diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/advanced-networking/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/advanced-networking/chapter.sgml index da4a4dfd86..77b96d2ac8 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/advanced-networking/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/advanced-networking/chapter.sgml @@ -1,6429 +1,6429 @@ René Ladan Vertaald door Geavanceerde netwerken Samenvatting Dit hoofdstuk zal een aantal onderwerpen over geavanceerde netwerken behandelen. Na het lezen van dit hoofdstuk is bekend: De beginselen van gateways en routes. Hoe &ieee; 802.11- en &bluetooth;-apparaten te installeren. Hoe &os; als een bridge te laten werken. Hoe een schijfloze machine vanaf het netwerk op te starten. Hoe Network Address Translation te installeren. Hoe twee computers via PLIP met elkaar te verbinden. Hoe IPv6 op een &os;-machine te installeren. Hoe ATM in te stellen. Hoe de mogelijkheden van CARP, het Common Address Redundancy Protocol, aan te zetten en te benutten. Voordat dit hoofdstuk gelezen wordt, dient de lezer: De beginselen van de scripts in /etc/rc te begrijpen. Bekend te zijn met basisnetwerktermen. Te weten hoe een nieuwe &os;-kernel in te stellen en te installeren (). Te weten hoe aanvullende software van derde partijen te installeren (). Coranth Gryphon Bijgedragen door Gateways en routes routing gateway subnet Indien een machine een andere machine over een netwerk wil vinden, dient er een mechanisme te zijn dat beschrijft hoe van de ene naar de andere machine te gaan. Dit wordt routen genoemd. Een route is een gedefinieerd adressenpaar: een bestemming en een gateway. Het paar geeft aan dat door deze gateway gecommuniceerd moet worden om bij deze bestemming aan te komen. Er zijn drie soorten bestemmingen: individuele host, subnetten en standaard. De standaardroute wordt gebruikt indien geen van de andere routes van toepassing zijn. Verderop wordt verder op standaardroutes ingegaan. Er zijn ook drie soorten gateways: individuele hosts, interfaces (ook wel verbindingen genoemd), en Ethernet-hardware-adressen (MAC-adressen). Een voorbeeld Om de verschillende aspecten van routen te illustreren, wordt het volgende voorbeeld van netstat gebruikt: &prompt.user; netstat -r Routing tables Destination Gateway Flags Refs Use Netif Expire default outside-gw UGSc 37 418 ppp0 localhost localhost UH 0 181 lo0 test0 0:e0:b5:36:cf:4f UHLW 5 63288 ed0 77 10.20.30.255 link#1 UHLW 1 2421 example.com link#1 UC 0 0 host1 0:e0:a8:37:8:1e UHLW 3 4601 lo0 host2 0:e0:a8:37:8:1e UHLW 0 5 lo0 => host2.example.com link#1 UC 0 0 224 link#1 UC 0 0 standaardroute De eerste twee regels geven de standaardroute (die behandeld wordt in de volgende sectie) en de localhost-route aan. teruglusapparaat De interface (kolom Netif) dat deze routeertabel aangeeft om voor localhost te gebruiken is lo0, ook bekend als het teruglusapparaat. Dit geeft aan dat alle verkeer voor deze bestemming intern gehouden moet worden, in plaats van het over het LAN te sturen, aangezien het alleen aankomt op de plaats waar het verzonden werd. Ethernet MAC-adres Het volgende dat opvalt zijn de adressen die beginnen met 0:e0:. Dit zijn Ethernet-hardware adressen, ook bekend als MAC-adressen. &os; zal automatisch elke host (test0 in het voorbeeld) op het lokale Ethernet identificeren en een route voor die host toevoegen, direct van deze host over de Ethernet-interface, ed0. Er is ook een timeout (kolom Expire) met deze routesoort geassocieerd, die gebruikt wordt indien er binnen een bepaalde tijd geen bericht komt van de host. Indien dit gebeurt, wordt de route naar deze host automatisch verwijderd. Deze hosts worden geïdentificeerd door middel van een mechanisme dat bekend staat als RIP (Routing Information Protocol), dat routes naar lokale hosts bepaald door middel van een kortste-pad algoritme. subnet &os; zal ook subnetroutes voor het lokale subnet toevoegen (10.20.30.255 is het broadcast-adres voor het subnet 10.20.30, en example.com is de domeinnaam die bij dat subnet hoort). De aanduiding link#1 verwijst naar de eerste Ethernetkaart in de machine. Merk op dat voor hen geen aanvullende interface is gespecificeerd. Voor beide groepen (lokale netwerkhosts en lokale subnetten) worden de routes automatisch ingesteld door een daemon genaamd routed. Indien dit niet draait, zullen alleen routes die statisch gedefinieerd (i.e. expliciet vermeld zijn) bestaan. De regel met host1 verwijst naar deze host, het kent deze door het Ethernetadres. Aangezien het de zendende host is, weet &os; dat het de teruglus-interface (lo0) moet gebruiken, in plaats van het over de Ethernet-interface te verzenden. De twee regels met host2 geven een voorbeeld van wat er gebeurt als een alias met &man.ifconfig.8; gebruikt wordt (in de sectie over Ethernet staan redenen waarom dit gedaan wordt). Het symbool => na de interface lo0 zegt dat niet alleen de teruglus gebruikt wordt (aangezien dit adres ook verwijst naar de lokale host), maar specifiek dat dit een alias is. Zulke routes verschijnen alleen op de hosts die de alias ondersteunen; alle andere hosts op het lokale netwerk vermelden simpelweg een regel met link#1 voor zulke routes. De laatste regel (bestemming subnet 224) heeft te maken met multicasten, wat in een andere sectie besproken wordt. Als laatste staan in de kolom Flags verschillende attributen. Hieronder staat een korte tabel met enkele van deze vlaggen en hun betekenis: U Up: De route is actief. H Host: De bestemming van de route is een enkele host. G Gateway: Stuur alles voor deze bestemming door naar dit verre systeem, dat zoekt daar uit waar het verder naar te sturen. S Statisch: Deze route was handmatig ingesteld, dus niet automatisch door het systeem aangemaakt. C Kloon: Maakt op basis van deze route een nieuwe route aan voor machines waarmee verbinding wordt gemaakt. Dit soort routes wordt gewoonlijk in lokale netwerken gebruikt. W WasGekloond: Geeft aan dat een route automatisch was ingesteld gebaseerd op een LAN (kloon)-route. L Verbinding: De route maakt gebruik van verwijzingen naar Ethernet-hardware. Standaardroutes standaardroute Wanneer het lokale systeem een verbinding met een verre host moet maken, controleert het de routeertabel op reeds bekende paden. Indien de verre host binnen een subnet valt waarvan bekend is hoe het bereikt kan worden (gekloonde routes), controleert het systeem of het met de daarbij behorende interface verbinding kan maken. Indien alle bekende paden falen, heeft het systeem één laatste mogelijkheid: de standaardroute. Deze route is een speciaal soort gateway-route (gewoonlijk de enig aanwezige in het systeem) en is altijd gemarkeerd met een c in het vlaggenveld. Voor hosts op een LAN staat deze gateway ingesteld op de machine die een directe verbinding met de buitenwereld heeft (via een PPP-verbinding, DSL, kabelmodem, T1, of een ander netwerkinterface). Indien de standaardroute wordt ingesteld voor een machine die zelf als gateway naar de buitenwereld werkt, zal de standaardroute de gateway-machine van de internetprovider zijn. Hieronder volgt een voorbeeld van standaardroutes. Dit is een veelgebruikte opstelling: [Lokaal2] <--ether--> [Lokaal1] <--PPP--> [IP-Serv] <--ether--> [T1-GW] De hosts Lokaal1 en Lokaal2 staan op deze site. Lokaal1 is verbonden met een internetprovider via een inbel-PPP-verbinding. Deze PPP-server is door een LAN verbonden met een andere gateway-computer door een externe interface naar de Internet-feed van de internetprovider. De standaardroutes voor de machines zijn: Host Standaard gateway Interface Lokaal2 Lokaal1 Ethernet Lokaal1 T1-GW PPP Een veelvoorkomende vraag is Waarom (of hoe) moet worden ingesteld dat T1-GW de standaard gateway is voor Lokaal1, in plaats van de server van de internetprovider waarmee het verbonden is?. Onthoud dat, aangezien de PPP-interface een adres gebruikt op het lokale netwerk van de internetprovider voor deze kant van de verbinding, routes voor alle andere machines op het lokale netwerk van de internetprovider automatisch aangemaakt worden. Daarom is het al bekend hoe de machine T1-GW bereikt kan worden, dus is de tussenstap dat het verkeer eerst naar de server van de internetprovider gestuurd wordt niet nodig. Het is gebruikelijk om het adres X.X.X.1 te gebruiken als het gateway-adres voor het lokale netwerk. Dus (gebruikmakend van hetzelfde voorbeeld), indien de lokale klasse-C adresruimte 10.20.30 was en de internetprovider 10.9.9 gebruikte, zouden de standaardroutes als volgt zijn: Host Standaardroute Lokaal2 (10.20.30.2) Lokaal1 (10.20.30.1) Lokaal1 (10.20.30.1, 10.9.9.30) T1-GW (10.9.9.1) De standaardroute kan eenvoudig met het bestand /etc/rc.conf gedefinieerd worden. In dit voorbeeld werd de volgende regel aan /etc/rc.conf van Lokaal2 toegevoegd: defaultrouter="10.20.30.1" Het is ook mogelijk dit met het commando &man.route.8; direct vanaf de opdrachtregel te doen: &prompt.root; route add default 10.20.30.1 Voor meer informatie over het handmatig manipuleren van netwerkrouteertabellen kan de hulppagina &man.route.8; geraadpleegd worden. Dual Homed machines dual homed hosts Er is nog één andere soort opstelling die behandeld dient te worden, en dat is een host die in twee verschillende netwerken zit. Technisch gezien telt elke machine die als gateway dienst doet (in bovenstaand voorbeeld door een PPP-verbinding te gebruiken) als een dual-homed host. Maar de term wordt echt alleen gebruikt om naar een machine te verwijzen die in twee LAN's zit. In het ene geval heeft de machine twee Ethernetkaarten, waarbij elke kaart een adres op de gescheiden subnetten heeft. Een alternatief is dat de machine slechts één Ethernetkaart heeft en gebruikt maakt van &man.ifconfig.8; aliasing. Het eerste wordt gebruikt indien er twee fysiek gescheiden Ethernet-netwerken in gebruik zijn, het laatste indien er één fysiek netwerksegment is, maar er twee logisch gescheiden subnetten zijn. In beide gevallen worden er routeertabellen aangemaakt zodat elk subnet weet dat deze machine de gedefinieerde gateway (ingaande route) naar het andere subnet is. Deze opstelling, waarbij de machine dienst doet als router tussen de twee subnetten, wordt vaak gebruikt voor het implementeren van pakketfilters of firewall-beveiliging in één of beide richtingen. Om deze machine daadwerkelijk pakketten te laten forwarden tussen de twee interfaces, moet aan &os; verteld worden dat het deze mogelijkheid aan moet zetten. In de volgende sectie staan meer details over hoe dit te doen. Een router bouwen router Een netwerkrouter is simpelweg een systeem dat pakketten van de ene naar de andere interface doorstuurt. Internetstandaarden en goede ontwerppraktijken verhinderen het &os; Project dit standaard in &os; aan te zetten. Deze mogelijkheid kan worden aangezet door de volgende variabele in &man.rc.conf.5; op YES in te stellen: gateway_enable="YES" # Op YES instellen indien deze host een gateway is Deze optie stelt de &man.sysctl.8; variabele net.inet.ip.forwarding in op 1. Indien het nodig is om het routen tijdelijk te stoppen, kan deze variabele tijdelijk op 0 worden teruggezet. BGP RIP OSPF De nieuwe router heeft routes nodig om te weten waar het het verkeer naar toe moet sturen. Voor een eenvoudig netwerk kunnen statische routes gebruikt worden. &os; wordt met het standaard BSD routeer-daemon &man.routed.8; geleverd, dat RIP (zowel versie 1 en versie 2) en IRDP spreekt. Ondersteuning voor BGP v4, OSPF v2, en andere slimme routeerprotocollen is beschikbaar via het pakket net/zebra. Ook zijn commerciële producten als &gated; beschikbaar voor complexere netwerkrouteer-oplossingen. Al Hoang Bijgedragen door Statische routes opzetten Handmatige configuratie Er wordt van het volgende netwerk uitgegaan: INTERNET | (10.0.0.1/24) Standaardrouter naar Internet | |Interface xl0 |10.0.0.10/24 +------+ | | RouterA | | (FreeBSD gateway) +------+ | Interface xl1 | 192.168.1.1/24 | +--------------------------------+ Intern Net 1 | 192.168.1.2/24 | +------+ | | RouterB | | +------+ | 192.168.2.1/24 | Intern Net 2 In dit scenario is RouterA een &os;-machine die dienst doet als router naar de rest van het Internet. Het heeft een standaardroute ingesteld op 10.0.0.1, dat het in staat stelt om verbindingen met de buitenwereld te maken. Er wordt aangenomen dat RouterB reeds juist is ingesteld en dat het weet hoe het waar naar toe moet gaan. (In dit plaatje is dit simpel. Voeg een standaardroute op RouterB toe door 192.168.1.1 als gateway te gebruiken.) De routeertabel voor RouterA zou er ongeveer als volgt uitzien: &prompt.user; netstat -nr Routing tables Internet: Destination Gateway Flags Refs Use Netif Expire default 10.0.0.1 UGS 0 49378 xl0 127.0.0.1 127.0.0.1 UH 0 6 lo0 10.0.0/24 link#1 UC 0 0 xl0 192.168.1/24 link#2 UC 0 0 xl1 Met de huidige routeertabel is RouterA niet in staat om Intern Net 2 te bereiken. Het heeft geen route voor 192.168.2.0/24. Een manier om dit te verhelpen is om de route handmatig toe te voegen. Het volgende commando voegt het netwerk Intern Net 2 toe aan de routeertabel van RouterA door 192.168.1.2 als de volgende hop te gebruiken: &prompt.root; route add -net 192.168.2.0/24 192.168.1.2 Nu kan RouterA elke host op het netwerk 192.168.2.0/24 bereiken. Persistente configuratie Bovenstaand voorbeeld is perfect voor het instellen van een statische route op een draaiend systeem. Een probleem is dat de routeerinformatie verdwijnt indien de &os;-machine opnieuw wordt opgestart. De manier om een statische route toe te voegen is om het in het bestand /etc/rc.conf toe te voegen: # Voeg Intern Net 2 als een statische route toe static_routes="internnet2" route_internnet2="-net 192.168.2.0/24 192.168.1.2" De instellingsvariabele static_routes is een lijst van strings gescheiden door een spatie. Elke string verwijst naar een routenaam. Bovenstaand voorbeeld heeft slechts één string in static_routes. Dit is de string internnet2. Vervolgens wordt een instellingsvariabele route_internnet2 toegevoegd waarin alle instellingsparameters staan die aan het commando &man.route.8; moeten worden doorgegeven. Voor bovenstaand voorbeeld zou het volgende commando zijn gebruikt: &prompt.root; route add -net 192.168.2.0/24 192.168.1.2 Dus is "-net 192.168.2.0/24 192.168.1.2" nodig. Zoals hierboven is vermeld is het mogelijk om meerdere strings in static_routes te hebben. Dit maakt het mogelijk om meerdere statische routes aan te maken. De volgende regels geven een voorbeeld van het toevoegen van statische routes voor de netwerken 192.168.0.0/24 en 192.168.1.0/24 op een denkbeeldige router: static_routes="net1 net2" route_net1="-net 192.168.0.0/24 192.168.0.1" route_net2="-net 192.168.1.0/24 192.168.1.1" Routes propageren routes propageren Er is al gesproken over hoe routes naar de buitenwereld te definiëren, maar niet over hoe de buitenwereld ons kan vinden. Het is al bekend dat routeertabellen aangemaakt kunnen worden zodat al het verkeer voor een bepaalde adresruimte (in ons voorbeeld een klasse-C subnet) naar een bepaalde host op dat netwerk gezonden kan worden, dat de ingaande pakketten doorgeeft. Wanneer een adresruimte aan een site wordt toegewezen, stelt de serviceprovider al hun routeertabellen zodanig in dat al het verkeer voor het bijhorende subnet naar de PPP-verbinding van de site gezonden wordt. Maar hoe weten sites door het land heen hoe naar de internetprovider van deze site te versturen? Er bestaat een systeem (dat veel lijkt op de gedistribueerde DNS-informatie) dat alle toegewezen adresruimtes bijhoudt, en hun verbindingspunt met de Internet Backbone definieert. De Backbone zijn de grote kabels die Internetverkeer door het land en over de wereld sturen. Elke backbone-machine heeft een kopie van een master-verzameling van tabellen, die verkeer voor een bepaald netwerk naar een bepaalde backbone-carrier sturen, en van daaruit naar een keten van serviceproviders totdat het het netwerk van de site bereikt. Het is de taak van de serviceprovider om bij de backbone-sites aan te geven dat zij het verbindingspunt (en dus het ingaande pad) zijn voor de site. Dit staat bekend als routepropagatie. Problemen oplossen traceroute Soms is er een probleem met routepropagatie en kunnen sommige sites geen verbinding maken. Misschien is het nuttigste commando om proberen uit te zoeken waar het routen misgaat &man.traceroute.8;. Het is ook nuttig als er geen verbinding mogelijk lijkt met een verre machine (dus als &man.ping.8; faalt). Het commando &man.traceroute.8; wordt gedraaid met de naam van de verre host waarmee geprobeerd wordt te verbinden. Het laat de gateway-hosts zien langs het gepoogde pad, dat uiteindelijk de doelhost bereikt, of wegens een gebrek aan verbinding afgebroken wordt. Raadpleeg voor meer informatie de hulppagina voor &man.traceroute.8;. Multicast routen multicast routen kernelopties MROUTING &os; ondersteunt zowel multicast-applicaties als multicast routen van huis uit. Voor multicast-applicaties is geen speciale configuratie van &os; nodig; applicaties draaien over het algemeen als geleverd. Voor multicast routen dient ondersteuning in de kernel gecompileerd te worden: options MROUTING Ook dient de multicast-routeer-daemon &man.mrouted.8; ingesteld worden zodat het tunnels en DVMRP via /etc/mrouted.conf aanmaakt. Kijk voor meer details over multicast-instellingen in de hulppagina voor &man.mrouted.8;. Sinds &os; 7.0 is het multicast-routeer-daemon &man.mrouted.8; uit het basissysteem verwijderd. Het implementeert het multicast-routeer-protocol DVRMP, welke in veel multicast-installaties grotendeels is vervangen door &man.pim.4;. De gerelateerde gereedschappen &man.map-mbone.8; en &man.mrinfo.8; zijn ook verwijderd. Deze programma's zijn nu beschikbaar in de &os; Ports Collectie als net/mrouted. Loader Marc Fonvieille Murray Stokely Draadloze netwerken draadloze netwerken 802.11 draadloze netwerken De beginselen van draadloos netwerken De meeste draadloze netwerken zijn op de &ieee; 802.11 standaarden gebaseerd. Een eenvoudig draadloos netwerk bestaat uit meerdere stations die met radio's communiceren die in de 2,4GHz of de 5GHz band uitzenden (alhoewel dit regionaal varieert en het ook verandert om communicatie in de 2,3GHz en de 4,9GHz banden mogelijk te maken). 802.11-netwerken zijn op twee manieren georganiseerd: in infrastructuurmodus treedt één station als meester op, alle andere stations associëren met dit station; dit netwerk staat bekend als een BSS en het meesterstation heet een toegangspunt (AP). In een BSS gaat alle communicatie via het AP; zelfs als een station met een ander draadloos station wil communiceren gaan de boodschappen door het AP. In de tweede netwerkvorm is er geen meester en communiceren de stations direct. Deze netwerkvorm is een IBSS en staat gewoonlijk bekend als een ad-hoc netwerk. 802.11 netwerken begonnen in de 2,4GHz band waarbij gebruik werd gemaakt van protocollen die door de &ieee; 802.11 en 802.11b standaarden worden gedefinieerd. Deze specificaties omvatten de werkfrequenties, karakteristieken van de MAC-lagen waaronder frame- en zendsnelheden (communicatie kan met verschillende snelheden plaatsvinden). Later definieerde de 802.11a-standaard het werken in de 5GHz band, inclusief andere mechanismen voor signalering en hogere zendsnelheden. Nog later werd de 802.11g-standaard gedefinieerd om gebruik te kunnen maken van de signalerings- en zendmechanismen van 802.11a in de 2,4GHz band zodanig dat het met terugwerkende kracht werkt op 802.11b-netwerken. Afgezien van de onderliggende zendtechnieken beschikken 802.11-netwerken over een verscheidenheid aan beveiligingstechnieken. De originele 802.11-specificaties definieerden een eenvoudig beveiligingsprotocol genaamd WEP. Dit protocol maakt gebruik van een vaste, van te voren gedeelde sleutel en het cryptografische algoritme RC4 om de gegevens die over het netwerk verstuurd worden te coderen. Alle stations dienen dezelfde sleutel te gebruiken om te kunnen communiceren. Het is bewezen dat dit mechanisme eenvoudig te kraken is en wordt nu, afgezien om voorbijgaande gebruikers te ontmoedigen het netwerk te gebruiken, nog zelden gebruikt. De huidige beveiligingsmethoden worden gegeven door de &ieee; 802.11i specificatie dat nieuwe cryptografische algoritmen en een aanvullend protocol om stations aan een toegangspunt te authenticeren en om sleutels voor gegevenscommunicatie uit te wisselen definieert. Verder worden cryptografische sleutels periodiek ververst en zijn er mechanismen om indringpogingen te detecteren (en om indringpogingen tegen te gaan). Een andere specificatie van een veelgebruikt beveiligingsprotocol in draadloze netwerken is WPA. Dit was een voorloper op 802.11i en gedefinieerd door een industriegroep als een tussenmaatregel terwijl er gewacht werd op de ratificatie van 802.11i. WPA specificeert een deel van de eisen van 802.11i en is ontworpen voor implementatie op verouderde hardware. In het bijzonder vereist WPA alleen de TKIP-sleutel die van de originele WEP-sleutel is afgeleid. 802.11i staat het gebruik van TKIP toe maar vereist ook ondersteuning voor een sterkere sleutel, AES-CCM, om gegevens te versleutelen. (De AES-sleutel was niet nodig in WPA omdat het rekenkundig te kostbaar werd geacht voor implementatie op verouderde hardware.) Afgezien van de bovenstaande protocolstandaarden is de andere belangrijke standaard waarvan bewustzijn belangrijk is 802.11e. Deze standaard definieert het opstellen van multimediatoepassingen zoals gestroomde video en voice over IP (VoIP) binnen een 802.11-netwerk. Net als 802.11i heeft ook 802.11e een voorgaande specificatie genaamd WME (later hernoemd tot WMM) die door een industriegroep is gedefinieerd als een deelverzameling van 802.11e die nu kan worden gebruikt om multimediatoepassingen mogelijk te maken terwijl er gewacht wordt op de uiteindelijke ratificatie van 802.11e. Het belangrijkste om over 802.11e en WME/WMM te weten is dat ze gepriotiseerd verkeersgebruik van een draadloos netwerk mogelijk maken door middel van Quality of Service (QoS) protocollen en protocollen voor verbeterde mediatoegang. Een juiste implementatie van deze protocollen maken snelle gegevensbursts en gepriotiseerde verkeersstromen mogelijk. Sinds versie 6.0 ondersteunt &os; netwerken die met 802.11a, 802.11b, en 802.11g werken. Ook worden de veiligheidsprotocollen WPA en 802.11i ondersteund (samen met 11a, 11b, of 11g) en QoS en de verkeerspriorisatieprotocollen die nodig zijn voor de protocollen WME/WMM worden voor een beperkte verzameling draadloze apparatuur ondersteund. Basisinstallatie Kernelinstellingen Om van een draadloos netwerk gebruik te maken is het nodig om een draadloze netwerkkaart te hebben en om de kernel met de juiste ondersteuning voor draadloze netwerken in te stellen. Het laatste is verdeeld in meerdere modulen zodat alleen de software ingesteld hoeft te worden die daadwerkelijk gebruikt zal worden. Ten eerste is een draadloos netwerkapparaat nodig. De meestgebruikte apparaten zijn degenen die onderdelen van Atheros gebruiken. Deze apparaten worden ondersteund door het stuurprogramma &man.ath.4; en voor hen dient de volgende regel aan het bestand /boot/loader.conf toegevoegd te worden: if_ath_load="YES" Het stuurprogramma voor Atheros is opgedeeld in drie verschillende delen: het eigenlijke stuurprogramma (&man.ath.4;), de ondersteuningslaag voor de hardware die chip-specifieke functies afhandelt (&man.ath.hal.4;), en een algoritme om de snelheid om frames te verzenden te kiezen uit een reeks mogelijke waarden (hier ath_rate_sample). Indien deze ondersteuning als kernelmodules wordt geladen, zullen de afhankelijkheden automatisch afgehandeld worden. Voor andere apparaten dan die van Atheros dient de module voor dat stuurprogramma geladen te worden; bijvoorbeeld: if_wi_load="YES" voor apparaten die op onderdelen van Intersil Prism zijn gebaseerd (stuurprogramma &man.wi.4;). In de rest van dit document zal een &man.ath.4; apparaat gebruikt worden, de naam van het apparaat in de voorbeelden dient aangepast te worden aan de lokale installatie. Een lijst van beschikbare draadloze stuurprogramma's en ondersteunde adapters staat in de &os; Hardware Notes. Kopieën hiervan voor verschillende uitgaven en architecturen zijn beschikbaar op de Uitgave Informatie pagina van de &os; website. Indien er geen origineel stuurprogramma voor het draadloze apparaat bestaat, is het mogelijk om te proberen om direct het stuurprogramma van &windows; proberen te gebruiken met behulp van de stuurprogramma-wrapper NDIS. Nadat het apparaatstuurprogramma is ingesteld onder &os; 7.X is het ook nodig om de ondersteuning voor 802.11-netwerken waarvan het stuurprogramma gebruik maakt in te stellen. Voor het stuurprogramma &man.ath.4; zijn dit minimaal de modules &man.wlan.4;, wlan_scan_ap en wlan_scan_sta; de module &man.wlan.4; wordt automatisch geladen met het stuurprogramma voor draadloze apparaten, de overige modules dienen tijdens het opstarten geladen te worden via het bestand /boot/loader.conf: wlan_scan_ap_load="YES" wlan_scan_sta_load="YES" Sinds &os; 8.0 zijn deze modules deel van het basisstuurprogramma &man.wlan.4; dat dynamisch met het stuurprogramma voor de adapter wordt geladen. Daarvoor zijn ook de modules nodig die cryptografische ondersteuning implementeren voor de te gebruiken veiligheidsprotocollen. Het is de bedoeling dat ze dynamisch door de module &man.wlan.4; worden geladen maar momenteel dienen ze handmatig ingesteld te worden. De volgende modules zijn beschikbaar: &man.wlan.wep.4;, &man.wlan.ccmp.4;, en &man.wlan.tkip.4;. Zowel de stuurprogramma's &man.wlan.ccmp.4; en &man.wlan.tkip.4; zijn alleen nodig indien het veiligheidsprotocol WPA en/of 802.11i gebruikt wordt. Indien het netwerk encryptieloos dient te zijn, is de ondersteuning van &man.wlan.wep.4; niet nodig. Om deze modules tijdens het opstarten te laden, dienen de volgende regels aan /boot/loader.conf toegevoegd te worden: wlan_wep_load="YES" wlan_ccmp_load="YES" wlan_tkip_load="YES" Nadat deze informatie aan het instellingenbestand om het systeem op te starten (i.e. /boot/loader.conf) is toegevoegd, is het noodzakelijk om de &os;-computer opnieuw op te starten. Indien het ongewenst is om de computer nu opnieuw op te starten, kunnen de modules ook handmatig worden geladen door &man.kldload.8; te gebruiken. Indien het gebruik van modules ongewenst is, kunnen deze stuurprogramma's in de kernel worden gecompileerd door de volgende regels aan het kernelinstellingenbestand toe te voegen: device wlan # 802.11 ondersteuning device wlan_wep # 802.11 WEP-ondersteuning device wlan_ccmp # 802.11 CCMP-ondersteuning device wlan_tkip # 802.11 TKIP-ondersteuning device wlan_amrr # AMRR controle-algoritme voor zendsnelheid device ath # Atheros PCI/Cardbus netwerkkaarten device ath_hal # Ondersteuning voor PCI/cardbus chips options AH_SUPPORT_AR5146 # zet AR5146 tx/rx descriptors aan device ath_rate_sample # SampleRate verzendsnelheid-controle voor ath Beide van de volgende regels zijn nodig voor &os; 7.X, voor andere versies van &os; zijn ze niet nodig: device wlan_scan_ap # 802.11 AP mode scanning device wlan_scan_sta # 802.11 STA mode scanning Met deze informatie in het kernelinstellingenbestand kan de kernel opnieuw gecompileerd en de &os;-computer opnieuw opgestart worden. Wanneer het systeem draait, is het mogelijk om enige informatie over de draadloze apparaten in de opstartboodschappen te vinden, zoals: ath0: <Atheros 5212> mem 0x88000000-0x8800ffff irq 11 at device 0.0 on cardbus1 ath0: [ITHREAD] ath0: AR2413 mac 7.9 RF2413 phy 4.5 Infrastructuurmodus De infrastructuur- of BSS-modus is de modus die normaliter gebruikt wordt. In deze modus zijn een aantal draadloze toegangspunten verbonden met een bedraad netwerk. Elk draadloos netwerk heeft een eigen naam, deze naam wordt de SSID van het netwerk genoemd. Draadloze cliënten verbinden zich met de draadloze toegangspunten. &os; cliënten Hoe toegangspunten te vinden Voor het scannen van netwerken wordt het commando ifconfig gebruikt. Het kan even duren voordat dit verzoek is afgehandeld aangezien het systeem op elke beschikbare draadloze frequentie naar toegangspunten moet zoeken. Alleen de super-gebruiker kan zo'n scan opzetten: &prompt.root; ifconfig wlan0 create wlandev ath0 &prompt.root; ifconfig wlan0 up scan SSID/MESH ID BSSID CHAN RATE S:N INT CAPS dlinkap 00:13:46:49:41:76 11 54M -90:96 100 EPS WPA WME freebsdap 00:11:95:c3:0d:ac 1 54M -83:96 100 EPS WPA De interface dient als up te worden gemarkeerd voordat het scannen begint. Voor verdere scans is het niet nodig om de interface als up te markeren. In &os; 7.X wordt de apparaat-adapter, bijvoorbeeld ath0, direct gebruikt in plaats van het apparaat wlan. Hierom is het nodig om beide vorige regels te vervangen door: &prompt.root; ifconfig ath0 up scan In de rest van dit document dienen gebruikers van &os; 7.X de opdracht- en instellingregels volgens dat schema aan te passen. De uitvoer van een scanverzoek vermeld elk gevonden BSS/IBSS-netwerk. Naast de naam van het netwerk, SSID, staat het BSSID, wat het MAC-adres van het toegangspunt is. Het veld CAPS identificeert het type van elk netwerk en de mogelijkheden van de stations die daar werkzaam zijn: E Uitgebreide dienstenverzameling (ESS). Geeft aan dat het station deel uitmaakt van een infrastructuurnetwerk (in tegenstelling tot een IBSS-/ ad-hoc-netwerk). I IBSS-/ad-hoc-netwerk. Geeft aan dat het station deel uitmaakt van een ad-hoc-netwerk (in tegenstelling tot een ESS-netwerk). P Privacy. Vertrouwelijkheid is vereist voor alle gegevensframes die binnen het BSS worden uitgewisseld. Dit betekent dat dit BSS eist dat het station cryptografische middelen als WEP, TKIP of AES-CCMP dient te gebruiken om de gegevensframes die met anderen worden uitgewisseld te versleutelen en te ontsleutelen. S Korte preambule. Geeft aan dat het netwerk korte preambules gebruikt (gedefinieerd in 802.11b Hoge Snelheid/DSSS PHY, korte preambule gebruikt een 56-bits synchronisatieveld in tegenstelling tot een 128-bits dat bij lange preambules wordt gebruikt). s Korte slottijd. Geeft aan dat het 802.11g-netwerk een korte slottijd gebruikt omdat er geen verouderde (802.11b) stations aanwezig zijn. Het is ook mogelijk om de huidige lijst van bekende netwerken weer te geven met: &prompt.root; ifconfig scan0 list scan Deze informatie kan automatisch bijgewerkt worden door de adapter of handmatig met een verzoek. Oude gegevens worden automatisch uit de cache verwijderd, dus kan deze lijst na verloop van tijd korter worden tenzij er meer scanverzoeken gedaan worden. Basisinstellingen Deze sectie geeft een eenvoudig voorbeeld hoe de draadloze netwerkadapter in &os; zonder encryptie aan de praat te krijgen. Nadat deze concepten bekend zijn, wordt het sterk aangeraden om WPA te gebruiken om de draadloze netwerken op te zetten. Er zijn drie basisstappen om een draadloos netwerk in te stellen: een toegangspunt kiezen, het station authenticeren, en een IP-adres instellen. De volgende secties behandelen elk een stap. Een toegangspunt kiezen In de meeste gevallen is het voldoende om het systeem een toegangspunt gebaseerd op de ingebouwde heuristieken te laten kiezen. Dit is het standaardgedrag wanneer een interface als up wordt gemarkeerd of als een interface wordt ingesteld door het te noemen in /etc/rc.conf, bijvoorbeeld: wlans_ath0="wlan0" ifconfig_wlan0="DHCP" Zoals eerder vermeld, is voor &os; 7.X alleen een regel nodig voor de apparaat-adapter: ifconfig_ath0="DHCP" Indien er meerdere toegangspunten zijn en het gewenst is om een specifieke te kiezen, kan dit met het SSID: wlans_ath0="wlan0" ifconfig_wlan0="ssid uw_ssid_hier DHCP" In een omgeving waar meerdere toegangspunten hetzelfde SSID hebben (vaak gedaan om roamen eenvoudiger te maken) kan het nodig zijn om met één specifiek apparaat te associëren. In dit geval kan ook het BSSID van het toegangspunt gespecificeerd worden (het SSID kan ook weggelaten worden): wlans_ath0="wlan0" ifconfig_wlan0="ssid uw_ssid_hier bssid xx:xx:xx:xx:xx:xx DHCP Er zijn andere manieren om de keuze van een toegangspunt te beperken zoals het beperken van het aantal frequenties waarop het systeem scant. Dit kan handig zijn bij multi-band-netwerkkaarten aangezien het scannen van alle mogelijke kanalen tijdrovend kan zijn. Om de werking tot een specifieke band te beperken kan de parameter gebruikt worden; bijvoorbeeld: wlans_ath0="wlan0" ifconfig_wlan0="mode 11g ssid uw_ssid_hier DHCP" zal de kaart forceren om te werken in 802.11g welke alleen voor 2,4GHz frequenties is gedefinieerd dus de 5GHz kanalen blijven buiten beschouwing. Andere manieren om dit te doen zijn de parameter , om bewerkingen op één specifieke frequentie vast te zetten, en de parameter , om een lijst van te scannen kanalen te specificeren. Meer informatie over deze parameters kan in de hulppagina &man.ifconfig.8; gevonden worden. Authenticatie Nadat er een toegangspunt is gekozen moet het station zich authenticeren voordat het gegevens kan versturen. Authenticatie kan op verschillende manieren gebeuren. Het meest gebruikte schema wordt open authenticatie genoemd en staat doe dat elk station aan het netwerk deelneemt en communiceert. Deze manier van authenticatie dient gebruikt te worden voor testdoeleinden tijdens het voor de eerste keer opzetten van een draadloos netwerk. Andere schema's vereisen dat cryptografische overeenkomsten voltooid worden voordat gegevensverkeer kan stromen; ofwel door vooraf gedeelde sleutels of geheimen te gebruiken, of door complexere schema's te gebruiken welke achterliggende diensten zoals RADIUS betrekken. De meeste gebruikers zullen open authenticatie gebruiken welke de standaardinstelling is. De dan meest voorkomende opstelling is WPA-PSK, ook bekend als WPA Personal, welke hieronder beschreven is. Indien er een &apple; &airport; Extreme basisstation als toegangspunt wordt gebruikt kan het nodig zijn om gedeelde-sleutel-authenticatie samen met een WEP-sleutel in te stellen. Dit kan gedaan worden in het bestand /etc/rc.conf of door het programma &man.wpa.supplicant.8; te gebruiken. Indien er een enkel &airport; basisstation wordt gebruikt kan de toegang met zoiets als het volgende worden ingesteld: wlans_ath0="wlan0" ifconfig_wlan0="authmode shared wepmode on weptxkey 1 wepkey 01234567 DHCP" Over het algemeen dient authenticatie via gedeelde sleutels worden voorkomen omdat het het materiaal van de WEP-sleutel op een zeer afgedwongen manier gebruikt wat het zelfs gemakkelijker maakt om de sleutel te kraken. Indien WEP gebruikt moet worden (bijvoorbeeld voor compatibiliteit met verouderde apparaten) is het beter om WEP met open authenticatie te gebruiken. Meer informatie met betrekking tot WEP kan gevonden worden in . Een IP-adres verkrijgen met DHCP Nadat het toegangspunt is gekozen en de parameters voor de authenticatie zijn ingesteld, dient er een IP-adres ter communicatie verkregen worden. In de meeste gevallen wordt het draadloze IP-adres verkregen via DHCP. Om dat te bereiken, dient /etc/rc.conf bewerkt te worden en DHCP aan de instellingen voor het apparaat toegevoegd te worden zoals in de verschillende bovenstaande voorbeelden is laten zien: wlans_ath0="wlan0" ifconfig_wlan0="DHCP" Op dit moment kan de draadloze interface geactiveerd worden: &prompt.root; /etc/rc.d/netif start Wanneer de interface draait, kan ifconfig gebruikt worden om de status van de interface ath0 te zien: &prompt.root; ifconfig wlan0 wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 ether 00:11:95:d5:43:62 inet 192.168.1.00 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.1.