diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/advanced-networking/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/advanced-networking/chapter.sgml
index 8cb704e472..ba67714081 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/advanced-networking/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/advanced-networking/chapter.sgml
@@ -1,6267 +1,6370 @@
RenéLadanVertaald door Geavanceerde netwerkenSamenvattingDit hoofdstuk zal een aantal onderwerpen over geavanceerde
netwerken behandelen.Na het lezen van dit hoofdstuk is bekend:De beginselen van gateways en routes.Hoe &ieee; 802.11- en &bluetooth;-apparaten te
installeren.
Hoe &os; als een bridge te laten werken.Hoe een schijfloze machine vanaf het netwerk op te
starten.Hoe Network Address Translation te installeren.Hoe twee computers via PLIP met elkaar te verbinden.Hoe IPv6 op een &os;-machine te installeren.Hoe ATM in te stellen.Hoe de mogelijkheden van CARP, het Common Address
Redundancy Protocol, aan te zetten en te benutten.Voordat dit hoofdstuk gelezen wordt, dient de lezer:De beginselen van de scripts in
/etc/rc te begrijpen.Bekend te zijn met basisnetwerktermen.Te weten hoe een nieuwe &os;-kernel in te stellen en te
installeren ().Te weten hoe aanvullende software van derde partijen te
installeren ().CoranthGryphonBijgedragen door Gateways en routesroutinggatewaysubnetIndien een machine een andere machine over een netwerk wil
vinden, dient er een mechanisme te zijn dat beschrijft hoe van de
ene naar de andere machine te gaan. Dit wordt
routen genoemd. Een route
is een gedefinieerd adressenpaar: een bestemming en
een gateway. Het paar geeft aan dat door deze
gateway gecommuniceerd moet worden om bij
deze bestemming aan te komen. Er zijn drie
soorten bestemmingen: individuele host, subnetten en
standaard. De standaardroute wordt
gebruikt indien geen van de andere routes van toepassing zijn.
Verderop wordt verder op standaardroutes ingegaan. Er zijn ook
drie soorten gateways: individuele hosts, interfaces (ook wel
verbindingen genoemd), en
Ethernet-hardware-adressen (MAC-adressen).Een voorbeeldOm de verschillende aspecten van routen te illustreren,
wordt het volgende voorbeeld van netstat
gebruikt:&prompt.user; netstat -r
Routing tables
Destination Gateway Flags Refs Use Netif Expire
default outside-gw UGSc 37 418 ppp0
localhost localhost UH 0 181 lo0
test0 0:e0:b5:36:cf:4f UHLW 5 63288 ed0 77
10.20.30.255 link#1 UHLW 1 2421
example.com link#1 UC 0 0
host1 0:e0:a8:37:8:1e UHLW 3 4601 lo0
host2 0:e0:a8:37:8:1e UHLW 0 5 lo0 =>
host2.example.com link#1 UC 0 0
224 link#1 UC 0 0standaardrouteDe eerste twee regels geven de standaardroute (die behandeld
wordt in de volgende
sectie) en de localhost-route aan.teruglusapparaatDe interface (kolom Netif) dat deze
routeertabel aangeeft om voor localhost te
gebruiken is lo0, ook bekend als het
teruglusapparaat. Dit geeft aan dat alle verkeer voor deze
bestemming intern gehouden moet worden, in plaats van het over
het LAN te sturen, aangezien het alleen aankomt op de plaats
waar het verzonden werd.EthernetMAC-adresHet volgende dat opvalt zijn de adressen die beginnen met
0:e0:. Dit zijn Ethernet-hardware
adressen, ook bekend als MAC-adressen. &os; zal automatisch
elke host (test0 in het voorbeeld) op het
lokale Ethernet identificeren en een route voor die host
toevoegen, direct van deze host over de Ethernet-interface,
ed0. Er is ook een timeout (kolom
Expire) met deze routesoort geassocieerd,
die gebruikt wordt indien er binnen een bepaalde tijd geen
bericht komt van de host. Indien dit gebeurt, wordt de route
naar deze host automatisch verwijderd. Deze hosts worden
geïdentificeerd door middel van een mechanisme dat bekend
staat als RIP (Routing Information Protocol), dat routes naar
lokale hosts bepaald door middel van een kortste-pad
algoritme.subnet&os; zal ook subnetroutes voor het lokale subnet toevoegen
(10.20.30.255 is het
broadcast-adres voor het subnet
10.20.30, en
example.com is de
domeinnaam die bij dat subnet hoort). De aanduiding
link#1 verwijst naar de eerste Ethernetkaart
in de machine. Merk op dat voor hen geen aanvullende interface
is gespecificeerd.Voor beide groepen (lokale netwerkhosts en lokale subnetten)
worden de routes automatisch ingesteld door een daemon genaamd
routed. Indien dit niet draait,
zullen alleen routes die statisch gedefinieerd (i.e. expliciet
vermeld zijn) bestaan.De regel met host1 verwijst naar deze
host, het kent deze door het Ethernetadres. Aangezien het de
zendende host is, weet &os; dat het de teruglus-interface
(lo0) moet gebruiken, in plaats van het
over de Ethernet-interface te verzenden.De twee regels met host2 geven een
voorbeeld van wat er gebeurt als een alias met &man.ifconfig.8;
gebruikt wordt (in de sectie over Ethernet staan redenen waarom
dit gedaan wordt). Het symbool => na de
interface lo0 zegt dat niet alleen de
teruglus gebruikt wordt (aangezien dit adres ook verwijst naar
de lokale host), maar specifiek dat dit een alias is. Zulke
routes verschijnen alleen op de hosts die de alias ondersteunen;
alle andere hosts op het lokale netwerk vermelden simpelweg een
regel met link#1 voor zulke routes.De laatste regel (bestemming subnet
224) heeft te maken met
multicasten, wat in een andere sectie besproken wordt.Als laatste staan in de kolom Flags
verschillende attributen. Hieronder staat een korte tabel met
enkele van deze vlaggen en hun betekenis:UUp: De route is actief.HHost: De bestemming van de route is een enkele
host.GGateway: Stuur alles voor deze bestemming door naar
dit verre systeem, dat zoekt daar uit waar het verder
naar te sturen.SStatisch: Deze route was handmatig ingesteld, dus
niet automatisch door het systeem aangemaakt.CKloon: Maakt op basis van deze route een nieuwe
route aan voor machines waarmee verbinding wordt
gemaakt. Dit soort routes wordt gewoonlijk in lokale
netwerken gebruikt.WWasGekloond: Geeft aan dat een route automatisch
was ingesteld gebaseerd op een LAN (kloon)-route.
LVerbinding: De route maakt gebruik van verwijzingen
naar Ethernet-hardware.StandaardroutesstandaardrouteWanneer het lokale systeem een verbinding met een verre host
moet maken, controleert het de routeertabel op reeds bekende
paden. Indien de verre host binnen een subnet valt waarvan
bekend is hoe het bereikt kan worden (gekloonde routes),
controleert het systeem of het met de daarbij behorende
interface verbinding kan maken.Indien alle bekende paden falen, heeft het systeem
één laatste mogelijkheid: de
standaardroute. Deze route is een speciaal soort
gateway-route (gewoonlijk de enig aanwezige in het systeem) en
is altijd gemarkeerd met een c in het
vlaggenveld. Voor hosts op een LAN staat deze gateway ingesteld
op de machine die een directe verbinding met de buitenwereld
heeft (via een PPP-verbinding, DSL, kabelmodem, T1, of een ander
netwerkinterface).Indien de standaardroute wordt ingesteld voor een machine
die zelf als gateway naar de buitenwereld werkt, zal de
standaardroute de gateway-machine van de internetprovider
zijn.Hieronder volgt een voorbeeld van standaardroutes. Dit is
een veelgebruikte opstelling:
[Lokaal2] <--ether--> [Lokaal1] <--PPP--> [IP-Serv] <--ether--> [T1-GW]
De hosts Lokaal1 en
Lokaal2 staan op deze site.
Lokaal1 is verbonden met een internetprovider
via een inbel-PPP-verbinding. Deze PPP-server is door een LAN
verbonden met een andere gateway-computer door een externe
interface naar de Internet-feed van de internetprovider.De standaardroutes voor de machines zijn:HostStandaard gatewayInterfaceLokaal2Lokaal1EthernetLokaal1T1-GWPPPEen veelvoorkomende vraag is Waarom (of hoe) moet
worden ingesteld dat T1-GW de standaard gateway
is voor Lokaal1, in plaats van de server van
de internetprovider waarmee het verbonden is?.Onthoud dat, aangezien de PPP-interface een adres gebruikt
op het lokale netwerk van de internetprovider voor deze kant van
de verbinding, routes voor alle andere machines op het lokale
netwerk van de internetprovider automatisch aangemaakt worden.
Daarom is het al bekend hoe de machine T1-GW
bereikt kan worden, dus is de tussenstap dat het verkeer eerst
naar de server van de internetprovider gestuurd wordt niet
nodig.Het is gebruikelijk om het adres X.X.X.1 te gebruiken als het
gateway-adres voor het lokale netwerk. Dus (gebruikmakend van
hetzelfde voorbeeld), indien de lokale klasse-C adresruimte
10.20.30 was en de
internetprovider 10.9.9
gebruikte, zouden de standaardroutes als volgt zijn:HostStandaardrouteLokaal2 (10.20.30.2)Lokaal1 (10.20.30.1)Lokaal1 (10.20.30.1, 10.9.9.30)T1-GW (10.9.9.1)De standaardroute kan eenvoudig met het bestand
/etc/rc.conf gedefinieerd worden. In dit
voorbeeld werd de volgende regel aan
/etc/rc.conf van Lokaal2
toegevoegd:defaultrouter="10.20.30.1"Het is ook mogelijk dit met het commando &man.route.8;
direct vanaf de opdrachtregel te doen:&prompt.root; route add default 10.20.30.1Voor meer informatie over het handmatig manipuleren van
netwerkrouteertabellen kan de hulppagina &man.route.8;
geraadpleegd worden.Dual Homed machinesdual homed hostsEr is nog één andere soort opstelling die
behandeld dient te worden, en dat is een host die in twee
verschillende netwerken zit. Technisch gezien telt elke machine
die als gateway dienst doet (in bovenstaand voorbeeld door een
PPP-verbinding te gebruiken) als een dual-homed host. Maar de
term wordt echt alleen gebruikt om naar een machine te verwijzen
die in twee LAN's zit.In het ene geval heeft de machine twee Ethernetkaarten,
waarbij elke kaart een adres op de gescheiden subnetten heeft.
Een alternatief is dat de machine slechts één
Ethernetkaart heeft en gebruikt maakt van &man.ifconfig.8;
aliasing. Het eerste wordt gebruikt indien er twee fysiek
gescheiden Ethernet-netwerken in gebruik zijn, het laatste
indien er één fysiek netwerksegment is, maar er
twee logisch gescheiden subnetten zijn.In beide gevallen worden er routeertabellen aangemaakt zodat
elk subnet weet dat deze machine de gedefinieerde gateway
(ingaande route) naar het andere subnet is. Deze opstelling,
waarbij de machine dienst doet als router tussen de twee
subnetten, wordt vaak gebruikt voor het implementeren van
pakketfilters of firewall-beveiliging in één of
beide richtingen.Om deze machine daadwerkelijk pakketten te laten forwarden
tussen de twee interfaces, moet aan &os; verteld worden dat het
deze mogelijkheid aan moet zetten. In de volgende sectie staan
meer details over hoe dit te doen.Een router bouwenrouterEen netwerkrouter is simpelweg een systeem dat pakketten van
de ene naar de andere interface doorstuurt.
Internetstandaarden en goede ontwerppraktijken verhinderen het
&os; Project dit standaard in &os; aan te zetten. Deze
mogelijkheid kan worden aangezet door de volgende variabele in
&man.rc.conf.5; op YES in te stellen:gateway_enable="YES" # Op YES instellen indien deze host een gateway isDeze optie stelt de &man.sysctl.8; variabele
net.inet.ip.forwarding in op
1. Indien het nodig is om het routen
tijdelijk te stoppen, kan deze variabele tijdelijk op
0 worden teruggezet.BGPRIPOSPFDe nieuwe router heeft routes nodig om te weten waar het
het verkeer naar toe moet sturen. Voor een eenvoudig netwerk
kunnen statische routes gebruikt worden. &os; wordt met het
standaard BSD routeer-daemon &man.routed.8; geleverd, dat
RIP (zowel versie 1 en versie 2) en IRDP spreekt. Ondersteuning
voor BGP v4, OSPF v2, en andere slimme routeerprotocollen is
beschikbaar via het pakket net/zebra. Ook zijn
commerciële producten als
&gated; beschikbaar voor complexere
netwerkrouteer-oplossingen.AlHoangBijgedragen door Statische routes opzettenHandmatige configuratieEr wordt van het volgende netwerk uitgegaan:
INTERNET
| (10.0.0.1/24) Standaardrouter naar Internet
|
|Interface xl0
|10.0.0.10/24
+------+
| | RouterA
| | (FreeBSD gateway)
+------+
| Interface xl1
| 192.168.1.1/24
|
+--------------------------------+
Intern Net 1 | 192.168.1.2/24
|
+------+
| | RouterB
| |
+------+
| 192.168.2.1/24
|
Intern Net 2
In dit scenario is RouterA een
&os;-machine die dienst doet als router naar de rest van het
Internet. Het heeft een standaardroute ingesteld op 10.0.0.1, dat het in staat stelt om
verbindingen met de buitenwereld te maken. Er wordt
aangenomen dat RouterB reeds juist is
ingesteld en dat het weet hoe het waar naar toe moet gaan. (In
dit plaatje is dit simpel. Voeg een standaardroute op
RouterB toe door 192.168.1.1 als gateway te
gebruiken.)De routeertabel voor RouterA zou er
ongeveer als volgt uitzien:&prompt.user; netstat -nr
Routing tables
Internet:
Destination Gateway Flags Refs Use Netif Expire
default 10.0.0.1 UGS 0 49378 xl0
127.0.0.1 127.0.0.1 UH 0 6 lo0
10.0.0/24 link#1 UC 0 0 xl0
192.168.1/24 link#2 UC 0 0 xl1Met de huidige routeertabel is RouterA
niet in staat om Intern Net 2 te bereiken. Het heeft geen
route voor 192.168.2.0/24. Een
manier om dit te verhelpen is om de route handmatig toe te
voegen. Het volgende commando voegt het netwerk Intern Net 2
toe aan de routeertabel van RouterA door
192.168.1.2 als de volgende hop
te gebruiken:&prompt.root; route add -net 192.168.2.0/24 192.168.1.2Nu kan RouterA elke host op het netwerk
192.168.2.0/24 bereiken.Persistente configuratieBovenstaand voorbeeld is perfect voor het instellen van
een statische route op een draaiend systeem. Een probleem is
dat de routeerinformatie verdwijnt indien de &os;-machine
opnieuw wordt opgestart. De manier om een statische route toe
te voegen is om het in het bestand
/etc/rc.conf toe te voegen:# Voeg Intern Net 2 als een statische route toe
static_routes="internnet2"
route_internnet2="-net 192.168.2.0/24 192.168.1.2"De instellingsvariabele static_routes
is een lijst van strings gescheiden door een spatie. Elke
string verwijst naar een routenaam. Bovenstaand voorbeeld
heeft slechts één string in
static_routes. Dit is de string
internnet2. Vervolgens wordt een
instellingsvariabele
route_internnet2
toegevoegd waarin alle instellingsparameters staan die aan
het commando &man.route.8; moeten worden doorgegeven. Voor
bovenstaand voorbeeld zou het volgende commando zijn
gebruikt:&prompt.root; route add -net 192.168.2.0/24 192.168.1.2Dus is "-net 192.168.2.0/24 192.168.1.2"
nodig.Zoals hierboven is vermeld is het mogelijk om meerdere
strings in static_routes te hebben. Dit
maakt het mogelijk om meerdere statische routes aan te maken.
De volgende regels geven een voorbeeld van het toevoegen van
statische routes voor de netwerken 192.168.0.0/24 en 192.168.1.0/24 op een denkbeeldige
router:static_routes="net1 net2"
route_net1="-net 192.168.0.0/24 192.168.0.1"
route_net2="-net 192.168.1.0/24 192.168.1.1"Routes propagerenroutes propagerenEr is al gesproken over hoe routes naar de buitenwereld te
definiëren, maar niet over hoe de buitenwereld ons kan
vinden.Het is al bekend dat routeertabellen aangemaakt kunnen
worden zodat al het verkeer voor een bepaalde adresruimte (in
ons voorbeeld een klasse-C subnet) naar een bepaalde host op dat
netwerk gezonden kan worden, dat de ingaande pakketten
doorgeeft.Wanneer een adresruimte aan een site wordt toegewezen, stelt
de serviceprovider al hun routeertabellen zodanig in dat al het
verkeer voor het bijhorende subnet naar de PPP-verbinding van de
site gezonden wordt. Maar hoe weten sites door het land heen
hoe naar de internetprovider van deze site te versturen?Er bestaat een systeem (dat veel lijkt op de gedistribueerde
DNS-informatie) dat alle toegewezen adresruimtes bijhoudt, en
hun verbindingspunt met de Internet Backbone definieert. De
Backbone zijn de grote kabels die Internetverkeer
door het land en over de wereld sturen. Elke backbone-machine
heeft een kopie van een master-verzameling van tabellen, die
verkeer voor een bepaald netwerk naar een bepaalde
backbone-carrier sturen, en van daaruit naar een keten van
serviceproviders totdat het het netwerk van de site
bereikt.Het is de taak van de serviceprovider om bij de
backbone-sites aan te geven dat zij het verbindingspunt (en dus
het ingaande pad) zijn voor de site. Dit staat bekend als
routepropagatie.Problemen oplossentracerouteSoms is er een probleem met routepropagatie en kunnen
sommige sites geen verbinding maken. Misschien is het nuttigste
commando om proberen uit te zoeken waar het routen misgaat
&man.traceroute.8;. Het is ook nuttig als er geen verbinding
mogelijk lijkt met een verre machine (dus als &man.ping.8;
faalt).Het commando &man.traceroute.8; wordt gedraaid met de naam
van de verre host waarmee geprobeerd wordt te verbinden. Het
laat de gateway-hosts zien langs het gepoogde pad, dat
uiteindelijk de doelhost bereikt, of wegens een gebrek aan
verbinding afgebroken wordt.Raadpleeg voor meer informatie de hulppagina voor
&man.traceroute.8;.Multicast routenmulticast routenkerneloptiesMROUTING&os; ondersteunt zowel multicast-applicaties als multicast
routen van huis uit. Voor multicast-applicaties is geen
speciale configuratie van &os; nodig; applicaties draaien over
het algemeen als geleverd. Voor multicast routen dient
ondersteuning in de kernel gecompileerd te worden:options MROUTINGOok dient de multicast-routeer-daemon &man.mrouted.8;
ingesteld worden zodat het tunnels en DVMRP
via /etc/mrouted.conf aanmaakt. Kijk voor
meer details over multicast-instellingen in de hulppagina voor
&man.mrouted.8;.Sinds &os; 7.0 is het multicast-routeer-daemon
&man.mrouted.8; uit het basissysteem verwijderd. Het
implementeert het multicast-routeer-protocol
DVRMP, welke in veel multicast-installaties
grotendeels is vervangen door &man.pim.4;. De gerelateerde
gereedschappen &man.map-mbone.8; en &man.mrinfo.8; zijn ook
verwijderd. Deze programma's zijn nu beschikbaar in de &os;
Ports Collectie als net/mrouted.LoaderMarcFonvieilleMurrayStokelyDraadloze netwerkendraadloze netwerken802.11draadloze netwerkenDe beginselen van draadloos netwerkenDe meeste draadloze netwerken zijn op de &ieee; 802.11
standaarden gebaseerd. Een eenvoudig draadloos netwerk bestaat
uit meerdere stations die met radio's communiceren die in de
2,4GHz of de 5GHz band uitzenden (alhoewel dit regionaal
varieert en het ook verandert om communicatie in de 2,3GHz en
de 4,9GHz banden mogelijk te maken).802.11-netwerken zijn op twee manieren georganiseerd: in
infrastructuurmodus treedt
één station als meester op, alle andere stations
associëren met dit station; dit netwerk staat bekend als
een BSS en het meesterstation heet een toegangspunt (AP). In
een BSS gaat alle communicatie via het AP; zelfs als een station
met een ander draadloos station wil communiceren gaan de
boodschappen door het AP. In de tweede netwerkvorm is er geen
meester en communiceren de stations direct. Deze netwerkvorm is
een IBSS en staat gewoonlijk bekend als een ad-hoc
netwerk.802.11 netwerken begonnen in de 2,4GHz band waarbij gebruik
werd gemaakt van protocollen die door de &ieee; 802.11 en
802.11b standaarden worden gedefinieerd. Deze specificaties
omvatten de werkfrequenties, karakteristieken van de MAC-lagen
waaronder frame- en zendsnelheden (communicatie kan met
verschillende snelheden plaatsvinden). Later definieerde de
802.11a-standaard het werken in de 5GHz band, inclusief andere
mechanismen voor signalering en hogere zendsnelheden. Nog later
werd de 802.11g-standaard gedefinieerd om gebruik te kunnen
maken van de signalerings- en zendmechanismen van 802.11a in de
2,4GHz band zodanig dat het met terugwerkende kracht werkt op
802.11b-netwerken.Afgezien van de onderliggende zendtechnieken beschikken
802.11-netwerken over een verscheidenheid aan
beveiligingstechnieken. De originele 802.11-specificaties
definieerden een eenvoudig beveiligingsprotocol genaamd WEP.
Dit protocol maakt gebruik van een vaste, van te voren gedeelde
sleutel en het cryptografische algoritme RC4 om de gegevens die
over het netwerk verstuurd worden te coderen. Alle stations
dienen dezelfde sleutel te gebruiken om te kunnen communiceren.
Het is bewezen dat dit mechanisme eenvoudig te kraken is en
wordt nu, afgezien om voorbijgaande gebruikers te ontmoedigen
het netwerk te gebruiken, nog zelden gebruikt. De huidige
beveiligingsmethoden worden gegeven door de &ieee; 802.11i
specificatie dat nieuwe cryptografische algoritmen en een
aanvullend protocol om stations aan een toegangspunt te
authenticeren en om sleutels voor gegevenscommunicatie uit te
wisselen definieert. Verder worden cryptografische sleutels
periodiek ververst en zijn er mechanismen om indringpogingen
te detecteren (en om indringpogingen tegen te gaan). Een andere
specificatie van een veelgebruikt beveiligingsprotocol in
draadloze netwerken is WPA. Dit was een voorloper op 802.11i
en gedefinieerd door een industriegroep als een tussenmaatregel
terwijl er gewacht werd op de ratificatie van 802.11i. WPA
specificeert een deel van de eisen van 802.11i en is ontworpen
voor implementatie op verouderde hardware. In het bijzonder
vereist WPA alleen de TKIP-sleutel die van de originele
WEP-sleutel is afgeleid. 802.11i staat het gebruik van TKIP toe
maar vereist ook ondersteuning voor een sterkere sleutel,
AES-CCM, om gegevens te versleutelen. (De AES-sleutel was niet
nodig in WPA omdat het rekenkundig te kostbaar werd geacht voor
implementatie op verouderde hardware.)Afgezien van de bovenstaande protocolstandaarden is de
andere belangrijke standaard waarvan bewustzijn belangrijk is
802.11e. Deze standaard definieert het opstellen van
multimediatoepassingen zoals gestroomde video en voice over IP
(VoIP) binnen een 802.11-netwerk. Net als 802.11i heeft ook
802.11e een voorgaande specificatie genaamd WME (later hernoemd
tot WMM) die door een industriegroep is gedefinieerd als een
deelverzameling van 802.11e die nu kan worden gebruikt om
multimediatoepassingen mogelijk te maken terwijl er gewacht
wordt op de uiteindelijke ratificatie van 802.11e. Het
belangrijkste om over 802.11e en WME/WMM te weten is dat ze
gepriotiseerd verkeersgebruik van een draadloos netwerk mogelijk
maken door middel van Quality of Service (QoS) protocollen en
protocollen voor verbeterde mediatoegang. Een juiste
implementatie van deze protocollen maken snelle gegevensbursts
en gepriotiseerde verkeersstromen mogelijk.Sinds versie 6.0 ondersteunt &os; netwerken die met 802.11a,
802.11b, en 802.11g werken. Ook worden de
veiligheidsprotocollen WPA en 802.11i ondersteund (samen met
11a, 11b, of 11g) en QoS en de verkeerspriorisatieprotocollen
die nodig zijn voor de protocollen WME/WMM worden voor een
beperkte verzameling draadloze apparatuur ondersteund.BasisinstallatieKernelinstellingenOm van een draadloos netwerk gebruik te maken is het nodig
om een draadloze netwerkkaart te hebben en om de kernel met de
juiste ondersteuning voor draadloze netwerken in te stellen.
Het laatste is verdeeld in meerdere modulen zodat alleen de
software ingesteld hoeft te worden die daadwerkelijk gebruikt
zal worden.Ten eerste is een draadloos netwerkapparaat nodig. De
meestgebruikte apparaten zijn degenen die onderdelen van
Atheros gebruiken. Deze apparaten worden ondersteund door het
stuurprogramma &man.ath.4; en voor hen dient de volgende regel
aan het bestand /boot/loader.conf
toegevoegd te worden:if_ath_load="YES"Het stuurprogramma voor Atheros is opgedeeld in drie
verschillende delen: het eigenlijke stuurprogramma
(&man.ath.4;), de ondersteuningslaag voor de hardware die
chip-specifieke functies afhandelt (&man.ath.hal.4;), en een
algoritme om de snelheid om frames te verzenden te kiezen uit
een reeks mogelijke waarden (hier ath_rate_sample). Indien
deze ondersteuning als modules wordt geladen, zullen de
afhankelijkheden automatisch afgehandeld worden. Voor andere
apparaten dan die van Atheros dient de module voor dat
stuurprogramma geladen te worden; bijvoorbeeld:if_wi_load="YES"voor apparaten die op onderdelen van Intersil Prism zijn
gebaseerd (stuurprogramma &man.wi.4;).In de rest van dit document zal een &man.ath.4; apparaat
gebruikt worden, de naam van het apparaat in de voorbeelden
dient aangepast te worden aan de lokale installatie. Een
lijst van beschikbare draadloze stuurprogramma's staat aan
begin van de hulppagina &man.wlan.4;. Indien er geen
origineel stuurprogramma voor het draadloze apparaat
bestaat, is het mogelijk om te proberen om direct het
stuurprogramma van &windows; proberen te gebruiken met
behulp van de stuurprogramma-wrapper NDIS.Nadat het apparaatstuurprogramma is ingesteld is het ook
nodig om de ondersteuning voor 802.11-netwerken waarvan het
stuurprogramma gebruik maakt in te stellen. Voor het
stuurprogramma &man.ath.4; zijn dit minimaal de modules
&man.wlan.4;, wlan_scan_ap en
wlan_scan_sta; de module &man.wlan.4; wordt
automatisch geladen met het stuurprogramma voor draadloze
apparaten, de overige modules dienen tijdens het opstarten
geladen te worden via het bestand
/boot/loader.conf:wlan_scan_ap_load="YES"
wlan_scan_sta_load="YES"Zowel wlan_scan_ap en
wlan_scan_sta zijn nodig voor
&os; 7.X, voor andere versies van &os; zijn ze niet
nodig.Daarvoor zijn ook de modules nodig die cryptografische
ondersteuning implementeren voor de te gebruiken
veiligheidsprotocollen. Het is de bedoeling dat ze dynamisch
door de module &man.wlan.4; worden geladen maar momenteel
dienen ze handmatig ingesteld te worden. De volgende modules
zijn beschikbaar: &man.wlan.wep.4;, &man.wlan.ccmp.4;, en
&man.wlan.tkip.4;. Zowel de stuurprogramma's
&man.wlan.ccmp.4; en &man.wlan.tkip.4; zijn alleen nodig
indien het veiligheidsprotocol WPA en/of 802.11i gebruikt
wordt. Indien het netwerk geheel open dient te zijn (i.e.
geen versleuteling) is zelfs de ondersteuning van
&man.wlan.wep.4; niet nodig. Om deze modules tijdens het
opstarten te laden, dienen de volgende regels aan
/boot/loader.conf toegevoegd te worden:
wlan_wep_load="YES"
wlan_ccmp_load="YES"
wlan_tkip_load="YES"Nadat deze informatie aan het instellingenbestand om het
systeem op te starten (i.e.
/boot/loader.conf) is toegevoegd, is het
noodzakelijk om de &os;-computer opnieuw op te starten.
Indien het ongewenst is om de computer nu opnieuw op te
starten, kunnen de modules ook handmatig worden geladen door
&man.kldload.8; te gebruiken.Indien het gebruik van modules ongewenst is, kunnen deze
stuurprogramma's in de kernel worden gecompileerd door de
volgende regels aan het kernelinstellingenbestand toe te
voegen:device ath # Atheros IEEE 802.11 stuurprogramma voor draadloze netwerken
device ath_hal # Atheros Hardware Access Layer
options AH_SUPPORT_AR5146 # zet AR5146 tx/rx descriptors aan
device ath_rate_sample # SampleRate verzendsnelheid-controle voor ath
device wlan # 802.11 ondersteuning
device wlan_scan_ap # 802.11 AP-modus scannen
device wlan_scan_sta # 802.11 STA-modus scannen
device wlan_wep # 802.11 WEP-ondersteuning
device wlan_ccmp # 802.11 CCMP-ondersteuning
device wlan_tkip # 802.11 TKIP-ondersteuningZowel wlan_scan_ap en
wlan_scan_sta zijn nodig voor
&os; 7.X, voor andere versies van &os; zijn ze niet
nodig.Met deze informatie in het kernelinstellingenbestand kan
de kernel opnieuw gecompileerd en de &os;-computer opnieuw
opgestart worden.Wanneer het systeem draait, is het mogelijk om enige
informatie over de draadloze apparaten in de
opstartboodschappen te vinden, zoals:ath0: <Atheros 5212> mem 0xff9f0000-0xff9fffff irq 17 at device 2.0 on pci2
ath0: Ethernet address: 00:11:95:d5:43:62
ath0: mac 7.9 phy 4.5 radio 5.6InfrastructuurmodusDe infrastructuur- of BSS-modus is de modus die normaliter
gebruikt wordt. In deze modus zijn een aantal draadloze
toegangspunten verbonden met een bedraad netwerk. Elk draadloos
netwerk heeft een eigen naam, deze naam wordt de SSID van het
netwerk genoemd. Draadloze cliënten verbinden zich met de
draadloze toegangspunten.&os; cliëntenHoe toegangspunten te vindenVoor het scannen van netwerken wordt het commando
ifconfig gebruikt. Het kan even duren
voordat dit verzoek is afgehandeld aangezien het systeem op
elke beschikbare draadloze frequentie naar toegangspunten
moet zoeken. Alleen de super-gebruiker kan zo'n scan
opzetten:&prompt.root; ifconfig ath0 up scan
SSID BSSID CHAN RATE S:N INT CAPS
dlinkap 00:13:46:49:41:76 6 54M 29:3 100 EPS WPA WME
freebsdap 00:11:95:c3:0d:ac 1 54M 22:1 100 EPS WPADe interface dient als up te worden gemarkeerd
voordat het scannen begint. Voor verdere scans is het
niet nodig om de interface als up te markeren.De uitvoer van een scanverzoek vermeld elk gevonden
BSS/IBSS-netwerk. Naast de naam van het netwerk,
SSID, staat het BSSID,
wat het MAC-adres van het toegangspunt is. Het veld
CAPS identificeert het type van elk
netwerk en de mogelijkheden van de stations die daar
werkzaam zijn:EUitgebreide dienstenverzameling (ESS). Geeft aan
dat het station deel uitmaakt van een
infrastructuurnetwerk (in tegenstelling tot een IBSS-/
ad-hoc-netwerk).IIBSS-/ad-hoc-netwerk. Geeft aan dat het station
deel uitmaakt van een ad-hoc-netwerk (in tegenstelling
tot een ESS-netwerk).PPrivacy. Vertrouwelijkheid is vereist voor alle
gegevensframes die binnen het BSS worden uitgewisseld.
