden vijf opeenvolgende
sleutels aangevraagd, geeft aan wat het
laatste iteratiegetal moet zijn. Deze wachtwoorden worden
weergegeven in omgekeerde volgorde voor
gebruik. Als de gebruiker echt paranoïde bent kan hij ze
opschrijven of hij kan er ook voor kiezen ze af te drukken met
lpr. Op iedere regel staat dus de
iteratieteller en het eenmalige wachtwoord, maar misschien is
het toch handig om ze na gebruik af te strepen.Gebruik van &unix; wachtwoorden beperkenS/Key kan beperkingen plaatsen op het gebruik van &unix;
wachtwoorden gebaseerd op hostnaam, gebruikersnaam,
terminalpoort of IP adres van een
aanmeldsessie. Deze beperkingen staan in het
instellingenbestand /etc/skey.access.
De handboekpagina voor &man.skey.access.5; bevat meer
informatie over de inhoud van het bestand en bevat ook details
over een aantal aandachtspunten voor beveiliging voordat
besloten wordt dit bestand te gebruiken in de
beveiliging.Als het bestand /etc/skey.access niet
bestaat (dat mag in &os; 4.X systemen), dan mogen alle
gebruikers hun &unix; wachtwoord gebruiken. Maar als het
bestand wel bestaat, dan moeten alle gebruikers S/Key
gebruiken, tenzij iets anders expliciet wordt toegestaan door
instellingen in het bestand skey.access.
In alle gevallen worden &unix; wachtwoorden op het console wel
toegestaan.Nu volgt een voorbeeld met instellingen in het bestand
skey.access waarin de drie meest gebruikte
instellingen terugkomen:permit internet 192.168.0.0 255.255.0.0
permit user fnord
permit port ttyd0In de eerste regel (permit internet)
staat dat gebruikers met een bron IP adres
(wat gefingeerd kan worden) dat past binnen de aangegeven
waarde en masker altijd &unix; wachtwoorden mogen gebruiken.
Dit mag niet gezien worden als beveiligingsmechanisme, maar
eerder als een mogelijkheid om gebruikers aan wie het wordt
toegestaan eraan te herinneren dat ze op een onveilig netwerk
zitten en gebruik moeten maken van S/Key bij het aanmelden.De tweede regel (permit user) staat de
gebruiker fnord toe om altijd &unix;
wachtwoorden te gebruiken. In het algemeen dient dit alleen
gebruikt te worden voor gebruikers die niet in staat zijn het
programma key te gebruiken, zoals gebruikers
met domme terminals of gebruikers die totaal niet op te voeden
zijn.De derde regel (permit port) staat
gebruikers die aanmelden vanaf een aangegeven
terminalverbinding toe om &unix; wachtwoorden te gebruiken.
Dit kan gebruikt worden voor inbellers.Met OPIE kan ook paal en perk gesteld worden aan het
gebruik van &unix; wachtwoorden op basis van het
IP adres van een aanmeldsessie, net als met
S/Key. Dat kan met het bestand
/etc/opieaccess dat standaard aanwezig is
op &os; 5.0 en latere systemen. Bij &man.opieaccess.5; staat
meer informatie over dit bestand en welke
beveiligingsoverwegingen bestaan bij het gebruik.Hieronder een voorbeeld voor een
opieaccess bestand:permit 192.168.0.0 255.255.0.0In deze regel (permit internet) staat
dat gebruikers met een bron IP adres (wat
gefingeerd kan worden) dat past binnen de aangegeven waarde en
masker altijd &unix; wachtwoorden mogen gebruiken.Als geen van de regels uit opieaccess
van toepassing is, worden standaard pogingen zonder OPIE
geweigerd.TomRhodesGeschreven door SiebrandMazelandVertaald door TCP WrapperTCP wrappersIedereen die bekend is met &man.inetd.8; heeft waarschijnlijk
wel eens van TCP Wrappers gehoord. Maar
slechts weinigen lijken volledig te begrijpen hoe ze in een
netwerkomgeving toegepast kunnen worden. Het schijnt dat
iedereen een firewall wil hebben om netwerkverbindingen af te
handelen. Ondanks dat een firewall veel kan, zijn er toch dingen
die hij niet kan, zoals tekst terugsturen naar ontstaansplaats
van een verbinding. De TCP software kan dat
en nog veel meer. In dit onderdeel worden de
TCP Wrappers mogelijkheden besproken en, waar
dat van toepassing is, worden ook voorbeelden voor implementatie
gegeven.De TCP Wrappers software vergroot de
mogelijkheden van inetd door de mogelijkheid
al zijn serverdaemons te controleren. Met deze methode is het
mogelijk om te loggen, berichten te zenden naar verbindingen, een
daemon toe te staan alleen interne verbindingen te accepteren,
etc. Hoewel een aantal van deze mogelijkheden ook ingesteld
kunnen worden met een firewall, geeft deze manier niet alleen een
extra laag beveiliging, maar gaat dit ook verder dan wat een
firewall kan bieden.De toegevoegde waarde van TCP Wrappers
is niet dat het een goede firewall vervangt.
TCP Wrappers kunnen samen met een firewall en
andere beveiligingsinstellingen gebruikt worden om een extra laag
van beveiliging voor het systeem te bieden.Omdat dit een uitbreiding is op de instellingen van
inetd, wordt aangenomen dat de lezer het
onderdeel inetd configuration heeft
gelezen.Hoewel programma's die onder &man.inetd.8; draaien niet
echt daemons zijn, heten ze traditioneel wel zo.
Deze term wordt hier dus ook gebruikt.Voor het eerst instellenDe enige voorwaarde voor het gebruiken van
TCP Wrappers in &os; is ervoor te zorgen
dat de inetd gestart wordt vanuit
rc.conf met de optie .
Dit is de standaardinstelling. Er wordt vanuit gegaan dat
/etc/hosts.allow juist is ingesteld, maar
als dat niet zo is, dan zal &man.syslogd.8; dat melden.In tegenstelling tot bij andere implementaties van
TCP Wrappers is het gebruik van
hosts.deny niet langer mogelijk. Alle
instellingen moeten in /etc/hosts.allow
staan.In de meest eenvoudige instelling worden verbindingen naar
daemons toegestaan of geweigerd afhankelijk van de opties in
/etc/hosts.allow. De standaardinstelling
in &os; is verbindingen toe te staan naar iedere daemon die met
inetd is gestart. Na de basisinstelling
wordt aangegeven hoe dit gewijzigd kan worden.De basisinstelling heeft meestal de vorm
daemon : adres : actie.
daemon is de daemonnaam die
inetd heeft gestart. Het
adres kan een geldige hostnaam, een
IP adres of een IPv6 adres tussen
blokhaken ([ ]) zijn. Het veld actie kan
allow of deny zijn, afhankelijk van of toegang toegestaan of
geweigerd moet worden. De instellingen werken zo dat ze
worden doorlopen van onder naar boven om te kijken welke regel
als eerste van toepassing is. Als een regel van toepassing is
gevonden, dan stop het zoekproces.Er zijn nog andere mogelijkheden, maar die worden elders
toegelicht. Een eenvoudige instelling kan al van met deze
informatie worden gemaakt. Om bijvoorbeeld
POP3 verbindingen toe te staan via de
mail/qpopper daemon,
zouden de volgende instellingen moeten worden toegevoegd aan
hosts.allow:# This line is required for POP3 connections:
qpopper : ALL : allowNadat deze regel is toegevoegd moet
inetd herstart worden. Dit gaat met het
&man.kill.1; commando of met de restart
parameter met /etc/rc.d/inetd.Gevorderde instellingenTCP Wrappers hebben ook gevorderde
instellingen. Daarmee komt meer controle over de wijze waarop
er met verbindingen wordt omgegaan. Soms is het een goed idee
om commentaar te sturen naar bepaalde hosts of
daemonverbindingen. In andere gevallen moet misschien iets
in een logboekbestand geschreven worden of een e-mail naar de
beheerder gestuurd worden. Dit kan allemaal met instellingen
die wildcards, uitbreidingskarakters
(expansion characters) en het uitvoeren van externe commando's
heten. De volgende twee paragrafen beschrijven deze
mogelijkheden.Externe commando'sStel dat zich de situatie voordoet waar een verbinding
geweigerd moet worden, maar er een reden gestuurd moet
worden naar het individu dat die verbinding probeerde op te
zetten. Hoe gaat dat? Dat is mogelijk door gebruik te
maken van de optie . Als er een
poging tot verbinding wordt gedaan, wordt er met
een shellcommando of script
uitgevoerd. Er staat al een voorbeeld in
hosts.allow:# De andere daemons zijn beschermd.
ALL : ALL \
: severity auth.info \
: twist /bin/echo "You are not welcome to use %d from %h."Dit voorbeeld geeft aan dat het bericht You are
not allowed to use daemon from
hostname. wordt teruggestuurd
voor iedere daemon die niet al is ingesteld in het
toegangsbestand. Het is erg handig om een antwoord terug
te sturen naar degene die een verbinding op heeft willen
zetten meteen nadat een tot stand gekomen verbinding is
verbroken. Let wel dat alle berichten die gezonden worden
moeten staan tussen "
karakters. Hier zijn geen uitzonderingen op. Het is mogelijk een ontzegging van dienst aanval uit
te voeren op de server als een aanvaller, of een groep
aanvallers, deze daemons kan overstromen met verzoeken om
verbindingen te maken.Het is ook mogelijk hier de optie
te gebruiken. Net als weigert
impliciet de verbinding en kan het
gebruikt worden om shellcommando's of scripts uit te voeren.
Anders dan bij stuurt
geen bericht aan degene die de
verbinding wilde maken. Zie bijvoorbeeld de volgende
instelling:# Geen verbindingen van example.com:
ALL : .example.com \
: spawn (/bin/echo %a from %h attempted to access %d >> \
/var/log/connections.log) \
: denyHiermee worden alle verbindingen van het domein
*.example.com geweigerd.
Tegelijkertijd worden ook hostnaam, IP
adres en de daemon waarmee verbinding werd gemaakt naar
/var/log/connections.log
geschreven.Naast de vervangingskarakters die al zijn toegelicht,
zoals %a, bestaan er nog een paar andere. In de
handboekpagina van &man.hosts.access.5; staat een volledige
lijst.Wildcard optiesTot nu toe is in ieder voorbeeld ALL
gebruikt. Er bestaan nog andere opties waarmee de
mogelijkheden nog verder gaan. Zo kan ALL
gebruikt worden om van toepassing te zijn op iedere instantie
van een daemon, domein of een IP adres.
Een andere wildcard die gebruikt kan worden is
PARANOID. Daarmee wordt iedere host die
een IP adres geeft dat gefingeerd kan zijn
aangeduid. In andere woorden: paranoid
kan gebruikt worden om een actie aan te geven als er een
IP adres gebruikt wordt dat verschilt van
de hostnaam. Het volgende voorbeeld kan wat verheldering
brengen:# Weiger mogelijke gespoofte verzoeken aan sendmail:
sendmail : PARANOID : denyIn het voorgaande voorbeeld worden alle
verbindingsverzoeken aan sendmail met een
IP adres dat verschilt van de hostnaam
geweigerd.Het gebruik van PARANOID kan nogal
wat schade aanrichten als de client of de server kapotte
DNS instellingen heeft. Voorzichtigheid
van de beheerder is geboden.De handboekpagina van &man.hosts.access.5; geeft meer
uitleg over wildcards en de mogelijkheden die ze
bieden.Voordat de bovenstaande instellingen werken, dient de
eerste regels in hosts.allow als
commentaar gemarkeerd te worden.MarkMurrayBijgedragen door MarkDapozGebaseerd op een bijdrage van SiebrandMazelandVertaald door KerberosIVKerberos is een netwerkdienst,
protocol en systeem waarmee gebruikers zich kunnen aanmelden met
behulp van een dienst op een veilige server. Diensten als op een
andere server aanmelden, op afstand kopiëren, veilig tussen
systemen kopiëren en andere taken met een hoog risico worden
aanmerkelijk veiliger en beter controleerbaar.De onderstaande instructies kunnen gebruikt worden als
handleiding voor het opzetten van Kerberos op &os;. Voor een
volledige beschrijving wordt verwezen naar de relevante
handboekpagina's.KerberosIV installerenMITKerberosIVinstallerenKerberos is een optioneel component van &os;. De meest
eenvoudige manier om de software te installeren is het
selecteren van de krb4 of
krb5 distributie in
sysinstall tijdens de initiële
installatie van &os;. Hierdoor wordt de eBones
(KerberosIV) of Heimdal (Kerberos5)
implementatie van Kerberos geïnstalleerd. Deze
implementaties zijn beschikbaar omdat ze ontwikkeld zijn buiten
de VS/Canada en dus zijn ze beschikbaar voor systeemeigenaren
buiten die landen in dit tijdperk waarin er beperkingen gelden
ten aanzien van de export van coderingsprogramma's uit de
VS.Het is ook mogelijk te kiezen voor de MIT implementatie van
Kerberos via de Portscollectie: security/krb5.Maken van de initiële databaseDit hoeft alleen op de Kerberos gedaan te worden. Er
dienen geen oude Kerberos databases rond te slingeren.
Controleer in de map /etc/kerberosIV of de
volgende bestanden aanwezig zijn:&prompt.root; cd /etc/kerberosIV
&prompt.root; ls
README krb.conf krb.realmsAls er nog meer bestanden zijn (zoals
principal.* of
master_key), dan kan met het programma
kdb_destroy de oude Kerberos database
vernietigd worden of de overige bestanden kunnen verwijderd
worden als Kerberos niet draait.Nu moeten de bestanden krb.conf en
krb.realms gewijzigd om de Kerberos wereld
te definiëren. In dit geval heet de wereld
EXAMPLE.COM en de server heet
grunt.example.com. Wijzig of
creëer het bestand krb.conf:&prompt.root; cat krb.conf
EXAMPLE.COM
EXAMPLE.COM grunt.example.com admin server
CS.BERKELEY.EDU okeeffe.berkeley.edu
ATHENA.MIT.EDU kerberos.mit.edu
ATHENA.MIT.EDU kerberos-1.mit.edu
ATHENA.MIT.EDU kerberos-2.mit.edu
ATHENA.MIT.EDU kerberos-3.mit.edu
LCS.MIT.EDU kerberos.lcs.mit.edu
TELECOM.MIT.EDU bitsy.mit.edu
ARC.NASA.GOV trident.arc.nasa.govIn dit geval hoeven de andere werelden er niet te zijn. Ze
staan er als voorbeeld van hoe een machine attent gemaakt kan
worden op het bestaan van meerdere werelden. In een eigen test
kan ervoor gekozen worden ze weg te laten.De eerste regel benoemt de wereld waarin het systeem
opereert. De andere regels bevatten werelden/hosts. Het
eerste deel van een regel bevat de wereld en het tweede deel is
een host in die wereld die fungeert als sleutel
distributiecentrum. De woorden admin
server achter een hostnaam betekenen dat een host
ook administratieve database server is. In de handboekpagina's
van Kerberos wordt hierover meer uitleg gegeven.Nu moet grunt.example.com aan
de wereld EXAMPLE.COM toegevoegd worden en
er moet ook een instelling gemaakt worden voor alle hosts uit
het .example.com domein in
de wereld EXAMPLE.COM. Het bestand
krb.realms dient dan als volgt gewijzigd
te worden:&prompt.root; cat krb.realms
grunt.example.com EXAMPLE.COM
.example.com EXAMPLE.COM
.berkeley.edu CS.BERKELEY.EDU
.MIT.EDU ATHENA.MIT.EDU
.mit.edu ATHENA.MIT.EDUNogmaals: de andere werelden hoeven er niet te staan. Ze
staan er als voorbeeld hoe een machine van het bestaan van
andere werelden op de hoogte gebracht kan worden. Om het
overzichtelijker te maken, kan mogen ze verwijderd
worden.De eerste regel plaatst het specifieke
systeem in de genoemde wereld. De rest van de regels geeft aan
hoe standaardsystemen uit een bepaald subdomein in een wereld
plaatst worden.Nu kan de database aangemaakt worden. Dit hoeft alleen op
de Kerberos server gedaan te worden (of Sleutel Distributie
Centrum) met het commando kdb_init:&prompt.root; kdb_initRealm name [default ATHENA.MIT.EDU ]:EXAMPLE.COM
You will be prompted for the database Master Password.
It is important that you NOT FORGET this password.
Enter Kerberos master key:Nu moet de sleutel opgeslagen worden zodat diensten op de
lokale machine er gebruik van kunnen maken met het commando
kstash:&prompt.root; kstashEnter Kerberos master key:
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!Nu is de gecodeerde hoofdsleutel opgeslagen in
/etc/kerberosIV/master_key.Help het aan de praatKerberosIVeerste keer startenVoor ieder systeem dat met Kerberos
wordt beveiligd moeten twee principals worden aangemaakt. Die
heten kpasswd en rcmd.
Deze twee principals worden aangemaakt voor iedere systeem en
de instantie is de naam van het systeem.Deze daemons, kpasswd en
rcmd, staan andere systemen toe om
Kerberos wachtwoorden te wijzigen en commando's als
&man.rcp.1;, &man.rlogin.1; en &man.rsh.1; uit te
voeren.Deze worden nu toegevoegd:&prompt.root; kdb_edit
Opening database...
Enter Kerberos master key:
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!
Previous or default values are in [brackets] ,
enter return to leave the same, or new value.
Principal name:passwdInstance:grunt
<Not found>, Create [y] ?y
Principal: passwd, Instance: grunt, kdc_key_ver: 1
New Password: <---- enter RANDOM here
Verifying password
New Password: <---- enter RANDOM here
Random password [y] ?y
Principal's new key version = 1
Expiration date (enter yyyy-mm-dd) [ 2000-01-01 ] ?Max ticket lifetime (*5 minutes) [ 255 ] ?Attributes [ 0 ] ?
Edit O.K.
Principal name:rcmdInstance:grunt
<Not found>, Create [y] ?
Principal: rcmd, Instance: grunt, kdc_key_ver: 1
New Password: <---- enter RANDOM here
Verifying password
New Password: <---- enter RANDOM here
Random password [y] ?
Principal's new key version = 1
Expiration date (enter yyyy-mm-dd) [ 2000-01-01 ] ?Max ticket lifetime (*5 minutes) [ 255 ] ?Attributes [ 0 ] ?
Edit O.K.
Principal name: <---- null entry here will cause an exitAanmaken van het serverbestandNu moeten alle instanties die de diensten op iedere server
definiëren geëxtraheerd worden. Dat kan met het
commando ext_srvtab. Dit commando maakt een
bestand aan dat veilig gekopieerd moet
worden naar de map /etc/kerberosIV van
iedere Kerberos client. Dit bestand moet aanwezig zijn op
iedere server en op iedere client en is van doorslaggevend
belang voor de werking van Kerberos.&prompt.root; ext_srvtab gruntEnter Kerberos master key:
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!
Generating 'grunt-new-srvtab'....Het bovenstaande commando maakt een tijdelijk bestand aan
dat hernoemd moet worden naar srvtab zodat
alle diensten erbij kunnen. Met &man.mv.1; kan het op de
juiste plaats op het originele systeem gezet worden:&prompt.root; mv grunt-new-srvtab srvtabAls het bestand voor een clientsysteem is en het netwerk is
niet veilig, dan kan het bestand
client-new-srvtab
dan naar een verwijderbaar medium gekopieerd worden en dan
fysiek veilig getransporteerd worden. Op de client dient het
bestand srvtab te heten in de map
/etc/kerberosIV en in mode 600 te
staan:&prompt.root; mv grumble-new-srvtab srvtab
&prompt.root; chmod 600 srvtabDe database vullenNu moeten de gebruikers in de database. In dit voorbeeld
wordt de gebruiker jane als eerste
ingevoerd. Hiervoor is het commando
kdb_edit:&prompt.root; kdb_edit
Opening database...
Enter Kerberos master key:
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!
Previous or default values are in [brackets] ,
enter return to leave the same, or new value.
Principal name:janeInstance:
<Not found>, Create [y] ?y
Principal: jane, Instance: , kdc_key_ver: 1
New Password: <---- enter a secure password here
Verifying password
New Password: <---- re-enter the password here
Principal's new key version = 1
Expiration date (enter yyyy-mm-dd) [ 2000-01-01 ] ?Max ticket lifetime (*5 minutes) [ 255 ] ?Attributes [ 0 ] ?
Edit O.K.
Principal name: <---- null entry here will cause an exitAlles testenEerst moeten de Kerberos daemons gestart worden. Als de
juiste wijziging in /etc/rc.conf zijn
gemaakt, dan gebeurt dit automatisch na een herstart. Dit
hoeft alleen ingesteld te worden op de Kerberos server.
Kerberos clients vinden automatisch wat ze zoeken in de
map /etc/kerberosIV.&prompt.root; kerberos &
Kerberos server starting
Sleep forever on error
Log file is /var/log/kerberos.log
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!
Current Kerberos master key version is 1
Local realm: EXAMPLE.COM
&prompt.root; kadmind -n &
KADM Server KADM0.0A initializing
Please do not use 'kill -9' to kill this job, use a
regular kill instead
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!Nu kunnen kan er getest worden of met het commando
kinit een ticket (kaartje) gekregen kan
worden voor het ID jane dat net is
aangemaakt:&prompt.user; kinit jane
MIT Project Athena (grunt.example.com)
Kerberos Initialization for "jane"
Password:Met klist kan gecontroleerd worden of de
tokens er echt zijn:&prompt.user; klist
Ticket file: /tmp/tkt245
Principal: jane@EXAMPLE.COM
Issued Expires Principal
Apr 30 11:23:22 Apr 30 19:23:22 krbtgt.EXAMPLE.COM@EXAMPLE.COMNu wordt het wachtwoord gewijzigd met &man.passwd.1; om
te controleren of de kpasswd daemon
autorisatie krijgt van de Kerberos database:&prompt.user; passwd
realm EXAMPLE.COM
Old password for jane:New Password for jane:
Verifying password
New Password for jane:
Password changed.su rechten toewijzenKerberos biedt mogelijkheid iedere
gebruiker die rootrechten nodig heeft zijn
eigen afzonderlijke &man.su.1; wachtwoord
te geven. Nu wordt een ID toegevoegd dat geautoriseerd is om
&man.su.1; te gebruiken naar root. Dit
wordt geregeld door een instantie van root
te verbinden met een principal. Met
kdb_edit kan jane.root
gemaakt worden in de Kerberos database:&prompt.root; kdb_edit
Opening database...