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet OFDM/54Mbps mode 11g status: associated ssid dlinkap channel 11 (2462 Mhz 11g) bssid 00:13:46:49:41:76 country US ecm authmode OPEN privacy OFF txpower 21.5 bmiss 7 scanvalid 60 bgscan bgscanintvl 300 bgscanidle 250 roam:rssi 7 roam:rate 5 protmode CTS wme burst Het status: associated betekent dat er verbinding is met een draadloos netwerk (in dit geval met het netwerk dlinkap). Het gedeelte bssid 00:13:46:49:41:76 is het MAC-adres van het toegangspunt; de gedeelte met authmode vertelt dat de communicatie niet versleuteld is. Statisch IP-adres In het geval dat het niet mogelijk is om een IP-adres van een DHCP-server te krijgen, kan er een vast IP-adres worden ingesteld. Vervang het sleutelwoord DHCP van hierboven met de adresinformatie. Zorg ervoor dat de andere parameters voor het selecteren van een toegangspunt behouden blijven: wlans_ath0="wlan0" ifconfig_wlan0="inet 192.168.1.100 netmask 255.255.255.0 ssid uw_ssid_hier" WPA WPA (Wi-Fi Protected Access) is een beveiligingsprotocol dat samen met 802.11-netwerken wordt gebruikt om het gebrek aan degelijke authenticatie en de zwakte van WEP te benadrukken. WPA verbetert het 802.1X-authenticatieprotocol en gebruikt een sleutel gekozen uit meerdere in plaats van WEP voor gegevensintegriteit. De enige sleutel welke WPA vereist is TKIP (Temporary Key Integrity Protocol), een sleutel dat de basis-RC4-sleutel welke door WEP wordt gebruikt uitbreidt door integriteitscontroles, knoeidetectie, en maatregelen om op elke gedetecteerde inbraak te reageren toe te voegen. TKIP is ontworpen om op verouderde hardware met enkel wijzigingen in software te draaien; het representeert een compromis dat de veiligheid verbetert maar nog steeds niet geheel immuun is tegen aanvallen. WPA specificeert ook de sleutel AES-CCMP als een alternatief voor TKIP welke te verkiezen is indien mogelijk; voor deze specificatie wordt gewoonlijk de term WPA2 (of RSN) gebruikt. WPA definieert protocollen voor authenticatie en versleuteling. Authenticatie gebeurt het meeste door één van deze twee technieken te gebruiken: door 802.1X en een achterliggende authenticatiedienst zoals RADIUS, of door een minimale overeenkomst tussen het station en het toegangspunt door een van te voren gedeeld geheim te gebruiken. Het eerste wordt vaak WPA Enterprise genoemd en het laatste staat bekend als WPA Personal. Aangezien de meeste mensen geen achterliggende RADIUS-server voor een draadloos netwerk zullen opzetten, is WPA-PSK veruit de meest gebruikte configuratie voor WPA. Het beheer van de draadloze verbinding en de authenticatie (sleutelonderhandeling of authenticatie met een server) gebeurt met het gereedschap &man.wpa.supplicant.8;. Dit programma vereist dat er een instellingenbestand, /etc/wpa_supplicant.conf, draait. Meer informatie over dit bestand kan in de hulppagina &man.wpa.supplicant.conf.5; worden gevonden. WPA-PSK WPA-PSK, ook bekend als WPA-Personal, is gebaseerd op een vooraf gedeelde sleutel (PSK) gegenereerd vanuit een gegeven wachtwoord die gebruikt zal worden als de hoofdsleutel in het draadloze netwerk. Dit betekent dat alle draadloze gebruikers dezelfde sleutel zullen delen. WPA-PSK is bedoeld voor kleine netwerken waar het gebruik van een authenticatieserver niet mogelijk of gewenst is. Gebruik altijd sterke wachtwoorden welke voldoende lang zijn en opgebouwd zijn uit een grote tekenverzameling zodat ze niet gemakkelijk worden geraden of aangevallen. De eerste stap is het instellen van het bestand /etc/wpa_supplicant.conf met het SSID en de vooraf gedeelde sleutel van het netwerk: network={ ssid="freebsdap" psk="freebsdmall" } Daarna zal in /etc/rc.conf worden aangegeven dat de draadloze configuratie met WPA zal gebeuren en dat het IP-adres met DHCP zal worden verkregen: wlans_ath0="wlan0" ifconfig_wlan0="WPA DHCP" Hierna kan de interface geactiveerd worden: &prompt.root; /etc/rc.d/netif start Starting wpa_supplicant. DHCPDISCOVER on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 interval 5 DHCPDISCOVER on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 interval 6 DHCPOFFER from 192.168.0.1 DHCPREQUEST on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 DHCPACK from 192.168.0.1 bound to 192.168.0.254 -- renewal in 300 seconds. wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 ether 00:11:95:d5:43:62 inet 192.168.0.254 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet OFDM/36Mbps mode 11g status: associated ssid freebsdap channel 1 (2412 Mhz 11g) bssid 00:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode WPA2/802.11i privacy ON deftxkey UNDEF AES-CCM 3:128-bit txpower 21.5 bmiss 7 scanvalid 450 bgscan bgscanintvl 300 bgscanidle 250 roam:rssi 7 roam:rate 5 protmode CTS wme burst roaming MANUAL Ook kan gepoogd worden dit handmatig in te stellen door hetzelfde /etc/wpa_supplicant.conf als hierboven te gebruiken, en dit te draaien: &prompt.root; wpa_supplicant -i wlan0 -c /etc/wpa_supplicant.conf Trying to associate with 00:11:95:c3:0d:ac (SSID='freebsdap' freq=2412 MHz) Associated with 00:11:95:c3:0d:ac WPA: Key negotiation completed with 00:11:95:c3:0d:ac [PTK=CCMP GTK=CCMP] CTRL-EVENT-CONNECTED - Connection to 00:11:95:c3:0d:ac completed (auth) [id=0 idstr=] De volgende stap is het lanceren van het commando dhclient om een IP-adres van de DHCP-server te krijgen: &prompt.root; dhclient wlan0 DHCPREQUEST on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 DHCPACK from 192.168.0.1 bound to 192.168.0.254 -- renewal in 300 seconds. &prompt.root; ifconfig wlan0 wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 ether 00:11:95:d5:43:62 inet 192.168.0.254 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet OFDM/36Mbps mode 11g status: associated ssid freebsdap channel 1 (2412 Mhz 11g) bssid 00:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode WPA2/802.11i privacy ON defxkey UNDEF AES-CCM 3:128-bit txpower 21.5 bmiss 7 scanvalid 450 bgscan bgscanintvl 300 bgscanidle 250 roam:rssi 7 roam:rate 5 protmode CTS wme burst roaming MANUAL Indien /etc/rc.conf is ingesteld met de regel ifconfig_wlan0="DHCP" is het niet nodig om het commando dhclient handmatig te draaien, dhclient zal dan gedraaid worden nadat wpa_supplicant de sleutels heeft onderzocht. In het geval dat het niet mogelijk is om DHCP te gebruiken, kan een statisch IP-adres worden ingesteld nadat wpa_supplicant het station heeft geauthenticeerd: &prompt.root; ifconfig wlan0 inet 192.168.0.100 netmask 255.255.255.0 &prompt.root; ifconfig wlan0 wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 ether 00:11:95:d5:43:62 inet 192.168.0.100 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet OFDM/36Mbps mode 11g status: associated ssid freebsdap channel 1 (2412 Mhz 11g) bssid 00:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode WPA2/802.11i privacy ON deftxkey UNDEF AES-CCM 3:128-bit txpower 21.5 bmiss 7 scanvalid 450 bgscan bgscanintvl 300 bgscanidle 250 roam:rssi 7 roam:rate 5 protmode CTS wme burst roaming MANUAL Indien DHCP niet wordt gebruikt, dienen ook de standaard gateway en de naamserver handmatig ingesteld te worden: &prompt.root; route add default uw_standaard_router &prompt.root; echo "nameserver uw_DNS_server" >> /etc/resolv.conf WPA met EAP-TLS De tweede manier om WPA te gebruiken is met een achterliggende 802.1X-authenticatieserver, in dit geval wordt WPA WPA-Enterprise genoemd om het verschil met het minder veilige WPA-Personal met de vooraf gedeelde sleutel aan te duiden. De authenticatie in WPA-Enterprise is gebaseerd op EAP (Extensible Authentication Protocol). EAP wordt niet met een encryptiemethode geleverd, het was besloten om EAP in een versleutelde tunnel te omsluiten. Er zijn vele soorten van EAP-authenticatiemethodes ontworpen, de meest voorkomende methodes zijn EAP-TLS, EAP-TTLS, en EAP-PEAP. EAP-TLS (EAP met Transport Layer Security) is een zeer goed ondersteund authenticatieprotocol in de draadloze wereld aangezien het de eerste EAP-methode was die gecertificeerd werd door de Wi-Fi alliantie. EAP-TLS vereist dat er drie certificaten draaien: het CA-certificaat (geïnstalleerd op alle machines), het servercertificaat voor de authenticatieserver, en een cliëntcertificaat voor elke draadloze cliënt. Bij deze EAP-methode authenticeren zowel de authenticatieserver als de draadloze cliënt elkaar door hun respectievelijke certificaten te laten zien, en ze controleren dat deze certificaten zijn getekend door de certificatenauthoriteit (CA) van de organisatie. Zoals voorheen gebeurt het instellen via /etc/wpa_supplicant.conf: network={ ssid="freebsdap" proto=RSN key_mgmt=WPA-EAP eap=TLS identity="loader" ca_cert="/etc/certs/cacert.pem" client_cert="/etc/certs/clientcert.pem" private_key="/etc/certs/clientkey.pem" private_key_passwd="freebsdmallclient" } Dit veld geeft de naam van het netwerk (SSID) aan. Hier wordt het RSN (&ieee; 802.11i) protocol gebruikt, ofwel WPA2. De regel key_mgmt verwijst naar het gebruikte sleutelbeheerprotocol. In dit geval is het WPA dat EAP-authenticatie gebruikt: WPA-EAP. In dit veld wordt de EAP-methode voor de verbinding genoemd. Het veld identity bevat de identiteitsstring voor EAP. Het veld ca_cert geeft de padnaam van het CA-certificaatbestand aan. Dit bestand is nodig om het servercertificaat te controleren. De regel client_cert geeft de padnaam van het cliëntcertificaatbestand aan. Dit certificaat is uniek voor elke draadloze cliënt van het netwerk. Het veld private_key is de padnaam naar het bestand dat de privésleutel van het cliëntcertificaat bevat. Het veld private_key_passwd bevat het wachtwoord voor de privésleutel. Voeg vervolgens de volgende regels toe aan /etc/rc.conf: wlans_ath0="wlan0" ifconfig_wlan0="WPA DHCP" De volgende stap is het activeren van de interface met behulp van de faciliteit rc.c: &prompt.root; /etc/rc.d/netif start Starting wpa_supplicant. DHCPREQUEST on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 DHCPREQUEST on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 DHCPACK from 192.168.0.20 bound to 192.168.0.254 -- renewal in 300 seconds. wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 ether 00:11:95:d5:43:62 inet 192.168.0.254 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet DS/11Mbps mode 11g status: associated ssid freebsdap channel 1 (2412 Mhz 11g) bssid 00:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode WPA/802.11i privacy ON deftxkey UNDEF AES-CCM 3:128-bit txpower 21.5 bmiss 7 scanvalid 450 bgscan bgscanintvl 300 bgscanidle 250 roam:rssi 7 roam:rate 5 protmode CTS wme burst roaming MANUAL Zoals eerder is laten zien, is het ook mogelijk om de interface handmatig te activeren met zowel de commando's wpa_supplicant en ifconfig. WPA met EAP-TTLS Bij EAP-TLS hebben zowel de authenticatieserver als de cliënt een certificaat nodig, met EAP-TTLS (EAP-Tunneled Transport Layer Security) is een cliëntcertificaat optioneel. Deze methode komt in de buurt van wat sommige beveiligde websites doen, waar de webserver een veilige SSL-tunnel kan aanmaken zelfs als de bezoekers geen certificaten aan de cliëntkant hebben. EAP-TTLS zal de versleutelde TLS-tunnel gebruiken voor het veilig transporteren van de authenticatiegegevens. De instellingen worden gedaan via het bestand /etc/wpa_supplicant.conf: network={ ssid="freebsdap" proto=RSN key_mgmt=WPA-EAP eap=TTLS identity="test" password="test" ca_cert="/etc/certs/cacert.pem" phase2="auth=MD5" } Dit veld noemt de EAP-methode voor de verbinding. Het veld identity bevat de identiteitsstring voor EAP-authenticatie binnen de versleutelde TLS-tunnel. Het veld password bevat het wachtwoord voor de EAP-authenticatie. Het veld ca_cert wijst naar de padnaam van het CA-certificaatbestand. Dit bestand is nodig om het servercertificaat te controleren. Dit veld noemt de gebruikte authenticatiemethode in de versleutelde TLS-tunnel. In dit geval is EAP met MD5-Challenge gebruikt. De binnenste authenticatie-fase wordt vaak phase2 genoemd. Ook dienen de volgende regels toegevoegd te worden aan /etc/rc.conf: wlans_ath0="wlan0" ifconfig_ath0="WPA DHCP" De volgende stap is het activeren van de interface: &prompt.root; /etc/rc.d/netif start Starting wpa_supplicant. DHCPREQUEST on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 interval 7 DHCPREQUEST on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 interval 15 DHCPREQUEST on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 interval 21 DHCPACK from 192.168.0.20 bound to 192.168.0.254 -- renewal in 300 seconds. wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 ether 00:11:95:d5:43:62 inet 192.168.0.254 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect DS/11Mbps mode 11g status: associated ssid freebsdap channel 1 (2412 Mhz) bssid 00:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode WPA2/802.11i privacy ON deftxkey UNDEF AES-CCM 3:128-bit txpower 21.5 bmiss 7 scanvalid 450 bgscan bgscanintvl 300 bgscanidle 250 roam:rssi 7 roam:rate 5 protmode CTS wme burst roaming MANUAL WPA met EAP-PEAP PEAP (Beveiligd EAP) is ontworpen als een alternatief voor EAP-TTLS. Er zijn twee soorten PEAP-methodes, de meest voorkomende is PEAPv0/EAP-MSCHAPv2. In de rest van dit document wordt de term PEAP gebruikt om te verwijzen naar die EAP-methode. PEAP is de meest gebruikte EAP-standaard na EAP-TLS, in andere woorden, indien er een netwerk met verschillende besturingssystemen is, zou PEAP de best ondersteunde standaard na EAP-TLS moeten zijn. PEAP is soortgelijk aan EAP-TTLS: het gebruikt een server-side certificaat om de cliënten te authenticeren door een beveiligde TLS-tunnel tussen de cliënt en de authenticatieserver aan te maken, welke de uitwisseling van de authenticatie-informatie beschermt. Vanuit een beveiligingsoogpunt gezien is het verschil tussen EAP-TTLS en PEAP dat PEAP-authenticatie de gebruikersnaam onversleuteld uitzendt, alleen het wachtwoord wordt in de beveiligde TLS-tunnel verzonden. EAP-TTLS gebruikt de TLS-tunnel voor zowel de gebruikersnaam als het wachtwoord. Het bestand /etc/wpa_supplicant.conf dient gewijzigd te worden om de EAP-PEAP-gerelateerde instellingen toe te voegen: network={ ssid="freebsdap" proto=RSN key_mgmt=WPA-EAP eap=PEAP identity="test" password="test" ca_cert="/etc/certs/cacert.pem" phase1="peaplabel=0" phase2="auth=MSCHAPV2" } Dit veld noemt de EAP-methode voor de verbinding. Het veld identity bevat de identiteitsstring voor EAP-authenticatie binnen de versleutelde TLS-tunnel. Het veld password bevat het wachtwoord voor de EAP-authenticatie. Het veld ca_cert wijst naar de padnaam van het CA-certificaatbestand. Dit bestand is nodig om het servercertificaat te controleren. Dit veld bevat de parameters voor de eerste fase van de authenticatie (de TLS-tunnel). Afhankelijk van de gebruikte authenticatieserver moet er een specifiek label voor de authenticatie worden opgegeven. In de meeste gevallen zal het label client EAP encryption zijn welke ingesteld is door peaplabel=0 te gebruiken. Meer informatie kan in de hulppagina &man.wpa.supplicant.conf.5; gevonden worden. Dit veld noemt het authenticatieprotocol dat in de versleutelde TLS-tunnel gebruikt wordt. In het geval van PEAP is dit auth=MSCHAPV2. Het volgende dient te worden toegevoegd aan /etc/rc.conf: wlans_ath0="wlan0" ifconfig_wlan0="WPA DHCP" Hierna kan de interface worden geactiveerd: &prompt.root; /etc/rc.d/netif start Starting wpa_supplicant. DHCPREQUEST on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 interval 7 DHCPREQUEST on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 interval 15 DHCPREQUEST on wlan0 to 255.255.255.255 port 67 interval 21 DHCPACK from 192.168.0.20 bound to 192.168.0.254 -- renewal in 300 seconds. wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 ether 00:11:95:d5:43:62 inet 192.168.0.254 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect DS/11Mbps mode 11g status: associated ssid freebsdap channel 1 (2412 Mhz) bssid 00:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode WPA2/802.11i privacy ON deftxkey UNDEF AES-CCM 3:128-bit txpower 21.5 bmiss 7 scanvalid 450 bgscan bgscanintvl 300 bgscanidle 250 roam:rssi 7 roam:rate 5 protmode CTS wme burst roaming MANUAL WEP WEP (Wired Equivalent Privacy) maakt deel uit van de oorspronkelijke 802.11 standaard. Er is geen authenticatiemechanisme, slechts een zwakke vorm van toegangscontrole, en het is gemakkelijk te kraken. WEP kan worden opgezet met ifconfig: &prompt.root; ifconfig wlan0 create wlandev ath0 &prompt.root; ifconfig wlan0 inet 192.168.1.100 netmask 255.255.255.0 \ ssid mijn_net wepmode on weptxkey 3 wepkey 3:0x3456789012 De weptxkey geeft aan welke WEP-sleutel zal worden gebruikt tijdens het verzenden. Hier wordt de derde sleutel gebruikt. Dit dient overeen te komen met de instelling in het toegangspunt. Indien onbekend is welke sleutel door het toegangspunt wordt gebruikt, dient geprobeerd te worden om 1 (i.e. de eerste sleutel) voor deze waarde te gebruiken. De wepkey stelt de geselecteerde WEP-sleutel in. Het dient in het formaat index:sleutel te zijn, als de sleutel niet is gegeven, wordt sleutel 1 ingesteld. Dat wil zeggen dat de index opgegeven dient te worden indien er een andere sleutel dan de eerste wordt gebruikt. De 0x3456789012 dient vervangen te worden door de sleutel die ingesteld is voor gebruik met het toegangspunt. Het wordt aangeraden om de hulppagina &man.ifconfig.8; te lezen voor verdere informatie. De faciliteit wpa_supplicant kan ook gebruikt worden om de draadloze interface in te stellen voor WEP. Het bovenstaande voorbeeld kan worden ingesteld door de volgende regels toe te voegen aan /etc/wpa_supplicant.conf: network={ ssid="mijn_net" key_mgmt=NONE wep_key3=3456789012 wep_tx_keyidx=3 } Daarna: &prompt.root; wpa_supplicant -i wlan0 -c /etc/wpa_supplicant.conf Trying to associate with 00:13:46:49:41:76 (SSID='dlinkap' freq=2437 MHz) Associated with 00:13:46:49:41:76 Ad-hoc-modus IBSS-modus, ook ad-hoc-modus genoemd, is ontworpen voor point-to-point-verbindingen. Om bijvoorbeeld een ad-hoc-netwerk tussen de machine A en de machine B op te zetten, is het slechts nodig om twee IP-adressen en een SSID te kiezen. Op machine A: &prompt.root; ifconfig wlan0 create wlandev ath0 wlanmode adhoc -&prompt.root; ifconfig wlan0 inet 192.168.0.1 netmask 255.255.255.0 ssid +&prompt.root; ifconfig wlan0 inet 192.168.0.1 netmask 255.255.255.0 ssid freebsdap wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 ether 00:11:95:c3:0d:ac inet 192.168.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect mode 11g <adhoc> status: running ssid freebsdap channel 2 (2417 Mhz 11g) bssid 02:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode OPEN privacy OFF txpower 21.5 scanvalid 60 protmode CTS wme burst De parameter adhoc geeft aan dat de interface in de IBSS-modus draait. Op B zal het mogelijk moeten zijn om A te detecteren: &prompt.root; ifconfig wlan0 create wlandev ath0 wlanmode adhoc &prompt.root; ifconfig wlan0 up scan SSID/MESH ID BSSID CHAN RATE S:N INT CAPS reebsdap 02:11:95:c3:0d:ac 2 54M -64:-96 100 IS WME De I in de uitvoer bevestigt dat machine A in ad-hoc-modus verkeert. Het is slechts nodig om B met een ander IP-adres in te stellen: &prompt.root; ifconfig wlan0 inet 192.168.0.2 netmask 255.255.255.0 ssid freebsdap &prompt.root; ifconfig wlan0 ssid freebsdap mediaopt adhoc inet 192.168.0.2 netmask 255.255.255.0 &prompt.root; ifconfig wlan0 wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 ether 00:11:95:d5:43:62 inet 192.168.0.2 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect mode 11g <adhoc> status: running ssid freebsdap channel 2 (2417 Mhz 11g) bssid 02:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode OPEN privacy OFF txpower 21.5 scanvalid 60 protmode CTS wme burst Zowel A als B zijn nu klaar om informatie uit te wisselen. &os; Host Toegangspunten &os; kan als toegangspunt (AP) functioneren wat de noodzaak om een hardwarematig AP te kopen of een ad-hoc-netwerk te draaien wegneemt. Dit kan bijzonder nuttig zijn indien de &os;-machine als gateway naar een ander netwerk (bijvoorbeeld het Internet) functioneert. Basisinstellingen Voordat de &os;-machine als een AP wordt ingesteld, dient de kernel te worden ingesteld met de juiste ondersteuning voor draadloos netwerken voor de draadloze kaart. Ook dient er ondersteuning voor de te gebruiken beveiligingsprotocollen te worden toegevoegd. Meer details staan in . Momenteel staan de NDIS-stuurprogrammawrapper en de stuurprogramma's van &windows; het werken als AP niet toe. Alleen originele draadloze &os;-stuurprogramma's ondersteunen AP-modus. Wanneer de ondersteuning voor draadloos netwerken is geladen, kan gecontroleerd worden of het draadloze apparaat de hostgebaseerde toegangspuntmodus ondersteunt (ook bekend als hostap-modus): &prompt.root; ifconfig wlan0 create wlandev ath0 &prompt.root; ifconfig wlan0 list caps drivercaps=6f85edc1<STA,FF,TURBOP,IBSS,HOSTAP,AHDEMO,TXPMGT,SHSLOT,SHPREAMBLE,MONITOR,MBSS,WPA1,WPA2,BURST,WME,WDS,BGSCAN,TXFRAG> cryptocaps=1f<WEP,TKIP,AES,AES_CCM,TKIPMIC> Deze uitvoer geeft de mogelijkheden van de kaart weer, het woord HOSTAP bevestigt dat deze draadloze kaart als toegangspunt kan functioneren. Ook worden verschillende ondersteunde versleutelmethoden genoemd: WEP, TKIP, AES, enz., deze informatie is belangrijk om te weten welke beveiligingsprotocollen ingesteld kunnen worden op het toegangspunt. - Het draadloze apparaat kan enkel in hostap-modues worden + Het draadloze apparaat kan enkel in hostap-modus worden gezet tijdens het creeëren van het netwerk pseudo-device - dus vooraf aangemaakte apparaten moeten eerst verwijderd + dus een vooraf aangemaakt apparaat moet eerst verwijderd worden: &prompt.root; ifconfig wlan0 destroy waarna deze opnieuw aangemaakt kan worden met de juiste parameters: &prompt.root; ifconfig wlan0 create wlandev ath0 wlanmode hostap &prompt.root; ifconfig wlan0 inet 192.168.0.1 netmask 255.255.255.0 ssid freebsdap mode 11g channel 1 Gebruik weer ifconfig om de status van de interface wlan0 te zien: &prompt.root; ifconfig wlan0 wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 ether 00:11:95:c3:0d:ac inet 192.168.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 status: running ssid freebsdap channel 1 (2412 Mhz 11g) bssid 00:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode OPEN privacy OFF txpower 21.5 scanvalid 60 protmode CTS wme burst dtimperiod 1 -dfs De parameter hostap geeft aan dat de interface in hostgebaseerde toegangspuntmodus draait. Het instellen van de interface kan automatisch tijdens het opstarten gedaan worden door de volgende regels aan /etc/rc.conf toe te voegen: wlans_ath0="wlan0" create_args_wlan0="wlanmode hostap" ifconfig_wlan0="inet 192.168.0.1 netmask 255.255.255.0 ssid freebsdap mode 11g channel 1" Hostgebaseerde toegangspunt zonder authenticatie of versleuteling Hoewel het niet aangeraden wordt om een AP zonder enige vorm van authenticatie of encryptie te draaien, is dit een eenvoudige manier om te controleren of het AP werkt. Deze configuratie is ook belangrijk voor het debuggen van problemen met cliënten. Nadat het AP is ingesteld als eerder is laten zien, is het mogelijk om van een andere draadloze machine een scan te beginnen om het AP te vinden: &prompt.root; ifconfig wlan0 create wlandev ath0 &prompt.root; ifconfig wlan0 up scan SSID/MESH ID BSSID CHAN RATE S:N INT CAPS freebsdap 00:11:95:c3:0d:ac 1 54M -66:-96 100 ES WME De cliëntmachine heeft het AP gevonden en kan ermee geassocieerd worden: &prompt.root; ifconfig ath0 ssid freebsdap inet 192.168.0.2 netmask 255.255.255.0 ifconfig wlan0 wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 ether 00:11:95:d5:43:62 inet 192.168.0.2 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet OFDM/54Mbps mode 11g status: associated ssid freebsdap channel 1 (2412 Mhz 11g) bssid 00:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode OPEN privacy OFF txpower 21.5 bmiss 7 scanvalid 60 bgscan bgscanintvl 300 bgscanidle 250 roam:rssi 7 roam:rate 5 protmode CTS wme burst WPA hostgebaseerde toegangspunt Deze sectie zal zich richten op opzetten van een &os; toegangspunt dat het beveiligingsprotocol WPA gebruikt. Meer details over WPA en het instellen van op WPA gebaseerde draadloze cliënten kan gevonden worden in . De daemon hostapd wordt gebruikt om cliëntauthenticatie en sleutelbeheer op het toegangspunt met WPA af te handelen. In het volgende zullen alle instellingsbewerkingen worden uitgevoerd op de &os;-machine die als AP dienst doet. Wanneer het AP correct werkt, zou hostapd automatisch tijdens het opstarten aangezet moeten worden met de volgende regel in /etc/rc.conf: hostapd_enable="YES" Zorg ervoor dat voordat geprobeerd wordt om hostapd in te stellen, de basisinstellingen die in zijn geïntroduceerd zijn uitgevoerd. WPA-PSK WPA-PSK is bedoeld voor kleine netwerken waar het gebruik van een achterliggende authenticatieserver niet mogelijk of gewenst is. Het instellen wordt gedaan in het bestand /etc/hostapd.conf: interface=wlan0 debug=1 ctrl_interface=/var/run/hostapd ctrl_interface_group=wheel ssid=freebsdap wpa=1 wpa_passphrase=freebsdmall wpa_key_mgmt=WPA-PSK wpa_pairwise=CCMP TKIP Dit veld geeft aan welke draadloze interface voor het toegangspunt wordt gebruikt. Dit veld stelt het verbositeitsniveau in dat tijdens het draaien van hostapd wordt gebruikt. Een waarde van 1 vertegenwoordigt het minimale niveau. Het veld ctrl_interface geeft de padnaam van de door hostapd gebruikte map om de domeinsocketbestanden voor communicatie met externe programma's zoals &man.hostapd.cli.8; in op te slaan. Hier wordt de standaardwaarde gebruikt. De regel ctrl_interface_group stelt de groep in (hier is het de groep wheel) die toegang heeft tot de controle interfacebestanden. Het veld wpa maakt WPA mogelijk en specificeert welk WPA-authenticatieprotocol nodig zal zijn. De waarde 1 stelt het AP in op WPA-PSK. Het veld wpa_passphrase bevat het ASCII-wachtwoord voor de WPA-authenticatie. Gebruik altijd sterke wachtwoorden welke voldoende lang zijn en opgebouwd zijn uit een grote tekenverzameling zodat ze niet gemakkelijk worden geraden of aangevallen. De regel wpa_key_mgmt verwijst naar het gebruikte sleutelbeheerprotocol. In dit geval is dat WPA-PSK. Het veld wpa_pairwise geeft aan welke versleutelingsalgoritmes door het toegangspunt worden geaccepteerd. Hier worden zowel de versleuteling TKIP (WPA) en CCMP (WPA2) geaccepteerd. De versleuteling CCMP is een alternatief voor TKIP en wordt sterk aangeraden indien mogelijk; TKIP dient alleen gebruikt te worden voor stations die geen CCMP aankunnen. De volgende stap is het starten van hostapd: &prompt.root /etc/rc.d/hostapd forcestart &prompt.root; ifconfig wlan0 wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 2290 inet 192.168.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255dddd inet6 fe80::211:95ff:fec3:dac%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x4 ether 00:11:95:c3:0d:ac media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect mode 11g <hostap> status: associated ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac authmode WPA2/802.11i privacy MIXED deftxkey 2 TKIP 2:128-bit txpowmax 36 protmode CTS dtimperiod 1 bintval 100 Het toegangspunt draait nu, de cliënten kunnen er nu mee worden geassocieerd, zie voor meer details. Het is mogelijk om de stations die met het AP geassocieerd zijn te zien door het commando ifconfig wlan0 list te gebruiken. WEP hostgebaseerd toegangspunt Het wordt niet aangeraden om WEP te gebruiken om een toegangspunt op te zetten aangezien er geen authenticatiemechanisme is en het gemakkelijk is te kraken. Sommige verouderde draadloze kaarten ondersteunen alleen WEP als een beveiligingsprotocol, met deze kaarten is het alleen mogelijk om een AP zonder authenticatie of encryptie of een AP dat het WEP-protocol gebruikt op te zetten. Het draadloze apparaat kan nu in hostap-modus worden gezet en ingesteld worden met het juiste SSID en IP-adres: &prompt.root; ifconfig wlan0 create wlandev ath0 wlanmode hostap &prompt.root; ifconfig wlan0 inet 192.168.0.1 netmask 255.255.255.0 \ ssid freebsdap wepmode on weptxkey 3 wepkey 3:0x3456789012 mode 11g Het weptxkey geeft aan welke WEP-sleutel tijdens het zenden zal worden gebruikt. Hier wordt de derde sleutel gebruikt (merk op dat de nummering van de sleutels bij 1 begint). Deze parameter moet gespecificeerd worden om de gegevens daadwerkelijk te versleutelen. Het wepkey geeft aan dat de geselecteerde WEP-sleutel wordt ingesteld. Het dient in het formaat index:key te zijn, indien de index niet is gegeven, wordt sleutel 1 gebruikt. Dus indien een andere sleutel dan de eerste wordt gebruikt dient de index te worden ingesteld. Weer wordt ifconfig gebruikt om de status van de interface wlan0 te zien: &prompt.root; ifconfig wlan0 wlan0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 ether 00:11:95:c3:0d:ac inet 192.168.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255 media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect mode 11g <hostap> status: running ssid freebsdap channel 4 (2427 Mhz 11g) bssid 00:11:95:c3:0d:ac country US ecm authmode OPEN privacy ON deftxkey 3 wepkey 3:40-bit txpower 21.5 scanvalid 60 protmode CTS wme burst dtimperiod 1 -dfs Vanaf een andere draadloze machine is het mogelijk om een scan te beginnen om het AP te vinden: &prompt.root; ifconfig wlan0 create wlandev ath0 &prompt.root; ifconfig wlan0 up scan SSID BSSID CHAN RATE S:N INT CAPS freebsdap 00:11:95:c3:0d:ac 1 54M 22:1 100 EPS De cliëntmachine heeft het toegangspunt gevonden en kan ermee geassocieerd worden door de juiste parameters (sleutel, enz.) te gebruiken, zie voor meer details. Zowel de bekabelde als de draadloze verbinding gebruiken Een bekabelde verbinding biedt betere prestaties en betrouwbaarheid, terwijl een draadloze verbinding meer flexibiliteit en mobiliteit biedt; laptop-gebruikers zullen dit willen combineren en naadloos tussen de twee overschakelen. In &os; is het mogelijk om twee of meer netwerkinterfaces te combineren in een failover-opstelling, dit houdt in dat de meest geprefereerde en best beschikbare verbinding van een groep van netwerkinterfaces wordt gebruikt, en het besturingssysteem automatisch te laten overschakelen wanneer de status van de verbinding verandert. Link-aggregatie en failover worden behandeld in , een voorbeeld voor het gebruik van zowel een bekabelde als een draadloze verbinding wordt gegeven in . Problemen verhelpen Indien er problemen met het draadloos netwerk zijn, zijn er een aantal stappen die genomen kunnen worden om het probleem te helpen verhelpen. Indien het toegangspunt niet vermeld wordt tijdens het scannen, controleer dan of het draadloze apparaat niet is ingesteld op een beperkt aantal kanalen. Indien het niet mogelijk is om met een toegangspunt te associëren, controleer dan of de instellingen van het station overeenkomen met die van het toegangspunt. Dit omvat het authenticatieschema en de beveiligingsprotocollen. Versimpel de configuratie zoveel mogelijk. Indien een beveiligingsprotocol als WPA of WEP wordt gebruikt, stel het toegangspunt dan in voor open authenticatie en geen beveiliging en kijk of er verkeer door kan. Wanneer er met het toegangspunt geassocieerd kan worden, stel dan een diagnose over alle beveiligingsinstellingen met eenvoudige gereedschappen zoals &man.ping.8;. wpa_supplicant biedt veel ondersteuning voor debuggen; probeer het handmatig te draaien met de optie en controleer de systeemlogs. Er zijn ook veel debug-gereedschappen op lagere niveaus. Het is mogelijk om debugberichten in de laag die het 802.11 protocol ondersteunt aan te zetten door het programma wlandebug te gebruiken dat gevonden wordt in /usr/src/tools/tools/net80211. Bijvoorbeeld: &prompt.root; wlandebug -i ath0 +scan+auth+debug+assoc net.wlan.0.debug: 0 => 0xc80000<assoc,auth,scan> kan worden gebruikt om consoleberichten aan te zetten die te maken hebben met het scannen van toegangspunten en het uitvoeren van 802.11 handshakes die nodig zijn om communicatie te regelen. Er worden ook veel nuttige statistieken door de 802.11 laag bijgehouden; het gereedschap wlanstats geeft deze informatie weer. Deze statistieken zouden alle fouten die door de 802.11 laag zijn geïdentificeerd moeten identificeren. Let erop dat sommige fouten worden geïdentificeerd in de apparaatstuurprogramma's die onder de 802.11 laag liggen zodat ze niet verschijnen. Voor het diagnosticeren van apparaatspecifieke problemen dient de documentatie van het stuurprogramma geraadpleegd te worden. Indien de bovenstaande informatie niet helpt om het probleem te verhelderen, stuur dan een probleemrapport op inclusief de uitvoer van de bovenstaande gereedschappen. Pav Lucistnik Geschreven door