Dit betekent dat dit BSS eist dat het station
cryptografische middelen als WEP, TKIP of AES-CCMP
dient te gebruiken om de gegevensframes die met
anderen worden uitgewisseld te versleutelen en te
ontsleutelen.SKorte preambule. Geeft aan dat het netwerk korte
preambules gebruikt (gedefinieerd in 802.11b Hoge
Snelheid/DSSS PHY, korte preambule gebruikt een
56-bits synchronisatieveld in tegenstelling tot een
128-bits dat bij lange preambules wordt
gebruikt).sKorte slottijd. Geeft aan dat het 802.11g-netwerk
een korte slottijd gebruikt omdat er geen verouderde
(802.11b) stations aanwezig zijn.Het is ook mogelijk om de huidige lijst van bekende
netwerken weer te geven met:&prompt.root; ifconfig ath0 list scanDeze informatie kan automatisch bijgewerkt worden door
de adapter of handmatig met een
verzoek. Oude gegevens worden automatisch uit de cache
verwijderd, dus kan deze lijst na verloop van tijd korter
worden tenzij er meer scanverzoeken gedaan worden.BasisinstellingenDeze sectie geeft een eenvoudig voorbeeld hoe de
draadloze netwerkadapter in &os; zonder encryptie aan de
praat te krijgen. Nadat deze concepten bekend zijn, wordt
het sterk aangeraden om WPA te gebruiken om
de draadloze netwerken op te zetten.Er zijn drie basisstappen om een draadloos netwerk in te
stellen: een toegangspunt kiezen, het station authenticeren,
en een IP-adres instellen. De volgende secties behandelen
elk een stap.Een toegangspunt kiezenIn de meeste gevallen is het voldoende om het systeem
een toegangspunt gebaseerd op de ingebouwde heuristieken
te laten kiezen. Dit is het standaardgedrag wanneer een
interface als up wordt gemarkeerd of als een interface
wordt ingesteld door het te noemen in
/etc/rc.conf, bijvoorbeeld:ifconfig_ath0="DHCP"Indien er meerdere toegangspunten zijn en het gewenst
is om een specifieke te kiezen, kan dit met het SSID:
ifconfig_ath0="ssid uw_ssid_hier DHCP"In een omgeving waar meerdere toegangspunten hetzelfde
SSID hebben (vaak gedaan om roamen eenvoudiger te maken)
kan het nodig zijn om met één specifiek
apparaat te associëren. In dit geval kan ook het
BSSID van het toegangspunt gespecificeerd worden (het SSID
kan ook weggelaten worden):ifconfig_ath0="ssid uw_ssid_hier bssid xx:xx:xx:xx:xx:xx DHCPEr zijn andere manieren om de keuze van een
toegangspunt te beperken zoals het beperken van het aantal
frequenties waarop het systeem scant. Dit kan handig zijn
bij multi-band-netwerkkaarten aangezien het scannen van
alle mogelijke kanalen tijdrovend kan zijn. Om de werking
tot een specifieke band te beperken kan de parameter
gebruikt worden; bijvoorbeeld:ifconfig_ath0="mode 11g ssid uw_ssid_hier DHCP"zal de kaart forceren om te werken in 802.11g welke
alleen voor 2,4GHz frequenties is gedefinieerd dus de 5GHz
kanalen blijven buiten beschouwing. Andere manieren om
dit te doen zijn de parameter ,
om bewerkingen op één specifieke frequentie
vast te zetten, en de parameter ,
om een lijst van te scannen kanalen te specificeren. Meer
informatie over deze parameters kan in de hulppagina
&man.ifconfig.8; gevonden worden.AuthenticatieNadat er een toegangspunt is gekozen moet het station
zich authenticeren voordat het gegevens kan versturen.
Authenticatie kan op verschillende manieren gebeuren. Het
meest gebruikte schema wordt open authenticatie genoemd en
staat doe dat elk station aan het netwerk deelneemt en
communiceert. Deze manier van authenticatie dient
gebruikt te worden voor testdoeleinden tijdens het voor de
eerste keer opzetten van een draadloos netwerk. Andere
schema's vereisen dat cryptografische overeenkomsten
voltooid worden voordat gegevensverkeer kan stromen; ofwel
door vooraf gedeelde sleutels of geheimen te gebruiken, of
door complexere schema's te gebruiken welke achterliggende
diensten zoals RADIUS betrekken. De meeste gebruikers
zullen open authenticatie gebruiken welke de
standaardinstelling is. De dan meest voorkomende
opstelling is WPA-PSK, ook bekend als WPA Personal, welke
hieronder
beschreven is.Indien er een &apple; &airport; Extreme basisstation
als toegangspunt wordt gebruikt kan het nodig zijn om
gedeelde-sleutel-authenticatie samen met een WEP-sleutel
in te stellen. Dit kan gedaan worden in het bestand
/etc/rc.conf of door het programma
&man.wpa.supplicant.8; te gebruiken. Indien er een
enkel &airport; basisstation wordt gebruikt kan de
toegang met zoiets als het volgende worden
ingesteld:ifconfig_ath0="authmode shared wepmode on weptxkey 1 wepkey 01234567 DHCP"Over het algemeen dient authenticatie via gedeelde
sleutels worden voorkomen omdat het het materiaal van de
WEP-sleutel op een zeer afgedwongen manier gebruikt wat
het zelfs gemakkelijker maakt om de sleutel te kraken.
Indien WEP gebruikt moet worden (bijvoorbeeld voor
compatibiliteit met verouderde apparaten) is het beter
om WEP met open authenticatie te
gebruiken. Meer informatie met betrekking tot WEP kan
gevonden worden in .
Een IP-adres verkrijgen met DHCPNadat het toegangspunt is gekozen en de parameters
voor de authenticatie zijn ingesteld, dient er een
IP-adres ter communicatie verkregen worden. In de meeste
gevallen wordt het draadloze IP-adres verkregen via DHCP.
Om dat te bereiken, dient
/etc/rc.conf bewerkt te worden en
DHCP aan de instellingen voor het
apparaat toegevoegd te worden zoals in de verschillende
bovenstaande voorbeelden is laten zien:ifconfig_ath0="DHCP"Op dit moment kan de draadloze interface geactiveerd
worden:&prompt.root; /etc/rc.d/netif startWanneer de interface draait, kan
ifconfig gebruikt worden om de status
van de interface ath0 te
zien:&prompt.root; ifconfig ath0
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet6 fe80::211:95ff:fed5:4362%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x1
inet 192.168.1.100 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.1.255
ether 00:11:95:d5:43:62
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect (OFDM/54Mbps)
status: associated
ssid dlinkap channel 6 bssid 00:13:46:49:41:76
authmode OPEN privacy OFF txpowmax 36 protmode CTS bintval 100Het status: associated betekent
dat er verbinding is met een draadloos netwerk (in dit
geval met het netwerk dlinkap). Het
gedeelte bssid 00:13:46:49:41:76 is het
MAC-adres van het toegangspunt; de regel met
authmode vertelt dat de communicatie
niet versleuteld (OPEN) is.Statisch IP-adresIn het geval dat het niet mogelijk is om een IP-adres
van een DHCP-server te krijgen, kan er een vast IP-adres
worden ingesteld. Vervang het sleutelwoord
DHCP van hierboven met de
adresinformatie. Zorg ervoor dat de andere parameters
voor het selecteren van een toegangspunt behouden
blijven:ifconfig_ath0="ssid uw_ssid_hier inet 192.168.1.100 netmask 255.255.255.0"WPAWPA (Wi-Fi Protected Access) is een beveiligingsprotocol
dat samen met 802.11-netwerken wordt gebruikt om het gebrek
aan degelijke authenticatie en de zwakte van WEP te benadrukken.
WPA verbetert het 802.1X-authenticatieprotocol en gebruikt
een sleutel gekozen uit meerdere in plaats van WEP voor
gegevensintegriteit. De enige sleutel welke WPA vereist is
TKIP (Temporary Key Integrity Protocol), een sleutel dat de
basis-RC4-sleutel welke door WEP wordt gebruikt uitbreidt
door integriteitscontroles, knoeidetectie, en maatregelen om
op elke gedetecteerde inbraak te reageren toe te voegen.
TKIP is ontworpen om op verouderde hardware met enkel
wijzigingen in software te draaien; het representeert een
compromis dat de veiligheid verbetert maar nog steeds niet
geheel immuun is tegen aanvallen. WPA specificeert ook de
sleutel AES-CCMP als een alternatief voor TKIP welke te
verkiezen is indien mogelijk; voor deze specificatie wordt
gewoonlijk de term WPA2 (of RSN) gebruikt.WPA definieert protocollen voor authenticatie en
versleuteling. Authenticatie gebeurt het meeste door
één van deze twee technieken te gebruiken:
door 802.1X en een achterliggende authenticatiedienst zoals
RADIUS, of door een minimale overeenkomst tussen het station
en het toegangspunt door een van te voren gedeeld geheim te
gebruiken. Het eerste wordt vaak WPA Enterprise genoemd en
het laatste staat bekend als WPA Personal. Aangezien de
meeste mensen geen achterliggende RADIUS-server voor een
draadloos netwerk zullen opzetten, is WPA-PSK veruit de
meest gebruikte configuratie voor WPA.Het beheer van de draadloze verbinding en de
authenticatie (sleutelonderhandeling of authenticatie met
een server) gebeurt met het gereedschap
&man.wpa.supplicant.8;. Dit programma vereist dat er een
instellingenbestand,
/etc/wpa_supplicant.conf, draait.
Meer informatie over dit bestand kan in de hulppagina
&man.wpa.supplicant.conf.5; worden gevonden.WPA-PSKWPA-PSK, ook bekend als WPA-Personal, is gebaseerd op
een vooraf gedeelde sleutel (PSK) gegenereerd vanuit een
gegeven wachtwoord die gebruikt zal worden als de
hoofdsleutel in het draadloze netwerk. Dit betekent dat
alle draadloze gebruikers dezelfde sleutel zullen delen.
WPA-PSK is bedoeld voor kleine netwerken waar het gebruik
van een authenticatieserver niet mogelijk of gewenst
is.Gebruik altijd sterke wachtwoorden welke voldoende
lang zijn en opgebouwd zijn uit een grote
tekenverzameling zodat ze niet gemakkelijk worden
geraden of aangevallen.De eerste stap is het instellen van het bestand
/etc/wpa_supplicant.conf met het SSID
en de vooraf gedeelde sleutel van het netwerk:network={
ssid="freebsdap"
psk="freebsdmall"
}Daarna zal in /etc/rc.conf worden
aangegeven dat de draadloze configuratie met WPA zal
gebeuren en dat het IP-adres met DHCP zal worden
verkregen:ifconfig_ath0="WPA DHCP"Hierna kan de interface geactiveerd worden:&prompt.root; /etc/rc.d/netif start
Starting wpa_supplicant.
DHCPDISCOVER on ath0 to 255.255.255.255 port 67 interval 5
DHCPDISCOVER on ath0 to 255.255.255.255 port 67 interval 6
DHCPOFFER from 192.168.0.1
DHCPREQUEST on ath0 to 255.255.255.255 port 67
DHCPACK from 192.168.0.1
bound to 192.168.0.254 -- renewal in 300 seconds.
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet6 fe80::211:95ff:fed5:4362%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x1
inet 192.168.0.254 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
ether 00:11:95:d5:43:62
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect (OFDM/36Mbps)
status: associated
ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac
authmode WPA privacy ON deftxkey UNDEF TKIP 2:128-bit txpowmax 36
protmode CTS roaming MANUAL bintval 100Ook kan gepoogd worden dit handmatig in te stellen
door hetzelfde
/etc/wpa_supplicant.conf als hierboven
te gebruiken, en dit te draaien:&prompt.root; wpa_supplicant -i ath0 -c /etc/wpa_supplicant.conf
Trying to associate with 00:11:95:c3:0d:ac (SSID='freebsdap' freq=2412 MHz)
Associated with 00:11:95:c3:0d:ac
WPA: Key negotiation completed with 00:11:95:c3:0d:ac [PTK=TKIP GTK=TKIP]De volgende stap is het lanceren van het commando
dhclient om een IP-adres van de
DHCP-server te krijgen:&prompt.root; dhclient ath0
DHCPREQUEST on ath0 to 255.255.255.255 port 67
DHCPACK from 192.168.0.1
bound to 192.168.0.254 -- renewal in 300 seconds.
&prompt.root; ifconfig ath0
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet6 fe80::211:95ff:fed5:4362%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x1
inet 192.168.0.254 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
ether 00:11:95:d5:43:62
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect (OFDM/48Mbps)
status: associated
ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac
authmode WPA privacy ON deftxkey UNDEF TKIP 2:128-bit txpowmax 36
protmode CTS roaming MANUAL bintval 100Indien /etc/rc.conf is
ingesteld met de regel
ifconfig_ath0="DHCP" is het niet
nodig om het commando dhclient
handmatig te draaien, dhclient zal
dan gedraaid worden nadat
wpa_supplicant de sleutels heeft
onderzocht.In het geval dat het niet mogelijk is om DHCP te
gebruiken, kan een statisch IP-adres worden ingesteld
nadat wpa_supplicant het station heeft
geauthenticeerd:&prompt.root; ifconfig ath0 inet 192.168.0.100 netmask 255.255.255.0
&prompt.root; ifconfig ath0
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet6 fe80::211:95ff:fed5:4362%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x1
inet 192.168.0.100 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
ether 00:11:95:d5:43:62
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect (OFDM/36Mbps)
status: associated
ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac
authmode WPA privacy ON deftxkey UNDEF TKIP 2:128-bit txpowmax 36
protmode CTS roaming MANUAL bintval 100Indien DHCP niet wordt gebruikt, dienen ook de
standaard gateway en de naamserver handmatig ingesteld te
worden:&prompt.root; route add default uw_standaard_router
&prompt.root; echo "nameserver uw_DNS_server" >> /etc/resolv.confWPA met EAP-TLSDe tweede manier om WPA te gebruiken is met een
achterliggende 802.1X-authenticatieserver, in dit geval
wordt WPA WPA-Enterprise genoemd om het verschil met het
minder veilige WPA-Personal met de vooraf gedeelde sleutel
aan te duiden. De authenticatie in WPA-Enterprise is
gebaseerd op EAP (Extensible Authentication
Protocol).EAP wordt niet met een encryptiemethode geleverd, het
was besloten om EAP in een versleutelde tunnel te
omsluiten. Er zijn vele soorten van
EAP-authenticatiemethodes ontworpen, de meest voorkomende
methodes zijn EAP-TLS, EAP-TTLS, en EAP-PEAP.EAP-TLS (EAP met Transport Layer Security) is een zeer
goed ondersteund authenticatieprotocol in de draadloze
wereld aangezien het de eerste EAP-methode was die
gecertificeerd werd door de Wi-Fi alliantie.
EAP-TLS vereist dat er drie certificaten draaien: het
CA-certificaat (geïnstalleerd op alle machines), het
servercertificaat voor de authenticatieserver, en een
cliëntcertificaat voor elke draadloze cliënt.
Bij deze EAP-methode authenticeren zowel de
authenticatieserver als de draadloze cliënt elkaar
door hun respectievelijke certificaten te laten zien, en
ze controleren dat deze certificaten zijn getekend door de
certificatenauthoriteit (CA) van de organisatie.Zoals voorheen gebeurt het instellen via
/etc/wpa_supplicant.conf:network={
ssid="freebsdap"
proto=RSN
key_mgmt=WPA-EAP
eap=TLS
identity="loader"
ca_cert="/etc/certs/cacert.pem"
client_cert="/etc/certs/clientcert.pem"
private_key="/etc/certs/clientkey.pem"
private_key_passwd="freebsdmallclient"
}Dit veld geeft de naam van het netwerk (SSID) aan.
Hier wordt het RSN (&ieee; 802.11i) protocol
gebruikt, ofwel WPA2.De regel key_mgmt verwijst naar
het gebruikte sleutelbeheerprotocol. In dit geval is
het WPA dat EAP-authenticatie gebruikt:
WPA-EAP.In dit veld wordt de EAP-methode voor de
verbinding genoemd.Het veld identity bevat de
identiteitsstring voor EAP.Het veld ca_cert geeft de
padnaam van het CA-certificaatbestand aan. Dit
bestand is nodig om het servercertificaat te
controleren.De regel client_cert geeft de
padnaam van het cliëntcertificaatbestand aan.
Dit certificaat is uniek voor elke draadloze
cliënt van het netwerk.Het veld private_key is de
padnaam naar het bestand dat de privésleutel
van het cliëntcertificaat bevat.Het veld private_key_passwd
bevat het wachtwoord voor de privésleutel.
Voeg vervolgens de volgende regel toe aan
/etc/rc.conf:ifconfig_ath0="WPA DHCP"De volgende stap is het activeren van de interface met
behulp van de faciliteit rc.c:&prompt.root; /etc/rc.d/netif start
Starting wpa_supplicant.
DHCPREQUEST on ath0 to 255.255.255.255 port 67
DHCPREQUEST on ath0 to 255.255.255.255 port 67
DHCPACK from 192.168.0.20
bound to 192.168.0.254 -- renewal in 300 seconds.
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet6 fe80::211:95ff:fed5:4362%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x1
inet 192.168.0.254 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
ether 00:11:95:d5:43:62
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect (DS/11Mbps)
status: associated
ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac
authmode WPA2/802.11i privacy ON deftxkey UNDEF TKIP 2:128-bit
txpowmax 36 protmode CTS roaming MANUAL bintval 100Zoals eerder is laten zien, is het ook mogelijk om de
interface handmatig te activeren met zowel de commando's
wpa_supplicant en
ifconfig.WPA met EAP-TTLSBij EAP-TLS hebben zowel de authenticatieserver als de
cliënt een certificaat nodig, met EAP-TTLS
(EAP-Tunneled Transport Layer Security) is een
cliëntcertificaat optioneel. Deze methode komt in de
buurt van wat sommige beveiligde websites doen, waar de
webserver een veilige SSL-tunnel kan aanmaken zelfs als de
bezoekers geen certificaten aan de cliëntkant hebben.
EAP-TTLS zal de versleutelde TLS-tunnel gebruiken voor het
veilig transporteren van de authenticatiegegevens.De instellingen worden gedaan via het bestand
/etc/wpa_supplicant.conf:network={
ssid="freebsdap"
proto=RSN
key_mgmt=WPA-EAP
eap=TTLS
identity="test"
password="test"
ca_cert="/etc/certs/cacert.pem"
phase2="auth=MD5"
}Dit veld noemt de EAP-methode voor de
verbinding.Het veld identity bevat de
identiteitsstring voor EAP-authenticatie binnen de
versleutelde TLS-tunnel.Het veld password bevat het
wachtwoord voor de EAP-authenticatie.Het veld ca_cert wijst naar de
padnaam van het CA-certificaatbestand. Dit bestand is
nodig om het servercertificaat te controleren.Dit veld noemt de gebruikte authenticatiemethode
in de versleutelde TLS-tunnel. In dit geval is EAP
met MD5-Challenge gebruikt. De binnenste
authenticatie-fase wordt vaak
phase2 genoemd.Ook dient de volgende regel toegevoegd te worden aan
/etc/rc.conf:ifconfig_ath0="WPA DHCP"De volgende stap is het activeren van de interface:&prompt.root; /etc/rc.d/netif start
Starting wpa_supplicant.
DHCPREQUEST on ath0 to 255.255.255.255 port 67
DHCPREQUEST on ath0 to 255.255.255.255 port 67
DHCPREQUEST on ath0 to 255.255.255.255 port 67
DHCPACK from 192.168.0.20
bound to 192.168.0.254 -- renewal in 300 seconds.
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet6 fe80::211:95ff:fed5:4362%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x1
inet 192.168.0.254 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
ether 00:11:95:d5:43:62
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect (DS/11Mbps)
status: associated
ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac
authmode WPA2/802.11i privacy ON deftxkey UNDEF TKIP 2:128-bit
txpowmax 36 protmode CTS roaming MANUAL bintval 100WPA met EAP-PEAPPEAP (Beveiligd EAP) is ontworpen als een alternatief
voor EAP-TTLS. Er zijn twee soorten PEAP-methodes, de
meest voorkomende is PEAPv0/EAP-MSCHAPv2. In de rest van
dit document wordt de term PEAP gebruikt om te verwijzen
naar die EAP-methode. PEAP is de meest gebruikte
EAP-standaard na EAP-TLS, in andere woorden, indien er een
netwerk met verschillende besturingssystemen is, zou PEAP
de best ondersteunde standaard na EAP-TLS moeten
zijn.PEAP is soortgelijk aan EAP-TTLS: het gebruikt een
server-side certificaat om de cliënten te
authenticeren door een beveiligde TLS-tunnel tussen de
cliënt en de authenticatieserver aan te maken, welke
de uitwisseling van de authenticatie-informatie beschermt.
Vanuit een beveiligingsoogpunt gezien is het verschil
tussen EAP-TTLS en PEAP dat PEAP-authenticatie de
gebruikersnaam onversleuteld uitzendt, alleen het
wachtwoord wordt in de beveiligde TLS-tunnel verzonden.
EAP-TTLS gebruikt de TLS-tunnel voor zowel de
gebruikersnaam als het wachtwoord.Het bestand
/etc/wpa_supplicant.conf dient
gewijzigd te worden om de EAP-PEAP-gerelateerde
instellingen toe te voegen:network={
ssid="freebsdap"
proto=RSN
key_mgmt=WPA-EAP
eap=PEAP
identity="test"
password="test"
ca_cert="/etc/certs/cacert.pem"
phase1="peaplabel=0"
phase2="auth=MSCHAPV2"
}Dit veld noemt de EAP-methode voor de
verbinding.Het veld identity bevat de
identiteitsstring voor EAP-authenticatie binnen de
versleutelde TLS-tunnel.Het veld password bevat het
wachtwoord voor de EAP-authenticatie.Het veld ca_cert wijst naar de
padnaam van het CA-certificaatbestand. Dit bestand is
nodig om het servercertificaat te controleren.Dit veld bevat de parameters voor de eerste fase
van de authenticatie (de TLS-tunnel). Afhankelijk van
de gebruikte authenticatieserver moet er een specifiek
label voor de authenticatie worden opgegeven. In de
meeste gevallen zal het label client EAP
encryption zijn welke ingesteld is door
peaplabel=0 te gebruiken. Meer
informatie kan in de hulppagina
&man.wpa.supplicant.conf.5; gevonden worden.Dit veld noemt het authenticatieprotocol dat in de
versleutelde TLS-tunnel gebruikt wordt. In het geval
van PEAP is dit auth=MSCHAPV2.
Het volgende dient te worden toegevoegd aan
/etc/rc.conf:ifconfig_ath0="WPA DHCP"Hierna kan de interface worden geactiveerd:&prompt.root; /etc/rc.d/netif start
Starting wpa_supplicant.
DHCPREQUEST on ath0 to 255.255.255.255 port 67
DHCPREQUEST on ath0 to 255.255.255.255 port 67
DHCPREQUEST on ath0 to 255.255.255.255 port 67
DHCPACK from 192.168.0.20
bound to 192.168.0.254 -- renewal in 300 seconds.
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet6 fe80::211:95ff:fed5:4362%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x1
inet 192.168.0.254 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
ether 00:11:95:d5:43:62
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect (DS/11Mbps)
status: associated
ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac
authmode WPA2/802.11i privacy ON deftxkey UNDEF TKIP 2:128-bit
txpowmax 36 protmode CTS roaming MANUAL bintval 100WEPWEP (Wired Equivalent Privacy) maakt deel uit van de
oorspronkelijke 802.11 standaard. Er is geen
authenticatiemechanisme, slechts een zwakke vorm van
toegangscontrole, en het is gemakkelijk te kraken.WEP kan worden opgezet met
ifconfig:&prompt.root; ifconfig ath0 ssid mijn_net wepmode on weptxkey 3 wepkey 3:0x3456789012 \
inet 192.168.1.100 netmask 255.255.255.0De weptxkey geeft aan welke
WEP-sleutel zal worden gebruikt tijdens het verzenden.
Hier wordt de derde sleutel gebruikt. Dit dient
overeen te komen met de instelling in het toegangspunt.
Indien onbekend is welke sleutel door het toegangspunt
wordt gebruikt, dient geprobeerd te worden om
1 (i.e. de eerste sleutel) voor deze
waarde te gebruiken.De wepkey stelt de geselecteerde
WEP-sleutel in. Het dient in het formaat
index:sleutel te zijn, als de
sleutel niet is gegeven, wordt sleutel
1 ingesteld. Dat wil zeggen dat de
index opgegeven dient te worden indien er een andere
sleutel dan de eerste wordt gebruikt.De 0x3456789012 dient vervangen
te worden door de sleutel die ingesteld is voor
gebruik met het toegangspunt.Het wordt aangeraden om de hulppagina &man.ifconfig.8;
te lezen voor verdere informatie.De faciliteit wpa_supplicant kan ook
gebruikt worden om de draadloze interface in te stellen voor
WEP. Het bovenstaande voorbeeld kan worden ingesteld door
de volgende regels toe te voegen aan
/etc/wpa_supplicant.conf:network={
ssid="mijn_net"
key_mgmt=NONE
wep_key3=3456789012
wep_tx_keyidx=3
}Daarna:&prompt.root; wpa_supplicant -i ath0 -c /etc/wpa_supplicant.conf
Trying to associate with 00:13:46:49:41:76 (SSID='dlinkap' freq=2437 MHz)
Associated with 00:13:46:49:41:76Ad-hoc-modusIBSS-modus, ook ad-hoc-modus genoemd, is ontworpen voor
point-to-point-verbindingen. Om bijvoorbeeld een ad-hoc-netwerk
tussen de machine A en de machine
B op te zetten, is het slechts nodig om twee
IP-adressen en een SSID te kiezen.Op machine A:&prompt.root; ifconfig ath0 ssid freebsdap mediaopt adhoc inet 192.168.0.1 netmask 255.255.255.0
&prompt.root; ifconfig ath0
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet 192.168.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
inet6 fe80::211:95ff:fec3:dac%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x4
ether 00:11:95:c3:0d:ac
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect <adhoc> (autoselect <adhoc>)
status: associated
ssid freebsdap channel 2 bssid 02:11:95:c3:0d:ac
authmode OPEN privacy OFF txpowmax 36 protmode CTS bintval 100De parameter adhoc geeft aan dat de
interface in de IBSS-modus draait.Op B zal het mogelijk moeten zijn om
A te detecteren:&prompt.root; ifconfig ath0 up scan
SSID BSSID CHAN RATE S:N INT CAPS
freebsdap 02:11:95:c3:0d:ac 2 54M 19:3 100 ISDe I in de uitvoer bevestigt dat machine
A in ad-hoc-modus verkeert. Het is slechts
nodig om B met een ander IP-adres in te
stellen:&prompt.root; ifconfig ath0 ssid freebsdap mediaopt adhoc inet 192.168.0.2 netmask 255.255.255.0
&prompt.root; ifconfig ath0
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet6 fe80::211:95ff:fed5:4362%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x1
inet 192.168.0.2 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
ether 00:11:95:d5:43:62
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect <adhoc> (autoselect <adhoc>)
status: associated
ssid freebsdap channel 2 bssid 02:11:95:c3:0d:ac
authmode OPEN privacy OFF txpowmax 36 protmode CTS bintval 100Zowel A als B zijn nu
klaar om informatie uit te wisselen.&os; Host Toegangspunten&os; kan als toegangspunt (AP) functioneren wat de noodzaak
om een hardwarematig AP te kopen of een ad-hoc-netwerk te
draaien wegneemt. Dit kan bijzonder nuttig zijn indien de
&os;-machine als gateway naar een ander netwerk (bijvoorbeeld
het Internet) functioneert.BasisinstellingenVoordat de &os;-machine als een AP wordt ingesteld, dient
de kernel te worden ingesteld met de juiste ondersteuning voor
draadloos netwerken voor de draadloze kaart. Ook dient er
ondersteuning voor de te gebruiken beveiligingsprotocollen te
worden toegevoegd. Meer details staan in .Momenteel staan de NDIS-stuurprogrammawrapper en de
stuurprogramma's van &windows; het werken als AP niet toe.
Alleen originele draadloze &os;-stuurprogramma's
ondersteunen AP-modus.Wanneer de ondersteuning voor draadloos netwerken is
geladen, kan gecontroleerd worden of het draadloze apparaat
de hostgebaseerde toegangspuntmodus ondersteunt (ook bekend
als hostap-modus):&prompt.root; ifconfig ath0 list caps
ath=783ed0f<WEP,TKIP,AES,AES_CCM,IBSS,HOSTAP,AHDEMO,TXPMGT,SHSLOT,SHPREABLE,MONITOR,TKIPMIC,WPA1,WPA2,BURST,WME>Deze uitvoer geeft de mogelijkheden van de kaart weer, het
woord HOSTAP bevestigt dat deze draadloze
kaart als toegangspunt kan functioneren. Ook worden
verschillende ondersteunde versleutelmethoden genoemd: WEP,
TKIP, WPA2, enz., deze informatie is belangrijk om te weten
welke beveiligingsprotocollen ingesteld kunnen worden op het
toegangspunt.Het draadloze apparaat kan nu in hostap-modus worden gezet
en ingesteld worden met de juiste SSID en IP-adres:&prompt.root; ifconfig ath0 ssid freebsdap mode 11g mediaopt hostap inet 192.168.0.1 netmask 255.255.255.0Gebruik weer ifconfig om de status van
de interface ath0 te zien:&prompt.root; ifconfig ath0
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet 192.168.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
inet6 fe80::211:95ff:fec3:dac%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x4
ether 00:11:95:c3:0d:ac
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect mode 11g <hostap>
status: associated
ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac
authmode OPEN privacy OFF txpowmax 38 bmiss 7 protmode CTS burst dtimperiod 1 bintval 100De parameter hostap geeft aan dat de
interface in hostgebaseerde toegangspuntmodus draait.Het instellen van de interface kan automatisch tijdens het
opstarten gedaan worden door de volgende regel aan
/etc/rc.conf toe te voegen:ifconfig_ath0="ssid freebsdap mode 11g mediaopt hostap inet 192.168.0.1 netmask 255.255.255.0"Hostgebaseerde toegangspunt zonder authenticatie of
versleutelingHoewel het niet aangeraden wordt om een AP zonder enige
vorm van authenticatie of encryptie te draaien, is dit een
eenvoudige manier om te controleren of het AP werkt. Deze
configuratie is ook belangrijk voor het debuggen van problemen
met cliënten.Nadat het AP is ingesteld als eerder is laten zien, is het
mogelijk om van een andere draadloze machine een scan te
beginnen om het AP te vinden:&prompt.root; ifconfig ath0 up scan
SSID BSSID CHAN RATE S:N INT CAPS
freebsdap 00:11:95:c3:0d:ac 1 54M 22:1 100 ESDe cliëntmachine heeft het AP gevonden en kan ermee
geassocieerd worden:&prompt.root; ifconfig ath0 ssid freebsdap inet 192.168.0.2 netmask 255.255.255.0
&prompt.root; ifconfig ath0
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet6 fe80::211:95ff:fed5:4362%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x1
inet 192.168.0.2 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
ether 00:11:95:d5:43:62
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect (OFDM/54Mbps)
status: associated
ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac
authmode OPEN privacy OFF txpowmax 36 protmode CTS bintval 100WPA hostgebaseerde toegangspuntDeze sectie zal zich richten op opzetten van een &os;
toegangspunt dat het beveiligingsprotocol WPA gebruikt. Meer
details over WPA en het instellen van op WPA gebaseerde
draadloze cliënten kan gevonden worden in .De daemon hostapd wordt
gebruikt om cliëntauthenticatie en sleutelbeheer op het
toegangspunt met WPA af te handelen.In het volgende zullen alle instellingsbewerkingen worden
uitgevoerd op de &os;-machine die als AP dienst doet. Wanneer
het AP correct werkt, zou hostapd
automatisch tijdens het opstarten aangezet moeten worden met
de volgende regel in /etc/rc.conf:hostapd_enable="YES"Zorg ervoor dat voordat geprobeerd wordt om
hostapd in te stellen, de
basisinstellingen die in zijn geïntroduceerd
zijn uitgevoerd.WPA-PSKWPA-PSK is bedoeld voor kleine netwerken waar het
gebruik van een achterliggende authenticatieserver niet
mogelijk of gewenst is.Het instellen wordt gedaan in het bestand
/etc/hostapd.conf:interface=ath0
debug=1
ctrl_interface=/var/run/hostapd
ctrl_interface_group=wheel
ssid=freebsdap
wpa=1
wpa_passphrase=freebsdmall
wpa_key_mgmt=WPA-PSK
wpa_pairwise=CCMP TKIP Dit veld geeft aan welke draadloze interface voor
het toegangspunt wordt gebruikt.Dit veld stelt het verbositeitsniveau in dat tijdens
het draaien van hostapd wordt
gebruikt. Een waarde van 1
vertegenwoordigt het minimale niveau.Het veld ctrl_interface geeft de
padnaam van de door hostapd
gebruikte map om de domeinsocketbestanden voor
communicatie met externe programma's zoals
&man.hostapd.cli.8; in op te slaan. Hier wordt de
standaardwaarde gebruikt.De regel ctrl_interface_group
stelt de groep in (hier is het de groep
wheel) die toegang heeft tot de
controle interfacebestanden.Het veld wpa maakt WPA mogelijk
en specificeert welk WPA-authenticatieprotocol nodig zal
zijn. De waarde 1 stelt het AP in op
WPA-PSK.Het veld wpa_passphrase bevat het
ASCII-wachtwoord voor de WPA-authenticatie.