Enter Kerberos master key:
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!
Previous or default values are in [brackets] ,
enter return to leave the same, or new value.
Principal name:janeInstance:root
<Not found>, Create [y] ? y
Principal: jane, Instance: root, kdc_key_ver: 1
New Password: <---- enter a SECURE password here
Verifying password
New Password: <---- re-enter the password here
Principal's new key version = 1
Expiration date (enter yyyy-mm-dd) [ 2000-01-01 ] ?Max ticket lifetime (*5 minutes) [ 255 ] ?12 <--- Keep this short!
Attributes [ 0 ] ?
Edit O.K.
Principal name: <---- null entry here will cause an exitEen lijst van de tokens kan bevestigen als alles werkt
zoals verwacht:&prompt.root; kinit jane.root
MIT Project Athena (grunt.example.com)
Kerberos Initialization for "jane.root"
Password:Nu dient de gebruiker toegevoegd te worden aan het
bestand .klogin van
root:&prompt.root; cat /root/.klogin
jane.root@EXAMPLE.COMNa een &man.su.1;:&prompt.user; suPassword:kan de lijst met tokens bekeken worden:&prompt.root; klist
Ticket file: /tmp/tkt_root_245
Principal: jane.root@EXAMPLE.COM
Issued Expires Principal
May 2 20:43:12 May 3 04:43:12 krbtgt.EXAMPLE.COM@EXAMPLE.COMAndere commando's gebruikenIn een eerder voorbeeld is een principal met de naam
jane gemaakt met een instantie
root. Dit was gebaseerd op een gebruiker met
dezelfde naam als de principal en dit is de standaard binnen
Kerberos: een
<principal>.<instantie> in de
vorm van <gebruikersnaam>.root staat die
<gebruikersnaam> het gebruik van
&man.su.1; naar root toe als de benodigde
instellingen in het bestand .klogin in de
home directory van root zijn
gemaakt:&prompt.root; cat /root/.klogin
jane.root@EXAMPLE.COMZo werkt het ook als een gebruiker in zijn eigen home
directory iets als volgt heeft opgenomen:&prompt.user; cat ~/.klogin
jane@EXAMPLE.COM
jack@EXAMPLE.COMHierdoor mag iedereen die zich in de wereld
EXAMPLE.COM heeft geauthenticeerd als
jane of jack (via
kinit, zie boven) bij
jane's account of de bestanden op dit
systeem (grunt) met &man.rlogin.1;,
&man.rsh.1; of &man.rcp.1;.Nu meldt bijvoorbeeld jane zich aan
op een ander systeem met Kerberos:&prompt.user; kinit
MIT Project Athena (grunt.example.com)
Password:
&prompt.user; rlogin grunt
Last login: Mon May 1 21:14:47 from grumble
Copyright (c) 1980, 1983, 1986, 1988, 1990, 1991, 1993, 1994
The Regents of the University of California. All rights reserved.
FreeBSD BUILT-19950429 (GR386) #0: Sat Apr 29 17:50:09 SAT 1995Of jack meldt zich aan op
jane's account op dezelfde machine
(jane heeft het bestand
.klogin ingesteld zoals hierboven en de
beheerder van Kerberos heeft een principal
jack aangemaakt zonder instantie):&prompt.user; kinit
&prompt.user; rlogin grunt -l jane
MIT Project Athena (grunt.example.com)
Password:
Last login: Mon May 1 21:16:55 from grumble
Copyright (c) 1980, 1983, 1986, 1988, 1990, 1991, 1993, 1994
The Regents of the University of California. All rights reserved.
FreeBSD BUILT-19950429 (GR386) #0: Sat Apr 29 17:50:09 SAT 1995TillmanHodgsonBijgedragen door MarkMurrayGebaseerd op een bijdrage van SiebrandMazelandVertaald door Kerberos5Iedere &os; release hoger dan &os;-5.1 bevat alleen
ondersteuning voor Kerberos5. Daarom
is Kerberos5 de enige versie die erbij
zit. De instellingen zijn op veel gebieden gelijk aan die van
KerberosIV. De nu volgende informatie
geldt alleen voor &os;-5.0 releases en verder. Gebruikers die
het KerberosIV package willen
gebruiken kunnen dat installeren uit de
security/krb4 port.Kerberos is een netwerkdienst,
protocol en systeem waarmee gebruikers zich kunnen aanmelden
met behulp van een dienst op een veilige server. Diensten als
op een andere server aanmelden, op afstand kopiëren, veilig
tussen systemen kopiëren en andere taken met een hoog risico
worden aanmerkelijk veiliger en beter controleerbaar.Kerberos kan omschrijven worden
als identiteitbevestigend proxy systeem. Het kan ook
omschreven worden als een vertrouwd authenticatiesysteem van een
derde partij. Kerberos vervult maar
één taak: het veilig authenticeren van gebruikers
op het netwerk. Het vervult geen autorisatietaken (wat
gebruikers mogen) en controleert ook niets (wat gebruikers hebben
gedaan). Nadat een client en server
Kerberos hebben gebruikt om hun
identiteit vast te stellen kunnen ze ook al hun communicatie
coderen om hun privacy en data-integriteit te garanderen.Daarom wordt het sterk aangeraden om
Kerberos samen met andere
beveiligingsmechanismen te gebruiken die autorisatie en
controlemogelijkheden bieden.De aanwijzingen die nu volgen kunnen gebruikt worden als
werkinstructie om Kerberos in te
stellen zoals dat wordt meegeleverd met &os;. Een complete
beschrijving staat in de handboekpagina.Voor demonstratie van de installatie van
Kerberos wordt gebruik gemaakt van de
volgende naamgeving:Het DNS domein (zone)
is example.org.De Kerberos wereld is
EXAMPLE.ORG.Het advies is voor installaties van
Kerberos echte domeinnamen te
gebruiken, zelfs als het alleen intern wordt gebruikt. Hiermee
worden DNS problemen voorkomen is een
goede samenwerking met andere
Kerberos werelden verzekerd.GeschiedenisKerberos5geschiedenisKerberos is ontworpen door
MIT als oplossing voor
netwerkbeveiligingsproblemen. Het
Kerberos protocol gebruikt sterke
codering zodat een client zijn identiteit kan bewijzen aan een
server (en andersom) over een onveilige
netwerkverbinding.Kerberos is zowel de naam van
een netwerkautorisatieprotocol als een bijvoeglijk naamwoord om
de programma's te beschrijven die gebruik maken van het
programma (zoals Kerberos telnet).
De huidige versie van het protocol is versie 5 en is beschreven
in RFC 1510.Er zijn een aantal vrij beschikbare implementaties van dit
protocol beschikbaar voor veel systemen. Het Massachusetts
Institute of Technology (MIT), waar
Kerberos ooit is ontwikkeld,
ontwikkelt nog steeds door aan hun
Kerberos pakket. Het wordt in de
VS veel gebruikt als coderingspakket en
daarom wordt het ook geraakt door de exportwetgeving van de
VS. Kerberos
van MIT is beschikbaar als port
(security/krb5). Heimdal
Kerberos is een andere implementatie
van versie 5 die expliciet buiten de VS is
ontwikkeld om de exportwetgeving de omzeilen (en wordt daarom
vaak gebruikt in niet-commerciële &unix; varianten). De
Heimdal Kerberos distributie is
beschikbaar als port (security/heimdal) en er zit een
minimale installatie in de basisinstallatie van &os;.Om het grootst mogelijke publiek te bereiken gaan deze
instructies ervan uit dat de Heimdal distributie die bij &os;
zit wordt gebruikt.Opzetten van een Heimdal KDCKerberos5sleutel distributie centrum instellingenHet Sleutel Distributie Centrum (KDC,
voluit Key Distribution Center) is de
gecentraliseerde authenticatiedienst die
Kerberos levert. Het is de computer
die Kerberos tickets uitgeeft. Het
KDC wordt vertrouwd door
alle andere computer in de Kerberos
wereld en daarom dient er een strenger beveiligingsregime op
van kracht te zijn.Hoewel het draaien van de
Kerberos dienst erg weinig van een
systeem vraagt, wordt het wel aangeraden om een machine in te
richten exclusief voor het KDC om
beveiligingsredenen.Het opzetten van een KDC begint met de
controle of de instellingen in
/etc/rc.conf juist zijn om te functioneren
als KDC (misschien moeten paden veranderd
worden voor een eigen systeem):kerberos5_server_enable="YES"
kadmind5_server_enable="YES"
kerberos_stash="YES" is alleen beschikbaar in
&os; 4.X.Daarna wordt het Kerberos
instellingenbestand /etc/krb5.conf
aangemaakt:[libdefaults]
default_realm = EXAMPLE.ORG
[realms]
EXAMPLE.ORG = {
kdc = kerberos.example.org
admin_server = kerberos.example.org
}
[domain_realm]
.example.org = EXAMPLE.ORG/etc/krb5.conf gaat ervan uit dat de
KDC de fully-qualified hostname kerberos.example.org heeft. Als de
KDC een andere hostname heeft, moet er nog
een CNAME (alias) toevoegd aan de zonefile.Voor grotere netwerken met een juist ingestelde
BIND DNS server kan
het bovenstaande voorbeeld ingekort worden tot:[libdefaults]
default_realm = EXAMPLE.ORGDoor de volgende regels toe te voegen aan de zonefile
voor example.org:_kerberos._udp IN SRV 01 00 88 kerberos.example.org.
_kerberos._tcp IN SRV 01 00 88 kerberos.example.org.
_kpasswd._udp IN SRV 01 00 464 kerberos.example.org.
_kerberos-adm._tcp IN SRV 01 00 749 kerberos.example.org.
_kerberos IN TXT EXAMPLE.ORG.Om clients de Kerberos
diensten te kunnen laten vinden, moet
er een volledig ingestelde
/etc/krb5.conf zijn of een minimaal
ingestelde /etc/krb5.confen een correct ingestelde DNS
server.Nu wordt de Kerberos
database aangemaakt. Deze database bevat de sleutels voor
alle principals en zijn versleuteld met een hoofdwachtwoord.
Dit wachtwoord hoeft niet onthouden te worden omdat het wordt
opgeslagen in (/var/heimdal/m-key). De
hoofdsleutel wordt aangemaakt door kstash
te starten en een wachtwoord in te voeren.Als de hoofdsleutel is gemaakt, kan de database
ingeschakeld worden met kadmin
met de optie -l (die staat voor
local). Deze optie geeft
kadmin de opdracht om de databasebestanden
direct te wijzigingen in plaats van via de
kadmind netwerkdienst. Hiermee wordt het
kip-ei probleem opgelost waarbij een verbinding wordt gemaakt
met de database voordat hij bestaat. Op het prompt van
kadmin kan met init
de database met de werelden aangemaakt worden.Tenslotte, nog steeds in kadmin, kan
de eerste principal gemaakt worden met
add. De standaardopties voor de principal
worden nu aangehouden. Deze kunnen later altijd
nog gewijzigd worden met modify. Met
het commando ? kunnen alle beschikbare
mogelijkheden getoond worden.Hieronder een sessie waarin een voorbeelddatabase wordt
aangemaakt:&prompt.root; kstash
Master key: xxxxxxxx
Verifying password - Master key: xxxxxxxx
&prompt.root; kadmin -l
kadmin> init EXAMPLE.ORG
Realm max ticket life [unlimited]:
kadmin> add tillman
Max ticket life [unlimited]:
Max renewable life [unlimited]:
Attributes []:
Password: xxxxxxxx
Verifying password - Password: xxxxxxxxNu kan de KDC dienst gestart worden
met /etc/rc.d/kerberos start en
/etc/rc.d/kadmind start. Op dit moment
draait er nog geen enkele daemon die gebruik maakt van
Kerberos. Bevestiging dat
KDC draait is te krijgen door een ticket te
vragen en dat uit te lezen voor de principal (user)
die zojuist is aangemaakt vanaf de commandoregel van het
KDC zelf:&prompt.user; k5init tillman
tillman@EXAMPLE.ORG's Password:
&prompt.user; k5list
Credentials cache: FILE:/tmp/krb5cc_500
Principal: tillman@EXAMPLE.ORG
Issued Expires Principal
Aug 27 15:37:58 Aug 28 01:37:58 krbtgt/EXAMPLE.ORG@EXAMPLE.ORGKerberos inschakelen op een
server met Heimdal dienstenKerberos5diensten inschakelenAls eerste is een kopie van het instellingenbestand van
Kerberos nodig,
/etc/krb5.conf. Dit bestand kan
eenvoudigweg op een veilige manier (met netwerkprogramma's
als &man.scp.1;, of fysiek via een floppy) naar de
clientcomputer gekopieerd worden vanaf de
KDC.Hierna is het /etc/krb5.keytab
nodig. Dit is het belangrijkste verschil tussen een server
die een daemons met Kerberos
aanbiedt en een werkstation: de server heeft het bestand
keytab nodig. Dit bestand bevat de
hostsleutel van de server waardoor het werkstation en de
KDC elkaars identiteit kunnen bevestigen.
Dit bestand dient veilig overgebracht te worden omdat de
beveiliging van de server doorbroken kan worden als de
sleutel openbaar wordt gemaakt. Dit betekent expliciet dat
overdracht via een protocol dat platte tekst gebruikt,
bv. FTP, een slecht idee is.Meestal wordt keytab naar de
server gebracht met kadmin. Dat
werkt handig omdat ook de host principal (het
KDC onderdeel van
krb5.keytab) aangemaakt moet
worden met kadmin.Let wel op dat er al een ticket moet zijn en dat dit
ticket de kadmin interface moet mogen
gebruiken in kadmind.acl. Zie
Beheer op Afstand in de Heimdal
informatiepagina's (info heimdal) voor
details over het ontwerpen van toegangscontrole. Als
kadmin via het netwerk geen toegang mag
hebben, dan kan ook op een veilige verbinding gemaakt worden
met de KDC (via het lokale console,
&man.ssh.1; of Kerberos
&man.telnet.1;) zodat alles lokaal uitgevoerd kan worden met
kadmin -l.Na het installeren van
/etc/krb5.conf kan
kadmin van de
Kerberos server gebruikt worden.
Met add --random-key kan de host
principal toegevoegd worden en met ext kan
de host principal van de server naar zijn eigen keytab
getrokken worden. Bijvoorbeeld:&prompt.root; kadmin
kadmin> add --random-key host/myserver.example.org
Max ticket life [unlimited]:
Max renewable life [unlimited]:
Attributes []:
kadmin> ext host/myserver.example.org
kadmin> exitLet op: ext slaat de sleutel standaard
op in /etc/krb5.keytab.Als kadmind niet beschikbaar is op de
KDC (wellicht om beveiligingsredenen) en
er via het netwerk dus geen toegang is tot
kadmin, dan kan de host principal
(host/myserver.EXAMPLE.ORG) ook direct
aan de KDC toegevoegd worden en daarna in
een tijdelijk bestand gezet worden. Het volgende kan
gebruikt worden om te voorkomen dat
/etc/krb5.keytab op de
KDC) wordt overschreven:&prompt.root; kadmin
kadmin> ext --keytab=/tmp/example.keytab host/myserver.example.org
kadmin> exitHierna kan de keytab veilig gekopieerd worden naar de
server (met scp of een floppy). Geef
een niet-standaard naam op voor de keytab om te voorkomen
dat de keytab op de KDC wordt
overschreven.Nu kan de server communiceren met de
KDC (vanweg
krb5.conf) en zijn identiteit bewijzen
(vanwege krb5.keytab). Nu is de server
klaar om er een aantal Kerberos
diensten op te activeren. In dit voorbeeld wordt de dienst
telnet geactiveerd door de volgende regel
in /etc/inetd.conf te zetten en dan
&man.inetd.8; te herstarten met
/etc/rc.d/inetd restart:telnet stream tcp nowait root /usr/libexec/telnetd telnetd -a userHet belangrijkste is dat de typering
-a (van authenticatie) op user staat. Meer
details zijn in &man.telnetd.8; te vinden.Kerberos activeren op een
client met HeimdalKerberos5clientinstellingenHet opzetten van een clientcomputer is eigenlijk
kinderlijk eenvoudig. Wat betreft de
Kerberos instelling is alleen het
Kerberos instellingenbestand
(/etc/krb5.conf) nodig. Dat kan
eenvoudigweg naar de clientcomputer gekopieerd worden vanaf
de KDC.Test de client met kinit,
klist en kdestroy
vanaf de client om een ticket te krijgen, te bekijken en
daarna te verwijderen voor de principal die hierboven is
aangemaakt. Nu moeten ook
Kerberos applicaties gebruikt
kunnen worden om verbindingen te maken met servers waarop
Kerberos is geactiveerd. Als dat
niet lukt en het verkrijgen van een ticket is wel mogelijk,
dan ligt dat hoogstwaarschijnlijk aan de server en niet aan
de client of de KDC.Bij het testen van een applicatie als
telnet kan het beste een pakketsnuffelaar
(bv. &man.tcpdump.1;) gebruikt worden om te bevestigen dat
een wachtwoord niet als tekst wordt verzonden. Gebruik
telnet met de optie -x.
Dan wordt de complete datastroom versleuteld (vergelijkbaar
met ssh).De Kerberos sleutelapplicaties
op de client (meestal kinit,
klist, kdestroy en
kpasswd) zitten in de basisinstallatie
van &os;. Let wel dat ze in &os; versies van voor 5.0
hernoemd zijn naar k5init,
k5list, k5destroy,
k5passwd en k5stash
(deze commando's worden gewoonlijk maar een keer
gebruikt).Er worden standaard ook andere
Kerberos applicaties op de client
geïnstalleerd. Hier komt de
minimalistische natuur van de Heimdal
basisinstallatie boven drijven: telnet is
de enige dienst waarvoor Kerberos
geactiveerd is.De Heimdal port voegt een aantal missende
clientapplicaties toe: versies met ondersteuning voor
Kerberos van
ftp, rsh,
rcp, rlogin en een paar
minder gebruikelijke programma's. De MIT
port bevat ook een volledig gamma aan
Kerberos clientapplicaties.Instellingenbestanden voor gebruikers:
.k5login en
.k5users.k5login.k5usersVoor gebruikers binnen een wereld wijst hun
Kerberos principal (bv.
tillman@EXAMPLE.ORG) gewoonlijk naar
een lokale gebruikeraccount (bijvoorbeeld een lokale account
met de naam tillman). Voor
clientapplicaties als telnet is gewoonlijk
geen gebruikersnaam of principal nodig.Soms moet iemand zonder bijpassende
Kerberos principal toch toegang
hebben tot een lokale gebruikersaccount.
tillman@EXAMPLE.ORG zou bijvoorbeeld
toegang nodig kunnen hebben tot de lokale gebruikersaccount
webdevelopers. Andere principals zouden
die toegang wellicht ook nodig kunnen hebben.De bestanden .k5login en
.k5users uit de gebruikersmap kunnen op
eenzelfde manier gebruikt worden als
.hosts en .rhosts.
Zo wordt het voorgaande probleem opgelost. Als bijvoorbeeld
een .k5login met de volgende
inhoud:tillman@example.org
jdoe@example.orgin de thuismap van de lokale gebruiker
webdevelopers gezet wordt dan zouden
beide principals toegang hebben tot die account zonder dat
ze een wachtwoord hoeven te delen.We raden aan de handboekpagina's voor deze commando's
te lezen. Let op dat de ksu handboekpagina
.k5users behandelt.Kerberos tips, trucs en
problemen oplossenKerberos5problemen oplossenAls de Heimdal of MIT
Kerberos port wordt gebruikt
dan dient de PATH omgevingsvariabele
de Kerberos versies van de
clientapplicaties te tonen voor de systeemversies.Hebben alle computers in de wereld hun tijd
gesynchroniseerd? Als dat niet zo is, dan slaagt de
authenticatie wellicht niet.
beschrijft hoe klokken
met NTP gesynchroniseerd kunnen
worden.MIT en Heimdal werken prima samen.
Dit geldt niet voor kadmin omdat
daarvoor geen protocolstandaard is.Als een hostnaam wordt gewijzigd, dan moet ook de
host/ principal aangepast en de
keytab. Dit geldt ook voor bijzondere instellingen
in de keytab zoals de www/ principal
voor www/mod_auth_kerb van
Apache.Alle hosts in een wereld moeten oplosbaar
(resolvable) zijn (zowel vooruit als achteruit) in de
DNS (of tenminste in
/etc/hosts). CNAMEs werken wel,
maar de A en PTR records moeten juist en actief zijn. De
foutmelding is niet erg duidelijk: Kerberos5
refuses authentication because Read req failed: Key table
entry not found.Sommige besturingssystemen van clients voor een
KDC zetten wellicht geen setuid
root voor ksu.
Dit betekent dat ksu niet werkt. Dat
is vanuit beveiligingsoogpunt een prima idee, maar wel
lastig. Dit is dus geen KDC
fout.Als met MIT
Kerberos een principal een
ticket moet krijgen dat langer geldig is dan de standaard
van tien uur, dan moet
modify_principal in
kadmin gebruikt worden om de maximale
geldigheidsduur (maxlife) van zowel de principal waar het
om gaat als de krbtgt principal aan
te passen. Dan kan de principal kinit-l gebruiken om een ticket met een
langere levensduur aan te vragen.Als een pakketsnuffelaar op de
KDC draait bij om te helpen bij het
oplossen van problemen en dan kinit
vanaf een werkstation wordt gestart, dan wordt zichtbaar
dat de TGT meteen wordt verstuurd als
kinit start, zelfs nog voor het
wachtwoord! De reden hiervoor is dat de
Kerberos server vrijelijk een
TGT (Ticket Granting
Ticket) verstuurt op iedere niet geautoriseerd verzoek.