pav@FreeBSD.org
Bluetooth Bluetooth Introductie Bluetooth is een draadloze technologie om persoonlijke netwerken aan te maken die in de vrije 2,4GHz-band werken binnen een straal van 10 meter. Deze netwerken worden gewoonlijk ad-hoc gevormd en bestaan uit draagbare apparaten zoals mobiele telefoons, handhelds en laptops. In tegenstelling tot die andere populaire draadloze techniek, Wi-Fi, biedt Bluetooth een hoger niveau van serviceprofielen, zoals FTP-achtige bestandsservers, pushing van bestanden, stemtransport, emulatie van seriële lijnen, en meer. De Bluetooth stack is in &os; geïmplementeerd door gebruik te maken van het Netgraph-raamwerk (zie &man.netgraph.4;). Veel van de Bluetooth USB-dongles worden ondersteund door het stuurprogramma &man.ng.ubt.4;. Apparaten gebaseerd op de Broadcom BCM2033 chip worden ondersteund door de stuurprogramma's &man.ubtbcmfw.4; en &man.ng.ubt.4;. De 3Com Bluetooth PC Card 3CRWB60-A wordt ondersteund door het stuurprogramma &man.ng.bt3c.4;. Seriële en op UART gebaseerde Bluetooth-apparaten worden ondersteund via &man.sio.4;, &man.ng.h4.4;, en &man.hcseriald.8;. Deze sectie beschrijft het gebruik van de USB Bluetooth-dongle. Het apparaat inprikken Standaard zijn stuurprogramma's voor Bluetooth-apparaten beschikbaar als kernelmodules. Voordat een apparaat wordt aangekoppeld, dient het stuurprogramma in de kernel geladen te worden: &prompt.root; kldload ng_ubt Indien het Bluetooth-apparaat tijdens het opstarten van het systeem in het systeem aanwezig is, kan de module vanuit /boot/loader.conf geladen worden: ng_ubt_load="YES" Prik de USB-dongle in. Uitvoer vergelijkbaar aan de onderstaande zal op de console (of in syslog) verschijnen: ubt0: vendor 0x0a12 product 0x0001, rev 1.10/5.25, addr 2 ubt0: Interface 0 endpoints: interrupt=0x81, bulk-in=0x82, bulk-out=0x2 ubt0: Interface 1 (alt.config 5) endpoints: isoc-in=0x83, isoc-out=0x3, wMaxPacketSize=49, nframes=6, buffer size=294 Het script /etc/rc.d/bluetooth wordt gebruikt om de Bluetooth-stack te starten en te stoppen. Het is een goed idee om de stack te stoppen voordat het apparaat wordt losgekoppeld, maar het is (gewoonlijk) niet fataal. Tijdens het starten van de stack verschijnt er uitvoer vergelijkbaar met de onderstaande: &prompt.root; /etc/rc.d/bluetooth start ubt0 BD_ADDR: 00:02:72:00:d4:1a Features: 0xff 0xff 0xf 00 00 00 00 00 <3-Slot> <5-Slot> <Encryption> <Slot offset> <Timing accuracy> <Switch> <Hold mode> <Sniff mode> <Park mode> <RSSI> <Channel quality> <SCO link> <HV2 packets> <HV3 packets> <u-law log> <A-law log> <CVSD> <Paging scheme> <Power control> <Transparent SCO data> Max. ACL packet size: 192 bytes Number of ACL packets: 8 Max. SCO packet size: 64 bytes Number of SCO packets: 8 HCI Host Controller Interface (HCI) Het Host Controller Interface (HCI) biedt een opdrachtinterface naar de controller van de basisband en de verbindingsbeheerder, en toegang tot hardwarestatus en controleregisters. Deze interface biedt een uniforme manier om de mogelijkheden van de basisband van Bluetooth te benaderen. De HCI-laag op de gastheer wisselt gegevens en opdrachten uit met de HCI-firmware in de Bluetooth-hardware. Het stuurprogramma voor de Host Controller Transport Layer (i.e. de fysieke bus) biedt aan beide HCI-lagen de mogelijkheid om informatie met elkaar uit te wisselen. Voor een enkel Bluetooth-apparaat wordt een enkele Netgraph knoop van het type hci aangemaakt. De HCI-knoop is normaliter verbonden met de knoop van het Bluetooth-apparaatstuurprogramma (naar beneden toe) en de L2CAP-knoop (naar boven toe). Alle HCI-bewerkingen dienen te worden uitgevoerd op de HCI-knoop en niet op de knoop van het apparaatstuurprogramma. De standaardnaam voor de HCI-knoop is devicehci. Kijk voor meer details in de hulppagina &man.ng.hci.4;. Eén van de meest voorkomende taken is het ontdekken van Bluetooth-apparaten binnen radiobereik. Deze bewerking wordt ondervragen genoemd. Ondervragen en andere HCI-gerelateerde bewerkingen worden uitgevoerd met het programma &man.hccontrol.8;. Het onderstaande voorbeeld laat zien hoe kan worden uitgezocht welke Bluetooth-apparaten zich binnen het bereik bevinden. De lijst met apparaten zou binnen enkele seconden moeten binnenkomen. Bedenk dat een apparaat op afstand alleen antwoord op de ondervraging zal geven indien het in ontdekbare modus staat. &prompt.user; hccontrol -n ubt0hci inquiry Inquiry result, num_responses=1 Inquiry result #0 BD_ADDR: 00:80:37:29:19:a4 Page Scan Rep. Mode: 0x1 Page Scan Period Mode: 00 Page Scan Mode: 00 Class: 52:02:04 Clock offset: 0x78ef Inquiry complete. Status: No error [00] BD_ADDR is een uniek adres van een Bluetooth-apparaat, vergelijkbaar met een MAC-adres van een netwerkkaart. Dit adres is nodig voor verdere communicatie met een apparaat. Het is mogelijk om een menselijk leesbare naam aan een BD_ADDR toe te kennen. Het bestand /etc/bluetooth/hosts bevat informatie over de bekende Bluetooth-gastheren. Het volgende voorbeeld laat zien hoe de menselijk leesbare naam dat aan het apparaat op afstand was toegekend te verkrijgen is: &prompt.user; hccontrol -n ubt0hci remote_name_request 00:80:37:29:19:a4 BD_ADDR: 00:80:37:29:19:a4 Name: Pav's T39 Tijdens het uitvoeren van een ondervraging op een Bluetooth-apparaat op afstand zal het de computer als uw.gastheer.naam (ubt0) vinden. De naam die aan het lokale apparaat is toegekend, kan altijd gewijzigd worden. Het Bluetooth-systeem biedt een punt-naar-punt-verbinding (slechts twee Bluetooth-eenheden betrokken), of een punt-naar-veelpunt-verbinding. Bij een punt-naar-veelpunt-verbinding wordt de verbinding met meerdere Bluetooth-apparaten gedeeld. Het volgende voorbeeld laat zien hoe de lijst met actieve basisbandverbindingen voor het lokale apparaat te verkrijgen is: &prompt.user; hccontrol -n ubt0hci read_connection_list Remote BD_ADDR Handle Type Mode Role Encrypt Pending Queue State 00:80:37:29:19:a4 41 ACL 0 MAST NONE 0 0 OPEN Een verbindingshandvat is nuttig indien het beëindigen van de basisbandverbinding noodzakelijk is. Normaalgesproken is het niet nodig om dit handmatig te doen. De stack zal automatisch niet-actieve basisbandverbindingen beëindigen. &prompt.root; hccontrol -n ubt0hci disconnect 41 Connection handle: 41 Reason: Connection terminated by local host [0x16] Raadpleeg hccontrol help voor een volledige lijst van beschikbare HCI-opdrachten. Voor de meeste HCI-opdrachten zijn geen beheerdersrechten nodig. L2CAP Logical Link Control and Adaptation Protocol (L2CAP) Het Logical Link Control and Adaptation Protocol (L2CAP) biedt verbindingsgeoriënteerde en verbindingsloze gegevensdiensten met mogelijkheden om protocollen te multiplexen en mogelijkheden voor segmentatie/herassemblage voor protocollen in hogere lagen. L2CAP staat toe dat protocollen en toepassingen in hogere lagen L2CAP-gegevenspakketten met een maximale lengte van 64 kB te verzenden en ontvangen. L2CAP is op het concept van kanalen gebaseerd. Een kanaal is een logische verbinding bovenop een basisbandverbinding. Elk kanaal is op een veel-op-één manier aan een enkel protocol gebonden. Aan hetzelfde protocol kunnen meerdere kanalen worden gebonden, maar één kanaal kan niet aan meerdere protocollen worden gebonden. Elk L2CAP-pakket dat op een kanaal wordt ontvangen, wordt naar het juiste hogere protocol doorgestuurd. Meerdere kanalen kunnen dezelfde basisbandverbinding delen. Voor elk Bluetooth-apparaat wordt een enkele Netgraph-knoop van het soort l2cap aangemaakt. De L2CAP-knoop is normaalgesproken verbonden met de Bluetooth HCI-knoop (naar beneden toe) en de knopen van de stopcontacten voor Bluetooth (naar boven toe). De standaardnaam voor de L2CAP-knoop is devicel2cap. Zie voor meer details de hulppagina &man.ng.l2cap.4;. Een nuttig commando is &man.l2ping.8;, dat gebruikt kan worden om andere apparaten te pingen. Sommige Bluetooth-implementaties geven niet alle verzonden gegevens terug, dus is 0 bytes normaal in het volgende voorbeeld. &prompt.root; l2ping -a 00:80:37:29:19:a4 0 bytes from 0:80:37:29:19:a4 seq_no=0 time=48.633 ms result=0 0 bytes from 0:80:37:29:19:a4 seq_no=1 time=37.551 ms result=0 0 bytes from 0:80:37:29:19:a4 seq_no=2 time=28.324 ms result=0 0 bytes from 0:80:37:29:19:a4 seq_no=3 time=46.150 ms result=0 Met het programma &man.l2control.8; kunnen verschillende bewerkingen op L2CAP-knopen worden uitgevoerd. Dit voorbeeld laat zien hoe de lijst met logische verbindingen (kanalen) en de lijst met basisbandverbindingen voor het lokale apparaat verkregen kunnen worden: &prompt.user; l2control -a 00:02:72:00:d4:1a read_channel_list L2CAP channels: Remote BD_ADDR SCID/ DCID PSM IMTU/ OMTU State 00:07:e0:00:0b:ca 66/ 64 3 132/ 672 OPEN &prompt.user; l2control -a 00:02:72:00:d4:1a read_connection_list L2CAP connections: Remote BD_ADDR Handle Flags Pending State 00:07:e0:00:0b:ca 41 O 0 OPEN Een ander diagnostisch programma is &man.btsockstat.1;. Het heeft ongeveer hetzelfde doel als &man.netstat.1;, maar dan voor Bluetooth-netwerkgerelateerde gegevensstructuren. Het onderstaande voorbeeld laat dezelfde logische verbinding zien als die van &man.l2control.8; hierboven. &prompt.user; btsockstat Active L2CAP sockets PCB Recv-Q Send-Q Local address/PSM Foreign address CID State c2afe900 0 0 00:02:72:00:d4:1a/3 00:07:e0:00:0b:ca 66 OPEN Active RFCOMM sessions L2PCB PCB Flag MTU Out-Q DLCs State c2afe900 c2b53380 1 127 0 Yes OPEN Active RFCOMM sockets PCB Recv-Q Send-Q Local address Foreign address Chan DLCI State c2e8bc80 0 250 00:02:72:00:d4:1a 00:07:e0:00:0b:ca 3 6 OPEN RFCOMM Het RFCOMM-protocol Het RFCOMM-protocol biedt emulatie van seriële poorten over het L2CAP-protocol. Het protocol is gebaseerd op de ETSI-standaard TS 07.10. RFCOMM is een eenvoudig transportprotocol, met aanvullende voorzieningen om de 9 circuits van RS-232- (EIATIA-232-E-) seriële poorten te emuleren. Het RFCOMM-protocol ondersteunt tot 60 gelijktijdige verbindingen (RFCOMM-kanalen) tussen twee Bluetooth-apparaten. Het is de bedoeling van RFCOMM dat in een volledig communicatiepad twee toepassingen op verschillende apparaten draaien (de eindpunten van de communicatie) met daartussen een communicatiesegment. RFCOMM is bedoeld om de toepassingen te beheren die gebruik maken van de seriële poorten van de apparaten waarop ze zijn geïnstalleerd. Het communicatiesegment is een directe Bluetooth-verbinding van het ene apparaat naar het andere. RFCOMM houdt zich alleen bezig met de verbinding tussen twee apparaten bij directe verbindingen, of tussen het apparaat en een modem in het geval van een netwerk. RFCOMM kan andere opstellingen ondersteunen, zoals modules die via draadloze Bluetooth-technologie communiceren aan de ene kant, en een draadinterface aanbieden aan de andere kant. In &os; is het RFCOMM-protocol in de laag van de Bluetooth-stopcontacten geïmplementeerd. paren Het paren van apparaten Standaard is Bluetooth-communicatie niet geauthenticeerd en kan elk apparaat met elk ander apparaat praten. Een Bluetooth-apparaat (bijvoorbeeld een mobiele telefoon) kan ervoor kiezen dat voor bepaalde diensten authenticatie nodig is (bijvoorbeeld voor de inbeldienst). Bluetooth-authenticatie geschied normaalgesproken met PIN-codes. Een PIN-code is een ACII-reeks van maximaal 16 tekens lang. De gebruiker dient dezelfde PIN-code op beide apparaten in te voeren. Nadat de gebruiker de PIN-code heeft ingevoerd, zullen beide apparaten een verbindingssleutel aanmaken. Hierna kan de verbindingssleutel òfwel in de apparaten zelf, òfwel in een permanente opslag worden opgeslagen. De volgende keer zullen beide apparaten de van tevoren aangemaakte verbindingssleutel gebruiken. Bovenstaande procedure wordt paren genoemd. Merk op dat indien een apparaat de verbindingssleutel verliest, het paren moet worden herhaald. De daemon &man.hcsecd.8; is verantwoordelijk voor het behandelen van alle verzoeken voor Bluetooth-authenticatie. Het standaard instellingenbestand is /etc/bluetooth/hcsecd.conf. Een voorbeeldsectie voor een mobiele telefoon waarvan de PIN-code willekeurig op 1234 is hieronder beschreven: device { bgaddr 00:80:37:29:19:a4; name "Pav's T39"; key nokey; pin "1234"; } Er is geen limiet voor PIN-codes (behalve de lengte). Voor sommige apparaten (bijvoorbeeld Bluetooth-headsets) kan de PIN-code vast zijn ingebouwd. De schakelaar dwingt de daemon &man.hcsecd.8; om op de voorgrond te blijven, zodat het gemakkelijk is om te zien wat er gebeurt. Stel het andere apparaat in om paarverzoeken te ontvangen en initialiseer de Bluetooth-verbinding naar het andere apparaat. Het apparaat moet zeggen dat het paarverzoek geaccepteerd is en om de PIN-code vragen. Geef dezelfde PIN-code op als in hcsecd.conf. Nu zijn de PC en het andere apparaat gepaard. Als alternatief kan paren op het andere apparaat worden geïnitialiseerd. Op &os; 5.5, 6.1, en nieuwer kan de volgende regel aan het bestand /etc/rc.conf worden toegevoegd om hcsecd automatisch met het systeem op te starten: hcsecd_enable="YES" Het volgende is een voorbeeld van de uitvoer van de daemon hcsecd: hcsecd[16484]: Got Link_Key_Request event from 'ubt0hci', remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4 hcsecd[16484]: Found matching entry, remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4, name 'Pav's T39', link key doesn't exist hcsecd[16484]: Sending Link_Key_Negative_Reply to 'ubt0hci' for remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4 hcsecd[16484]: Got PIN_Code_Request event from 'ubt0hci', remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4 hcsecd[16484]: Found matching entry, remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4, name 'Pav's T39', PIN code exists hcsecd[16484]: Sending PIN_Code_Reply to 'ubt0hci' for remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4 SDP Service Discovery Protocol (SDP) Het Service Discovery Protocol (SDP) biedt voor cliënttoepassingen de mogelijkheid om diensten te ontdekken die door servertoepassingen worden aangeboden alsook de kenmerken van deze diensten. De kenmerken van een dienst omvatten de soort of klasse van de aangeboden dienst en de informatie over het mechanisme of protocol dat nodig is om de dienst te gebruiken. SDP omvat communicatie tussen een SDP-server en een SDP-cliënt. De server houdt een lijst van dienstenregistraties bij die de eigenschappen van de diensten beschrijven die met de server geassocieerd zijn. Elke dienstregistratie bevat informatie over een enkele dienst. Een cliënt kan informatie over een dienstregistratie opvragen die door de SDP-server wordt bijgehouden door een SDP-verzoek in te dienen. Indien de cliënt, of een toepassing die met de cliënt geassocieerd is, besluit om de dienst te gebruiken, moet het een aparte verbinding naar de aanbieder van de dienst openen om de dienst te gebruiken. SDP biedt een mechanisme om diensten en hun attributen te ontdekken, maar het biedt geen mechanisme om die diensten te gebruiken. Normaalgesproken zoekt een SDP-cliënt naar diensten naar aanleiding van enkele gewenste eigenschappen van die diensten. Soms is het echter wenselijk om te ontdekken welke soorten diensten door de dienstregistraties van een SDP-server worden beschreven zonder enige voorkennis van deze diensten. Dit kijken naar alle aangeboden diensten wordt browsen genoemd. De Bluetooth SDP-server &man.sdpd.8; en de opdrachtregelcliënt &man.sdpcontrol.8; zitten in de standaard &os;-installatie. Het volgende voorbeeld laat zien hoe een SDP-browse query uit te voeren. &prompt.user; sdpcontrol -a 00:01:03:fc:6e:ec browse Record Handle: 00000000 Service Class ID List: Service Discovery Server (0x1000) Protocol Descriptor List: L2CAP (0x0100) Protocol specific parameter #1: u/int/uuid16 1 Protocol specific parameter #2: u/int/uuid16 1 Record Handle: 0x00000001 Service Class ID List: Browse Group Descriptor (0x1001) Record Handle: 0x00000002 Service Class ID List: LAN Access Using PPP (0x1102) Protocol Descriptor List: L2CAP (0x0100) RFCOMM (0x0003) Protocol specific parameter #1: u/int8/bool 1 Bluetooth Profile Descriptor List: LAN Access Using PPP (0x1102) ver. 1.0 ... enzovoorts. Merk op dat elke dienst een lijst met attributen heeft (bijvoorbeeld een RFCOMM-kanaal). Afhankelijk van de dienst kan het nodig zijn om een aantekening van sommige attributen te maken. Sommige Bluetooth-implementaties ondersteunen dienst-browsen niet en zullen een lege lijst teruggeven. In dit geval is het mogelijk om naar de specifieke dienst te zoeken. Het onderstaande voorbeeld laat zien hoe naar de dienst OBEX Object Push (OPUSH) gezocht kan worden: &prompt.user; sdpcontrol -a 00:01:03:fc:6e:ec search OPUSH Het aanbieden van diensten op &os; aan Bluetooth-cliënten wordt gedaan met de server &man.sdpd.8;. Op &os; 5.5, 6.1, en nieuwer, kan de volgende regel aan het bestand /etc/rc.conf worden toegevoegd: sdpd_enable="YES" Het daemon sdpd kan worden gestart met: &prompt.root; /etc/rc.d/sdpd start De plaatselijke servertoepassing die Bluetooth-diensten wil aanbieden aan verre cliënten zal de dienst registreren bij de plaatselijke SDP-daemon. Een voorbeeld van zo'n toepassing is &man.rfcomm.pppd.8;. Nadat het gestart is zal het de Bluetooth LAN-dienst bij de plaatselijke SDP-daemon registreren. De lijst met diensten die bij de plaatselijke SDP-server zijn geregistreerd kan worden opgevraagd door te SDP-browsen via het plaatselijke controlekanaal: &prompt.root; sdpcontrol -l browse Dial-Up Networking (DUN) en netwerktoegang met PPP (LAN) profielen Het inbelnetwerk (DUN) profiel wordt het meeste gebruikt met modems en mobiele telefoons. De volgende scenario's worden in dit profiel behandeld: het gebruik van een mobiele telefoon of modem door een computer als een draadloze modem voor het verbinden met een inbelserver voor Internet-toegang, of voor andere inbeldiensten; het gebruik van een mobiele telefoon of modem door een computer om gegevensoproepen te ontvangen. Het profiel voor netwerktoegang met PPP (LAN) kan in de volgende situaties gebruikt worden: LAN-toegang voor een enkel Bluetooth-apparaat; LAN-toegang voor meerdere Bluetooth-apparaten; PC naar PC (door PPP-netwerken over een seriële kabel te emuleren). Op &os; zijn beide profielen geïmplementeerd met &man.ppp.8; en &man.rfcomm.pppd.8; - een wrapper die een RFCOMM Bluetooth-verbinding omzet in iets waar PPP mee overweg kan. Voordat een profiel gebruikt kan worden, dient een nieuw PPP-label in het bestand /etc/ppp/ppp.conf te worden aangemaakt. Raadpleeg de hulppagina &man.rfcomm.pppd.8; voor voorbeelden. In het volgende voorbeeld zal &man.rfcomm.pppd.8; gebruikt worden om RFCOMM-verbinding met een ver apparaat met BD_ADDR 00:80:37:29:19:a4 op een DUN RFCOMM-kanaal te maken. Het eigenlijke RFCOMM-kanaalnummer wordt via SDP van het verre apparaat verkregen. Het is mogelijk om het RFCOMM-kanaal handmatig op te geven, en in dat geval zal &man.rfcomm.pppd.8; het SDP-verzoek niet uitvoeren. Gebruik &man.sdpcontrol.8; om het RFCOMM-kanaal op het verre apparaat te achterhalen. &prompt.root; rfcomm_pppd -a 00:80:37:29:19:a4 -c -C dun -l rfcomm-dialup Om netwerktoegang met PPP (LAN) aan te bieden moet de server &man.sdpd.8; draaien. Er dient een nieuwe regel voor LAN-cliënten in het bestand /etc/ppp/ppp.conf aangemaakt te worden. Raadpleeg de hulppagina &man.rfcomm.pppd.8; voor voorbeelden. Tenslotte dient de RFCOMM PPP-server op een geldig RFCOMM-kanaal gestart te worden. De RFCOMM PPP-server zal automatisch de Bluetooth LAN-dienst bij de plaatselijke SDP-daemon registreren. Het volgende voorbeeld laat zien hoe een RFCOMM PPP-server te starten: &prompt.root; rfcomm_pppd -s -C 7 -l rfcomm-server OBEX Het OBEX Object Push (OPUSH) profiel OBEX is een veelgebruikt protocol voor eenvoudige bestandsoverdrachten tussen mobiele apparaten. Het primaire gebruik is infraroodcommunicatie, waar het wordt gebruikt voor generieke bestandsoverdrachten tussen notebooks of PDA's, en om visitekaarten en kalenderregels tussen mobiele telefoons en andere apparaten met PIM-toepassingen over te dragen. De OBEX-server en clieënt zijn geïmplenteerd als een pakket van derde partij, obexapp, dat beschikbaar is als de port comms/obexapp. De OBEX-cliënt wordt gebruikt om objecten naar en/of van de OBEX-server te duwen/trekken. Een object kan bijvoorbeeld een visitekaart of een afspraak zijn. De OBEX-cliënt kan het RFCOMM-kanaalnummer van het verre apparaat via SDP opvragen. Dit kan gedaan worden door de dienstnaam in plaats van het RFCOMM-kanaalnummer op te geven. De ondersteunde dienstnamen zijn: IrMC, FTRN, en OPUSH. Het is mogelijk om het RFCOMM-kanaal als een nummer op te geven. Het onderstaande is een voorbeeld van een OBEX-sessie, waar een apparaatinformatie-object van de mobiele telefoon wordt getrokken, en een nieuw object (een visitekaart) in de gids van de telefoon wordt geduwd: &prompt.user; obexapp -a 00:80:37:29:19:a4 -C IrMC obex> get telecom/devinfo.txt devinfo-t39.txt Success, response: OK, Success (0x20) obex> put new.vcf Success, response: OK, Success (0x20) obex> di Success, response: OK, Success (0x20) Om de dienst OBEX Object Push aan te bieden, moet de server &man.sdpd.8; draaien. Er moet een hoofdmap worden aangemaakt waarin alle binnenkomende objecten worden opgeslagen. Het standaardpad naar de hoofdmap is /var/spool/obex. Tenslotte moet de OBEX-server op een geldig RFCOMM-kanaal worden gestart. De OBEX-server zal automatisch de dienst OBEX Object Push bij de plaatselijke SDP-daemon registeren. Het onderstaande voorbeeld laat zien hoe de OBEX-server gestart wordt: &prompt.root; obexapp -s -C 10 Serial Port Profile (SPP) Het Seriële Poort Profiel (SPP) zorgt ervoor dat Bluetooth-apparaten RS232 (of gelijkwaardige) seriële kabels kunnen emuleren. Het scenario dat dit profiel behandelt zorgt ervoor dat oude toepassingen Bluetooth kunnen gebruiken als vervanging van kabels, door gebruik te maken van een virtuele seriële poort. Het programma &man.rfcomm.sppd.1; implementeert het Seriële Poort profiel. Een pseudo-tty wordt gebruikt als abstractie voor een virtuele seriële poort. Onderstaand voorbeeld laat zien hoe met een Seriële Poortdienst voor verre apparaten te verbinden. Merk op dat het niet nodig is om een RFCOMM-kanaal te kiezen - &man.rfcomm.sppd.1; kan het via SDP van het verre apparaat verkrijgen. Dit kan worden overruled door een RFCOMM-kanaal op de opdrachtregel te specificeren. &prompt.root; rfcomm_sppd -a 00:07:E0:00:0B:CA -t /dev/ttyp6 rfcomm_sppd[94692]: Starting on /dev/ttyp6... Als er een verbinding is, kan de pseudo-tty als seriële poort worden gebruikt: &prompt.root; cu -l ttyp6 Problemen oplossen Een apparaat op afstand kan geen verbinding maken Sommige oudere Bluetooth-apparaten ondersteunen het wisselen van rol niet. Standaard probeert &os;, wanneer het een nieuwe verbinding accepteert, een rolwisseling uit te voeren en meester te worden. Apparaten die dit niet ondersteunen zullen niet kunnen verbinden. Merk op dat van rol wordt gewisseld wanneer een nieuwe verbinding wordt gemaakt, dus het is niet mogelijk om het verre apparaat te vragen of het rolwisseling ondersteunt. Er is een HCI-optie om rolwisselen aan de plaatselijke kant uit te zetten: &prompt.root; hccontrol -n ubt0hci write_node_role_switch 0 Er gaat iets mis, kan ik precies zien wat er gebeurt? Ja, dit is mogelijk. Gebruik het pakket hcidump, dat beschikbaar is als de port comms/hcidump. Het gereedschap hcidump is vergelijkbaar met &man.tcpdump.1;. Het kan gebruikt worden om de inhoud van Bluetooth-pakketten op de terminal te laten zien en om de Bluetooth-pakketten naar een bestand te schrijven.
Andrew Thompson Geschreven door Bridging Introductie IP-subnet bridge Soms is het handig om één fysiek netwerk (zoals een Ethernet-segment) in twee gescheiden netwerksegmenten te verdelen zonder de noodzaak om een IP-subnet aan te maken en een router te gebruiken om de segmenten met elkaar te verbinden. Een apparaat dat twee netwerken op deze manier met elkaar verbindt wordt een bridge (brug) genoemd. Een &os;-systeem met twee netwerkkaarten kan als bridge dienen. De bridge werkt door de adressen van de MAC-laag (Ethernetadressen) van de apparaten op elke netwerkinterface te leren. Het stuurt alleen verkeer tussen twee netwerken door indien de bron en het doel zich op verschillende netwerken bevinden. In vele opzichten is een bridge als een Ethernet-switch met erg weinig poorten. Situaties waarin bridging juist is Er zijn vandaag de dag veel situaties waarin een bridge gebruikt wordt. Netwerken verbinden Het basisgebruik van een bridge is het met elkaar verbinden van twee of meer netwerksegmenten. Er zijn vele redenen om een hostgebaseerde bridge te gebruiken in plaats van simpele netwerkapparaten zoals kabelbeperkingen, firewalling of het verbinden van pseudonetwerken zoals een interface van een virtuële machine. Een bridge kan ook een draadloze interface die in hostap-modus draait met een bedraad netwerk verbinden en als een toegangspunt dienen. Filtering/Bandbreedtebeheersende firewall firewall NAT Een gebruikelijke situatie dient zich voor wanneer de functionaliteit van een firewall nodig is zonder routing of network address translation (NAT). Een voorbeeld is een klein bedrijf dat via DSL of ISDN met hun internetprovider verbonden is. Dit bedrijf heeft 13 wereldwijd bereikbare IP-adressen van de internetprovider en 10 PC's op hun netwerk. In deze situatie is een firewall die op een router gebaseerd is lastig wegens subnet-problemen. router DSL ISDN Een firewall die op een bridge gebaseerd is kan ingesteld en net na de DSL- of ISDN-router geplaatst worden zonder dat er problemen met IP-nummers optreden. Netwerktap Een bridge kan twee netwerksegmenten verbinden en kan gebruikt worden om alle Ethernetframes die tussen dezen voorbijkomen te inspecteren. Dit kan òfwel vanuit het gebruik van &man.bpf.4;/&man.tcpdump.1; op de bridge-interface òfwel door een kopie van alle frames naar een extra interface (overspanpoort) te versturen. Laag 2 VPN Twee Ethernetnetwerken kunnen over een IP-verbinding verbonden worden door de netwerken naar een EtherIP-tunnel te bridgen of met een oplossing gebaseerd po &man.tap.4; zoals OpenVPN. Laag 2 Redundancy Een netwerk kan met meerdere verbindingen verbonden worden en het Spanning Tree Protocol gebruiken om overbodige paden te blokkeren. Een Ethernetnetwerk kan alleen juist functioneren indien er slechts één actief pad bestaat tussen twee apparaten, Spanning Tree zal lussen detecteren en de overbodige verbindingen in een geblokkeerde toestand zetten. Indien een van de actieve verbindingen faalt zal het protocol een andere boom berekenen en een van de geblokkeerde paden weer activeren om de verbindingen naar alle punten in het netwerk te herstellen. De kernel instellen Deze sectie behandelt de bridges geïmplementeerd met &man.if.bridge.4;, een stuurprogramma dat bridges met netgraph implementeert is ook beschikbaar, zie voor meer informatie de hulppagina &man.ng.bridge.4;. Het bridge-stuurprogramma is een kernelmodule en zal automatisch door &man.ifconfig.8; worden geladen wanneer er een bridge-interface wordt aangemaakt. Het is mogelijk om de bridge in de kernel te compileren door device if_bridge aan het kernelinstellingenbestand toe te voegen. Pakketfiltering kan met elk firewall-pakket worden gebruikt dat via het raamwerk &man.pfil.9; aankoppelt. De firewall kan als een module worden geladen of in de kernel worden gecompileerd. De bridge kan als met &man.altq.4; of &man.dummynet.4; als een verkeersregelaar worden gebruikt. De bridge inschakelen De bridge wordt aangemaakt door interfaces te klonen. Om een bridge aan te maken wordt &man.ifconfig.8; gebruikt, indien het bridge-stuurprogramma niet in de kernel aanwezig is zal het automatisch worden geladen. &prompt.root; ifconfig bridge create &prompt.root; ifconfig bridge0 bridge0: flags=8802<BROADCAST,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 ether 96:3d:4b:f1:79:7a id 00:00:00:00:00:00 priority 32768 hellotime 2 fwddelay 15 maxage 20 holdcnt 6 proto rstp maxaddr 100 timeout 1200 root id 00:00:00:00:00:00 priority 0 ifcost 0 port 0 Een bridge-interface is aangemaakt en er is automatisch een random gegenereerd Ethernetadres aan toegekend. De parameters maxaddr en timeout bepalen hoeveel MAC-adressen de bridge in de doorstuurtabel houdt en hoeveel seconden voordat elke regel wordt verwijderd nadat het voor het laatst gezien is. De andere parameters bepalen hoe Spanning Tree werkt. Voeg de netwerkinterfaces die lid zijn aan de bridge toe. Om de bridge pakketten te laten doorsturen dienen alle lidinterfaces en de bridge actief te zijn: &prompt.root; ifconfig bridge0 addm fxp0 addm fxp1 up &prompt.root; ifconfig fxp0 up &prompt.root; ifconfig fxp1 up De bridge stuurt nu Ethernet-frames door tussen fxp0 en fxp1. De overeenkomstige configuratie in /etc/rc.conf zodat de bridge tijdens het opstarten wordt aangemaakt is: cloned_interfaces="bridge0" ifconfig_bridge0="addm fxp0 addm fxp1 up" ifconfig_fxp0="up" ifconfig_fxp1="up" Indien de bridge-gastheer een IP-adres nodig heeft dan is de juiste plaats om dit in te stellen op de bridge-interface zelf in plaats van op een van de lidinterfaces. Dit kan statisch of via DHCP worden ingesteld: &prompt.root; ifconfig bridge0 inet 192.168.0.1/24 Het is ook mogelijk om een IPv6-adres aan een bridge-interface toe te kennen. Firewalls gebruiken firewall Wanneer pakketten worden gefilterd, zullen gebridgede pakketten het filter inbound op de vertrekkende interface passeren, op de bridge-interface en outbound op de bestemde interface. Elke stap kan uitgezet worden. Wanneer de richting van het pakketverkeer belangrijk is, kan de firewall het beste op de lidinterfaces draaien en niet op de bridge zelf. De bridge heeft verschillende aanpasbare