Gebruik altijd sterke wachtwoorden welke voldoende
lang zijn en opgebouwd zijn uit een grote
tekenverzameling zodat ze niet gemakkelijk worden
geraden of aangevallen.De regel wpa_key_mgmt verwijst
naar het gebruikte sleutelbeheerprotocol. In dit geval
is dat WPA-PSK.Het veld wpa_pairwise geeft aan
welke versleutelingsalgoritmes door het toegangspunt
worden geaccepteerd. Hier worden zowel de versleuteling
TKIP (WPA) en CCMP (WPA2) geaccepteerd. De
versleuteling CCMP is een alternatief voor TKIP en wordt
sterk aangeraden indien mogelijk; TKIP dient alleen
gebruikt te worden voor stations die geen CCMP
aankunnen.De volgende stap is het starten van
hostapd:&prompt.root /etc/rc.d/hostapd forcestart&prompt.root; ifconfig ath0
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 2290
inet 192.168.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
inet6 fe80::211:95ff:fec3:dac%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x4
ether 00:11:95:c3:0d:ac
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect mode 11g <hostap>
status: associated
ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac
authmode WPA2/802.11i privacy MIXED deftxkey 2 TKIP 2:128-bit txpowmax 36 protmode CTS dtimperiod 1 bintval 100Het toegangspunt draait nu, de cliënten kunnen er
nu mee worden geassocieerd, zie voor meer details. Het is
mogelijk om de stations die met het AP geassocieerd zijn te
zien door het commando ifconfig
ath0 list te
gebruiken.WEP hostgebaseerd toegangspuntHet wordt niet aangeraden om WEP te gebruiken om een
toegangspunt op te zetten aangezien er geen
authenticatiemechanisme is en het gemakkelijk is te kraken.
Sommige verouderde draadloze kaarten ondersteunen alleen WEP
als een beveiligingsprotocol, met deze kaarten is het alleen
mogelijk om een AP zonder authenticatie of encryptie of een AP
dat het WEP-protocol gebruikt op te zetten.Het draadloze apparaat kan nu in hostap-modus worden
gezet en ingesteld worden met het juiste SSID en
IP-adres:&prompt.root; ifconfig ath0 ssid freebsdap wepmode on weptxkey 3:0x3456789012 mode 11g hostap \
inet 192.168.0.1 netmask 255.255.255.0Het weptxkey geeft aan welke
WEP-sleutel tijdens het zenden zal worden gebruikt. Hier
wordt de derde sleutel gebruikt (merk op dat de nummering
van de sleutels bij 1 begint). Deze
parameter moet gespecificeerd worden om de gegevens
daadwerkelijk te versleutelen.Het wepkey geeft aan dat de
geselecteerde WEP-sleutel wordt ingesteld. Het dient in
het formaat index:key te zijn,
indien de index niet is gegeven, wordt sleutel
1 gebruikt. Dus indien een andere
sleutel dan de eerste wordt gebruikt dient de index te
worden ingesteld.Weer wordt ifconfig gebruikt om de
status van de interface ath0 te
zien:&prompt.root; ifconfig ath0
ath0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet 192.168.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.0.255
inet6 fe80::211:95ff:fec3:dac%ath0 prefixlen 64 scopeid 0x4
ether 00:11:95:c3:0d:ac
media: IEEE 802.11 Wireless Ethernet autoselect mode 11g <hostap>
status: associated
ssid freebsdap channel 1 bssid 00:11:95:c3:0d:ac
authmode OPEN privacy ON deftxkey 3 wepkey 3:40-bit txpowmax 36 protmode CTS dtimperiod 1 bintval 100Vanaf een andere draadloze machine is het mogelijk om een
scan te beginnen om het AP te vinden:&prompt.root; ifconfig ath0 up scan
SSID BSSID CHAN RATE S:N INT CAPS
freebsdap 00:11:95:c3:0d:ac 1 54M 22:1 100 EPSDe cliëntmachine heeft het toegangspunt gevonden en
kan ermee geassocieerd worden door de juiste parameters
(sleutel, enz.) te gebruiken, zie voor meer details.
+
+ Zowel de bekabelde als de draadloze verbinding gebruiken
+
+ Een bekabelde verbinding biedt betere prestaties en betrouwbaarheid,
+ terwijl een draadloze verbinding meer flexibiliteit en mobiliteit
+ biedt; laptop-gebruikers zullen dit willen combineren en naadloos tussen
+ de twee overschakelen.
+
+ In &os; is het mogelijk om twee of meer netwerkinterfaces te
+ combineren in een failover-opstelling, dit houdt in dat
+ de meest geprefereerde en best beschikbare verbinding van een groep van
+ netwerkinterfaces wordt gebruikt, en het besturingssysteem automatisch
+ te laten overschakelen wanneer de status van de verbinding
+ verandert.
+
+ Link-aggregatie en failover worden behandeld in , een voorbeeld voor het gebruik van
+ zowel een bekabelde als een draadloze verbinding wordt gegeven in
+ .
+
+
Problemen verhelpenIndien er problemen met het draadloos netwerk zijn, zijn er
een aantal stappen die genomen kunnen worden om het probleem te
helpen verhelpen.Indien het toegangspunt niet vermeld wordt tijdens het
scannen, controleer dan of het draadloze apparaat niet is
ingesteld op een beperkt aantal kanalen.Indien het niet mogelijk is om met een toegangspunt te
associëren, controleer dan of de instellingen van het
station overeenkomen met die van het toegangspunt. Dit
omvat het authenticatieschema en de beveiligingsprotocollen.
Versimpel de configuratie zoveel mogelijk. Indien een
beveiligingsprotocol als WPA of WEP wordt gebruikt, stel het
toegangspunt dan in voor open authenticatie en geen
beveiliging en kijk of er verkeer door kan.Wanneer er met het toegangspunt geassocieerd kan worden,
stel dan een diagnose over alle beveiligingsinstellingen met
eenvoudige gereedschappen zoals &man.ping.8;.wpa_supplicant biedt veel
ondersteuning voor debuggen; probeer het handmatig te
draaien met de optie en controleer de
systeemlogs.Er zijn ook veel debug-gereedschappen op lagere niveaus.
Het is mogelijk om debugberichten in de laag die het 802.11
protocol ondersteunt aan te zetten door het programma
wlandebug te gebruiken dat gevonden wordt
in /usr/src/tools/tools/net80211.
Bijvoorbeeld:&prompt.root; wlandebug -i ath0 +scan+auth+debug+assoc
net.wlan.0.debug: 0 => 0xc80000<assoc,auth,scan>kan worden gebruikt om consoleberichten aan te zetten
die te maken hebben met het scannen van toegangspunten en
het uitvoeren van 802.11 handshakes die nodig zijn om
communicatie te regelen.Er worden ook veel nuttige statistieken door de 802.11
laag bijgehouden; het gereedschap
wlanstats geeft deze informatie weer.
Deze statistieken zouden alle fouten die door de 802.11 laag
zijn geïdentificeerd moeten identificeren. Let erop
dat sommige fouten worden geïdentificeerd in de
apparaatstuurprogramma's die onder de 802.11 laag liggen
zodat ze niet verschijnen. Voor het diagnosticeren van
apparaatspecifieke problemen dient de documentatie van het
stuurprogramma geraadpleegd te worden.Indien de bovenstaande informatie niet helpt om het probleem
te verhelderen, stuur dan een probleemrapport op inclusief de
uitvoer van de bovenstaande gereedschappen.PavLucistnikGeschreven door pav@FreeBSD.orgBluetoothBluetoothIntroductieBluetooth is een draadloze technologie om persoonlijke
netwerken aan te maken die in de vrije 2,4GHz-band werken binnen
een straal van 10 meter. Deze netwerken worden gewoonlijk
ad-hoc gevormd en bestaan uit draagbare apparaten zoals mobiele
telefoons, handhelds en laptops. In tegenstelling tot die
andere populaire draadloze techniek, Wi-Fi, biedt Bluetooth een
hoger niveau van serviceprofielen, zoals FTP-achtige
bestandsservers, pushing van bestanden, stemtransport, emulatie
van seriële lijnen, en meer.De Bluetooth stack is in &os; geïmplementeerd door
gebruik te maken van het Netgraph-raamwerk (zie
&man.netgraph.4;). Veel van de Bluetooth USB-dongles worden
ondersteund door het stuurprogramma &man.ng.ubt.4;. Apparaten
gebaseerd op de Broadcom BCM2033 chip worden ondersteund door de
stuurprogramma's &man.ubtbcmfw.4; en &man.ng.ubt.4;. De 3Com
Bluetooth PC Card 3CRWB60-A wordt ondersteund door het
stuurprogramma &man.ng.bt3c.4;. Seriële en op UART
gebaseerde Bluetooth-apparaten worden ondersteund via
&man.sio.4;, &man.ng.h4.4;, en &man.hcseriald.8;. Deze sectie
beschrijft het gebruik van de USB Bluetooth-dongle.Het apparaat inprikkenStandaard zijn stuurprogramma's voor Bluetooth-apparaten
beschikbaar als kernelmodules. Voordat een apparaat wordt
aangekoppeld, dient het stuurprogramma in de kernel geladen te
worden:&prompt.root; kldload ng_ubtIndien het Bluetooth-apparaat tijdens het opstarten van het
systeem in het systeem aanwezig is, kan de module vanuit
/boot/loader.conf geladen worden:ng_ubt_load="YES"Prik de USB-dongle in. Uitvoer vergelijkbaar aan de
onderstaande zal op de console (of in syslog) verschijnen:ubt0: vendor 0x0a12 product 0x0001, rev 1.10/5.25, addr 2
ubt0: Interface 0 endpoints: interrupt=0x81, bulk-in=0x82, bulk-out=0x2
ubt0: Interface 1 (alt.config 5) endpoints: isoc-in=0x83, isoc-out=0x3,
wMaxPacketSize=49, nframes=6, buffer size=294Het script /etc/rc.d/bluetooth wordt
gebruikt om de Bluetooth-stack te starten en te stoppen. Het is
een goed idee om de stack te stoppen voordat het apparaat wordt
losgekoppeld, maar het is (gewoonlijk) niet fataal. Tijdens het
starten van de stack verschijnt er uitvoer vergelijkbaar met de
onderstaande:&prompt.root; /etc/rc.d/bluetooth start ubt0
BD_ADDR: 00:02:72:00:d4:1a
Features: 0xff 0xff 0xf 00 00 00 00 00
<3-Slot> <5-Slot> <Encryption> <Slot offset>
<Timing accuracy> <Switch> <Hold mode> <Sniff mode>
<Park mode> <RSSI> <Channel quality> <SCO link>
<HV2 packets> <HV3 packets> <u-law log> <A-law log> <CVSD>
<Paging scheme> <Power control> <Transparent SCO data>
Max. ACL packet size: 192 bytes
Number of ACL packets: 8
Max. SCO packet size: 64 bytes
Number of SCO packets: 8HCIHost Controller Interface (HCI)Het Host Controller Interface (HCI) biedt een
opdrachtinterface naar de controller van de basisband en de
verbindingsbeheerder, en toegang tot hardwarestatus en
controleregisters. Deze interface biedt een uniforme manier
om de mogelijkheden van de basisband van Bluetooth te benaderen.
De HCI-laag op de gastheer wisselt gegevens en opdrachten uit
met de HCI-firmware in de Bluetooth-hardware. Het
stuurprogramma voor de Host Controller Transport Layer (i.e. de
fysieke bus) biedt aan beide HCI-lagen de mogelijkheid om
informatie met elkaar uit te wisselen.Voor een enkel Bluetooth-apparaat wordt een enkele Netgraph
knoop van het type hci aangemaakt. De
HCI-knoop is normaliter verbonden met de knoop van het
Bluetooth-apparaatstuurprogramma (naar beneden toe) en de
L2CAP-knoop (naar boven toe). Alle HCI-bewerkingen dienen te
worden uitgevoerd op de HCI-knoop en niet op de knoop van het
apparaatstuurprogramma. De standaardnaam voor de HCI-knoop is
devicehci. Kijk voor meer details in de
hulppagina &man.ng.hci.4;.Eén van de meest voorkomende taken is het ontdekken
van Bluetooth-apparaten binnen radiobereik. Deze bewerking
wordt ondervragen genoemd. Ondervragen en
andere HCI-gerelateerde bewerkingen worden uitgevoerd met het
programma &man.hccontrol.8;. Het onderstaande voorbeeld laat
zien hoe kan worden uitgezocht welke Bluetooth-apparaten zich
binnen het bereik bevinden. De lijst met apparaten zou binnen
enkele seconden moeten binnenkomen. Bedenk dat een apparaat op
afstand alleen antwoord op de ondervraging zal geven indien het
in ontdekbare modus staat.&prompt.user; hccontrol -n ubt0hci inquiry
Inquiry result, num_responses=1
Inquiry result #0
BD_ADDR: 00:80:37:29:19:a4
Page Scan Rep. Mode: 0x1
Page Scan Period Mode: 00
Page Scan Mode: 00
Class: 52:02:04
Clock offset: 0x78ef
Inquiry complete. Status: No error [00]BD_ADDR is een uniek adres van een
Bluetooth-apparaat, vergelijkbaar met een MAC-adres van een
netwerkkaart. Dit adres is nodig voor verdere communicatie met
een apparaat. Het is mogelijk om een menselijk leesbare naam
aan een BD_ADDR toe te kennen. Het bestand
/etc/bluetooth/hosts bevat informatie over
de bekende Bluetooth-gastheren. Het volgende voorbeeld laat
zien hoe de menselijk leesbare naam dat aan het apparaat op
afstand was toegekend te verkrijgen is:&prompt.user; hccontrol -n ubt0hci remote_name_request 00:80:37:29:19:a4
BD_ADDR: 00:80:37:29:19:a4
Name: Pav's T39Tijdens het uitvoeren van een ondervraging op een
Bluetooth-apparaat op afstand zal het de computer als
uw.gastheer.naam (ubt0) vinden. De naam die aan
het lokale apparaat is toegekend, kan altijd gewijzigd
worden.Het Bluetooth-systeem biedt een punt-naar-punt-verbinding
(slechts twee Bluetooth-eenheden betrokken), of een
punt-naar-veelpunt-verbinding. Bij een
punt-naar-veelpunt-verbinding wordt de verbinding met meerdere
Bluetooth-apparaten gedeeld. Het volgende voorbeeld laat zien
hoe de lijst met actieve basisbandverbindingen voor het lokale
apparaat te verkrijgen is:&prompt.user; hccontrol -n ubt0hci read_connection_list
Remote BD_ADDR Handle Type Mode Role Encrypt Pending Queue State
00:80:37:29:19:a4 41 ACL 0 MAST NONE 0 0 OPENEen verbindingshandvat is nuttig indien
het beëindigen van de basisbandverbinding noodzakelijk is.
Normaalgesproken is het niet nodig om dit handmatig te doen. De
stack zal automatisch niet-actieve basisbandverbindingen
beëindigen.&prompt.root; hccontrol -n ubt0hci disconnect 41
Connection handle: 41
Reason: Connection terminated by local host [0x16]Raadpleeg hccontrol help voor een
volledige lijst van beschikbare HCI-opdrachten. Voor de meeste
HCI-opdrachten zijn geen beheerdersrechten nodig.L2CAPLogical Link Control and Adaptation
Protocol (L2CAP)Het Logical Link Control and Adaptation Protocol (L2CAP)
biedt verbindingsgeoriënteerde en verbindingsloze
gegevensdiensten met mogelijkheden om protocollen te multiplexen
en mogelijkheden voor segmentatie/herassemblage voor protocollen
in hogere lagen. L2CAP staat toe dat protocollen en
toepassingen in hogere lagen L2CAP-gegevenspakketten met een
maximale lengte van 64 kB te verzenden en ontvangen.L2CAP is op het concept van kanalen
gebaseerd. Een kanaal is een logische verbinding bovenop een
basisbandverbinding. Elk kanaal is op een
veel-op-één manier aan een enkel protocol
gebonden. Aan hetzelfde protocol kunnen meerdere kanalen worden
gebonden, maar één kanaal kan niet aan meerdere
protocollen worden gebonden. Elk L2CAP-pakket dat op een kanaal
wordt ontvangen, wordt naar het juiste hogere protocol
doorgestuurd. Meerdere kanalen kunnen dezelfde
basisbandverbinding delen.Voor elk Bluetooth-apparaat wordt een enkele Netgraph-knoop
van het soort l2cap aangemaakt. De
L2CAP-knoop is normaalgesproken verbonden met de Bluetooth
HCI-knoop (naar beneden toe) en de knopen van de stopcontacten
voor Bluetooth (naar boven toe). De standaardnaam voor de
L2CAP-knoop is devicel2cap. Zie voor meer
details de hulppagina &man.ng.l2cap.4;.Een nuttig commando is &man.l2ping.8;, dat gebruikt kan
worden om andere apparaten te pingen. Sommige
Bluetooth-implementaties geven niet alle verzonden gegevens
terug, dus is 0 bytes normaal in het volgende
voorbeeld.&prompt.root; l2ping -a 00:80:37:29:19:a4
0 bytes from 0:80:37:29:19:a4 seq_no=0 time=48.633 ms result=0
0 bytes from 0:80:37:29:19:a4 seq_no=1 time=37.551 ms result=0
0 bytes from 0:80:37:29:19:a4 seq_no=2 time=28.324 ms result=0
0 bytes from 0:80:37:29:19:a4 seq_no=3 time=46.150 ms result=0Met het programma &man.l2control.8; kunnen verschillende
bewerkingen op L2CAP-knopen worden uitgevoerd. Dit voorbeeld
laat zien hoe de lijst met logische verbindingen (kanalen)
en de lijst met basisbandverbindingen voor het lokale apparaat
verkregen kunnen worden:&prompt.user; l2control -a 00:02:72:00:d4:1a read_channel_list
L2CAP channels:
Remote BD_ADDR SCID/ DCID PSM IMTU/ OMTU State
00:07:e0:00:0b:ca 66/ 64 3 132/ 672 OPEN
&prompt.user; l2control -a 00:02:72:00:d4:1a read_connection_list
L2CAP connections:
Remote BD_ADDR Handle Flags Pending State
00:07:e0:00:0b:ca 41 O 0 OPENEen ander diagnostisch programma is &man.btsockstat.1;. Het
heeft ongeveer hetzelfde doel als &man.netstat.1;, maar dan voor
Bluetooth-netwerkgerelateerde gegevensstructuren. Het
onderstaande voorbeeld laat dezelfde logische verbinding zien
als die van &man.l2control.8; hierboven.&prompt.user; btsockstat
Active L2CAP sockets
PCB Recv-Q Send-Q Local address/PSM Foreign address CID State
c2afe900 0 0 00:02:72:00:d4:1a/3 00:07:e0:00:0b:ca 66 OPEN
Active RFCOMM sessions
L2PCB PCB Flag MTU Out-Q DLCs State
c2afe900 c2b53380 1 127 0 Yes OPEN
Active RFCOMM sockets
PCB Recv-Q Send-Q Local address Foreign address Chan DLCI State
c2e8bc80 0 250 00:02:72:00:d4:1a 00:07:e0:00:0b:ca 3 6 OPENRFCOMMHet RFCOMM-protocolHet RFCOMM-protocol biedt emulatie van seriële poorten
over het L2CAP-protocol. Het protocol is gebaseerd op de
ETSI-standaard TS 07.10. RFCOMM is een eenvoudig
transportprotocol, met aanvullende voorzieningen om de 9
circuits van RS-232- (EIATIA-232-E-) seriële poorten te
emuleren. Het RFCOMM-protocol ondersteunt tot 60 gelijktijdige
verbindingen (RFCOMM-kanalen) tussen twee
Bluetooth-apparaten.Het is de bedoeling van RFCOMM dat in een volledig
communicatiepad twee toepassingen op verschillende apparaten
draaien (de eindpunten van de communicatie) met daartussen een
communicatiesegment. RFCOMM is bedoeld om de toepassingen te
beheren die gebruik maken van de seriële poorten van de
apparaten waarop ze zijn geïnstalleerd. Het
communicatiesegment is een directe Bluetooth-verbinding van het
ene apparaat naar het andere.RFCOMM houdt zich alleen bezig met de verbinding tussen twee
apparaten bij directe verbindingen, of tussen het apparaat en
een modem in het geval van een netwerk. RFCOMM kan andere
opstellingen ondersteunen, zoals modules die via draadloze
Bluetooth-technologie communiceren aan de ene kant, en een
draadinterface aanbieden aan de andere kant.In &os; is het RFCOMM-protocol in de laag van de
Bluetooth-stopcontacten geïmplementeerd.parenHet paren van apparatenStandaard is Bluetooth-communicatie niet geauthenticeerd en
kan elk apparaat met elk ander apparaat praten. Een
Bluetooth-apparaat (bijvoorbeeld een mobiele telefoon) kan
ervoor kiezen dat voor bepaalde diensten authenticatie nodig is
(bijvoorbeeld voor de inbeldienst). Bluetooth-authenticatie
geschied normaalgesproken met PIN-codes.
Een PIN-code is een ACII-reeks van maximaal 16 tekens lang. De
gebruiker dient dezelfde PIN-code op beide apparaten in te
voeren. Nadat de gebruiker de PIN-code heeft ingevoerd, zullen
beide apparaten een verbindingssleutel
aanmaken. Hierna kan de verbindingssleutel òfwel in de
apparaten zelf, òfwel in een permanente opslag worden
opgeslagen. De volgende keer zullen beide apparaten de van
tevoren aangemaakte verbindingssleutel gebruiken. Bovenstaande
procedure wordt paren genoemd. Merk op dat
indien een apparaat de verbindingssleutel verliest, het paren
moet worden herhaald.De daemon &man.hcsecd.8; is verantwoordelijk voor het
behandelen van alle verzoeken voor Bluetooth-authenticatie. Het
standaard instellingenbestand is
/etc/bluetooth/hcsecd.conf. Een
voorbeeldsectie voor een mobiele telefoon waarvan de PIN-code
willekeurig op 1234 is hieronder
beschreven:device {
bgaddr 00:80:37:29:19:a4;
name "Pav's T39";
key nokey;
pin "1234";
}Er is geen limiet voor PIN-codes (behalve de lengte). Voor
sommige apparaten (bijvoorbeeld Bluetooth-headsets) kan de
PIN-code vast zijn ingebouwd. De schakelaar
dwingt de daemon &man.hcsecd.8; om op de voorgrond te blijven,
zodat het gemakkelijk is om te zien wat er gebeurt. Stel het
andere apparaat in om paarverzoeken te ontvangen en initialiseer
de Bluetooth-verbinding naar het andere apparaat. Het apparaat
moet zeggen dat het paarverzoek geaccepteerd is en om de
PIN-code vragen. Geef dezelfde PIN-code op als in
hcsecd.conf. Nu zijn de PC en het andere
apparaat gepaard. Als alternatief kan paren op het andere
apparaat worden geïnitialiseerd.Op &os; 5.5, 6.1, en nieuwer kan de volgende regel aan
het bestand /etc/rc.conf worden toegevoegd
om hcsecd automatisch met het
systeem op te starten:hcsecd_enable="YES"Het volgende is een voorbeeld van de uitvoer van de daemon
hcsecd:hcsecd[16484]: Got Link_Key_Request event from 'ubt0hci', remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4
hcsecd[16484]: Found matching entry, remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4, name 'Pav's T39', link key doesn't exist
hcsecd[16484]: Sending Link_Key_Negative_Reply to 'ubt0hci' for remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4
hcsecd[16484]: Got PIN_Code_Request event from 'ubt0hci', remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4
hcsecd[16484]: Found matching entry, remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4, name 'Pav's T39', PIN code exists
hcsecd[16484]: Sending PIN_Code_Reply to 'ubt0hci' for remote bdaddr 0:80:37:29:19:a4SDPService Discovery Protocol (SDP)Het Service Discovery Protocol (SDP) biedt voor
cliënttoepassingen de mogelijkheid om diensten te ontdekken
die door servertoepassingen worden aangeboden alsook de
kenmerken van deze diensten. De kenmerken van een dienst
omvatten de soort of klasse van de aangeboden dienst en de
informatie over het mechanisme of protocol dat nodig is om de
dienst te gebruiken.SDP omvat communicatie tussen een SDP-server en een
SDP-cliënt. De server houdt een lijst van
dienstenregistraties bij die de eigenschappen van de diensten
beschrijven die met de server geassocieerd zijn. Elke
dienstregistratie bevat informatie over een enkele dienst. Een
cliënt kan informatie over een dienstregistratie opvragen
die door de SDP-server wordt bijgehouden door een SDP-verzoek in
te dienen. Indien de cliënt, of een toepassing die met de
cliënt geassocieerd is, besluit om de dienst te gebruiken,
moet het een aparte verbinding naar de aanbieder van de dienst
openen om de dienst te gebruiken. SDP biedt een mechanisme om
diensten en hun attributen te ontdekken, maar het biedt geen
mechanisme om die diensten te gebruiken.Normaalgesproken zoekt een SDP-cliënt naar diensten
naar aanleiding van enkele gewenste eigenschappen van die
diensten. Soms is het echter wenselijk om te ontdekken welke
soorten diensten door de dienstregistraties van een SDP-server
worden beschreven zonder enige voorkennis van deze diensten.
Dit kijken naar alle aangeboden diensten wordt
browsen genoemd.De Bluetooth SDP-server &man.sdpd.8; en de
opdrachtregelcliënt &man.sdpcontrol.8; zitten in de
standaard &os;-installatie. Het volgende voorbeeld laat zien
hoe een SDP-browse query uit te voeren.&prompt.user; sdpcontrol -a 00:01:03:fc:6e:ec browse
Record Handle: 00000000
Service Class ID List:
Service Discovery Server (0x1000)
Protocol Descriptor List:
L2CAP (0x0100)
Protocol specific parameter #1: u/int/uuid16 1
Protocol specific parameter #2: u/int/uuid16 1
Record Handle: 0x00000001
Service Class ID List:
Browse Group Descriptor (0x1001)
Record Handle: 0x00000002
Service Class ID List:
LAN Access Using PPP (0x1102)
Protocol Descriptor List:
L2CAP (0x0100)
RFCOMM (0x0003)
Protocol specific parameter #1: u/int8/bool 1
Bluetooth Profile Descriptor List:
LAN Access Using PPP (0x1102) ver. 1.0... enzovoorts. Merk op dat elke dienst een lijst met
attributen heeft (bijvoorbeeld een RFCOMM-kanaal). Afhankelijk
van de dienst kan het nodig zijn om een aantekening van sommige
attributen te maken. Sommige Bluetooth-implementaties
ondersteunen dienst-browsen niet en zullen een lege lijst
teruggeven. In dit geval is het mogelijk om naar de specifieke
dienst te zoeken. Het onderstaande voorbeeld laat zien hoe naar
de dienst OBEX Object Push (OPUSH) gezocht kan worden:&prompt.user; sdpcontrol -a 00:01:03:fc:6e:ec search OPUSHHet aanbieden van diensten op &os; aan
Bluetooth-cliënten wordt gedaan met de server &man.sdpd.8;.
Op &os; 5.5, 6.1, en nieuwer, kan de volgende regel aan het
bestand /etc/rc.conf worden
toegevoegd:sdpd_enable="YES"Het daemon sdpd kan worden
gestart met:&prompt.root; /etc/rc.d/sdpd startDe plaatselijke servertoepassing die Bluetooth-diensten wil
aanbieden aan verre cliënten zal de dienst registreren bij
de plaatselijke SDP-daemon. Een voorbeeld van zo'n toepassing
is &man.rfcomm.pppd.8;. Nadat het gestart is zal het de
Bluetooth LAN-dienst bij de plaatselijke SDP-daemon
registreren.De lijst met diensten die bij de plaatselijke SDP-server
zijn geregistreerd kan worden opgevraagd door te SDP-browsen
via het plaatselijke controlekanaal:&prompt.root; sdpcontrol -l browseDial-Up Networking (DUN) en netwerktoegang met PPP (LAN)
profielenHet inbelnetwerk (DUN) profiel wordt het meeste gebruikt met
modems en mobiele telefoons. De volgende scenario's worden in
dit profiel behandeld:het gebruik van een mobiele telefoon of modem door een
computer als een draadloze modem voor het verbinden met een
inbelserver voor Internet-toegang, of voor andere
inbeldiensten;het gebruik van een mobiele telefoon of modem door een
computer om gegevensoproepen te ontvangen.Het profiel voor netwerktoegang met PPP (LAN) kan in de
volgende situaties gebruikt worden:LAN-toegang voor een enkel Bluetooth-apparaat;LAN-toegang voor meerdere Bluetooth-apparaten;PC naar PC (door PPP-netwerken over een seriële kabel te emuleren).Op &os; zijn beide profielen geïmplementeerd met
&man.ppp.8; en &man.rfcomm.pppd.8; - een wrapper die een RFCOMM
Bluetooth-verbinding omzet in iets waar PPP mee overweg kan.
Voordat een profiel gebruikt kan worden, dient een nieuw
PPP-label in het bestand /etc/ppp/ppp.conf
te worden aangemaakt. Raadpleeg de hulppagina
&man.rfcomm.pppd.8; voor voorbeelden.In het volgende voorbeeld zal &man.rfcomm.pppd.8; gebruikt
worden om RFCOMM-verbinding met een ver apparaat met BD_ADDR
00:80:37:29:19:a4 op een DUN RFCOMM-kanaal te maken. Het
eigenlijke RFCOMM-kanaalnummer wordt via SDP van het verre
apparaat verkregen. Het is mogelijk om het RFCOMM-kanaal
handmatig op te geven, en in dat geval zal &man.rfcomm.pppd.8;
het SDP-verzoek niet uitvoeren. Gebruik &man.sdpcontrol.8; om
het RFCOMM-kanaal op het verre apparaat te achterhalen.&prompt.root; rfcomm_pppd -a 00:80:37:29:19:a4 -c -C dun -l rfcomm-dialupOm netwerktoegang met PPP (LAN) aan te bieden moet de server
&man.sdpd.8; draaien. Er dient een nieuwe regel voor
LAN-cliënten in het bestand
/etc/ppp/ppp.conf aangemaakt te worden.