Maar iedere TGT is versleuteld met een
sleutel die is afgeleid van het wachtwoord van de
gebruiker. Als een gebruiker zijn wachtwoord ingeeft,
wordt dat dus niet naar de KDC
gezonden, maar ontcijfert het de TGT
die kinit al heeft ontvangen. Als de
ontcijfering resulteert in een geldige ticket met een
geldige tijdstempel, dan heeft de gebruiker geldige
Kerberos rechten. Deze
rechten bevatten ook een sessiesleutel voor het opzetten
van beveiligde communicatie met de
Kerberos server in de toekomst
en de eigenlijke ticket-granting ticket, die is
versleuteld met de sleutel van de
Kerberos server zelf. Deze
tweede laag van versleuteling is niet bekend voor de
gebruiker, maar het stelt de
Kerberos server in staat om de
juistheid van iedere TGT te
bevestigen.Als tickets worden gebruik die lang geldig zijn (bv.
een week) en OpenSSH wordt
gebruikt om een verbinding te maken met de machine waarop
het ticket staat, zorg er dan voor dat de
Kerberos optie
op no
staat in sshd_config want anders
worden tickets verwijderd bij afmelden.Host principals kunnen ook een langere levensduur
hebben. Als een gebruikers principal een levensduur van
een week heeft, maar de host waar de verbinding mee
gemaakt wordt heeft een levensduur van negen uur,
dan heb staat er een verlopen host principal in de cache
en dan werkt e.e.a. niet zoals verwacht.Een krb5.dict bestand om het
gebruik van bepaalde slechte wachtwoorden te voorkomen
(dit wordt kort behandeld in de handboekpagina voor
kadmind) heeft alleen betrekking op
principals waar een wachtwoordbeleid voor geldt. De
opmaak van krb5.dict is eenvoudig:
een rij tekens per regel. Een symbolic link maken naar
/usr/share/dict/words is misschien
handig.Verschillen met de MIT portHet belangrijkste verschil tussen de
MIT en Heimdal installatie heeft
betrekking op kadmin, dat een andere (maar
gelijkwaardige) set commando's kent en een andere protocol
gebruikt. Dit betekent nogal wat als een
KDC MIT is, omdat
dan de kadmin van Heimdal niet gebruikt
kan worden om de KDC vanaf afstand te
beheren (dat geldt trouwens ook vice versa).De clientapplicaties kunnen ook commandoregelopties
gebruiken die een beetje verschillen, maar waarmee wel
hetzelfde wordt bereikt. We raden aan de instructies op de
MIT Kerberos
website () te volgen.
Wees voorzichtig met paden: de MIT port
installeert standaard in
/usr/local/ en dus kunnen de
normale systeemapplicaties gestart worden in
plaats van die van MIT als de
PATH omgevingsvariabele de systeemmappen als
eerste weergeeft.Als de MIT
security/krb5 port die
bij &os; zit wordt gebruikt, dan zorgt het lezen van
/usr/local/share/doc/krb5/README.FreeBSD
dat bij de port wordt geïnstalleerd voor een beter
begrip over waarom het aanmelden via
telnetd en klogind
soms wat vreemd verloopt. Als belangrijkste wijzen we erop
dat het bij het corrigeren van
onjuiste rechten op het cachebestand
noodzakelijk is dat het binaire bestand
login.krb5 wordt gebruikt voor
authenticatie zodat het op de juiste wijze eigenaarschap kan
wijzigen voor de doorgegeven rechten.Beperkingen in
KerberosKerberos5beperkingen en tekortkomingenKerberos is een alles of
niets aanpakIedere ingeschakelde dienst op het netwerk moet
aangepast worden om met Kerberos
te werken (of op een andere manier beschermd zijn tegen
netwerkaanvallen), want anders kunnen gebruikersrechten
worden gestolen en hergebruikt. Een voorbeeld hier van is
het inschakelen van Kerberos
voor alle shells op afstand (via rsh en
telnet bijvoorbeeld), maar de
POP3 mailserver die wachtwoorden als
platte tekst verzend ongemoeid laten.Kerberos is bedoeld voor
werkstations met een gebruikerIn een multi-user omgeving is
Kerberos minder veilig. Dit
komt doordat de tickets worden opgeslagen in de map
/tmp, waar gelezen kan worden door
alle gebruikers. Als een gebruiker een computer deelt met
andere gebruikers op hetzelfde moment (dus multi-user), dan
is het mogelijk dat een ticket van een gebruiker wordt
gestolen (gekopieerd) door een andere gebruiker.Dit kan voorkomen worden met de commandoregeloptie
-c bestandsnaam of (bij
voorkeur) de omgevingsvariabele KRB5CCNAME,
maar dat wordt zelden gedaan. In principe kan het opslaan
van een ticket in de thuismap van een gebruiker in
combinatie met eenvoudige bestandsrechten dit probleem
verhelpen.De KDC is een single point of failureZoals het is ontworpen, moet de KDC
zo goed mogelijk beveiligd zijn, omdat de hoofd
wachtwoorddatabase erop staat. De KDC
hoort geen enkele andere dienst aan te bieden en moet ook
fysiek afgeschermd worden. Het gevaar is groot, omdat
Kerberos alle wachtwoorden
versleutelt met dezelfde sleutel (de master
sleutel) die als een bestand op de KDC
staat.Toch is een gecompromitteerde master sleutel niet zo'n
groot probleem als wellicht wordt verondersteld. De
mastersleutel wordt alleen gebruikt om de
Kerberos database te
versleutelen en als zaad voor de generator van willekeurige
nummers. Zo lang als de toegang tot de
KDC is beveiligd, kan een aanvaller niet
echt iets doen met de mastersleutel.Als de KDC niet beschikbaar is
(misschien door een ontzeggen van dienst aanval of
netwerkproblemen) kunnen de netwerkdiensten niet gebruikt
worden omdat er geen authenticatie uitgevoerd kan worden;
een recept voor een ontzeggen van dienst aanval. Dit
risico kan omzeild worden door meerdere
KDC's (één master en
één of meer slaves) en een zorgvuldige
implementatie van secundaire of fall-back authenticatie.
PAM is hier uitermate geschikt
voor.Tekortkomingen van
KerberosKerberos stelt gebruikers,
hosts en diensten in staat om elkaar te authenticeren.
Maar het heeft geen mechanisme om de KDC
te authenticeren aan de gebruikers, hosts of diensten. Dit
betekent dat bijvoorbeeld een vervalste
kinit alle gebruikersnamen en
wachtwoorden zou kunnen afluisteren. Iets als
security/tripwire of
andere controle-instrumenten voor de integriteit van
bestandssystemen kunnen hier verlichting brengen.Bronnen en verdere informatieKerberos5externe bronnen
De Kerberos FAQ
(Engels)Een
Authenticatiesysteem Ontwerpen: een Dialoog in Vier
Scenes (Engels)
RFC 1510, De Kerberos Netwerk
Authenticatie Dienst (V5) (Engels)
MIT
Kerberos
homepageHeimdal
Kerberos homepageTomRhodesGeschreven door SiebrandMazelandVertaald door OpenSSLbeveiligingOpenSSLOpenSSLEen toepassing die bij &os; zit die veel gebruikers over het
hoofd zien is OpenSSL.
OpenSSL biedt een versleutelde
transportlaag bovenop de normale communicatielaag. Daardoor
biedt het de mogelijkheid met veel netwerktoepassingen en
diensten verweven te raken.Een aantal toepassingen van
OpenSSL zijn versleutelde
authenticatie van mailclients, webgebaseerde transacties als
creditcardbetalingen en nog veel meer. Veel ports zoals
www/apache13-ssl en
mail/sylpheed-claws
bieden tijdens het compileren ondersteuning om
OpenSSL in te bouwen.In de meeste gevallen zal de Portscollectie proberen de
port security/openssl te
bouwen, tenzij de make variabele
WITH_OPENSSL_BASE expliciet naar
yes is gezet.De versie van OpenSSL die bij &os;
zit ondersteunt Secure Sockets Layer v2/v3 (SSLv2/SSLv3),
Transport Layer Security v1 (TLSv1) netwerk
beveiligingsprotocollen en kan gebruikt worden als generieke
versleutelingsbibliotheek.Hoewel OpenSSL ondersteuning
biedt voor het IDEA algoritme, is dat
standaard uitgeschakeld in verband met patenten in de VS. Om
het te gebruiken dient de licentie gelezen te worden en, als
de restricties aanvaardbaar zijn, dient de make variabele
MAKE_IDEA ingesteld te worden in
make.conf.Een van de meest gebruikte toepassingen van
OpenSSL is het leveren van
certificaten voor gebruik met softwaretoepassingen. Deze
certificaten verzekeren dat de eigenschappen van een bedrijf
of individu geldig zijn en niet vervalst. Als het certificaat
in kwestie niet geldig verklaard is door een van de
Certificate Authorities of
CA's, dan komt er een waarschuwing. Een
Certificate Authority is een bedrijf, zoals VeriSign, dat
certificaten ondertekent zodat de eigenschappen van een bedrijf
of individu geldig verklaard kunnen worden. Dit proces kost geld
en het is zeker geen voorwaarde voor het gebruik van
certificaten. Het stelt wel de meer paranoïde gebruikers
gerust.Certificaten makenOpenSSLcertificaten makenVoor het maken van certificaten is het volgende commando
beschikbaar:&prompt.root; openssl req -new -nodes -out req.pem -keyout cert.pem
Generating a 1024 bit RSA private key
................
.......................................
writing new private key to 'cert.pem'
-----
You are about to be asked to enter information that will be incorporated
into your certificate request.
What you are about to enter is what is called a Distinguished Name or a DN.
There are quite a few fields but you can leave some blank
For some fields there will be a default value,
If you enter '.', the field will be left blank.
-----
Country Name (2 letter code) [AU]:US
State or Province Name (full name) [Some-State]:PA
Locality Name (eg, city) []:Pittsburgh
Organization Name (eg, company) [Internet Widgits Pty Ltd]:My Company
Organizational Unit Name (eg, section) []:Systems Administrator
Common Name (eg, YOUR name) []:localhost.example.org
Email Address []:trhodes@FreeBSD.org
Please enter the following 'extra' attributes
to be sent with your certificate request
A challenge password []:SOME PASSWORD
An optional company name []:Another NameLet op dat het antwoord direct na Common
Name een domeinnaam weergeeft. De prompt wil
dat er een servernaam wordt ingegeven voor het
verificatieproces. Het plaatsen van iets anders dan een
domeinnaam zorgt ervoor dat het certificaat waardeloos wordt.
Er zijn ook andere opties als verloopdatum, andere
versleutelingsalgoritmen, etc, beschikbaar. Een volledige
lijst is na te lezen in de handboekpagina van
&man.openssl.1;.Er zou nu een bestand cert.pem moeten
bestaan in de map waar het voorgaande commando is uitgevoerd.
Dit is het certificaat dat aan een CA ter
ondertekening gezonden kan worden.In gevallen waar ondertekening door een
CA niet vereist is, kan een zelfondertekend
certificaat gemaakt worden. Maak als eerste de
RSA sleutel:&prompt.root; openssl dsaparam -rand -genkey -out
myRSA.key 1024Hierna kan de CA sleutel gemaakt
worden:&prompt.root; openssl gendsa -des3 -out \
myca.keymyRSA.keyDeze sleutel kan gebruikt worden om een certificaat te
maken:&prompt.root; openssl req -new -x509 -days 365 -key
myca.key -out new.crtEr zouden nu twee bestanden bijgekomen moeten zijn in de
map: een certificate authority ondertekeningsbestand
myca.key en new.crt,
het certificaat zelf. Deze moeten in een map geplaatst worden,
bij voorkeur onder /etc
waar alleen root kan lezen. De rechten
0700 zijn hier prima en die kunnen ingesteld worden met
chmod.Certificaten gebruiken: een voorbeeldEn wat kunnen deze bestanden? Een prima toepassing zou
het versleutelen van verbindingen naar de
Sendmail MTA
kunnen zijn. Daardoor zouden gebruikers niet langer platte
tekst hoeven te authenticeren om mail te sturen via de lokale
MTA.Dit is niet de best denkbare toepassing omdat sommige
MUA's de gebruiker een foutmelding geven
als ze het certificaat niet lokaal geïnstalleerd hebben.
De documentatie bij de software geeft meer informatie over
het installeren van certificaten.De volgende regels moeten opgenomen worden in het lokale
.mc bestand:dnl SSL Options
define(`confCACERT_PATH',`/etc/certs')dnl
define(`confCACERT',`/etc/certs/new.crt')dnl
define(`confSERVER_CERT',`/etc/certs/new.crt')dnl
define(`confSERVER_KEY',`/etc/certs/myca.key')dnl
define(`confTLS_SRV_OPTIONS', `V')dnl/etc/certs/ is de
map die gebruikt wordt voor het lokaal opslaan van certificaten
en sleutels. De laatste voorwaarde het is opnieuw aanmaken van
het lokale .cf bestand. Dit gaat door
eenvoudigweg make<
install te typen in de map
/etc/mail. Laat dat
volgen door een makerestart waardoor de
Sendmail daemon herstart zou moeten
worden.Als alles goed is gegaan, dan staan er geen foutmeldingen
/var/log/maillog en is
Sendmail zichtbaar in de
proceslijst.Maak als eenvoudige test een verbinding met de mailserver
met &man.telnet.1;:&prompt.root; telnet example.com 25
Trying 192.0.34.166...
Connected to example.com.
Escape character is '^]'.
220 example.com ESMTP Sendmail 8.12.10/8.12.10; Tue, 31 Aug 2004 03:41:22 -0400 (EDT)
ehlo example.com
250-example.com Hello example.com [192.0.34.166], pleased to meet you
250-ENHANCEDSTATUSCODES
250-PIPELINING
250-8BITMIME
250-SIZE
250-DSN
250-ETRN
250-AUTH LOGIN PLAIN
250-STARTTLS
250-DELIVERBY
250 HELP
quit
221 2.0.0 example.com closing connection
Connection closed by foreign host.Als de regel STARTTLS verschijnt in de
uitvoer dan werkt alles correct.NikClaytonnik@FreeBSD.orgGerschreven door SiebrandMazelandVertaald door IPsecVPN via IPsecEen VPN opzetten met &os; gateways tussen twee netwerken die
gescheiden zijn door internet.Hiten M.Pandyahmp@FreeBSD.orgGeschreven door SiebrandMazelandVertaald door IPsec begrijpenDeze paragraaf is een gids in het proces van het opzetten,
en gebruiken van IPsec en het veilig laten communiceren van
machines in een omgeving die bestaat uit &os; en
µsoft.windows; 2000/XP.
Voordat IPsec opgezet kan worden dient de lezer bekend te zijn
met de concepten die nodig zijn om een aangepaste kernel te
bouwen (zie ).IPsec is een protocol dat bovenop de
Internet Protocol (IP) laag ligt. Hiermee kunnen twee of meer
host op een veilige manier communiceren (vandaar de naam). De
&os; IPsec netwerk wachtrij (stack) is gebaseerd
op de KAME
implementatie, die zowel de IPv4 als de IPv6 protocolfamilies
ondersteunt.&os; 5.X bevat een door hardware
geaccelereerde IPsec wachtrij die Fast
IPsec heet en uit OpenBSD komt. Die kan gebruik
maken van cryptografische hardware (waar mogelijk) via het
&man.crypto.4; subsysteem om de prestaties van IPsec te
optimaliseren. Dit subsysteem is nieuw en ondersteunt niet
alle opties die beschikbaar zijn in de KAME versie van
IPsec. Voordat er gebruik gemaakt kan worden van door
hardware versnelde IPsec, moet de volgende optie in het
kernelinstellingenbestand worden gezet:kerneloptiesFAST_IPSECoptions FAST_IPSEC # new IPsec (cannot define w/ IPSEC)Het is op dit moment niet mogelijk om het
Fast IPsec subsysteem samen met de
KAME-implementatie van IPsec te gebruiken. Zie
&man.fast.ipsec.4; voor meer informatie.IPsecESPIPsecAHIPsec bestaat uit twee subprotocollen:Encapsulated Security Payload
(ESP) beschermt de IP pakketdata tegen
inmenging door een derde partij door de inhoud te
versleutelen met symmetrische
versleutelingsalgoritmen (als Blowfish en 3DES).Authentication Header (AH)
beschermt de IP pakketkop tegen inmenging door een derde
partij en spoofing door een cryptografische checksum te
berekenen en de IP pakketkopvelden te hashen met een
veilige hashfunctie. Hierna wordt een extra kop ingevoegd
die de hash bevat zodat de informatie in het pakket
geauthenticeerd kan worden.ESP en AH kunnen
samen of apart gebruikt worden, afhankelijk van de
omgeving.VPNvirtual private networkVPNvirtueel privaat netwerkVPNIPsec kan gebruikt worden om het verkeer tussen twee hosts
direct te versleutelen (dat heet Transport
Mode) of door virtuele tunnels te
bouwen tussen twee subnetten die gebruikt kunnen worden voor
veilige communicatie tussen twee bedrijfsnetwerken (dat heet
Tunnel Mode). De laatste versie staat
beter bekend als Virtual Private Network
(VPN). In &man.ipsec.4; staat gedetailleerde
informatie over het IPsec subsysteem in &os;.Voor ondersteuning voor IPsec in de kernel zijn de
volgende opties nodig in het
kernelinstellingenbestand:kerneloptiesIPSECkerneloptiesIPSEC_ESPoptions IPSEC #IP security
options IPSEC_ESP #IP security (crypto; define w/ IPSEC)kerneloptiesIPSEC_DEBUGAls er ook fouten in IPsec (debugging) verwijderd moeten
kunnen worden, dan is de volgende optie ook nodig:options IPSEC_DEBUG #debug for IP securityHet probleemEr bestaat geen standaard voor wat een VPN is. VPN's
kunnen opgezet worden met behulp van een aantal verschillende
technologieën die allemaal hun eigen voor- en nadelen
hebben. Dit onderdeel bevat een scenario en de
strategieën die gebruikt kunnen worden voor het
implementeren van een VPN in iedere situatie.Het scenario: twee netwerken die één moeten
lijken en via internet verbonden zijnVPNmakenDit is het uitgangspunt:Er zijn tenminste twee locatiesBeide locaties gebruiken IPBeide locaties hebben een internetverbinding via een
gateway waarop &os; draait.De gateway op ieder netwerk heeft tenminste
één publiek IP
adres.De interne adressen van de twee netwerken mogen
publieke of private IP adressen zijn,
dat maakt niet uit. Er mag NAT draaien op de gateway als
dat nodig is.De interne IP adressen van de twee
netwerken mogen niet conflicteren.
Hoewel dit in theorie mogelijk is een combinatie van VPN en
NAT te gebruiken om dit te laten werken, wordt het vast een
drama om dit in te stellen.Als de twee netwerken die met elkaar verbonden moeten
worden intern dezelfde private IP
adresreeksen gebruiken (beiden gebruiken bijvoorbeeld 192.168.1.x), dan moet een van de
netwerken hernummerd worden.De netwerk topologie zou er zo uit kunnen zien:Netwerk #1 [ Interne Hosts ] Privaat Net, 192.168.1.2-254
[ Win9x/NT/2K ]
[ UNIX ]
|
|
.---[fxp1]---. Privaat IP, 192.168.1.1
| FreeBSD |
`---[fxp0]---' Publiek IP, A.B.C.D
|
|
-=-=- Internet -=-=-
|
|
.---[fxp0]---. Publiek IP, W.X.Y.Z
| FreeBSD |
`---[fxp1]---' Privaat IP, 192.168.2.1
|
|
Netwerk #2 [ Internal Hosts ]
[ Win9x/NT/2K ] Privaat Net, 192.168.2.2-254
[ UNIX ]Let op de twee publieke IP adressen.
In de rest van dit onderdeel worden de letters gebruikt
om ze aan te duiden. Overal waar die letters staan, kunnen ze
vervangen worden door eigen publieke IP
adressen. Zo hebben ook de twee gateway machines intern .1
IP adressen en de twee netwerken hebben
andere IP adressen (respectievelijk 192.168.1.x en 192.168.2.x). Alle machines op de
private netwerken zijn zo ingesteld dat ze de .1 machine als hun standaard gateway
gebruiken.Het is de bedoeling dat, vanuit het netwerkstandpunt, ieder
netwerk de machines in het andere netwerk kan zien alsof ze
beiden aan dezelfde router zouden zitten; wel een router die
een beetje langzaam is en af een toe een pakketje laat
vallen.Dit betekent dat (bijvoorbeeld) op machine 192.168.1.20:ping 192.168.2.34uitgevoerd kan worden en dat werkt, transparant.
µsoft.windows; machines moeten het andere netwerk kunnen
zien, gedeelde bestanden kunnen benaderen, enzovoort, op
dezelfde manier als ze dat kunnen op het lokale netwerk.En dat alles moet veilig zijn. Dat betekent dat verkeer
tussen de twee netwerken versleuteld moet zijn.Het opzetten van een VPN tussen twee netwerken is een
proces dat uit meerdere stappen bestaat:Het maken van een virtuele
netwerkverbinding tussen de twee netwerken over het
internet. Testen met gereedschappen als &man.ping.8; om te
bevestigen dat het werkt.Het instellen van beveiligingsbeleid om te verzekeren
dat het verkeer tussen de twee netwerken transparant wordt
versleuteld en ontsleuteld wanneer dat nodig is. Testen
met gereedschappen als &man.tcpdump.1; om te bevestigen dat
het werkt.Additionele software instellen op de &os; gateways om
µsoft.windows; machines de andere kant van het VPN te
laten zien.Stap 1: de virtuele netwerkverbinding
maken en testenStel dat een gebruiker is aangemeld op de gatewaymachine
in netwerk #1 (met publiek IP adres
A.B.C.D en privaat
IP adres 192.168.1.1) en de voert
ping 192.168.2.1 uit, naar het private
adres van de machine met IP adres W.X.Y.Z. Wat moet er gebeuren om
dat te laten werken?De gateway host moet weten hoe hij 192.168.2.1 kan bereiken. Met
andere woorden: hij moet een route hebben naar 192.168.2.1.Private IP adressen als de reeks
192.168.x horen in het
algemeen niet thuis op internet. Ieder pakket naar
192.168.2.1 moet dus
ingepakt worden in een ander pakket. Dit pakket moet
afkomstig lijken van A.B.C.D en moet naar
W.X.Y.Z verstuurd worden.