instellingen voor het doorlaten van non-IP- en ARP-pakketten, en een laag 2 firewall met IPFW. Zie &man.if.bridge.4; voor meer informatie. Opspannende boom Het bridge-stuurprogramma implementeert het Rapid Spanning Tree Protocol (RSTP of 802.1w) met terugwaartse compatibiliteit met het verouderde Spanning Tree Protocol (STP). Spanning Tree wordt gebruikt om lussen in een netwerktopologie te detecteren en verwijderen. RSTP biedt snellere convergentie naar een opspannende boom dan het verouderde STP, het protocol wisselt informatie met naburige switches uit om snel naar forwarding over te gaan zonder lussen te creëren. De volgende tabel laat de ondersteunende werkwijzen zien: OS-versie STP-modi Standaard modus &os; 5.4—&os; 6.2 STP STP &os; 6.3+ RSTP of STP STP &os; 7.0+ RSTP of STP RSTP Spanning Tree kan op lidinterfaces worden geactiveerd met het commando stp. Voor een bridge met fxp0 en fxp1 alle huidige interfaces, wordt STP met het volgende geactiveerd: &prompt.root; ifconfig bridge0 stp fxp0 stp fxp1 bridge0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 ether d6:cf:d5:a0:94:6d id 00:01:02:4b:d4:50 priority 32768 hellotime 2 fwddelay 15 maxage 20 holdcnt 6 proto rstp maxaddr 100 timeout 1200 root id 00:01:02:4b:d4:50 priority 32768 ifcost 0 port 0 member: fxp0 flags=1c7<LEARNING,DISCOVER,STP,AUTOEDGE,PTP,AUTOPTP> port 3 priority 128 path cost 200000 proto rstp role designated state forwarding member: fxp1 flags=1c7<LEARNING,DISCOVER,STP,AUTOEDGE,PTP,AUTOPTP> port 4 priority 128 path cost 200000 proto rstp role designated state forwarding De bridge heeft spanning tree ID 00:01:02:4b:d4:50 en prioriteit 32768. Aangezien het root id hetzelfde is geeft dit aan dat dit de hoofdbridge voor de boom is. Een andere bridge in het netwerk heeft spanning tree ook geactiveerd: bridge0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 ether 96:3d:4b:f1:79:7a id 00:13:d4:9a:06:7a priority 32768 hellotime 2 fwddelay 15 maxage 20 holdcnt 6 proto rstp maxaddr 100 timeout 1200 root id 00:01:02:4b:d4:50 priority 32768 ifcost 400000 port 4 member: fxp0 flags=1c7<LEARNING,DISCOVER,STP,AUTOEDGE,PTP,AUTOPTP> port 4 priority 128 path cost 200000 proto rstp role root state forwarding member: fxp1 flags=1c7<LEARNING,DISCOVER,STP,AUTOEDGE,PTP,AUTOPTP> port 5 priority 128 path cost 200000 proto rstp role designated state forwarding De reegl root id 00:01:02:4b:d4:50 priority 32768 ifcost 400000 port 4 geeft aan dat de hoofdbridge 00:01:02:4b:d4:50 is zoals boven en dat de padkosten 400000 zijn vanaf deze bridge, het pad naar de hoofdbridge gaat via port 4 welke fxp0 is. Geavanceerd bridgen Verkeersstromen reconstrueren De bridge ondersteunt monitormodus, waarin de pakketten worden verwijderd nadat ze door &man.bpf.4; zijn verwerkt, en ze niet verder verwerkt of doorgestuurd worden. Dit kan worden gebruikt om de invoer van twee of meer interfaces naar een enkele &man.bpf.4;-stroom te multiplexen. Dit is nuttig voor het reconstrueren van het verkeer voor netwerktaps welke de RX/TX-signalen over twee verschillende interfaces uitzenden. Om de invoer van vier netwerkinterfaces als één stroom te lezen: &prompt.root; ifconfig bridge0 addm fxp0 addmfxp1 addm fxp2 addm fxp3 monitor up &prompt.root; tcpdump -i bridge0 SPAN poorten Van elk Ethernet-frame dat door de bridge wordt ontvangen wordt er een kopie naar de aangewezen SPAN-poort verstuurd. Het aantal geconfigureerde SPAN-poorten op een bridge is onbeperkt, indien een interface aangewezen is als SPAN-poort kan het niet ook als gewone bridgepoort gebruikt worden. Dit is het nuttigste voor het passief afluisteren van een gebridged netwerk op een andere host die met een van de SPAN-poorten van de bridge verbonden is. Om een kopie van alle frames naar het interface fxp4 te versturen: &prompt.root; ifconfig bridge0 span fxp4 Privé-interfaces Een privé-interface stuurt geen verkeer door naar poorten die niet ook een privé-interface zijn. Het verkeer wordt onvoorwaardelijk geblokkeerd, dus worden er geen Ethernetframes doorgestuurd, inclusief ARP. Indien verkeer selectief dient te worden geblokkeerd dient er in plaats hiervan een firewall gebruikt te worden. Klevende interfaces Indien een lidinterface van een bridge als klevend is gemarkeerd worden dynamisch geleerde adresregels als statisch behandelt wanneer ze in de doorstuurcache komen. Klevende interfaces vallen nooit uit de cache en worden nooit vervangen, zelfs niet als het adres op een andere interface wordt gezien. Dit biedt het voordeel van statische adresregels zonder dat de doorstuurtabel van te voren gevuld hoeft te worden, cliënten die geleerd zijn op een bepaald segment van de bridge kunnen niet roamen naar een ander segment. Een ander voorbeeld voor het gebruik van klevende adressen zou het combineren van de bridge met VLANs zijn om een router te creëren waar klantnetwerken geïsoleerd zijn zonder dat IP-adresruimte verspild wordt. Neem aan dat KlantA op vlan100 zit en KlantB op vlan101. De bridge heeft het adres 192.168.0.1 en is tevens een internet-router. &prompt.root; ifconfig bridge0 addm vlan100 sticky vlan100 addm vlan101 sticky vlan101 &prompt.root; ifconfig bridge0 inet 192.168.0.1/24 Beide cliënten zien 192.168.0.1 als hun standaard gateway en aangezien de bridge-cache kleverig is kunnen ze niet het MAC-adres van de andere klant spoofen om hun verkeer op te vangen. Alle communicatie tussen de VLANs kan geblokkeerd worden door het gebruik van privé-interfaces (of een firewall): &prompt.root; ifconfig bridge0 private vlan100 private vlan101 De klanten zijn compleet geïsoleerd van elkaar, het volledige /24 adresruimte kan zonder subnetten toegewezen worden. Adresbeperkingen Het aantal unieke bron-MAC-adressen achter een interface kan beperkt zijn. Wanneer de limiet bereikt is worden pakketten met een onbekend bronadres gedropt totdat een bestaande ingang in de host-cache vervalt of wordt verwijderd. Het volgende voorbeeld stelt het maximum aantal Ethernetapparaten voor KlantA op vlan100 in op 10. &prompt.root; ifconfig bridge0 ifmaxaddr vlan100 10 SNMP-monitoring De bridge-interface en STP-parameters kunnen gemonitord worden via het SNMP-daemon dat met het basis &os;-systeem wordt meegeleverd. De geëxporteerde bridge-MIBs houden zich aan de standaarden van de IETF zodat elke SNMP-cliënt of monitorpakket kan worden gebruikt om de gegevens te verzamelen. Op de bridge-machine dient de regel begemotSnmpdModulePath."bridge" = "/usr/lib/snmp_bridge.so" van /etc/snmp.config geactiveerd te worden en het daemon bsnmpd gestart te worden. Andere instellingen zoals gemeenschapsnamen en toegangslijsten dienen eventueel aangepast te worden. Zie &man.bsnmpd.1; en &man.snmp.bridge.3; voor meer informatie. Het volgende voorbeeld gebruikt de software Net-SNMP (net-mgmt/net-snmp om een bridge te ondervragen, de port net-mgmt/bsnmptools kan ook worden gebruikt. Voeg de volgende regels toe aan $HOME/.snmp/snmp.conf op de SNMP-cliënt-host om de MIB-definities van de bridge in Net-SNMP te importeren: mibdirs +/usr/share/snmp/mibs mibs +BRIDGE-MIB:RSTP-MIB:BEGEMOT-MIB:BEGEMOT-BRIDGE-MIB Om een enkele bridge via de IETF BRIDGE-MIB (RFC4188) te monitoren: &prompt.user; snmpwalk -v 2c -c public bridge1.example.com mib-2.dot1dBridge BRIDGE-MIB::dot1dBaseBridgeAddress.0 = STRING: 66:fb:9b:6e:5c:44 BRIDGE-MIB::dot1dBaseNumPorts.0 = INTEGER: 1 ports BRIDGE-MIB::dot1dStpTimeSinceTopologyChange.0 = Timeticks: (189959) 0:31:39.59 centi-seconds BRIDGE-MIB::dot1dStpTopChanges.0 = Counter32: 2 BRIDGE-MIB::dot1dStpDesignatedRoot.0 = Hex-STRING: 80 00 00 01 02 4B D4 50 ... BRIDGE-MIB::dot1dStpPortState.3 = INTEGER: forwarding(5) BRIDGE-MIB::dot1dStpPortEnable.3 = INTEGER: enabled(1) BRIDGE-MIB::dot1dStpPortPathCost.3 = INTEGER: 200000 BRIDGE-MIB::dot1dStpPortDesignatedRoot.3 = Hex-STRING: 80 00 00 01 02 4B D4 50 BRIDGE-MIB::dot1dStpPortDesignatedCost.3 = INTEGER: 0 BRIDGE-MIB::dot1dStpPortDesignatedBridge.3 = Hex-STRING: 80 00 00 01 02 4B D4 50 BRIDGE-MIB::dot1dStpPortDesignatedPort.3 = Hex-STRING: 03 80 BRIDGE-MIB::dot1dStpPortForwardTransitions.3 = Counter32: 1 RSTP-MIB::dot1dStpVersion.0 = INTEGER: rstp(2) De waarde dot1dStpTopChanges.0 is twee wat betekent dat de topologie van de STP-bridge twee maal veranderd is, een topologieverandering houdt in dat één of meerdere links in het netwerk zijn veranderd of hebben gefaald en dat er een nieuwe boom is berekend. De waarde dot1dStpTimeSinceTopologyChange.0 laat zien wanneer dit gebeurde. Om meerdere bridge-interfaces te monitoren kan men het privé BEGEMOT-BRIDGE-MIB gebruiken: &prompt.user; snmpwalk -v 2c -c public bridge1.example.com enterprises.fokus.begemot.begemotBridge BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseName."bridge0" = STRING: bridge0 BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseName."bridge2" = STRING: bridge2 BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseAddress."bridge0" = STRING: e:ce:3b:5a:9e:13 BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseAddress."bridge2" = STRING: 12:5e:4d:74:d:fc BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseNumPorts."bridge0" = INTEGER: 1 BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseNumPorts."bridge2" = INTEGER: 1 ... BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpTimeSinceTopologyChange."bridge0" = Timeticks: (116927) 0:19:29.27 centi-seconds BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpTimeSinceTopologyChange."bridge2" = Timeticks: (82773) 0:13:47.73 centi-seconds BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpTopChanges."bridge0" = Counter32: 1 BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpTopChanges."bridge2" = Counter32: 1 BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpDesignatedRoot."bridge0" = Hex-STRING: 80 00 00 40 95 30 5E 31 BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpDesignatedRoot."bridge2" = Hex-STRING: 80 00 00 50 8B B8 C6 A9 Om de bridge-interface die via de subboom mib-2.dot1dBridge wordt gemonitord te veranderen: &prompt.user; snmpset -v 2c -c private bridge1.example.com BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeDefaultBridgeIf.0 s bridge2 Andrew Thompson Geschreven door Verbindingsaggregatie en failover lagg failover fec lacp loadbalance roundrobin Introductie De interface &man.lagg.4; maakt het mogelijk om meerdere netwerkinterfaces te aggregeren in één virtueel interface voor het bieden van fout-tolerante en zeer snelle verbindingen. Werkmodi Failover Zendt en ontvangt verkeer alleen door de meesterpoort. Wanneer de meesterpoort niet beschikbaar is, wordt de volgende actieve poort gebruikt. De eerste toegevoegde interface is de meesterpoort; alle interfaces die hierna zijn toegevoegd worden gebruikt als failover-apparaten. &cisco; Fast ðerchannel; &cisco; Fast ðerchannel; (FEC), is een statische installatie en onderhandelt niet over aggregatie met de peer noch wisselt het frames uit om de verbinding te monitoren. Indien de switch LACP ondersteunt dient dat gebruikt te worden. FEC balanceert uitgaand verkeer over de actieve poorten gebaseerd op gehashde informatie over protocolheaders en accepteert inkomend verkeer van elke actieve poort. De hash bevat het Ethernet bron- en doeladres, en indien beschikbaar, de VLAN-tag, en de IPv4/IPv6 bron- en doeladressen. LACP Het &ieee; 802.3ad Link Aggregation Control Protocol (LACP) en het Marker Protocol. LACP onderhandelt met de peer over een verzameling aggregeerbare verbindingen in één of meerdere Link Aggregated Groups (LAG). Elke LAG is opgebouwd uit poorten die dezelfde snelheid hebben, ingesteld op full-duplex werking. Het verkeer zal over de poorten in de LAG gebalanceerd worden met de hoogste totaalsnelheid, in de meeste gevallen zal er slechts één LAG zijn die alle poorten bevat. Wanneer er fysieke verbindingen veranderen, zal Link Aggregation snel naar een nieuwe opstelling convergeren. LACP balanceert uitgaand verkeer over de actieve poorten gebaseerd op gehashde informatie over protocolheaders en accepteert inkomend verkeer van elke actieve poort. De hash bevat het Ethernet bron- en doeladres, en indien beschikbaar, de VLAN-tag, en de IPv4/IPv6 bron- en doeladressen. Loadbalance Dit is een alias van de FEC modus. Round-Robin Distribueert uitgaand verkeer door middel van een round-robin scheduler over alle actieve poorten en accepteert inkomend verkeer van elke actieve poort. Deze modus schendt Ethernet frame-ordering en dient met zorg gebruikt te worden. Voorbeelden LACP-aggregatie met een &cisco; switch Dit voorbeeld verbindt twee interfaces op een &os;-machine met de switch als een enkele loadgebalanceerde en fout-tolerante verbinding. Er kunnen meer interfaces worden toegevoegd om de doorvoer en fouttolerantie te verhogen. Aangezien frame-ordering verplicht is op Ethernetverbindingen stroomt al het verkeer tussen twee stations altijd over dezelfde fysieke verbinding zodat de maximum snelheid beperkt wordt tot die van één interface. Het verzendalgoritme probeert zoveel mogelijk informatie te gebruiken voor het onderscheiden van verschillende verkeersstromen en deze over de beschikbare interfaces te balanceren. Voeg op de &cisco; switch de interfaces FastEthernet0/1 en FastEthernet0/2 aan de kanaalgroep 1 toe: interface FastEthernet0/1 channel-group 1 mode active channel-protocol lacp ! interface FastEthernet0/2 channel-group 1 mode active channel-protocol lacp Maak op de &os;-machine de &man.lagg.4;-interface aan door fxp0 en fxp1 te gebruiken: &prompt.root; ifconfig lagg0 create &prompt.root; ifconfig lagg0 up laggproto lacp laggport fxp0 laggport fxp1 Bekijk de interfacestatus van ifconfig: &prompt.root; ifconfig lagg0 Poorten die als ACTIVE zijn gemarkeerd zijn lid van de actieve aggregatiegroep waarover onderhandeld is met de verre switch en waarover verkeer zal worden verzonden en ontvangen. Gebruik de uitgebreide uitvoer van &man.ifconfig.8; om de LAG-identifiers te bekijken. lagg0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 options=8<VLAN_MTU> ether 00:05:5d:71:8d:b8 media: Ethernet autoselect status: active laggproto lacp laggport: fxp1 flags=1c<ACTIVE,COLLECTING,DISTRIBUTING> laggport: fxp0 flags=1c<ACTIVE,COLLECTING,DISTRIBUTING> Gebruik, om de toestand van de poorten op de switch te bekijken, show lacp neighbor. switch# show lacp neighbor Flags: S - Device is requesting Slow LACPDUs F - Device is requesting Fast LACPDUs A - Device is in Active mode P - Device is in Passive mode Channel group 1 neighbors Partner's information: LACP port Oper Port Port Port Flags Priority Dev ID Age Key Number State Fa0/1 SA 32768 0005.5d71.8db8 29s 0x146 0x3 0x3D Fa0/2 SA 32768 0005.5d71.8db8 29s 0x146 0x4 0x3D Gebruik voor meer detail het commando show lacp neighbor detail. Failover-modus Failover-modus kan worden gebruikt om op een secondaire interface over te schakelen wanneer de verbinding op de meesterinterface verloren is. Creëer en configureer de interface lagg0, met fxp0 als de meesterinterface en fxp1 als de secondaire interface: &prompt.root; ifconfig lagg0 create &prompt.root; ifconfig lagg0 up laggproto failover laggport fxp0 laggport fxp1 De interface zal er ongeveer als volgt uitzien, de grote verschillen zullen het MAC-adres en de apparaatnamen zijn: &prompt.root; ifconfig lagg0 lagg0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 options=8<VLAN_MTU> ether 00:05:5d:71:8d:b8 media: Ethernet autoselect status: active laggproto failover laggport: fxp1 flags=0<> laggport: fxp0 flags=5<MASTER,ACTIVE> Het verkeer zal worden verzonden en ontvangen op fxp0. Indien de verbinding op fxp0 verloren is, zal fxp1 de actieve verbinding worden. Indien de verbinding op de meesterinterface hersteld is, zal het weer de actieve verbinding worden. Failover-modus tussen bekabelde en draadloze interfaces Voor laptop-gebruikers is het normaliter wenselijk om het draadloze interface als secundair interface te gebruiken indien het bekabelde interface niet beschikbaar is. Met &man.lagg.4; is het mogelijk om één IP-adres te gebruiken en het bekabelde interface voor zowel prestatie als veiligheid te prefereren terwijl de mogelijkheid behouden blijft om de draadloze verbinding te gebruiken. In deze opstelling dient het MAC-adres van het onderliggende draadloze interface overschreven te worden om met dat van &man.lagg.4; overeen te komen, welke afkomstig is van het primaire interface dat wordt gebruikt, het bekabelde interface. In deze opstelling wordt het bekabelde interface, bge0 als meester gebruikt, en het draadloze interface, wlan0, als het failover-interface. wlan0 was aangemaakt vanuit iwn0 voor welke het MAC-adres van de bekabelde verbinding zal worden gebruikt. De eerste stap is om het MAC-adres van het bekabelde interface te verkrijgen: &prompt.root; ifconfig bge0 bge0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 options=19b<RXCSUM,TXCSUM,VLAN_MTU,VLAN_HWTAGGING,VLAN_HWCSUM,TSO4> ether 00:21:70:da:ae:37 inet6 fe80::221:70ff:feda:ae37%bge0 prefixlen 64 scopeid 0x2 nd6 options=29<PERFORMNUD,IFDISABLED,AUTO_LINKLOCAL> media: Ethernet autoselect (1000baseT <full-duplex>) status: active bge0 kan vervangen worden door het eigenlijke interface, er zal een andere regel met ether verschijnen, dit is het MAC-adres van het bekabelde interface. Om het onderliggende draadloze interface, iwn0 te wijzigen: &prompt.root; ifconfig iwn0 ether 00:21:70:da:ae:37 Activeer het draadloze interface maar geef er nog geen IP-adres aan: &prompt.root; ifconfig wlan0 create wlandev iwn0 ssid mijn_router up Maak het &man.lagg.4;-interface aan met bge0 als meester, en met failover naar wlan0 indien nodig: &prompt.root; ifconfig lagg0 create &prompt.root; ifconfig lagg0 up laggproto failover laggport bge0 laggport wlan0 Het interface zal er ongeveer als volgt uitzien, de grootste verschillen zullen het MAC-adres en de apparaatnamen zijn: &prompt.root; ifconfig lagg0 lagg0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 options=8<VLAN_MTU> ether 00:21:70:da:ae:37 media: Ethernet autoselect status: active laggproto failover laggport: wlan0 flags=0<> laggport: bge0 flags=5<MASTER,ACTIVE> Om dit niet telkens bij het opstarten te hoeven doen, kan zoiets als het volgende aan /etc/rc.conf worden toegevoegd: ifconfig_bge0="up" ifconfig_iwn0="ether 00:21:70:da:ae:37" wlans_iwn0="wlan0" ifconfig_wlan0="WPA" cloned_interfaces="lagg0" ifconfig_lagg0="laggproto failover laggport bge0 laggport wlan0 DHCP" Jean-François Dockès Bijgewerkt door Alex Dupre Gereorganiseerd en uitgebreid door Schijfloos werken schijfloos werkstation schijfloos werken Een &os;-machine kan over het netwerk opstarten en zonder een plaatselijke schijf werken, door gebruik te maken van bestandssystemen die van een NFS-server aangekoppeld worden. Er zijn geen systeemwijzigingen nodig anders dan de standaard instellingenbestanden. Dit soort systemen is relatief eenvoudig op te zetten omdat alle noodzakelijke elementen al aanwezig zijn: Er zijn minstens twee manieren om de kernel over het netwerk te laden: PXE: De &intel; Preboot eXecution Environment is een vorm een smart boot ROM dat in sommige netwerkkaarten en moederborden is ingebouwd. Bekijk de hulppagina &man.pxeboot.8; voor meer informatie. De poort Etherboot (net/etherboot) maakt code aan dat naar een ROM geschreven kan worden en dat kernels over het netwerk opstart. De code kan òfwel naar een opstart-PROM op een netwerkkaart geflashed worden, òfwel van een floppy (of harde) schijf geladen worden, òfwel van een draaiend &ms-dos; systeem geladen worden. Vele netwerkkaarten worden ondersteund. Een voorbeeldscript (/usr/share/examples/diskless/clone_root) vergemakkelijkt het aanmaken en beheren van het root bestandssysteem van het werkstation op de server. Het kan nodig zijn dat het script wat aangepast moet worden, maar het zorgt voor een snelle start. Er bestaan standaardbestanden voor het opstarten van het systeem in /etc om een systeemstart zonder schijf te detecteren en te ondersteunen. Het gebruik van een wisselbestand, indien nodig, kan worden gedaan naar òfwel een NFS bestand òfwel naar een plaatselijke schijf. Er zijn vele manieren om een schijfloos werkstation op te zetten. Hierbij zijn veel elementen betrokken, en vele kunnen aan de eigen smaak worden aangepast. Het volgende beschrijft variaties met betrekking tot het installeren van een compleet systeem, waarbij de nadruk ligt op de eenvoud en de compatibiliteit met de standaard opstartscripts van &os;. Het beschreven systeem heeft de volgende eigenschappen: De schijfloze werkstations gebruiken een gedeeld bestandssysteem voor /, dat alleen gelezen kan worden, en een gedeeld bestandssysteem voor /usr, dat eveneens alleen gelezen kan worden. Het root-bestandssysteem is een kopie van een standaard root-bestandssysteem voor &os; (typisch van een server), waarbij enkele instellingenbestanden zijn overschreven door versies die specifiek zijn voor een schijfloos systeem of, mogelijk, door het werkstation horen waar ze bij horen. De delen van het root-bestandssysteem die beschrijfbaar moeten zijn, zijn overdekt met &man.md.4; bestandssystemen. Alle veranderingen gaan verloren indien het systeem opnieuw wordt opgestart. De kernel is overgedragen en òfwel met Etherboot òfwel met PXE geladen, aangezien sommige situaties het gebruik van één van de methodes kan eisen. Het systeem zoals hierboven beschreven is onveilig. Het dient in een beschermd gebied van een netwerk te functioneren, en niet vertrouwd te worden door andere hosts. Alle informatie in deze sectie is getest met &os; 5.2.1-RELEASE. Achtergrondinformatie Het installeren van schijfloze werkstations is zowel vrij rechttoe-rechtaan als foutgevoelig. Deze fouten zijn soms moeilijk vast te stellen wegens een aantal redenen. Bijvoorbeeld: Opties die tijdens het compileren zijn opgegeven kunnen verschillend gedrag tonen tijdens het draaien. Foutmeldingen zijn vaak cryptisch of geheel afwezig. Op dit gebied is het bezit van wat achtergrondkennis over de gebruikte mechanismen zeer nuttig om mogelijke problemen op te lossen. Voor een succesvol opstarten dienen verschillende handelingen uitgevoerd te worden: De machine moet een aantal initiële parameters zoals het IP-adres, de bestandsnaam van de executable, de naam van de server, en het root-pad verkrijgen. Dit wordt gedaan door gebruik te maken van de DHCP of BOOTP protocollen. DHCP is een compatible uitbreiding van BOOTP, het gebruikt dezelfde poorten en het pakketformaat heeft dezelfde basis. Het is mogelijk om een systeem in te stellen zodat het alleen BOOTP gebruikt. Het serverprogramma &man.bootpd.8; wordt met het basissysteem van &os; meegeleverd. DHCP biedt echter een aantal voordelen boven BOOTP (fijnere instellingenbestanden, mogelijkheid om PXE te gebruiken, en vele anderen die niet direct verband houden met schijfloos werken), er zal hoofdzakelijk een opstelling met DHCP worden beschreven, met analoge voorbeelden voor &man.bootpd.8; indien mogelijk. De voorbeeldopstelling zal het softwarepakket van ISC DHCP gebruiken (versie 3.0.1.r12 was geïnstalleerd op de testserver). De machine moet één of meerdere programma's naar het plaatselijke geheugen versturen. Eén van TFTP of NFS wordt gebruikt. De keuze tussen TFTP en NFS is op verschillende plaatsen een optie tijdens het compileren. Een veelgemaakte fout is het opgeven van bestandsnamen voor het verkeerde protocol: TFTP verstuurd typisch alle bestanden vanuit één map op de server, en verwacht dat alle bestandsnamen relatief aan deze map zijn; NFS verwacht absolute bestandspaden. De mogelijke tussentijdse opstartprogramma's en de kernel dienen geïnitialiseerd en uitgevoerd te worden. Er zijn enkele belangrijke variaties op dit gebied: PXE zal &man.pxeboot.8; laden, wat een aangepaste versie is van de lader voor stage drie van &os;. &man.loader.8; zal de meeste parameters verkrijgen die noodzakelijk zijn om het systeem op te starten, en zal ze in de kernelomgeving laten staan voordat het de controle overdraagt. Het is in dit geval mogelijk om een GENERIC kernel te gebruiken. Etherboot zal met minder voorbereiding direct de kernel laden. Hiervoor is het noodzakelijk om een kernel met specifieke opties te bouwen. PXE en Etherboot werken beide even goed; echter, omdat kernels normaalgesproken meer werk overlaten aan &man.loader.8;, is PXE de te verkiezen methode. Indien het BIOS en de netwerkkaarten PXE ondersteunen, dient dat waarschijnlijk gebruikt te worden. Tenslotte: de machine heeft toegang tot de bestandssystemen nodig. NFS wordt in alle gevallen gebruikt. Zie ook de hulppagina &man.diskless.8;. Installatie-instructies Instellen met behulp van <application>ISC DHCP</application> DHCP schijfloos werken De ISC DHCP server kan zowel verzoeken voor BOOTP als DHCP beantwoorden. ISC DHCP 3.0 maakt geen deel uit van het basissysteem. Eerst dient de poort net/isc-dhcp30-server of het corresponderende pakket geïnstalleerd te worden. Wanneer ISC DHCP is geïnstalleerd, heeft het een instellingenbestand nodig om te draaien (normaliter /usr/local/etc/dhcpd.conf genoemd). Hieronder volgt een voorbeeld met commentaar, waarbij host margaux gebruik maakt van Etherboot en corbieres gebruik maakt van PXE: default-lease-time 600; max-lease-time 7200; authoritative; option domain-name "example.com"; option domain-name-servers 192.168.4.1; option routers 192.168.4.1; subnet 192.168.4.0 netmask 255.255.255.0 { use-host-decl-names on; option subnet-mask 255.255.255.0; option broadcast-address 192.168.4.255; host margaux { hardware ethernet 01:23:45:67:89:ab; fixed-address margaux.example.com; next-server 192.168.4.4; filename "/data/misc/kernel.diskless"; option root-path "192.168.4.4:/data/misc/diskless"; } host corbieres { hardware ethernet 00:02:b3:27:62:df; fixed-address corbieres.example.com; next-server 192.168.4.4; filename "pxeboot"; option root-path "192.168.4.4:/data/misc/diskless"; } } Deze optie vertelt dhcpd om de waarde die in de verklaringen voor host staan te versturen als de hostnaam voor de schijfloze host. Een andere mogelijkheid is om option host-name margaux binnen de verklaringen voor host op te nemen. De aanwijzing next-server bepaalt de TFTP of NFS server die gebruikt moet worden voor het laden van het lader- of kernelbestand (standaard wordt dezelfde host als voor de DHCP-server gebruikt). De aanwijzing filename bepaalt het bestand dat Etherboot of PXE gebruikt voor de volgende uitvoerstap. Het dient gespecificeerd te worden volgens de gebruikte verzendmethode. Voor Etherboot kan tijdens het compileren worden opgegeven of het NFS of TFTP moet gebruiken. De &os;-poort stelt standaard NFS in. PXE gebruikt TFTP, vandaar dat hier een relatieve bestandsnaam wordt gebruikt (dit kan afhangen van de instellingen van de TFTP-server, maar het is de gewoonte). Verder geldt dat PXE pxeboot en niet de kernel laadt. Er zijn andere interessante mogelijkheden, zoals het laden van pxeboot vanuit de map /boot van een &os; CD-ROM (aangezien &man.pxeboot.8; de GENERIC kernel kan laden, bestaat de mogelijkheid om PXE te gebruiken om van een CDROM op afstand op te starten. De optie root-path definieert het pad naar het root-bestandssysteem, in de gebruikelijke notatie van NFS. Indien PXE gebruikt wordt, is het mogelijk om het IP-adres van de host weg te laten zolang de kerneloptie BOOTP niet geactiveerd is. De NFS-server is dan dezelfde als die van TFTP. Configuratie door gebruik van BOOTP BOOTP schijfloos werken Hieronder staan de equivalente instellingen voor bootpd (gereduceerd tot één cliënt). Dit staat in /etc/bootptab. Merk op dat Etherboot gecompileerd dient te worden met de afwijkende optie NO_DHCP_SUPPORT om BOOTP te gebruiken, en dat PXE DHCP nodig heeft. Het enige duidelijke voordeel van bootpd is dat het in het basissysteem zit. .def100:\ :hn:ht=1:sa=192.168.4.4:vm=rfc1048:\ :sm=255.255.255.0:\ :ds=192.168.4.1:\ :gw=192.168.4.1:\ :hd="/tftpboot":\ :bf="/kernel.diskless":\ :rp="192.168.4.4:/data/misc/diskless": margaux:ha=0123456789ab:tc=.def100 Een opstartprogramma voorbereiden met <application>Etherboot</application> Etherboot De website van Etherboot bevat uitgebreide documentatie die over het algemeen is bedoeld voor Linux-systemen, maar die desalniettemin bruikbare informatie bevat. Het volgende geeft een samenvatting over hoe Etherboot op een &os;-systeem te gebruiken. Ten eerste dient het pakket of de poort net/etherboot geïnstalleerd te worden. De instellingen van Etherboot (i.e. om TFTP in plaats van NFS te gebruiken) kunnen gewijzigd worden door het bestand Config in de bronmap van Etherboot te bewerken. Hieronder zal een opstartdiskette gebruikt worden. Raadpleeg voor andere methoden (PROM, of een &ms-dos;-programma) de documentatie van Etherboot. Om een opstartdiskette te maken, dient er een diskette in het diskettestation van de machine aanwezig te zijn waarop Etherboot is geïnstalleerd, daarna dient er naar de map src in de mapboom van Etherboot gegaan te worden, en het volgende ingetypt te worden: &prompt.root; gmake bin32/apparaatsoort.fd0 apparaatsoort hangt af van het soort Ethernetkaart dat in het schijfloze werkstation aanwezig is. Raadpleeg het bestand NIC in dezelfde map om het juiste apparaatsoort te bepalen. Opstarten met <acronym>PXE</acronym> Standaard laadt de lader &man.pxeboot.8; de kernel via NFS. Het kan zodanig gecompileerd worden dat het TFTP gebruikt door de optie LOADER_TFTP_SUPPORT in /etc/make.conf te specificeren. Raadpleeg het commentaar in /usr/share/examples/etc/make.conf voor instructies. Er zijn nog twee andere opties voor make.conf die nuttig kunnen zijn bij het opzetten van een schijfloze machine die als seriële console gebruikt wordt: BOOT_PXELDR_PROBE_KEYBOARD, en BOOT_PXELDR_ALWAYS_SERIAL. Om PXE bij het opstarten van de machine te gebruiken, is het gewoonlijk nodig om de optie Boot from network in het BIOS te selecteren, of om een functietoets tijdens de initialisatie van de PC in te typen. De <acronym>TFTP</acronym> en <acronym>NFS</acronym> servers instellen TFTP schijfloos werken NFS schijfloos werken Indien PXE of Etherboot gebruikt wordt, welke is ingesteld om TFTP te gebruiken, is het nodig om om tftpd op de bestandsserver aan te zetten: Maak een map aan van waaruit tftpd de bestanden serveert, bijvoorbeeld /tftpboot. Voeg deze regel toe aan /etc/inetd.conf: tftp dgram udp wait root /usr/libexec/tftpd tftpd -l -s /tftpboot Het schijnt dat sommige versies van PXE de TCP-versie van TFTP vereisen. In dit geval dient een tweede regel toegevoegd te worden, waarbij dgram udp door stream tcp vervangen wordt. inetd dient de instellingenbestanden opnieuw te lezen. De regel dient in het bestand /etc/rc.conf aanwezig te zijn voor de juiste werking van deze opdracht: &prompt.root; /etc/rc.d/inetd restart De map tftpboot kan overal op de server geplaatst worden. De plaats dient zowel in inetd.conf als in dhcpd.conf ingesteld te worden. In alle gevallen dient er ook voor gezorgd te worden dat NFS aanstaat en dat het juiste bestandssysteem op de NFS-server geëxporteerd wordt. Voeg het volgende toe aan /etc/rc.conf: nfs_server_enable="YES" Exporteer het bestandssysteem waar de schijfloze root-map zich bevindt door het volgende aan /etc/exports toe te voegen (pas het aankoppelpunt van het volume aan en vervang margaux corbieres door de namen van de schijfloze werkstations): /data/misc -alldirs -ro margaux corbieres mountd dient het instellingenbestand opnieuw te lezen. Indien het nodig was om NFS in /etc/rc.conf tijdens de eerste stap aan te zetten, is het waarschijnlijk gewenst om in plaats hiervan opnieuw op te starten. &prompt.root; /etc/rc.d/mountd restart Een schijfloze kernel bouwen schijfloos werken kernelinstellingen Indien Etherboot gebruikt wordt, is het nodig om een kernelinstellingenbestand voor de schijfloze cliënt met de volgende opties (naast de gebruikelijke) aan te maken: options BOOTP # Gebruik BOOTP om het IP-adres en de hostnaam te verkrijgen options BOOTP_NFSROOT # NFS-mount het root-bestandssysteem door gebruik te maken van de informatie van BOOTP Het kan ook gewenst zijn om BOOTP_NFSV3, BOOT_COMPAT, en BOOTP_WIRED_TO te gebruiken (raadpleeg hiervoor NOTES). De namen van deze opties zijn historisch en enigszins misleidend aangezien ze eigenlijk onverschillig gebruik van DHCP en BOOTP in de kernel mogelijk maken (het is ook mogelijk om strikt gebruik van BOOTP of DHCP te forceren). De kernel dient gebouwd te worden (zie ) en gekopieerd te worden naar de plaats die in dhcpd.conf is aangegeven. Indien PXE gebruikt wordt, is het bouwen van een kernel met bovenstaande opties niet strikt noodzakelijk (maar wel aangeraden). Door deze opties aan te zetten zullen er meer verzoeken voor DHCP tijdens het opstarten van de kernel verstuurd worden, met in sommige speciale gevallen een klein risico op inconsistentie tussen de nieuwe waarden en degenen die door &man.pxeboot.8; zijn ontvangen. Het voordeel van het gebruik van deze opties is dat de hostnaam als een bijverschijnsel wordt ingesteld. In de andere gevallen dient de hostnaam op een andere manier ingesteld te worden, bijvoorbeeld in een cliënt-specifiek bestand rc.conf. Om laadbaar te zijn met Etherboot, dienen de apparaataanwijzingen in de kernel gecompileerd te worden. Normaalgesproken wordt hiervoor de volgende optie in het instellingenbestand gebruikt (zie het instellingencommentaarbestand NOTES): hints "GENERIC.hints" Het root-bestandssysteem voorbereiden root-bestandssysteem schijfloos werken Er dient een root-bestandssysteem voor de schijfloze werkstations op de plaats die als root-path in dhcpd.conf staat aangegeven aangemaakt te worden. <command>make world</command> gebruiken om het root-bestandssysteem te bevolken Deze methode is snel en installeert een compleet maagdelijk systeem (niet alleen het root-bestandssysteem) in DESTDIR. Hiervoor dient slechts het volgende script uitgevoerd te worden: #!