Raadpleeg de hulppagina &man.rfcomm.pppd.8; voor voorbeelden.
Tenslotte dient de RFCOMM PPP-server op een geldig RFCOMM-kanaal
gestart te worden. De RFCOMM PPP-server zal automatisch de
Bluetooth LAN-dienst bij de plaatselijke SDP-daemon registreren.
Het volgende voorbeeld laat zien hoe een RFCOMM PPP-server te
starten:&prompt.root; rfcomm_pppd -s -C 7 -l rfcomm-serverOBEXHet OBEX Object Push (OPUSH) profielOBEX is een veelgebruikt protocol voor eenvoudige
bestandsoverdrachten tussen mobiele apparaten. Het primaire
gebruik is infraroodcommunicatie, waar het wordt gebruikt voor
generieke bestandsoverdrachten tussen notebooks of PDA's, en
om visitekaarten en kalenderregels tussen mobiele telefoons en
andere apparaten met PIM-toepassingen over te dragen.De OBEX-server en clieënt zijn geïmplenteerd als
een pakket van derde partij, obexapp,
dat beschikbaar is als de port
comms/obexapp.De OBEX-cliënt wordt gebruikt om objecten naar en/of
van de OBEX-server te duwen/trekken. Een object kan
bijvoorbeeld een visitekaart of een afspraak zijn. De
OBEX-cliënt kan het RFCOMM-kanaalnummer van het verre
apparaat via SDP opvragen. Dit kan gedaan worden door de
dienstnaam in plaats van het RFCOMM-kanaalnummer op te geven.
De ondersteunde dienstnamen zijn: IrMC, FTRN, en OPUSH. Het is
mogelijk om het RFCOMM-kanaal als een nummer op te geven. Het
onderstaande is een voorbeeld van een OBEX-sessie, waar een
apparaatinformatie-object van de mobiele telefoon wordt
getrokken, en een nieuw object (een visitekaart) in de gids van
de telefoon wordt geduwd:&prompt.user; obexapp -a 00:80:37:29:19:a4 -C IrMC
obex> get telecom/devinfo.txt devinfo-t39.txt
Success, response: OK, Success (0x20)
obex> put new.vcf
Success, response: OK, Success (0x20)
obex> di
Success, response: OK, Success (0x20)Om de dienst OBEX Object Push aan te bieden, moet de server
&man.sdpd.8; draaien. Er moet een hoofdmap worden aangemaakt
waarin alle binnenkomende objecten worden opgeslagen. Het
standaardpad naar de hoofdmap is
/var/spool/obex. Tenslotte moet de
OBEX-server op een geldig RFCOMM-kanaal worden gestart. De
OBEX-server zal automatisch de dienst OBEX Object Push bij de
plaatselijke SDP-daemon registeren. Het onderstaande voorbeeld
laat zien hoe de OBEX-server gestart wordt:&prompt.root; obexapp -s -C 10Serial Port Profile (SPP)Het Seriële Poort Profiel (SPP) zorgt ervoor dat
Bluetooth-apparaten RS232 (of gelijkwaardige) seriële
kabels kunnen emuleren. Het scenario dat dit profiel behandelt
zorgt ervoor dat oude toepassingen Bluetooth kunnen gebruiken
als vervanging van kabels, door gebruik te maken van een
virtuele seriële poort.Het programma &man.rfcomm.sppd.1; implementeert het
Seriële Poort profiel. Een pseudo-tty wordt gebruikt als
abstractie voor een virtuele seriële poort. Onderstaand
voorbeeld laat zien hoe met een Seriële Poortdienst voor
verre apparaten te verbinden. Merk op dat het niet nodig is om
een RFCOMM-kanaal te kiezen - &man.rfcomm.sppd.1; kan het via
SDP van het verre apparaat verkrijgen. Dit kan worden overruled
door een RFCOMM-kanaal op de opdrachtregel te specificeren.
&prompt.root; rfcomm_sppd -a 00:07:E0:00:0B:CA -t /dev/ttyp6
rfcomm_sppd[94692]: Starting on /dev/ttyp6...Als er een verbinding is, kan de pseudo-tty als seriële
poort worden gebruikt:&prompt.root; cu -l ttyp6Problemen oplossenEen apparaat op afstand kan geen verbinding makenSommige oudere Bluetooth-apparaten ondersteunen het
wisselen van rol niet. Standaard probeert &os;, wanneer het
een nieuwe verbinding accepteert, een rolwisseling uit te
voeren en meester te worden. Apparaten die dit niet
ondersteunen zullen niet kunnen verbinden. Merk op dat van
rol wordt gewisseld wanneer een nieuwe verbinding wordt
gemaakt, dus het is niet mogelijk om het verre apparaat te
vragen of het rolwisseling ondersteunt. Er is een HCI-optie
om rolwisselen aan de plaatselijke kant uit te zetten:&prompt.root; hccontrol -n ubt0hci write_node_role_switch 0Er gaat iets mis, kan ik precies zien wat er gebeurt?Ja, dit is mogelijk. Gebruik het pakket
hcidump, dat beschikbaar is als de
port comms/hcidump. Het
gereedschap hcidump is
vergelijkbaar met &man.tcpdump.1;. Het kan gebruikt worden om
de inhoud van Bluetooth-pakketten op de terminal te laten zien
en om de Bluetooth-pakketten naar een bestand te schrijven.
AndrewThompsonGeschreven door BridgingIntroductieIP-subnetbridgeSoms is het handig om één fysiek netwerk
(zoals een Ethernet-segment) in twee gescheiden netwerksegmenten
te verdelen zonder de noodzaak om een IP-subnet aan te maken en
een router te gebruiken om de segmenten met elkaar te verbinden.
Een apparaat dat twee netwerken op deze manier met elkaar
verbindt wordt een bridge (brug) genoemd. Een
&os;-systeem met twee netwerkkaarten kan als bridge
dienen.De bridge werkt door de adressen van de MAC-laag
(Ethernetadressen) van de apparaten op elke netwerkinterface
te leren. Het stuurt alleen verkeer tussen twee netwerken door
indien de bron en het doel zich op verschillende netwerken
bevinden.In vele opzichten is een bridge als een Ethernet-switch met
erg weinig poorten.Situaties waarin bridging juist isEr zijn vandaag de dag veel situaties waarin een bridge
gebruikt wordt.Netwerken verbindenHet basisgebruik van een bridge is het met elkaar
verbinden van twee of meer netwerksegmenten. Er zijn vele
redenen om een hostgebaseerde bridge te gebruiken in plaats
van simpele netwerkapparaten zoals kabelbeperkingen,
firewalling of het verbinden van pseudonetwerken zoals een
interface van een virtuële machine. Een bridge kan ook
een draadloze interface die in hostap-modus draait met een
bedraad netwerk verbinden en als een toegangspunt
dienen.Filtering/Bandbreedtebeheersende firewallfirewallNATEen gebruikelijke situatie dient zich voor wanneer de
functionaliteit van een firewall nodig is zonder routing of
network address translation (NAT).Een voorbeeld is een klein bedrijf dat via DSL of ISDN met
hun internetprovider verbonden is. Dit bedrijf heeft 13
wereldwijd bereikbare IP-adressen van de internetprovider en
10 PC's op hun netwerk. In deze situatie is een firewall die
op een router gebaseerd is lastig wegens
subnet-problemen.routerDSLISDNEen firewall die op een bridge gebaseerd is kan ingesteld
en net na de DSL- of ISDN-router geplaatst worden zonder dat
er problemen met IP-nummers optreden.NetwerktapEen bridge kan twee netwerksegmenten verbinden en kan
gebruikt worden om alle Ethernetframes die tussen dezen
voorbijkomen te inspecteren. Dit kan òfwel vanuit het
gebruik van &man.bpf.4;/&man.tcpdump.1; op de bridge-interface
òfwel door een kopie van alle frames naar een extra
interface (overspanpoort) te versturen.Laag 2 VPNTwee Ethernetnetwerken kunnen over een IP-verbinding
verbonden worden door de netwerken naar een EtherIP-tunnel te
bridgen of met een oplossing gebaseerd po &man.tap.4; zoals
OpenVPN.Laag 2 RedundancyEen netwerk kan met meerdere verbindingen verbonden worden
en het Spanning Tree Protocol gebruiken om overbodige paden te
blokkeren. Een Ethernetnetwerk kan alleen juist functioneren
indien er slechts één actief pad bestaat tussen
twee apparaten, Spanning Tree zal lussen detecteren en de
overbodige verbindingen in een geblokkeerde toestand zetten.
Indien een van de actieve verbindingen faalt zal het protocol
een andere boom berekenen en een van de geblokkeerde paden
weer activeren om de verbindingen naar alle punten in het
netwerk te herstellen.De kernel instellenDeze sectie behandelt de bridges geïmplementeerd met
&man.if.bridge.4;, een stuurprogramma dat bridges met netgraph
implementeert is ook beschikbaar, zie voor meer informatie de
hulppagina &man.ng.bridge.4;.Het bridge-stuurprogramma is een kernelmodule en zal
automatisch door &man.ifconfig.8; worden geladen wanneer er een
bridge-interface wordt aangemaakt. Het is mogelijk om de bridge
in de kernel te compileren door
device if_bridge aan het
kernelinstellingenbestand toe te voegen.Pakketfiltering kan met elk firewall-pakket worden gebruikt
dat via het raamwerk &man.pfil.9; aankoppelt. De firewall kan
als een module worden geladen of in de kernel worden
gecompileerd.De bridge kan als met &man.altq.4; of &man.dummynet.4; als
een verkeersregelaar worden gebruikt.De bridge inschakelenDe bridge wordt aangemaakt door interfaces te klonen. Om
een bridge aan te maken wordt &man.ifconfig.8; gebruikt, indien
het bridge-stuurprogramma niet in de kernel aanwezig is zal het
automatisch worden geladen.&prompt.root; ifconfig bridge create
&prompt.root; ifconfig bridge0
bridge0: flags=8802<BROADCAST,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500
ether 96:3d:4b:f1:79:7a
id 00:00:00:00:00:00 priority 32768 hellotime 2 fwddelay 15
maxage 20 holdcnt 6 proto rstp maxaddr 100 timeout 1200
root id 00:00:00:00:00:00 priority 0 ifcost 0 port 0Een bridge-interface is aangemaakt en er is automatisch een
random gegenereerd Ethernetadres aan toegekend. De parameters
maxaddr en timeout bepalen
hoeveel MAC-adressen de bridge in de doorstuurtabel houdt en
hoeveel seconden voordat elke regel wordt verwijderd nadat het
voor het laatst gezien is. De andere parameters bepalen hoe
Spanning Tree werkt.Voeg de netwerkinterfaces die lid zijn aan de bridge toe.
Om de bridge pakketten te laten doorsturen dienen alle
lidinterfaces en de bridge actief te zijn:&prompt.root; ifconfig bridge0 addm fxp0 addm fxp1 up
&prompt.root; ifconfig fxp0 up
&prompt.root; ifconfig fxp1 upDe bridge stuurt nu Ethernet-frames door tussen
fxp0 en fxp1.
De overeenkomstige configuratie in
/etc/rc.conf zodat de bridge tijdens het
opstarten wordt aangemaakt is:cloned_interfaces="bridge0"
ifconfig_bridge0="addm fxp0 addm fxp1 up"
ifconfig_fxp0="up"
ifconfig_fxp1="up"Indien de bridge-gastheer een IP-adres nodig heeft dan is de
juiste plaats om dit in te stellen op de bridge-interface zelf
in plaats van op een van de lidinterfaces. Dit kan statisch of
via DHCP worden ingesteld:&prompt.root; ifconfig bridge0 inet 192.168.0.1/24Het is ook mogelijk om een IPv6-adres aan een
bridge-interface toe te kennen.Firewalls gebruikenfirewallWanneer pakketten worden gefilterd, zullen gebridgede
pakketten het filter inbound op de vertrekkende interface
passeren, op de bridge-interface en outbound op de bestemde
interface. Elke stap kan uitgezet worden. Wanneer de richting
van het pakketverkeer belangrijk is, kan de firewall het beste
op de lidinterfaces draaien en niet op de bridge zelf.De bridge heeft verschillende aanpasbare instellingen voor
het doorlaten van non-IP- en ARP-pakketten, en een laag 2
firewall met IPFW. Zie &man.if.bridge.4; voor meer
informatie.Opspannende boomHet bridge-stuurprogramma implementeert het Rapid Spanning
Tree Protocol (RSTP of 802.1w) met terugwaartse compatibiliteit
met het verouderde Spanning Tree Protocol (STP). Spanning Tree
wordt gebruikt om lussen in een netwerktopologie te detecteren
en verwijderen. RSTP biedt snellere convergentie naar een
opspannende boom dan het verouderde STP, het protocol wisselt
informatie met naburige switches uit om snel naar forwarding
over te gaan zonder lussen te creëren.De volgende tabel laat de ondersteunende werkwijzen
zien:OS-versieSTP-modiStandaard modus&os; 5.4—&os; 6.2STPSTP&os; 6.3+RSTP of STPSTP&os; 7.0+RSTP of STPRSTPSpanning Tree kan op lidinterfaces worden geactiveerd met
het commando stp. Voor een bridge met
fxp0 en fxp1
alle huidige interfaces, wordt STP met het volgende
geactiveerd:&prompt.root; ifconfig bridge0 stp fxp0 stp fxp1
bridge0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500
ether d6:cf:d5:a0:94:6d
id 00:01:02:4b:d4:50 priority 32768 hellotime 2 fwddelay 15
maxage 20 holdcnt 6 proto rstp maxaddr 100 timeout 1200
root id 00:01:02:4b:d4:50 priority 32768 ifcost 0 port 0
member: fxp0 flags=1c7<LEARNING,DISCOVER,STP,AUTOEDGE,PTP,AUTOPTP>
port 3 priority 128 path cost 200000 proto rstp
role designated state forwarding
member: fxp1 flags=1c7<LEARNING,DISCOVER,STP,AUTOEDGE,PTP,AUTOPTP>
port 4 priority 128 path cost 200000 proto rstp
role designated state forwardingDe bridge heeft spanning tree ID
00:01:02:4b:d4:50 en prioriteit
32768. Aangezien het
root id hetzelfde is geeft dit aan dat dit de
hoofdbridge voor de boom is.Een andere bridge in het netwerk heeft spanning tree ook
geactiveerd:bridge0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500
ether 96:3d:4b:f1:79:7a
id 00:13:d4:9a:06:7a priority 32768 hellotime 2 fwddelay 15
maxage 20 holdcnt 6 proto rstp maxaddr 100 timeout 1200
root id 00:01:02:4b:d4:50 priority 32768 ifcost 400000 port 4
member: fxp0 flags=1c7<LEARNING,DISCOVER,STP,AUTOEDGE,PTP,AUTOPTP>
port 4 priority 128 path cost 200000 proto rstp
role root state forwarding
member: fxp1 flags=1c7<LEARNING,DISCOVER,STP,AUTOEDGE,PTP,AUTOPTP>
port 5 priority 128 path cost 200000 proto rstp
role designated state forwardingDe reegl root id 00:01:02:4b:d4:50 priority 32768
ifcost 400000 port 4 geeft aan dat de hoofdbridge
00:01:02:4b:d4:50 is zoals boven en dat de
padkosten 400000 zijn vanaf deze bridge, het
pad naar de hoofdbridge gaat via port 4
welke fxp0 is.Geavanceerd bridgenVerkeersstromen reconstruerenDe bridge ondersteunt monitormodus, waarin de pakketten
worden verwijderd nadat ze door &man.bpf.4; zijn verwerkt,
en ze niet verder verwerkt of doorgestuurd worden. Dit kan
worden gebruikt om de invoer van twee of meer interfaces naar
een enkele &man.bpf.4;-stroom te multiplexen. Dit is nuttig
voor het reconstrueren van het verkeer voor netwerktaps welke
de RX/TX-signalen over twee verschillende interfaces
uitzenden.Om de invoer van vier netwerkinterfaces als
één stroom te lezen:&prompt.root; ifconfig bridge0 addm fxp0 addmfxp1 addm fxp2 addm fxp3 monitor up
&prompt.root; tcpdump -i bridge0SPAN poortenVan elk Ethernet-frame dat door de bridge wordt ontvangen
wordt er een kopie naar de aangewezen SPAN-poort verstuurd.
Het aantal geconfigureerde SPAN-poorten op een bridge is
onbeperkt, indien een interface aangewezen is als SPAN-poort
kan het niet ook als gewone bridgepoort gebruikt worden. Dit
is het nuttigste voor het passief afluisteren van een
gebridged netwerk op een andere host die met een van de
SPAN-poorten van de bridge verbonden is.Om een kopie van alle frames naar het interface
fxp4 te versturen:&prompt.root; ifconfig bridge0 span fxp4Privé-interfacesEen privé-interface stuurt geen verkeer door naar
poorten die niet ook een privé-interface zijn. Het
verkeer wordt onvoorwaardelijk geblokkeerd, dus worden er
geen Ethernetframes doorgestuurd, inclusief ARP. Indien
verkeer selectief dient te worden geblokkeerd dient er in
plaats hiervan een firewall gebruikt te worden.Klevende interfacesIndien een lidinterface van een bridge als klevend is
gemarkeerd worden dynamisch geleerde adresregels als statisch
behandelt wanneer ze in de doorstuurcache komen. Klevende
interfaces vallen nooit uit de cache en worden nooit vervangen,
zelfs niet als het adres op een andere interface wordt gezien.
Dit biedt het voordeel van statische adresregels zonder dat de
doorstuurtabel van te voren gevuld hoeft te worden,
cliënten die geleerd zijn op een bepaald segment van de
bridge kunnen niet roamen naar een ander segment.Een ander voorbeeld voor het gebruik van klevende adressen
zou het combineren van de bridge met VLANs zijn om een router
te creëren waar klantnetwerken geïsoleerd zijn
zonder dat IP-adresruimte verspild wordt. Neem aan dat
KlantA op
vlan100 zit en KlantB op
vlan101. De bridge heeft het adres
192.168.0.1 en is tevens een
internet-router.&prompt.root; ifconfig bridge0 addm vlan100 sticky vlan100 addm vlan101 sticky vlan101
&prompt.root; ifconfig bridge0 inet 192.168.0.1/24Beide cliënten zien 192.168.0.1 als hun standaard gateway
en aangezien de bridge-cache kleverig is kunnen ze niet het
MAC-adres van de andere klant spoofen om hun verkeer op te
vangen.Alle communicatie tussen de VLANs kan geblokkeerd worden
door het gebruik van privé-interfaces (of een firewall):&prompt.root; ifconfig bridge0 private vlan100 private vlan101De klanten zijn compleet geïsoleerd van elkaar, het
volledige /24 adresruimte kan
zonder subnetten toegewezen worden.AdresbeperkingenHet aantal unieke bron-MAC-adressen achter een interface
kan beperkt zijn. Wanneer de limiet bereikt is worden
pakketten met een onbekend bronadres gedropt totdat een
bestaande ingang in de host-cache vervalt of wordt
verwijderd.Het volgende voorbeeld stelt het maximum aantal
Ethernetapparaten voor KlantA op
vlan100 in op 10.&prompt.root; ifconfig bridge0 ifmaxaddr vlan100 10SNMP-monitoringDe bridge-interface en STP-parameters kunnen gemonitord
worden via het SNMP-daemon dat met het basis &os;-systeem
wordt meegeleverd. De geëxporteerde bridge-MIBs houden
zich aan de standaarden van de IETF zodat elke
SNMP-cliënt of monitorpakket kan worden gebruikt om de
gegevens te verzamelen.Op de bridge-machine dient de regel
begemotSnmpdModulePath."bridge" =
"/usr/lib/snmp_bridge.so" van
/etc/snmp.config geactiveerd te worden en
het daemon bsnmpd gestart te worden.
Andere instellingen zoals gemeenschapsnamen en toegangslijsten
dienen eventueel aangepast te worden. Zie &man.bsnmpd.1; en
&man.snmp.bridge.3; voor meer informatie.Het volgende voorbeeld gebruikt de software
Net-SNMP (net-mgmt/net-snmp om een bridge te
ondervragen, de port net-mgmt/bsnmptools kan ook worden
gebruikt. Voeg de volgende regels toe aan
$HOME/.snmp/snmp.conf op de
SNMP-cliënt-host om de MIB-definities van de bridge in
Net-SNMP te importeren:mibdirs +/usr/share/snmp/mibs
mibs +BRIDGE-MIB:RSTP-MIB:BEGEMOT-MIB:BEGEMOT-BRIDGE-MIBOm een enkele bridge via de IETF BRIDGE-MIB (RFC4188) te
monitoren:&prompt.user; snmpwalk -v 2c -c public bridge1.example.com mib-2.dot1dBridge
BRIDGE-MIB::dot1dBaseBridgeAddress.0 = STRING: 66:fb:9b:6e:5c:44
BRIDGE-MIB::dot1dBaseNumPorts.0 = INTEGER: 1 ports
BRIDGE-MIB::dot1dStpTimeSinceTopologyChange.0 = Timeticks: (189959) 0:31:39.59 centi-seconds
BRIDGE-MIB::dot1dStpTopChanges.0 = Counter32: 2
BRIDGE-MIB::dot1dStpDesignatedRoot.0 = Hex-STRING: 80 00 00 01 02 4B D4 50
...
BRIDGE-MIB::dot1dStpPortState.3 = INTEGER: forwarding(5)
BRIDGE-MIB::dot1dStpPortEnable.3 = INTEGER: enabled(1)
BRIDGE-MIB::dot1dStpPortPathCost.3 = INTEGER: 200000
BRIDGE-MIB::dot1dStpPortDesignatedRoot.3 = Hex-STRING: 80 00 00 01 02 4B D4 50
BRIDGE-MIB::dot1dStpPortDesignatedCost.3 = INTEGER: 0
BRIDGE-MIB::dot1dStpPortDesignatedBridge.3 = Hex-STRING: 80 00 00 01 02 4B D4 50
BRIDGE-MIB::dot1dStpPortDesignatedPort.3 = Hex-STRING: 03 80
BRIDGE-MIB::dot1dStpPortForwardTransitions.3 = Counter32: 1
RSTP-MIB::dot1dStpVersion.0 = INTEGER: rstp(2)De waarde dot1dStpTopChanges.0 is twee
wat betekent dat de topologie van de STP-bridge twee maal
veranderd is, een topologieverandering houdt in dat
één of meerdere links in het netwerk zijn
veranderd of hebben gefaald en dat er een nieuwe boom is
berekend. De waarde
dot1dStpTimeSinceTopologyChange.0 laat zien
wanneer dit gebeurde.Om meerdere bridge-interfaces te monitoren kan men het
privé BEGEMOT-BRIDGE-MIB gebruiken:&prompt.user; snmpwalk -v 2c -c public bridge1.example.com
enterprises.fokus.begemot.begemotBridge
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseName."bridge0" = STRING: bridge0
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseName."bridge2" = STRING: bridge2
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseAddress."bridge0" = STRING: e:ce:3b:5a:9e:13
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseAddress."bridge2" = STRING: 12:5e:4d:74:d:fc
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseNumPorts."bridge0" = INTEGER: 1
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeBaseNumPorts."bridge2" = INTEGER: 1
...
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpTimeSinceTopologyChange."bridge0" = Timeticks: (116927) 0:19:29.27 centi-seconds
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpTimeSinceTopologyChange."bridge2" = Timeticks: (82773) 0:13:47.73 centi-seconds
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpTopChanges."bridge0" = Counter32: 1
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpTopChanges."bridge2" = Counter32: 1
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpDesignatedRoot."bridge0" = Hex-STRING: 80 00 00 40 95 30 5E 31
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeStpDesignatedRoot."bridge2" = Hex-STRING: 80 00 00 50 8B B8 C6 A9Om de bridge-interface die via de subboom
mib-2.dot1dBridge wordt gemonitord te
veranderen:&prompt.user; snmpset -v 2c -c private bridge1.example.com
BEGEMOT-BRIDGE-MIB::begemotBridgeDefaultBridgeIf.0 s bridge2AndrewThompsonGeschreven door Verbindingsaggregatie en failoverlaggfailoverfeclacploadbalanceroundrobinIntroductieDe interface &man.lagg.4; maakt het mogelijk om meerdere
netwerkinterfaces te aggregeren in één virtueel
interface voor het bieden van fout-tolerante en zeer snelle
verbindingen.WerkmodiFailoverZendt en ontvangt verkeer alleen door de meesterpoort.
Wanneer de meesterpoort niet beschikbaar is, wordt de
volgende actieve poort gebruikt. De eerste toegevoegde
interface is de meesterpoort; alle interfaces die hierna
zijn toegevoegd worden gebruikt als failover-apparaten.
&cisco; Fast ðerchannel;&cisco; Fast ðerchannel; (FEC), is een statische
installatie en onderhandelt niet over aggregatie met de
peer noch wisselt het frames uit om de verbinding te
monitoren. Indien de switch LACP ondersteunt dient dat
gebruikt te worden.FEC balanceert uitgaand verkeer
over de actieve poorten gebaseerd op gehashde informatie
over protocolheaders en accepteert inkomend verkeer van
elke actieve poort. De hash bevat het Ethernet bron- en
doeladres, en indien beschikbaar, de VLAN-tag, en de
IPv4/IPv6 bron- en doeladressen.LACPHet &ieee; 802.3ad Link Aggregation Control Protocol
(LACP) en het Marker Protocol. LACP onderhandelt met de
peer over een verzameling aggregeerbare verbindingen in
één of meerdere Link Aggregated Groups
(LAG). Elke LAG is opgebouwd uit poorten die dezelfde
snelheid hebben, ingesteld op full-duplex werking. Het
verkeer zal over de poorten in de LAG gebalanceerd worden
met de hoogste totaalsnelheid, in de meeste gevallen zal
er slechts één LAG zijn die alle poorten
bevat. Wanneer er fysieke verbindingen veranderen, zal
Link Aggregation snel naar een nieuwe opstelling
convergeren.LACP balanceert uitgaand verkeer
over de actieve poorten gebaseerd op gehashde informatie
over protocolheaders en accepteert inkomend verkeer van
elke actieve poort. De hash bevat het Ethernet bron- en
doeladres, en indien beschikbaar, de VLAN-tag, en de
IPv4/IPv6 bron- en doeladressen.LoadbalanceDit is een alias van de FEC
modus.Round-RobinDistribueert uitgaand verkeer door middel van een
round-robin scheduler over alle actieve poorten en
accepteert inkomend verkeer van elke actieve poort. Deze
modus schendt Ethernet frame-ordering en dient met zorg
gebruikt te worden.VoorbeeldenLACP-aggregatie met een &cisco; switchDit voorbeeld verbindt twee interfaces op een &os;-machine
met de switch als een enkele loadgebalanceerde en
fout-tolerante verbinding. Er kunnen meer interfaces worden
toegevoegd om de doorvoer en fouttolerantie te verhogen.
Aangezien frame-ordering verplicht is op Ethernetverbindingen
stroomt al het verkeer tussen twee stations altijd over
dezelfde fysieke verbinding zodat de maximum snelheid beperkt
wordt tot die van één interface. Het
verzendalgoritme probeert zoveel mogelijk informatie te
gebruiken voor het onderscheiden van verschillende
verkeersstromen en deze over de beschikbare interfaces te
balanceren.Voeg op de &cisco; switch de interfaces
FastEthernet0/1 en
FastEthernet0/2 aan de kanaalgroep
1 toe:interface FastEthernet0/1
channel-group 1 mode active
channel-protocol lacp
!
interface FastEthernet0/2
channel-group 1 mode active
channel-protocol lacpMaak op de &os;-machine de &man.lagg.4;-interface aan door
fxp0 en
fxp1 te gebruiken:&prompt.root; ifconfig lagg0 create
&prompt.root; ifconfig lagg0 up laggproto lacp laggport fxp0 laggport fxp1Bekijk de interfacestatus van ifconfig:&prompt.root; ifconfig lagg0Poorten die als ACTIVE zijn
gemarkeerd zijn lid van de actieve aggregatiegroep waarover
onderhandeld is met de verre switch en waarover verkeer zal
worden verzonden en ontvangen. Gebruik de uitgebreide uitvoer
van &man.ifconfig.8; om de LAG-identifiers te bekijken.lagg0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500
options=8<VLAN_MTU>
ether 00:05:5d:71:8d:b8
media: Ethernet autoselect
status: active
laggproto lacp
laggport: fxp1 flags=1c<ACTIVE,COLLECTING,DISTRIBUTING>
laggport: fxp0 flags=1c<ACTIVE,COLLECTING,DISTRIBUTING>Gebruik, om de toestand van de poorten op de switch te
bekijken, show lacp neighbor.switch# show lacp neighbor
Flags: S - Device is requesting Slow LACPDUs
F - Device is requesting Fast LACPDUs
A - Device is in Active mode P - Device is in Passive mode
Channel group 1 neighbors
Partner's information:
LACP port Oper Port Port
Port Flags Priority Dev ID Age Key Number State
Fa0/1 SA 32768 0005.5d71.8db8 29s 0x146 0x3 0x3D
Fa0/2 SA 32768 0005.5d71.8db8 29s 0x146 0x4 0x3DGebruik voor meer detail het commando show lacp
neighbor detail.Failover-modusFailover-modus kan worden gebruikt om op een secondaire
interface over te schakelen wanneer de verbinding op de
meesterinterface verloren is. Creëer en configureer de
interface lagg0, met
fxp0 als de meesterinterface en
fxp1 als de secondaire
interface:&prompt.root; ifconfig lagg0 create
&prompt.root; ifconfig lagg0 up laggproto failover laggport fxp0 laggport fxp1De interface zal er ongeveer als volgt uitzien, de grote
verschillen zullen het MAC-adres en de
apparaatnamen zijn:&prompt.root; ifconfig lagg0
lagg0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500
options=8<VLAN_MTU>
ether 00:05:5d:71:8d:b8
media: Ethernet autoselect
status: active
laggproto failover
laggport: fxp1 flags=0<>
laggport: fxp0 flags=5<MASTER,ACTIVE>Het verkeer zal worden verzonden en ontvangen op
fxp0. Indien de verbinding op
fxp0 verloren is, zal
fxp1 de actieve verbinding worden.
Indien de verbinding op de meesterinterface hersteld is, zal
het weer de actieve verbinding worden.
+
+
+ Failover-modus tussen bekabelde en draadloze interfaces
+
+ Voor laptop-gebruikers is het normaliter wenselijk om het
+ draadloze interface als secundair interface te gebruiken indien het
+ bekabelde interface niet beschikbaar is. Met &man.lagg.4; is het
+ mogelijk om één IP-adres te gebruiken en het bekabelde
+ interface voor zowel prestatie als veiligheid te prefereren terwijl de
+ mogelijkheid behouden blijft om de draadloze verbinding te
+ gebruiken.
+
+ In deze opstelling dient het MAC-adres van het onderliggende
+ draadloze interface overschreven te worden om met dat van &man.lagg.4;
+ overeen te komen, welke afkomstig is van het primaire interface dat
+ wordt gebruikt, het bekabelde interface.