Dit proces heet inkapseling
(encapsulation).Als dit pakket aankomt bij W.X.Y.Z dan moet het
uitgekapseld (unencapsulated) worden en
afgeleverd worden aan 192.168.2.1.Dit is alsof er een tunnel moet bestaan
tussen de twee netwerken. De twee
tunnelopeningen zijn de IP
adressen A.B.C.D en
W.X.Y.Z en de tunnel moet op de
hoogte zijn van de private IP adressen die
door de tunnel mogen. De tunnel wordt gebruikt om verkeer
met private IP adressen over het internet
te leiden.Deze tunnel wordt gemaakt door gebruik te maken van de
generieke interface of gif apparaten
op &os;. De gif interface moet op
iedere gatewaymachine ingesteld zijn met vier
IP adressen: twee voor de publieke
IP adressen en twee voor de private
IP adressen.Ondersteuning voor het gif
apparaat moet in de &os; kernel van beide machine
gecompileerd worden. Dit kan door de volgende optie toe te
voegen aan de kernelinstellingenbestanden op beide machines,
dan de kernel te compileren, te installeren en dan gewoon te
herstarten:pseudo-device gifHet instellen van de tunnel gaat in twee stappen. Eerst
moet de tunnel verteld worden wat de IP
adressen aan de buitenkant (publiek) zijn met
&man.gifconfig.8;. Daarna moeten de private
IP adressen ingesteld worden met
&man.ifconfig.8;.In &os; 5.X is de functionaliteit van &man.gifconfig.8;
opgenomen in &man.ifconfig.8;.Op de gatewaymachine op netwerk #1 moeten de volgende
commando's uitgevoerd worden om te tunnel in te
stellen.gifconfig gif0 A.B.C.D W.X.Y.Z
ifconfig gif0 inet 192.168.1.1 192.168.2.1 netmask 0xffffffffOp de andere gatewaymachine moeten dezelfde commando's
uitgevoerd worden met omgedraaide IP
adressen.gifconfig gif0 W.X.Y.Z A.B.C.D
ifconfig gif0 inet 192.168.2.1 192.168.1.1 netmask 0xffffffffDaarna toont:gifconfig gif0de instellingen. Op netwerk #1 zou dat het volgende
zijn:&prompt.root; gifconfig gif0
gif0: flags=8011<UP,POINTTOPOINT,MULTICAST> mtu 1280
inet 192.168.1.1 --> 192.168.2.1 netmask 0xffffffff
physical address inet A.B.C.D --> W.X.Y.ZEr is nu een tunnel gemaakt tussen de fysieke adressen
A.B.C.D en
W.X.Y.Z en het verkeer dat
door de tunnel mag is dat tussen 192.168.1.1 en
192.168.2.1.Hiermee is ook een regel gemaakt in de routetabel op
beide machines die te bekijken zijn met netstat
-rn. Deze uitvoer komt van de gatewayhost op
netwerk #1.&prompt.root; netstat -rn
Routing tables
Internet:
Destination Gateway Flags Refs Use Netif Expire
...
192.168.2.1 192.168.1.1 UH 0 0 gif0
...De Flags waarde geeft aan dat dit een
hostroute is, wat betekent dat iedere gateway weet hoe hij de
andere gateway kan bereiken, maar dat ze niet weten hoe ze
bij de rest van elkaars netwerk kunnen komen. Dat probleem
wordt snel opgelost.Het is waarschijnlijk dat op beide machines een firewall
draait. Die moet omzeild worden voor VPN verkeer. Het is
mogelijk al het verkeer tussen de beide netwerken toestaan of
firewallregels toe te voegen waarmee de beide netwerken die
het VPN met elkaar verbindt tegen elkaar beschermd
worden.Het testen wordt een stuk eenvoudiger als de firewall zo
is ingesteld dat al het verkeer door het VPN wordt
doorgelaten. Laten kunnen nog restricties toegevoegd worden.
Met &man.ipfw.8; wordt metipfw add 1 allow ip from any to any via gif0al het verkeer tussen de twee eindstations van het VPN
toegestaan zonder dat dit de andere regels van de firewall
beïnvloedt. Dit commando moet natuurlijk wel op beide
gatewayhosts uitgevoerd worden.Deze instelling is toereikend om elke gateway machine het
recht te geven de ander te pingen. Op 192.168.1.1 kan nu:ping 192.168.2.1gedraaid worden en moet een antwoord komen. Op de andere
machine kan dezelfde test gedaan worden.Maar nu zijn de andere machines op het interne netwerk
nog niet te bereiken. Dat komt door de routering: hoewel de
gateway machines elkaar nu weten te vinden, weten ze nog niet
hoe ze het netwerk achter elkaar kunnen bereiken.Om dat probleem op te lossen moet een statische route
worden toevoegd op iedere gateway machine. Het commando
daarvoor is:route add 192.168.2.0 192.168.2.1 netmask 0xffffff00Dit betekent: om hosts op het netwerk 192.168.2.0 te bereiken moeten
pakketten naar de host 192.168.2.1 sturen. Een
zelfde dient op de andere gateway uitgevoerd te worden, maar
dan met de 192.168.1.x
adressen.IP verkeer van hosts op het ene netwerk kan nu hosts op
het andere netwerk bereiken.Hiermee is tweederde van het VPN tussen twee netwerken
aangelegd in de zin dat het virtueel is en er een
netwerk is. Maar het is nog niet privaat.
Dit wordt aangetoond met &man.ping.8; en &man.tcpdump.1;.
Voer op de gateway host het volgende commando uit:/para>
tcpdump dst host 192.168.2.1Voer vanuit een andere sessie op de host het onderstaande
commando uit:ping 192.168.2.1De uitvoer is ongeveer als volgt:16:10:24.018080 192.168.1.1 > 192.168.2.1: icmp: echo request
16:10:24.018109 192.168.1.1 > 192.168.2.1: icmp: echo reply
16:10:25.018814 192.168.1.1 > 192.168.2.1: icmp: echo request
16:10:25.018847 192.168.1.1 > 192.168.2.1: icmp: echo reply
16:10:26.028896 192.168.1.1 > 192.168.2.1: icmp: echo request
16:10:26.029112 192.168.1.1 > 192.168.2.1: icmp: echo replyHet is zichtbaar dat de ICMP berichten niet versleuteld
heen en weer gaan. Als met &man.tcpdump.1; de parameter
was gebruikt om meer bytes te tonen uit
de pakketten, dan was meer informatie te zien geweest.Dit is natuurlijk onacceptabel. In de volgende paragraaf
gaat het dan ook over het beveiligen van de verbinding tussen
de twee netwerken zodat al het verkeer automatisch wordt
versleuteld.Samenvatting:Stel voor beide kernels het pseudo-device
gif in.Wijzig /etc/rc.conf op gateway
host #1 en voeg de volgende regels toe (wijzig
IP adressen naar wens).gifconfig_gif0="A.B.C.D W.X.Y.Z"
ifconfig_gif0="inet 192.168.1.1 192.168.2.1 netmask 0xffffffff"
static_routes="vpn"
route_vpn="192.168.2.0 192.168.2.1 netmask 0xffffff00"Wijzig het firewallscript
(/etc/rc.firewall of iets dergelijks)
op beide hosts en voeg het volgende toe:ipfw add 1 allow ip from any to any via gif0Maak gelijksoortige wijzigingen in
/etc/rc.conf op gateway host #2 en
draai de volgorde van de IP adressen
om.Stap 2: de verbinding beveiligenOm de verbinding te beveiligen wordt IPsec gebruikt.
IPsec biedt een mechanisme waarmee twee hosts samen een
sleutel hebben en die sleutel dan gebruiken om gegevens te
versleutelen tussen die twee hosts.Hiervoor moet op twee plaatsen een aanpassing gemaakt
worden in de instellingen.Er moet een mechanisme zijn voor de twee hosts om het
eens te worden over het versleutelingsmechanisme dat
gebruikt gaat worden. Als de twee hosts het daar over
eens zijn, dan hebben ze een zogenaamde
beveiligingssamenwerking (security
association).Er moet een mechanisme zijn waarmee wordt aangegeven
welk verkeer versleuteld moet worden. Tenslotte moet
niet al het uitgaande verkeer versleuteld worden, maar
alleen het verkeer dat onderdeel is van het VPN. De
regels die worden opgesteld om te bepalen welke verkeer
versleuteld wordt heten beveiligingsbeleid
(security policies).Beveiligingssamenwerking en beveiligingsbeleid worden
beiden onderhouden door de kernel en kunnen aangepast worden
met programma's in userland. Maar voor dit mogelijk is, moet
de kernel geschikt gemaakt worden voor ondersteuning van IPsec
en het Encapsulated Security Payload (ESP) protocol. Dit kan
door de volgende regel op te nemen in het
kernelinstellingenbestand:kernel optionsIPSECoptions IPSEC
options IPSEC_ESPDaarna dienen hercompilatie en installatie van de kernel
plaats te vinden en moet de machine gereboot worden. Dit
moet voor beide gateway hosts uitgevoerd worden.IKEHet is mogelijk twee wegen te bewandelen voor het
opzetten van beveiligingssamenwerking. Als het met de hand
wordt opgezet dan moeten een versleutelingsalgoritme,
coderingssleutels, enzovoort gekozen worden. Er kan ook een
daemons gebruikt worden die het Internet Key Exchange
protocol (IKE) implementeert om dit uit te voeren.Het advies is voor het laatste te kiezen. Los van andere
overwegingen is het makkelijker in te stellen.IPsecsecurity policiessetkeyVoor het wijzigen en weergeven van het beveiligingsbeleid
is er &man.setkey.8;. Ter vergelijking:
setkey is voor het beveiligingsbeleid van
de kernel wat &man.route.8; is voor de routetabellen van de
kernel. setkey kan ook de huidige
beveiligingssamenwerkingen weergeven en om de vergelijking
door te zetten is het in die zin verwant aan
netstat -r.Er zijn een aantal daemons beschikbaar voor het bijhouden
van beveiligingssamenwerking in &os;. In dit artikel wordt
beschreven hoe dat met racoon gaat. racoon zit in de &os;
Portscollectie in de security/ categorie en kan op de
gebruikelijke manier geïnstalleerd worden.racoonracoon moet draaien op beide gateway hosts. Op iedere
host moet het IP adres van de andere
kant van het VPN ingesteld worden en een geheime sleutel (die
door de gebruiker zelf is gekozen en die hetzelfde moet zijn
op beide gateways).De twee daemons zoeken dan contact met elkaar en stellen
vast dat ze zijn wie ze beweren te zijn (door gebruik te
maken van de geheime sleutel die is ingesteld). De daemons
maken dan een nieuwe geheime sleutel aan en gebruiken die om
het verkeer over het VPN te versleutelen. Ze wijzigen die
sleutel periodiek zodat een aanvaller er niets aan heeft in
het geval hij achter een van de sleutels zou komen. Dit is
theoretisch trouwens vrijwel onuitvoerbaar. Tegen de tijd
dat de sleutel gekraakt is, hebben de twee daemons al een
nieuwe gekozen.De instellingen van racoon worden opgeslagen in
${PREFIX}/etc/racoon. Daar tref staat
een instellingenbestand aan dat niet ingrijpend hoeft te
wijzigen. De andere component van de instellingen van racoon
die gewijzigd moet worden is de wederzijds bekende
sleutel (pre-shared key).Standaard verwacht racoon dat die in
${PREFIX}/etc/racoon/psk.txt staat. Het
is belangrijk op te merken dat de wederzijds bekende sleutel
niet de sleutel is die gebruikt wordt om
het verkeer van de VPN verbinding te versleutelen. Het is
gewoon een token die de sleutelbeheerdaemons in staat stelt
elkaar te vertrouwen.psk.txt bevat een regel voor iedere
locatie waarmee verbinding bestaat. In dit voorbeeld zijn er
twee locaties en dus bevat ieder psk.txt
bestand één regel (omdat de ene kant van de VPN
alleen iets te maken heeft met één andere
kant).Op gateway host #1 ziet dat er als volgt uit:W.X.Y.Z secretEr staat dus het publieke
IP adres van de andere kant, witruimte
;– spatie(s) of tab(s) – en een stuk tekst met de
geheime sleutel. Natuurlijk dient secret niet
als sleutel gebruikt te worden. Ook hier gelden de normale
regels voor wachtwoorden.Op gateway host #2 ziet dat er dan zo uit:A.B.C.D secretDus het publieke
IP adres van de andere kant en dezelfde
geheime sleutel. psk.txt moet in mode
0600 staan (alleen lees en schrijfrechten
voor root) voordat racoon zal
werken.Racoon moet draaien op beide gatewaymachines. Er moeten
ook een aantal firewallregels toegevoegd worden om IKE
verkeer toe te staan, dat over UDP naar de ISAKMP (Internet
Security Association Key Management Protocol) poort loopt.
Nogmaals: deze regels staan bij voorkeur zo vroeg mogelijk in
de firewallregels.ipfw add 1 allow udp from A.B.C.D to W.X.Y.Z isakmp
ipfw add 1 allow udp from W.X.Y.Z to A.B.C.D isakmpAls racoon eenmaal draait, dan kan de ene gateway host
vanaf de andere gepingd worden. De verbinding is dan nog
steeds niet versleuteld, maar racoon stelt wel de
beveiligingssamenwerking tussen de twee hosts op. Dat kan
heel even duren en dat uit zich in een kleine vertraging
voordat er een antwoord op de ping komt.Als de beveiligingssamenwerking tot stand is gekomen,
dan kan deze getoond worden met &man.setkey.8;:setkey -DHet bovenstaande commando toont de
beveiligingssamenwerkingsingsinformatie.Dat is de ene helft van het probleem. De andere helft is
het instellen van het beveiligingsbeleid.Voor er een zinvol beveiligingsbeleid opgesteld kan
worden volgt eerst een samenvatting van wat tot nu toe is
bereikt. Het volgende geldt voor beide kanten van de
verbinding.Ieder IP pakket dat wordt verzonden heeft een kop die
gegevens over het pakket bevat. De kop bevat het
IP adres van zowel de bron als de
bestemming. Zoals bekend horen private
IP adressen zoals de reeks
192.168.x.y niet thuis op
internet. Ze moeten eerst ingepakt worden in een ander
pakket. Voor dat pakket moeten het publieke bron en
bestemmingsadres op de plaats van de private adressen gezet
worden.Dus als een uitgaand pakket als volgt begon:
.----------------------.
| Src: 192.168.1.1 |
| Dst: 192.168.2.1 |
| <andere kopinfo> |
+----------------------+
| <pakket data> |
`----------------------'Dan wordt het ingepakt in een andere pakket dat er
ongeveer als volgt uitziet:
.--------------------------.
| Src: A.B.C.D |
| Dst: W.X.Y.Z |
| <andere kop info> |
+--------------------------+
| .----------------------. |
| | Src: 192.168.1.1 | |
| | Dst: 192.168.2.1 | |
| | <andere kop info> | |
| +----------------------+ |
| | <pakket data> | |
| `----------------------' |
`--------------------------'Het gif apparaat zorgt voor het
inpakken. Het pakket heeft nu een echt IP
adres aan de buitenkant en het originele pakket zit ingepakt
als data in het pakket dat het internet opgestuurd gaat
worden.Nu moet het verkeer over het VPN natuurlijk versleuteld
worden. Dat kan als volgt worden weergegeven:Als een pakket A.B.C.D verlaat met als bestemming
W.X.Y.Z, versleutel het dan
met de benodigde beveiligingssamenwerkingen.Als een pakket aankomt van W.X.Y.Z en het heeft
A.B.C.D als bestemming,
ontcijfer het dan met de benodigde
beveiligingssamenwerkingen.Dat klopt bijna, maar niet helemaal. Als dit gebeurde,
dan zou al het verkeer van en naar W.X.Y.Z, zelfs als dat geen deel
uit zou maken van het VPN, versleuteld worden. Dat is niet
wenselijk. Het correcte beleid ziet er zo uit:Als een pakket A.B.C.D verlaat en dat pakket
bevat een ander pakket en als het W.X.Y.Z als bestemming heeft,
versleutel het dan met de benodigde
beveiligingssamenwerkingen.Als een pakket aankomt van W.X.Y.Z en het pakket bevat een
ander pakket en het heeft A.B.C.D als bestemming, ontcijfer
het dan met de benodigde
beveiligingssamenwerkingen.Dat is een subtiele aanpassing, maar wel
noodzakelijk.Beveiligingsbeleid wordt ook ingesteld met
&man.setkey.8;. &man.setkey.8; biedt een instellingtaal
voor het definiëren van beleid. Instructies kunnen via
STDIN gegeven worden of met de optie
uit een bestand komen dat de instellingen bevat.De instellingen op gateway host #1 (die het publieke
IP adres A.B.C.D heeft) om al het uitgaande
verkeer naar W.X.Y.Z te laten
versleutelen is:spdadd A.B.C.D/32 W.X.Y.Z/32 ipencap -P out ipsec esp/tunnel/A.B.C.D-W.X.Y.Z/require;Deze commando's kunnen in een bestand (bv.
/etc/ipsec.conf) gezet worden om
uitgevoerd te worden:&prompt.root; setkey -f /etc/ipsec.conf vertelt &man.setkey.8; dat er een
regel toegevoegd moet worden aan de database met het
beveiligingsbeleid. De rest van de regel geeft aan op welke
pakketten dit beleid van toepassing is. A.B.C.D/32 en W.X.Y.Z/32 zijn de
IP adressen en netmaskers waarmee het
netwerk of de hosts worden aangegeven waarop het beleid van
toepassing is. In dit geval is het van toepassing op het
verkeer tussen twee hosts. vertelt
de kernel dat dit beleid alleen van toepassing is op
pakketten waarin een ander pakket ingepakt zit. betekent dat dit beleid van toepassing is op
uitgaande pakketten en betekent dat de
pakketten beveiligd moeten worden.Het tweede deel geeft aan hoe een pakket versleuteld
wordt. is het protocol dat gebruikt
moet worden en geeft aan dat het
pakket ingepakt moet worden in een IPsec pakket. Het
herhaalde gebruik van A.B.C.D
en W.X.Y.Z heeft te maken met
het aangeven welke beveiligingssamenwerking gebruikt moet
worden en als laatste is het door
verplicht dat de pakketten versleuteld worden als deze regel
van toepassing is.Deze regel is alleen van toepassing op uitgaande
pakketten. Er moet ook nog een regel komen voor inkomende
pakketten.spdadd W.X.Y.Z/32 A.B.C.D/32 ipencap -P in ipsec esp/tunnel/W.X.Y.Z-A.B.C.D/require;Let wel dat hier dus staat in plaats
van en dat de IP
adressen zijn omgedraaid.Op de andere gateway host (met een publiek
IP adres W.X.Y.Z) zijn soortgelijke regels
nodig.spdadd W.X.Y.Z/32 A.B.C.D/32 ipencap -P out ipsec esp/tunnel/W.X.Y.Z-A.B.C.D/require;
spdadd A.B.C.D/32 W.X.Y.Z/32 ipencap -P in ipsec esp/tunnel/A.B.C.D-W.X.Y.Z/require;Tenslotte moeten de firewalls ESP en IPENCAP pakketten
naar beide kanten toestaan. Deze regels moeten op beide
hosts toegevoegd worden.ipfw add 1 allow esp from A.B.C.D to W.X.Y.Z
ipfw add 1 allow esp from W.X.Y.Z to A.B.C.D
ipfw add 1 allow ipencap from A.B.C.D to W.X.Y.Z
ipfw add 1 allow ipencap from W.X.Y.Z to A.B.C.DOmdat deze regels symmetrisch zijn, kunnen ze op beide
gateway hosts gebruikt worden.Uitgaande pakketten zien er nu ongeveer zo uit:
.------------------------------. --------------------------.
| Src: A.B.C.D | |
| Dst: W.X.Y.Z | |
| <andere kop info> | | Versleuteld
+------------------------------+ | pakket.
| .--------------------------. | -------------. | inhoud
| | Src: A.B.C.D | | | | is
| | Dst: W.X.Y.Z | | | | volledig
| | <andere kop info> | | | |- veilig
| +--------------------------+ | | Ingepakt | voor
| | .----------------------. | | -. | pakket | snoopen
| | | Src: 192.168.1.1 | | | | Origineel|- met echt | door derden
| | | Dst: 192.168.2.1 | | | | pakket, | IP adres |
| | | <andere kop info> | | | |- privaat | |
| | +----------------------+ | | | IP adres | |
| | | <pakket data> | | | | | |
| | `----------------------' | | -' | |
| `--------------------------' | -------------' |
`------------------------------' --------------------------'
Als ze ontvangen worden door de andere kant van het VPN
dan worden ze eerst ontcijferd (met de
beveiligingssamenwerking die door racoon tot stand is
gebracht). Daarna komen ze de gif
interface binnen die de tweede laag uitpakt zodat het
binnenste pakket overblijft, dan nu naar het interne netwerk
kan reizen.De beveiliging kan gecontroleerd worden met dezelfde
&man.ping.8; test die eerder is uitgevoerd, door eerst aan
te melden op de A.B.C.D
gateway machine en het onderstaande uit te voeren:tcpdump dst host 192.168.2.1In nog een sessie op dezelfde host kan dan het volgende
commando uitgevoerd worden:ping 192.168.2.1Nu hoort de volgende uitvoer te zien te zijn:XXX tcpdump output&man.tcpdump.1; toont nu de ESP pakketten. Als deze
pakketten verder bekeken worden met de optie
dan is de uitvoer onbegrijpelijk vanwege
de versleuteling.Gefeliciteerd. Nu is het VPN tussen de twee locaties
opgezet.SamenvattingStel beide kernels in met:options IPSEC
options IPSEC_ESPInstalleer security/racoon. Wijzig
${PREFIX}/etc/racoon/psk.txt op
beide gateway hosts en voeg een regel toe voor het
IP adres van de host aan de andere
kant en een geheime sleutel die aan beide kanten bekend
is. Dit bestand hoort mode 0600 te hebben.Voeg de volgende regels toe aan
/etc/rc.conf voor iedere
host:ipsec_enable="YES"
ipsec_file="/etc/ipsec.conf"Maak /etc/ipsec.conf op iedere
host die de benodigde spdadd regels bevat. Op gateway
host #1 zou dat zijn:spdadd A.B.C.D/32 W.X.Y.Z/32 ipencap -P out ipsec
esp/tunnel/A.B.C.D-W.X.Y.Z/require;
spdadd W.X.Y.Z/32 A.B.C.D/32 ipencap -P in ipsec
esp/tunnel/W.X.Y.Z-A.B.C.D/require;En op gateway host #2 is dat:spdadd W.X.Y.Z/32 A.B.C.D/32 ipencap -P out ipsec
esp/tunnel/W.X.Y.Z-A.B.C.D/require;
spdadd A.B.C.D/32 W.X.Y.Z/32 ipencap -P in ipsec
esp/tunnel/A.B.C.D-W.X.Y.Z/require;Voeg firewallregels toe om IKE, ESP en IPENCAP
verkeer toe te staan naar beide hosts:
ipfw add 1 allow udp from A.B.C.D to W.X.Y.Z isakmp
ipfw add 1 allow udp from W.X.Y.Z to A.B.C.D isakmp
ipfw add 1 allow esp from A.B.C.D to W.X.Y.Z
ipfw add 1 allow esp from W.X.Y.Z to A.B.C.D
ipfw add 1 allow ipencap from A.B.C.D to W.X.Y.Z
ipfw add 1 allow ipencap from W.X.Y.Z to A.B.C.DDe voorgaande twee stappen zouden voldoende moeten zijn
voor het opzetten van het VPN. Machines op ieder netwerk
kunnen elkaar nu bereiken op basis van IP
adressen en al het verkeer over de verbinding wordt
automatisch en veilig versleuteld.ChernLeeBijgedragen door SiebrandMazelandVertaald door OpenSSHOpenSSHbeveiligingOpenSSHOpenSSH is een groep
netwerkverbindingsprogramma's waarmee computers via het netwerk
veilig benaderd kunnen worden. Het kan ingezet worden als een
directe vervanger van rlogin,
rsh, rcp en
telnet. Daarnaast kunnen alle andere
TCP/IP verbindingen veilig
getunneld of geforward worden door SSH.