/bin/sh export DESTDIR=/data/misc/diskless mkdir -p ${DESTDIR} cd /usr/src; make buildworld && make buildkernel make installworld && make installkernel cd /usr/src/etc; make distribution Nadat dit gedaan is, kunnen /etc/rc.conf en /etc/fstab die in DESTDIR geplaatst zijn naar behoefte worden aangepast. Swapruimte instellen Indien nodig kan een wisselbestand dat zich op de server bevindt via NFS worden benaderd. Swapruimte via <acronym>NFS</acronym> De kernel biedt geen ondersteuning om swapruimte via NFS tijdens het opstarten aan te zetten. De swapruimte moet door de opstartscripts worden aangezet, door een beschrijfbaar bestandssysteem aan te koppelen en een wisselbestand aan te maken en aan te zetten. De volgende opdracht maakt een wisselbestand van de juiste grootte aan: &prompt.root; dd if=/dev/zero of=/pad/naar/wisselbestand bs=1k count=1 oseek=100000 Om het aan te zetten dient de volgende regel aan /etc/rc.conf te worden toegevoegd: swapfile=/pad/naar/wisselbestand Diverse problemen Draaien met een alleen-lezen <filename>/usr</filename> schijfloos werken /usr alleen-lezen Indien het schijfloze werkstation is ingesteld om X te draaien, is het nodig om het instellingenbestand van XDM te wijzigen, dat standaard het foutenlogboek in /usr plaatst. Gebruik maken van een niet-&os;-server Indien de server voor het root-bestandssysteem geen &os; draait, is het nodig om het root-bestandssysteem op een &os;-machine aan te maken, en het daarna naar de bestemming te kopiëren, door gebruik te maken van tar of cpio. In deze situatie zijn er af en toe problemen met de speciale bestanden in /dev, vanwege verschillen in de groottes van grote/kleine integers. Een oplossing voor dit probleem is om een map van de niet-&os;-server te exporteren, deze map op een &os;-machine aan te koppelen, en &man.devfs.5; te gebruiken om de apparaatknooppunten transparant voor de gebruiker toe te wijzen. ISDN ISDN Een goede bron voor informatie over de technologie van en hardware over ISDN is Dan Kegel's ISDN Page. Hieronder staat een snelle eenvoudige handleiding voor ISDN: Indien u in Europa leeft is het raadzaam om de sectie over ISDN-kaarten te bestuderen. Indien het plan is om ISDN hoofdzakelijk te gebruiken om via een niet-toegewijde inbellijn een verbinding met het Internet te maken, zijn Terminal Adapters wellicht een optie. Dit biedt de meeste flexibiliteit, en de minste problemen bij het wisselen van providers. Indien twee LANs met elkaar verbonden worden, of indien er een toegewijde ISDN-verbinding wordt gebruikt om met het Internet te verbinden, is het gebruik van een zelfstandige router/bridge te overwegen. Financiële kosten zijn een belangrijke factor in de uiteindelijke oplossing. De volgende opties zijn gesorteerd in volgorde van oplopende kosten. Hellmuth Michaelis Bijgedragen door ISDN-kaarten ISDN kaarten De ISDN-implementatie in &os; biedt alleen ondersteuning voor de DSS1/Q.931 (of Euro-ISDN) standaard indien passieve kaarten gebruikt worden. Sommige actieve kaarten worden ondersteund indien de firmware ook ondersteuning voor andere signaleringsprotocollen biedt; dit omvat ook de eerst ondersteunde Primary Rate (PRI) ISDN-kaart. De isdn4bsd-software biedt de mogelijkheid om met andere ISDN-routers te verbinden door òfwel IP over rauwe HDLC òfwel synchrone PPP te gebruiken: òfwel via kernel-PPP met isppp, een aangepast stuurprogramma voor &man.sppp.4;, òfwel via het gebruikersprogramma &man.ppp.8;. Door het gebruikersprogramma &man.ppp.8; te gebruiken, is het combineren van twee of meer ISDN B-kanalen mogelijk. Ook zijn een toepassing die de telefoon beantwoordt en vele gereedschappen zoals een 300 Baud-modem in software beschikbaar. Een groeiend aantal ISDN-kaarten voor de PC wordt door &os; ondersteund en volgens de rapportages wordt het succesvol in heel Europa en in vele andere delen van de wereld gebruikt. De ondersteunde passieve ISDN-kaarten zijn meestal uitgerust met de Infineon (voormalig Siemens) ISAC/HSCX/IPAC ISDN-chipsets, maar ook worden ISDN-kaarten ondersteund met chips van Cologne Chip (alleen ISA-bus), PCI-kaarten met Winbond W6692-chips, enkele kaarten met combinaties van Tiger300/320/ISAC chipsets en enkele kaarten die gebaseerd zijn op fabrikantspecifieke chipsets zoals de AVM Fritz!Card PCI V.1.0 en de AVM Fritz!Card PnP. Momenteel zijn de actieve ISDN-kaarten die ondersteund worden de AVM B1 (ISA en PCI) BRI-kaarten en de AVM T1 PCI PRI-kaarten. Kijk voor documentatie over isdn4bsd in de map /usr/share/examples/isdn op het &os;-systeem of op de homepage van isdn4bsd, welke ook verwijzingen naar tips, errata, en veel meer documentatie zoals het isdn4bsd handboek bevat. Indien er interesse is om ondersteuning voor een ander ISDN-protocol, een momenteel niet-ondersteunde ISDN-kaart voor de PC, of een andere verbetering voor isdn4bsd toe te voegen, dient er contact opgenomen te worden met &a.hm;. Voor vragen over het installeren, instellen, en problemen met isdn4bsd oplossen is er een mailinglijst, &a.isdn.name;, beschikbaar. ISDN Terminal Adapters Terminal adapters (TA) zijn voor ISDN wat modems voor gewone telefoonlijnen zijn. modem De meeste TA's gebruiken de standaard opdrachtenverzameling van de Hayes-modem, en kunnen direct als vervanging van een modem gebruikt worden. Een TA zal als een gewoon modem werken behalve dat de verbindings- en doorvoersnelheden veel hoger zullen zijn dan van het oude modem. Het is noodzakelijk om PPP precies hetzelfde als voor het modem in te stellen. Zorg ervoor dat de seriële snelheid zo hoog mogelijk wordt ingesteld. PPP Het grootste voordeel van met een TA met een internetprovider te verbinden is de mogelijkheid tot dynamisch PPP. Aangezien IP-adresruimte steeds schaarser wordt, zijn de meeste providers niet meer bereid om een statisch IP te geven. De meeste zelfstandige routers zijn niet in staat tot dynamische IP-toewijzing. TA's zijn geheel afhankelijk van het PPP-daemon dat gedraaid wordt voor hun mogelijkheden en stabiliteit van de verbinding. Dit maakt het mogelijk om gemakkelijk om op een &os;-machine van een modem naar ISDN over te gaan, indien PPP reeds is ingesteld. Echter, dezelfde problemen die er waren met het PPP-programma zullen blijven voorkomen. Indien maximale stabiliteit gewenst is, dient de kernel PPP-, niet de gebruikers-PPP-optie gebruikt te worden. Van de volgende TA's is bekend dat ze met &os; werken: Motorola BitSurfer en BitSurfer Pro Adtran De meeste andere TA's zullen waarschijnlijk ook werken, TA-verkopers proberen er zeker van te zijn dat hun product het meeste van de AT-opdrachtverzameling van het standaardmodem accepteert. Het echte probleem met externe TA's is dat, net zoals bij modems, een goede seriële kaart in de computer nodig is. Voor een goed begrip van seriële apparaten dient de tutorial &os; Serial Hardware en de verschillen tussen asynchrone en synchrone seriële poorten gelezen te worden. Een TA die op een standaard seriële poort (asynchroon) van een PC draait beperkt de snelheid tot 115.2 Kbps, zelfs als er een 128 Kbps-verbinding beschikbaar is. Om de volledige 128 Kbps waartoe ISDN in staat is te gebruiken, dient de TA op een synchrone seriële kaart overgeplaatst te worden. Het kopen van een interne TA voorkomt het probleem van synchroon/asynchroon niet. Interne TA's hebben simpelweg een seriële poortchip van een standaard PC ingebouwd. Dit ontlast de gebruiker alleen van het kopen van nog een seriële kabel en het vinden van nog een leeg elektronisch uitbreidingsslot. Een synchrone kaart met een TA is minstens zo snel als een zelfstandige router, en wanneer het door een eenvoudige 386 met &os; erop wordt aangestuurd, waarschijnlijk flexibeler. De keuze tussen synchrone kaart/TA en zelfstandige router is grotendeels religieus. Hierover zijn wat discussies in de mailinglijsten gevoerd. Het wordt aangeraden om de archieven te doorzoeken voor de volledige discussie. Zelfstandige ISDN bridges/routers ISDN zelfstandige bridges/routers ISDN-bridges of -routers zijn in het geheel niet specifiek voor &os; of enig ander besturingssysteem. Raadpleeg voor een volledigere beschrijving van de technologie van routing en bridging een referentieboek over netwerken. In deze sectie zullen de termen router en bridge door elkaar worden gebruikt. Aangezien de prijzen van eenvoudige ISDN-routers/-bridges zakken, zal dit waarschijnlijk een steeds populairdere keuze worden. Een ISDN-router is en kleine doos die direct in het plaatselijke Ethernetnetwerk geprikt wordt, en zijn eigen verbinding met de andere bridge/router beheert. Het heeft ingebouwde software om via PPP en andere populaire protocollen te communiceren. Een router staat veel snellere doorvoer dan een standaard-TA toe, aangezien het een volledig synchrone ISDN-verbinding zal gebruiken. Het grootste probleem met ISDN-routers en -bridges is dat samenwerking tussen fabrikanten nog steeds een probleem kan zijn. Indien er plannen zijn om met een internetprovider te verbinden, is het raadzaam de wensen met hen te bespreken. Indien er gepland is om twee LAN-segmenten met elkaar te verbinden, zoals het thuis-LAN en het kantoor-LAN, is dit de eenvoudigste en onderhoudarmste oplossing. Aangezien de apparatuur voor beide kanten van de verbinding wordt gekocht is het zeker dat de verbinding zal werken. De volgende installatie kan worden gebruikt om bijvoorbeeld een thuiscomputer of een netwerk van een afdelingskantoor met een netwerk van het hoofdkantoor te verbinden: Netwerk van afdelingskantoor of thuis 10 base 2 Het netwerk gebruikt een topologie gebaseerd op een bus met een 10 base 2 Ethernet (thinnet). Verbind indien nodig de router met de netwerkkabel met een AUI/10BT transceiver. ---Sun werkstation | ---FreeBSD computer | ---Windows 95 | Zelfstandige router | ISDN BRI lijn 10 Base 2 Ethernet Wanneer het thuis-/afdelingskantoornetwerk uit slechts één computer bestaat kan een twisted-pair crossover-kabel gebruikt worden om direct met de zelfstandige router te verbinden. Hoofdkantoor- of ander LAN 10 base T Het netwerk gebruikt een stertopologie met 10 base T Ethernet (Twisted Pair). -------Novell Server | H | | ---Sun | | | U ---FreeBSD | | | ---Windows 95 | B | |___---Zelfstandige router | ISDN BRI lijn ISDN Netwerkdiagram Een groot voordeel van de meeste routers/bridges is dat ze gelijktijdig 2 gescheiden onafhankelijke PPP-verbindingen met 2 gescheiden sites toestaan. Dit wordt door de meeste TA's niet ondersteund, behalve voor specifieke (gewoonlijk dure) modellen die twee seriële poorten hebben. Dit dient niet met kanaalbinding, MPP, etc. verward te worden. Dit kan een erg handige eigenschap zijn indien, bijvoorbeeld, er een toegewijde ISDN-verbinding op kantoor is en het gewenst is om deze af te tappen, maar een andere ISDN-lijn op het werk ongewenst is. Een router op kantoor kan een toegewijde B-kanaal verbinding (64 Kbps) met het Internet beheren en het andere B-kanaal voor een gescheiden gegevensverbinding gebruiken. Het tweede B-kanaal kan voor inbellen, uitbellen, of dynamisch binden (MPP, etc.) gebruikt worden met het eerste B-kanaal voor meer bandbreedte. IPX/SPX Een Ethernet-bridge staat ook toe om meer dan alleen IP-verkeer te verzenden. Het is ook mogelijk om IPX/SPX of enig ander protocol te gebruiken. Chern Lee Bijgedragen door Network Address Translation Overzicht natd Het Network Address Translation daemon van &os;, in het algemeen bekend als &man.natd.8;, is een daemon dat rauwe binnenkomende IP-pakketten accepteert, de bron naar die van de plaatselijke machine verandert en de pakketten terug in de uitgaande IP-pakketstroom injecteert. &man.natd.8; doet dit door het IP-adres en de poort van de bron zo te veranderen dat wanneer de gegevens weer ontvangen worden, het in staat is om de originele plaats van de gegevens te achterhalen en ze door te sturen naar de originele aanvrager. Internetverbinding delen NAT NAT wordt het meest gebruikt wat in het algemeen bekend is als het delen van een Internetverbinding. Installatie Wegens de krimpende IP-ruimte in IPv4, en het groeiend aantal gebruikers van consumentenlijnen op hoge snelheid zoals kabel of DSL, hebben steeds meer mensen een oplossing als het delen van een Internetverbinding nodig. Vanwege de mogelijkheid om meerdere computers online te verbinden door één verbinding en IP-adres is &man.natd.8; een redelijke keuze. In de meeste gevallen heeft een gebruiker een machine verbonden met een kabel- of DSL-lijn met één IP-adres en is het gewenst om deze ene verbonden computer te gebruiken om Internettoegang aan meerdere computers over een LAN te geven. Hiervoor dient de &os;-machine op het Internet dienst doen als gateway. Deze gateway-machine heeft twee NICs nodig — één voor de verbinding met de Internetrouter, de andere voor de verbinding met het LAN. Alle machines op het LAN zijn verbonden door een hub of switch. Er zijn vele manieren om een LAN via een &os;-gateway met het Internet te verbinden. Dit voorbeeld behandelt slechts een gateway met tenminste twee NICs. _______ __________ ________ | | | | | | | Hub |-----| Client B |-----| Router |----- Internet |_______| |__________| |________| | ____|_____ | | | Client A | |__________| Netwerkschema Dit soort installaties wordt in het algemeen gebruikt om een Internetverbinding te delen. Eén van de LAN-machines is verbonden met het Internet. De rest van de machines hebben internettoegang via die gateway-machine. bootloader configuratie Bootloader-configuratie De mogelijkheden van de kernel voor network address translation met &man.natd.8; staan niet aan in GENERIC, maar ze kunnen worden voorgeladen tijdens het opstarten door enkele opties aan /boot/loader.conf toe te voegen: ipfw_load="YES" ipdivert_load="YES" Ook moet de tunable net.inet.ip.fw.default_to_accept op 1 worden gezet: net.inet.ip.fw.default_to_accept="1" Het is een goed idee om deze optie aan te zetten tijdens de eerste pogingen om een firewall en NAT gateway te installeren. Op deze manier zal het standaardbeleid van &man.ipfw.8; allow ip from any to any zijn in plaats van het minder vrije deny ip from any to any, en zal het iets moeilijker zijn om buitengesloten te worden net na het opnieuw opstarten van het systeem. Kernelconfiguratie kernel instellingen Wanneer modules geen optie zijn of wanneer het gewenst is om alle benodigde mogelijkheden in de draaiende kernel te bouwen, dienen de volgende opties in het kernelinstellingenbestand aanwezig te zijn: options IPFIREWALL options IPDIVERT De volgende opties kunnen ook van pas komen: options IPFIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPT options IPFIREWALL_VERBOSE Systeeminstellingen voor het opstarten Om de firewall en NAT tijdens het opstarten aan te zetten, moet het volgende in /etc/rc.conf staan: gateway_enable="YES" firewall_enable="YES" firewall_type="OPEN" natd_enable="YES" natd_interface="fxp0" natd_flags="" Stelt de machine in om dienst te doen als gateway. Het draaien van sysctl net.inet.ip.forwarding=1 heeft hetzelfde effect. Activeert de firewall-regels in /etc/rc.firewall tijdens het opstarten. Dit specificeert een vooraf gedefinieerde verzameling van firewall-regels die alles binnenlaat. Raadpleeg /etc/rc.firewall voor aanvullende types. Geeft aan welke interface te gebruiken om pakketten naar door te sturen (de interface die met het Internet verbonden is). Alle aanvullende instelopties die tijdens het opstarten aan &man.natd.8; worden doorgegeven. Het gedefinieerd hebben van de bovenstaande opties in /etc/rc.conf zal natd -interface fxp0 draaien tijdens het opstarten. Dit kan ook handmatig worden gedraaid. Het is ook mogelijk om een instellingenbestand voor &man.natd.8; te gebruiken als er teveel opties zijn om door te geven. In dit geval dient het instellingenbestand te worden gedefinieerd door de volgende regel aan /etc/rc.conf toe te voegen: natd_flags="-f /etc/natd.conf" Het bestand /etc/natd.conf zal een lijst met instelopties bevatten, één per regel. Het geval in de volgende sectie bijvoorbeeld zal het volgende bestand gebruiken: redirect_port tcp 192.168.0.2:6667 6667 redirect_port tcpc 192.168.0.3:80 80 Raadpleeg voor meer informatie over het instellingenbestand het gedeelte over de optie van de hulppagina &man.natd.8;. Elke machine en interface achter het LAN dient een IP-adres in de privé-netwerkruimte toegewezen te krijgen zoals gedefinieerd in RFC 1918 en een standaard gateway van het interne IP-adres van de natd-machine hebben. Bijvoorbeeld, cliënt A en B achter het LAN hebben IP-adressen 192.168.0.2 en 192.168.0.3, terwijl de LAN-interface van de natd-machine IP-adres 192.168.0.1 heeft. De standaard gateway van van cliënt A en B dient ingesteld te worden op die van de natd-machine, 192.168.0.1. Voor de externe, of Internet-interface van de natd-machine zijn geen speciale wijzigingen nodig om &man.natd.8; te laten werken. Poorten omleiden Het nadeel van &man.natd.8; is is dat de LAN-cliënten niet vanaf het Internet toegankelijk zijn. Cliënten op het LAN kunnen uitgaande verbinden naar de wereld maken maar kunnen geen inkomende verbindingen ontvangen. Dit vormt een probleem wanneer geprobeerd wordt om Internetdiensten op een van de LAN-cliëntmachines te draaien. Een eenvoudige om dit te omzeilen is om bepaalde Internetpoorten op de natd-machine om te leiden naar een LAN-cliënt. Bijvoorbeeld, er draait een IRC-server op cliënt A, en er draait een webserver op cliënt B. Om dit goed te laten werken, dienen verbindingen die worden ontvangen op poorten 6667 (IRC) en 80 (web) te worden omgeleid naar de respectievelijke machines. De optie dient aan &man.natd.8; met de juiste opties te worden doorgegeven. De syntaxis is als volgt: -redirect_port proto doelIP:doelPOORT[-doelPOORT] [aliasIP:]aliasPOORT[-aliasPOORT] [verIP[:verrePOORT[-verrePOORT]]] In het bovenstaand voorbeeld dienen de argumenten te zijn: -redirect_port tcp 192.168.0.2:6667 6667 -redirectport tcp 192.168.0.3:80 80 Dit zal de juiste tcp-poorten naar de LAN-cliënt-machines omleiden. Het argument kan worden gebruikt om poortbereiken over individuele poorten aan te geven. Bijvoorbeeld, tcp 192.168.0.2:2000-3000 2000-3000 zal alle verbindingen die op poorten 2000 tot 3000 worden ontvangen omleiden naar poorten 2000 tot 3000 op cliënt A. Deze opties kunnen worden gebruikt wanneer &man.natd.8; direct wordt gedraaid, wanneer ze zijn geplaatst in de optie natd_flags="" van /etc/rc.conf, of wanneer ze via een instellingenbestand worden doorgegeven. Raadpleeg voor meer instelopties &man.natd.8;. Adressen omleiden adressen omleiden Adressen omleiden is handig wanneer er verschillende IP-adressen beschikbaar zijn, maar ze op één machine moeten zitten. Hiermee kan &man.natd.8; aan elke LAN-cliënt een eigen extern IP-adres toewijzen. Vervolgens overschrijft &man.natd.8; de uitgaande pakketten van de LAN-cliënten met het juiste IP-adres en leidt het al het binnenkomende verkeer op dat ene IP-adres terug naar de specifieke LAN-cliënt. Dit staat ook bekend als statisch NAT. Bijvoorbeeld, de IP-adressen 128.1.1.1, 128.1.1.2, en 1281.2..3 behoren toe aan de natd gateway-machine. 128.1.1.1 kan gebruikt worden als het externe IP-adres van de natd gateway-machine, terwijl 128.1.1.2 en 128.1.1.3 terug worden gestuurd naar de LAN-cliënten A en B. De syntaxis van is als volgt: -redirect_address lokaalIP publiekIP lokaalIP Het interne IP-adres van de LAN-cliënt. publiekIP Het externe IP-adres overeenkomend met de LAN-cliënt. In het voorbeeld zou dit argument zijn: -redirect_address 192.168.0.2 128.1.1.2 -redirect_address 192.168.0.3 128.1.1.3 Net zoals worden ook deze argumenten geplaatst in de optie natd_flags="" van /etc/rc.conf, of doorgegeven via een instellingenbestand. Met adresomleiding is het omleiden van poorten niet nodig aangezien alle gegevens die op een bepaald IP-adres worden ontvangen worden omgeleidt. Het externe IP-adres op de natd machine dient actief en naar een externe interface gealiased te zijn. In &man.rc.conf.5; staat hoe dit te doen. Parallel Line IP (PLIP) PLIP Parallel Line IP PLIP PLIP maakt het mogelijk om TCP/IP tussen parallelle poorten te draaien. Het is nuttig op machines zonder netwerkkaarten, of om op laptops te installeren. In deze sectie wordt besproken: Het maken van een parallelle (laplink) kabel. Twee computers met PLIP verbinden. Een parallelle kabel maken Een parallelle is te koop in de meeste computerwinkels. Wanneer dit niet mogelijk is, of indien de het gewenst is om te weten hoe ze worden gemaakt, laat de volgende tabel zien hoe ze met een gewone parallelle printerkabel gemaakt kunnen worden. Een parallelle kabel voor netwerken bedraden A-naam A-einde B-einde Beschrijving Post/Bit DATA0 -ERROR 2 15 15 2 Gegevens 0/0x01 1/0x08 DATA1 +SLCT 3 13 13 3 Gegevens 0/0x02 1/0x10 DATA2 +PE 4 12 12 4 Gegevens 0/0x04 1/0x20 DATA3 -ACK 5 10 10 5 Strobe 0/0x08 1/0x40 DATA4 BUSY 6 11 11 6 Gegevens 0/0x10 1/0x80 GND 18-25 18-25 GND -
PLIP opzetten Als eerste dient er een laplink-kabel aanwezig te zijn. Controleer vervolgens dat beide computers een kernel hebben met ondersteuning voor het stuurprogramma &man.lpt.4;: &prompt.root; grep lp /var/run/dmesg.boot lpt0: <Printer> on ppbus0 lpt0: Interrupt-driven port De parallelle poort dient een interrupt-gestuurde poort te zijn, regels zoals de volgende dienen in het bestand /boot/device.hints aanwezig te zijn: hint.ppc0.at="isa" hint.ppc0.irq="7" Controleer vervolgens dat het kernelinstellingenbestand een regel device plip bevat of dat de kernelmodule plip.ko is geladen. In beide gevallen dienen de parallelle netwerkinterfaces te verschijnen wanneer het commando &man.ifconfig.8; gebruikt wordt om het weer te geven: &prompt.root; ifconfig plip0 plip0: flags=8810<POINTOPOINT,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 Steek de laplink-kabel in de parallelle interface op beide computers. Stel als root op beide sites de parameters voor de netwerkinterface in. Bijvoorbeeld, indien het gewenst is om host host1 met een andere machine host2 te verbinden: host1 <-----> host2 IP Address 10.0.0.1 10.0.0.2 Stel de interface op host1 in met: &prompt.root; ifconfig plip0 10.0.0.1 10.0.0.2 Stel de interface op host2 in met: &prompt.root; ifconfig plip0 10.0.0.2 10.0.0.1 Er dient nu een werkende verbinding te zijn. Lees voor meer details de hulppagina's &man.lp.4; en &man.lpt.4;. Ook dienen beide hosts aan /etc/hosts toegevoegd te worden: 127.0.0.1 localhost.mijn.domein localhost 10.0.0.1 host1.mijn.domein host1 10.0.0.2 host2.mijn.domein host2 Ga naar elke host en ping de andere om te bevestigen dat de verbinding werkt. Bijvoorbeeld, op host1: &prompt.root; ifconfig plip0 plip0: flags=8851<UP,POINTOPOINT,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 inet 10.0.0.1 --> 10.0.0.2 netmask 0xff000000 &prompt.root; netstat -r Routing tables Internet: Destination Gateway Flags Refs Use Netif Expire host2 host1 UH 0 0 plip0 &prompt.root; ping -c 4 host2 PING host2 (10.0.0.2): 56 data bytes 64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=0 ttl=255 time=2.774 ms 64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=1 ttl=255 time=2.530 ms 64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=2 ttl=255 time=2.556 ms 64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=3 ttl=255 time=2.714 ms --- host2 ping statistics --- 4 packets transmitted, 4 packets received, 0% packet loss round-trip min/avg/max/stddev = 2.530/2.643/2.774/0.103 ms
Aaron Kaplan Origineel geschreven door Tom Rhodes Geherstructureerd en toegevoegd door Brad Davis Uitgebreid door IPv6 IPv6 (ook bekend als IPng IP next generation) is de nieuwe versie van het welbekende IP-protocol (ook bekend als IPv4). Net zoals de andere huidige *BSD-systemen, bevat &os; de referentie-implementatie van KAME IPv6. Het &os;-systeem wordt dus geleverd met alles wat nodig is om met IPv6 te experimenteren. Deze sectie richt zich op het ingesteld en draaiend krijgen van IPv6. In de vroege jaren 1990 werden mensen zich bewust van de snel krimpende adresruimte van IPv4. De uitbreidingssnelheid van het Internet baarde twee grote zorgen: Geen adresruimte meer. Tegenwoordig is dit niet zo'n probleem meer aangezien RFC1918 voor privé-adresruimte (10.0.0.0/8, 172.16.0.0/12, en 192.168.0.0/16) en Network Address Translation (NAT) worden gebruikt. De regels in de routeertabellen werden te groot. Dit is tegenwoordig nog steeds een probleem. IPv6 behandelt deze en vele andere zaken: 128-bits adresruimte. Met andere woorden, er zijn theoretisch 340.282.366.920.938.463.463.374.607.431.768.211.456 adressen beschikbaar. Dit betekent dat er ongeveer 6,67 * 10^27 IPv6-adressen per vierkante meter op onze planeet beschikbaar zijn. Routers zullen alleen netwerkaggregatie-adressen in hun routeertabellen opslaan en dus de gemiddelde ruimte van een routeertabel verkleinen tot 8192 regels. IPv6 heeft ook vele andere nuttige eigenschappen zoals: Automatische adresconfiguratie (RFC2462) Anycast-adressen (ééen-van-velen) Verplichte multicast-adressen IPsec (IP security) Versimpelde structuur van de headers Mobiele IP Overgangsmechanismen voor IPv6 naar IPv4 Bekijk voor meer informatie: IPv6-overzicht op playground.sun.com KAME.net Achtergrond over IPv6 adressen Er zijn verschillende soorten IPv6-adressen: unicast, anycast, en multicast. Unicast-adressen zijn de bekende adressen. Een pakket dat naar een unicast-adres wordt verzonden arriveert precies op de interface dat bij dat adres hoort. Anycast-adressen zijn syntactisch niet van unicast-adressen te onderscheiden maar ze adresseren een groep interfaces. Een pakket dat bestemd is voor een anycast-adres zal bij de dichtstbijzijnde interface arriveren (in router-metrieken). Anycast-adressen mogen alleen door routers worden gebruikt. Multicast-adressen identificeren een groep interfaces. Een pakket dat bestemd is voor en multicast-adres zal bij alle interfaces die bij de multicast-groep horen arriveren. Het broadcast-adres van IPv4 (gewoonlijk xxx.xxx.xxx.255) wordt in IPv6 met multicast-adressen uitgedrukt. Gereserveerde IPv6-adressen IPv6-adres Prefixlengte (bits) Beschrijving Opmerkingen :: 128 bits niet gespecificeerd cf. 0.0.0.0 in IPv4 ::1 128 bits teruglusadres cf. 127.0.0.1 in IPv4 ::00:xx:xx:xx:xx 96 bits ingebouwd IPv4 De laagste 32 bits zijn het IPv4-adres. Ook IPv4 compatibel IPv6-adres genoemd. ::ff:xx:xx:xx:xx 96 bits IPv4-afgebeeld IPv6-adres De laagste 32 bits zijn het IPv4-adres. Voor hosts die geen IPv6 ondersteunen. fe80:: - feb:: 10 bits link-lokaal cf. teruglusadres in IPv4 fec0:: - fef:: 10 bits site-lokaal   ff:: 8 bits multicast   001 (base 2) 3 bits globale unicast Alle globale unicast-adressen worden vanuit deze pool toegewezen. De eerste 3 bits zijn 001.
IPv6-adressen lezen De canonieke vorm wordt weergegeven als: x:x:x:x:x:x:x:x, waarbij elke x een 16-bits hexadecimale waarde is. Bijvoorbeeld FEBC:A574:382B:23C1:AA49:4592:4EFE:9982 Vaak bevat een adres lange deelstrings van allen nullen, daarom kan per adres één zo'n deelstring worden afgekort als ::. Ook kunnen maximaal drie voorlopende 0's per hexadecimaal viertal worden weggelaten. Bijvoorbeeld, fe80::1 komt overeen met de canonieke vorm fe80:0000:0000:0000:0000:0000:0000:0001. Een derde vorm is het schrijven van de laatste 32 bits in de bekende (decimale) IPv4-stijl met punten . als scheidingstekens. Bijvoorbeeld, 2002::10.0.0.1 komt overeen met de (hexadecimale) canonieke representatie 2002:0000:0000:0000:0000:0000:0a00:0001 wat weer hetzelfde is als 2002::a00:1. Op dit punt dient de lezer het volgende te begrijpen: &prompt.root; ifconfig rl0: flags=8943<UP,BROADCAST,RUNNING,PROMISC,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 inet 10.0.0.10 netmask 0xffffff00 broadcast 10.0.0.255 inet6 fe80::200:21ff:fe03:8e1%rl0 prefixlen 64 scopeid 0x1 ether 00:00:21:03:08:e1 media: Ethernet autoselect (100baseTX ) status: active fe80::200:21ff:fe03:8e1%rl0 is een automatisch ingesteld link-lokaal adres. Het is als deel van de automatische instelling vanuit het MAC-adres aangemaakt. Kijk voor verdere informatie over de structuur van IPv6-adressen op RFC3513. Verbinding krijgen Er zijn momenteel vier manieren om met andere IPv6-hosts en -netwerken te verbinden: Neem contact op met de Internetprovider om te zien of ze al IPv6 aanbieden. SixXS biedt wereldwijd tunnels met eindpunten aan. Tunnelen via 6-naar-4 (RFC3068) Gebruik de poort net/freenet6 indien er een inbelverbinding wordt gebruikt. DNS in de IPv6-wereld Er waren twee soorten DNS-records voor IPv6. De IETF heeft A6-records overbodig verklaard. AAAA-records zijn nu de standaard. AAAA-records gebruiken gaat rechttoe-rechtaan. Wijs de hostnaam toe aan het nieuwe IPv6-adres dat net ontvangen is door het volgende aan de DNS-bestand voor primaire zones toe te voegen: MIJNHOSTNAAM AAAA MIJNIPv6ADRES Vraag het aan de DNS-provider indien de DNS-zones niet zelf worden geserveerd. De huidige versies van bind (versie 8.3 en 9) en dns/djbdns (met de IPv6-patch) ondersteunen AAAA-records. De benodigde wijzigingen doorvoeren in <filename>/etc/rc.conf</filename> IPv6-cliëntinstellingen Deze instellingen helpen bij het configureren van een machine in het LAN die als cliënt in plaats van router dienst zal doen. Om &man.rtsol.8; automatisch de interface tijdens het opstarten te laten configureren dient het volgende toegevoegd te worden: ipv6_enable="YES" Voeg het volgende toe om statisch een IP-adres zoals 2001:471:1f11:251:290:27ff:fee0:2093 aan de interface fxp0 toe te voegen: ipv6_ifconfig_fxp0="2001:471:1f11:251:290:27ff:fee0:2093" Voeg het volgende aan /etc/rc.conf toe om een standaardrouter 2001:471:1f11:251::1 toe te wijzen: ipv6_defaultrouter="2001:471:1f11:251::1" IPv6 router/gateway instellingen Deze paragraaf helpt bij het opvolgen van de aanwijzingen die de tunnelprovider heeft gegeven en ze om te zetten in instellingen die blijven na een herstart. Om de tunnel tijdens het opstarten te herstellen kan het volgende in /etc/rc.conf gebruikt worden: Noem de generieke tunnelinterfaces die zullen worden ingesteld, bijvoorbeeld gif0: gif_interfaces="gif0" Om de interface met een lokaal eindpunt MIJN_IPv4_ADRES in te stellen naar een ver eindpunt VER_IPv4_ADRES: gifconfig_gif0="MIJN_IPv4_ADRES VER_IPv4_ADRES" Voeg het volgende toe om het IPv6-adres dat is toegewezen als het eindpunt van de IPv6-tunnel te gebruiken: ipv6_ifconfig_gif0="MIJN_TOEGEWEZEN_IPv6_TUNNEL_EINDPUNT_ADRES" Nu hoeft alleen de standaardroute voor IPv6 ingesteld te worden. Dit is de andere kant van de IPv6-tunnel: ipv6_defaultrouter="MIJN_IPv6_VER_TUNNEL_EINDPUNT_ADRES" IPv6-tunnelinstellingen Indien de server gebruikt wordt om IPv6 tussen de rest van het netwerk en de wereld te routen, is ook de volgende instelling in /etc/rc.conf nodig: ipv6_gateway_enable="YES" Routeradvertentie en automatische hostconfiguratie Deze sectie helpt bij het instellen van &man.rtadvd.8; om de standaard IPv6-route te adverteren. Het volgende is nodig in /etc/rc.conf om &man.rtadvd.8; aan te zetten: rtadvd_enable="YES" Het is belangrijk om de interface te specificeren waarop het IPv6-routerverzoek plaatsvindt. Om bijvoorbeeld &man.rtadvd.8; te vertellen om fxp0 te gebruiken: rtadvd_interfaces="fxp0" Nu dient het instellingenbestand /etc/rtadvd.conf aangemaakt te worden. Hier is een voorbeeld: fxp0:\ :addrs#1:addr="2001:471:1f11:246::":prefixlen#64:tc=ether: Vervang fxp0 door de interface die gebruikt gaat worden. Vervang vervolgens 2001:471:1f11:246:: met de prefix van uw toewijzing. Indien een /64 subnet is toegewezen, hoeft er verder niets veranderd te worden. In andere gevallen dient de juiste waarde voor prefixlen# gebruikt te worden.