+
+ In deze opstelling wordt het bekabelde interface,
+ bge0 als meester gebruikt, en het draadloze
+ interface, wlan0, als het
+ failover-interface. wlan0 was aangemaakt
+ vanuit iwn0 voor welke het
+ MAC-adres van de bekabelde verbinding zal worden
+ gebruikt. De eerste stap is om het MAC-adres van
+ het bekabelde interface te verkrijgen:
+
+ &prompt.root; ifconfig bge0
+bge0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500
+ options=19b<RXCSUM,TXCSUM,VLAN_MTU,VLAN_HWTAGGING,VLAN_HWCSUM,TSO4>
+ ether 00:21:70:da:ae:37
+ inet6 fe80::221:70ff:feda:ae37%bge0 prefixlen 64 scopeid 0x2
+ nd6 options=29<PERFORMNUD,IFDISABLED,AUTO_LINKLOCAL>
+ media: Ethernet autoselect (1000baseT <full-duplex>)
+ status: active
+
+ bge0 kan vervangen worden door het
+ eigenlijke interface, er zal een andere regel met
+ ether verschijnen, dit is het
+ MAC-adres van het bekabelde interface. Om het
+ onderliggende draadloze interface, iwn0 te
+ wijzigen:
+
+ &prompt.root; ifconfig iwn0 ether 00:21:70:da:ae:37
+
+ Activeer het draadloze interface maar geef er nog geen IP-adres
+ aan:
+
+ &prompt.root; ifconfig create wlan0 wlandev iwn0 ssid mijn_router up
+
+ Maak het &man.lagg.4;-interface aan met
+ bge0 als meester, en met failover naar
+ wlan0 indien nodig:
+
+ &prompt.root; ifconfig lagg0 create
+&prompt.root; ifconfig lagg0 up laggproto failover laggport bge0 laggport wlan0
+
+ Het interface zal er ongeveer als volgt uitzien, de grootste
+ verschillen zullen het MAC-adres en de
+ apparaatnamen zijn:
+
+ &prompt.root; ifconfig lagg0
+lagg0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> metric 0 mtu 1500
+ options=8<VLAN_MTU>
+ ether 00:21:70:da:ae:37
+ media: Ethernet autoselect
+ status: active
+ laggproto failover
+ laggport: wlan0 flags=0<>
+ laggport: bge0 flags=5<MASTER,ACTIVE>
+
+ Om dit niet telkens bij het opstarten te hoeven doen, kan zoiets
+ als het volgende aan /etc/rc.conf worden
+ toegevoegd:
+
+ ifconfig_bge0="up"
+ifconfig_iwn0="ether 00:21:70:da:ae:37"
+wlans_iwn0="wlan0"
+ifconfig_wlan0="WPA"
+cloned_interfaces="lagg0"
+ifconfig_lagg0="laggproto failover laggport bge0 laggport wlan0 DHCP"
+
+ Jean-FrançoisDockèsBijgewerkt door AlexDupreGereorganiseerd en uitgebreid door Schijfloos werkenschijfloos werkstationschijfloos werkenEen &os;-machine kan over het netwerk opstarten en zonder een
plaatselijke schijf werken, door gebruik te maken van
bestandssystemen die van een NFS-server
aangekoppeld worden. Er zijn geen systeemwijzigingen nodig anders
dan de standaard instellingenbestanden. Dit soort systemen is
relatief eenvoudig op te zetten omdat alle noodzakelijke elementen
al aanwezig zijn:Er zijn minstens twee manieren om de kernel over het
netwerk te laden:PXE: De &intel; Preboot eXecution
Environment is een vorm een smart boot ROM dat in sommige
netwerkkaarten en moederborden is ingebouwd. Bekijk de
hulppagina &man.pxeboot.8; voor meer informatie.De poort Etherboot
(net/etherboot) maakt
code aan dat naar een ROM geschreven kan worden en dat
kernels over het netwerk opstart. De code kan
òfwel naar een opstart-PROM op een netwerkkaart
geflashed worden, òfwel van een floppy (of harde)
schijf geladen worden, òfwel van een draaiend
&ms-dos; systeem geladen worden. Vele netwerkkaarten
worden ondersteund.Een voorbeeldscript
(/usr/share/examples/diskless/clone_root)
vergemakkelijkt het aanmaken en beheren van het root
bestandssysteem van het werkstation op de server. Het kan
nodig zijn dat het script wat aangepast moet worden, maar het
zorgt voor een snelle start.Er bestaan standaardbestanden voor het opstarten van het
systeem in /etc om een systeemstart
zonder schijf te detecteren en te ondersteunen.Het gebruik van een wisselbestand, indien nodig, kan
worden gedaan naar òfwel een NFS
bestand òfwel naar een plaatselijke schijf.Er zijn vele manieren om een schijfloos werkstation op te
zetten. Hierbij zijn veel elementen betrokken, en vele kunnen aan
de eigen smaak worden aangepast. Het volgende beschrijft
variaties met betrekking tot het installeren van een compleet
systeem, waarbij de nadruk ligt op de eenvoud en de
compatibiliteit met de standaard opstartscripts van &os;. Het
beschreven systeem heeft de volgende eigenschappen:De schijfloze werkstations gebruiken een gedeeld
bestandssysteem voor /, dat alleen
gelezen kan worden, en een gedeeld bestandssysteem voor
/usr, dat eveneens alleen gelezen kan
worden.Het root-bestandssysteem is een kopie van een standaard
root-bestandssysteem voor &os; (typisch van een server),
waarbij enkele instellingenbestanden zijn overschreven door
versies die specifiek zijn voor een schijfloos systeem of,
mogelijk, door het werkstation horen waar ze bij horen.De delen van het root-bestandssysteem die beschrijfbaar
moeten zijn, zijn overdekt met &man.md.4; bestandssystemen.
Alle veranderingen gaan verloren indien het systeem opnieuw
wordt opgestart.De kernel is overgedragen en òfwel met
Etherboot òfwel met
PXE geladen, aangezien sommige situaties
het gebruik van één van de methodes kan eisen.
Het systeem zoals hierboven beschreven is onveilig. Het
dient in een beschermd gebied van een netwerk te functioneren, en
niet vertrouwd te worden door andere hosts.Alle informatie in deze sectie is getest met
&os; 5.2.1-RELEASE.AchtergrondinformatieHet installeren van schijfloze werkstations is zowel vrij
rechttoe-rechtaan als foutgevoelig. Deze fouten zijn soms
moeilijk vast te stellen wegens een aantal redenen.
Bijvoorbeeld:Opties die tijdens het compileren zijn opgegeven kunnen
verschillend gedrag tonen tijdens het draaien.Foutmeldingen zijn vaak cryptisch of geheel afwezig.Op dit gebied is het bezit van wat achtergrondkennis over de
gebruikte mechanismen zeer nuttig om mogelijke problemen op te
lossen.Voor een succesvol opstarten dienen verschillende
handelingen uitgevoerd te worden:De machine moet een aantal initiële parameters
zoals het IP-adres, de bestandsnaam van de executable, de
naam van de server, en het root-pad verkrijgen. Dit wordt
gedaan door gebruik te maken van de DHCP
of BOOTP protocollen. DHCP is een
compatible uitbreiding van BOOTP, het gebruikt dezelfde
poorten en het pakketformaat heeft dezelfde basis.Het is mogelijk om een systeem in te stellen zodat het
alleen BOOTP gebruikt. Het serverprogramma &man.bootpd.8;
wordt met het basissysteem van &os; meegeleverd.DHCP biedt echter een aantal
voordelen boven BOOTP (fijnere instellingenbestanden,
mogelijkheid om PXE te gebruiken, en vele
anderen die niet direct verband houden met schijfloos
werken), er zal hoofdzakelijk een opstelling met
DHCP worden beschreven, met analoge
voorbeelden voor &man.bootpd.8; indien mogelijk. De
voorbeeldopstelling zal het softwarepakket van
ISC DHCP gebruiken (versie
3.0.1.r12 was geïnstalleerd op de testserver).De machine moet één of meerdere
programma's naar het plaatselijke geheugen versturen.
Eén van TFTP of
NFS wordt gebruikt. De keuze tussen
TFTP en NFS is op
verschillende plaatsen een optie tijdens het compileren.
Een veelgemaakte fout is het opgeven van bestandsnamen voor
het verkeerde protocol: TFTP verstuurd
typisch alle bestanden vanuit één map op de
server, en verwacht dat alle bestandsnamen relatief aan
deze map zijn; NFS verwacht absolute
bestandspaden.De mogelijke tussentijdse opstartprogramma's en de
kernel dienen geïnitialiseerd en uitgevoerd te worden.
Er zijn enkele belangrijke variaties op dit gebied:PXE zal &man.pxeboot.8; laden,
wat een aangepaste versie is van de lader voor stage
drie van &os;. &man.loader.8; zal de meeste parameters
verkrijgen die noodzakelijk zijn om het systeem op te
starten, en zal ze in de kernelomgeving laten staan
voordat het de controle overdraagt. Het is in dit geval
mogelijk om een GENERIC kernel te
gebruiken.Etherboot zal met minder
voorbereiding direct de kernel laden. Hiervoor is het
noodzakelijk om een kernel met specifieke opties te
bouwen.PXE en
Etherboot werken beide even goed;
echter, omdat kernels normaalgesproken meer werk overlaten
aan &man.loader.8;, is PXE de te
verkiezen methode.Indien het BIOS en de netwerkkaarten
PXE ondersteunen, dient dat
waarschijnlijk gebruikt te worden.Tenslotte: de machine heeft toegang tot de
bestandssystemen nodig. NFS wordt in
alle gevallen gebruikt.Zie ook de hulppagina &man.diskless.8;.Installatie-instructiesInstellen met behulp van
ISC DHCPDHCPschijfloos werkenDe ISC DHCP server kan zowel
verzoeken voor BOOTP als DHCP
beantwoorden.ISC DHCP 3.0 maakt geen deel
uit van het basissysteem. Eerst dient de poort net/isc-dhcp30-server of het
corresponderende pakket geïnstalleerd te worden.Wanneer ISC DHCP is
geïnstalleerd, heeft het een instellingenbestand nodig om
te draaien (normaliter
/usr/local/etc/dhcpd.conf genoemd).
Hieronder volgt een voorbeeld met commentaar, waarbij host
margaux gebruik maakt van
Etherboot en
corbieres gebruik maakt van
PXE:
default-lease-time 600;
max-lease-time 7200;
authoritative;
option domain-name "example.com";
option domain-name-servers 192.168.4.1;
option routers 192.168.4.1;
subnet 192.168.4.0 netmask 255.255.255.0 {
use-host-decl-names on;
option subnet-mask 255.255.255.0;
option broadcast-address 192.168.4.255;
host margaux {
hardware ethernet 01:23:45:67:89:ab;
fixed-address margaux.example.com;
next-server 192.168.4.4;
filename "/data/misc/kernel.diskless";
option root-path "192.168.4.4:/data/misc/diskless";
}
host corbieres {
hardware ethernet 00:02:b3:27:62:df;
fixed-address corbieres.example.com;
next-server 192.168.4.4;
filename "pxeboot";
option root-path "192.168.4.4:/data/misc/diskless";
}
}
Deze optie vertelt dhcpd
om de waarde die in de verklaringen voor
host staan te versturen als de hostnaam
voor de schijfloze host. Een andere mogelijkheid is om
option
host-name margaux
binnen de verklaringen voor host op te
nemen.De aanwijzing next-server bepaalt
de TFTP of NFS
server die gebruikt moet worden voor het laden van het
lader- of kernelbestand (standaard wordt dezelfde host als
voor de DHCP-server gebruikt).
De aanwijzing filename bepaalt het
bestand dat Etherboot of
PXE gebruikt voor de volgende
uitvoerstap. Het dient gespecificeerd te worden volgens
de gebruikte verzendmethode. Voor
Etherboot kan tijdens het
compileren worden opgegeven of het NFS
of TFTP moet gebruiken. De &os;-poort
stelt standaard NFS in.
PXE gebruikt TFTP,
vandaar dat hier een relatieve bestandsnaam wordt gebruikt
(dit kan afhangen van de instellingen van de
TFTP-server, maar het is de gewoonte).
Verder geldt dat PXE
pxeboot en niet de kernel laadt. Er
zijn andere interessante mogelijkheden, zoals het laden
van pxeboot vanuit de map /boot van een &os; CD-ROM
(aangezien &man.pxeboot.8; de GENERIC
kernel kan laden, bestaat de mogelijkheid om
PXE te gebruiken om van een CDROM op
afstand op te starten.De optie root-path definieert het
pad naar het root-bestandssysteem, in de gebruikelijke
notatie van NFS. Indien
PXE gebruikt wordt, is het mogelijk om
het IP-adres van de host weg te laten zolang de
kerneloptie BOOTP niet geactiveerd is. De
NFS-server is dan dezelfde als die van
TFTP.Configuratie door gebruik van BOOTPBOOTPschijfloos werkenHieronder staan de equivalente instellingen voor
bootpd (gereduceerd tot
één cliënt). Dit staat in
/etc/bootptab.Merk op dat Etherboot
gecompileerd dient te worden met de afwijkende optie
NO_DHCP_SUPPORT om BOOTP te gebruiken, en
dat PXE DHCP
nodig heeft. Het enige duidelijke
voordeel van bootpd is dat het in
het basissysteem zit.
.def100:\
:hn:ht=1:sa=192.168.4.4:vm=rfc1048:\
:sm=255.255.255.0:\
:ds=192.168.4.1:\
:gw=192.168.4.1:\
:hd="/tftpboot":\
:bf="/kernel.diskless":\
:rp="192.168.4.4:/data/misc/diskless":
margaux:ha=0123456789ab:tc=.def100
Een opstartprogramma voorbereiden met
EtherbootEtherbootDe website
van Etherboot bevat
uitgebreide documentatie die over het algemeen is
bedoeld voor Linux-systemen, maar die desalniettemin bruikbare
informatie bevat. Het volgende geeft een samenvatting over
hoe Etherboot op een &os;-systeem
te gebruiken.Ten eerste dient het pakket of de poort net/etherboot geïnstalleerd
te worden.De instellingen van Etherboot
(i.e. om TFTP in plaats van
NFS te gebruiken) kunnen gewijzigd worden
door het bestand Config in de bronmap van
Etherboot te bewerken.Hieronder zal een opstartdiskette gebruikt worden.
Raadpleeg voor andere methoden (PROM, of een
&ms-dos;-programma) de documentatie van
Etherboot.Om een opstartdiskette te maken, dient er een diskette in
het diskettestation van de machine aanwezig te zijn waarop
Etherboot is geïnstalleerd,
daarna dient er naar de map src in de
mapboom van Etherboot gegaan te
worden, en het volgende ingetypt te worden:&prompt.root; gmake bin32/apparaatsoort.fd0apparaatsoort hangt af van het
soort Ethernetkaart dat in het schijfloze werkstation
aanwezig is. Raadpleeg het bestand NIC
in dezelfde map om het juiste
apparaatsoort te bepalen.Opstarten met PXEStandaard laadt de lader &man.pxeboot.8; de kernel via
NFS. Het kan zodanig gecompileerd worden
dat het TFTP gebruikt door de optie
LOADER_TFTP_SUPPORT in
/etc/make.conf te specificeren.
Raadpleeg het commentaar in
/usr/share/examples/etc/make.conf
voor instructies.Er zijn nog twee andere opties voor
make.conf die nuttig kunnen zijn bij het
opzetten van een schijfloze machine die als seriële
console gebruikt wordt:
BOOT_PXELDR_PROBE_KEYBOARD, en
BOOT_PXELDR_ALWAYS_SERIAL.Om PXE bij het opstarten van de machine
te gebruiken, is het gewoonlijk nodig om de optie
Boot from network in het
BIOS te selecteren, of om een functietoets
tijdens de initialisatie van de PC in te typen.De TFTP en NFS
servers instellenTFTPschijfloos werkenNFSschijfloos werkenIndien PXE of
Etherboot gebruikt wordt, welke is
ingesteld om TFTP te gebruiken, is het
nodig om om tftpd op de
bestandsserver aan te zetten:Maak een map aan van waaruit
tftpd de bestanden serveert,
bijvoorbeeld /tftpboot.Voeg deze regel toe aan
/etc/inetd.conf:tftp dgram udp wait root /usr/libexec/tftpd tftpd -l -s /tftpbootHet schijnt dat sommige versies van
PXE de TCP-versie
van TFTP vereisen. In dit geval
dient een tweede regel toegevoegd te worden, waarbij
dgram udp door
stream tcp vervangen wordt.inetd dient de
instellingenbestanden opnieuw te lezen. De regel
dient in het bestand
/etc/rc.conf aanwezig te zijn voor de
juiste werking van deze opdracht:&prompt.root; /etc/rc.d/inetd restartDe map tftpboot kan overal op de
server geplaatst worden. De plaats dient zowel in
inetd.conf als in
dhcpd.conf ingesteld te worden.In alle gevallen dient er ook voor gezorgd te worden dat
NFS aanstaat en dat het juiste
bestandssysteem op de NFS-server
geëxporteerd wordt.Voeg het volgende toe aan
/etc/rc.conf:nfs_server_enable="YES"Exporteer het bestandssysteem waar de schijfloze
root-map zich bevindt door het volgende aan
/etc/exports toe te voegen (pas het
aankoppelpunt van het volume aan en vervang
margaux corbieres door de namen
van de schijfloze werkstations):/data/misc -alldirs -ro margaux corbieresmountd dient het
instellingenbestand opnieuw te lezen. Indien het nodig
was om NFS in
/etc/rc.conf
tijdens de eerste stap aan te zetten, is het
waarschijnlijk gewenst om in plaats hiervan opnieuw op te
starten.&prompt.root; /etc/rc.d/mountd restartEen schijfloze kernel bouwenschijfloos werkenkernelinstellingenIndien Etherboot gebruikt wordt,
is het nodig om een kernelinstellingenbestand voor de
schijfloze cliënt met de volgende opties (naast de
gebruikelijke) aan te maken:
options BOOTP # Gebruik BOOTP om het IP-adres en de hostnaam te verkrijgen
options BOOTP_NFSROOT # NFS-mount het root-bestandssysteem door gebruik te maken van de informatie van BOOTP
Het kan ook gewenst zijn om BOOTP_NFSV3,
BOOT_COMPAT, en
BOOTP_WIRED_TO te gebruiken (raadpleeg
hiervoor NOTES).De namen van deze opties zijn historisch en enigszins
misleidend aangezien ze eigenlijk onverschillig gebruik van
DHCP en BOOTP in de kernel mogelijk maken
(het is ook mogelijk om strikt gebruik van BOOTP of
DHCP te forceren).De kernel dient gebouwd te worden (zie ) en gekopieerd te worden naar de
plaats die in dhcpd.conf is
aangegeven.Indien PXE gebruikt wordt, is het
bouwen van een kernel met bovenstaande opties niet strikt
noodzakelijk (maar wel aangeraden). Door deze opties aan te
zetten zullen er meer verzoeken voor DHCP
tijdens het opstarten van de kernel verstuurd worden, met in
sommige speciale gevallen een klein risico op inconsistentie
tussen de nieuwe waarden en degenen die door &man.pxeboot.8;
zijn ontvangen. Het voordeel van het gebruik van deze
opties is dat de hostnaam als een bijverschijnsel wordt
ingesteld. In de andere gevallen dient de hostnaam op een
andere manier ingesteld te worden, bijvoorbeeld in een
cliënt-specifiek bestand
rc.conf.Om laadbaar te zijn met
Etherboot, dienen de
apparaataanwijzingen in de kernel gecompileerd te worden.
Normaalgesproken wordt hiervoor de volgende optie in het
instellingenbestand gebruikt (zie het
instellingencommentaarbestand
NOTES):hints "GENERIC.hints"Het root-bestandssysteem voorbereidenroot-bestandssysteemschijfloos werkenEr dient een root-bestandssysteem voor de schijfloze
werkstations op de plaats die als root-path
in dhcpd.conf staat aangegeven aangemaakt
te worden.make world gebruiken om het
root-bestandssysteem te bevolkenDeze methode is snel en installeert een compleet
maagdelijk systeem (niet alleen het root-bestandssysteem) in
DESTDIR. Hiervoor dient slechts het volgende
script uitgevoerd te worden:#!/bin/sh
export DESTDIR=/data/misc/diskless
mkdir -p ${DESTDIR}
cd /usr/src; make buildworld && make buildkernel
cd /usr/src/etc; make distributionNadat dit gedaan is, kunnen
/etc/rc.conf en
/etc/fstab die in
DESTDIR geplaatst zijn naar behoefte worden
aangepast.Swapruimte instellenIndien nodig kan een wisselbestand dat zich op de server
bevindt via NFS worden benaderd.Swapruimte via NFSDe kernel biedt geen ondersteuning om swapruimte via
NFS tijdens het opstarten aan te zetten.
De swapruimte moet door de opstartscripts worden aangezet,
door een beschrijfbaar bestandssysteem aan te koppelen en
een wisselbestand aan te maken en aan te zetten. De
volgende opdracht maakt een wisselbestand van de juiste
grootte aan:&prompt.root; dd if=/dev/zero of=/pad/naar/wisselbestand bs=1k count=1 oseek=100000Om het aan te zetten dient de volgende regel aan
/etc/rc.conf te worden
toegevoegd:swapfile=/pad/naar/wisselbestandDiverse problemenDraaien met een alleen-lezen
/usrschijfloos werken/usr alleen-lezenIndien het schijfloze werkstation is ingesteld om X te
draaien, is het nodig om het instellingenbestand van
XDM te wijzigen, dat standaard
het foutenlogboek in /usr
plaatst.Gebruik maken van een niet-&os;-serverIndien de server voor het root-bestandssysteem geen &os;
draait, is het nodig om het root-bestandssysteem op een
&os;-machine aan te maken, en het daarna naar de bestemming
te kopiëren, door gebruik te maken van
tar of cpio.In deze situatie zijn er af en toe problemen met de
speciale bestanden in /dev, vanwege
verschillen in de groottes van grote/kleine integers. Een
oplossing voor dit probleem is om een map van de
niet-&os;-server te exporteren, deze map op een &os;-machine
aan te koppelen, en &man.devfs.5; te gebruiken om de
apparaatknooppunten transparant voor de gebruiker toe te
wijzen.ISDNISDNEen goede bron voor informatie over de technologie van en
hardware over ISDN is
Dan Kegel's
ISDN Page.Hieronder staat een snelle eenvoudige handleiding voor
ISDN:Indien u in Europa leeft is het raadzaam om de sectie over
ISDN-kaarten te bestuderen.Indien het plan is om ISDN hoofdzakelijk te gebruiken om
via een niet-toegewijde inbellijn een verbinding met het
Internet te maken, zijn Terminal Adapters wellicht een optie.
Dit biedt de meeste flexibiliteit, en de minste problemen bij
het wisselen van providers.Indien twee LANs met elkaar verbonden worden, of indien er
een toegewijde ISDN-verbinding wordt gebruikt om met het
Internet te verbinden, is het gebruik van een zelfstandige
router/bridge te overwegen.Financiële kosten zijn een belangrijke factor in de
uiteindelijke oplossing. De volgende opties zijn gesorteerd in
volgorde van oplopende kosten.HellmuthMichaelisBijgedragen door ISDN-kaartenISDNkaartenDe ISDN-implementatie in &os; biedt alleen ondersteuning
voor de DSS1/Q.931 (of Euro-ISDN) standaard indien passieve
kaarten gebruikt worden. Sommige actieve kaarten worden
ondersteund indien de firmware ook ondersteuning voor andere
signaleringsprotocollen biedt; dit omvat ook de eerst
ondersteunde Primary Rate (PRI) ISDN-kaart.De isdn4bsd-software biedt de
mogelijkheid om met andere ISDN-routers te verbinden door
òfwel IP over rauwe HDLC òfwel synchrone PPP te
gebruiken: òfwel via kernel-PPP met
isppp, een aangepast stuurprogramma voor
&man.sppp.4;, òfwel via het gebruikersprogramma
&man.ppp.8;. Door het gebruikersprogramma &man.ppp.8; te
gebruiken, is het combineren van twee of meer ISDN B-kanalen
mogelijk. Ook zijn een toepassing die de telefoon beantwoordt
en vele gereedschappen zoals een 300 Baud-modem in software
beschikbaar.Een groeiend aantal ISDN-kaarten voor de PC wordt door &os;
ondersteund en volgens de rapportages wordt het succesvol in
heel Europa en in vele andere delen van de wereld
gebruikt.De ondersteunde passieve ISDN-kaarten zijn meestal uitgerust
met de Infineon (voormalig Siemens) ISAC/HSCX/IPAC ISDN-chipsets,
maar ook worden ISDN-kaarten ondersteund met chips van Cologne
Chip (alleen ISA-bus), PCI-kaarten met Winbond W6692-chips,
enkele kaarten met combinaties van Tiger300/320/ISAC chipsets en
enkele kaarten die gebaseerd zijn op fabrikantspecifieke
chipsets zoals de AVM Fritz!Card PCI V.1.0 en de AVM Fritz!Card
PnP.Momenteel zijn de actieve ISDN-kaarten die ondersteund
worden de AVM B1 (ISA en PCI) BRI-kaarten en de AVM T1 PCI
PRI-kaarten.Kijk voor documentatie over
isdn4bsd in de map
/usr/share/examples/isdn op het
&os;-systeem of op de homepage van
isdn4bsd, welke ook verwijzingen naar tips, errata, en
veel meer documentatie zoals het isdn4bsd handboek
bevat.Indien er interesse is om ondersteuning voor een ander
ISDN-protocol, een momenteel niet-ondersteunde ISDN-kaart voor
de PC, of een andere verbetering voor
isdn4bsd toe te voegen, dient er
contact opgenomen te worden met &a.hm;.Voor vragen over het installeren, instellen, en problemen
met isdn4bsd oplossen is er een
mailinglijst, &a.isdn.name;, beschikbaar.ISDN Terminal AdaptersTerminal adapters (TA) zijn voor ISDN wat modems voor gewone
telefoonlijnen zijn.modemDe meeste TA's gebruiken de standaard opdrachtenverzameling
van de Hayes-modem, en kunnen direct als vervanging van een
modem gebruikt worden.Een TA zal als een gewoon modem werken behalve dat de
verbindings- en doorvoersnelheden veel hoger zullen zijn dan van
het oude modem. Het is noodzakelijk om PPP precies hetzelfde als voor het modem
in te stellen. Zorg ervoor dat de seriële snelheid zo hoog
mogelijk wordt ingesteld.PPPHet grootste voordeel van met een TA met een
internetprovider te verbinden is de mogelijkheid tot dynamisch
PPP. Aangezien IP-adresruimte steeds schaarser wordt, zijn de
meeste providers niet meer bereid om een statisch IP te geven.
De meeste zelfstandige routers zijn niet in staat tot dynamische
IP-toewijzing.TA's zijn geheel afhankelijk van het PPP-daemon dat gedraaid
wordt voor hun mogelijkheden en stabiliteit van de verbinding.
Dit maakt het mogelijk om gemakkelijk om op een &os;-machine van
een modem naar ISDN over te gaan, indien PPP reeds is ingesteld.
Echter, dezelfde problemen die er waren met het PPP-programma
zullen blijven voorkomen.Indien maximale stabiliteit gewenst is, dient de kernel
PPP-, niet de gebruikers-PPP-optie gebruikt te
worden.Van de volgende TA's is bekend dat ze met &os; werken:Motorola BitSurfer en BitSurfer ProAdtranDe meeste andere TA's zullen waarschijnlijk ook werken,
TA-verkopers proberen er zeker van te zijn dat hun product het
meeste van de AT-opdrachtverzameling van het standaardmodem
accepteert.Het echte probleem met externe TA's is dat, net zoals bij
modems, een goede seriële kaart in de computer nodig
is.Voor een goed begrip van seriële apparaten dient de
tutorial &os;
Serial Hardware en de verschillen tussen asynchrone en
synchrone seriële poorten gelezen te worden.Een TA die op een standaard seriële poort (asynchroon)
van een PC draait beperkt de snelheid tot 115.2 Kbps, zelfs
als er een 128 Kbps-verbinding beschikbaar is. Om de
volledige 128 Kbps waartoe ISDN in staat is te gebruiken,
dient de TA op een synchrone seriële kaart overgeplaatst te
worden.Het kopen van een interne TA voorkomt het probleem van
synchroon/asynchroon niet. Interne TA's hebben simpelweg een
seriële poortchip van een standaard PC ingebouwd. Dit
ontlast de gebruiker alleen van het kopen van nog een
seriële kabel en het vinden van nog een leeg elektronisch
uitbreidingsslot.Een synchrone kaart met een TA is minstens zo snel als een
zelfstandige router, en wanneer het door een eenvoudige
386 met &os; erop wordt aangestuurd, waarschijnlijk
flexibeler.De keuze tussen synchrone kaart/TA en zelfstandige router is
grotendeels religieus. Hierover zijn wat discussies in de
mailinglijsten gevoerd. Het wordt aangeraden om de archieven te
doorzoeken voor de volledige discussie.Zelfstandige ISDN bridges/routersISDNzelfstandige bridges/routersISDN-bridges of -routers zijn in het geheel niet specifiek
voor &os; of enig ander besturingssysteem. Raadpleeg voor een
volledigere beschrijving van de technologie van routing en
bridging een referentieboek over netwerken.In deze sectie zullen de termen router en bridge door elkaar
worden gebruikt.Aangezien de prijzen van eenvoudige ISDN-routers/-bridges
zakken, zal dit waarschijnlijk een steeds populairdere keuze
worden. Een ISDN-router is en kleine doos die direct in het
plaatselijke Ethernetnetwerk geprikt wordt, en zijn eigen
verbinding met de andere bridge/router beheert. Het heeft
ingebouwde software om via PPP en andere populaire protocollen
te communiceren.Een router staat veel snellere doorvoer dan een standaard-TA
toe, aangezien het een volledig synchrone ISDN-verbinding zal
gebruiken.Het grootste probleem met ISDN-routers en -bridges is dat
samenwerking tussen fabrikanten nog steeds een probleem kan zijn.
Indien er plannen zijn om met een internetprovider te verbinden,
is het raadzaam de wensen met hen te bespreken.Indien er gepland is om twee LAN-segmenten met elkaar te
verbinden, zoals het thuis-LAN en het kantoor-LAN, is dit de
eenvoudigste en onderhoudarmste oplossing. Aangezien de
apparatuur voor beide kanten van de verbinding wordt gekocht is
het zeker dat de verbinding zal werken.De volgende installatie kan worden gebruikt om bijvoorbeeld
een thuiscomputer of een netwerk van een afdelingskantoor met
een netwerk van het hoofdkantoor te verbinden:Netwerk van afdelingskantoor of thuis10 base 2Het netwerk gebruikt een topologie gebaseerd op een bus
met een 10 base 2 Ethernet (thinnet). Verbind
indien nodig de router met de netwerkkabel met een AUI/10BT
transceiver.---Sun werkstation
|
---FreeBSD computer
|
---Windows 95
|
Zelfstandige router
|
ISDN BRI lijn10 Base 2 EthernetWanneer het thuis-/afdelingskantoornetwerk uit slechts
één computer bestaat kan een twisted-pair
crossover-kabel gebruikt worden om direct met de zelfstandige
router te verbinden.Hoofdkantoor- of ander LAN10 base THet netwerk gebruikt een stertopologie met 10 base T
Ethernet (Twisted Pair). -------Novell Server
| H |
| ---Sun
| |
| U ---FreeBSD
| |
| ---Windows 95
| B |
|___---Zelfstandige router
|
ISDN BRI lijnISDN NetwerkdiagramEen groot voordeel van de meeste routers/bridges is dat ze
gelijktijdig 2 gescheiden
onafhankelijke PPP-verbindingen met 2 gescheiden
sites toestaan. Dit wordt door de meeste TA's niet ondersteund,
behalve voor specifieke (gewoonlijk dure) modellen die twee
seriële poorten hebben. Dit dient niet met kanaalbinding,
MPP, etc. verward te worden.Dit kan een erg handige eigenschap zijn indien, bijvoorbeeld,
er een toegewijde ISDN-verbinding op kantoor is en het gewenst
is om deze af te tappen, maar een andere ISDN-lijn op het werk
ongewenst is. Een router op kantoor kan een toegewijde B-kanaal
verbinding (64 Kbps) met het Internet beheren en het andere
B-kanaal voor een gescheiden gegevensverbinding gebruiken. Het
tweede B-kanaal kan voor inbellen, uitbellen, of dynamisch
binden (MPP, etc.) gebruikt worden met het eerste B-kanaal voor
meer bandbreedte.IPX/SPXEen Ethernet-bridge staat ook toe om meer dan alleen
IP-verkeer te verzenden. Het is ook mogelijk om IPX/SPX of
enig ander protocol te gebruiken.ChernLeeBijgedragen door Network Address TranslationOverzichtnatdHet Network Address Translation daemon van &os;, in het
algemeen bekend als &man.natd.8;, is een daemon dat rauwe
binnenkomende IP-pakketten accepteert, de bron naar die van de
plaatselijke machine verandert en de pakketten terug in de
uitgaande IP-pakketstroom injecteert. &man.natd.8; doet dit
door het IP-adres en de poort van de bron zo te veranderen dat
wanneer de gegevens weer ontvangen worden, het in staat is om
de originele plaats van de gegevens te achterhalen en ze door
te sturen naar de originele aanvrager.Internetverbinding delenNATNAT wordt het meest gebruikt wat in het algemeen bekend is
als het delen van een Internetverbinding.InstallatieWegens de krimpende IP-ruimte in IPv4, en het groeiend
aantal gebruikers van consumentenlijnen op hoge snelheid zoals
kabel of DSL, hebben steeds meer mensen een oplossing als het
delen van een Internetverbinding nodig. Vanwege de mogelijkheid
om meerdere computers online te verbinden door één
verbinding en IP-adres is &man.natd.8; een redelijke keuze.