OpenSSH versleutelt al het verkeer om
afluisteren, het stelen van een verbinding en andere
netwerkaanvallen effectief te voorkomen.OpenSSH wordt onderhouden door het
OpenBSD project en is gebaseerd op SSH v1.2.12 met alle recente
bugfixes en updates. Het is compatibel met beide protocollen SSH
1 en 2. OpenSSH zit in de
basisinstallatie sinds &os; 4.0.Voordelen van gebruik van OpenSSHAls gewoonlijk &man.telnet.1; of &man.rlogin.1; wordt
gebruikt, wordt de data in platte tekst en niet versleuteld
verzonden. Netwerksnuffelaars die ergens tussen de client en
de server meeluisteren, kunnen een gebruikersnaam en wachtwoord
stelen en zien welke gegevens er worden overgezonden tijdens
een sessie. OpenSSH biedt een
verscheidenheid aan authenticatie en versleutelingsmethoden
die het voorgaande voorkomen.sshd inschakelenOpenSSHinschakelenIn rc.conf dient het volgende te
staan:sshd_enable="YES"Hierdoor wordt &man.sshd.8; geladen, het daemonprogramma
voor OpenSSH, als het systeem de
volgende keer opstart. De sshd
daemon kan ook direct gestart worden door
sshd in te geven op de commandoregel.SSH clientOpenSSHclient&man.ssh.1; werkt net zoals &man.rlogin.1;.&prompt.root; ssh user@example.com
Host key not found from the list of known hosts.
Are you sure you want to continue connecting (yes/no)? yes
Host 'example.com' added to the list of known hosts.
user@example.com's password: *******Het aanmelden gaat nu net zoals het zou gaan als wanneer
er een sessie gestart zou worden met rlogin
of telnet. SSH maakt gebruik van een
systeem met vingerafdrukken als sleutels voor het vaststellen
met welke server verbinding wordt gemaakt op het moment
dat de client verbinding zoekt. De gebruiker krijgt alleen de
eerste keer dat verbinding wordt gezocht met de server een
vraag waarop yes geantwoord dient te worden.
Bij volgende pogingen om aan te melden wordt de
vingerafdruksleutel vergeleken met de sleutel die is
opgeslagen. De SSH client alarmeert de gebruiker als de
opgeslagen vingerafdruk sleutel anders is dan de sleutel die
de server meldt. De vingerafdrukken worden opgeslagen in
~/.ssh/known_hosts of in
~/.ssh/known_hosts2 voor SSH v2
vingerafdrukken.OpenSSH servers staan standaard
ingesteld om alleen SSH v2 connecties toe te staan. De client
kan echter tussen beiden kiezen. Versie 2 is robuster en
veiliger dan zijn voorloper.Het commando &man.ssh.1; kan gedwongen worden om een van de
twee protocollen te gebruiken door de optie
of voor respectievelijk
v1 en v2 aan te geven.Veilig kopiërenOpenSSHveilig kopiërenscpHet commando &man.scp.1; (secure copy) werkt gelijk aan
&man.rcp.1;. Het kopieert een bestand van of naar een andere
machine, maar doet dat veilig.&prompt.root; scp user@example.com:/COPYRIGHT COPYRIGHT
user@example.com's password: *******
COPYRIGHT 100% |*****************************| 4735
00:00
&prompt.root;Omdat de vingerafdruk al is opgeslagen voor deze host in
het vorige voorbeeld, is die al geverifieerd als &man.scp.1;
gebruik wordt.De argumenten die aan &man.scp.1; gegeven worden zijn
vrijwel gelijk aan die voor &man.cp.1; met het bestand of
de bestanden als het eerste argument en de bestemming als het
tweede. Omdat het bestand over het netwerk gaat, door SSH,
hebben een of meer van de bestandsargumenten de vorm
.InstellenOpenSSHinstellenHet instellingenbestand dat voor het hele systeem geldt
voor zowel de OpenSSH daemon als
client staat in de map /etc/ssh.ssh_config bevat de instellingen voor
de client en sshd_config bevat ze voor
de daemon.Daarnaast bieden het
(standaard /usr/sbin/sshd) en
rc.conf
opties nog meer mogelijkheden voor instellingen.ssh-keygenIn plaats van het gebruik van wachtwoorden kan
&man.ssh-keygen.1; gebruikt worden om RSA sleutels te maken
om een gebruiker te authenticeren:&prompt.user; ssh-keygen -t rsa1
Initializing random number generator...
Generating p: .++ (distance 66)
Generating q: ..............................++ (distance 498)
Computing the keys...
Key generation complete.
Enter file in which to save the key (/home/user/.ssh/identity):
Enter passphrase:
Enter the same passphrase again:
Your identification has been saved in /home/user/.ssh/identity.
...&man.ssh-keygen.1; maakt een publiek en privaat sleutelpaar
aan dat gebruikt kan worden voor authenticatie. De private
sleutel staat opgeslagen in
~/.ssh/identity en de publieke sleutel
staat in ~/.ssh/identity.pub. De publieke
sleutel moet in ~/.ssh/authorized_keys
van de andere machine staan om dit te laten werken.Nu is het mogelijk een verbinding te maken met een andere
machine die gebaseerd is op RSA authenticatie in plaats van
op wachtwoorden.De optie maakt RSA sleutels
voor versie 1 van het SSH protocol. Als gebruik van versie 2
gewenst is, dan het commando ssh-keygen -t
rsa gebruikt te worden.Als er een wachtwoordzin is gebruikt bij &man.ssh-keygen.1;
dan wordt de gebruiker iedere keer dat de private sleutel wordt
gebruikt een wachtwoord gevraagd.Het is mogelijk een SSH protocol versie 2 DSA sleutel te
maken voor hetzelfde doel met het commando
ssh-keygen -t dsa. Hiermee wordt een
publiek/privaat DSA sleutelpaar gemaakt dat alleen gebruikt kan
worden in SSH protocol versie 2 sessies. De publieke sleutel
staat in ~/.ssh/id_dsa.pub en de private
sleutel staat in ~/.ssh/id_dsa.Publieke DSA staan ook in
~/.ssh/authorized_keys op de andere
machine.&man.ssh-agent.1; en &man.ssh-add.1; zijn hulpprogramma's
die gebruikt worden om meerdere met wachtwoorden beschermde
private sleutels te beheren.Opties en bestandslocaties kunnen afhankelijk zijn
van de gebruikte OpenSSH versie op
een systeem. Raadpleeg de &man.ssh-keygen.1; handboekpagina
voor de correcte gegevens.SSH tunnelsOpenSSHtunnelsOpenSSH kan een tunnel maken
waarin een ander protocol ingepakt kan worden zodat er een
versleutelde sessie ontstaat.Het volgende commando geeft &man.ssh.1; aan dat er een
tunnel voor telnet gemaakt moet
worden:&prompt.user; ssh -2 -N -f -L 5023:localhost:23 user@foo.example.com
&prompt.user;Aan het ssh commando worden de volgende
opties meegegeven:Dit dwingt ssh om versie 2 van het
protocol te gebruiken. Gebruik van deze optie wordt
afgeraden als er verbinding wordt gemaakt met oudere SSH
servers.Dit geeft aan dat er geen commando volgt, maar dat er
een tunnel opgezet moet worden. Als deze optie niet
aanwezig was, zou ssh een normale
sessie starten.Dit dwingt ssh om in de
achtergrond te draaien.Dit geeft aan dat de lokaal een tunnel wordt gemaakt
in de vorm
lokale_poort:netwerk_host:netwerk_poort.Wijst naar een gebruiker op de SSH server op het
netwerk.Een SSH tunnel werkt doordat een luistersocket wordt
gemaakt op localhost op de aangegeven poort.
Die stuurt dan iedere ontvangen verbinding op de lokale
host/poort via de SSH verbinding door naar de aangegeven host
en poort op het netwerk.In het voorbeeld wordt poort
5023 op localhost
doorgestuurd naar poort 23 op
localhost van de machine op het netwerk.
Omdat 23telnet is, zou dit een veilige
telnet verbinding opleveren door
een SSH tunnel.Dit kan gebruikt worden om ieder willekeurig onveilig
TCP protocol in te pakken als SMTP,
POP3, FTP, etc.SSH gebruiken om een veilige tunnel te maken voor
SMTP&prompt.user; ssh -2 -N -f -L 5025:localhost:25 user@mailserver.example.com
user@mailserver.example.com's password: *****
&prompt.user; telnet localhost 5025
Trying 127.0.0.1...
Connected to localhost.
Escape character is '^]'.
220 mailserver.example.com ESMTPDit kan samen met een &man.ssh-keygen.1; en extra
gebruikersaccounts gebruikt worden om een min of meer
naadloze en eenvoudige SSH tunnelomgeving te maken. In
plaats van wachtwoorden kunnen sleutels gebruikt worden en de
tunnels kunnen in de omgeving van een aparte gebruiker
draaien.Praktische voorbeelden van een SSH tunnelVeilige toegang tot een POP3 serverOp het werk staat een SSH server die verbindingen van
buitenaf toestaat. Op hetzelfde netwerk op kantoor staat
een mailserver waarop POP3 draait. Het netwerk of het
netwerkpad tussen de locatie op internet en kantoor is
wellicht niet helemaal te vertrouwen. Om deze reden dient
de mailserver op een veilige manier benaderd te worden. De
oplossing is een SSH verbinding opzetten naar de SSH server
op kantoor en dan door de tunnel heen een verbinding
opzetten met de mailserver.&prompt.user; ssh -2 -N -f -L 2110:mail.example.com:110 user@ssh-server.example.com
user@ssh-server.example.com's password: ******Als de tunnel eenmaal draait, dan kan de mailclient
naar localhost poort 2110 gewezen worden.
Alle verbinding naar die poort worden veilig doorgestuurd
door de tunnel naar
mail.example.com.Een draconische firewall omzeilenSommige netwerkbeheerders stellen draconische
firewallregels op en filteren niet alleen inkomende
verbindingen, maar ook uitgaande. Meestal mag dan alleen
maar verbinding gemaakt worden met andere machines op
poorten 22 en 80 voor SSH en websurfen.Soms wil een gebruiker dan toch toegang krijgen tot
andere (wellicht niet netwerk-gerelateerd) diensten, zoals
een Ogg Vorbis server om muziek te streamen. Als die Ogg
Vorbis server streamt op een andere poort dan 22 of 80, dan
kan deze niet bereikt worden.De oplossing ligt in het opzetten van een SSH
verbinding naar een machine buiten de firewall en die
tunnel te gebruiken om bij de Ogg Vorbis server te
komen.&prompt.user; ssh -2 -N -f -L 8888:music.example.com:8000 user@unfirewalled-system.example.org
user@unfirewalled-system.example.org's password: *******De streamingclient kan nu gewezen worden naar
localhost poort 8888 vanwaar er wordt
doorverwezen naar music.example.com poort
8000 en zo wordt de firewall succesvol ontwerken.Meer lezenOpenSSH&man.ssh.1; &man.scp.1; &man.ssh-keygen.1;
&man.ssh-agent.1; &man.ssh-add.1;&man.sshd.8; &man.sftp-server.8;TomRhodesBijgedragen door SiebrandMazelandVertaald door ACLBestandssysteem toegangscontrolelijstenIn combinatie met verbeteringen als snapshots, bieden
&os; 5.0 en volgende versies de veiligheid van
Bestandssysteem Toegangscontrolelijsten (Access Control Lists,
ACLs).Met Toegangscontrolelijsten wordt het standaard &unix;
rechtenmodel uitgebreid op een zeer verenigbare (&posix;.1e)
manier. Deze methodes stellen een beheerder in staat om gebruik
te maken en voordeel te halen uit een geraffineerder
beveiligingsmodel.Om ondersteuning voor ACLs voor
bestandssystemen in te schakelen dient het volgende in de kernel
gecompileerd te worden:options UFS_ACLAls deze optie niet aanwezig is, dan wordt er een
waarschuwing weergegeven als er wordt geprobeerd een
bestandssysteem te mounten dat gebruik maakt van
ACLs. Deze optie is al geactiveerd in de
GENERIC kernel. ACLs
zijn afhankelijk van uitgebreide attributen die zijn ingeschakeld
op het bestandssysteem. Uitgebreide attributen worden standaard
ondersteund in het volgende generatie &unix; bestandssysteem
UFS2.Er is meer administratieve overhead nodig om
uitgebreide attributen in te stellen op
UFS1 dan op UFS2. De
prestaties van uitgebreide attributen zijn op
UFS2 ook veel beter. Daarom wordt
UFS2 ook meestal aangeraden boven
UFS1 bij het gebruik van
toegangscontrolelijsten.ACLs worden ingeschakeld door de
beheersvlag op het moment van mounten. Dit
kan ook in /etc/fstab staan. De vlag op het
moment van mounten kan ook automatisch gezet worden op een
persistente wijze met &man.tunefs.8; door een superblok in de
bestandssysteemkop te wijzigen. In het algemeen wordt de
voorkeur gegeven aan de vlag in het superblok om een aantal
redenen:De ACLs vlag op het moment van mounten
kan niet gewijzigd worden bij opnieuw mounten (&man.mount.8;
), maar alleen door een volledige
&man.umount.8; en een verse &man.mount.8;. Dit betekent dat
ACLs niet ingeschakeld kunnen worden op
root bestandssysteem na het booten. Het betekent ook dat de
aard van een bestandssysteem niet veranderd kan worden als
het eenmaal in gebruik is.Het inschakelen van de superblok vlag zorgt ervoor dat
het bestandssysteem altijd wordt gemount met de
ACLs ingeschakeld, zelfs als het niet in
fstab staat of als de apparaten van
plaats veranderen. Hiermee wordt voorkomen dat het
bestandssysteem wordt gebruikt zonder dat
ACLs ingeschakeld zijn, wat ervoor zou
kunnen zorgen dat ACLs onjuist worden
toegepast wat weer kan zorgen voor
beveiligingsproblemen.Wellicht wordt het mogelijk om de
ACLs via de vlag in te schakelen zonder een
compleet verse &man.mount.8;, maar de ontwikkelaars vinden het
wenselijk om het per ongeluk zonder ACLs
mounten te ontmoedigen, omdat er bijzonder vervelende gevolgen
kunnen zijn als ACLs worden ingeschakeld,
daarna worden uitgezet en weer worden ingeschakeld zonder dat
de uitgebreide attributen worden geschoond. In het algemeen
geldt dat als ACLs eenmaal zijn ingeschakeld
voor een bestandssysteem, ze niet meer uitgeschakeld moeten
worden, omdat de resulterende bestandsbescherming wellicht niet
compatibel is met dat wat gebruikers van het systeem nodig
hebben en het opnieuw aanzetten van ACLs kan
leiden tot het opnieuw koppelen van voorheen bestaande
ACLs aan bestanden waarvoor de
toegangsrechten sindsdien zijn aangepast, wat kan leiden tot
onverwachte situaties.Bestandssystemen waarvoor ACLs zijn
ingeschakeld worden weergegeven met een +
(plus) teken als de toegangsrechten worden bekeken:drwx------ 2 robert robert 512 Dec 27 11:54 private
drwxrwx---+ 2 robert robert 512 Dec 23 10:57 directory1
drwxrwx---+ 2 robert robert 512 Dec 22 10:20 directory2
drwxrwx---+ 2 robert robert 512 Dec 27 11:57 directory3
drwxr-xr-x 2 robert robert 512 Nov 10 11:54 public_htmlHierboven is te zien dat mappen
directory1, directory2
en directory3 allemaal gebruik maken van
ACLs. De map public_html
doet dat niet.Gebruik maken van ACLsDe ACLs van het bestandssysteem kunnen
bekeken worden met het hulpprogramma &man.getfacl.1;. Om de
ACL op het bestand test
te bekijken zou het volgende commando nodig zijn:&prompt.user; getfacl test
#file:test
#owner:1001
#group:1001
user::rw-
group::r--
other::r--Om de ACL op dit bestand te wijzigen
wordt het hulpprogramma &man.setfacl.1; als volgt
gebruikt:&prompt.user; setfacl -k testDe vlag verwijdert alle bestaande
ACLs van een bestand of bestandssysteem. De
methode die de voorkeur geniet is gebruiken
omdat die optie de basisvelden die nodig zijn voor het laten
werken van de ACLs laat staan.&prompt.user; setfacl -m u:trhodes:rwx,group:web:r--,o::--- testBij het commando hierboven, werd de optie
gebruikt om de standaard
ACL aan te passen. Omdat er geen
voorgedefinieerde instellingen waren, die waren verwijderd door
het commando daarvoor, werden nu de standaardinstellingen
hersteld en de rechten die werden aangegeven toegevoegd. Let
op dat bij het toevoegen van een gebruiker of een groep die
niet bekend is op het systeem een foutmelding
Invalid argument wordt geschreven naar
stdout.TomRhodesGeschreven door PortauditMonitoren van beveiligingsproblemen met andere
softwareIn de afgelopen jaren zijn er in de beveiligingswereld veel
vorderingen gemaakt op het gebied van inzicht in kwetsbaarheden.
Als er software naast het besturingssysteem wordt
geïnstalleerd en ingesteld neemt op vrijwel ieder
besturingssysteem het risico op inbraak toe.Inzicht in kwetsbaarheid is een vitale factor in beveiliging
en hoewel &os; waarschuwingen publiceert voor het basissysteem,
gaat het publiceren van waarschuwingen voor alle overige software
de scope van het &os; Project te buiten. Er is een manier om
inzicht te krijgen in de kwetsbaarheden voor additionele software
en als beheerder gewaarschuwd te worden. Voor dit doel bestaat
het &os; hulpprogramma
Portaudit.De port security/portaudit
zoekt naar bekende beveiligingsproblemen in een database die
wordt bijgewerkt en onderhouden door het &os; Security Team en
portontwikkelaars.Voordat Portaudit gebruikt kan
worden dient het geïnstalleerd te worden uit de
Portscollectie:&prompt.root; cd /usr/ports/security/portaudit && make install cleanTijdens het installatieproces worden de instellingenbestanden
voor &man.periodic.8; bijgewerkt, waardoor
Portaudit uitvoer in de dagelijkse
- security runs meekomt. Er is geen verdere instelling
- nodig.
+ security runs meekomt. Het is van belang dat de e-mails die
+ aan de e-mailaccount van root worden
+ gezonden en uit de dagelijkse beveiligingsronde komen ook echt
+ worden gelezen. Er zijn geen verdere instellingen nodig.
- Ma de installatie dient de beheerder de database bij te
+ Na de installatie dient de beheerder de database bij te
werken die lokaal staat in /var/db/portaudit:&prompt.root; portaudit -FDe database wordt automatisch bijgewerkt tijdens de
&man.periodic.8; run; dus het voorgaande commando is volledig
optioneel. Het is alleen nodig om de volgende voorbeelden na
te kunnen doen.De software de uit de Portscollection is geïnstalleerd
kan door een beheerder geaudit worden met:&prompt.root; portaudit -aHieronder staat een voorbeeld van de uitvoer:Affected package: cups-base-1.1.22.0_1
Type of problem: cups-base -- HPGL buffer overflow vulnerability.
Reference: <http://www.FreeBSD.org/ports/portaudit/40a3bca2-6809-11d9-a9e7-0001020eed82.html>
1 problem(s) in your installed packages found.
You are advised to update or deinstall the affected package(s) immediately.Door met een webbrowser naar de aangegeven
URL te gaan kan een beheerder meer informatie
over de bewust kwetsbaarheid krijgen, waaronder de versies die
het betreft, volgens de &os; Port versie en andere websites
waarop beveiligingswaarschuwingen te lezen zijn.In het kort is Portaudit een
krachtig hulpprogramma dat bijzonder handig is als het wordt
gekoppeld aan het gebruik van de port
Portupgrade.TomRhodesBijgedragen door SiebrandMazelandVertaald door &os; Beveiligingswaarschuwingen&os; beveiligingswaarschuwingenNet als veel andere kwalitatief goede
productiebesturingssystemen publiceert &os;
Beveiligingswaarschuwingen. Deze waarschuwingen
worden meestal pas naar de beveiligingslijst gemaild en
gedocumenteerd in de Errata als de van toepassing zijnde
releases gepatcht zijn. In deze paragraaf wordt toegelicht wat
een waarschuwing is, hoe die te begrijpen en welke maatregelen
er genomen moeten worden om een systeem bij te werken.Hoe ziet een waarschuwing eruit?De &os; beveiligingswaarschuwingen zien er ongeveer uit als
die hieronder die van de &a.security-notifications.name;
mailinglijst komt.=============================================================================
&os;-SA-XX:XX.UTIL Security Advisory
The &os; Project
Topic: denial of service due to some problem
Category: core
Module: sys
Announced: 2003-09-23
Credits: Person@EMAIL-ADDRESS
Affects: All releases of &os;
&os; 4-STABLE prior to the correction date
Corrected: 2003-09-23 16:42:59 UTC (RELENG_4, 4.9-PRERELEASE)
2003-09-23 20:08:42 UTC (RELENG_5_1, 5.1-RELEASE-p6)
2003-09-23 20:07:06 UTC (RELENG_5_0, 5.0-RELEASE-p15)
2003-09-23 16:44:58 UTC (RELENG_4_8, 4.8-RELEASE-p8)
2003-09-23 16:47:34 UTC (RELENG_4_7, 4.7-RELEASE-p18)
2003-09-23 16:49:46 UTC (RELENG_4_6, 4.6-RELEASE-p21)
2003-09-23 16:51:24 UTC (RELENG_4_5, 4.5-RELEASE-p33)
2003-09-23 16:52:45 UTC (RELENG_4_4, 4.4-RELEASE-p43)
2003-09-23 16:54:39 UTC (RELENG_4_3, 4.3-RELEASE-p39)
&os; only: NO
For general information regarding FreeBSD Security Advisories,
including descriptions of the fields above, security branches, and the
following sections, please visit
http://www.FreeBSD.org/security/.