Harti Brandt Bijgedragen door Asynchronous Transfer Mode (ATM) Klassiek IP configureren over ATM (PVCs) Klassiek IP over ATM (CLIP) is de eenvoudigste methode om Asynchronous Transfer Mode (ATM) met IP te gebruiken. Het kan met geswitchte verbindingen (SVCs) en met permanente verbindingen (PVCs) gebruikt worden. Deze sectie beschrijft hoe een netwerk gebaseerd op PVCs op te zetten. Volledig geschakelde configuraties De eerste methode om een CLIP met PVCs op te zetten is om elke machine met elke andere machine in het netwerk te verbinden via een toegewijde PVC. Hoewel dit eenvoudig te configureren is, wordt het onpraktisch voor een groter aantal machines. Dit netwerk gaat ervan uit dat er vier machines in het netwerk zijn, allen verbonden met het ATM netwerk met een ATM adapterkaart. De eerste stap is het plannen van de IP-adressen en de ATM verbindingen tussen de machines. Het volgende wordt gebruikt: Host IP-adres hostA 192.168.173.1 hostB 192.168.173.2 hostC 192.168.173.3 hostD 192.168.173.4 Om een volledig geschakeld net te bouwen is er een ATM-verbinding nodig tussen elk paar machines: Machines VPI.VCI koppel hostA - hostB 0.100 hostA - hostC 0.101 hostA - hostD 0.102 hostB - hostC 0.103 hostB - hostD 0.104 hostC - hostD 0.105 De VPI- en VCI-waarde kunnen aan beide kanten van de verbinding verschillen, maar voor de eenvoud wordt aangenomen dat ze hetzelfde zijn. Vervolgens dienen de ATM-interfaces op elke host geconfigureerd te worden: hostA&prompt.root; ifconfig hatm0 192.168.173.1 up hostB&prompt.root; ifconfig hatm0 192.168.173.2 up hostC&prompt.root; ifconfig hatm0 192.168.173.3 up hostD&prompt.root; ifconfig hatm0 192.168.173.4 up aannemende dat de ATM-interface op alle hosts hatm0 is. Nu dienen de PVCs op hostA geconfigureerd te worden (er wordt aangenomen dat ze reeds op de ATM-switches zijn geconfigureerd, raadpleeg de handleiding van de switch hoe dit te doen). hostA&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.2 hatm0 0 100 llc/snap ubr hostA&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.3 hatm0 0 101 llc/snap ubr hostA&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.4 hatm0 0 102 llc/snap ubr hostB&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.1 hatm0 0 100 llc/snap ubr hostB&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.3 hatm0 0 103 llc/snap ubr hostB&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.4 hatm0 0 104 llc/snap ubr hostC&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.1 hatm0 0 101 llc/snap ubr hostC&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.2 hatm0 0 103 llc/snap ubr hostC&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.4 hatm0 0 105 llc/snap ubr hostD&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.1 hatm0 0 102 llc/snap ubr hostD&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.2 hatm0 0 104 llc/snap ubr hostD&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.3 hatm0 0 105 llc/snap ubr Uiteraard kunnen ook andere verkeerscontracten dan UBR worden gebruikt indien de ATM-adapter die ondersteunt. In dit geval wordt de naam van het verkeerscontract gevolgd door de parameters van het verkeer. Hulp voor het gereedschap &man.atmconfig.8; kan verkregen worden met: &prompt.root; atmconfig help natm add of in de hulppagina &man.atmconfig.8;. Dezelfde configuratie kan ook bereikt worden via /etc/rc.conf. Voor hostA wordt dit: network_interfaces="lo0 hatm0" ifconfig_hatm0="inet 192.168.173.1 up" natm_static_routes="hostB hostC hostD" route_hostB="192.168.173.2 hatm0 0 100 llc/snap ubr" route_hostC="192.168.173.3 hatm0 0 101 llc/snap ubr" route_hostD="192.168.173.4 hatm0 0 102 llc/snap ubr" De huidige toestand van alle CLIP routes kan worden verkregen met: hostA&prompt.root; atmconfig natm show Tom Rhodes Bijgedragen door Common Address Redundancy Protocol (CARP) CARP Common Address Redundancy Protocol Het Common Address Redundancy Protocol, of CARP, staat toe dat meerdere hosts hetzelfde IP-adres gebruiken. In sommige opstellingen wordt dit gebruikt voor beschikbaarheid of loadbalancing. Hosts kunnen ook gescheiden IP-adressen gebruiken, zoals in het voorbeeld dat hier is gegeven. Om ondersteuning voor CARP aan te zetten, dient de &os;-kernel herbouwd te worden met de volgende optie: device carp De functionaliteit van CARP zou nu beschikbaar moeten zijn en kan met verschillende sysctl-OIDs worden bijgesteld: OID Beschrijving net.inet.carp.allow Accepteer inkomende CARP pakketten. Staat standaard aan. net.inet.carp.preempt Deze optie zet alle CARP interfaces down op de host wanneer er een down gaat. Staat standaard uit. net.inet.carp.log De waarde 0 zet alle logging uit. De waarde 1 zet het loggen van slechte CARP-pakketten aan. Waardes hoger dan 1 zet het loggen van toestandsveranderingen van de CARP interfaces aan. De standaardwaarde is 1. net.inet.carp.arpbalance Balanceer lokaal netwerkverkeer met ARP. Staat standaard uit. net.inet.carp.suppress_preempt Een alleen-lezen OID die de toestand van preëmptie-onderdrukking weergeeft. Preëmptie kan worden onderdrukt wanneer de verbinding op een interface afwezig is. De waarde 0 betekent dat preëmptie niet onderdrukt is. Elk probleem verhoogt deze OID. De CARP-apparaten zelf kunnen met het commando ifconfig worden aangemaakt: &prompt.root; ifconfig carp0 create In een echte omgeving hebben deze interfaces unieke identificatienummers, bekend als een VHID, nodig. Dit VHID of Virtual Host Identification zal worden gebruikt om de hosts op het netwerk te onderscheiden. CARP gebruiken voor serverbeschikbaarheid Eén gebruik van CARP, zoals boven aangegeven, is serverbeschikbaarheid. Dit voorbeeld geeft failover-ondersteuning voor drie hosts, met allemaal een uniek IP-adres en dezelfde webinhoud. Deze machines zullen samen met een Round Robin DNS configuratie dienst doen. De failover-machine zal twee aanvullende CARP-interfaces hebben, één voor elk van de IP's van de contentservers. Wanneer er een storing optreedt, zou de failover-server het IP-adres van de falende machine moeten oppikken. Dit betekent dat de storing geheel onmerkbaar zou moeten zijn voor de gebruiker. De failover-server heeft dezelfde inhoud en diensten nodig als de andere contentservers waarvoor het moet invallen. De twee machines dienen identiek geconfigureerd te worden op de gegeven hostnamen en VHIDs na. Dit voorbeeld noemt deze machines respectievelijk hosta.example.org en hostb.example.org. Ten eerste dienen de benodigde regels voor een CARP-configuratie aan rc.conf te worden toegevoegd. Voor hosta.example.org dient het bestand rc.conf de volgende regels te bevatten: hostname="hosta.example.org" ifconfig_fxp0="inet 192.168.1.3 netmask 255.255.255.0" cloned_interfaces="carp0" ifconfig_carp0="vhid 1 pass testpass 192.168.1.50/24" Op hostb.example.org dienen de volgende regels in rc.conf te staan: hostname="hostb.example.org" ifconfig_fxp0="inet 192.168.1.4 netmask 255.255.255.0" cloned_interfaces="carp0" ifconfig_carp0="vhid 2 pass testpass 192.168.1.51/24" Het is erg belangrijk dat de wachtwoorden die met de optie aan ifconfig gegeven zijn, identiek zijn. De carp apparaten zullen alleen luisteren naar en advertenties accepteren van machines met het juiste wachtwoord. Het VHID dient ook verschillend te zijn voor elke machine. De derde machine, provider.example.org, dient voorbereidt te worden op het afhandelen van failover van beide hosts. Deze machine heeft twee carp apparaten nodig, één om elke host af te handelen. De juiste instelregels voor rc.conf zullen ongeveer gelijk zijn aan de volgende: hostname="provider.example.org" ifconfig_fxp0="inet 192.168.1.5 netmask 255.255.255.0" cloned_interfaces="carp0 carp1" ifconfig_carp0="vhid 1 advskew 100 pass testpass 192.168.1.50/24" ifconfig_carp1="vhid 2 advskew 100 pass testpass 192.168.1.51/24" Met twee carp apparaten is provider.example.org in staat om het IP-adres van de andere machine op te pikken wanneer de ene niet meer antwoordt. De standaard &os;-kernel kan preëmptie geactiveerd hebben. In dat geval hoeft provider.example.org het IP-adres niet terug te geven aan de originele contentserver. In dit geval kan het nodig zijn dat een beheerder handmatig het IP terug aan de meester moet geven. Het volgende commando dient op provider.example.org gegeven te worden: &prompt.root; ifconfig carp0 down && ifconfig carp0 up Dit dient gedaan te worden op de carp interface die met de juiste host overeenkomt. Op dit moment dient CARP volledig actief en beschikbaar voor testen te zijn. Voor het testen dienen òfwel het netwerken herstart te worden, òf de machines dienen opnieuw opgestart te worden. Meer informatie is altijd beschikbaar in de hulppagina &man.carp.4;
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml index 0368332e25..0bede44dad 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml @@ -1,3503 +1,3503 @@ Chern Lee Geschreven door Mike Smith Naar een tutorial van Matt Dillon Tevens gebaseerd op tuning(7) door Danny Pansters Vertaald door René Ladan Instellingen en optimalisatie Overzicht systeeminstellingen systeemoptimalisatie Systeeminstellingen zijn een belangrijk aspect van &os;. Correcte instellingen helpen moeilijkheden bij toekomstige upgrades te voorkomen. In dit hoofdstuk wordt het instellen van &os; beschreven, alsmede een aantal prestatiebevorderende maatregelen waarmee een &os; systeem geoptimaliseerd kan worden. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe efficiënt om te gaan met bestandssystemen en wisselpartities; De grondbeginselen van het rc.conf instellingensysteem en van het opstarten van toepassingen (diensten) met /usr/local/etc/rc.d; Hoe een netwerkkaart ingesteld en getest wordt; Hoe virtuele hosts op netwerkapparatuur ingesteld worden; Hoe de instellingenbestanden in /etc gebruikt worden; Hoe &os; geoptimaliseerd kan worden met sysctl-variabelen; Hoe schijfprestaties te verbeteren en hoe kernelbeperkingen gewijzigd kunnen worden. Veronderstelde voorkennis: De grondbeginselen van &unix; en &os; () begrijpen; Bekend zijn met de grondbeginselen van kernelinstellingen en compilatie (). Initiële instellingen Partitioneren partitioneren /etc /var /usr Basispartities Bij het aanmaken van bestandssystemen met &man.bsdlabel.8; of &man.sysinstall.8; is het van belang dat op een harde schijf de gegevensoverdracht het snelst is aan de buitenste sporen en het langzaamst aan de binnenste. Kleinere en veelgebruikte bestandssystemen kunnen daarom het beste aan de buitenkant van de schijf geplaatst worden, terwijl grotere partities als /usr meer naar de binnenkant van de schijf geplaatst kunnen worden. Het is een goed idee om partities aan te maken in deze of gelijksoortige volgorde: root, swap, /var, /usr. De grootte van de partitie /var hangt af van de wijze waarop de machine gebruikt gaat worden. Het bestandssysteem /var wordt gebruikt voor onder meer postbussen, logbestanden en printergegevens en -wachtrijen. Postbussen en logbestanden kunnen onverwacht groot worden, afhankelijk van het aantal systeemgebruikers en de bewaarduur van logbestanden. De meeste gebruikers zullen zelden meer dan ongeveer een gigabyte aan vrije schijfruimte op /var nodig hebben. Er zijn een aantal gevallen waar een grote hoeveelheid ruimte in /var/tmp nodig is. Wanneer er nieuwe software wordt geïnstalleerd met &man.pkg.add.1; pakken de pakketprogramma's een tijdelijke kopie van de pakketten uit in /var/tmp. Grote softwarepakketten, zoals Firefox of OpenOffice kunnen lastig zijn om te installeren wanneer er onvoldoende vrije schijfruimte beschikbaar is onder /var/tmp. De partitie /usr bevat veel van de benodigde systeembestanden, waaronder de &man.ports.7; collectie (aanbevolen) en de broncode (optioneel). Beide zijn optioneel tijdens de installatie, maar we raden voor deze partitie tenminste 2 gigabyte aan. Het is verstandig rekening te houden met de vereiste schijfruimte bij het kiezen van partitiegroottes. Als in een partitie onvoldoende vrije schijfruimte is, terwijl een andere vrijwel niet gebruikt wordt, is dat een vervelend en niet optimaal oplosbaar probleem. &man.sysinstall.8;'s Auto-defaults partitiekeuze kan in de ervaring van sommige gebruikers mogelijk te kleine /var en / partities opleveren. Partitioneren moet verstandig en niet te zuinig gebeuren. Wisselpartities (swap) swap grootte wisselpartitie wisselpartitiegrootte De vuistregel is dat het wisselbestand ongeveer het dubbele van de grootte van het systeemgeheugen (RAM) moet zijn. Als de machine bijvoorbeeld 128 megabytes geheugen heeft, kan het beste een wisselbestand van (tenminste) 256 megabytes gebruikt worden. Minder dan 256 megabytes swap is in dit geval af te raden. Systemen met weinig geheugen kunnen overigens beter functioneren met meer swap. Ook is het verstandig rekening te houden met eventuele geheugenuitbreiding in de toekomst. Bovendien zijn de VM paging-algoritmen van de kernel zo afgestemd dat ze het beste presteren bij een wisselbestand van tenminste tweemaal de grootte van het geheugen. Een te kleine swap kan dus inefficiënties in de VM-code tot gevolg hebben en mogelijk problemen veroorzaken als het systeemgeheugen uitgebreid wordt. Op grotere systemen met meerdere SCSI-schijven (of meerdere IDE-schijven op verschillende controllers) is het aan te raden om op elke schijf een wisselpartitie in te stellen (dit kan tot en met vier schijven), elk met ongeveer dezelfde grootte. De kernel kan met arbitraire groottes werken, maar interne datastructuren schalen tot viermaal de grootste swappartitie. De kernel kan de beschikbare ruimte voor het wisselbestand het meest optimaal indelen als de partities ongeveer even groot zijn. Een grote swap is prima, ook als ze zelden gebruikt wordt. Zo kan het gemakkelijker zijn om een (uit de hand gelopen) proces dat het systeem grotendeels bezet houdt te beëindigen, voordat er opnieuw opgestart moet worden. Waarom partitioneren? Waarom niet één enkele grote partitie gebruiken? Er zijn verscheidene redenen waarom dit niet zo'n goed idee is. De verschillende partities hebben hun eigen karakteristieke operationele gedrag en vereisten. Door ze te scheiden zijn er betere mogelijkheden om het systeem te optimaliseren. Vanaf de / en /usr partities wordt bijvoorbeeld vooral gelezen en er wordt weinig naar geschreven, terwijl er in /var en /var/tmp zowel veel gelezen als geschreven wordt. Door een systeem goed te partitioneren wordt vermeden dat fragmentatie die optreedt in de kleinere partities met veel schrijfactiviteit doorsijpelt naar partities die vooral lees-intensief zijn. Door schrijf-intensieve partities aan het begin van de schijf te plaatsen, zijn de prestaties wat betreft invoer/uitvoer het beste is daar waar het het meest nodig is. Ofschoon er natuurlijk ook de best mogelijke in/uit prestaties wenselijk zijn in de grotere partities, weegt het plaatsen van deze bestandssystemen aan het begin van de schijf niet tegen de voordelen van het plaatsen van /var aan het begin van de schijf (na root en swap) voor de totale snelheid van het systeem. Tenslotte zijn er veiligheidsoverwegingen. Een compacte en nette rootpartitie die vrijwel alleen-lezen is, heeft een betere kans om een nare crash te overleven. Hoofdinstellingen rc bestanden rc.conf De voornaamste lokatie voor systeeminstellingen is /etc/rc.conf. Dit bestand bevat een scala aan instellingen, die gebruikt wordt om het systeem in te stellen bij het opstarten. De naam impliceert dit al. Het is informatie voor de rc* bestanden (rc staat voor resource configuration of broninstellingen). De systeembeheerder wordt geacht regels toe te voegen aan rc.conf om de standaardinstellingen uit /etc/defaults/rc.conf aan te passen. Het standaardbestand moet niet letterlijk gekopiëerd worden naar /etc. Het bevat standaardwaardes en is niet bedoeld als voorbeeld. Alle wijzigingen die specifiek zijn voor een systeem horen in /etc/rc.conf thuis. In een clusterscenario is het nuttig om systeemspecifieke instellingen te scheiden van algemene instellingen die voor het hele cluster gelden. Hiervoor kunnen een aantal strategieën worden gebruikt. De aanbevolen benadering is om gedeelde instellingen in een ander bestand te plaatsen, zoals /etc/rc.conf.site en dit in te voegen in /etc/rc.conf, wat verder alleen systeemspecifieke informatie bevat. Aangezien rc.conf gelezen wordt door &man.sh.1; is dit eenvoudig te bereiken: rc.conf: . /etc/rc.conf.site hostname="node15.example.com" network_interfaces="fxp0 lo0" ifconfig_fxp0="inet 10.1.1.1" rc.conf.site: defaultrouter="10.1.1.254" saver="daemon" blanktime="100" rc.conf.site kan dan naar elk systeem gedistribueerd worden met rsync of een gelijksoortig programma, terwijl rc.conf uniek blijft. Het actualiseren van het systeem met &man.sysinstall.8; of make world overschrijft rc.conf niet, zodat de bestaande systeeminstellingen niet verloren gaan. Toepassingen instellen Geïnstalleerde toepassingen hebben meestal hun eigen instellingenbestanden, met hun eigen syntaxis, etc. Het is van belang deze bestanden apart te houden van het basissysteem, zodat ze makkelijk gelokaliseerd kunnen worden en beheerd kunnen worden met de hulpmiddelen voor pakketbeheer. /usr/local/etc Deze bestanden worden meestal geïnstalleerd in /usr/local/etc. Als een toepassing een uitgebreide verzameling bestanden voor instellingen heeft, wordt er een submap voor aangemaakt. Bij de installatie van een port of pakket, worden normaliter ook voorbeeldbestanden met instellingen geïnstalleerd. Deze zijn doorgaans te herkennen aan een toevoegsel .default. Als er geen bestaande instellingenbestanden voor de toepassing zijn, kunnen ze gemaakt worden door de .default-bestanden te kopiëren. Een voorbeeld is de map /usr/local/etc/apache: -rw-r--r-- 1 root wheel 2184 May 20 1998 access.conf -rw-r--r-- 1 root wheel 2184 May 20 1998 access.conf.default -rw-r--r-- 1 root wheel 9555 May 20 1998 httpd.conf -rw-r--r-- 1 root wheel 9555 May 20 1998 httpd.conf.default -rw-r--r-- 1 root wheel 12205 May 20 1998 magic -rw-r--r-- 1 root wheel 12205 May 20 1998 magic.default -rw-r--r-- 1 root wheel 2700 May 20 1998 mime.types -rw-r--r-- 1 root wheel 2700 May 20 1998 mime.types.default -rw-r--r-- 1 root wheel 7980 May 20 1998 srm.conf -rw-r--r-- 1 root wheel 7933 May 20 1998 srm.conf.default Aan de grootte van de bestanden is te zien dat alleen srm.conf gewijzigd is. Als later de port Apache wordt vernieuwd, wordt dit bestand niet overschreven. Tom Rhodes Bijgedragen door Diensten starten diensten Veel gebruikers kiezen ervoor om software van derden te installeren op &os; vanuit de Portscollectie. In veel gevallen is het noodzakelijk om de software dusdanig in te stellen dat het opstart tijdens het opstarten van de computer. Diensten zoals mail/postfix of www/apache13 zijn slechts twee voorbeelden van softwarepakketten die gestart kunnen worden tijdens de systeemstart. In deze paragraaf wordt toegelicht hoe software van derde partijen kan worden gestart. In &os; worden de meeste diensten, zoals &man.cron.8;, door de opstartscripts van het systeem gestart. Deze scripts kunnen verschillen tussen &os; en leverancierversies, echter het meest belangrijke aspect om in gedachten te houden is dat hun opstartinstellingen verwerkt kunnen worden door simpele opstartscripts. Uitgebreide applicatieinstellingen Nu &os; rc.d heeft, zijn de instellingen van applicaties die mee moeten opstarten versimpeld en rijker aan mogelijkheden. Door gebruik te maken van de sleutelwoorden die in de paragraaf rc.d behandeld worden, kunnen applicaties nu starten na andere diensten. DNS kan bijvoorbeeld extra opties meekrijgen van /etc/rc.conf in plaats van hard ingestelde opties in het opstartscript. Een basisscript ziet er ongeveer als volgt uit: #!/bin/sh # # PROVIDE: utility # REQUIRE: DAEMON # KEYWORD: shutdown . /etc/rc.subr name="utility" rcvar=`set_rcvar` command="/usr/local/sbin/utility" load_rc_config $name # # VERANDER DE STANDAARDWAARDEN HIER NIET # STEL ZE IN IN HET BESTAND /etc/rc.conf # utility_enable=${utility_enable-"NO"} utility_pidfile=${utility_pidfile-"/var/run/utility.pid"} pidfile="${utility_pidfile}" run_rc_command "$1" Dit script zorgt ervoor dat utility wordt gestart na de pseudodienst DAEMON. Het biedt ook de mogelijkheid voor het instellingen en volgen van het PID of het proces-ID bestand. Voor deze applicatie kan dan de volgende regel in /etc/rc.conf geplaatst worden: utility_enable="YES" Deze methode maakt het volgende mogelijk: makkelijker commandoregelopties manipuleren, importeren van standaardfuncties uit /etc/rc.subr, compatibiliteit met het gereedschap &man.rcorder.8; en het levert makkelijkere configuratie via het bestand rc.conf. Diensten met diensten starten Andere diensten, zoals POP3-server daemons, IMAP, enzovoort, kunnen gestart worden door gebruik te maken van &man.inetd.8;. Daaraan is voorafgegaan dat die dienst uit de Portscollectie is geïstalleerd en dat er een regel met instellingen is toegevoegd aan /etc/inetd.conf of één van de bestaande niet-actieve regels is geactiveerd. Werken met inetd en zijn instellingen wordt uitgebreid toegelicht in de paragraaf over inetd. In sommige gevallen is het handiger om &man.cron.8; te gebruiken om diensten te starten. Deze aanpak heeft een aantal voordelen omdat cron start als de eigenaar van crontab. Dit stelt reguliere gebruikers in staat om sommige applicaties te starten en te onderhouden. cron levert een unieke optie: in plaats van een tijdsspecificatie kan @reboot gebruikt worden. Dit zorgt ervoor dat de taak gestart wordt als &man.cron.8; gestart wordt, meestal tijdens een systeemstart. Tom Rhodes Geschreven door <command>cron</command> instellen cron instellen Een zeer nuttig hulpprogramma in &os; is &man.cron.8;. De daemon cron draait op de achtergrond en controleert voortdurend /etc/crontab. Ook controleert cron de map /var/cron/tabs, op zoek naar nieuwe crontab bestanden. Deze crontab bestanden bevatten informatie over specifieke taken die cron moet verrichten op gezette tijden. cron gebruikt twee verschillende soorten instellingenbestanden: de systeemcrontab en gebruikerscrontabs. Het enige verschil tussen deze twee formaten is het zesde veld. In de systeemcrontab is dit de gebruikersnaam die het commando uitvoert. Hierdoor kunnen met de systeemcrontab commando's als iedere gebruiker uitgevoerd worden. In een gebruikerscrontab is het zesde veld het uit te voeren commando en alle commando's worden uitgevoerd als de gebruiker die de crontab heeft aangemaakt. Dit is een belangrijke veiligheidsmaatregel. Gebruikerscrontabs geven individuele gebruikers de mogelijkheid om bepaalde terugkerende taken automatisch te laten uitvoeren zonder dat root-rechten noodig zijn. Commando's in de crontab van een gebruiker worden uitgevoerd met de rechten van de eigenaar. root kan ook een gebruikerscrontab aanleggen. Dit is niet dezelfde als /etc/crontab (de systeemcrontab). Omdat er al een systeemcrontab is, is het doorgaans niet nodig om een gebruikerscrontab voor root te maken. /etc/crontab (de systeemcrontab) ziet er uit als volgt: # /etc/crontab - root's crontab for &os; # # $&os;: src/etc/crontab,v 1.32 2002/11/22 16:13:39 tom Exp $ # # SHELL=/bin/sh PATH=/etc:/bin:/sbin:/usr/bin:/usr/sbin HOME=/var/log # # #minuut uur mdag maand wdag wie commando # # */5 * * * * root /usr/libexec/atrun Zoals in de meeste &os; instellingenbestanden gaat het karakter # vooraf aan commentaar. Commentaar wordt gebruikt als uitleg en geheugensteun. Commentaar dient niet vermengd te worden met commando's, anders wordt het commentaar opgevat als deel van het commando. Blanco regels worden genegeerd. Eerst worden omgevingsvariabelen gedefiniëerd. Hoervoor wordt het is-gelijk karakter (=) gebruikt. In het bovenstaande voorbeeld wordt het gebruikt voor de variabelen SHELL, PATH en HOME. Als de regel SHELL ontbreekt, gebruikt cron standaard sh als shell. Voor de omgevingsvariabele PATH bestaat geen standaardwaarde. Als PATH ontbreekt moeten absolute paden gebruikt worden. Als HOME ontbreekt, gebruikt cron de thuismap van de de gebruiker die cron aanroept. In deze commentaarregel staan de zeven velden van een crontabdefinitie. Dit zijn minuut, uur, mdag, maand, wdag, wie en commando. De betekenissen liggen voor de hand: minuut is het aantal minuten van het tijdstip waarop het commando moet worden uitgevoerd; uur geeft het uur aan; mdag staat voor de dag van de maand; maand staat voor het maandnummer en wdag geeft de dag van de week aan. Het veld wie is bijzonder en bestaat alleen in /etc/crontab. Het geeft aan als welke gebruiker het commando uitgevoerd moet worden. Een gebruiker die zijn eigen crontab installeert, heeft deze optie niet. Het veld commando bevat het uit te voeren commando. In deze regel worden aan de hierboven besproken opties waarden toegekend. Er wordt gebruik gemaakt van */5 en * karakters. Deze betekenen eerst-laatst en kunnen gezien worden als telkens. In deze regel staat dus dat het commando atrun elke vijf minuten moet worden uitgevoerd door root, ongeacht welke dag of maand het is. Meer informatie over atrun staat in &man.atrun.8;. Commando's kunnen een willekeurig aantal opties of argumenten meekrijgen. Als commando's echter meerdere regels nodig hebben moeten deze regels afgebroken worden met een backslash \ karakter, om aan te geven dat ze op de volgende regel vervolgd worden. Dit is de basisopzet voor elk crontab bestand. De enige uitzondering is de aanwezigheid van veld zes, waar de gebruikersnaam wordt aangegeven. Dit veld bestaat alleen in het systeembestand /etc/crontab. Voor crontabbestanden van individuele gebruikers moet dit veld worden weggelaten. Een crontab installeren De onderstaande procedure moet niet gebruikt worden om de systeemcrontab te wijzigen of te installeren. Er kan een gewone editor gebruikt worden. cron ziet dat het bestand veranderd is en begint direct met het gebruiken van de nieuwe versie. Deze FAQ vraag geeft verdere uitleg. Om een nieuwe crontab te installeren moet eerst een bestand in het juiste formaat gemaakt worden en daarna moet het geiuml;nstalleerd worden met commando crontab: &prompt.root; crontab crontabbestand In dit voorbeeld is crontabbestand de naam van een eerder gemaakt crontab-bestand. Er bestaat ook een optie om een lijst van geïnstalleerde crontab-bestanden op te vragen, namelijk de optie van crontab. Gebruikers die hun eigen crontabbestand willen schrijven zonder het gebruik van een sjabloon, kunnen gebruik maken van crontab -e. Dit opent de EDITOR met een leeg bestand. Als het bestand wordt opgeslagen en de editor wordt afgesloten, wordt het bestand automatisch als crontab geïnstalleerd. Een gebruikerscrontab kan verwijderd worden door de met crontab de optie te gebruiken. Tom Rhodes Geschreven door Gebruik van rc met &os; rc.d Sinds 2002 gebruikt &os; het NetBSD rc.d systeem bij het opstarten van het systeem. Veel van de bestanden in /etc/rc.d zijn scripts voor basisdiensten die werken met de opties , en , analoog aan hoe diensten die via een port of pakket zijn geïnstalleerd gestart worden met de scripts in /usr/local/etc/rc.d. &man.sshd.8; kan bijvoorbeeld als volgt herstart worden: &prompt.root; /etc/rc.d/sshd restart Deze procedure is vrijwel gelijk voor andere diensten. Uiteraard worden diensten meestal automatisch tijdens het opstarten van de computer gestart zoals in &man.rc.conf.5; staat. Om de Network Address Translation daemon bij het opstarten te laten starten is de volgende regel in /etc/rc.conf bijvoorbeeld voldoende: natd_enable="YES" Als er reeds een natd_enable="NO" regel is, kan NO gewoon in YES veranderd worden. De rc scripts starten, voor zover nodig, automatisch andere afhankelijke diensten. Omdat het rc.d systeem in eerste instantie bedoeld is om diensten te starten en stoppen bij het opstarten en afsluiten van het systeem, werken de standaardopties , en alleen als de juiste variabelen in /etc/rc.conf zijn ingesteld. Het commando sshd restart alleen dan als sshd_enable de waarde YES heeft in /etc/rc.conf. Als er een dienst gestart, gestopt of herstart moet worden, ongeacht de definities in /etc/rc.conf, moet het commando voorafgegaan worden door one. Dus om sshd te herstarten ongeacht de instellingen in /etc/rc.conf, voldoet het volgende commando: &prompt.root; /etc/rc.d/sshd onerestart Het is eenvoudig te controleren of een dienst is ingeschakeld is in /etc/rc.conf door het bijpassende rc.d-script uit te voeren met de optie . Voor sshd: &prompt.root; /etc/rc.d/sshd rcvar # sshd $sshd_enable=YES De tweede regel (# sshd) is de uitvoer van sshd, geen root-console. De optie wordt gebruikt om vast te stellen of een dienst gestart is. Om bijvoorbeeld te controleren of sshd gestart is: &prompt.root; /etc/rc.d/sshd status sshd is running as pid 433. In sommige gevallen is het ook mogelijk om een dienst te herstarten met de optie . Dan wordt er getracht een signaal te sturen aan een individuele dienst, waarbij de dienst de bestanden met instellingen opnieuw in moet lezen. Meestal komt dit neer op het verzenden van het signaal SIGHUP. Deze optie wordt niet door alle diensten ondersteund. Het rc.d-systeem wordt niet alleen gebruikt voor netwerkdiensten, maar ook voor het merendeel van de systeemstart. In dit kader is bijvoorbeeld het bestand bgfsck interessant. Als dit script wordt uitgevoerd, wordt de volgende boodschap getoond: Starting background file system checks in 60 seconds. Dit script wordt dus gebruikt voor bestandssysteemcontrole in de achtergrond, hetgeen alleen tijdens de systeemstart gebeurt. Veel systeemdiensten zijn afhankelijk van andere diensten om correct te kunnen functioneren. Zo starten NIS en andere RPC-gebaseerde diensten niet als de dienst rpcbind (portmapper) nog niet draait. Om dit te stroomlijnen wordt informatie over afhankelijkheden en andere metagegevens ingevoegd in het commentaar bovenaan het opstartscript. Deze commentaarregels worden vervolgens tijdens de systeemstart met &man.rcorder.8; verwerkt om zo vast te stellen in welke volgorde de systeemdiensten gestart moeten worden. De volgende woorden moeten in alle opstartscripts staan (ze zijn benodigd door &man.rc.subr.8; om het opstartscript te activeren): PROVIDE: geeft aan in welke diensten dit bestand voorziet. REQUIRE: geeft aan welke andere diensten vereist zijn voor deze dienst. Dit script wordt uitgevoerd na de aangegeven diensten. BEFORE: geeft diensten aan die afhankelijk zijn van deze dienst. Dit bestand wordt uitgevoerd vóór de aangegeven diensten. Met deze methode kan een systeembeheerder gemakkelijk systeemdiensten besturen, zonder gedoe met runlevels zoals bij sommige andere &unix; systemen. Meer informatie over het rc.d-systeem staat in &man.rc.8; en &man.rc.subr.8;. Als u geïnteresseerd bent in het schrijven van uw eigen rc.d-script of om de huidige scripts te verbeteren is wellicht dit artikel interessant. Marc Fonvieille Geschreven door Netwerkkaarten instellen netwerkkaarten instellen Het is tegenwoordig nauwelijks voorstelbaar dat een computer geen netwerkverbinding heeft. Het toevoegen en instellen van een netwerkkaart is een gebruikelijke taak voor een &os;-beheerder. Het juiste stuurprogramma vinden netwerkkaarten stuurprogramma Voor het zoeken begint, moet duidelijk zijn om welke kaart het gaat, welke chip erop zit en of het een PCI- of ISA-kaart is. &os; ondersteunt vele kaarten. Op de Hardware Compatibiliteitslijst voor de betreffende uitgave staan de kaarten die ondersteund worden. Als duidelijk is dat een kaart ondersteund wordt, moet vastgesteld worden wat het geschikte stuurprogramma is. In het bestand /usr/src/sys/conf/NOTES staat een lijst van stuurprogramma's voor netwerkinterfaces met wat informatie over de ondersteunde chipsets of kaarten. In geval van twijfel biedt de hulppagina voor het stuurprogramma (man) vaak uitkomst. In het algemeen bevat deze meer informatie over de ondersteunde hardware en mogelijke problemen die kunnen optreden. Als een veelgebruikte kaart gebruikt wordt, hoeft meestal niet ver gezocht te worden. Stuurprogramma's voor veelvoorkomende netwerkinterfaces zijn al aanwezig in de algemene kernel GENERIC. In dat geval wordt zo'n kaart al gevonden bij het opstarten, bijvoorbeeld met het volgende bericht: dc0: <82c169 PNIC 10/100BaseTX> port 0xa000-0xa0ff mem 0xd3800000-0xd38 000ff irq 15 at device 11.0 on pci0 miibus0: <MII bus> on dc0 bmtphy0: <BCM5201 10/100baseTX PHY> PHY 1 on miibus0 bmtphy0: 10baseT, 10baseT-FDX, 100baseTX, 100baseTX-FDX, auto dc0: Ethernet address: 00:a0:cc:da:da:da dc0: [ITHREAD] dc1: <82c169 PNIC 10/100BaseTX> port 0x9800-0x98ff mem 0xd3000000-0xd30 000ff irq 11 at device 12.0 on pci0 miibus1: <MII bus> on dc1 bmtphy1: <BCM5201 10/100baseTX PHY> PHY 1 on miibus1 bmtphy1: 10baseT, 10baseT-FDX, 100baseTX, 100baseTX-FDX, auto dc1: Ethernet address: 00:a0:cc:da:da:db dc1: [ITHREAD] In dit voorbeeld zitten er twee kaarten in het systeem die het stuurprogramma &man.dc.4; gebruiken. Als het stuurprogramma voor een NIC geen onderdeel is van de kernel GENERIC, dan dient het juiste stuurprogramma voor die NIC geladen te worden. Dit kan op twee manieren: De meest eenvoudige manier is het laden van een kernelmodule voor een netwerkkaart met &man.kldload.8; of automatisch tijdens het opstarten van het systeem door de benodigde regel toe te voegen aan /boot/loader.conf. Niet alle NIC-stuurprogramma's zijn als module beschikbaar. Zo zijn er bijvoorbeeld geen modules beschikbaar voor ISA-kaarten. Ondersteuning voor een kaart kan ook in de kernel gecompileerd worden. In /usr/src/sys/conf/NOTES, /usr/src/sys/arch/conf/NOTES en de hulppagina van het stuurprogramma is na te lezen wat er in het kernelinstellingenbestand moet staan. In staat meer informatie over het compileren van een eigen kernel. Als een netwerkkaart al bij het opstarten wordt herkend door de kernel GENERIC, is er geen reden om een andere kernel te bouwen. Gebruik maken van &windows; NDIS-stuurprogramma's NDIS NDISulator &windows; drivers Microsoft Windows Microsoft Windows device drivers KLD (kernel loadable object) Helaas zijn er nog steeds veel leveranciers die geen schema's leveren voor stuurprogramma's aan de open-source gemeenschap, omdat ze deze informatie beschouwen als handelsgeheimen. Als gevolg daarvan hebben de ontwikkelaars van &os; en andere projecten twee keuzes: zelf de stuurprogramma's ontwikkelen door een langdurig en pijnlijk proces van de huidige stuurprogramma's te ontcijferen, of door gebruik te maken van de huidige binaire bestanden voor het µsoft.windows; platform. De meeste ontwikkelaars, inclusief diegeen die gekoppeld zijn aan &os;, hebben voor het laatste gekozen. Dankzij de bijdragen van Bill Paul (wpaul) is er vanaf &os; 5.3-RELEASE native ondersteuning voor de Network Driver Interface Specification (NDIS). De &os; NDISulator (ook wel bekend als Project Evil) neemt een binair &windows; stuurprogramma en doet net alsof deze in een &windows; systeem draait. Omdat het stuurprogramma &man.ndis.4; een &windows; binary gebruikt; is het alleen bruikbaar op &i386;- en amd64-systemen. Het stuurprogramma &man.ndis.4; is ontwikkeld om ondersteuning te geven aan PCI-, CardBus- en PCMCIA-apparaten, USB-apparaten worden nog niet ondersteund. Om gebruik te kunnen maken van de NDISulator heeft u drie dingen nodig: De bronbestanden van de kernel Een &windowsxp; stuurprogramma (met de extensie .SYS) Een instellingenbestand van het &windowsxp; stuurprogramma (met de extensie .INF) Lokaliseer de bestanden voor uw specifieke kaart. Over het algemeen kunnen deze gevonden worden op de bijgeleverde CD's of op de website van de leverancier. In de volgende voorbeelden maken we gebruik van W32DRIVER.SYS en W32DRIVER.INF. Let op, u kunt geen gebruik maken van een &windows;/i386 stuurprogramma op &os;/amd64, hiervoor zult u een &windows;/amd64 stuurprogramma moeten gebruiken om het werkend te krijgen. De volgende stap is het compileren van het binaire stuurprogramma in een laadbare kernelmodule. Om dit voor elkaar te krijgen moet &man.ndisgen.8; gebruikt worden als root. &prompt.root; ndisgen /pad/naar/W32DRIVER.INF /pad/naar/W32DRIVER.SYS Het gereedschap &man.ndisgen.8; is interactief en zal vragen om extra informatie als dat nodig is; het zal een kernelmodule produceren in de huidige map die als volgt gebruikt kan worden: &prompt.root; kldload ./W32DRIVER_SYS.ko Naast de gegenereerde kernelmodule, moeten ook de modules ndis.ko en if_ndis.ko geladen worden. Dit zou automatisch moeten gebeuren als er een module geladen wordt dit afhankelijk is van &man.ndis.4;. Als ze handmatig ingeladen moeten worden gebruik dan de volgende commando's: &prompt.root; kldload ndis &prompt.root; kldload if_ndis Het eerste commando laadt de stuurprogrammawrapper voor de NDIS miniport, de tweede laadt de daadwerkelijke netwerkinterface. Controleer nu &man.dmesg.8; om te zien of er ergens fouten voorkomen. Als alles goed gegaan is ziet u ongeveer het volgende: ndis0: <Wireless-G PCI Adapter> mem 0xf4100000-0xf4101fff irq 3 at device 8.0 on pci1 ndis0: NDIS API version: 5.0 ndis0: Ethernet address: 0a:b1:2c:d3:4e:f5 ndis0: 11b rates: 1Mbps 2Mbps 5.5Mbps 11Mbps ndis0: 11g rates: 6Mbps 9Mbps 12Mbps 18Mbps 36Mbps 48Mbps 54Mbps Vanaf dit moment kan de ndis0 net zo gebruikt worden als elke andere netwerkkaart (bv. dc0). Het systeem kan geconfigureerd worden zodat de NDIS-modules automatisch gestart worden tijdens het opstarten van het systeem, net zoals bij andere modules. Kopieer eerst de gegenereerde module W32DRIVER_SYS.ko naar de map /boot/modules. Voeg daarna de volgende regel toe aan /boot/loader.conf: W32DRIVER_SYS_load="YES" De netwerkkaart instellen netwerkkaarten instellen Nadat een geschikt stuurprogramma geladen is, moet de kaart nog ingesteld worden. Mogelijk is dit al gebeurd door sysinstall tijdens de installatie. Om de instellen van de netwerkkaarten weer te geven: &prompt.user; ifconfig dc0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 options=80008<VLAN_MTU,LINKSTATE> ether 00:a0:cc:da:da:da inet 192.168.1.3 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.1.255 media: Ethernet autoselect (100baseTX <full-duplex>) status: active dc1: flags=8802<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 options=80008<VLAN_MTU,LINKSTATE> ether 00:a0:cc:da:da:db inet 10.0.