In de meeste gevallen heeft een gebruiker een machine
verbonden met een kabel- of DSL-lijn met één
IP-adres en is het gewenst om deze ene verbonden computer te
gebruiken om Internettoegang aan meerdere computers over een LAN
te geven.Hiervoor dient de &os;-machine op het Internet dienst doen
als gateway. Deze gateway-machine heeft twee NICs nodig —
één voor de verbinding met de Internetrouter, de
andere voor de verbinding met het LAN. Alle machines op het LAN
zijn verbonden door een hub of switch.Er zijn vele manieren om een LAN via een &os;-gateway met
het Internet te verbinden. Dit voorbeeld behandelt slechts
een gateway met tenminste twee NICs. _______ __________ ________
| | | | | |
| Hub |-----| Client B |-----| Router |----- Internet
|_______| |__________| |________|
|
____|_____
| |
| Client A |
|__________|NetwerkschemaDit soort installaties wordt in het algemeen gebruikt om een
Internetverbinding te delen. Eén van de
LAN-machines is verbonden met het Internet.
De rest van de machines hebben internettoegang via die
gateway-machine.bootloaderconfiguratieBootloader-configuratieDe mogelijkheden van de kernel voor network address translation met
&man.natd.8; staan niet aan in GENERIC, maar ze
kunnen worden voorgeladen tijdens het opstarten door enkele opties aan
/boot/loader.conf toe te voegen:ipfw_load="YES"
ipdivert_load="YES"Ook moet de tunable
net.inet.ip.fw.default_to_accept op
1 worden gezet:net.inet.ip.fw.default_to_accept="1"Het is een goed idee om deze optie aan te zetten tijdens de
eerste pogingen om een firewall en NAT gateway te installeren. Op
deze manier zal het standaardbeleid van &man.ipfw.8;
allow ip from any to any zijn in plaats van het
minder vrije deny ip from any to any, en zal het
iets moeilijker zijn om buitengesloten te worden net na het opnieuw
opstarten van het systeem.KernelconfiguratiekernelinstellingenWanneer modules geen optie zijn of wanneer het gewenst is om alle
benodigde mogelijkheden in de draaiende kernel te bouwen, dienen de
volgende opties in het kernelinstellingenbestand aanwezig te
zijn:options IPFIREWALL
options IPDIVERTDe volgende opties kunnen ook van pas komen:options IPFIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPT
options IPFIREWALL_VERBOSESysteeminstellingen voor het opstartenOm de firewall en NAT tijdens het opstarten aan te zetten, moet
het volgende in /etc/rc.conf staan:gateway_enable="YES"
firewall_enable="YES"
firewall_type="OPEN"
natd_enable="YES"
natd_interface="fxp0"
natd_flags="" Stelt de machine in om dienst te doen als gateway. Het
draaien van
sysctl net.inet.ip.forwarding=1 heeft
hetzelfde effect.Activeert de firewall-regels in
/etc/rc.firewall tijdens het opstarten.
Dit specificeert een vooraf gedefinieerde verzameling
van firewall-regels die alles binnenlaat. Raadpleeg
/etc/rc.firewall voor aanvullende
types.Geeft aan welke interface te gebruiken om pakketten naar
door te sturen (de interface die met het Internet verbonden
is).Alle aanvullende instelopties die tijdens het opstarten
aan &man.natd.8; worden doorgegeven.Het gedefinieerd hebben van de bovenstaande opties in
/etc/rc.conf zal natd -interface
fxp0 draaien tijdens het opstarten. Dit kan ook
handmatig worden gedraaid.Het is ook mogelijk om een instellingenbestand voor
&man.natd.8; te gebruiken als er teveel opties zijn om door te
geven. In dit geval dient het instellingenbestand te worden
gedefinieerd door de volgende regel aan
/etc/rc.conf toe te voegen:natd_flags="-f /etc/natd.conf"Het bestand /etc/natd.conf zal een
lijst met instelopties bevatten, één per regel.
Het geval in de volgende sectie bijvoorbeeld zal het volgende
bestand gebruiken:redirect_port tcp 192.168.0.2:6667 6667
redirect_port tcpc 192.168.0.3:80 80Raadpleeg voor meer informatie over het
instellingenbestand het gedeelte over de optie
van de hulppagina &man.natd.8;.Elke machine en interface achter het LAN dient een IP-adres
in de privé-netwerkruimte toegewezen te krijgen zoals
gedefinieerd in RFC 1918
en een standaard gateway van het interne IP-adres van de
natd-machine hebben.Bijvoorbeeld, cliënt A en
B achter het LAN hebben IP-adressen 192.168.0.2 en 192.168.0.3, terwijl de LAN-interface
van de natd-machine IP-adres 192.168.0.1 heeft. De standaard
gateway van van cliënt A en
B dient ingesteld te worden op die van de
natd-machine, 192.168.0.1. Voor de externe, of
Internet-interface van de
natd-machine zijn geen speciale
wijzigingen nodig om &man.natd.8; te laten werken.Poorten omleidenHet nadeel van &man.natd.8; is is dat de LAN-cliënten
niet vanaf het Internet toegankelijk zijn. Cliënten op het
LAN kunnen uitgaande verbinden naar de wereld maken maar kunnen
geen inkomende verbindingen ontvangen. Dit vormt een probleem
wanneer geprobeerd wordt om Internetdiensten op een van de
LAN-cliëntmachines te draaien. Een eenvoudige om dit te
omzeilen is om bepaalde Internetpoorten op de
natd-machine om te leiden naar een
LAN-cliënt.Bijvoorbeeld, er draait een IRC-server op cliënt
A, en er draait een webserver op cliënt
B. Om dit goed te laten werken, dienen
verbindingen die worden ontvangen op poorten 6667 (IRC) en 80
(web) te worden omgeleid naar de respectievelijke
machines.De optie dient aan
&man.natd.8; met de juiste opties te worden doorgegeven. De
syntaxis is als volgt: -redirect_port proto doelIP:doelPOORT[-doelPOORT]
[aliasIP:]aliasPOORT[-aliasPOORT]
[verIP[:verrePOORT[-verrePOORT]]]In het bovenstaand voorbeeld dienen de argumenten te
zijn: -redirect_port tcp 192.168.0.2:6667 6667
-redirectport tcp 192.168.0.3:80 80Dit zal de juiste tcp-poorten naar de
LAN-cliënt-machines omleiden.Het argument kan worden
gebruikt om poortbereiken over individuele poorten aan te geven.
Bijvoorbeeld, tcp 192.168.0.2:2000-3000
2000-3000 zal alle verbindingen die op poorten
2000 tot 3000 worden ontvangen omleiden naar poorten 2000 tot
3000 op cliënt A.Deze opties kunnen worden gebruikt wanneer &man.natd.8;
direct wordt gedraaid, wanneer ze zijn geplaatst in de optie
natd_flags="" van
/etc/rc.conf, of wanneer ze via een
instellingenbestand worden doorgegeven.Raadpleeg voor meer instelopties &man.natd.8;.Adressen omleidenadressen omleidenAdressen omleiden is handig wanneer er verschillende
IP-adressen beschikbaar zijn, maar ze op één
machine moeten zitten. Hiermee kan &man.natd.8; aan elke
LAN-cliënt een eigen extern IP-adres toewijzen. Vervolgens
overschrijft &man.natd.8; de uitgaande pakketten van de
LAN-cliënten met het juiste IP-adres en leidt het al het
binnenkomende verkeer op dat ene IP-adres terug naar de
specifieke LAN-cliënt. Dit staat ook bekend als statisch
NAT. Bijvoorbeeld, de IP-adressen 128.1.1.1, 128.1.1.2, en 1281.2..3 behoren toe aan de
natd gateway-machine. 128.1.1.1 kan gebruikt worden als het
externe IP-adres van de natd
gateway-machine, terwijl 128.1.1.2 en 128.1.1.3 terug worden gestuurd naar
de LAN-cliënten A en
B.De syntaxis van is als
volgt:-redirect_address lokaalIP publiekIPlokaalIPHet interne IP-adres van de LAN-cliënt.
publiekIPHet externe IP-adres overeenkomend met de
LAN-cliënt.In het voorbeeld zou dit argument zijn:-redirect_address 192.168.0.2 128.1.1.2
-redirect_address 192.168.0.3 128.1.1.3Net zoals worden ook deze
argumenten geplaatst in de optie
natd_flags="" van
/etc/rc.conf, of doorgegeven via een
instellingenbestand. Met adresomleiding is het omleiden van
poorten niet nodig aangezien alle gegevens die op een bepaald
IP-adres worden ontvangen worden omgeleidt.Het externe IP-adres op de natd
machine dient actief en naar een externe interface gealiased te
zijn. In &man.rc.conf.5; staat hoe dit te doen.Parallel Line IP (PLIP)PLIPParallel Line IPPLIPPLIP maakt het mogelijk om TCP/IP tussen parallelle poorten te
draaien. Het is nuttig op machines zonder netwerkkaarten, of om
op laptops te installeren. In deze sectie wordt besproken:Het maken van een parallelle (laplink) kabel.Twee computers met PLIP verbinden.Een parallelle kabel makenEen parallelle is te koop in de meeste computerwinkels.
Wanneer dit niet mogelijk is, of indien de het gewenst is om te
weten hoe ze worden gemaakt, laat de volgende tabel zien hoe ze
met een gewone parallelle printerkabel gemaakt kunnen
worden.
PLIP opzettenAls eerste dient er een laplink-kabel aanwezig te zijn.
Controleer vervolgens dat beide computers een kernel hebben met
ondersteuning voor het stuurprogramma &man.lpt.4;:&prompt.root; grep lp /var/run/dmesg.boot
lpt0: <Printer> on ppbus0
lpt0: Interrupt-driven portDe parallelle poort dient een interrupt-gestuurde poort te
zijn, regels zoals de volgende dienen in het bestand
/boot/device.hints aanwezig te zijn:hint.ppc0.at="isa"
hint.ppc0.irq="7"Controleer vervolgens dat het kernelinstellingenbestand een
regel device plip bevat of dat de
kernelmodule plip.ko is geladen. In beide
gevallen dienen de parallelle netwerkinterfaces te verschijnen
wanneer het commando &man.ifconfig.8; gebruikt wordt om het weer
te geven:&prompt.root; ifconfig plip0
plip0: flags=8810<POINTOPOINT,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500Steek de laplink-kabel in de parallelle interface op beide
computers.Stel als root op beide sites de
parameters voor de netwerkinterface in. Bijvoorbeeld, indien
het gewenst is om host host1 met een andere
machine host2 te verbinden: host1 <-----> host2
IP Address 10.0.0.1 10.0.0.2Stel de interface op host1 in met:&prompt.root; ifconfig plip0 10.0.0.1 10.0.0.2Stel de interface op host2 in met:&prompt.root; ifconfig plip0 10.0.0.2 10.0.0.1Er dient nu een werkende verbinding te zijn. Lees voor meer
details de hulppagina's &man.lp.4; en &man.lpt.4;.Ook dienen beide hosts aan /etc/hosts
toegevoegd te worden:127.0.0.1 localhost.mijn.domein localhost
10.0.0.1 host1.mijn.domein host1
10.0.0.2 host2.mijn.domein host2Ga naar elke host en ping de andere om te bevestigen dat de
verbinding werkt. Bijvoorbeeld, op
host1:&prompt.root; ifconfig plip0
plip0: flags=8851<UP,POINTOPOINT,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet 10.0.0.1 --> 10.0.0.2 netmask 0xff000000
&prompt.root; netstat -r
Routing tables
Internet:
Destination Gateway Flags Refs Use Netif Expire
host2 host1 UH 0 0 plip0
&prompt.root; ping -c 4 host2
PING host2 (10.0.0.2): 56 data bytes
64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=0 ttl=255 time=2.774 ms
64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=1 ttl=255 time=2.530 ms
64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=2 ttl=255 time=2.556 ms
64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=3 ttl=255 time=2.714 ms
--- host2 ping statistics ---
4 packets transmitted, 4 packets received, 0% packet loss
round-trip min/avg/max/stddev = 2.530/2.643/2.774/0.103 msAaronKaplanOrigineel geschreven door TomRhodesGeherstructureerd en toegevoegd door BradDavisUitgebreid door IPv6IPv6 (ook bekend als IPng IP next generation)
is de nieuwe versie van het welbekende IP-protocol (ook bekend als
IPv4). Net zoals de andere huidige
*BSD-systemen, bevat &os; de referentie-implementatie van KAME
IPv6. Het &os;-systeem wordt dus geleverd met alles wat nodig is
om met IPv6 te experimenteren. Deze sectie richt zich op het
ingesteld en draaiend krijgen van IPv6.In de vroege jaren 1990 werden mensen zich bewust van de snel
krimpende adresruimte van IPv4. De uitbreidingssnelheid van het
Internet baarde twee grote zorgen:Geen adresruimte meer. Tegenwoordig is dit niet zo'n
probleem meer aangezien RFC1918 voor privé-adresruimte
(10.0.0.0/8,
172.16.0.0/12, en
192.168.0.0/16) en Network
Address Translation (NAT) worden gebruikt.De regels in de routeertabellen werden te groot. Dit is
tegenwoordig nog steeds een probleem.IPv6 behandelt deze en vele andere zaken:128-bits adresruimte. Met andere woorden, er zijn
theoretisch
340.282.366.920.938.463.463.374.607.431.768.211.456 adressen
beschikbaar. Dit betekent dat er ongeveer 6,67 * 10^27
IPv6-adressen per vierkante meter op onze planeet beschikbaar
zijn.Routers zullen alleen netwerkaggregatie-adressen in hun
routeertabellen opslaan en dus de gemiddelde ruimte van een
routeertabel verkleinen tot 8192 regels.IPv6 heeft ook vele andere nuttige eigenschappen zoals:Automatische adresconfiguratie (RFC2462)Anycast-adressen
(ééen-van-velen)Verplichte multicast-adressenIPsec (IP security)Versimpelde structuur van de headersMobiele IPOvergangsmechanismen voor IPv6 naar IPv4Bekijk voor meer informatie:IPv6-overzicht op playground.sun.comKAME.netAchtergrond over IPv6 adressenEr zijn verschillende soorten IPv6-adressen: unicast,
anycast, en multicast.Unicast-adressen zijn de bekende adressen. Een pakket dat
naar een unicast-adres wordt verzonden arriveert precies op de
interface dat bij dat adres hoort.Anycast-adressen zijn syntactisch niet van unicast-adressen
te onderscheiden maar ze adresseren een groep interfaces. Een
pakket dat bestemd is voor een anycast-adres zal bij de
dichtstbijzijnde interface arriveren (in router-metrieken).
Anycast-adressen mogen alleen door routers worden
gebruikt.Multicast-adressen identificeren een groep interfaces. Een
pakket dat bestemd is voor en multicast-adres zal bij alle
interfaces die bij de multicast-groep horen arriveren.Het broadcast-adres van IPv4 (gewoonlijk xxx.xxx.xxx.255) wordt in IPv6 met
multicast-adressen uitgedrukt.
Gereserveerde IPv6-adressenIPv6-adresPrefixlengte (bits)BeschrijvingOpmerkingen::128 bitsniet gespecificeerdcf. 0.0.0.0 in IPv4::1128 bitsteruglusadrescf. 127.0.0.1 in IPv4::00:xx:xx:xx:xx96 bitsingebouwd IPv4De laagste 32 bits zijn het IPv4-adres. Ook
IPv4 compatibel IPv6-adres genoemd.
::ff:xx:xx:xx:xx96 bitsIPv4-afgebeeld IPv6-adresDe laagste 32 bits zijn het IPv4-adres. Voor hosts
die geen IPv6 ondersteunen.fe80:: - feb::10 bitslink-lokaalcf. teruglusadres in IPv4fec0:: - fef::10 bitssite-lokaalff::8 bitsmulticast001 (base 2)3 bitsglobale unicastAlle globale unicast-adressen worden vanuit deze
pool toegewezen. De eerste 3 bits zijn
001.
IPv6-adressen lezenDe canonieke vorm wordt weergegeven als: x:x:x:x:x:x:x:x, waarbij elke
x een 16-bits hexadecimale waarde is.
Bijvoorbeeld FEBC:A574:382B:23C1:AA49:4592:4EFE:9982Vaak bevat een adres lange deelstrings van allen nullen,
daarom kan per adres één zo'n deelstring worden
afgekort als ::. Ook kunnen maximaal drie
voorlopende 0's per hexadecimaal viertal worden
weggelaten. Bijvoorbeeld, fe80::1 komt overeen met de canonieke
vorm fe80:0000:0000:0000:0000:0000:0000:0001.Een derde vorm is het schrijven van de laatste 32 bits in de
bekende (decimale) IPv4-stijl met punten . als
scheidingstekens. Bijvoorbeeld, 2002::10.0.0.1 komt overeen met de
(hexadecimale) canonieke representatie 2002:0000:0000:0000:0000:0000:0a00:0001
wat weer hetzelfde is als 2002::a00:1.Op dit punt dient de lezer het volgende te begrijpen:&prompt.root; ifconfigrl0: flags=8943<UP,BROADCAST,RUNNING,PROMISC,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
inet 10.0.0.10 netmask 0xffffff00 broadcast 10.0.0.255
inet6 fe80::200:21ff:fe03:8e1%rl0 prefixlen 64 scopeid 0x1
ether 00:00:21:03:08:e1
media: Ethernet autoselect (100baseTX )
status: activefe80::200:21ff:fe03:8e1%rl0
is een automatisch ingesteld link-lokaal adres. Het is als deel
van de automatische instelling vanuit het MAC-adres
aangemaakt.Kijk voor verdere informatie over de structuur van
IPv6-adressen op RFC3513.Verbinding krijgenEr zijn momenteel vier manieren om met andere IPv6-hosts en
-netwerken te verbinden:Neem contact op met de Internetprovider om te zien of ze
al IPv6 aanbieden.SixXS biedt
wereldwijd tunnels met eindpunten aan.Tunnelen via 6-naar-4 (RFC3068)Gebruik de poort net/freenet6 indien er een
inbelverbinding wordt gebruikt.DNS in de IPv6-wereldEr waren twee soorten DNS-records voor IPv6. De IETF heeft
A6-records overbodig verklaard. AAAA-records zijn nu de
standaard.AAAA-records gebruiken gaat rechttoe-rechtaan. Wijs de
hostnaam toe aan het nieuwe IPv6-adres dat net ontvangen is door
het volgende aan de DNS-bestand voor primaire zones toe te
voegen:MIJNHOSTNAAM AAAA MIJNIPv6ADRESVraag het aan de DNS-provider indien de
DNS-zones niet zelf worden geserveerd. De
huidige versies van bind (versie 8.3
en 9) en dns/djbdns (met de
IPv6-patch) ondersteunen AAAA-records.De benodigde wijzigingen doorvoeren in
/etc/rc.confIPv6-cliëntinstellingenDeze instellingen helpen bij het configureren van een
machine in het LAN die als cliënt in plaats van router
dienst zal doen. Om &man.rtsol.8; automatisch de interface
tijdens het opstarten te laten configureren dient het volgende
toegevoegd te worden:ipv6_enable="YES"Voeg het volgende toe om statisch een IP-adres zoals
2001:471:1f11:251:290:27ff:fee0:2093
aan de interface fxp0 toe te
voegen:ipv6_ifconfig_fxp0="2001:471:1f11:251:290:27ff:fee0:2093"Voeg het volgende aan /etc/rc.conf
toe om een standaardrouter 2001:471:1f11:251::1 toe te
wijzen:ipv6_defaultrouter="2001:471:1f11:251::1"IPv6 router/gateway instellingenDeze paragraaf helpt bij het opvolgen van de aanwijzingen
die de tunnelprovider heeft gegeven en ze om te zetten in
instellingen die blijven na een herstart. Om de tunnel
tijdens het opstarten te herstellen kan het volgende in
/etc/rc.conf gebruikt worden:Noem de generieke tunnelinterfaces die zullen worden
ingesteld, bijvoorbeeld gif0:gif_interfaces="gif0"Om de interface met een lokaal eindpunt
MIJN_IPv4_ADRES in te stellen naar
een ver eindpunt
VER_IPv4_ADRES:gifconfig_gif0="MIJN_IPv4_ADRES VER_IPv4_ADRES"Voeg het volgende toe om het IPv6-adres dat is toegewezen
als het eindpunt van de IPv6-tunnel te gebruiken:ipv6_ifconfig_gif0="MIJN_TOEGEWEZEN_IPv6_TUNNEL_EINDPUNT_ADRES"Nu hoeft alleen de standaardroute voor IPv6 ingesteld te
worden. Dit is de andere kant van de IPv6-tunnel:ipv6_defaultrouter="MIJN_IPv6_VER_TUNNEL_EINDPUNT_ADRES"IPv6-tunnelinstellingenIndien de server gebruikt wordt om IPv6 tussen de rest van
het netwerk en de wereld te routen, is ook de volgende
instelling in /etc/rc.conf nodig:ipv6_gateway_enable="YES"Routeradvertentie en automatische hostconfiguratieDeze sectie helpt bij het instellen van &man.rtadvd.8; om de
standaard IPv6-route te adverteren.Het volgende is nodig in /etc/rc.conf
om &man.rtadvd.8; aan te zetten:rtadvd_enable="YES"Het is belangrijk om de interface te specificeren waarop het
IPv6-routerverzoek plaatsvindt. Om bijvoorbeeld &man.rtadvd.8;
te vertellen om fxp0 te
gebruiken:rtadvd_interfaces="fxp0"Nu dient het instellingenbestand
/etc/rtadvd.conf aangemaakt te worden.
Hier is een voorbeeld:fxp0:\
:addrs#1:addr="2001:471:1f11:246::":prefixlen#64:tc=ether:Vervang fxp0 door de interface die
gebruikt gaat worden.Vervang vervolgens 2001:471:1f11:246:: met de prefix van uw
toewijzing.Indien een /64 subnet is
toegewezen, hoeft er verder niets veranderd te worden. In
andere gevallen dient de juiste waarde voor
prefixlen# gebruikt te worden.HartiBrandtBijgedragen door Asynchronous Transfer Mode (ATM)Klassiek IP configureren over ATM (PVCs)Klassiek IP over ATM (CLIP) is de
eenvoudigste methode om Asynchronous Transfer Mode (ATM) met IP
te gebruiken. Het kan met geswitchte verbindingen (SVCs) en met
permanente verbindingen (PVCs) gebruikt worden. Deze sectie
beschrijft hoe een netwerk gebaseerd op PVCs op te zetten.Volledig geschakelde configuratiesDe eerste methode om een CLIP met PVCs
op te zetten is om elke machine met elke andere machine in het
netwerk te verbinden via een toegewijde PVC. Hoewel dit
eenvoudig te configureren is, wordt het onpraktisch voor een
groter aantal machines. Dit netwerk gaat ervan uit dat er
vier machines in het netwerk zijn, allen verbonden met het
ATM
netwerk met een
ATM
adapterkaart. De eerste stap is het plannen van de
IP-adressen en de
ATM
verbindingen tussen de machines. Het volgende wordt
gebruikt:HostIP-adreshostA192.168.173.1hostB192.168.173.2hostC192.168.173.3hostD192.168.173.4Om een volledig geschakeld net te bouwen is er een
ATM-verbinding nodig tussen elk paar machines:MachinesVPI.VCI koppelhostA - hostB0.100hostA - hostC0.101hostA - hostD0.102hostB - hostC0.103hostB - hostD0.104hostC - hostD0.105De VPI- en VCI-waarde kunnen aan beide kanten van de
verbinding verschillen, maar voor de eenvoud wordt aangenomen
dat ze hetzelfde zijn. Vervolgens dienen de ATM-interfaces op
elke host geconfigureerd te worden:hostA&prompt.root; ifconfig hatm0 192.168.173.1 up
hostB&prompt.root; ifconfig hatm0 192.168.173.2 up
hostC&prompt.root; ifconfig hatm0 192.168.173.3 up
hostD&prompt.root; ifconfig hatm0 192.168.173.4 upaannemende dat de ATM-interface op alle hosts
hatm0 is. Nu dienen de PVCs op
hostA geconfigureerd te worden (er wordt
aangenomen dat ze reeds op de ATM-switches zijn geconfigureerd,
raadpleeg de handleiding van de switch hoe dit te doen).hostA&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.2 hatm0 0 100 llc/snap ubr
hostA&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.3 hatm0 0 101 llc/snap ubr
hostA&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.4 hatm0 0 102 llc/snap ubr
hostB&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.1 hatm0 0 100 llc/snap ubr
hostB&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.3 hatm0 0 103 llc/snap ubr
hostB&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.4 hatm0 0 104 llc/snap ubr
hostC&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.1 hatm0 0 101 llc/snap ubr
hostC&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.2 hatm0 0 103 llc/snap ubr
hostC&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.4 hatm0 0 105 llc/snap ubr
hostD&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.1 hatm0 0 102 llc/snap ubr
hostD&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.2 hatm0 0 104 llc/snap ubr
hostD&prompt.root; atmconfig natm add 192.168.173.3 hatm0 0 105 llc/snap ubrUiteraard kunnen ook andere verkeerscontracten dan UBR
worden gebruikt indien de ATM-adapter die ondersteunt. In dit
geval wordt de naam van het verkeerscontract gevolgd door de
parameters van het verkeer. Hulp voor het gereedschap
&man.atmconfig.8; kan verkregen worden met:&prompt.root; atmconfig help natm addof in de hulppagina &man.atmconfig.8;.Dezelfde configuratie kan ook bereikt worden via
/etc/rc.conf. Voor
hostA wordt dit:network_interfaces="lo0 hatm0"
ifconfig_hatm0="inet 192.168.173.1 up"
natm_static_routes="hostB hostC hostD"
route_hostB="192.168.173.2 hatm0 0 100 llc/snap ubr"
route_hostC="192.168.173.3 hatm0 0 101 llc/snap ubr"
route_hostD="192.168.173.4 hatm0 0 102 llc/snap ubr"De huidige toestand van alle CLIP
routes kan worden verkregen met:hostA&prompt.root; atmconfig natm showTomRhodesBijgedragen door Common Address Redundancy Protocol (CARP)CARPCommon Address Redundancy ProtocolHet Common Address Redundancy Protocol, of
CARP, staat toe dat meerdere hosts hetzelfde
IP-adres gebruiken. In sommige opstellingen
wordt dit gebruikt voor beschikbaarheid of loadbalancing. Hosts
kunnen ook gescheiden IP-adressen gebruiken,
zoals in het voorbeeld dat hier is gegeven.Om ondersteuning voor CARP aan te zetten,
dient de &os;-kernel herbouwd te worden met de volgende
optie:device carpDe functionaliteit van CARP zou nu
beschikbaar moeten zijn en kan met verschillende
sysctl-OIDs worden
bijgesteld:OIDBeschrijvingnet.inet.carp.allowAccepteer inkomende CARP pakketten.
Staat standaard aan.net.inet.carp.preemptDeze optie zet alle CARP
interfaces down op de host wanneer er een down gaat.
Staat standaard uit.net.inet.carp.logDe waarde 0 zet alle logging uit.
De waarde 1 zet het loggen van slechte
CARP-pakketten aan. Waardes hoger dan
1 zet het loggen van
toestandsveranderingen van de CARP
interfaces aan. De standaardwaarde is
1.net.inet.carp.arpbalanceBalanceer lokaal netwerkverkeer met
ARP. Staat standaard uit.net.inet.carp.suppress_preemptEen alleen-lezen OID die de
toestand van preëmptie-onderdrukking weergeeft.
Preëmptie kan worden onderdrukt wanneer de verbinding
op een interface afwezig is. De waarde
0 betekent dat preëmptie niet
onderdrukt is. Elk probleem verhoogt deze
OID.De CARP-apparaten zelf kunnen met het
commando ifconfig worden aangemaakt:&prompt.root; ifconfig carp0 createIn een echte omgeving hebben deze interfaces unieke
identificatienummers, bekend als een VHID,
nodig. Dit VHID of Virtual Host Identification
zal worden gebruikt om de hosts op het netwerk te
onderscheiden.CARP gebruiken voor serverbeschikbaarheidEén gebruik van CARP, zoals boven
aangegeven, is serverbeschikbaarheid. Dit voorbeeld geeft
failover-ondersteuning voor drie hosts, met allemaal een uniek
IP-adres en dezelfde webinhoud. Deze
machines zullen samen met een Round Robin DNS
configuratie dienst doen. De failover-machine zal twee
aanvullende CARP-interfaces hebben,
één voor elk van de IP's van de
contentservers. Wanneer er een storing optreedt, zou de
failover-server het IP-adres van de falende
machine moeten oppikken. Dit betekent dat de storing geheel
onmerkbaar zou moeten zijn voor de gebruiker. De
failover-server heeft dezelfde inhoud en diensten nodig als de
andere contentservers waarvoor het moet invallen.De twee machines dienen identiek geconfigureerd te worden
op de gegeven hostnamen en VHIDs na. Dit
voorbeeld noemt deze machines respectievelijk
hosta.example.org en
hostb.example.org. Ten eerste dienen de
benodigde regels voor een CARP-configuratie
aan rc.conf te worden toegevoegd. Voor
hosta.example.org dient het bestand
rc.conf de volgende regels te bevatten:hostname="hosta.example.org"
ifconfig_fxp0="inet 192.168.1.3 netmask 255.255.255.0"
cloned_interfaces="carp0"
ifconfig_carp0="vhid 1 pass testpass 192.168.1.50/24"Op hostb.example.org dienen de volgende
regels in rc.conf te staan:hostname="hostb.example.org"
ifconfig_fxp0="inet 192.168.1.4 netmask 255.255.255.0"
cloned_interfaces="carp0"
ifconfig_carp0="vhid 2 pass testpass 192.168.1.51/24"Het is erg belangrijk dat de wachtwoorden die met de optie
aan ifconfig gegeven
zijn, identiek zijn. De carp
apparaten zullen alleen luisteren naar en advertenties
accepteren van machines met het juiste wachtwoord. Het
VHID dient ook verschillend te zijn voor
elke machine.De derde machine,
provider.example.org, dient voorbereidt te
worden op het afhandelen van failover van beide hosts. Deze
machine heeft twee carp apparaten nodig,
één om elke host af te handelen. De juiste
instelregels voor rc.conf zullen ongeveer
gelijk zijn aan de volgende:hostname="provider.example.org"
ifconfig_fxp0="inet 192.168.1.5 netmask 255.255.255.0"
cloned_interfaces="carp0 carp1"
ifconfig_carp0="vhid 1 advskew 100 pass testpass 192.168.1.50/24"
ifconfig_carp1="vhid 2 advskew 100 pass testpass 192.168.1.51/24"Met twee carp apparaten is
provider.example.org in staat om het
IP-adres van de andere machine op te pikken
wanneer de ene niet meer antwoordt.De standaard &os;-kernel kan
preëmptie geactiveerd hebben. In dat geval hoeft
provider.example.org het
IP-adres niet terug te geven aan de
originele contentserver. In dit geval kan het nodig zijn dat
een beheerder handmatig het IP terug aan de meester moet geven.