I. Background
II. Problem Description
III. Impact
IV. Workaround
V. Solution
VI. Correction details
VII. ReferencesHet veld Topic geeft aan wat precies
het probleem is. Het is eigenlijk een inleiding op de
beveiligingswaarschuwing en geeft aan welke programma
kwetsbaar is.Het veld Category geeft aan welk
onderdeel van het systeem kwetsbaar is. Dat kan een van de
onderdelen core,
contrib of ports
zijn. De categorie core betekent dat
de een kerncomponent van het &os; besturingssysteem
kwetsbaar is. De categorie contrib
betekent dat software die toegevoegd is aan het &os;
Project kwetsbaar is, zoals
sendmail. Tenslotte geeft de
categorie ports aan dat een optionele
component uit de Portscollectie kwetsbaar is.Het veld Module geeft aan waar de
component zich bevindt, bijvoorbeeld
sys. In dit voorbeeld wordt het
duidelijk dat de module sys kwetsbaar
is. Hier gaat het dus om een kwetsbaar component die
gebruikt wordt in de kernel.Het veld Announced geeft aan wanneer
de beveiligingswaarschuwing gepubliceerd of aangekondigd
is. Dit betekent dat het beveiligingsteam heeft bevestigd
dat het probleem bestaat en dat er een patch is gecommit in
het depot met de broncode van &os;.In het veld Credits wordt iemand of
een organisatie bedankt die de kwetsbaarheid heeft ontdekt
en gerapporteerd.Het veld Affects geeft aan welke
releases van &os; door deze kwetsbaarheid worden getroffen.
Voor de kernel kan snel gekeken worden naar de uitvoer van
ident voor de betreffende bestanden om
te bepalen welke revisie ze hebben. Voor ports is het
versienummer te zien in /var/db/pkg.
Als het systeem niet gelijk op loopt met het &os;
CVS depot en dagelijks herbouwd wordt,
dan is de kans groot dat het systeem kwetsbaar is.Het veld Corrected geeft de datum,
tijd en tijdzone aan en de release die is aangepast.Het veld &os; only geeft aan of deze
kwetsbaarheid alleen betrekking heeft op &os; of dat hij
ook betrekking heeft op andere besturingssystemen.Het veld Background geeft meer
informatie over wat er precies aan de hand is. Meestal
staat hier waarom het programma aanwezig is in &os;, waar
het voor gebruikt wordt en hoe het programma is
ontstaan.Het veld Problem Description geeft
gedetailleerde toelichting op het beveiligingsprobleem.
Hier kan informatie bij staat over programmacode die
fouten bevat of zelfs hoe het programma gebruikt kan worden
om een beveiligingsgat te openen.Het veld Impact beschrijft welke
invloed het probleem kan hebben op het systeem. Dit kan
bijvoorbeeld een ontzegging van dienst aanval zijn,
gebruikers extra rechten geven of het verkrijgen van
supergebruiker toegang voor de aanvaller zijn.Het veld Workaround geeft aan hoe
het mogelijk is het probleem te omzeilen (workaround) in
het geval systeembeheerders niet in staat zijn om het
systeem bij te werken. Dit zou te maken kunnen hebben
met de tijd, beschikbaarheid van het netwerk en een hele
lijst met andere redenen. Hoe dan ook, beveiliging
dient serieus genomen te worden en een systeem dat
kwetsbaar is moet bijgewerkt worden of het gat in de
beveiliging moet gedicht worden met de alternatieve
oplossing.Het veld Solution geeft instructies
over hoe een systeem aangepast kan worden. Dit is een
werkinstructie die getest en gecontroleerd is om een
systeem aan te passen en weer veilig werkend te
krijgen.In het veld Correction Details staan
de CVS takken of releasenamen, met de
punten veranderd in een liggend streepje. Er staat ook
welke revisienummer de aangetaste bestanden binnen een tak
hebben.In het veld References wordt
gewoonlijk verwezen naar andere bronnen. Dit kunnen
URLs, boeken, mailinglijsten en
nieuwsgroepen zijn.TomRhodesGeschreven door ProcesaccountingProcesaccountingProcesaccounting is een beveiligingsmethode die een beheerder
in staat stelt om in de gaten te houden welke systeembronnen
worden gebruikt, hoe ze over gebruikers verdeeld zijn,
systeemmonitoring biedt en op minimalistische wijze het gebruik
van commando's door gebruikers volgt.Deze methode heeft voordelen en nadelen. Eén van de
positieve punten is dat een inbraak gevolgd kan worden tot het
moment waarop die zich voordeed. Nadelen zijn de grootte van de
logboeken die door procesaccounting worden gegenereerd en de
schijfruimte die dat kost. In dit onderdeel wordt een beheerder
de basis van procesaccounting getoond.Procesaccounting inschakelen en gebruikenVoordat procesaccounting gebruikt kan worden dient het
door een beheerder worden ingeschakeld met de volgende
commando's:&prompt.root; touch /var/account/acct
-
&prompt.root; accton /var/account/acct
-
&prompt.root; echo 'accounting_enable="YES"' >> /etc/rc.confEenmaal ingeschakeld begint accounting met het bijhouden
van CPU statistieken, commands, enzovoort.
Alle accounting logboeken worden in een niet leesbaar formaat
bijgehouden en zijn uit te lezen met &man.sa.8;. Bij het
uitvoeren zonder opties, toont sa informatie
gerelateerd aan het aantal calls per gebruiker, de totale tijd
in minuten die is verstreken, de totale CPU
en gebruikerstijd in minuten, gemiddeld aantal I/O operaties,
enzovoort.Informatie over uitgevoerde commando's kan bekeken worden
met &man.lastcomm.1;. Zo kan met lastcomm
bijvoorbeeld weergegeven worden welke commando's door
gebruikers op een specifieke &man.ttys.5; zijn
uitgevoerd:
- &prompt.root; lastcomm ls
- trhodes ttyp1
+ &prompt.root; lastcomm ls trhodes ttyp1Het bovenstaande commando toont ieder bekend gebruikt van
ls door de gebruiker
trhodes op terminal ttyp1.Veel andere handige opties staan beschreven in
&man.lastcomm.1;, &man.acct.5; en &man.sa.8;.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/x11/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/x11/chapter.sgml
index b4f755c119..078acce13c 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/x11/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/x11/chapter.sgml
@@ -1,1931 +1,1931 @@
KenTomGeupdate voor X.Org's X11 server door MarcFonvieilleErikRadderVertaald door Het X Window systeemOverzicht&os; gebruikt X11 om gebruikers een krachtige grafische
gebruikersschil te bieden. X11 is een open-source
implementatie van het X Window System dat zowel
&xorg; als
&xfree86; bevat. &os; versies tot en
- met &os; 4.10-RELEASE en &os; 5.2.1-RELEASE hebben
+ met &os; 4.11-RELEASE en &os; 5.2.1-RELEASE hebben
&xfree86; als standaard, de X11 server
die is uitgebracht door The &xfree86; Project, Inc. Vanaf
&os; 5.3-RELEASE is de officiële standaardversie van
X11 gewijzigd naar &xorg;, de X11
server die is ontwikkeld door de X.Org Foundation.In dit hoofdstuk wordt de installatie en instelling van X11
behandeld met de nadruk op
&xorg;.Meer informatie over de videohardware die X11 ondersteunt
kan gevonden worden op &xorg; of &xfree86;
websites.Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer:Wat de componenten van het X Window systeem zijn en hoe
zij samenwerken.Hoe X11 geïnstalleerd en ingesteld kan
worden.Hoe verschillende window managers geïnstalleerd en
gebruikt kunnen worden.Hoe &truetype; lettertypen in X11 te gebruiken.Hoe het systeem ingesteld moet worden voor grafisch
aanmelden (XDM).Aangeraden voorkennis:Hoe extra software van derden te installeren
().In dit hoofdstuk wordt het installeren en instellen van de
&xorg; en
&xfree86; X11 servers behandeld. De
bestanden met instellingen, commando's en syntaxis is
overwegend hetzelfde. Waar dat anders is wordt het
aangegeven.X begrijpenX voor de eerste keer gebruiken kan een hele schok zijn voor
mensen die gewend zijn aan andere grafische omgevingen, zoals
µsoft.windows; of &macos;.Het is niet noodzakelijk om alle details te kennen over de
X componenten en hoe zij samenwerken, maar enige basiskennis
draagt wel bij aan krachtiger gebruik kunnen maken van
X.Waarom X?X is niet het eerste windows systeem dat geschreven is voor
&unix;, maar wel het meest populaire. Het oorspronkelijke X
ontwikkelteam werkte eerst aan een ander window systeem. De
naam van dat systeem was W (van
Window). X was gewoon de volgende letter in het
alfabet.X kan gewoon X,
X Window systeem, X11 of nog
anders genoemd worden. X11 X Windows noemen kan
door sommigen als een belediging opgevat worden. &man.X.7; kan
hierover wat licht laten schijnen.Het X client/server modelX is vanaf het begin aan ontworpen om netwerk-centraal te
zijn en gebruikt een client-server model.In het X model, draait de X server op de
computer waar het toetsenbord, beeldscherm en muis aan vast
zit. De server is verantwoordelijk voor het regelen van
beeldinformatie, verwerken van invoer van toetsenbord en muis,
enzovoort. Iedere X applicatie (zoals
XTerm, of
&netscape;) is een
client. Een client stuurt berichten naar de
server zoals teken een venster op deze
coördinaten en de server stuurt berichten terug
zoals de gebruiker heeft op de OK knop
gedrukt.Thuis of in kleine bedrijven draaien zowel de X server als
de X clients op dezelfde machine. Het is heel goed mogelijk
dat de X server op een minder krachtige desktop computer draait
en de X applicaties (de clients) op een, zeg maar, dure
krachtige machine van het bedrijf. Hier vindt de communicatie
tussen de X client en server plaats over het netwerk.Dit verwart sommige mensen, omdat de X terminologie geheel
omgekeerd is aan wat ze verwachten. Dat is namelijk dat de
X server de grote krachtige machine aan het eind
van de gang is en de X client de machine op hun
bureau is.De X server is de machine met het beeldscherm en het
toetsenbord en de X clients zijn de programma's die de
vensters tonen.Het protocol vereist niet dat de clients en servers
hetzelfde besturingssysteem moeten draaien of hetzelfde soort
computer moeten zijn. Het is heel goed mogelijk om X server op
een µsoft.windows; of Apple's &macos; te draaien en er
zijn verschillende gratis en commerciële applicaties die
dat doen.&xorg;, zit vanaf
&os; 5.3-RELEASE als standaard X server bij &os; en is
gratis onder een gelijksoortig licentie als de &os; licentie.
Er zijn ook commerciële X servers voor &os;
verkrijgbaar.De window managerDe filosofie van het X ontwerp lijkt veel op die van
&unix;: gereedschappen, geen beleid. Dit houdt
in dat X niet bepaalt hoe een taak volbracht moet worden. In
plaats daarvan worden gereedschappen geleverd aan de gebruiker
die verantwoordelijk is voor het juiste gebruik hiervan.Deze filosofie verbreedt zich door X niet te laten bepalen
hoe vensters er moeten uitzien op het scherm, hoe ze verplaatst
moeten worden met de muis, welke toetsaanslagen gebruikt moeten
worden om te schakelen tussen vensters (bijvoorbeeld AltTab in het geval van µsoft.windows;), hoe de
titelbalken eruit moeten zien, of ze wel of niet sluitknoppen
moeten hebben, enzovoort.In plaats daarvan delegeert X deze verantwoordelijkheid aan
een applicatie die Window Manager heet. Er zijn
tientallen window managers voor X:
AfterStep,
Blackbox,
ctwm,
Enlightenment,
fvwm,
Sawfish,
twm,
Window Maker en vele anderen. Elk
van deze window managers heeft een eigen voorkomen en werking.
Er zijn window managers met virtual desktops of
met eigen toetscombinaties om de desktop te beheren; of hebben
een Start knop of iets gelijksoortigs. Sommige
gebruiken thema's die uiterlijk en beleving
compleet veranderen door een nieuw thema te kiezen. Window
managers zijn te vinden in de categorie
x11-wm van de Portscollectie.De KDE en
GNOME desktop omgevingen hebben hun
eigen window managers die in het bureaublad zijn
geïntegreerd.Iedere windows manager heeft zijn eigen manier van
instellen. Sommige werken met handgetypte bestanden, anderen
beschikken over grafische gereedschappen voor de meeste
instellingen. Er is er minstens één
(Sawfish) waarvan het
instellingenbestand is geschreven in een dialect van de taal
Lisp.FocusbeleidDe window manager is ook verantwoordelijk voor het
focusbeleid van de muis. Ieder window
geörienteerd systeem heeft een manier nodig om te
bepalen welk venster actief is, toetsaanslagen ontvangt en
daarbij zichtbaar aangeeft welk venster actief is.Een bekend focus beleid heet
click-to-focus. Dit model wordt gebruikt door
µsoft.windows;, waarbij een venster actief wordt door er
met de muis op te klikken.X ondersteunt geen specifiek focusbeleid. In plaats
daarvan bepaalt de window manager op welk venster, op welk
moment, de focus ligt. Een aantal window managers
ondersteunen verschillende focusmethoden. Ze ondersteunen
allemaal click to focus en de meerderheid
ondersteunt ook nog andere.De meest populaire zijn:focus-volgt-muis (focus-follows-mouse)Het venster dat onder de muis zit is het venster
waarop de focus ligt. Dit hoeft niet het venster te
zijn dat bovenop alle andere vensters ligt. De focus
verandert door te wijzen naar een ander venster. Het
is niet nodig om er ook nog eens op te klikken.slordige-focus (sloppy-focus)Dit beleid is een kleine uitbreiding op
focus-follows-mouse. Indien bij focus-follows-mouse de
muis over het root venster (of de achtergrond) gaat,
ligt op geen enkel venster de focus en gaan alle
toetsaanslagen verloren. Bij sloppy-focus, verandert
de focus alleen als de muis in een nieuw venster komt
en niet als het huidige venster wordt verlaten.klik-voor-focus (click-to-focus)Het actieve venster wordt geselecteerd door erop
te klikken. Het venster wordt dan
opgetild en verschijnt dan voor alle
andere vensters. Alle toetsaanslagen worden nu naar
dit venster gestuurd, zelfs als de cursor naar een
ander scherm wordt verplaatst.Veel window managers ondersteunen andere soorten of
variaties op de bovenstaande typen muisbeleid. Hierover
staat meestal meer in de documentatie van de betreffende
window manager.WidgetsDe X aanpak door gereedschappen te leveren en niets af te
dwingen breidt zich uit naar de widgets die in elk
applicatievenster te zien zijn.Widget is een term voor alle dingen van de
gebruikersinterface waarop geklikt kan worden of een andere
actie mee uitgevoerd kan worden: knoppen, vinkvakjes, iconen,
lijsten en ga zo maar door. µsoft.windows; noemt ze
controls.µsoft.windows; en Apple's &macos; hebben beide een erg
strikt widgetbeleid. Van de applicatieontwikkelaars wordt
verwacht dat hun applicaties eenduidig zijn wat betreft
uiterlijk en beleving. Bij X is ervoor gekozen geen grafische
stijl of widgets te verplichten.X applicaties hebben dus niet allemaal hetzelfde uiterlijk.
Er zijn populaire widgetsets en variaties, inclusief de
originele Athena widgetset van MIT,
&motif; (waarvan de widgetset van
µsoft.windows; is afgeleid: schuine randen en drie
gradaties grijs), OpenLook en
anderen.De meeste nieuwe X applicaties gebruiken een modern
uitziende widgetset: Qt, gebruikt door
KDE, of GTK+ van het
GNOME project. Vanuit dit oogpunt
lijkt het enigzins op de &unix; desktop, wat het makkelijker
maakt voor de beginnende gebruiker.X11 installerenZowel &xorg; als
&xfree86; kan op &os;
geïnstalleerd worden. Vanaf &os; 5.3-RELEASE is
&xorg; de standaard X11
implementatie voor &os;. &xorg; is
de X11 server van de open source implementatie die is uitgebracht
door de X.Org Foundation. &xorg; is
gebaseerd op de code van
&xfree86 4.4RC2 en X11R6.6.
De X.Org Foundation heeft X11R6.7 uitgebracht in april
- 2004 en X11R6.8.1 in september 2004. De laatstgenoemde versie
+ 2004 en X11R6.8.2 in februari 2005. De laatstgenoemde versie
is beschikbaar via de &os; Portscollectie.Om &xorg; vanuit de
Portscollectie te bouwen en te installeren:&prompt.root; cd /usr/ports/x11/xorg
&prompt.root; make install cleanOm &xorg; compleet te
bouwen is tenminste 4 GB vrije schijfruimte nodig.Om &xfree86; vanuit de
Portscollectie te bouwen en te installeren:&prompt.root; cd /usr/ports/x11/XFree86-4
&prompt.root; make install cleanX11 kan ook als package geïnstalleerd worden doordat er
binaire packages beschikbaar zijn voor &man.pkg.add.1;. Als
hiervoor de optie remote fetching van
&man.pkg.add.1; wordt gebruikt, dan moet het versienummer
verwijderd worden. &man.pkg.add.1; haalt automatisch de laatste
versie van het programma op.Om het package voor &xorg; op te
halen en te installeren:&prompt.root; pkg_add -r xorgHet &xfree86; 4.X package kan
geïnstalleerd worden met:&prompt.root; pkg_add -r XFree86Het voorbeeld hierboven installeert de complete X11
distributie inclusief de servers, clients, lettertypen enz. Er
zijn ook afzondelijke packages en ports beschikbaar voor
verschillende delen van X11.De rest van dit hoofdstuk licht toe hoe X11 wordt ingesteld
en hoe een productieve desktopomgeving gebouwd kan worden.Van &xfree86; naar
&xorg;Zoals voor iedere port, moet
/usr/ports/UPDATING bekeken worden voor
de wijzigingen. In dit bestand staan instructies die
nodig zijn om een systeem te migreren van
&xfree86; naar
&xorg;.CVSup kan gebruikt worden om
de ports tree bij te werken voordat er wordt begonnen met een
migratie. Naast deze maatregel moet ook sysutils/portupgrade
geïnstalleerd worden voor de migratie van een X11
systeem.In /etc/make.conf kan de variabele
X_WINDOW_SYSTEM=xorg ingesteld worden.
Hierdoor is het zeker dat een systeem weet welke X11 er wordt
gebruikt. De oude variabele XFREE86_VERSION
is komen te vervallen en vervangen door de variabele
X_WINDOW_SYSTEM.Dan kunnen de volgende commando's uitgevoerd worden:&prompt.root; pkg_delete -f /var/db/pkg/imake-4* /var/db/pkg/XFree86-*
&prompt.root; cd /usr/ports/x11/xorg
&prompt.root; make install clean
&prompt.root; pkgdb -F&man.pkgdb.1; is onderdeel van de
portupgrade software en kan packages
inclusief afhankelijkheden bijwerken.Om &xorg; compleet te bouwen
is tenminste 4 GB vrije schijfruimte nodig.ChristopherShumwayGeschreven door X11 instellen&xfree86; 4.X&xfree86;&xorg;X11VoorbereidingVoordat er wordt begonnen met het instellen van X11 is de
volgende informatie van de te installeren machine nodig:Monitor specificatiesChipset van de videokaartGeheugen van de videokaarthorizontale scansnelheidverticale scansnelheidDe specificaties van de monitor worden door X11 gebruikt om
de resolutie en ververssnelheid te bepalen. Deze specificaties
kunnen normaal gesproken verkregen worden uit de bij de monitor
geleverde documentatie of van de website van de leverancier.
Er zijn twee nummerreeksen nodig: de horizontale scansnelheid
(scan rate) en de vertikale syncronisatiesnelheid (vertical
synchronization).De chipset van de videokaart bepaalt welk stuurprogramma
X11 gebruikt om de grafische hardware aan te spreken. Bij de
meeste chipsets kan dit automatisch bepaald worden, maar het is
altijd handig om dit te weten voor het geval de automatische
detectie niet correct werkt.Het geheugen op de videokaart bepaalt de resolutie en
kleurdiepte waarmee het systeem kan werken. Dit is belangrijk
omdat de gebruiker zo de grenzen van zijn systeem kent.X11 instellenHet instellen van X11 bestaat uit meerdere stappen. De
eerste stap is het bouwen van een instellingenbestand. Dit kan
met:&prompt.root; Xorg -configureIn het geval van &xfree86; is
dat:&prompt.root; XFree86 -configureDit genereert een kaal X11 instellingbestand in de map
/root met de naam
xorg.conf.new. Feitelijk wordt bepaald
waar de map staat door hoe er superuser rechten zijn verkregen.