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 10.0.0.255 media: Ethernet 10baseT/UTP status: no carrier plip0: flags=8810<POINTOPOINT,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 lo0: flags=8049<UP,LOOPBACK,RUNNING,MULTICAST> metric 0 mtu 16384 options=3<RXCSUM,TXCSUM> inet6 fe80::1%lo0 prefixlen 64 scopeid 0x4 inet6 ::1 prefixlen 128 nd6 options=3<PERFORMNUD,ACCEPT_RTADV> In dit voorbeeld werden de volgende apparaten weergegeven: dc0: de eerste Ethernet-interface; dc1: de tweede Ethernet-interface; plip0: De parallele poort interface (mits er een parallele poort aanwezig is op de machine) lo0: het loopback-apparaat; &os; gebruikt de naam van het stuurprogramma gevolgd door een nummer voor de volgorde waarop de kaarten gedetecteerd zijn bij het opstarten. sis2 is de derde netwerkkaart in het systeem die het stuurprogramma &man.sis.4; gebruikt. In het vorige voorbeeld is het apparaat dc0 volledig operationeel. Dit blijkt uit de volgende indicatoren: UP betekent dat de kaart ingesteld is en klaar is voor gebruik; De kaart heeft een Internet (inet) adres (in dit geval 192.168.1.3); Het heeft een geldig subnetmasker (netmask; 0xffffff00 is hetzelfde als 255.255.255.0); Het heeft een geldig broadcastadres (in dit geval 192.168.1.255); Het MAC-adres van de kaart (ether) is 00:a0:cc:da:da:da; De fysieke mediaselectie staat in autoselectiemodus (media: Ethernet autoselect (100baseTX <full-duplex>)). dc1 is ingesteld om met 10baseT/UTP-media te werken. Meer informatie over de mogelijke mediatypes staan in de hulppagina's voor het betreffende stuurprogramma. De status van de verbinding (status) is active, dat wil zeggen dat de drager is gevonden. Bij dc1staat echter status: no carrier. Dit is normaal als er geen Ethernetkabel in de kaart gestoken is. Als de uitvoer &man.ifconfig.8; er ongeveer zoals hieronder uitziet, dan is de netwerkkaart nog niet ingesteld: dc0: flags=8843<BROADCAST,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500 options=80008<VLAN_MTU,LINKSTATE> ether 00:a0:cc:da:da:da media: Ethernet autoselect (100baseTX <full-duplex>) status: active Om de kaart in te stellen zijn root-rechten nodig. De netwerkkaart kan vanaf de console worden ingesteld met &man.ifconfig.8;, maar dan moet dat na elke herstart herhaald worden. Daarom wordt het vrijwel altijd in /etc/rc.conf gezet. In /etc/rc.conf moet voor elke netwerkkaart in een systeem een regel toegevoegd worden. In het huidige voorbeeld zou dat het volgende kunnen zijn: ifconfig_dc0="inet 192.168.1.3 netmask 255.255.255.0" ifconfig_dc1="inet 10.0.0.1 netmask 255.255.255.0 media 10baseT/UTP" dc0, dc1, enzovoort, moeten vervangen worden door de correcte stuurprogramma's voor de netwerkkaarten, zo ook de IP-adressen. In de handleiding van het stuurprogramma en van &man.ifconfig.8; staan meer details over de mogelijke opties en in &man.rc.conf.5; staat meer informatie over /etc/rc.conf. Als het netwerk al is ingesteld tijdens het installeren van &os; staan er al enkele regels met betrekking tot de netwerkkaart(en) in /etc/rc.conf. Het is dus handig /etc/rc.conf te controleren voordat er regels toegevoegd worden. Ook /etc/hosts moet worden gewijzigd om de namen en IP adressen van verschillende machines op het lokale netwerk, als ze er nog niet in staan. Meer informatie staat in &man.hosts.5; en /usr/share/examples/etc/hosts. - Als internet toegang benodigd is met dit apparaat, kan - het zijn dat de default gateway, en de naamserver handmatig + Als internettoegang nodig is met dit apparaat, kan + het zijn dat de default gateway en de naamserver handmatig moeten worden ingesteld: &prompt.root; echo 'defaultrouter="your_default_router"' >> /etc/rc.conf &prompt.root; echo 'nameserver your_DNS_server' >> /etc/resolv.conf Testen en problemen oplossen Als de veranderingen in /etc/rc.conf zijn gemaakt, moet het systeem opnieuw gestarten worden (of moeten nauwkeurig alle daemons gestart of herstart worden). Veranderingen aan de interface(s) worden dan toegepast en dan kan er controleerd worden of herstarten goed werkt zonder foutmeldingen. Als alternatief kan ook het netwerk systeem herstart worden: &prompt.root; /etc/rc.d/netif restart Als er ook een default gateway ingesteld is in het /etc/rc.conf bestand, moet ook onderstaand command worden gegeven: &prompt.root; /etc/rc.d/routing restart Zodra het netwerk systeem is herstart, moeten de netwerk interfaces opnieuw getest worden. Testen van de netwerkkaart netwerk kaarten testen Om te controleren of een ethernet kaart goed geconfigureerd is, moeten er twee dingen gedaan worden. Allereerst, ping de interface zelf, en daarna een andere machine op het LAN. Test eerst de lokale interface: &prompt.user; ping -c5 192.168.1.3 PING 192.168.1.3 (192.168.1.3): 56 data bytes 64 bytes from 192.168.1.3: icmp_seq=0 ttl=64 time=0.082 ms 64 bytes from 192.168.1.3: icmp_seq=1 ttl=64 time=0.074 ms 64 bytes from 192.168.1.3: icmp_seq=2 ttl=64 time=0.076 ms 64 bytes from 192.168.1.3: icmp_seq=3 ttl=64 time=0.108 ms 64 bytes from 192.168.1.3: icmp_seq=4 ttl=64 time=0.076 ms --- 192.168.1.3 ping statistics --- 5 packets transmitted, 5 packets received, 0% packet loss round-trip min/avg/max/stddev = 0.074/0.083/0.108/0.013 ms Nu kan er een andere machine op het LAN gepinged worden: &prompt.user; ping -c5 192.168.1.2 PING 192.168.1.2 (192.168.1.2): 56 data bytes 64 bytes from 192.168.1.2: icmp_seq=0 ttl=64 time=0.726 ms 64 bytes from 192.168.1.2: icmp_seq=1 ttl=64 time=0.766 ms 64 bytes from 192.168.1.2: icmp_seq=2 ttl=64 time=0.700 ms 64 bytes from 192.168.1.2: icmp_seq=3 ttl=64 time=0.747 ms 64 bytes from 192.168.1.2: icmp_seq=4 ttl=64 time=0.704 ms --- 192.168.1.2 ping statistics --- 5 packets transmitted, 5 packets received, 0% packet loss round-trip min/avg/max/stddev = 0.700/0.729/0.766/0.025 ms Dit kan ook worden geprobeerd met de machine naam in plaats van met 192.168.1.2 als dit geconfigureerd is in het /etc/hosts bestand. - + Problemen oplossen netwerk kaarten probleem oplossing Het testen en zoeken van problemen is altijd een pijnpunt, welke verminderd kan worden door een aantal simpele dingen eerst te controleren. Is de netwerkkabel ingestoken? Zijn de netwerk instellingen correct opgegeven? Is de firewall goed geconfigureerd? Is de netwerkkaart ondersteund door &os;? Controleer altijd de hardware notities voordat er een probleem rapport wordt verstuurd. Update naar de laatste -STABLE versie, en controleer de mailing lijsten en misschien zelfs het internet. Als de kaart werkt, maar de prestaties zijn slecht, dan kan het de moeite waard zijn om &man.tuning.7; door te nemen. Incorrecte netwerkinstellingen kunnen ook tot langzame verbindingen leiden. Soms kunnen enkele device timeouts optreden. Met sommige kaarten is dit normaal gedrag. Maar als dit continu gebeurt of storend is, is het verstandig uit te zoeken of er geen sprake is van een hardwareconfict tussen de netwerkkaart en een ander apparaat. Ook dient nogmaals de bekabeling gecontroleerd te worden. Misschien zit er niets anders op dan een andere netwerkkaart te gebruiken. Het is ook mogelijk dat er watchdog timeout foutmeldingen optreden. Als eerste moet dan de netwerkkabel gecontroleerd worden. Veel kaarten hebben een PCI-slot nodig dat Bus Mastering ondersteunt. Sommige oudere moederborden hebben maar één PCI-slot waarmee dit kan (meestal slot 0). In de documentatie van de netwerkkaart en het moederbord is na te gaan of dit het probleem is. No route to host meldingen treden op als het systeem niet in staat is om een pakket naar de eindbestemming te routeren. Dit kan gebeuren als er geen standaardroute aangegeven is of als er een kabel niet verbonden is. De uitvoer van netstat -rn moet gecontroleerd worden of er een geldige route is naar de bestemming. Mocht dit niet het geval zijn, dan staat er meer informatie in . ping: sendto: Permission denied foutmeldingen worden vaak veroorzaakt door een verkeerd ingestelde firewall. Als de kernel ipfw activeert bij het opstarten zonder dat er firewallregels zijn gedefiniëerd, is het standaardbeleid om alle verkeer te weigeren, zelfs pings! In staat meer informatie. Er kan ook sprake zijn van onvoldoende prestaties doordat de instelling van de mediaselectie niet optimaal is. In dergelijke gevallen is het mogelijk om de mediaselectie niet als autoselect in te stellen, maar expliciet aan te geven wat de mediaselectie moet zijn, bijvoorbeeld 10baseT/UTP voor twisted pair. Hoewel dit voor de meeste hardware helpt, kan het zijn dat de problemen blijven. Dan moeten nogmaals de netwerkinstellingen gecontroleerd worden en geeft de &man.tuning.7; handleiding wellicht meer informatie. Virtuele hosts virtuele hosts IP-aliassen &os; wordt veel gebruikt voor virtuele sitehosting, waarbij één fysieke server er op het netwerk uitziet alsof het meerdere servers zijn. Dit kan bereikt worden door meerdere IP-adressen toe te kennen aan dezelfde interface. Een bepaalde netwerkinterface heeft een echt adres en kan daarnaast een willekeurig aantal alias-adressen hebben. Normaliter worden dergelijke aliassen toegevoegd door aliasregels toe te voegen aan /etc/rc.conf. Een aliasregel voor de interface fxp0 ziet er zo uit: ifconfig_fxp0_alias0="inet xxx.xxx.xxx.xxx netmask xxx.xxx.xxx.xxx" De aliasregels moeten beginnen met alias0 en moete elkaar dan opvolgen (bijvoorbeeld _alias1,, _alias2, enzovoort). Het instelproces stopt als er een nummer ontbreekt. Het is belangrijk dat aliassen het juiste netmasker hebben. Dit is eenvoudig: Een bepaalde interface moet altijd één adres hebben dat het netmasker van het netwerk correct representeert. Elk ander adres binnen dit netwerk op deze interface (alias) moet een netmasker van allemaal 1'en (bits) hebben (getoond als 255.255.255.255 of 0xffffffff). Een voorbeeld. Stel de interface fxp0 is verbonden met twee netwerken, het netwerk 10.1.1.0 met masker 255.255.255.0 en het netwerk 202.0.75.16 met netmasker 255.255.255.240. Het systeem moet ook de adressen 10.1.1.1 tot en met 10.1.1.5 en 202.0.75.17 tot en met 202.0.75.20 krijgen. Zoals hierboven vermeld, heeft alleen het eerste adres in een netwerkreeks (in dit geval 10.0.1.1 en 202.0.75.17) een geldig netmasker. Alle overige (10.1.1.2 tot en met 10.1.1.5 en 202.0.75.18 tot en met 202.0.75.20) moeten ingesteld worden met het netmasker 255.255.255.255. De volgende regels voor /etc/rc.conf stellen een adapter in voor het bovenstaande scenario: ifconfig_fxp0="inet 10.1.1.1 netmask 255.255.255.0" ifconfig_fxp0_alias0="inet 10.1.1.2 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias1="inet 10.1.1.3 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias2="inet 10.1.1.4 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias3="inet 10.1.1.5 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias4="inet 202.0.75.17 netmask 255.255.255.240" ifconfig_fxp0_alias5="inet 202.0.75.18 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias6="inet 202.0.75.19 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias7="inet 202.0.75.20 netmask 255.255.255.255" Instellingenbestanden <filename class="directory">/etc</filename> layout Instellingengegevens wordt in een aantal mappen bewaard. Daar zijn onder andere: /etc Generieke systeeminstellingenbestanden, specifiek voor het systeem. /etc/defaults De standaardversies van systeeminstellingenbestanden. /etc/mail Extra &man.sendmail.8; instellingenbestanden of instellingenbestanden voor andere MTAs. /etc/ppp Instellingen voor zowel gebruiker- als kernel-ppp programma's. /etc/namedb Standaardlocatie voor &man.named.8; gegevens. Normaal gesproken bevinden zich hier named.conf en zonebestanden. /usr/local/etc Instellingenbestanden voor geïnstalleerde software. Kan submappen hebben waarin bij elkaar horende instellingengegevens van een applicatie gegroepeerd zijn. /usr/local/etc/rc.d Start- en stopscripts voor geïnstalleerde diensten. /var/db Automatisch gemaakte systeemspecifieke databasebestanden, zoals de pakketdatabase, de &man.locate.1; database, enzovoort. Hostnamen hostnaam DNS <filename>/etc/resolv.conf</filename> resolv.conf In /etc/resolv.conf wordt voorgeschreven op welke wijze &os; het Domain Name System (DNS) moet gebruiken. De meest voorkomende termen in resolv.conf zijn: nameserver Het IP-adres van een naamserver die ondervraagd moet worden voor naam/IP-conversie. De servers worden in volgorde geprobeerd en het maximale aantal is drie. search Zoeklijst voor het opzoeken van hostnamen. Meestal wordt deze bepaald door het domein waarop de lokale hostnaam zich bevindt. domain De lokale domeinnaam. Een typisch resolv.conf bestand: search example.com nameserver 147.11.1.11 nameserver 147.11.100.30 search en domain dienen niet tegelijk gebruikt te worden. Als DHCP wordt gebruikt: &man.dhclient.8; overschrijft meestal resolv.conf met informatie ontvangen van de DHCP-server. <filename>/etc/hosts</filename> hosts /etc/hosts is een eenvoudige tekstdatabase uit de dagen van het oude Internet. Het werkt samen met DNS en NIS om namen en IP adressen over en weer te vertalen. Lokale computers, verbonden via een LAN, kunnen hier het beste in opgenomen worden om zo op simpele wijze naam/IP conversie voor een LAN te hebben, zonder noodzaak voor een &man.named.8; server. Ook kunnen naamaliassen toegekend worden (vergelijkbaar met CNAMES bij DNS). Op soortgelijke wijze kan /etc/hosts gebruikt worden als een (zeer beperkte) lokale DNS cache. # $&os;$ # # Host Database # Dit bestand hoort de adressen en aliassen te bevatten # voor de lokale hosts die dit bestand gebruiken. # Bij gebruik van DNS of NIS hoeft dit bestand helemaal niet gebruikt # te worden. Zie /etc/nsswitch.conf voor de volgorde van resolutie. # # ::1 localhost localhost.my.domain myname.my.domain 127.0.0.1 localhost localhost.my.domain myname.my.domain # # Verzonnen netwerk. #10.0.0.2 myname.my.domain myname #10.0.0.3 myfriend.my.domain myfriend # # Volgens RFC 1918 mogen de volgende IP netwerken gebruikt worden # als private netwerken die niet met Internet verbonden zijn: # # 10.0.0.0 - 10.255.255.255 # 172.16.0.0 - 172.31.255.255 # 192.168.0.0 - 192.168.255.255 # # Als er toch verbinding moet zijn met Internet, zijn echte # officieel toegewezen nummers nodig. Probeer ECHT GEEN eigen # netwerknummers te verzinnen, maar vraag ze op bij de provider # (als die er is) of bij de Internet Registry (ftp naar # rs.internic.net, map `/templates'). # /etc/hosts heeft als formaat: [Internet address] [official hostname] [alias1] [alias2] ... Bijvoorbeeld: 10.0.0.1 myRealHostname.example.com myRealHostname foobar1 foobar2 In &man.hosts.5; staat meer informatie. Logboekbestanden instellen logboekbestanden <filename>syslog.conf</filename> syslog.conf syslog.conf is het instellingenbestand voor het programma &man.syslogd.8;. Het geeft aan welke soorten syslog-berichten er gelogd moeten worden en naar welke logboekbestanden, apparaten, gebruikers of machines. # $&os;$ # # Spaties zijn TOEGESTAAN als veldscheiding in dit bestand. # Maar andere *nix-achtige systemen eisen nog steeds het gebruik # van tabs als veldscheiding. Als dit bestand gedeeld wordt met # andere systemen, is het verstandig alle tabs als veldscheiding # te gebruiken. # Zie ook de handleding van syslog.conf(5). *.err;kern.debug;auth.notice;mail.crit /dev/console *.notice;kern.debug;lpr.info;mail.crit;news.err /var/log/messages security.* /var/log/security mail.info /var/log/maillog lpr.info /var/log/lpd-errs cron.* /var/log/cron *.err root *.notice;news.err root *.alert root *.emerg * # verwijder het commentaarkarakter om alle schrijfacties naar # /dev/console naar /var/log/console.log te schrijven. #console.info /var/log/console.log # verwijder het commentaarkarakter om alle berichten naar # /var/log/all.log te schrijven. #*.* /var/log/all.log # # verwijder het commentaarkarakter om alle logs naar een andere # host in te schakelen met de naam loghost. #*.* @loghost # # verwijder het commentaarkarakter als inn draait. # news.crit /var/log/news/news.crit # news.err /var/log/news/news.err # news.notice /var/log/news/news.notice !startslip *.* /var/log/slip.log !ppp *.* /var/log/ppp.log In &man.syslog.conf.5; staat meer informatie. <filename>newsyslog.conf</filename> newsyslog.conf newsyslog.conf is het instellingenbestand voor &man.newsyslog.8;, een programma dat op gezette tijden via &man.cron.8; wordt uitgevoerd. &man.newsyslog.8; stelt vast wanneer logboekbestanden gearchiveerd moeten worden of anderszins opnieuw gerangschikt moeten worden. logfile wordt hernoemd naar logfile.0, logfile.0 naar logfile.1, enzovoort. newsyslog.conf geeft aan welke logboekbestanden beheerd moeten worden, hoeveel er in archieven bewaard moeten worden en wanneer ze aangemaakt moeten worden. Logboekbestanden kunnen gereorganiseerd en/of gearchiveerd worden als ze een bepaalde grootte bereikt hebben of op een bepaald periodiek tijdstip of een bepaalde datum. # instellingenbestand voor newsyslog # $&os;$ # # filename [owner:group] mode count size when [ZB] [/pid_file] [sig_num] /var/log/cron 600 3 100 * Z /var/log/amd.log 644 7 100 * Z /var/log/kerberos.log 644 7 100 * Z /var/log/lpd-errs 644 7 100 * Z /var/log/maillog 644 7 * @T00 Z /var/log/sendmail.st 644 10 * 168 B /var/log/messages 644 5 100 * Z /var/log/all.log 600 7 * @T00 Z /var/log/slip.log 600 3 100 * Z /var/log/ppp.log 600 3 100 * Z /var/log/security 600 10 100 * Z /var/log/wtmp 644 3 * @01T05 B /var/log/daily.log 640 7 * @T00 Z /var/log/weekly.log 640 5 1 $W6D0 Z /var/log/monthly.log 640 12 * $M1D0 Z /var/log/console.log 640 5 100 * Z In &man.newsyslog.8; staat meer informatie. <filename>sysctl.conf</filename> sysctl.conf sysctl sysctl.conf lijkt veel op rc.conf. Waardetoekenning heeft weer de vorm variable=value. De ingestelde &man.sysctl.8;-waarden worden doorgevoerd op het moment dat het systeem naar multi-user modus gaat. Niet alle variabelen kunnen in deze modus gewijzigd worden. Om te voorkomen dat er logregels geplaatst worden als processen crashen en om te voorkomen dat andere gebruikers kunnen zien welke processen er gestart zijn door een andere gebruiker, kunnen de volgende instellingen worden gezet in sysctl.conf: #Log exits met fatale signalen niet (bv. sig 11) kern.logsigexit=0 # Voorkom dat gebruikers informatie zien over processen die # worden gedraaid onder een ander UID. security.bsd.see_other_uids=0 Optimaliseren met sysctl sysctl optimalisering met sysctl &man.sysctl.8; is een interface waarmee veranderingen gemaakt kunnen worden aan een draaiend &os;-systeem. Er zijn onder meer vele geavanceerde opties voor de TCP/IP-stack en het virtuele geheugensysteem, waarmee een ervaren systeembeheerder de systeemprestaties drastisch kan verbeteren. Met &man.sysctl.8; kunnen meer dan vijfhonderd systeemvariabelen opgevraagd en ingesteld worden. In essentie heeft &man.sysctl.8; twee functies: het lezen en wijzigen van systeeminstellingen. Om alle leesbare variabelen te tonen: &prompt.user; sysctl -a Om een bepaalde variabele op te vragen, bijvoorbeeld kern.maxproc: &prompt.user; sysctl kern.maxproc kern.maxproc: 1044 Om een bepaalde variabele toe te kennen (te wijzigen), is de syntaxis variable=value: &prompt.root; sysctl kern.maxfiles=5000 kern.maxfiles: 2088 -> 5000 Waarden van sysctl-variabelen zijn doorgaans strings (tekst), getallen of booleans (1 als waar, 0 als onwaar). Om automatisch variabelen in te stellen als de machine start, kunnen ze toegevoegd worden aan /etc/sysctl.conf. Meer informatie staat in &man.sysctl.conf.5; en . Tom Rhodes Geschreven door &man.sysctl.8; alleen-lezen In sommige gevallen is het wenselijk om &man.sysctl.8;-waarden die alleen-lezen zijn toch te wijzigen. Hoewel dit soms onontkoombaar is, kan het alleen bij een (her)start gedaan worden. Op sommige laptops is bijvoorbeeld het apparaat &man.cardbus.4; niet in staat om geheugenregio's af te tasten, met als gevolg foutmeldingen als: cbb0: Could not map register memory device_probe_and_attach: cbb0 attach returned 12 In dergelijke gevallen moeten er meestal enkele &man.sysctl.8;-instellingen gewijzigd worden die alleen-lezen zijn en een standaardwaarde hebben. Dit kan bereikt worden door &man.sysctl.8; OIDs in de lokale /boot/loader.conf te zetten. Standaardinstellingen staan in /boot/defaults/loader.conf. Om het bovenstaande probleem op te lossen moet in /boot/loader.conf hw.pci.allow_unsupported_io_range=1 ingesteld worden. Dan werkt &man.cardbus.4; wel goed. Harde schijven optimaliseren Sysctl-variabelen <varname>vfs.vmiodirenable</varname> vfs.vmiodirenable De sysctl-variabele vfs.vmiodirenable kan de waarde 0 (uit) of 1 (aan) hebben. De standaardwaarde is 1. Deze variabele bepaalt hoe mappen door het systeem in een cache bewaard worden. De meeste mappen zijn klein en gebruiken slechts een klein fragment (typisch 1 K) in het bestandssysteem en nog minder (typisch 512 bytes) in de buffercache. Als deze variabele uit staat (op 0) bewaart de buffercache slechts een bepaald aantal mappen in de cache, ook al is er een overvloed aan geheugen beschikbaar. Wanneer deze aan staat (op 1), wordt de VM paginacache gebruikt, waardoor voor het cachen van mappen al het geheugen kan worden gebruikt. Het is echter wel zo dat het minimale in-core geheugen dat gebruikt wordt om een map te cachen in dat geval de fysieke paginagrootte is (typisch 4 K) in plaats van 512  bytes. Het is aan te raden deze optie aan te laten staan als gebruik gemaakt wordt van diensten die met grote aantallen bestanden werken, zoals webcaches, grote mailsystemen en newsservers. Als deze optie aan blijft staan, verlaagt die de prestaties niet, ook al kost het meer geheugen. Door experimenteren is dit voor een systeem na te gaan. <varname>vfs.write_behind</varname> vfs.write_behind De sysctl-variabele vfs.write_behind staat standaard aan (1). Dit betekent dat het bestandssysteem gegevens naar het medium gaat schrijven op het moment dat er een volledig cluster aan gegevens verzameld is. Dit is meestal het geval bij het schrijven van grote sequentiële bestanden. Het idee is om te voorkomen dat de buffercache verzadigd raakt met vuile buffers zonder dat dit bijdraagt aan de I/O-prestaties. Dit kan echter processen ophouden en onder sommige omstandigheden is het wellicht beter deze sysctl uit te zetten. <varname>vfs.hirunningspace</varname> vfs.hirunningspace De sysctl-variabele vfs.hirunningspace bepaalt hoeveel nog te schrijven gegevens er in het complete systeem op elk moment in de wachtrij naar schijfcontrollers mag staan. De standaardwaarde is meestal voldoende, maar op machines met veel schijven, is het beter deze te verhogen naar vier of vijf megabyte. Het instellen van een te hoge waarde (groter dan de schrijfdrempel van de buffercache) kan leiden tot zeer slechte prestaties bij clustering. Stel deze waarde niet arbitrair hoog in! Hogere schrijfwaarden kunnen vertraging veroorzaken in het lezen, als dit tegelijk plaatsvindt. Er zijn verscheidene andere sysctl's voor buffercache en VM-pagecache. Het wordt afgeraden deze te wijzigen. Het VM-systeem is zeer goed in staat zichzelf automatisch te optimaliseren. <varname>vm.swap_idle_enabled</varname> vm.swap_idle_enabled De sysctl-variabele vm.swap_idle_enabled is nuttig in grote meergebruikersystemen met veel gebruikers die af- en aanmelden en veel onbenutte processen. Dergelijke systemen hebben de neiging om voortdurend de vrije geheugenreserves onder druk te zetten. Het is mogelijk om de prioriteit van geheugenpagina's die verband houden met onbenutte processen sneller te laten dalen dan met het normale pageout-algoritme, door deze sysctl aan te zetten en via vm.swap_idle_threshold1 en vm.swap_idle_threshold2 de swapout hysterese (in seconden onbenut) af te stemmen. Deze optie dient alleen gebruikt te worden als ze echt nodig is, want de andere kant van de medaille is dat dit eerder pre-page geheugen inhoudt in plaats van later, waardoor het meer wisselbestand- en schijfbandbreedte kost. In een klein systeem heeft deze optie een voorspelbaar effect, maar in grote systemen waar al sprake is van een matige paging kan deze optie het mogelijk maken voor het VM-systeem om hele processen gemakkelijk in en uit het geheugen te halen. <varname>hw.ata.wc</varname> hw.ata.wc Ten tijde van &os; 4.3 is er geflirt met het uitzetten van IDE-schrijfcaching. Hierdoor neemt de bandbraadte naar IDE-schijven af, maar het werd als noodzakelijk beschouwd vanwege ernstige problemen met gegevensinconsistentie die door harde schijfproducenten geëintroduceerd waren. Het probleem is dat IDE-schijven niet de waarheid vertellen over wanneer een schrijfactie klaar is. Door IDE-schrijfcaching wordt data niet alleen ongeordend geschreven, maar soms kan zelfs het schrijven van sommige blokken voortdurend uitgesteld worden als er sprake is van een hoge schijfbelasting. Een crash of stroomstoring kan dan ernstige corruptie aan het bestandssysteem veroorzaken. Daarom werd de standaardinstelling van &os; voor alle zekerheid gewijzigd. Helaas was het resultaat een groot verlies aan prestaties en na die uitgave is de standaardwaarde weer terug veranderd. Met de sysctl-variabele hw.ata.wc kan gecontroleerd worden of schrijfcaching aan of uit staat. Als schrijfcaching uit staat, kan het die weer aangezet worden door hw.ata.wc op 1 te zetten. Aangezien dit een kernelvariabele is, moet deze ingesteld worden vanuit de bootloader tijdens het opstarten. Nadat de kernel eenmaal opgestart is, heeft het wijzigen van deze sysctl geen effect. Meer informatie staat in &man.ata.4;. <literal>SCSI_DELAY</literal> (<varname>kern.cam.scsi_delay</varname>) kern.cam.scsi.delay kernelopties SCSI_DELAY De kernelinstelling SCSI_DELAY kan gebruikt worden om de opstarttijd te versnellen. De standaardwaarde is nogal hoog en kan 15 seconden vertraging veroorzaken. Met modernere SCSI-systemen is 5 seconden al voldoende. Nieuwere versies van &os; (5.0 en hoger) gebruiken de opstartvariabele kern.cam.scsi_delay. Zowel deze als de optie SCSI_DELAY gebruiken waarden uitgedrukt in milliseconden en niet in seconden. Softupdates Softupdates tunefs &man.tunefs.8; kan gebruikt worden om een bestandsysteem nauwkeurig af te stellen. Het heeft veel opties, maar nu wordt alleen het aan- en uitzetten van softupdates besproken. Dat gaat als volgt: &prompt.root; tunefs -n enable /filesystem &prompt.root; tunefs -n disable /filesystem Een bestandssysteem kan niet met &man.tunefs.8; gewijzigd worden als het aangekoppeld is. Softupdates aanzetten wordt dus in het algemeen gedaan vanuit enkelegebruikermodus, voordat partities aangekoppeld zijn. Softupdates zorgen voor een drastische verbetering van de prestaties met betrekking tot metagegevens, met name het aanmaken en verwijderen van bestanden, door gebruik van een geheugencache. Het wordt dan ook aangeraden om op alle bestandssystemen softupdates te gebruiken. Er zijn twee nadelen aan softupdates: softupdates garanderen een consistent bestandssysteem in geval van een crash, maar het kan makkelijk enkele seconden (zelfs een minuut) achter liggen met het daadwerkelijk bijwerken op de fysieke harde schijf. Als een systeem crasht gaat wellicht meer werk verloren dan anders het geval zou zijn. Daarnaast vertragen softupdates het vrijgeven van bestandssysteemblokken. Als een bestandssysteem (zoals de rootpartitie) bijna vol is, dan kan het verrichten van een grote update, zoals make installworld, ertoe leiden dat het bestandssysteem ruimtegebrek krijgt en dat daardoor de operatie mislukt. Meer over softupdates Softupdates details Er zijn traditioneel twee methodes om de metagegevens van een bestandssysteem terug naar de schijf te schrijven. Het bijwerken van metagegevens houdt het bijwerken van van niet-inhoudelijke gegevens zoals inodes of mappen in. Historisch gezien was het gebruikelijk om updates aan metagegevens synchroon weg te schrijven. Als een map bijvoorbeeld gewijzigd was, wachtte het systeem totdat de verandering daadwerkelijk naar de schijf geschreven was. De gegevensbuffers (de inhoud van een bestand) werden doorgeschoven naar de buffercache en op een later moment asynchroon op de schijf opgeslagen. Het voordeel van deze benadering is dat ze altijd veilig is. Als het systeem faalt tijdens het bijwerken, zijn de metagegevens nog altijd consistent. Een bestand kan volledig gecreëerd zijn of helemaal niet. Als de gegevensblokken van een bestand nog niet van de buffercache naar de schijf geschreven zijn ten tijde van de crash, is &man.fsck.8; in staat om dit te herkennen en het bestandssysteem te repareren door de lengte van het bestand nul te maken. Deze implementatie is ook helder en eenvoudig. Het nadeel is echter dat het wijzigen van metagegevens een traag proces is. Een rm -r benadert bijvoorbeeld alle bestanden in een map sequentiëel, maar elke mapverandering (verwijderen van een bestand) wordt synchroon naar de schijf geschreven. Dit omvat ook het bijwerken van de map zelf, van de inodetabel en mogelijk ook van indirecte blokken die voor het bestand in kwestie zijn gealloceerd. Gelijksoortige processen spelen zich af bij een commando als tar -x, waarbij een grote bestandshiëearchie wordt uitgepakt. De tweede mogelijkheid is om het bijwerken van metagegevens asynchroon weg te schrijven. Dit is standaard in &linux;/ext2fs en als een *BSD UFS-bestandssysteem met mount -o async aangekoppeld is, is de werking hetzelfde. Alle bijwerkingen aan metagegevens worden eenvoudigweg doorgegeven aan de buffercache en vermengd met inhoudelijke updates van de bestandsgegevens. Het voordeel is een grote winst aan snelheid, omdat er niet telkens gewacht hoeft te worden op het bijwerken van metagegevens tot deze daadwerkelijk naar de schijf geschreven zijn. De implementatie is ook in dit geval helder en eenvoudig. Het grote nadeel is uiteraard dat er geen enkele garantie is voor de consistentie van het bestandssysteem. Als het systeem faalt tijdens een operatie waarbij veel metagegevens worden bijgewerkt (bijvoorbeeld door een stroomstoring of iemand drukt op de resetknop), blijft het bestandssysteem in een onvoorspelbare toestand achter. Er is geen mogelijkheid om de toestand van het bestandssysteem te onderzoeken als het systeem weer opstart, want de gegevensblokken van een bestand kunnen al weggeschreven zijn geweest terwijl het wegschrijven van bijwerkingen aan de inodetabel of de bijhorende map nog niet plaats heeft gevonden. Het is zelfs onmogelijk om een fsck te implementeren die de overgebleven chaos kan opruimen: de benodigde informatie is gewoon niet volledig aanwezig op de schijf. Als een bestandssysteem op deze manier onherstelbaar beschadigd is, is de enige optie &man.newfs.8; te gebruiken en vervolgens te herstellen van een backup. De gebruikelijke oplossing voor dit probleem is het implementeren van dirty region logging, ook wel journaling genoemd, hoewel deze term niet consistent gebruikt wordt en soms ook wordt gebruikt voor andere vormen van transactielogging. Het bijwerken van metagegevens wordt nog steeds synchroon geschreven, maar slechts naar een klein gebied van de schijf. Later worden ze dan naar de juiste locatie verplaatst. Omdat het loggebied klein is, hoeven de koppen van de schijf zelfs tijdens schrijfintensieve operaties nog maar over een kleine fysieke afstand te bewegen en door deze snellere respons zijn dit soort operaties sneller dan op de traditionele manier. De extra complexiteit van de implementatie is nogal beperkt, dus het risico van introductie van extra bugs valt mee. Een nadeel is dat alle metagegevens tweemaal geschreven worden (eerst naar het loggebied en later nog eens naar de definitieve locatie). Dus bij normaal gebruik kan er sprake zijn van wat men wel noemt een performance pessimization. Anderzijds kunnen in geval van een crash alle nog uitstaande metagegevensoperaties snel worden teruggedraaid of vanuit het loggebied alsnog worden afgemaakt wanneer de machine weer opstart. Het bestandssysteem start dan snel op. Kirk McKusick, de vader van het Berkeley FFS, loste dit probleem op met softupdates, wat betekent dat alle uitstaande acties voor het bijwerken van metagegevens in het geheugen bewaard worden en dan geordend naar de schijf geschreven worden. Dit heeft het gevolg dat in geval van intensieve operaties met betrekking tot metagegevens, latere bijwerkingen aan een item eerdere bewerkingen opvangen (catch) als deze nog in het geheugen zitten en nog niet weggeschreven waren. Dus alle operaties, op bijvoorbeeld een map, worden in het algemeen eerst in het geheugen uitgevoerd voordat er wordt bijgewerkt naar schijf. De gegevensblokken worden geordend conform hun positie, zodat ze nooit weggeschreven worden voordat hun metagegevens geschreven zijn. Als het systeem een crash ondervindt, veroorzaakt dat impliciet het terugdraaien van uitstaande operaties (log rewind): alle operaties die nog niet weggeschreven waren lijken nooit gebeurd te zijn. Zo wordt een consistent bestandssysteem in stand gehouden dat eruit ziet alsof het 30 tot 60 seconden eerder was. Het gebruikte algoritme garandeert dat alle bronnen die in gebruik zijn als zodanig gemarkeerd worden in hun daarvoor geschikte bitmaps: blokken en inodes. Na een crash is de enige allocatiefout die kan optreden dat bronnen gemarkeerd kunnen zijn als in gebruik (used), terwijl ze feitelijk alweer beschikbaar (free) zijn. &man.fsck.8; herkent deze situatie en stelt dergelijke vrij te maken bronnen opnieuw beschikbaar. Het is volkomen veilig om na een crash te negeren dat het bestandssysteem niet schoon is en het tot aankoppelen te dwingen met mount -f. Om niet langer gebruikte bronnen vrij te maken moet later &man.fsck.8; uitgevoerd worden. Dit is dan ook het idee achter background fsck: op het moment dat het systeem aan het opstarten is, wordt er alleen een snapshot van het systeem bewaard. fsck kan later uitgevoerd worden. Alle bestandssystemen kunnen dirty aangekoppeld worden en het systeem kan gewoon verder opstarten naar meergebruikermodus. Vervolgens zijn er fscks gepland die in de achtergrond draaien voor elk bestandssysteem dat niet schoon is en waarmee bezette bronnen vrijgegeven worden. Bestandssystemen die geen gebruik maken van softupdates moeten echter nog steeds gebruik maken van de normale fsck in de voorgrond. Het voordeel van softupdates is dat operaties op metagegevens bijna net zo snel zijn als asynchrone updates (dat wil zeggen sneller dan met logging, waarbij de metagegevens keer op keer geschreven worden). Nadelen zijn de complexiteit van de code (wat een groter risico op bugs impliceert in een gebied dat bijzonder gevoelig is voor verlies van gebruikersgegevens) en een groter geheugenverbruik. Tevens moet de gebruiker wennen aan enkele eigenaardigheden. Na een crash lijkt de toestand van het bestandssysteem wat ouder. In situaties waar de standaard synchrone benadering een aantal lege bestanden zou hebben achtergelaten na fsck, is het met softupdates juist zo dat dergelijke bestanden er helemaal niet zijn, omdat de metagegevens of de bestandsinhoud nooit naar de schijf zijn geschreven. Schijfruimte wordt pas vrijgegeven als de bijwerkingen aan metagegevens en inhoudelijke bestandsgegevens weggeschreven zijn, wat mogelijk pas enige tijd na het uitvoeren van rm plaatsvindt. Dit kan problemen veroorzaken als er grote hoeveelheden gegevens naar een bestandssysteem geschreven worden dat onvoldoende vrije ruimte heeft om alle bestanden twee keer te kunnen bevatten (bijvoorbeeld in /tmp). Fijnafstemming van kernellimieten fijnafstemming kernellimieten Bestandsproceslimieten <varname>kern.maxfiles</varname> kern.maxfiles kern.maxfiles kan worden verhoogd of verlaagd, afhankelijk van de systeembehoeften. Deze variabele geeft het maximale aantal bestandsdescriptors op een systeem. Als de bestandsdescriptortabel vol is, toont de systeembuffer meerdere malen file: table is full, het geen achteraf te zien is met dmesg. Elk geopend bestand, socket of fifo heeft een bestandsdescriptor. Een grote produktieserver kan makkelijk enige duizenden bestandsdescriptors nodig hebben, afhankelijk van het soort en aantal diensten die tegelijk draaien. In oudere versies van &os; werd de standaard waarde van kern.maxfiles afgeleid van de optie in het kernelconfiguratiebestand. kern.maxfiles groeit evenredig met de waarde van maxusers. Als een aangepaste kernel wordt gebouwd, is het een goed idee om deze kerneloptie in te stellen afhankelijk van het gebruikt van een systeem (maar niet te laag). Hoewel een produktieserver misschien niet 256 gelijktijdige gebruikers heeft, kunnen de benodigde systeembronnen het beste vergeleken worden met