Het volgende commando dient op
provider.example.org gegeven te worden:
&prompt.root; ifconfig carp0 down && ifconfig carp0 upDit dient gedaan te worden op de
carp interface die met de juiste
host overeenkomt.Op dit moment dient CARP volledig actief
en beschikbaar voor testen te zijn. Voor het testen dienen
òfwel het netwerken herstart te worden, òf de
machines dienen opnieuw opgestart te worden.Meer informatie is altijd beschikbaar in de hulppagina
&man.carp.4;
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/security/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/security/chapter.sgml
index cbd6ef4068..f05149740d 100644
--- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/security/chapter.sgml
+++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/security/chapter.sgml
@@ -1,4844 +1,4847 @@
MatthewDillonVeel uit dit hoofdstuk is overgenomen uit de
security(7) handleiding van SiebrandMazelandVertaald door BeveiligingbeveiligingOverzichtDit hoofdstuk biedt een basisinleiding in
systeembeveiligingsconcepten, een aantal goede basisregels en
een paar gevorderde onderwerpen binnen &os;. Veel van de
onderwerpen die worden behandeld kunnen ook worden toegepast op
systemen en Internet in het algemeen. Het Internet is niet
langer een vriendelijke omgeving waar iedereen
een goede buur wil zijn. Het beveiligen van een systeem is
onontbeerlijk als gegevens, intellectueel eigendom, tijd en wat
dan ook uit de handen van hackers c.s. gehouden moeten
worden.&os; biedt veel hulpmiddelen en mechanismen om te zorgen
voor de integriteit en veiligheid van een systeem en
netwerk.Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer:Van basis systeembeveiligingsconcepten in relatie tot
&os;.Meer over verschillende versleutelingsmechanismen die
beschikbaar zijn in &os; zoals DES en
MD5.Hoe eenmalige wachtwoordautenticatie opgezet kan
worden.Hoe TCP Wrappers in te stellen voor
gebruik met inetd.Hoe KerberosIV op &os;
uitgaven eerder dan 5.0 opgezet kan worden.Hoe Kerberos5 op &os; opgezet
kan worden.Hoe IPsec wordt ingesteld en hoe een
VPN op te zetten tussen &os; en
µsoft.windows; machines.Hoe OpenSSH, &os;'s
SSH implementatie, in te stellen en te
gebruiken.Wat bestandssysteem-ACLs zijn en hoe
die te gebruiken;Hoe het hulpprogramma
Portaudit gebruikt kan worden om
softwarepakketten uit de Portscollectie te auditen.Hoe om te gaan met publicaties van &os;
beveiligingswaarschuwingen.Iets van procesaccounting en hoe dat is in te schakelen
in &os;.Er wordt aangenomen dat de lezer van dit hoofdstuk:Basisbegrip heeft van &os; en Internetconcepten.In dit boek worden nog meer onderwerpen met betrekking tot
beveiliging beschreven. Zo wordt bijvoorbeeld Verplichte
Toegangscontrole (Mandatory Access Control) besproken in en Internet Firewalls in .IntroductieBeveiliging is een taak die begint en eindigt bij de
systeembeheerder. Hoewel alle BSD &unix; meergebruikerssystemen
enige inherente beveiliging kennen, is het bouwen en onderhouden
van additionele beveiligingsmechanismen om de gebruikers
eerlijk te houden waarschijnlijk een van de
zwaarste taken voor de systeembeheerder. Machines zijn zo veilig
als ze gemaakt worden en beveiligingsoverwegingen staan altijd op
gespannen voet met de wens om gebruiksvriendelijkheid. &unix;
systemen zijn in het algemeen in staat tot het tegelijkertijd
uitvoeren van een enorm aantal processen en veel van die
processen acteren als server - daarmee wordt bedoeld dat externe
entiteiten er verbindingen mee kunnen maken en ertegen kunnen
praten. Nu de minicomputers en mainframes van gisteren de
desktops van vandaag zijn en computers onderdeel zijn van
netwerken en internetwerken, wordt beveiliging nog
belangrijker.Systeembeveiliging heeft ook te maken met het omgaan met
verschillende vormen van aanvallen, zoals een poging om een
systeem te crashen of op een andere manier onstabiel te maken,
zonder te proberen de root account aan te
vallen (break root). Aandachtspunten voor
beveiliging kunnen opgesplitst worden in categorieën:Ontzeggen van dienst aanvallen (Denial of
Service).Gebruikersaccounts compromitteren.root compromitteren via
toegankelijke servers.root compromitteren via
gebruikersaccounts.Achterdeur creëren (Backdoor).DoS aanvallenOntzegging van Dienst (DoS)beveiligingOntzegging van Dienst DoS aanvallen(DoS)Ontzegging van Dienst (DoS)Een ontzegging van dienst (DoS) aanval is een techniek die
de machine middelen ontneemt. In het algemeen zijn DoS aanvallen
brute kracht mechanismen die proberen de machine te crashen of op
een andere manier onbruikbaar te maken door de machine of de
netwerkcode te overvragen. Sommige DoS aanvallen proberen
misbruik te maken van bugs in de netwerkcode om een machine met
een enkel pakket te crashen. Zoiets kan alleen gerepareerd
worden door een aanpassing aan de kernel te maken. Aanvallen op
servers kunnen vaak hersteld worden door op de juiste wijze
opties in stellen om de belasting van servers te limiteren in
ongunstige omstandigheden. Omgaan met brute kracht aanvallen is
lastiger. Zo is een aanval met gefingeerde pakketten
(spoofed-packet) vrijwel niet te stoppen, behalve
dan door het systeem van Internet los te koppelen. Misschien
gaat de machine er niet door plat, maar het kan wel een volledige
Internetverbinding verzadigen.beveiligingaccount compromitterenEen gecompromitteerde gebruikersaccount komt nog veel vaker
voor dan een DoS aanval. Veel systeembeheerders draaien nog
steeds standaard telnetd,
rlogind,
rshd en
ftpd servers op hun machines. Deze
servers communiceren standaard niet over beveiligde verbindingen.
Het resultaat is dat als er een redelijk grote gebruikersgroep
is, er altijd wel van een of meer van de gebruikers die van
afstand op dat systeem aanmelden (wat toch de meest normale en
makkelijke manier is om op een systeem aan te melden) het
wachtwoord is afgeluisterd (sniffed). Een
oplettende systeembeheerder analyseert zijn logboekbestanden om
te zoeken naar verdachte bronadressen, zelfs als het om
succesvolle aanmeldpogingen gaat.Uitgangspunt moet altijd zijn dat als een aanvaller toegang
heeft tot een gebruikersaccount, de aanvaller de
root account kan compromitteren. In
werkelijkheid is het wel zo dat voor een systeem dat goed
beveiligd is en goed wordt onderhouden, toegang tot een
gebruikersaccount niet automatisch betekent dat de aanvaller ook
root privileges kan krijgen. Het is van
belang dit onderscheid te maken, omdat een aanvaller zonder
toegang tot root in het algemeen zijn sporen
niet kan wissen en op z'n best wat kan rommelen met bestanden van
de gebruiker of de machine kan crashen. Gecompromitteerde
gebruikersaccounts zijn vrij normaal omdat gebruikers normaliter
niet de voorzorgsmaatregelen nemen die systeembeheerders
nemen.beveiligingachterdeurenSysteembeheerders moeten onthouden dat er in potentie heel
veel manieren zijn om toegang tot root te
krijgen. Een aanvaller zou het
root wachtwoord kunnen kennen, een bug kunnen
ontdekken in een dienst die onder root
draait en daar via een netwerkverbinding op in kunnen breken of
een aanvaller zou een probleem kennen met een suid-root programma
dat de aanvaller in staat stelt root te
worden als hij eenmaal toegang heeft tot een gebruikersaccount.
Als een aanvaller een manier heeft gevonden om
root te worden op een machine, dan hoeft
hij misschien geen achterdeur (backdoor) te
installeren. Veel bekende manieren die zijn gevonden om
root te worden, en weer zijn afgesloten,
vereisen veel werk van de aanvaller om zijn rommel achter zich op
te ruimen, dus de meeste aanvallers installeren een achterdeur.
Een achterdeur biedt de aanvaller een manier om makkelijk opnieuw
root toegang tot het systeem te krijgen, maar
dit geeft de slimme systeembeheerder ook een makkelijke manier om
de inbraak te ontdekken. Het onmogelijk maken een achterdeur te
installeren zou best wel eens nadelig kunnen zijn voor
beveiliging, omdat hiermee nog niet het gat gedicht is waardoor
er in eerste instantie is ingebroken.Beveiligingsmaatregelen moeten altijd geïmplementeerd
worden in een meerlagenmodel en worden als volgt
gecategoriseerd:Beveiligen van root en
medewerkersaccounts.Beveiligen van root – servers
onder root en suid-/sgid-binaire
bestanden.Beveiligen van gebruikersaccounts.Beveiligen van het wachtwoordbestand.Beveiligen van de kern van de kernel, ruwe apparaten
en bestandssystemen.Snel detecteren van ongeoorloofde wijzigingen aan het
systeem.Paranoia.In het volgende onderdeel van dit hoofdstuk gaan we dieper in
op de bovenstaande punten.&os; beveiligenbeveiliging&os; beveiligenCommando vs. protocolIn dit hele document gebruiken we
vette tekst om te verwijzen naar een
commando of applicatie en een monospaced
lettertype om te verwijzen naar specifieke commando's.
Protocollen staan vermeld in een normaal lettertype. Dit
typografische onderscheid is zinvol omdat bijvoorbeeld ssh
zowel een protocol als een commando is.In de volgende onderdelen behandelen we de methodes uit de
vorige paragraaf om een
&os;-systeem te beveiligen.Beveiligen van root en
medewerkersaccounts.suOm te beginnen: doe geen moeite om medewerkersaccounts
te beveiligen als de root account niet
beveiligd is. Op de meeste systemen heeft de
root account een wachtwoord. Als eerste
moet aangenomen worden dat dit wachtwoord
altijd gecompromitteerd is. Dit betekent
niet dat het wachtwoord verwijderd moet worden. Het wachtwoord
is namelijk bijna altijd nodig voor toegang via het console van
de machine. Het betekent wel dat het niet mogelijk gemaakt
moet worden om het wachtwoord te gebruiken buiten het console
om en mogelijk zelfs niet via het &man.su.1; commando. Pty's
moeten bijvoorbeeld gemarkeerd staan als onveilig
(insecure) in het bestand
/etc/ttys zodat direct aanmelden met
root via telnet
of rlogin niet wordt toegestaan. Als andere
aanmelddiensten zoals sshd gebruikt
worden, dan hoort direct aanmelden via
root uitgeschakeld staat. Dit kan door
het bestand /etc/ssh/sshd_config te
bewerken en ervoor te zorgen dat
PermitRootLogin op NO
staat. Dit moet gebeuren voor iedere methode van toegang
– diensten zoals FTP worden vaak over het hoofd gezien.
Het direct aanmelden van root hoort alleen
te mogen via het systeemconsole.wheelNatuurlijk moet een systeembeheerder de mogelijkheid hebben
om root te worden. Daarvoor kunnen een
paar gaatjes geprikt worden. Maar dan moet ervoor gezorgd
worden dat er voor deze gaatjes extra aanmelden met een
wachtwoord nodig is. Eén manier om
root toegankelijk te maken is door het
toevoegen van de juiste medewerkersaccounts aan de
wheel groep (in
/etc/group). De medewerkers die lid zijn
van de groep wheel mogen
su–en naar root.
Maak medewerkers nooit native lid van de groep
wheel door ze in de groep
wheel te plaatsen in
/etc/group. Medewerkersaccounts horen lid
te zijn van de groep staff en horen dan
pas toegevoegd te worden aan de groep
wheel in het bestand
/etc/group. Alleen medewerkers die ook
echt toegang tot root nodig hebben horen
in de groep wheel geplaatst te worden.
Het is ook mogelijk, door een autenticatiemethode als Kerberos
te gebruiken, om het bestand .k5login van
Kerberos in de root account te gebruiken
om een &man.ksu.1; naar root toe te staan
zonder ook maar iemand lid te maken van de groep
wheel. Dit is misschien wel een
betere oplossing, omdat het
wheel-mechanisme het nog steeds mogelijk
maakt voor een inbreker root te breken als
de inbreker een wachtwoordbestand te pakken heeft gekregen en
toegang kan krijgen tot één van de
medewerkersaccounts. Hoewel het instellen van het
wheel-mechanisme beter is dan niets, is
het niet per se de meest veilige optie.Om een account volledig op slot te zetten, dient het
commando &man.pw.8; gebruikt te worden:&prompt.root; pw lock staffDit voorkomt dat de gebruiker zich aanmeldt via enig
mechanisme, inclusief &man.ssh.1;.Een andere manier om toegang tot accounts te blokkeren is om
het versleutelde wachtwoord door een enkel
*-karakter te vervangen. Dit
karakter zal nooit overeenkomen met het versleutelde wachtwoord
en dus gebruikerstoegang blokkeren. Het volgende
medewerkersaccount bijvoorbeeld:foobar:R9DT/Fa1/LV9U:1000:1000::0:0:Foo Bar:/home/foobar:/usr/local/bin/tcshzou veranderd moeten worden in:foobar:*:1000:1000::0:0:Foo Bar:/home/foobar:/usr/local/bin/tcshDit voorkomt dat de gebruiker foobar
zich aanmeldt met conventionele methoden. Deze methode om
toegang te beperken werkt niet op sites die
Kerberos gebruiken of in situaties
waarin de gebruiker met &man.ssh.1; sleutels heeft
geïnstalleerd.Deze beveiligingsmechanismen hebben ook als uitgangspunt dat
vanaf een zwaarder beveiligde machine wordt aangemeld op een
minder beveiligd systeem. Als een hoofdserver bijvoorbeeld
allerlei servers draait, zou het werkstation er geen moeten
draaien. Om een werkstation redelijk veilig te laten zijn,
dienen er zo min mogelijk servers op te draaien, bij voorkeur
zelfs geen en er zou een schermbeveiliging met
wachtwoordbeveiliging op moeten draaien. Maar als een aanvaller
fysieke toegang heeft tot een werkstation, dan kan hij elke
beveiliging die erop is aangebracht omzeilen. Dit probleem
dient echt overwogen te worden, net als het feit dat de meeste
aanvallen van een afstand plaatsvinden, via het netwerk, door
mensen die geen fysieke toegang hebben tot werkstations of
servers.KerberosIVHet gebruik van iets als Kerberos geeft de mogelijkheid
om het wachtwoord van de account van een medewerker buiten
gebruik te stellen of te wijzigen op één plaats,
waarbij het meteen actief is op alle machines waarop die
medewerker een account heeft. Als de account van een
medewerker gecompromitteerd raakt, moet vooral de mogelijkheid
om per direct het wachtwoord voor machines te kunnen aanpassen
niet onderschat worden. Met afzonderlijke wachtwoorden kan het
veranderen van wachtwoorden op N systemen een puinhoop worden.
Met Kerberos kunnen ook wachtwoordrestricties opgelegd worden:
het is niet alleen mogelijk om een Kerberos
ticket na een bepaalde tijd te laten verlopen,
maar het Kerberos systeem kan afdwingen dat de gebruiker na een
bepaalde tijd een nieuw wachtwoord kiest (na bijvoorbeeld een
maand).Beveiligen van root – servers
onder root en suid-/sgid-binaire
bestandenntalkcomsatfingerzandbakkensshdtelnetdrshdrlogindEen voorzichtige systeembeheerder draait alleen die servers
die nodig zijn, niets meer, niets minder. Bedenk dat
servers van derde partijen vaak de meeste neiging hebben tot
het vertonen van bugs. Zo staat bijvoorbeeld het draaien van
een oude versie van imapd of
popper gelijk aan het weggeven van
de root account aan de hele wereld. Draai
nooit een server die niet zorgvuldig is onderzocht. Veel
servers hoeven niet te draaien als root.
Zo kunnen de ntalk,
comsat en
finger daemons bijvoorbeeld draaien
in speciale gebruikerszandbakken
(sandboxes). Een zandbak
is niet perfect, tenzij er heel veel moeite gedaan wordt, maar
de meerlagenbenadering blijft bestaan: als iemand via een
server die in een zandbak draait weet in te breken, dan moeten
ze eerst nog uit de zandbak komen. Hoe groter het aantal lagen
is waar een inbreker doorheen moet, hoe kleiner de kans op
succes is. root gaten zijn historisch
gezien aanwezig geweest in vrijwel iedere server die ooit als
root gedraaid heeft, inclusief de
basisservers van een systeem. Op een machine waarop mensen
alleen aanmelden via sshd en nooit
via telnetd of
rshd of
rlogind dienen die servers
uitgeschakeld te worden!&os; draait ntalkd,
comsat en
finger tegenwoordig standaard in een
zandbak. Een ander programma dat misschien beter in een
zandbak kan draaien is &man.named.8;. In
/etc/defaults/rc.conf staat als commentaar
welke parameters er nodig zijn om
named in een zandbak te draaien.
Afhankelijk van of het een nieuwe systeeminstallatie of het
bijwerken van een bestaand systeem betreft, worden de speciale
gebruikersaccounts die bij die zandbakken horen misschien niet
geïnstalleerd. Een voorzichtige systeembeheerder
onderzoekt en implementeert zandbakken voor servers waar dat
ook maar mogelijk is.sendmailEr zijn een aantal diensten die vooral niet in een zandbak
draaien: sendmail,
popper,
imapd,
ftpd en andere. Voor sommige
servers zijn alternatieven, maar dat kost misschien meer tijd
dan er te besteden is (gemak dient de mens). Het kan voorkomen
dat deze servers als root moeten draaien
en dat er vertrouwd moet worden op andere mechanismen om een
inbraak via die servers te detecteren.De andere grote mogelijkheid voor root
gaten in een systeem zijn de suid-root en sgid-binaire
bestanden die geïnstalleerd zijn op een systeem. Veel van
- die bestanden, zoals rlogin, staan
- in /bin, /sbin,
- /usr/bin of
- /usr/sbin. Hoewel het niet 100% veilig
- is, mag aangenomen worden dat de suid- en sgid-binaire bestanden
+ die bestanden, zoals rlogin, staan in
+ /bin,
+ /sbin,
+ /usr/bin of
+ /usr/sbin. Hoewel het niet 100%
+ veilig is, mag aangenomen worden dat de suid- en sgid-binaire bestanden
van een standaardsysteem redelijk veilig zijn. Toch worden er
nog wel eens root gaten gevonden in deze
bestanden. Zo is er in 1998 een root gat
gevonden in Xlib waardoor
xterm (die normaliter suid is)
kwetsbaar bleek. Een voorzichtige systeembeheerder kiest voor
better to be safe than sorry door de
suid-bestanden die alleen medewerkers hoeven uit te voeren aan
een speciale groep toe te wijzen en de suid-bestanden die
niemand gebruikt te lozen (chmod 000). Een
server zonder monitor heeft normaal gezien
xterm niet nodig. Sgid-bestanden
kunnen bijna net zo gevaarlijk zijn. Als een inbreker een
sgid-kmem stuk kan krijgen, dan kan hij wellicht
/dev/kmem lezen en dus het gecodeerde
wachtwoordbestand, waardoor mogelijk ieder account met
een wachtwoord besmet is. Een inbreker toegang tot de groep
kmem kan krijgen, zou bijvoorbeeld mee
kunnen kijken met de toetsaanslagen die ingegeven worden via de
pty's, inclusief die pty's die gebruikt worden door gebruikers
die via beveiligde methodes aanmelden. Een inbreker die
toegang krijgt tot de groep tty kan naar
bijna alle tty's van gebruikers schrijven. Als een gebruiker
een terminalprogramma of een terminalemulator met een
toetsenbordsimulatieoptie draait, dan kan de inbreker in
potentie een gegevensstroom genereren die ervoor zorgt dat de
terminal van de gebruiker een commando echot, dat dan wordt
uitgevoerd door die gebruiker.Beveiligen van gebruikersaccountsGebruikersaccounts zijn gewoonlijk het meest lastig om te
beveiligen. Hoewel er allerlei draconische maatregelen genomen
kunnen worden met betrekking tot de medewerkers en hun
wachtwoorden weggesterd kunnen worden, gaat dat
waarschijnlijk niet lukken met de gewone gebruikersaccounts.
Als er toch voldoende vrijheid is, dan prijst de beheerder zich
gelukkig en is het misschien toch mogelijk de accounts
voldoende te beveiligen. Als die vrijheid er niet is, dan
moeten die accounts gewoon netter gemonitord worden. Het
gebruik van ssh en
Kerberos voor gebruikersaccounts is
problematischer vanwege het extra beheer en de ondersteuning,
maar nog steeds een prima oplossing in vergelijking met een
versleuteld wachtwoordbestand.Beveiligen van het wachtwoordbestandDe enige echte oplossing is zoveel mogelijk wachtwoorden
wegsterren en ssh
of Kerberos gebruiken voor toegang
tot die accounts. Hoewel een gecodeerd wachtwoordbestand
(/etc/spwd.db) alleen gelezen kan worden
door root, is het wel mogelijk dat een
inbreker leestoegang krijgt tot dat bestand zonder dat de
aanvaller root-schrijftoegang krijgt.Beveiligingsscripts moeten altijd controleren op en
rapporteren over wijzigingen in het wachtwoordbestand (zie ook
Bestandsintegriteit
Controleren hieronder).Beveiligen van de kern van de kernel, ruwe apparaten en
bestandssystemenAls een aanvaller toegang krijgt tot
root dan kan hij ongeveer alles, maar er
zijn een paar slimmigheidjes. Zo hebben bijvoorbeeld de meeste
moderne kernels een ingebouwd pakketsnuffelstuurprogramma
(packet sniffing). Bij &os; is dat het
bpf apparaat. Een inbreker zal in het
algemeen proberen een pakketsnuffelaar te draaien op een
gecompromitteerde machine. De inbreker hoeft deze mogelijkheid
niet te hebben en bij de meeste systemen is het niet verplicht
het bpf apparaat mee te
compileren.sysctlMaar zelfs als het bpf
apparaat is uitgeschakeld, dan zijn er nog
/dev/mem en
/dev/kmem. De inbreker kan namelijk nog
schrijven naar ruwe schrijfapparaten. En er is ook nog een
optie in de kernel die modulelader (module
loader) heet, &man.kldload.8;. Een ondernemende
inbreker kan een KLD-module gebruiken om zijn eigen
bpf-apparaat of een ander
snuffelapparaat te installeren in een draaiende kernel. Om
deze problemen te voorkomen, moet de kernel op een hoger
veiligheidsniveau draaien, ten minste securelevel 1.Het veiligheidsniveau van de kernel kan op een aantal
manieren worden ingesteld. De eenvoudigste manier om het
veiligheidsniveau van een draaiende kernel te verhogen is met
sysctl op de kernelvariabele
kern.securelevel:&prompt.root; sysctl kern.securelevel=1Standaard start de kernel van &os; op met een
veiligheidsniveau van -1. Het veiligheidsniveau blijft -1
tenzij het is veranderd, òfwel door de beheerder
òfwel door &man.init.8; vanwege een instelling in de
opstartscripts. Het veiligheidsniveau kan tijdens het opstarten
van het systeem verhoogd worden door de variabele
kern_securelevel_enable op
YES te zetten in het bestand
/etc/rc.conf, en de waarde van de variabele
kern_securelevel op het gewenste
veiligheidsniveau in te stellen.Het standaard veiligheidsniveau van een &os;-systeem direct
nadat de opstartscripts zijn uitgevoerd is -1. Dit wordt
onveilige modus genoemd omdat de onveranderlijke
bestandsvlag uitgezet kan worden, er van/naar alle apparaten mag
worden gelezen en geschreven, enzovoorts.Als eenmaal het veiligheidsniveau op 1 of een hogere waarde
is ingesteld, worden de alleen-toevoegen en onveranderlijke
bestanden gehonoreerd, deze kunnen niet worden uitgezet, en
wordt toegang tot rauwe apparaten ontzegd. Hogere niveaus
beperken nog meer bewerkingen. Lees, voor een volledige
beschrijving van het effect van de verschillende
veiligheidsniveaus, de handleidingpagina &man.security.7; (of de
handleidingpagina van &man.init.8; voor uitgaven ouder dan &os;
7.0).Het ophogen van het veiligheidsniveau naar 1 of hoger kan
enkele problemen met X11 (toegang tot
/dev/io zal worden geblokkeerd), of met
de installatie van &os; wanneer die vanaf de broncode is
gebouwd (het gedeelte installword van
het proces moet tijdelijk de alleen-toevoegen en
onveranderlijke vlaggen van sommige bestanden uitzetten), en
met enkele andere gevallen veroorzaken. Soms, zoals het geval
is met X11, is het mogelijk om dit te omzeilen door
&man.xdm.1; behoorlijk vroeg in het opstartproces te starten,
wanneer het veiligheidsniveau nog laag genoeg is.
Omzeilmethoden zoals deze zijn misschien niet voor alle
veiligheidsniveaus of voor alle beperkingen die ze opleggen
mogelijk. Wat vooruit plannen is een goed idee. Het is
belangrijk om de beperkingen die door elk veiligheidsniveau
worden opgelegd te begrijpen omdat ze het gebruiksgemak van
het systeem sterk verminderen. Het vergemakkelijkt ook het
kiezen van eens standaardinstelling en voorkomt allerlei
verassingen.Als het veiligheidsniveau van de kernel naar 1 of hoger
wordt verhoogd, kan het nuttig zijn om de vlag
schg aan te zetten voor kritieke
opstartprogramma's, mappen, en scriptbestanden (i.e. alles dat
gedraaid wordt tot het punt waar het veiligheidsniveau wordt
ingesteld). Dit kan overdreven zijn, en het bijwerken van het
systeem is veel moeilijker wanneer het op een hoog
veiligheidsniveau werkt. Een minder beperkend compromis is om
het systeem op een hoger veiligheidsniveau te draaien maar het
aanzetten van de vlag schg voor elk
systeembestand en -map onder de zon over te slaan. Een andere
- mogelijkheid is om / en
- /usr simpelweg als alleen-lezen aan te
- koppelen. Het dient opgemerkt te worden dat het te draconisch
+ mogelijkheid is om / en
+ /usr simpelweg als alleen-lezen
+ aan te koppelen. Het dient opgemerkt te worden dat het te draconisch
zijn over wat is toegestaan het belangrijke detecteren van een
inbraak kan verhinderen.Bestandsintegriteit controleren: binaire bestanden,
instellingenbestanden, enzovoortAls puntje bij paaltje komt kan de kern van een systeem
maar tot een bepaald punt beveiligd worden zonder dat het
minder prettig werken wordt. Zo werk het zetten van de
schg bit met chflags op
- de meeste bestanden in / en
- /usr waarschijnlijk averechts, omdat,
- hoewel de bestanden beschermd zijn, ook het venster waarin
+ de meeste bestanden in / en
+ /usr waarschijnlijk averechts,
+ omdat, hoewel de bestanden beschermd zijn, ook het venster waarin
detectie plaats kan vinden is gesloten. De laatste laag van
beveiliging is waarschijnlijk de meest belangrijke: detectie.
Alle overige beveiliging is vrijwel waardeloos (of nog erger:
geeft een vals gevoel van beveiliging) als een mogelijke inbraak
niet gedetecteerd kan worden. Een belangrijk doel van het
meerlagenmodel is het vertragen van een aanvaller, nog meer dan
hem te stoppen, om hem op heterdaad te kunnen betrappen.De beste manier om te zoeken naar een inbraak is zoeken
naar gewijzigde, ontbrekende of onverwachte bestanden. De beste
manier om te zoeken naar gewijzigde bestanden is vanaf een
ander (vaak gecentraliseerd) systeem met beperkte toegang.
Met zelfgeschreven scripts op dat extra beveiligde systeem met
beperkte toegang is een beheerder vrijwel onzichtbaar voor
mogelijke aanvallers en dat is belangrijk. Om het nut te
maximaliseren moeten in het algemeen dat systeem met beperkte
toegang best veel rechten gegeven worden op de andere machines
in het netwerk, vaak via een alleen-lezen NFS-export van de
andere machines naar het systeem met beperkte toegang of door
ssh sleutelparen in te stellen om
het systeem met beperkte toegang een
ssh verbinding te laten maken met de
andere machines. Buiten het netwerkverkeer, is NFS de minst
zichtbare methode. Hierdoor kunnen de bestandssystemen
op alle cliëntmachines vrijwel ongezien gemonitord worden.
Als de server met beperkte toegang verbonden is met de
cliëntmachines via een switch, dan is de NFS-methode vaak
de beste keus. Als de server met beperkte toegang met de andere
machines is verbonden via een hub of door meerdere routers, dan
is de NFS-methode wellicht niet veilig genoeg (vanuit een
netwerk standpunt) en kan beter ssh
gebruikt worden, ondanks de audit-sporen die
ssh achterlaat.Als de machine met beperkte toegang eenmaal minstens
leestoegang heeft tot een cliëntsysteem dat het moet gaan
monitoren, dan moeten scripts gemaakt worden om dat monitoren
ook echt uit te voeren. Uitgaande van een NFS-koppeling, kunnen
de scripts gebruik maken van eenvoudige systeem hulpprogramma's
als &man.find.1; en &man.md5.1;. We adviseren minstens
één keer per dag een md5 te maken van alle
bestanden op de cliëntmachine en van instellingenbestanden
- als in /etc en
- /usr/local/etc zelfs vaker. Als er
- verschillen worden aangetroffen ten opzichte van de basis md5
+ als in /etc en
+ /usr/local/etc zelfs vaker.
+ Als er verschillen worden aangetroffen ten opzichte van de basis md5
informatie op het systeem met beperkte toegang, dan hoort het
script te gillen om een beheerder die het moet gaan uitzoeken.
Een goed beveiligingsscript controleert ook op onverwachte
suid-bestanden en op nieuwe en verwijderde bestanden op
- systeempartities als / en
- /usr.
+ systeempartities als / en
+ /usr.
Als ssh in plaats van NFS wordt
gebruikt, dan is het schrijven van het script lastiger. Dan
moeten de scripts met scp naar de cliënt
verplaatst worden om ze uit te voeren, waardoor ze zichtbaar
worden. Voor de veiligheid dienen ook de binaire bestanden die
het script gebruikt, zoals &man.find.1;, gekopieerd te
worden. De ssh-cliënt op de
cliënt zou al gecompromitteerd kunnen zijn. Het is
misschien noodzakelijk ssh te gebruiken over onveilige
verbindingen, maar dat maakt alles een stuk lastiger.Een goed beveiligingsscript voert ook controles uit op de
instellingenbestanden van gebruikers en medewerkers:
.rhosts, .shosts,
.ssh/authorized_keys, enzovoort.
Dat zijn bestanden die buiten het bereik van de
MD5-controle vallen.Als gebruikers veel schijfruimte hebben, dan kan het te lang
duren om alle bestanden op deze partitie te controleren. In dat
geval is het verstandig de koppelvlaggen zo in te stellen dat
suid-binaire bestanden op die partities niet zijn toegestaan.