$HOME is anders bij gebruik van &man.su.1; of
bij direct aanmelden. Het X11 programma probeert dan de
grafische hardware te detecteren en schrijft een
instellingenbestand dat de juiste stuurprogramma's laadt voor
de gevonden hardware van het systeem.De volgende stap is het testen van de bestaande
instellingen om te controleren of
&xorg; met de grafische kaart van
het doelsysteem kan werken. Dit kan met:&prompt.root; Xorg -config xorg.conf.newVoor &xfree86;
gebruikers:&prompt.root; XFree86 -xf86config XF86Config.newAls er een zwart/grijs rooster en een X muis cursor
verschijnen was de instelling successvol. Om de test te
stoppen dient gelijktijdig op CtrlAltBackspace gedrukt te
worden.Als de muis niet werkt, dan moet deze eerst ingesteld
worden. Zie in het &os; installatie
hoofdstuk.X11 optimaliserenNu moet xorg.conf.new (of
XF86Config.new als
&xfree86; wordt gebruikt) worden
aangepast aan de smaak van de gebruiker. Hiervoor moet het
bestand in een teksteditor zoals &man.emacs.1; of &man.ee.1;
worden geladen. Eerst moeten de frequenties van de monitor
toegevoegd worden. Die zijn meestal weergegeven als
horizontale en vertikale synchronisatiesnelheid. Deze waarden
worden toegevoegd aan xorg.conf.new in het
onderdeel "Monitor":Section "Monitor"
Identifier "Monitor0"
VendorName "Monitor Vendor"
ModelName "Monitor Model"
HorizSync 30-107
VertRefresh 48-120
EndSectionIn het instellingenbestand kunnen de sleutelwoorden
HorizSync en VertRefresh
missen. Als ze er niet staan, moeten ze toegevoegd worden met
de juiste horizontale synchronisatiesnelheid achter het
HorizSync sleutelwoord en de vertikale
synchronisatiesnelheid achter het
VertRefresh sleutelwoord. In het
bovenstaande voorbeeld werden de gegevens van de monitor
ingevoerd.X kan DPMS (Energy Star) eigenschappen gebruiken bij
monitoren die dit ondersteunen. &man.xset.1; regelt de
time-outs en kan de statussen standby, suspend of uit forceren.
Om DPMS eigenschappen voor een monitor te activeren, moet de
volgende regel toegevoegd worden aan de monitor sectie:
Option "DPMS"xorg.confXF86ConfigAls het instellingenbestand
xorg.conf.new (of
XF86Config.new) toch open staat in de
editor dan kan ook meteen de gewenste standaardresolutie en
kleurdiepte gekozen worden. Dit staat in het onderdeel
"Screen":Section "Screen"
Identifier "Screen0"
Device "Card0"
Monitor "Monitor0"
DefaultDepth 24
SubSection "Display"
Viewport 0 0
Depth 24
Modes "1024x768"
EndSubSection
EndSectionHet sleutelwoord DefaultDepth beschrijft
de kleurdiepte die standaard wordt gebruikt. Met de
commandoregeloptie van &man.Xorg.1; (of
&man.XFree86.1;) kan dit overschreven worden. Het sleutelwoord
Modes beschrijft de resolutie waarmee
gewerkt wordt bij de opgegeven kleurdiepte. Alleen VESA
standaarden die door de grafische kaart van het systeem worden
gedefinieerd worden ondersteund. In het voorbeeld hierboven is
de standaardkleurdiepte 24 bits per pixel. Bij deze
kleurdiepte is de toegestane resolutie 1024 bij 768
pixels.Bij het oplossen van problemen zijn de logboekbestanden
van X11 vaak een goede hulp. Ze bevatten informatie voor
ieder apparaat waar de X11 server verbinding mee maakt.
Namen van &xorg; logboekbestanden
hebben de vorm /var/log/Xorg.0.log
(namen van &xfree86;
logboekbestanden hebben de vorm
XFree86.0.log). De precieze naam van
een logboekbestand van variëren van
Xorg.0.log tot
Xorg.8.log enzovoort.Als alles is ingesteld, moet het instellingenbestand op een
plaats gezet worden waar &man.Xorg.1; (of &man.XFree86.1;) het
kan vinden. Dit is meestal
/etc/X11/xorg.conf of
/usr/X11R6/etc/X11/xorg.conf (voor
&xfree86; heet het
/etc/X11/XF86Config of
/usr/X11R6/etc/X11/XF86Config):&prompt.root; cp xorg.conf.new /etc/X11/xorg.confVoor &xfree86;:&prompt.root; cp XF86Config.new /etc/X11/XF86ConfigHet instellen van X11 is nu gereed. Om
&xfree86; 4.X te kunnen starten
met &man.startx.1; dient de x11/wrapper port geïnstalleert
te worden. &xorg; heeft wrappercode
en heeft geen extra wrapper nodig. De X11 server kan ook
gestart worden met &man.xdm.1;.Er zit ook een grafisch instellingenprogramma bij de
X11 distributie: &man.xorgcfg.1; (man.xf86cfg.1; voor
&xfree86;). Hiermee kunnen de
instellingen en stuurprogramma's interactief gekozen worden.
Dit kan ook op het console gebruikt worden:
xorgcfg -textmode. Meer details zijn
te vinden in &man.xorgcfg.1; en &man.xf86cfg.1;.Er is ook nog het hulpprogramma &man.xorgconfig.1;
(&man.xf86config.1; voor
&xfree86;). Dit programma is
op het console te gebruiken en is veel minder
gebruikersvriendelijk, maar het zou wel kunnen werken in
gevallen waarin andere hulpprogramma's dat niet doen.Bijzondere instellingenInstellen met de &intel; i810 graphische
chipsetIntel i810 grafische
chipsetInstellen met &intel; i810 integrated chipsets vereist de
agpgart AGP programmeringsinterface
voor X11 om de kaart aan te sturen. Het &man.agp.4;
stuurprogramma zit in de GENERIC kernel
sinds 4.8-RELEASE en 5.0-RELEASE. Bij eerdere versies dient
het volgende toegevoegd te worden aan het bestand met
kernelinstellingen:device agpHierna dient een nieuwe kernel gebouwd te worden. In
plaats hiervan, kan de kernelmodule
agp.ko automatisch geladen worden met
&man.loader.8; tijdens het opstarten. Hiervoor moet het
volgende in /boot/loader.conf
staan:agp_load="YES"Als gebruik wordt gemaakt van &os; 4.X of recenter,
dan moet een apparaatnode gemaakt worden voor de
programmainterface. Om deze AGP apparaatnode te maken, dient
&man.MAKEDEV.8; gestart te worden in de map
/dev:&prompt.root; cd /dev
&prompt.root; sh MAKEDEV agpgart&os; 5.X of later gebruikt &man.devfs.5; om
apparaatnodes transparant te verwerken, dan is de
stap met &man.MAKEDEV.8; niet meer nodig.Hierdoor wordt het instellen van de hardware net
als ieder andere grafische kaart. Bij systemen die zonder
&man.agp.4; stuurprogramma gecompileerd zijn slaagt het laden
van module met &man.kldload.8; niet. Het stuurprogramma moet
in de kernel geladen zijn tijdens het opstarten door te
compileren of door /boot/loader.conf te
gebruiken.Als &xfree86; 4.1.0 (of
later) gebruikt wordt en er verschijnen berichten over
unresolved symbols zoals
fbPictureInit, dan kan het toevoegen van
de regel aan het
&xfree86; instellingenbestand na
Driver "i810" de oplossing zijn:Option "NoDDC"MurrayStokelyBijgedragen door Lettertypen gebruiken in X11Type1 lettertypenDe standaard lettertypen van X11 zijn allerminst ideaal
voor het typische bureaubladprogramma. Grote
presentatielettertypen zien er hoekig en onprofessioneel uit en
kleine lettertypen in &netscape;
zijn bijna onleesbaar. Er zijn diverse gratis, kwalitatief
goede Type1 (&postscript;) lettertypen die meteen gebruikt
kunnen worden met X11. De URW lettertypecollectie (x11-fonts/urwfonts) heeft
bijvoorbeeld hoge kwaliteit versies van standaard Type1
lettertypen (Times Roman, Helvetica, Palatino en anderen). De
Freefonts collectie (x11-fonts/freefonts) heeft nog meer
lettertypen, maar de meesten ervan zijn bedoeld om in grafische
software als Gimp gebruikt te worden
en zijn niet compleet genoeg om als schermlettertypen te
gebruiken. Daarbij kan X11 zonder veel moeite ingesteld worden
worden om &truetype; lettertypen te gebruiken. Meer informatie
staat in &man.X.7; of de paragraaf over &truetype; Lettertypen.Om de bovenstaande Type1 lettertypecollectie van de
Portscollectie te installeren:&prompt.root; cd /usr/ports/x11-fonts/urwfonts
&prompt.root; make install cleanDat geldt ook voor de freefont en andere collecties. Om de
X server te vertellen dat deze lettertypen bestaan, dient de
volgende regel toegevoegd te worden in
XF86Config (in /etc/
voor &xfree86; versie 3 of in
/etc/X11/ voor versie 4):FontPath "/usr/X11R6/lib/X11/fonts/URW/"Ook kan op de commando regel in de X sessie het volgende
gestart worden:&prompt.user; xset fp+ /usr/X11R6/lib/X11/fonts/URW
&prompt.user; xset fp rehashDit werkt wel, maar zodra de X sessie wordt afgesloten is
het weer verdwenen tenzij het is toegevoegd aan het
opstartbestand (~/.xinitrc voor een
normale startx sessie of
~/.xsession als er wordt aangemeld met een
grafische aanmeldmanager als XDM).
Een derde manier is het gebruik van het nieuwe bestand
/usr/X11R6/etc/fonts/local.conf: zie
hiervoor de paragraaf over over Anti-aliasing.&truetype; lettertypenTrueType lettertypenlettertypenTrueType&xfree86; 4.X en
&xorg; hebben ingebouwde
ondersteuning voor het renderen van &truetype; lettertypen. Er
zijn twee verschillende modules die deze functionaliteit
activeren. In dit voorbeeld wordt de freetype module gebruikt
omdat deze beter werkt met de andere lettertypen die back-ends
renderen. Om de freetype module te activeren dient de volgende
regel toegevoegd te worden aan het onderdeel
"Module" van
/etc/X11/xorg.conf of
/etc/X11/XF86Config.Load "freetype"Voor &xfree86; 3.3.X is een
aparte &truetype; lettertypeserver nodig. Meestal wordt
Xfstt gebruikt. Om
Xfstt te installeren hoeft alleen
de port x11-servers/Xfstt
geïnstalleerd te worden.Hierna dient een map voor de &truetype; lettertypen gemaakt
te worden (bijvoorbeeld
/usr/X11R6/lib/X11/fonts/TrueType) en alle
&truetype; lettertypen moeten naar deze map gekopieerd worden.
&truetype; lettertypen kunnen niet direct van een &macintosh;
gehaald worden. Ze moeten in een &unix;/&ms-dos;/&windows;
formaat zijn voor X11. Zodra de bestanden naar deze map zijn
gekopieerd, kan ttmkfdir gestart
worden om een fonts.dir bestand te maken
zodat de X lettertyperenderer weet waar deze nieuwe bestanden
zijn geïnstalleerd. ttmkfdir zit in de
&os; Portscollectie als x11-fonts/ttmkfdir.&prompt.root; cd /usr/X11R6/lib/X11/fonts/TrueType
&prompt.root; ttmkfdir > fonts.dirNu moet de &truetype; map toe aan het lettertypepad
toegevoegd worden. Dit gebeurt op dezelde wijze als boven is
beschreven voor Type1
lettertypen:&prompt.user; xset fp+ /usr/X11R6/lib/X11/fonts/TrueType
&prompt.user; xset fp rehashof door een FontPath regel toe te voegen
aan xorg.conf (of
XF86Config).Dat is alles. Nu herkennen
&netscape;,
Gimp,
&staroffice; en alle andere X
applicaties de geïnstalleerde &truetype; lettertypen.
Extreem kleine lettertypen (zoals hoge resolutie tekst op een
webpagina) en extreme grote lettertypen (in
&staroffice;) zien er nu veel beter
uit.Joe MarcusClarkeBijgewerkt door Anti-alias lettertypenanti-alias lettertypenlettertypenanti-aliasAnti-aliasing wordt door X11 sinds ondersteund sinds
&xfree86; versie 4.0.2. Maar
instellingen voor lettertypen waren bewerkelijk voordat
&xfree86; 4.3.0 geïntroduceerd
werd. Vanaf &xfree86; 4.3.0
zijn alle lettertypen die X11 in de mappen
/usr/X11R6/lib/X11/fonts/ en
~/.fonts/ aantreft automatisch beschikbaar
voor anti-aliasing in applicaties die Xft ondersteunen. Niet
alle applicaties ondersteunen Xft. Voorbeelden van applicaties
met Xft ondersteuning zijn Qt 2.3 en hoger (de
hulpprogramma's voor het KDE
bureaublad), GTK+ 2.0 en hoger (de hulpprogramma's voor
het GNOME bureaublad) en
Mozilla 1.2 en hoger.Om te kunnen regelen welke lettertypen gebruik maken van
anti-alias of om de eigenschappen van anti-aliasing in te
stellen kan
/usr/X11R6/etc/fonts/local.conf gemaakt
of gewijzigd worden. In dit bestand kunnen speciale
eigenschappen van het Xft lettertypesysteem aangepast worden.
Deze paragraaf beschijft wat eenvoudige mogelijkheden.
Meer details staan in &man.fonts-conf.5;.XMLDit bestand moet in het XML formaat opgemaakt worden.
Hoofdletters en kleine letters worden onderscheiden en alle
tags moeten netjes worden afgesloten. Het bestand begint met
de gewone XML header gevolgd door een DOCTYPE definitie en
daarna de <fontconfig> tag:<?xml version="1.0"?>
<!DOCTYPE fontconfig SYSTEM "fonts.dtd">
<fontconfig>Zoals al eerder is vermeld zijn alle lettertypen in
/usr/X11R6/lib/X11/fonts/ en in
~/.fonts/ al geschikt gemaakt voor
Xft applicaties. Als naast deze twee mappen nog een andere
lettertypen moeten kunnen bevatten, dan dient een soortgelijke
regel als de onderstaande aan
/usr/X11R6/etc/fonts/local.conf toegevoegd
te worden:<dir>/path/to/my/fonts</dir>Na het toevoegen van nieuwe lettertypen en zeker nieuwe
lettertypemappen dienen de lettertypecaches opnieuw opgebouwd
worden met:&prompt.root; fc-cache -fAnti-aliasing maakt randen een beetje wazig wat kleine
teksten beter leesbaar maakt en voorkomt
trapvorming van grote letters. Maar het kan
oogkramp veroorzaken als het op normale tekst wordt toegepast.
Om lettertypen kleiner dan 14 punten uit te sluiten van
anti-aliasing moeten de volgende regels toegevoegd
worden:<match target="font">
<test name="size" compare="less">
<double>14</double>
</test>
<edit name="antialias" mode="assign">
<bool>false</bool>
</edit>
</match>
<match target="font">
<test name="pixelsize" compare="less" qual="any">
<double>14</double>
</test>
<edit mode="assign" name="antialias">
<bool>false</bool>
</edit>
</match>lettertypenspacingSpatiëring voor sommige enkel gespatieerde lettertypen
kan ook ongepast zijn bij anti-aliasing. Dit lijkt vooral een
probleem te zijn bij KDE. Een
mogelijke oplossing hiervoor is het vergroten van de
spatiëring van die lettertypen naar 100:<match target="pattern" name="family">
<test qual="any" name="family">
<string>fixed</string>
</test>
<edit name="family" mode="assign">
<string>mono</string>
</edit>
</match>
<match target="pattern" name="family">
<test qual="any" name="family">
<string>console</string>
</test>
<edit name="family" mode="assign">
<string>mono</string>
</edit>
</match>Het bovenstaande hernoemt de standaardnamen van lettertypen
naar "mono"). Voeg daarna het volgende
toe:<match target="pattern" name="family">
<test qual="any" name="family">
<string>mono</string>
</test>
<edit name="spacing" mode="assign">
<int>100</int>
</edit>
</match>Bepaalde lettertypen, zoals Helvetica, kunnen problemen
hebben met anti-aliasing. Dit uit zich meestal in een
lettertype dat vertikaal door midden lijkt gesneden. Op zijn
ergst kan het applicaties zoals
Mozilla laten crashen. Om dit te
voorkomen kan overwogen worden om ook de volgende regels toe
te voegen aan local.conf:<match target="pattern" name="family">
<test qual="any" name="family">
<string>Helvetica</string>
</test>
<edit name="family" mode="assign">
<string>sans-serif</string>
</edit>
</match>Als de wijzigingen in local.conf zijn
gemaakt dient niet vergeten te worden het bestand te eindigen
met de tag </fontconfig> tag. Als dit
niet gedaan wordt, dan worden de wijzigingen niet
gezien.De standaard lettertypeset die geleverd wordt bij X11 is
niet erg geschikt als het aankomt op anti-aliasing. Een veel
betere set standaardlettertypen is de x11-fonts/bitstream-vera port.
Deze port maakt
/usr/X11R6/etc/fonts/local.conf aan als
het nog niet bestaat. Als het al wel bestaat maakt de port
/usr/X11R6/etc/fonts/local.conf-vera aan.
De inhoud van dit bestand dient in
/usr/X11R6/etc/fonts/local.conf geplaatst
te worden en dan vervangen de Bitstream lettertypen automatisch
de standaard X11 Serif, Sans Serif en Monospaced
lettertypen.Als laatste kunnen gebruikers hun eigen instellingen aan
een persoonlijk .fonts.conf bestand
toevoegen. Om dit te doen moet iedere gebruiker het bestand
~/.fonts.conf maken. Ook dit bestand moet
in het XML formaat zijn.LCD screenlettertypenLCD screenNog een laatste punt: bij een LCD scherm kan sub-pixel
sampling prettig zijn. Eigenlijk zorgt dit er voor dat de
(horizontaal gesplitste) rode, groene en blauwe componenten
gewijzigd worden om de horizontale resolutie te verbeteren.
Het resultaat is geweldig. Voeg hiervoor de volgende regels
ergens aan local.conf toe:<match target="font">
<test qual="all" name="rgba">
<const>unknown</const>
</test>
<edit name="rgba" mode="assign">
<const>rgb</const>
</edit>
</match>Afhankelijk van het soort beeldscherm kan
rgb veranderd moeten worden in
bgr, vrgb of
vbgr. Experimenteren levert de beste
instelling op.Mozillaanti-aliasing lettertypen uitschakelenAnti-aliasing moet werken zodra de X server opnieuw gestart
is. Programma's dienen echter wel te weten hoe ze er mee
moeten werken. Op dit moment geldt dat voor de Qt toolkit en
de hele KDE omgeving kan met
anti-alias omgaan (zie
over KDE). GTK+ en
GNOME anti-aliasing gebruiken via de
Font capplet (zie ).
Mozilla 1.2 en hoger gebruiken
automatisch anti-aliasing. Om dit uit te zetten moet
Mozilla opnieuw gebouwd worden met
de optie -DWITHOUT_XFT.SethKingsleyBijgedragen door De X beeldschermmanagerOverzichtX beeldschermmanagerDe X beeldschermmanager (XDM) is
een optioneel onderdeel van het X Window systeem dat gebruikt
wordt voor beheer van aanmeldsessies. Dit is vaak erg handig
bij bijvoorbeeld X Terminals, desktops en grote
netwerk beeldschermservers. Omdat het X Window systeem
netwerk- en protocolonafhankelijk is, zijn er veel
mogelijkheden om X clients en servers op verschillende machines
in een netwerk te verbinden. XDM
levert een grafische interface waarmee er gekozen kan worden
welke beeldschermserver gebruikt moet worden en handelt
authorisatie informatie (gebruikersnaam en wachtwoord)
af.XDM levert de gebruiker dezelfde
funtionaliteit levert als &man.getty.8; (zie
). Dus het regelt de
systeemaanmeldingen voor de schermen waaraan verbonden moet
worden en start dan een sessie manager namens de gebruiker
(meestal een X window manager). XDM
wacht dan tot het programma stopt en geeft aan dat de gebruiker
klaar is en afgemeld kan worden. Hierna kan
XDM het aanmeldscherm weer tonen
zodat de volgende gebruiker kan aanmelden.XDM gebruikenDe XDM daemon staat in
/usr/X11R6/bin/xdm. Dit programma
kan als root altijd gestart worden en
regelt dan het X weergavegedeelte van de lokale machine. Als
XDM iedere keer bij het opstarten
moet starten is het handig om een regel toe te voegen aan
/etc/ttys. Meer informatie over het
gebruik van dit bestand staat in .
In de standaardversie van /etc/ttys staat
een regel om de applicatie deamon
XDM op een virtuele terminal te
draaien:ttyv8 "/usr/X11R6/bin/xdm -nodaemon" xterm off secureStandaard staat deze regel uit. Om hem aan te zetten moet
veld 5 van off naar on
gewijzigd worden en moet met &man.init.8; herstart worden met
gebruikmaking van de aanwijzingen in .