een grootschalige webserver. De optie maxusers stelt de grootte van een aantal belangrijke systeemtabellen in. Dit aantal moet ruwweg gelijk zijn aan het aantal gebruikers dat verwacht wordt gelijktijdig van de machine gebruik te maken. Vanaf &os; 4.5 wordt kern.maxusers automatisch ingesteld tijdens het opstarten gebaseerd op de hoeveelheid beschikbare geheugen in het systeem en kan worden vastgesteld tijdens het draaien door te kijken naar de alleen-lezen sysctl kern.maxusers. Sommige configuraties hebben grotere of kleinere waarden nodig van kern.maxusers, deze kunnen worden gezet als een opstartvariabele. Waardes van 64, 128 en 256 zijn daarin niet ongewoon. We raden aan om niet boven de 256 te gaan tenzij er heel veel bestandsdescriptors benodigd zijn; veel van de aanpasbaare waarden die standaard worden bepaald door kern.maxusers kunnen individueel worden overschreven tijdens het opstarten en/of tijdens het draaien van het systeem in /boot/loader.conf (zie de handleiding &man.loader.conf.5; of het bestand /boot/defaults/loader.conf voor een paar aanwijzingen) of zoals elders beschreven in dit document. Systemen die ouder zijn dan &os; 4.4 moeten deze waarden instellen via de kerneloptie &man.config.8; . Voor oudere versies stelt het systeem deze waarde zelf in als deze uitdrukkelijk op 0 is gezet. Het auto-tuning-algoritme stelt maxusers in afhankelijk van de hoeveelheid geheugen in het systeem, met een minimum van 32 en een maximum van 384. Als het gewenst is om deze waarde zelf aan te geven, wordt aangeraden om maxusers minstens op 4 te zetten, met name als het X Window systeem in gebruik is of als er software gecompileerd wordt. De reden hiervoor is dat de belangrijkste tabel die door maxusers ingesteld wordt, het maximum aantal processen is, dat ingesteld wordt op 20 + 16 * maxusers, dus als maxusers op 1 ingesteld wordt, zijn er maar 36 gelijktijdige processen mogelijk, inclusief de ongeveer achttien processen die door het systeem tijdens het opstarten start en de ongeveer vijftien processen die waarschijnlijk aangemaakt worden door het opstarten van het X Window systeem. Zelfs een eenvoudige taak als het afbeelden van een hulppagina start negen processen op om de pagina te filteren, te decomprimeren en af te beelden. Als maxusers op 64 ingesteld wordt, zijn er 1044 gelijktijdige processen mogelijk, wat genoeg moet zijn voor bijna alle soorten gebruik. Als echter de gevreesde fout proc table full verschijnt als er geprobeerd wordt om een programma op te starten of als er een server gedraaid wordt met een groot aantal gelijktijdige gebruikers, zoals ftp.FreeBSD.org, kan het getal altijd verhoogd worden en kan de kernel opnieuw gebouwd worden. maxusers stelt geen grens aan het aantal gebruikers dat zich op de machine kan aanmelden. Het stelt gewoon verschillende tabelgroottes in op redelijke waardes, uitgaande van het maximum aantal gebruikers dat waarschijnlijk de machine gebruikt en van het aantal processen dat elk van deze gebruikers zal draaien. Een sleutelwoord dat wel het aantal gelijktijdige aanmeldingen op afstand en X-terminalvensters begrensd is pseudo-device pty 16. In &os; 5.X kan dit getal genegeerd worden omdat daar het stuurprogramma &man.pty.4; auto-cloning is. Er kan eenvoudig gebruik worden gemaakt van de regel device pty in het instellingenbestand. <varname>kern.ipc.somaxconn</varname> kern.ipc.somaxconn De sysctl-variabele kern.ipc.somaxconn beparkt de grootte van de luisterwachtrij voor het accepteren van nieuwe TCP-verbindingen. De standaardwaarde van 128 is meestal te laag voor robuuste behandeling van nieuwe verbindingen in een zwaarbeladen webserveromgeving. Voor zulke omgevingen wordt aangeraden deze waarde te verhogen tot 1024 of hoger. De dienstdaemon beperkt misschien zelf de luisterwachtrij (bijvoorbeeld &man.sendmail.8; of Apache), maar heeft vaak een mogelijkheid in een configuratiebestand de wachtrijgrootte aan te passen. Grote luisterwachtrijen zijn ook beter in het ontwijken van Ontzegging van Dienst (DoS) aanvallen. Netwerkbeperkingen De kerneloptie NMBCLUSTERS bepaalt het aantal netwerk-Mbufs dat beschikbaar is voor een systeem. Een veel bezochte server met een laag aantal Mbufs beperkt de mogelijkheden van &os;. Elk cluster staat voor ongeveer 2 K geheugen, dus een waarde van 1024 stelt 2 megabyte aan kernelgeheugen voor, dat is gereserveerd voor netwerkbuffers. Een simpele berekening geeft aan hoeveel er nodig is. Stel dat een webserver met een maximum van 1000 simultane verbindingen voor elke verbinding 16 K aan ontvangstnetwerkbuffers en 16 K aan zendbuffers kost, dan is ongeveer 32 MB aan netbuffers nodig voor de webserver. Een goede vuistregel is te vermeniguldigen met twee, dus 2x32 MB / 2 KB = 64 MB / 2 kB = 32768. Voor machines met veel geheugen wordt 4096 tot 32768 aangeraden. Er moet in geen geval een arbitrair hoge waarde voor deze sysctl opgegeven worden, want dat kan leiden tot een crash tijdens het opstarten. Met de optie van &man.netstat.1; kan het clustergebruik van het netwerk bekeken worden. De loaderparameter kern.ipc.nmbclusters moet gebruikt worden om dit tijdens het opstarten toe te passen. Alleen voor oudere versies van &os; is het nodig om de kerneloptie NMBCLUSTERS te gebruiken. Voor drukke servers die extensief gebruik maken van de systeemaanroep &man.sendfile.2;, kan het nodig zijn het aantal &man.sendfile.2;-buffers te verhogen via de kerneloptie NSFBUFS of door de waarde in te stellen in /boot/loader.conf (in &man.loader.8; staan details). Als er in de procestabel processen staan met een status sfbufa is dat een algemene indicator dat deze parameter aangepast moet worden. De sysctl-variabele kern.ipc.nsfbufs is alleen-lezen en laat zien op welke waarde deze kernelvariabele is ingesteld. Deze parameter schaalt engiszins met de variabele kern.maxusers, maar het kan nodig zijn om deze bij te stellen. Zelfs als een socket als non-blocking gemarkeerd is, dan nog kan het aanroepen van &man.sendfile.2; op de non-blocking socket ertoe leiden dat er toch blokkade optreedt totdat er voldoende struct sf_buf's vrijgemaakt zijn. <varname>net.inet.ip.portrange.*</varname> net.inet.ip.portrange.* De sysctl-variabelen net.inet.ip.portrange.* bepalen welke reeks poortnummers automatisch gebonden wordt aan TCP- en UDP-sockets. Er zijn drie gebieden: een laag gebied, een (standaard) middengebied en een hoog gebied. De meeste netwerkprogramma's gebruiken het standaardbereik, wat begrensd wordt door net.inet.ip.portrange.first en net.inet.ip.portrange.last met standaardwaarden van respectievelijk 1024 en 5000. Gebonden poortreeksen worden gebruikt voor uitgaande verbindingen en het is onder bepaalde omstandigheden mogelijk dat poorten op raken. Dit gebeurt meestal in het geval van een zwaar belaste webproxy. Poortbereik is niet van belang als vooral diensten draaien die zich bezighouden met inkomende verbindingen, zoals een normale webserver, of als het aantal uitgaande verbindingen beperkt is, zoals bij een mailrelay. Voor situaties waarin een tekort aan poorten dreigt, wordt aangeraden om net.inet.ip.portrange.last bescheiden op te hogen. Een waarde van 10000, 20000 of 30000 is redelijk. Er moet ook rekening met effecten op firewalls gehouden worden als de poortreeks gewijzigd wordt. Sommige firewalls kunnen grote poortreeksen blokkeren, meestal de lagere poorten, en verwachten dat andere systemen hogere poorten gebruiken voor uitgaande verbindingen. Om deze reden wordt het niet aanbevolen om net.inet.ip.portrange.first te verlagen. TCP Bandbreedtevertragingsproduct (TCP Bandwidth Delay Product) TCP bandbreedtevertragingsproduct net.inet.tcp.inflight.enable De TCP-bandbreedtevertragingsproductlimitatie lijkt op TCP/Vegas in NetBSD. Het kan aangezet worden door de sysctl-variabele net.inet.tcp.inflight.enable de waarde 1 te geven. Het systeem tracht dan het bandbreedtevertragingssprodukt te berekenen voor elke verbinding en beperkt dan de hoeveelheid gegevens in de wachtrij naar het netwerk tot de hoeveelheid die vereist is om maximale doorvoer te kunnen handhaven. Dit is nuttig bij gebruik van modems, Gigabit Ethernet of zelfs bij WAN-verbindingen met hoge snelheid (of elke andere verbinding met een groot bandbreedtevertragingsprodukt), in het bijzonder als ook windowschaling of een groot verzendwindow gebruikt wordt. Als deze optie aangezet wordt, dient ook net.inet.tcp.inflight.debug de waarde 0 te krijgen (geen debugging) en voor produktiegebruik kan het instellen van net.inet.tcp.inflight.min naar minstens 6144 voordeel opleveren. Het instellen van hoge minima kan effectief het beperken van bandbreedte ondermijnen, afhankelijk van de verbinding. De mogelijkheid tot limitering zorgt ervoor dat de hoeveelheid gegevens die opgebouwd wordt, in tussentijdse route- en switchwachtrijen verlaagd kan worden en tevens kan de hoeveelheid gegevens die opgebouwd wordt in de interfacewachtrij van de lokale host verlaagd worden. Met minder pakketten in wachtrijen kunnen interactieve verbindingen opereren met lagere Round Trip tijden, met name over langzame modems. Deze optie gaat alleen over datatransmissie (upload / serverkant) en heeft geen effect gegevensontvangst (download / cliëntkant). Aanpassen van net.inet.tcp.inflight.stab wordt niet aangeraden. Deze parameter krijgt standaard een waarde van 20, wat 2 maximale pakketten opgeteld bij de bandbreedtevensterberekening representeert. Het extra venster is nodig om het algoritme stabiel te houden en om de reactietijd bij veranderende omstandigheden te verbeteren, maar het kan ook leiden tot langere pingtijden over langzame verbindingen (zonder het inflight-algoritme kan dit echter nog erger zijn). In dergelijke gevallen kan deze parameter misschien verlaagd worden naar 15, 10 of 5 en misschien moet voor het gewenste effect ook net.inet.tcp.inflight.min verlaagd worden (bijvoorbeeld naar 3500). Het verlagen van deze parameters moet pas in laatste instantie overwogen worden. Virtueel Geheugen <varname>kern.maxvnodes</varname> Een vnode is de interne representatie van een bestand of een map. Het verlagen van het aantal beschikbare vnodes voor het besturingssysteem leidt dus tot een daling van schijf-I/O. Normaliter wordt dit door het besturingssysteem afgehandeld en hoeft de instelling niet gewijzigd te worden. Im sommige gevallen kan schijf-I/O de beperkende factor zijn en kan het systeem alle beschikbare vnodes in gebruik hebben. Dan dient deze instelling gewijzigd te worden. De hoeveelheid inactief en beschikbaar RAM dient meegenomen te worden in de beslissing. Het huidige aantal gebruikte vnodes kan als volgt bekeken worden: &prompt.root; sysctl vfs.numvnodes vfs.numvnodes: 91349 Om het maximale aantal vnodes weer te geven: &prompt.root; sysctl kern.maxvnodes kern.maxvnodes: 100000 Als het huidige aantal gebruikte vnodes dicht bij het maximale aantal ligt, is het verstandig om kern.maxvnodes op te hogen met 1.000. Ook vfs.numvnodes dient in de gaten gehouden te worden. Als de waarde weer tot aan het maximum stijgt, dan moet kern.maxvnodes verder opgehoogd worden. Er dient een verschuiving op te treden in het door &man.top.1; gerapporteerde geheugengebruik. Er hoort meer geheugen actief te zijn. Wisselbestandruimte toevoegen Hoe goed er ook gepland wordt, soms draait een systeem gewoon niet zoals verwacht. Een oorzaak hiervoor kan een tekort aan wisselbestandruimte zijn. Als blijkt dat er meer wisselbestandruimte nodig is, kan dat eenvoudig. Er zijn drie manieren om de totale ruimte beschikbaar als wisselbestand te vergroten: een nieuwe harde schijf toevoegen, swappen over NFS of een wisselbestand maken op een bestaande (UFS of andere) partitie. Kijk voor informatie over het beveiligen van het wisselbestand, welke opties hiervoor bestaan, en waarom dit gedaan zou moeten worden in van het handboek. Wisselbestand (partitie) op een nieuwe harde schijf Dit is natuurlijk de beste manier om de wisselbestandsruimte te vergroten en een goed excuus om een extra harde schijf toe te voegen. Die komt immers altijd wel van pas. In dat geval kan het beste de discussie over wisselbestandruimte in nog eens herlezen worden om wat suggesties op te doen over hoe wisselbestandpartitie(s) het beste ingedeeld kunnen worden. Swappen over NFS In het algemeen wordt swappen over NFS niet aangeraden behalve als het onmogelijk is om naar een lokale schijf te swappen. NFS-swappen wordt gelimiteerd door de hoeveelheid beschikbare bandbreedte en belast het de NFS-server. Wisselbestanden Het is mogelijk om een bestand aan te maken van een bepaalde grootte en dit als swap te gebruiken. In dit voorbeeld wordt een bestand van 64 MB gebruikt, /usr/swap0. Uiteraard kan een willekeurige naam gebruikt worden. Een wisselbestand aanmaken op &os; De kernel moet het stuurprogramma voor de geheugenschijf (&man.md.4;) bevatten. Dat zit standaard in de kernel GENERIC. device md # Memory "disks" Het wisselbestand /usr/swap0 aanmaken: &prompt.root; dd if=/dev/zero of=/usr/swap0 bs=1024k count=64 De correcte rechten op /usr/swap0 instellen: &prompt.root; chmod 0600 /usr/swap0 Het wisselbestand opnemen in /etc/rc.conf: swapfile="/usr/swap0" # Instellen op naam van wisselbestand als hulpwisselbestand gewenst is De machine moet herstart worden of om het wisselbestand direct in te schakelen: &prompt.root; mdconfig -a -t vnode -f /usr/swap0 -u 0 && swapon /dev/md0 Hiten Pandya Geschreven door Tom Rhodes Energie- en bronnenbeheer Het is belangrijk om hardwarebronnen op een efficiënte wijze te benutten. Voordat ACPI geïntroduceerd werd was het lastig en onflexibel om het energieverbruik en de thermische eigenschappen van een systeem te beheersen. De hardware werd beheerst de BIOS en dus had de gebruiker minder controle en zichtbaarheid in de energiebeheerinstellingen. Enige gelimiteerde configuratie was mogelijk via Advanced Power Management (APM). Energie- en bronnenbeheer is een belangrijk onderdeel van moderne machines. Het besturingssysteem moet bijvoorbeeld systeemlimieten in de gaten houdt (en mogelijk een SMS sturen of iets dergelijks) als de systeemtemperatuur onverwacht toeneemt. In dit deel van het &os; handboek wordt uitgebreide informatie verschaft over ACPI. Aan het einde worden referenties geleverd naar meer leesmateriaal. Wat is ACPI? ACPI APM Advanced Configuration and Power Interface (ACPI) is een standaard die door een alliantie van producenten geschreven is, met als doel te voorzien in een een standaardinterface voor hardwarebronnen- en energiebeheer. Een belangrijk element is dat het meer flexibiliteit en beheersmogelijkheden biedt aan het besturingssysteem (OS). Moderne systemen hebben de limieten van de huidige PNP-interfaces verder opgerekt dan wenselijk en misschien wel mogelijk was. ACPI is de directe opvolger van APM (Advanced Power Management). Centraal is het verleggen van hardwarebeheer en -monitoring naar de OS-laag in plaats van de zeer beperkte BIOS-laag. Tekortkomingen van APM Met de Advanced Power Management (APM) faciliteit kan het energieverbruik van een systeem geregeld worden op basis van de systeemactiviteit. Het APM-BIOS wordt geleverd door de systeemproducent of -verkoper en het is specifiek voor dat betreffende hardwareplatform. Een APM-stuurprogramma in het besturingssysteem regelt vervolgens de toegang tot de APM Software Interface, die het besturen van vermogensniveau mogelijk maakt. APM dient nog steeds gebruikt te worden met systemen die gefabriceerd zijn voor het jaar 2000. Er zijn vier hoofdproblemen met APM te onderscheiden: ten eerste wordt het energiebeheer verricht door een BIOS (afhankelijk van producent) en het besturingssysteem heeft daar geen kennis van. De gebruiker die idle-time waarden instelt voor een harde schijf in het APM-BIOS is hier een voorbeeld van. Dan zal het BIOS de harde schijf langzamer kunnen laten draaien zonder dat het besturingssysteem de noodzaak ziet of het goedkeurt. Ten tweede: de APM-logica is ingebed in de BIOS, waardoor het buiten het besturingssysteem om opereert. Dit houdt in dat gebruikers problemen met hun APM-BIOS alleen kunnen verhelpen door een nieuw BIOS in het ROM te flashen, wat een gevaarlijke en mogelijk onherstelbare operatie is. Ten derde is APM een producent-specifieke technologie, in de zin dat er altijd een hoge mate van duplicatie zal zijn van al dan niet geslaagde pogingen om het wiel opnieuw uit te vinden en uiteraard ook van bugs. Er is geen enkele garantie dat het wegnemen van een bug door een producent ook een zelfde bug wegneemt bij een concurrent. Tenslotte is het van belang te weten dat de APM-BIOS in het algemeen gewoon te weing geheugen kon gebruiken om een ingewikkeld energiebeheer te kunnen implementeren. Laat staan dat deze goed aanpasbaar was aan veranderlijke doelstellingen voor de betreffende machine. Plug-n-play BIOS (PNPBIOS) was in veel situaties onbetrouwbaar. PNPBIOS is 16-bitstechnologie, dus het besturingssysteem moet 16-bit emulatie gebruiken om met PNPBIOS-methoden te kunnen samenwerken. Het &os;-stuurprogramma APM is gedocumenteerd in &man.apm.4;. <acronym>ACPI</acronym> instellen Het stuurprogramma acpi.ko wordt standaard geladen bij het opstarten door de &man.loader.8; en hoeft niet gecompileerd te worden. De redenatie is dat er met modules gemakkelijker gewerkt kan worden, bijvoorbeeld een andere acpi.ko gebruiken zonder dat er een nieuwe kernel gebouwd moet worden. Dit heeft het voordeel dat testen eenvoudiger is. Een andere reden is dat het opstarten van ACPI nadat een systeem eenmaal volledig opgestart is meestal niet goed werkt. Mocht er hinder ondervonden worden, dan kan ACPI beter uitgeschakeld worden. Dit stuurprogramma kan niet gestopt worden als het eenmaal geladen is, omdat de systeembus het gebruikt voor allerlei interacties met hardware. ACPI kan uitgezet worden door het instellen van hint.acpi.0.disabled="1" in /boot/loader.conf of in de &man.loader.8; prompt. ACPI en APM kunnen niet samenleven en moeten afzonderlijk en exclusief gebruikt worden. De laatste die gestart wordt bepaalt of het stuurprogramma de ander wel of niet ziet. In haar eenvoudigste vorm kan ACPI gebruikt worden om het systeem in slaapmodus te zetten met &man.acpiconf.8; met de vlag en een optie 1-5. De meeste gebruikers hebben alleen 1 of 3 nodig. De optie 5 verricht een soft-off, wat hetzelfde is als: &prompt.root; halt -p Andere opties zijn mogelijk via &man.sysctl.8;. Zie de handleidingen van &man.acpi.4; en &man.acpiconf.8; voor meer informatie. Nate Lawson Geschreven door Peter Schultz Met medewerking van Tom Rhodes &os; <acronym>ACPI</acronym> gebruiken en debuggen ACPI is een totaal nieuwe manier om apparaten te ontdekken, om energieverbruik te beheren en om een gestandaardiseerde toegang te bieden tot allerlei apparaten die eerder via het BIOS beheerd werden. Er wordt voortdurend vooruitgang geboekt om ACPI op alle systemen te laten werken, maar bugs in de ACPIMachine Language (AML) bytecode van sommige moederborden, onvolledigheden in de subsystemen van de kernel van &os; en bugs in de &intel; ACPI-CA interpreter blijven opduiken. Deze tekst is bedoeld om u te helpen met het bijstaan van de &os; ACPI beheerders met het vinden van de hoofdoorzaken van problemen die u opmerkt en met het debuggen en het vinden van een oplossing. Debuginformatie aanleveren Voordat een probleem wordt gemeld, moet het zeker zijn dat de laatste BIOS versie draait en indien beschikbaar de geïntregeerde controller firmware versie. Diegenen die meteen een probleem willen indienen, sturen de volgende informatie naar freebsd-acpi@FreeBSD.org: Omschrijving van het foutieve gedrag, inclusief systeemtype en -model en alles wat de fout kan veroorzaken. Als het een nieuw fenomeen is, dan dient ook zo accuraat mogelijk aangegeven te worden wanneer de fout het eerst optrad. De uitvoer van &man.dmesg.8; van boot -v, inclusief foutmeldingen die gegenereerd worden als de fout optreedt. De uitvoer van &man.dmesg.8; van boot -v met ACPI uitgeschakeld, indien het uitzetten van ACPI het probleem oplost. Uitvoer van sysctl hw.acpi. Dit is tevens een goede manier om uit te vinden welke ACPI-mogelijkheden een systeem heeft. Een URL waar de ACPISource Language (ASL) gevonden kan worden. De ASL dient niet rechtstreeks naar de lijst gezonden te worden, omdat deze nogal groot kan zijn. Een kopie van een ASL kan gemaakt worden met het volgende commando: &prompt.root; acpidump -dt > naam-systeem.asl (Vervang uw aanmeldnaam door $NAME en producent/model door $SYSTEM. Bijvoorbeeld: njl-FooCo6000.asl) De meeste &os;-programmeurs lezen de &a.current;, maar problemen gaan bij voorkeur ook naar &a.acpi.name; zodat ze zeker gezien worden. Het kan enige tijd duren voordat er antwoord komt, omdat deze mensen elders ook nog volledige banen hebben. Als de bug niet meteen duidelijk is, komt er waarschijnlijk en verzoek om een PR in te dienen via &man.send-pr.1;. Als er een PR moet worden opgesteld, dan dient alle hierboven gevraagde informatie vermeld te worden. Dit helpt om het probleem te kunnen volgen en oplossen. Het sturen van een PR zonder eerst &a.acpi.name; te mailen is niet wenselijk, aangezien men PRs gebruikt als herinnering van bestaande problemen, niet als rapportagesysteem. Mogelijk is een probleem al eens door iemand anders gemeld. Achtergrond ACPI is aanwezig op alle moderne computers die voldoen aan de ia32 (x86), ia64 (Itanium) of amd64 (AMD) architecturen. De volledige standaard heeft vele mogelijkheden zoals CPU-prestatiebeheer, energiebeheer, thermische zones, diverse batterijsystemen, ingebedde controllers en busnummering. De meeste systemen implementeren minder dan de volledige standaard. Een desktopsysteem implementeert bijvoorbeeld meestal alleen busnummering, terwijl laptops mogelijk ook koeling- en batterijbeheer ondersteunen. Laptops hebben ook suspend en resume (slapen en wakker worden) met hun eigen aanverwante comlexiteit. Een ACPI-compliant systeem heeft verscheidene componenten. Het BIOS- en chipsetverkopers bieden verscheidene vaste tabellen aan zoals FADT in het geheugen die zaken als de APIC-afbeelding (gebruikt voor SMP), configuratieregisters, en eenvoudige configuratiewaarden specificeren. Ook wordt er een tabel van bytecode (de Differentiated System Description Table of DSDT) geleverd die een op een boomstructuur lijkende namespace biedt voor apparaten en methoden. Het stuurprogramma ACPI moet de voorgedefinieerde tabellen verwerken, een interpreter voor de bytecode implementeren en apparaatstuurprogramma's en de kernel aanpassen om informatie van het ACPI-subsysteem te accepteren. &intel; heeft een interpreter beschikbaar gesteld (ACPI-CA) die door &os; en ook door &linux; en NetBSD gebruikt wordt. De ACPI-CA-broncode staat in src/sys/contrib/dev/acpica. De lijmcode die ACPI-CA laat werken met &os; staat in src/sys/dev/acpica/Osd. Stuurprogramma's die verscheidene ACPI-apparaten implementeren staan in src/sys/dev/acpica. Algemene problemen Wil ACPI goed werken, dan moeten alle onderdelen goed werken. Hieronder staan enkele algemene problemen in volgorde van hoe vaak ze optreden en enkele mogelijke oplossingen of manieren om de problemen te vermijden. Muisproblemen Soms doet een muis het niet bij het opstarten uit de slaapstand. Een bekend lapmiddel is het toevoegen van hint.psm.0.flags="0x3000" aan het bestand /boot/loader.conf. Als dat niet werkt, dan wordt aangeraden een bugrapport in te sturen, zoals eerder is beschreven. Suspend/resume ACPI heeft drie slaapstanden waarbij het geheugen (RAM) wordt ingezet. Dit zijn de STR-toestanden S1-S3, en nog een slaap-met-gebruik-van-harde-schijf toestand (STD) die S4 heet. S5 is zacht uit en is de normale status van een systeem als het is aangesloten maar niet is aangezet. S4 kan feitelijk op twee manieren geïmplementeerd worden: S4BIOS is een slaapstand naar schijf met behulp van het BIOS en S4OS wordt volledig door het besturingssysteem geïmplenteerd. als eerste dienen de sysctl hw.acpi items die iets met de slaapstand te maken hebben gecontroleerd te worden. Hieronder staan de resultaten voor een Thinkpad: hw.acpi.supported_sleep_state: S3 S4 S5 hw.acpi.s4bios: 0 Dit betekent dat hier acpiconf -s gebruikt kan worden om S3, S4OS en S5 te testen. Als gelijk was aan (1), dan zou er S4BIOS ondersteuning zijn in plaats van S4 OS. Als suspend/resume getest moet worden, dient, indien ondersteund, bij S1 begonnen te worden. Deze toestand heeft de grootste kans om te werken, omdat deze niet veel stuurprogrammaondersteuning vereist. Niemand heeft nog S2 geïmplementeerd, maar het is ongeveer hetzelfde als S1. Daarna wordt S3 getest. Dit is het diepste STR-niveau en heeft uitgebreide ondersteuning van stuurprogramma's nodig om hardware goed opnieuw te kunnen starten. Mochten er blokkades optreden, dan kan naar de &a.acpi.name; lijst gemaild worden. Er kan echter geen snelle oplossing verwacht worden, omdat er nog de nodige stuurprogramma's/hardware liggen om getest en bewerkt te worden. Een veelvoorkomend probleem met suspend/resume is dat veel apparaatstuurprogramma's hun firmware, registers of apparaatgeheugen niet fatsoenlijk opslaan, herstellen, of herinitialiseren. Een eerste poging om het probleem te vinden omvat: &prompt.root; sysctl debug.bootverbose=1 &prompt.root; sysctl debug.acpi.suspend_bounce=1 &prompt.root; acpiconf -s 3 Deze test emuleert de suspend/resume-cyclus van alle apparaten zonder daadwerkelijk naar de toestand S3 te gaan. In sommige gevallen kunt u zo eenvoudig problemen vaststellen (bijvoorbeeld het verliezen van de firmware-toestand, timeout van de apparaatwaakhond, en steeds opnieuw iets proberen). Merk op dat het systeem niet werkelijk naar de toestand S3 gaat, wat inhoudt dat apparaten geen spanning verliezen waardoor velen prima zullen werken zelfs als de suspend/resume-methoden geheel ontbreken, dit in tegenstelling tot de echte toestand S3. Moeilijkere gevallen vereisen aanvullende hardware, dat is een serieële poort/kabel voor de serieële console of een Firewire poort/kabel voor &man.dcons.4;, en vaardigheden in het debuggen van de kernel. - + Om een probleem te kunnen isoleren helpt het om zoveel mogelijk stuurprogramma's uit de kernel te halen. Als dit werkt, kan er teruggewerkt worden naar het stuurprogramma dat schuldig is aan het falen. Meestal vertonen binaire stuurprogramma's als nvidia.ko, X11 beeldschermstuurprogramma's en USB de meeste problemen, terwijl bijvoorbeeld Ethernet-interfaces meestal meteen goed werken. Als de stuurprogramma's zonder problemen geladen en verwijderd kunnen worden, dan is dit te automatiseren door de juiste commando's in /etc/rc.suspend en /etc/rc.resume te zetten. Er staat een voorbeeld (achter commentaartekens) voor het laden en verwijderen van een stuurprogramma. Als het beeldscherm er na wakker worden vreemd uitziet, kan geprobeerd worden op nul te zetten. Met langere of kortere waarden voor kan bekeken worden of dat helpt. In geval van problemen is het ook een optie om een recente &linux; distibutie met ondersteuning voor ACPI support te starten en daarvan de suspend/resume ondersteuning op dezelfde hardware uit te proberen. Als het werkt met &linux;, dan is het waarschijnlijk een &os; stuurprogrammaprobleem en als het mogelijk is uit te vinden over welk stuurprogramma het gaat, kan dat bijdragen aan het oplossen van het probleem. ACPI houdt zich in het algemeen niet bezig met andere stuurprogramma's zoals geluid, ATA, enzovoort. Als er dus een echt probleem met een stuurprogramma is, dan is waarchijnlijk uiteindelijk ook nodig naar de &a.current.name; lijst te posten en naar de beheerder van het stuurprogramma. Voor degenen met moed is het vooral aan te raden een paar &man.printf.3;s in problematische stukken van een stuurprogramma te plaatsen voor debugging om na te gaan waar de resumefunctie precies hangt. Tot slot kan geprobeerd worden om ACPI uit te zetten en in plaats daarvan APM aan te zetten. Als suspend/resume werkt met APM, is het wellicht verstandig het daarbij te houden, vooral met wat oudere apparatuur (voor 2000). Producenten hebben nogal wat tijd nodig gehad om ACPI ondersteuning goed te krijgen en voor oudere hardware is het waarschijnlijker dat er BIOS-problemen zijn met ACPI. Systeem hangt (tijdelijk of permanent) Meestal is het hangen van het systeem het gevolg van verloren interrupts of een interruptstorm. Chipsets kunnen een heleboel problemen hebben, afhankelijk van hoe het BIOS interrupts instelt voor het opstarten, of de APIC (MADT) tabel correct is en de routering van het System Control Interrupt (SCI). interruptstorms Interruptstorms kunnen onderscheiden worden van verloren geraakte interrupts door de uitvoer van vmstat -i te controleren en de regel met acpi0 goed te lezen. Als de teller in toenemende mate hoger staat dan enkele per seconde, dan is sprake van een interruptstorm. Als het systeem lijkt te hangen, is het wellicht nog mogelijk door te dringen tot de DDB (CTRL ALTESC) en show interrupts uit te voeren. APIC uitschakelen De beste hoop in geval van interruptproblemen is om APIC-ondersteuning uit te zetten met hint.apic.0.disabled="1" in loader.conf. Panics Panics zijn relatief zeldzaam met ACPI en krijgen de hoogste prioriteit bij het oplossen. Eerst moeten de verschillende gebeurtenissen waarmee de panic (als mogelijk) te reproduceren is geïsoleerd worden en moet een backtrace gemaakt worden. options DDB dient aangezet te worden en er dient een een seriële console () of een &man.dump.8; partitie te komen. In DDB is een backtrace te maken met tr. Als de backtrace handmatig opgeschreven moet worden, is het belangrijk dat in ieder geval de bovenste en onderste vijf (5) regels van de backtrace genoteerd worden. Daarna dient getracht te worden het systeem te starten zonder ACPI. Als dat werkt, is het ACPI-subsysteem geïsoleerd en kunnen de verschillende -waarden uitgeprobeerd worden. In &man.acpi.4; staan enkele voorbeelden. Systeem slaat aan na slaapstand of stop hw.acpi.disable_on_poweroff="0" kan uitgezet worden in &man.loader.conf.5;. Hierdoor schakelt ACPI bepaalde gebeurtenissen tijdens het afsluitproces niet uit. Om dezelfde redenen moeten sommige systemen deze waarde altijd op 1 (standaard) hebben staan. In het algemeen lost dit een probleem op waarbij een systeem spontaan weer opkomt nadat het in slaapstand is gezet of geheel gestopt is. Overige problemen Als er nog andere problemen zijn met ACPI (met een docking station of apparaten niet gedetecteerd, enzovoort), dan kan een mail met beschijving naar de mailinglijst gezonden worden. Sommige zaken kunnen echter gerelateerd zijn aan delen van het ACPI-subsysteem die nog niet af zijn, dus het kan in sommige gevallen een tijd duren. Gebruikers moeten soms geduld en de bereidheid om eventuele patches uit te proberen hebben. <acronym>ASL</acronym>, <command>acpidump</command> en <acronym>IASL</acronym> ACPI ASL Het grootste probleem is dat BIOS-producenten vaak incorrecte (of gewoon foutieve) bytecode leveren. Dit blijkt doorgaans uit kernelboodschappen als: ACPI-1287: *** Error: Method execution failed [\\_SB_.PCI0.LPC0.FIGD._STA] \\ (Node 0xc3f6d160), AE_NOT_FOUND Vaak kunnen dergelijke problemen geoplost worden door de BIOS bij te werken tot de laatste revisie. De meeste consoleberichten zijn onschuldig, maar als er andere problemen zijn, zoals batterijstatus die niet werkt, dan ligt het voor de hand te zoeken naar problemen in de AML-code. De bytecode die AML genoemd wordt, wordt gecompileerd van een broncodetaal ASL. Deze staat weer in een tabel DSDT. Met &man.acpidump.8; kan een kopie van de ASL gemaakt worden. Dan moeten zowel de opties (laat inhoud van vaste tabellen zien) als (disassembleer AML naar ASL) gebruikt worden. In Debuginformatie aanleveren staat een voorbeeld. De eenvoudigste eerste controle is de ASL-code opnieuw compileren en kijken of er foutmeldingen optreden. Waarschuwingen kunnen doorgaans genegeerd worden, maar fouten zijn bugs die er meestal toe leiden dat ACPI niet correct werkt. Om ASL te hercompileren: &prompt.root; iasl eigen.asl <acronym>ASL</acronym> repareren ACPI ASL Op langere termijn is het de bedoeling dat voor vrijwel elke machine ACPI werkt zonder enig ingrijpen van de gebruiker. Op dit moment wordt er echter nog gewerkt aan oplossingen voor veel voorkomende vergissingen die BIOS-producenten maken. De µsoft; interpreter (acpi.sys en acpiec.sys) controleert niet strikt of het BIOS volledig aan de standaard voldoet, waardoor het voorkomt dat BIOS-makers die alleen testen onder &windows; bepaalde fouten in hun ASL nooit correct repareren. &os; hoopt door te gaan met de identificatie en documentatie van welk niet-standaard gedrag precies wordt toegelaten door µsoft;'s interpreter en te dit te repliceren zodat &os; kan werken zonder dat gebruikers zich gedwongen zien om de ASL te repareren. Als een tijdelijke oplossing en om te helpen met het in kaart brengen van bepaald gedrag, kan de ASL handmatig gerepareerd worden. Mocht dit lukken, dan wordt erop aangedrongen een &man.diff.1; van de oude en de nieuwe ASL te mailen, zodat het foutieve gedrag mogelijk in ACPI-CA kan worden verwerkt, waardoor andere gebruikers niet meer handmatig met hun ASL aan de gang hoeven. ACPI foutmeldingen Hieronder staat een lijst algemene foutmeldingen, hun oorzaken en hoe ze op te lossen: _OS afhankelijkheden Sommige AMLs gaan ervan uit dat de wereld enkel bestaat uit &windows; versies. &os; kan zich voordoen als elk OS om te kijken of dit problemen oplost. Een gemakkelijke manier om dit te doen is hw.acpi.osname="Windows 2001" in te stellen in /boot/loader.conf of andere gelijksoortige strings die in een ASL staan. Ontbrekende return-opdrachten Sommige methoden hebben geen specifieke returnwaarde, zoals wel vereist wordt door de standaard. Hoewel ACPI-CA hier niets mee doet, heeft &os; de mogelijkheid tot impliciete returns. Er kunnen ook expliciete return-opdrachten toegevoegd worden waar vereist, als het bekend is welke waarden teruggevoerd moeten worden. Om iasl te dwingen tot compilatie van ASL kan de schakeloptie gebruikt worden. De standaard <acronym>AML</acronym> aanpassen Nadat eigen.asl aangepast is, kan deze als volgt gecompileerd worden: &prompt.root; iasl eigen.asl Met de optie is af te dwingen dat de AML gemaakt wordt, zelfs als er compileerfouten optreden. Sommige fouten (zoals ontbrekende return-opdrachten) worden automatisch opgelost door de interpreter. DSDT.aml is de standaardnaam voor het bestand dat door iasl wordt geproduceerd. Dit is in plaats van de foutieve versie uit het BIOS (die nog steeds aanwezig is in het flashgeneugen) te laden door /boot/loader.conf als volgt te wijzigen: acpi_dsdt_load="YES" acpi_dsdt_name="/boot/DSDT.aml" DSDT.aml moet in de map /boot staan. Debuguitvoer van <acronym>ACPI</acronym> verkrijgen ACPI problemen ACPI debuggen Het stuurprogramma ACPI heeft een zeer flexibele debugfaciliteit. Er kan zowel een verzameling van subsystemen aangegeven worden als het niveau van uitvoerigheid. De te debuggen subsystemen worden aangegeven als lagen (layers) en zijn opgedeeld in ACPI-CA-componenten (ACPI_ALL_COMPONENTS) en ACPI-hardware-ondersteuning (ACPI_ALL_DRIVERS). De uitvoerigheid van debuguitvoer wordt aangegeven als het niveau (level) en gaat van CPI_LV_ERROR (alleen fouten rapporteren) tot ACPI_LV_VERBOSE (alles). Het niveau is een bitmasker en dus kunnen er meerdere opties tegelijk ingeschakeld worden (gescheiden door spaties). In de praktijk wordt wellicht een seriële console gebruikt om de uitvoer te loggen als deze zo omvangrijk is dat de console berichtbuffer vol loopt (misschien wel meerdere keren). Een complete lijst van de individuele lagen en niveaus staat in &man.acpi.4;. Debuguitvoer staat standaard niet aan. Door options ACPI_DEBUG toe te voegen aan het bestand met kernelinstellingen als ACPI als de kernel is gebouwd, wordt het ingeschakeld. Door ACPI_DEBUG=1 toe te voegen aan /etc/make.conf wordt het systeembreed ingeschakeld. Als ACPI als module wordt gebruikt (de normale situatie), dan hoeft slechts de module acpi.ko opnieuw gecompileerd te worden: &prompt.root; cd /sys/modules/acpi/acpi && make clean && make ACPI_DEBUG=1 acpi.ko moet in /boot/kernel komen te staan en de gewenste debuglaag en het gewenste niveau van uitvoerigheid dienen toegevoegd te worden aan loader.conf. Hieronder een voorbeeld waarmee debuguitvoer wordt aangezet voor alle ACPI-CA-componenten en alle ACPI-hardware-stuurprogramma's (CPU, LID, enzovoort. Het niveau van uitvoerigheid is het laagst mogelijke. Er worden alleen fouten gemeld. debug.acpi.layer="ACPI_ALL_COMPONENTS ACPI_ALL_DRIVERS" debug.acpi.level="ACPI_LV_ERROR" Als de gezochte informatie wordt veroorzaakt door een specifieke gebeurtenis (bijvoorbeeld in en uit slaapstand gaan), dan kunnen wijzigingen aan loader.conf achterwege blijven en in plaats daarvan kan sysctl gebruikt worden om laag en niveau in te stellen na het opstarten en zo het systeem voor te bereiden op die specifieke gebeurtenis. De sysctls hebben dezelfde namen als de parameters in loader.conf. Verwijzingen Meer informatie over ACPI staat op de volgende locaties: De &a.acpi; De ACPI mailinglijst archieven De oude ACPI mailinglijst archieven De ACPI 2.0 specificatie &os; Handleidingen: &man.acpi.4;, &man.acpi.thermal.4;, &man.acpidump.8;, &man.iasl.8;, &man.acpidb.8; DSDT debugging informatie. (Gebruikt Compaq als voorbeeld, maar van algemeen nut).