Het eerste veld, de naam van de terminal die het programma
aanstuurt, is ttyv8. Dit houdt in dat
XDM op de negende virtuele terminal
begint te draaien.XDM instellenDe map met instellingen voor XDM
is /usr/X11R6/lib/X11/xdm. In deze map
staan diverse bestanden die gebruikt kunnen worden om het
gedrag en uiterlijk van XDM te
veranderen. Meestal zijn dit de volgende bestanden:BestandOmschrijvingXaccessRegels voor client authorisatie.XresourcesStandaard waarden voor X bronnen.XserversLijst met op afstand en lokaal te beheren schermen.XsessionStandaard sessie script voor logins.Xsetup_*Script die applicaties start voordat de login
interface start.xdm-configAlgehele instellingen voor alle schermen op
deze machine.xdm-errorsErrors die gegenereerd zijn door het server programma.xdm-pidHet proces ID van de draaiende XDM.Tevens staan in deze map een aantal scripts en programma's
om het bureaublad in te stellen als
XDM draait. Het doel van elk van
deze bestanden wordt kort omschreven. De juiste syntaxis en
het gebruik van deze bestanden staat in &man.xdm.1;.De standaardinstelling regelt een eenvoudig rechthoekig
aanmeldvenster met bovenin de hostnaam van de machine in een
groot lettertype met een Login: en
Password: prompt eronder. Dit is een goed
beginpunt om het uiterlijk en werking van het
XDM venster te veranderen.XaccessOm een verbinding te maken met
XDM gestuurde schermen wordt het
protocol X Display Manager Connection Protocol (XDMCP)
gebruikt. Het bestand is een set regels die XDMCP
verbindingen met andere machines bestuurt. Standaard mag
iedere client een verbinding maken. Zolang
xdm-config niet is aangepast om
verbindingen te accepteren is dat geen probleem.XresourcesDit is een bestand met standaarden voor de schermkiezer
en de aanmeldschermen. Hier kan het uiterlijk van het
aanmeldprogramma gewijzigd worden. De indeling is hetzelfde
als bij het app-defaults bestand en is beschreven in de X11
documentatie.XserversDit is een lijst met netwerkschermen waaruit gekozen kan
worden.XsessionDit is het standaard sessiescript voor
XDM dat start nadat de gebruiker
is aangemeld. Normaal heeft iedere gebruiker een eigen
sessiescript in ~/.xsession dat dit
script overheerst.Xsetup_*Deze starten automatisch voordat de kiezers of
aanmeldschermen getoond worden. Er is een script voor ieder
gebruikt scherm met de naam Xsetup_
gevolgd door het lokale schermnummer (bijvoorbeeld
Xsetup_0). Normaal draaien deze scripts
éé of twee programma's in de achtergrond zoals
xconsole.xdm-configDit bevat de instellingen die toegepast worden op ieder
scherm die deze installatie aanstuurt. De indeling is
hetzelfde als van app-defaults.xdm-errorsHierin staan de meldingen die de X servers geven als
XDM ze probeert te starten. Als
een scherm dat gestart is door XDM
om onduidelijke reden hangt, is dit een goede plaats om te
zoeken naar foutmeldingen. Deze meldingen worden ook per
sessie naar het ~/.xsession-errors van
de gebruiker gestuurd.Een netwerk beeldschermserver gebruikenOm gebruikers een verbinding te laten maken met een X
server moeten de toegangsregels gewijzigd worden en de
connectielistener moet aangezet worden. Deze hebben standaard
wat terughoudende waarden. Om XDM
te laten luisteren naar verbindingen moet als eerste een regel
uitgecommentarieerd worden in
xdm-config:! SECURITY: do not listen for XDMCP or Chooser requests
! Comment out this line if you want to manage X terminals with XDM
DisplayManager.requestPort: 0Hierna moet XDM herstart worden.
Afwijkend in dit bestand is dat commentaar in app-defaults
bestanden begint met het karakter ! en niet met
het karakter #. Het kan wenselijk zijn om de
toegangcontrole aan te scherpen. Hiervoor staan
voorbeeldregels in Xaccess en
&man.xdm.1;.Alternatieven voor XDMEr bestaan diverse alternatieven voor
XDM programma.
kdm (wordt geleverd bij
KDE) wordt later in dit hoofstuk
behandeld. De kdm
beeldschermmanager biedt vele grafische verbeteringen en
cosmetische franje en de mogelijkheid om de gebruiker de kans
te geven een window manager te laten kiezen bij het
aanmelden.ValentinoVaschettoBijgedragen door BureaubladomgevingenDeze sectie beschrijft de verschillende
bureaubladomgevingen voor X op &os;. Een
bureaubladomgeving kan van alles inhouden: van
een simpele window manager tot een complete suite van
bureaubladapplicaties zoals KDE of
GNOME.GNOMEOver GNOMEGNOMEGNOME is een
gebruikersvriendelijke bureaubladomgeving die de gebruiker de
mogelijkheid geeft om gemakkelijk de computer te gebruiken en
in te stellen. GNOME heeft een
paneel (voor het starten en tonen van statusinformatie van
applicaties), een bureaublad (waar data en applicaties
geplaatst kunnen worden), een set standaard
bureaubladapplicaties en een regels die het makkelijker maakt
voor applicaties om eenduidig met elkaar samen te werken.
Gebruikers van andere besturingssystemen of omgevingen voelen
zich meestal meteen thuis bij het gebruik van de krachtige
grafisch gestuurde omgeving die
GNOME biedt. Meer informatie over
GNOME op &os; staat op de &os; GNOME
Project website.GNOME installerenDe makkelijkste manier om
GNOME te installeren is door
middel van het Desktop Configuration menu
tijdens de &os; installatie zoals beschreven in . Het kan ook makkelijk
geïnstalleerd worden van een package of uit de
Portscollectie:Om het GNOME package te
installeren:&prompt.root; pkg_add -r gnome2Om GNOME vanuit de
Portscollectie te installeren:&prompt.root; cd /usr/ports/x11/gnome2
&prompt.root; make install cleanZodra GNOME geïnstalleerd
is, moet de X server verteld worden dat in plaats van de
standaard window manager GNOME
gebruikt moet worden. Als er al een
.xinitrc is, dan hoeft alleen de regel
die de huidige windows manager start veranderd te worden in
een regel die
/usr/X11R6/bin/gnome-session
start. Als er niets speciaals met dit instellingenbestand is
gedaan:&prompt.user; echo "/usr/X11R6/bin/gnome-session" > ~/.xinitrcNu kan met startx de
GNOME bureaubladomgeving gestart
worden.Als een beeldschermmanager als
XDM gebruikt wordt werkt het
bovenstaande niet. In plaats daarvan moet een uitvoerbaar
.xsession gemaakt worden met hetzelfde
commando erin. Hiervoor moet het bestand aangepast worden
door het bestaande window manager commando te vervangen door
/usr/X11R6/bin/gnome-session:&prompt.user; echo "#!/bin/sh" > ~/.xsession
&prompt.user; echo "/usr/X11R6/bin/gnome-session" >> ~/.xsession
&prompt.user; chmod +x ~/.xsessionHet is ook mogelijk de beeldschermanager zo in te stellen
dat de window manager gekozen kan worden tijdens het
aanmelden. In de paragraaf Meer KDE Details wordt
uitgelegd hoe dit gedaan moet worden voor de
kdm beeldschermmanager van
KDE.Anti-alias lettertypen in GNOMEGNOMEanti-alias lettertypenX11 ondersteunt anti-aliasing via de
RENDER uitbreiding. GTK+ 2.0 en hoger
(de toolkit die gebruikt wordt bij
GNOME) kunnen dit gebruiken. Het
instellen van anti-aliasing is beschreven in . Dus met up-to-date software is
anti-aliasing in de GNOME
bureaublagomgeving mogelijk. In ApplicationsDesktop
PreferencesFont kan gekozen wordne voor Best
shapes, Best contrast of
Subpixel smoothing (LCDs). Bij een
GTK+ applicatie die geen onderdeel is van het
GNOME bureaublad moet de
omgevingsvariabele GDK_USE_XFT op
1 gezet worden voordat het programma wordt
gestart.KDEKDEOver KDEKDE is een bureaubladomgeving
die eigentijds is en makkelijk in gebruik.
KDE biedt de gebruiker:Een schitterende eigentijdse desktop;Een desktop die volledig netwerktransparant
is;Een geïntegreerd hulpsysteem dat eenvoudig
bruikbare informatie geeft over het gebruik van het
KDE bureaublad en de
applicaties;Alle KDE applicaties
werken op dezelfde manier en zien er hetzelfde
uit;Gestandaardiseerde menu's en werkbalken,
keybindings, kleurschema's, enzovoort;Internationalisatie:
KDE is beschikbaar in meer dan
40 talen;Gecentraliseerde vraag en antwoord gestuurde
bureaubladinstelling;Een grote hoeveelheid bruikbare
KDE applicaties;KDE heeft een office
applicatie suite die gebaseerd is op
KDE's
KParts technologie en bestaat uit een
spread-sheet, een presentatieprogramma, een organizer, een
nieuwsclient en meer. KDE heeft
ook de webbrowser Konqueror die
niet onder doet voor de andere bestaande webbrowsers op
&unix; systemen. Meer informatie over
KDE staat op de KDE website. Voor &os;
specifieke informatie en bronnen over
KDE is er de &os;-KDE team
website.KDE installerenNet als bij GNOME of iedere
andere bureaubladomgeving is de makkelijkste manier om
KDE te installeren door middel van
het Desktop Configuration menu in het &os;
installatie proces. Dat wordt beschreven in . Ook nu geldt weer dat de
software eenvoudig geïnstalleerd met een package of uit
de Portscollectie:Om KDE van een package te
installeren:&prompt.root; pkg_add -r kde&man.pkg.add.1; haalt automatisch de laatste versie van
de applicatie op.Om KDE vanuit de
Portscollectie te bouwen en te installeren:&prompt.root; cd /usr/ports/x11/kde3
&prompt.root; make install cleanNadat KDE geïnstalleerd
is, moet de X server verteld worden dat déze
applicatie gestart moet worden in plaats van de standaard
window manager. Hiervoor kan .xinitrc
aangepast worden:&prompt.user; echo "exec startkde" > ~/.xinitrcAls het X Window System wordt gestart met
startx is KDE
het bureaublad.Als er een beeldschermmanager als
XDM gebruikt wordt, is de
instelling anders. Dan moet .xsession
gewijzigd worden. Instructies voor
kdm worden later in dit hoofdstuk
beschreven.Meer KDE detailsNadat KDE
geïnstalleerd is op een systeem, kunnen de meeste dingen
uitgezocht worden via de hulppagina's of door de verschillende
menu's aan te wijzen en erop te klikken. &windows; en &mac;
gebruikers voelen zich meestal helemaal thuis.Het beste naslagwerk voor KDE
is de on-line documentatie. KDE
heeft zijn eigen web browser,
Konqueror, tientallen handige
applicatie's en uitgebreide documentatie. De volgende
paragrafen beschrijven de technische zaken die moeilijk
proefondervindelijk te achterhalen zijn.De KDE beeldschermmanagerKDEbeeldschermmanagerEen beheerder van een multi-user systeem die een grafisch
aanmeldscherm willen hebben voor zijn gebruikers kan hiervoor
XDM gebruiken, zoals eerder
beschreven. KDE biedt
kdm als alternatief. Dat is
ontworpen met een beter uiterlijk en heeft meer
aanmeldopties. Gebruikers kunnen via een menu kiezen
welke bureaubladomgeving (KDE,
GNOME of een andere) zij na het
aanmelden willen gebruiken.Om te beginnen dient het KDE
beheerpaneel kcontrol door
root uitgevoerd te worden. Er wordt in
het algemeen vanuit gegaan dat het niet veilig is om als
root de X omgeving te gebruiken. In
plaats daarvan wordt de window manager als normale gebruiker
gestart en in een terminalvenster (zoals
xterm of
KDE's
konsole) wordt root
met su aangemeld. De gebruiker moet
hiervoor wel in de groep wheel
in /etc/group staan). In het
terminalvenster kan dan kcontrol
ingegeven worden.Eerst dient geklikt te worden op het linker icoon
System, daarna op Login
manager. Rechts staan nu verschillende opties
om in te stellen die de KDE
handleiding uitgebreid behandelt. Klik op
sessions aan de rechterzijde. Klik
New type om de verschillende window
managers en bureaubladomgevingen toe te voegen. Dit zijn
alleen de labels, hierop staat dan
KDE en
GNOME in plaats van
startkde of
gnome-session. Er dient ook nog
een label failsafe gemaakt te
worden.Er wordt aangeraden ook met de andere menu's te spelen.
Die zijn hoofdzakeklijk voor cosmetische zaken en spreken
voor zich. Als de instellingen gemaakt zijn kan onderaan op
Apply geklikt worden en kan het
beheerprogramma verlaten worden.Om te zorgen kdm begrijpt
wat de labels (KDE en
GNOME etc) betekenen, dienen de
bestanden die XDM gebruikt
gewijzigd te worden.In KDE 2.2 is dit veranderd:
kdm gebruikt nu zijn eigen
instellingenbestanden. In de
KDE 2.2 documentatie staan
meer details.Als root, in een terminal venster,
dient /usr/X11R6/lib/X11/xdm/Xsession
gewijzigd te worden. In het midden van het bestand is een
onderdeel dat er als volgt uitziet:case $# in
1)
case $1 in
failsafe)
exec xterm -geometry 80x24-0-0
;;
esac
esacEr moeten een aantal regels toegevoegd worden aan dit
onderdeel. Aangenomen dat de gebruikte labels
KDE en GNOME waren, dient
dat het volgende de worden:case $# in
1)
case $1 in
kde)
exec /usr/local/bin/startkde
;;
GNOME)
exec /usr/X11R6/bin/gnome-session
;;
failsafe)
exec xterm -geometry 80x24-0-0
;;
esac
esacOm bij het aanmelden de KDE
bureaubladachtergrond hetzelfde te laten zijn als na het
aanmelden, dient de volgende regel toegevoegd worden aan
/usr/X11R6/lib/X11/xdm/Xsetup_0:
- /usr/local/bin/kdmdesktop
+ /usr/local/bin/krootimageNu moet kdm voorkomen in
/etc/ttys en starten bij de volgende
herstart. Om dit te doen kunnen de instructies uit XDM gebruikt worden en kan
/usr/X11R6/bin/xdm vervangen worden
in /usr/local/bin/kdm.Anti-alias lettertypenKDEanti-alias lettertypenX11 ondersteunt anti-aliasing door de toevoeging de
RENDER toevoeging en vanaf
Qt versie 2.3 ondersteunt Qt (de toolkit die bij
KDE zit) deze toevoeging. Het
instellen hiervan is beschreven in
over anti-aliasing X11 lettertypen. Dus met up-to-date
software is anti-aliasing mogelijk op een
KDE bureaublad. In het
KDE menu moet in PreferencesLook and
FeelFonts het vinkvakje Gebruik
Anti-aliasing voor Lettertypen en Iconen
aangevinkt worden. Voor Qt applicaties die geen onderdeel
zijn van KDE moet de
omgevingsvariabele QT_XFT op
true gezet worden voordat het programma
wordt gestart.XFceOver XFceXFce is een bureaubladomgeving
die gebaseerd is op de GTK+ toolkit die gebruikt wordt bij
GNOME, maar is eenvoudiger en
bedoeld voor gebruikers die een simpel en efficient
bureaublad willen dat toch eenvoudig en makkelijk in te
stellen is. Het ziet er bijna hetzelfde uit als
CDE dat bij commerciële
&unix; systemen zit. Een aantal
XFce functies zijn:Een eenvoudige, makkelijk te bedienen
desktop;Geheel in te stellen met de muis, met klikken en
slepen, enzovoort;Hoofdpaneel hetzelfde als
CDE met menu's, applets en
applicatiesGeïntegreerde window manager, bestandsmanager,
geluidsmanager, GNOME
compliance module en andere zaken;Thema's (sinds het gebruik van GTK+);Snel, licht en efficient: ideaal voor de oudere
of langzamere machines of machines met beperkte
hoeveelheid geheugen;Meer informatie over XFce
staat op de XFce
website.Installeren van XFceXFce is met een package
te installeren:&prompt.root; pkg_add -r xfce4Of vanuit de Portscollectie:&prompt.root; cd /usr/ports/x11-wm/xfce4
&prompt.root; make install cleanNu moet de X server weten dat
XFce gestart moet worden als X de
volgende keer start:&prompt.user; echo "/usr/X11R6/bin/startxfce4" > ~/.xinitrcDe volgende keer dat X start is
XFce het bureaublad. Wederom:
als een beeldschermmanager als XDM
gebruikt wordt, moet .xsession gemaakt
worden zoals beschreven in de paragraaf over GNOME. Nu moet echter het
command /usr/X11R6/bin/startxfce4
gebruikt. Het is ook mogelijk de beeldschermmanager in te
stellen om bureaublad te kiezen bij het aanmelden, zoals is
uitgelegd in de paragraaf over kdm.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/share/sgml/mailing-lists.ent b/nl_NL.ISO8859-1/share/sgml/mailing-lists.ent
index cbdcf4f66a..0d39ab7afd 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/share/sgml/mailing-lists.ent
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/share/sgml/mailing-lists.ent
@@ -1,400 +1,404 @@
FreeBSD lijstserver">
&a.mailman.listinfo;">
FreeBSD ACPI mailinglijst">
freebsd-acpi">
FreeBSD steun mailinglijst">
freebsd-advocacy">
FreeBSD AFS porting mailinglijst">
freebsd-afs">
FreeBSD Adaptec AIC7xxx discussies mailinglijst">
freebsd-aic7xxx">
FreeBSD Alpha porting mailinglijst">
freebsd-alpha">
FreeBSD porten naar AMD64 systemen">
freebsd-amd64">
FreeBSD aankondigingen mailinglijst">
freebsd-announce">
FreeBSD Apache mailinglijst">
freebsd-apache">
FreeBSD architectuur en ontwerp mailinglijst">
freebsd-arch">
FreeBSD ARM porting mailinglijst">
freebsd-arm">
FreeBSD ATM netwerken mailinglijst">
freebsd-atm">
FreeBSD broncode audit mailinglijst">
freebsd-audit">
FreeBSD binair updatesysteem systeem mailinglijst">
freebsd-binup">
+
+FreeBSD bluetooth mailinglijst">
+freebsd-bluetooth">
+
FreeBSD bugbusters mailinglijst">
freebsd-bugbusters">
FreeBSD problem reports mailinglijst">
freebsd-bugs">
FreeBSD babbel mailinglijst">
freebsd-chat">
FreeBSD clustering mailinglijst">
freebsd-cluster">
&os.current; mailinglijst">
freebsd-current">
CTM aankondigingen">
ctm-announce">
CTM distributie van CVS bestanden">
ctm-cvs-cur">
CTM 4-STABLE src tak distributie mailinglijst">
ctm-src-4">
CTM -CURRENT src tak distributie mailinglijst">
ctm-src-cur">
CTM gebruikersdiscussie mailinglijst">
ctm-users">
FreeBSD CVS commitberichten mailinglijst">
cvs-all">
FreeBSD CVS doc commitlijst">
cvs-doc">
FreeBSD CVS ports commitlijst">
cvs-ports">
FreeBSD CVS projecten commitlijst">
cvs-projects">
FreeBSD CVS src commitlijst">
cvs-src">
FreeBSD CVSweb beheer mailinglijst">
freebsd-cvsweb">
FreeBSD gebaseerde Databases mailinglijst">
freebsd-database">
FreeBSD documentatieproject mailinglijst">
freebsd-doc">
FreeBSD-emulatie mailinglijst">
freebsd-emulatie">
FreeBSD FireWire (IEEE 1394) discussion mailinglijst">
freebsd-firewire">
FreeBSD bestandssysteem project mailinglijst">
freebsd-fs">
FreeBSD GEOM mailinglijst">
freebsd-geom">
FreeBSD GNOME and GNOME applications mailinglijst">
freebsd-gnome">
FreeBSD technische discussie mailinglijst">
freebsd-hackers">
FreeBSD hardware and apparatuur mailinglijst">
freebsd-hardware">
FreeBSD mirror sites mailinglijsts">
freebsd-hubs">
FreeBSD internationalisatie mailinglijst">
freebsd-i18n">
FreeBSD i386-specifieke onderwerpen mailinglijst">
freebsd-i386">
FreeBSD IA32 porting mailinglijst">
freebsd-ia32">
FreeBSD IA64 porting mailinglijst">
freebsd-ia64">
FreeBSD IPFW code mailinglijst">
freebsd-ipfw">
FreeBSD ISDN mailinglijst">
freebsd-isdn">
FreeBSD Internet service provider mailinglijst">
freebsd-isp">
FreeBSD Java Language mailinglijst">
freebsd-java">
FreeBSD gerelateerd werk mailinglijst">
freebsd-jobs">
FreeBSD KDE/Qt en KDE applicaties mailinglijst">
freebsd-kde">
FreeBSD LFS porting mailinglijst">
freebsd-lfs">
FreeBSD libh installatie and packagingsysteem mailinglijst">
freebsd-libh">
FreeBSD MIPS porting mailinglijst">
freebsd-mips">
FreeBSD mirrorsite beheerders">
mirror-announce">
FreeBSD laptop computer mailinglijst">
freebsd-mobile">
FreeBSD port van de Mozilla browser mailinglijst">
freebsd-mozilla">
FreeBSD multimedia mailinglijst">
freebsd-multimedia">
FreeBSD netwerken mailinglijst">
freebsd-net">
FreeBSD nieuwe gebruikers mailinglijst">
freebsd-newbies">
FreeBSD new-bus mailinglijst">
freebsd-new-bus">
FreeBSD OpenOffice mailinglijst">
freebsd-openoffice">
FreeBSD prestaties mailinglijst">
freebsd-performance">
FreeBSD perl mailinglijst">
freebsd-perl">
FreeBSD pakketfilter mailinglijst">
freebsd-pf">
FreeBSD niet-Intel platformen porting mailinglijst">
freebsd-platforms">
FreeBSD core team beleidsbeslissingen mailinglijst">
freebsd-policy">
FreeBSD ports mailinglijst">
freebsd-ports">
FreeBSD ports bugs mailinglijst">
freebsd-ports-bugs">
FreeBSD PowerPC porting mailinglijst">
freebsd-ppc">
FreeBSD Python mailinglijst">
freebsd-python">
FreeBSD Quality Assurance mailinglijst">
freebsd-qa">
FreeBSD algemene vragen mailinglijst">
freebsd-questions">
FreeBSD realtime extensions mailinglijst">
freebsd-realtime">
FreeBSD SCSI subsysteem mailinglijst">
freebsd-scsi">
FreeBSD beveiliging mailinglijst">
freebsd-security">
FreeBSD beveiligingswaarschuwingen mailinglijst">
freebsd-security-notifications">
FreeBSD-small mailinglijst">
freebsd-small">
FreeBSD symmetric multiprocessing mailinglijst">
freebsd-smp">
FreeBSD SPARC porting mailinglijst">
freebsd-sparc64">
&os.stable; mailinglijst">
freebsd-stable">
FreeBSD C99 en POSIX compliance mailinglijst">
freebsd-standards">
FreeBSD test mailinglijst">
freebsd-test">
FreeBSD prestaties en stabiliteit test mailinglijst">
freebsd-testing">
FreeBSD threads mailinglijst">
freebsd-threads">
FreeBSD tokenring mailinglijst">
freebsd-tokenring">
FreeBSD USB mailinglijst">
freebsd-usb">
FreeBSD gebruikersgroep coördinatie mailinglijst">
freebsd-user-groups">
FreeBSD wederverkopers pre-release coördinatie mailinglijst">
freebsd-vendors">
Discussis over de VuXML infrastructuur">
freebsd-vuxml">
FreeBSD Webmaster mailinglijst">
freebsd-www">
FreeBSD X11 mailinglijst">
freebsd-x11">
majordomo@FreeBSD.org">