Zie daarvoor de optie nosuid (zie
&man.mount.8;). Die partities moeten wel toch nog minstens eens
per week doorzocht worden, omdat het doel van deze
beveiligingslaag het ontdekken van een inbraakpoging is, of die
nu succesvol is of niet.Procesverantwoording (zie &man.accton.8;) kost relatief
gezien weinig en kan bijdragen aan een evaluatie mechanisme
voor na inbraken. Het is erg handig om uit te zoeken hoe
iemand precies heeft ingebroken op het systeem, mits het
bestand nog onbeschadigd is na de inbraak.Tenslotte horen beveiligingsscripts de logboekbestanden te
verwerken en de logboekbestanden zelf horen zo veilig mogelijk
tot stand te komen. remote syslog kan erg
zinvol zijn. Een aanvaller zal proberen zijn sporen uit te
wissen en logboekbestanden zijn van groot belang voor een
systeembeheerder als het gaat om uitzoeken wanneer en hoe er is
ingebroken. Een manier om logboekbestanden veilig te stellen
is door het systeemconsole via een seriële poort aan te
sluiten op een veilige machine en zo informatie te
verzamelen.ParanoiaEen beetje paranoia is niet verkeerd. Eigenlijk kan de
systeembeheerder zoveel beveiligingsopties inschakelen als hij
wil, als deze maar geen impact hebben op het gebruiksgemak en
de beveiligingsopties die wel impact
hebben op het gebruiksgemak kunnen ingeschakeld worden als daar
zorgvuldig mee wordt omgegaan. Nog belangrijker is misschien
dat er een juiste combinatie wordt gevonden. Als de
aanbevelingen uit dit document woord voor woord worden
opgevolgd, dan worden daarmee de methodes aan een toekomstige
aanvaller verraden, die ook toegang heeft tot dit
document.Ontzeggen van Dienst aanvallenOntzegging van Dienst (DoS)In deze paragraaf worden Ontzeggen van Dienst aanvallen
(Denial of Service of DoS) behandeld. Een
DoS-aanval wordt meestal uitgevoerd als pakketaanval. Hoewel er
weinig gedaan kan worden tegen de huidige aanvallen met
gefingeerde pakketten die een netwerk kunnen verzadigen, kan
de schade geminimaliseerd worden door ervoor te zorgen dat
servers er niet door plat gaan door:Limiteren van server forks.Limiteren van springplank (springboard)
aanvallen (ICMP response aanvallen, ping broadcast, etc.).De Kernel Route Cache overloaden.Een veelvoorkomende DoS-aanval is om een server aan te
vallen door het zoveel kindprocessen aan te laten maken dat het
het hostsysteem uiteindelijk geen bestandsdescriptors, geheugen
enzovoort meer heeft en het dan opgeeft.
inetd (zie &man.inetd.8;) kent een
aantal instellingen om dit type aanval af te zwakken. Hoewel
het mogelijk is ervoor te zorgen dat een machine niet plat
gaat, is het in het algemeen niet mogelijk te voorkomen dat de
dienstverlening door de aanval wordt verstoord. Meer is te
lezen in de handleiding van inetd
en het advies is in het bijzonder aandacht aan de
, en
opties te besteden. Aanvallen met gefingeerde
IP adressen omzeilen de
optie naar inetd, dus in het
algemeen moet een combinatie van opties gebruikt worden.
Sommige op zichzelf staande servers hebben parameters waarmee
het aantal forks gelimiteerd kan worden.Sendmail heeft de optie
die veel beter blijkt te
werken dan het gebruik van de opties van
Sendmail waarmee de werklast
gelimiteerd kan worden. De parameter
MaxDaemonChildren moet zodanig ingesteld
worden dat als sendmail start; deze
hoog genoeg is om de te verwachten belasting aan te kunnen,
maar niet zo hoog is dat de computer het aantal instanties van
Sendmails niet aankan zonder plat te
gaan. Het is ook verstandig om
Sendmail in de wachtrijmodus
() te draaien en de
daemon (sendmail -bd) los te koppelen van de
verwerking van de wachtrij (sendmail -q15m).
Als de verwerking van wachtrij real-time moet, kunnen de
tussenpozen voor verwerking verkort worden door deze
bijvoorbeeld op in te stellen, maar dan
is een redelijke instelling van
MaxDaemonChildren van belang om
dieSendmail te
beschermen tegen trapsgewijze fouten.Syslogd kan direct aangevallen
worden en het is sterk aan te raden de
optie te gebruiken waar dat ook maar mogelijk is en anders de
optie.Er dient voorzichtig omgesprongen te worden met diensten
die terugverbinden zoals
TCP Wrapper's reverse-identd die
direct aangevallen kan worden. In het algemeen is het hierom
onverstandig gebruik te maken van de reverse-ident optie van
TCP Wrapper.Het is een goed idee om interne diensten af te schermen
voor toegang van buitenaf door ze te firewallen op de routers
aan de rand van een netwerk (border routers).
Dit heeft als achtergrond dat verzadigingsaanvallen voorkomen
van buiten het LAN voorkomen kunnen worden. Daarmee wordt geen
aanval op root via het netwerk en die
diensten daaraan voorkomen. Er dient altijd een exclusieve
firewall te zijn, d.w.z. firewall alles
behalve poorten A, B, C, D en M-Z.
Zo worden alle lage poorten gefirewalled behalve die voor
specifieke diensten als named (als
er een primary is voor een zone),
ntalkd,
sendmail en andere diensten die
vanaf Internet toegankelijk moeten zijn. Als de firewall
andersom wordt ingesteld, als een inclusieve of tolerante
firewall, dan is de kans groot dat er wordt vergeten een aantal
diensten af te sluiten of dat er een nieuwe
interne dienst wordt toegevoegd en de firewall niet wordt
bijgewerkt. Er kan nog steeds voor gekozen worden de hoge
poorten open te zetten, zodat een tolerante situatie ontstaat,
zonder de lage poorten open te stellen. &os; biedt ook de
mogelijkheid een reeks poortnummers die gebruikt worden voor
dynamische verbindingen in te stellen via de verscheidene
net.inet.ip.portrangesysctls (sysctl -a | fgrep
portrange), waardoor ook de complexiteit van de
firewall instellingen kan vereenvoudigen. Zo kan bijvoorbeeld
een normaal begin tot eindbereik ingesteld worden van 4000 tot
5000 en een hoog poortbereik van 49152 tot 65535. Daarna kan
alles onder 4000 op de firewall geblokkeerd worden (met
uitzondering van bepaalde poorten die vanaf Internet bereikbaar
moeten zijn natuurlijk).Een andere veelvoorkomende DoS-aanval is de
springplankaanval: een server zo aanvallen dat de respons van
die server de server zelf, het lokale netwerk of een andere
machine overbelast. De meest voorkomende aanval van dit type is
de ICMP ping broadcast aanval. De
aanvaller fingeert ping-pakketten die naar het broadcast-adres
van het LAN worden gezonden met als bron het
IP-adres van de machine die hij eigenlijk aan
wil vallen. Als de routers aan de rand van het netwerk niet
zijn ingesteld om een ping-pakketten aan een broadcast-adres te
blokkeren, dan kan het LAN genoeg antwoorden produceren om de
verbinding van het slachtoffer (het gefingeerde bronadres) te
verzadigen, zeker als de aanvaller hetzelfde doet met tientallen
andere netwerken. Broadcastaanvallen met een volume van meer
dan 120 megabit zijn al voorgekomen. Een tweede
springplankaanval is er een tegen het ICMP-foutmeldingssysteem.
Door een pakket te maken waarop een ICMP-foutmelding komt, kan
een aanvaller de inkomende verbinding van een server verzadigen
en de uitgaande verbinding laten verzadigen met
ICMP-foutmeldingen. Dit type aanval kan een server ook laten
crashen door te zorgen dat het geheugen ervan vol zit, zeker als
de server de ICMP-antwoorden niet zo snel kwijt kan als dat het
ze genereert. Gebruik de
sysctl-variabele
net.inet.icmp.icmplim om deze aanvallen te
beperken. De laatste belangrijke klasse springplankaanvallen
hangt samen met een aantal interne diensten van
inetd zoals de UDP-echodienst. Een
aanvaller fingeert eenvoudigweg een UDP-pakket met als
bronadres de echopoort van Server A en als bestemming de
echopoort van Server B, waar Server A en B allebei op een LAN
staan. Die twee servers gaan dat pakket dan heen en weer
kaatsen. Een aanvaller kan beide servers overbelasten door een
aantal van deze pakketten te injecteren. Soortgelijke problemen
kunnen ontstaan met de poort chargen.
Een competente systeembeheerder zal al deze interne
inetd testdiensten
uitschakelen.Gefingeerde pakketten kunnen ook gebruikt worden om de
kernel route cache te overbelasten. Raadpleeg daarvoor de
net.inet.ip.rtexpire,
rtminexpire en rtmaxcachesysctl parameters. Een aanval met
gefingeerde pakketten met een willekeurig bron-IP zorgt ervoor
dat de kernel een tijdelijke gecachede route maakt in de
routetabel, die uitgelezen kan worden met netstat -rna
| fgrep W3. Deze routes hebben een levensduur van
ongeveer 1600 seconden. Als de kernel merkt dat de gecachede
routetabel te groot is geworden, dan wordt
rtexpire dynamisch verkleind, maar deze
waarde wordt nooit lager dan rtminexpire.
Er zijn twee problemen:De kernel reageert niet snel genoeg als een laag
belaste server wordt aangevallen.rtminexpire is niet laag genoeg om
de kernel de aanval te laten overleven.Als servers verbonden zijn met het Internet via een E3
of sneller, dan is het verstandig om handmatig
rtexpire en rtminexpire
aan te passen via &man.sysctl.8;. Als de een van de parameters
op nul wordt gezet, dan crasht de machine. Het instellen van
beide waarden op 2 seconden is voldoende om de routetabel
tegen een aanval te beschermen.Aandachtspunten voor toegang met
Kerberos en
SSHsshKerberosIVEr zijn een aantal aandachtspunten die in acht genomen
moeten worden als Kerberos of ssh gebruikt worden. Kerberos 5
is een prima autenticatieprotocol, maar er zitten bugs in de
Kerberos-versies van telnet en
rlogin waardoor ze niet geschikt
zijn voor binair verkeer. Kerberos codeert standaard de sessie
niet, tenzij de optie wordt gebruikt.
ssh codeert standaard wel
alles.Ssh werkt prima, maar het stuurt coderingssleutels
standaard door. Dit betekent dat als gegeven een veilig
werkstation met sleutels die toegang geven tot de rest van het
systeem en ssh wordt gebruikt om verbinding te maken met een
onveilige machine, die sleutels gebruikt kunnen worden. De
sleutels zelf zijn niet bekend, maar ssh stelt een
doorstuurpoort in zolang als een gebruikers aangemeld blijft.
Als de aanvaller roottoegang heeft op de
onveilige machine, dan kan hij die poort gebruiken om toegang
te krijgen tot alle machines waar de sleutels van de gebruiker
toegang toe geven.Het advies is ssh in combinatie met Kerberos te gebruiken
voor het aanmelden door medewerkers wanneer dat ook maar
mogelijk is. Ssh kan gecompileerd
worden met Kerberos-ondersteuning. Dit vermindert de kans op
blootstelling van ssh-sleutels en beschermt tegelijkertijd
de wachtwoorden met Kerberos. Ssh-sleutels zouden alleen
gebruikt moeten worden voor geautomatiseerde taken vanaf
veilige machines (iets waar Kerberos ongeschikt voor is). Het
advies is om het doorsturen van sleutels uit te schakelen in de
ssh-instellingen of om de from=IP/DOMAIN
optie te gebruiken die ssh in staat stelt het bestand
authorized_keys te gebruiken om de
sleutel alleen bruikbaar te maken voor entiteiten die zich
aanmelden vanaf vooraf aangewezen machines.BillSwingleDelen geschreven en herschreven door DES, Blowfish, MD5, en cryptbeveiligingcryptcryptBlowfishDESMD5Iedere gebruiker op een &unix; systeem heeft een wachtwoord
bij zijn account. Het lijkt voor de hand liggend dat deze
wachtwoorden alleen bekend horen te zijn bij de gebruiker en het
eigenlijke besturingssysteem. Om deze wachtwoorden geheim te
houden, zijn ze gecodeerd in een eenweg hash
(one-way hash), wat betekent dat ze eenvoudig
gecodeerd kunnen worden maar niet gedecodeerd. Met andere
woorden, wat net gesteld werd is helemaal niet waar: het
besturingssysteem kent het echte wachtwoord
niet. De enige manier om een wachtwoord in platte
tekst te verkrijgen, is door er met brute kracht naar
te zoeken in alle mogelijke wachtwoorden.Helaas was DES, de Data Encryption Standard, de enige
manier om wachtwoorden veilig te coderen toen &unix; ontstond.
Dit was geen probleem voor gebruikers in de VS, maar omdat
de broncode van DES niet geëxporteerd mocht worden moest
&os; een manier vinden om zowel te gehoorzamen aan de wetten van
de VS als aansluiting te houden bij alle andere &unix; varianten
die nog steeds DES gebruikten.De oplossing werd gevonden in het splitsen van de
coderingsbibliotheken zodat gebruikers in de VS de DES
bibliotheken konden installeren en gebruiken en internationale
gebruikers een coderingsmethode konden gebruiken die
geëxporteerd mocht worden. Zo is het gekomen dat &os; MD5
is gaan gebruiken als coderingsmethode. Van MD5 wordt aangenomen
dat het veiliger is dan DES, dus de mogelijkheid om DES te
installeren is vooral beschikbaar om aansluiting te kunnen
houden.Het crypt-mechanisme herkennenOp dit moment ondersteunt de bibliotheek DES, MD5 en
Blowfish hashfuncties. Standaard gebruikt &os; MD5 om
wachtwoorden te coderen.Het is vrij makkelijk om uit te vinden welke
coderingsmethode &os; op een bepaald moment gebruikt. De
gecodeerde wachtwoorden in
/etc/master.passwd bekijken is een manier.
Wachtwoorden die gecodeerd zijn met MD5 zijn langer dan wanneer
ze gecodeerd zijn met DES-hash. Daarnaast beginnen ze met de
karakters $1$. Wachtwoorden
die beginnen met $2a$ zijn
gecodeerd met de Blowfish hashfunctie. DES-wachtwoordstrings
hebben geen bijzondere kenmerken, maar ze zijn korter dan MD5
wachtwoorden en gecodeerd in een 64-karakter alfabet waar geen
$ karakter in zit. Een relatief korte
string die niet begint met een dollar teken is dus
waarschijnlijk een DES-wachtwoord.Het wachtwoordformaat voor nieuwe wachtwoorden wordt
ingesteld met de passwd_format
aanmeldinstelling in /etc/login.conf waar
des, md5 of
blf mag staan. Zie de &man.login.conf.5;
handleiding voor meer informatie over
aanmeldinstellingen.Eenmalige wachtwoordeneenmalige wachtwoordenbeveiligingeenmalige wachtwoordenStandaard biedt &os; ondersteuning voor OPIE (Eenmalige
Wachtwoorden in Alles - One-time Passwords In
Everything), wat standaard een MD5-hash gebruikt.Hier worden drie verschillende soorten wachtwoorden
besproken. De eerste is het normale &unix; of Kerberos
wachtwoord. Dit heet het &unix; wachtwoord. Het
tweede type is een eenmalig wachtwoord dat wordt gemaakt met het
OPIE-programma &man.opiekey.1; en dat wordt geaccepteerd door
&man.opiepasswd.1; en de aanmeldprocedure. Dit heet het
eenmalige wachtwoord. Het laatste type wachtwoord
is het wachtwoord dat wordt opgegeven aan het programma
opiekey (en soms aan het programma
opiepasswd) dat gebruikt wordt om eenmalige
wachtwoorden te maken. Dit type heet geheim
wachtwoord of gewoon een wachtwoord zonder
toevoeging.Het geheime wachtwoord heeft niets te maken met het &unix;
wachtwoord; ze kunnen hetzelfde zijn, dat wordt afgeraden.
OPIE geheime wachtwoorden kennen niet de beperking van 8
karakters zoals de oude &unix; wachtwoorden.
Bij &os; mag het wachtwoord voor aanmelden tot 128
karakters lang zijn.
Ze mogen onbeperkt lang zijn. Wachtwoorden van een zes of zeven
woorden lange zin zijn niet ongewoon. Voor het overgrote deel
werkt het OPIE-systeem volledig onafhankelijk van het &unix;
wachtwoordsysteem.Buiten het wachtwoord zijn er nog twee stukjes gegevens die
van belang zijn voor OPIE. Het eerste wordt zaad
(seed) of sleutel
(key) genoemd en bestaat uit twee letters en vijf
cijfers. Het tweede stukje gegevens heet de
iteratieteller, een nummer tussen 1 en 100. OPIE
maakt een eenmalig wachtwoord door het zaad en het geheime
wachtwoord aaneen te schakelen en daarop het door de
iteratieteller aangegeven keren MD5-hash toe te passen. Daarna
wordt het resultaat omgezet in zes korte Engelse woorden. Deze
zes woorden zijn een eenmalige wachtwoord. Het
autenticatiesysteem (hoofdzakelijk PAM) houdt bij welk
eenmalig wachtwoord het laatst is gebruikt en de gebruiker wordt
geautenticeerd als de hash van het door de gebruiker ingegeven
wachtwoord gelijk is aan het vorige wachtwoord. Omdat er een
eenweg hash wordt gebruikt, is het onmogelijk om toekomstige
eenmalige wachtwoorden te maken als iemand toch een eenmalig
wachtwoord heeft afgevangen. De iteratieteller wordt verlaagd na
iedere succesvolle aanmelding om de gebruiker en het
aanmeldprogramma synchroon te houden. Als de iteratieteller op 1
staat, moet OPIE opnieuw ingesteld worden.Er zijn enkele programma's bij ieder systeem betrokken die
hieronder worden besproken. Het programma
opiekey heeft een iteratieteller,
zaad en een geheim wachtwoord nodig en maakt dan een eenmalig
wachtwoord of een lijst van opeenvolgende eenmalige wachtwoorden.
Het programma opiepasswd wordt gebruikt om OPIE
te initialiseren en om wachtwoorden, iteratietellers en zaad te
wijzigen. Het accepteert zowel wachtwoordzinnen als een
iteratieteller, zaad en een eenmalig wachtwoord. Het programma
opieinfo bekijkt de relevante bestanden waarin
de eigenschappen staan (/etc/opiekeys) en
toont de huidige iteratieteller en zaad van de gebruiker die het
commando uitvoert.Nu worden vier verschillende acties besproken. Bij de eerste
wordt opiepasswd gebruikt in een beveiligde
verbinding om voor het eerst eenmalige wachtwoorden in te stellen
of om een wachtwoord of zaad aan te passen. Bij de tweede wordt
opiepasswd gebruikt over een onbeveiligde
verbinding samen met opiekey over een
beveiligde verbinding om hetzelfde te bereiken. In een derde
scenario wordt opiekey gebruikt om aan te
melden over een onveilige verbinding. Het vierde
scenario behandelt het gebruik van opiekey om
een aantal sleutels aan te maken die opgeschreven of afgedrukt
kunnen worden, zodat ze meegenomen kunnen worden naar een plaats
van waar geen enkele veilige verbinding opgezet kan worden.Veilige verbinding initialiserenGebruik het commando opiepasswd om OPIE
voor de eerste keer te initialiseren:&prompt.user; opiepasswd -c
[grimreaper] ~ $ opiepasswd -f -c
Adding unfurl:
Only use this method from the console; NEVER from remote. If you are using
telnet, xterm, or a dial-in, type ^C now or exit with no password.
Then run opiepasswd without the -c parameter.
Using MD5 to compute responses.
Enter new secret pass phrase:
Again new secret pass phrase:
ID unfurl OTP key is 499 to4268
MOS MALL GOAT ARM AVID COEDAls Enter new secret pass phrase: of
Enter secret password: op het scherm
verschijnt, dient een wachtwoord of wachtwoordzin ingevoerd te
worden. Dit is dus niet het aanmeldwachtwoord is, maar dit
wordt gebruikt om eenmalige wachtwoorden te maken. De
ID regel geeft de parameters van het verzoek
weer: de aanmeldnaam, de iteratieteller en zaad. Bij het
aanmelden kent het systeem deze parameters en worden deze
weergegeven zodat ze niet onthouden hoeven te worden. Op de
laatste regel staat het eenmalige wachtwoord dat overeenkomt met
die parameters en het geheime wachtwoord. Als de gebruiker
direct opnieuw zou aanmelden, zou hij dat eenmalige wachtwoord
moeten gebruiken.Onveilige verbinding initialiserenOm een wachtwoord te initialiseren of te wijzigen over een
onveilige verbinding, moet er al ergens een veilige verbinding
bestaan waar de gebruiker opiekey kan
uitvoeren. Dit kan een een shellprompt zijn op een machine die
vertrouwd wordt. De gebruiker moet ook een iteratieteller
verzinnen (100 is wellicht een prima getal) en een eigen zaad
bedenken of er een laten fabriceren. Over de onveilige
verbinding (naar de machine die de gebruiker wil initialiseren)
wordt het commando opiepasswd gebruikt:&prompt.user; opiepasswd
Updating unfurl:
You need the response from an OTP generator.
Old secret pass phrase:
otp-md5 498 to4268 ext
Response: GAME GAG WELT OUT DOWN CHAT
New secret pass phrase:
otp-md5 499 to4269
Response: LINE PAP MILK NELL BUOY TROY
ID mark OTP key is 499 gr4269
LINE PAP MILK NELL BUOY TROYDruk op Return om het standaardzaad te
accepteren. Voor een toegangswachtwoord wordt ingevoerd, dient
eerst gewisseld te worden naar de veilige verbinding en dienen
dezelfde parameters ingegeven te worden:&prompt.user; opiekey 498 to4268
Using the MD5 algorithm to compute response.
Reminder: Don't use opiekey from telnet or dial-in sessions.
Enter secret pass phrase:
GAME GAG WELT OUT DOWN CHATIn de onveilige verbinding wordt nu het eenmalige wachtwoord
in het relevante programma gekopieerd.Een enkel eenmalig wachtwoord makenAls OPIE eenmaal is ingesteld staat er bij het
aanmelden iets als het volgende:&prompt.user; telnet example.com
Trying 10.0.0.1...
Connected to example.com
Escape character is '^]'.
FreeBSD/i386 (example.com) (ttypa)
login: <gebruikersnaam>
otp-md5 498 gr4269 ext
Password: NB: de OPIE-prompt heeft een handige optie (die hier niet te
zien is): als er op Return wordt gedrukt bij de
wachtwoordregel, wordt de echo aangezet, zodat de invoer
zichtbaar is. Dit is erg handig als er met de hand een
wachtwoord wordt ingegeven, zoals wanneer het wordt ingevoerd
vanaf een afdruk.MS-DOSWindowsMacOSNu moet het eenmalige wachtwoord gemaakt worden om het
aanmeldprompt mee te antwoorden. Dit moet gedaan worden op een
vertrouwd systeem waarop opiekey beschikbaar
is. Er zijn ook versies voor &ms-dos;, &windows; en &macos;.
Voor het commando moet zowel de iteratieteller als het zaad
ingeven worden op de commandoregel. Deze kan zo overgenomen
worden vanaf het aanmeldprompt op de machine waarop de gebruiker
zich wil aanmelden.Op het vertrouwde systeem:&prompt.user; opiekey 498 to4268
Using the MD5 algorithm to compute response.
Reminder: Don't use opiekey from telnet or dial-in sessions.
Enter secret pass phrase:
GAME GAG WELT OUT DOWN CHATNu het eenmalige wachtwoord er is, kan het aanmelden
doorgang vinden.Meerdere eenmalige wachtwoorden makenSoms moet een gebruiker ergens naar toe gaan waar er geen
toegang is tot een vertrouwde machine of een beveiligde
verbinding. In dat geval is het mogelijk om met het commando
opiekey een aantal eenmalige wachtwoorden te
maken om uit te printen en mee te nemen:&prompt.user; opiekey -n 5 30 zz99999
Using the MD5 algorithm to compute response.
Reminder: Don't use opiekey from telnet or dial-in sessions.
Enter secret pass phrase: <geheim wachtwoord>
26: JOAN BORE FOSS DES NAY QUIT
27: LATE BIAS SLAY FOLK MUCH TRIG
28: SALT TIN ANTI LOON NEAL USE
29: RIO ODIN GO BYE FURY TIC
30: GREW JIVE SAN GIRD BOIL PHIMet worden vijf opeenvolgende
sleutels aangevraagd, geeft aan wat het
laatste iteratiegetal moet zijn. Deze wachtwoorden worden
weergegeven in omgekeerde volgorde voor
gebruik. Als de gebruiker echt paranoïde bent kan hij ze
opschrijven of hij kan er ook voor kiezen ze af te drukken met
lpr. Op iedere regel staat dus de
iteratieteller en het eenmalige wachtwoord, maar misschien is
het toch handig om ze na gebruik af te strepen.Gebruik van &unix; wachtwoorden beperkenMet OPIE kan paal en perk gesteld worden aan het gebruik van
&unix; wachtwoorden op basis van het IP-adres
van een aanmeldsessie. Dat kan met het bestand
/etc/opieaccess dat standaard aanwezig is.
Bij &man.opieaccess.5; staat meer informatie over dit bestand en
welke beveiligingsoverwegingen bestaan bij het gebruik.Hieronder een voorbeeld voor een
opieaccess bestand:permit 192.168.0.0 255.255.0.0In deze regel (permit Internet) staat
dat gebruikers met een bron IP adres (wat
gefingeerd kan worden) dat past binnen de aangegeven waarde en
masker altijd &unix; wachtwoorden mogen gebruiken.Als geen van de regels uit opieaccess
van toepassing is, worden standaard pogingen zonder OPIE
geweigerd.TomRhodesGeschreven door TCP WrapperTCP WrappersIedereen die bekend is met &man.inetd.8; heeft waarschijnlijk
wel eens van TCP Wrappers gehoord. Maar
slechts weinigen lijken volledig te begrijpen hoe ze in een
netwerkomgeving toegepast kunnen worden. Het schijnt dat
iedereen een firewall wil hebben om netwerkverbindingen af te
handelen. Ondanks dat een firewall veel kan, zijn er toch dingen
die het niet kan, zoals tekst terugsturen naar de bron van een
verbinding. De TCP Wrappers software kan dat
en nog veel meer. In dit onderdeel worden de mogelijkheden van
TCP Wrappers besproken en, waar dat van
toepassing is, worden ook voorbeelden voor implementatie
gegeven.De TCP Wrappers software vergroot de
mogelijkheden van inetd door de
mogelijkheid al zijn serverdaemons te controleren. Met deze
methode is het mogelijk om te loggen, berichten te zenden naar
verbindingen, een daemon toe te staan alleen interne verbindingen
te accepteren, etc. Hoewel een aantal van deze mogelijkheden ook
ingesteld kunnen worden met een firewall, geeft deze manier niet
alleen een extra laag beveiliging, maar gaat dit ook verder dan
wat een firewall kan bieden.De toegevoegde waarde van TCP Wrappers
is niet dat het een goede firewall vervangt.
TCP Wrappers kunnen samen met een firewall en
andere beveiligingsinstellingen gebruikt worden om een extra laag
van beveiliging voor het systeem te bieden.Omdat dit een uitbreiding is op de instellingen van
inetd, wordt aangenomen dat de lezer
het onderdeel inetd configuratie heeft
gelezen.Hoewel programma's die onder &man.inetd.8; draaien niet
echt daemons zijn, heten ze traditioneel wel zo.
Deze term wordt hier dus ook gebruikt.Voor het eerst instellenDe enige voorwaarde voor het gebruiken van
TCP Wrappers in &os; is ervoor te zorgen
dat de server inetd gestart wordt
vanuit rc.conf met de optie
; dit is de standaardinstelling. Er wordt
vanuit gegaan dat /etc/hosts.allow juist is
ingesteld, maar als dat niet zo is, dan zal &man.syslogd.8; dat
melden.In tegenstelling tot bij andere implementaties van
TCP Wrappers is het gebruik van
hosts.deny niet langer mogelijk. Alle
instellingen moeten in /etc/hosts.allow
staan.In de meest eenvoudige instelling worden verbindingen naar
daemons toegestaan of geweigerd afhankelijk van de opties in
/etc/hosts.allow. De standaardinstelling
in &os; is verbindingen toe te staan naar iedere daemon die met
inetd is gestart. Na de
basisinstelling wordt aangegeven hoe dit gewijzigd kan worden.De basisinstelling heeft meestal de vorm
daemon : adres : actie.
daemon is de daemonnaam die
inetd heeft gestart. Het
adres kan een geldige hostnaam, een
IP-adres of een IPv6-adres tussen
blokhaken ([ ]) zijn. Het veld actie
kan allow of deny zijn,
afhankelijk van of toegang toegestaan of geweigerd moet worden.
De instellingen werken zo dat ze worden doorlopen van onder naar
boven om te kijken welke regel als eerste van toepassing is.
Als een regel van toepassing is gevonden, dan stop het
zoekproces.Er zijn nog andere mogelijkheden, maar die worden elders
toegelicht. Een eenvoudige instelling kan al van met deze
informatie worden gemaakt. Om bijvoorbeeld
POP3 verbindingen toe te staan via de
mail/qpopper daemon,
zouden de volgende instellingen moeten worden toegevoegd aan
hosts.allow:# Deze regel is nodig voor POP3-verbindingen
qpopper : ALL : allowNadat deze regel is toegevoegd moet
inetd herstart worden. Dit gaat met
het commando &man.kill.1; of met de parameter
restart met
/etc/rc.d/inetd.Gevorderde instellingenTCP Wrappers hebben ook gevorderde
instellingen. Daarmee komt meer controle over de wijze waarop
er met verbindingen wordt omgegaan. Soms is het een goed idee
om commentaar te sturen naar bepaalde hosts of
daemonverbindingen. In andere gevallen moet misschien iets
in een logboekbestand geschreven worden of een email naar de
beheerder gestuurd worden. Dit kan allemaal met instellingen
die wildcards, uitbreidingskarakters
(expansion characters) en het uitvoeren van externe commando's
heten. De volgende twee paragrafen beschrijven deze
mogelijkheden.Externe commando'sStel dat zich de situatie voordoet waar een verbinding
geweigerd moet worden, maar er een reden gestuurd moet
worden naar het individu dat die verbinding probeerde op te
zetten. Hoe gaat dat? Dat is mogelijk door gebruik te
maken van de optie . Als er een
poging tot verbinding wordt gedaan, wordt er met
een shellcommando of script
uitgevoerd. Er staat al een voorbeeld in
hosts.allow:# De andere daemons zijn beschermd.
ALL : ALL \
: severity auth.info \
: twist /bin/echo "You are not welcome to use %d from %h."Dit voorbeeld geeft aan dat het bericht You are
not allowed to use daemon from
hostname. wordt teruggestuurd
voor iedere daemon die niet al is ingesteld in het
toegangsbestand. Het is erg handig om een antwoord terug
te sturen naar degene die een verbinding op heeft willen
zetten meteen nadat een tot stand gekomen verbinding is
verbroken. Let wel dat alle berichten die gezonden worden
moeten staan tussen "
karakters. Hier zijn geen uitzonderingen op. Het is mogelijk een ontzegging van dienst aanval uit
te voeren op de server als een aanvaller, of een groep
aanvallers, deze daemons kan overstromen met verzoeken om
verbindingen te maken.Het is ook mogelijk hier de optie
te gebruiken. Net als weigert
de optie impliciet de verbinding en kan
het gebruikt worden om shellcommando's of scripts uit te
voeren. Anders dan bij stuurt
geen bericht aan degene die de
verbinding wilde maken. Zie bijvoorbeeld de volgende
instelling:# Geen verbindingen van example.com:
ALL : .example.com \
: spawn (/bin/echo %a from %h attempted to access %d >> \
/var/log/connections.log) \
: denyHiermee worden alle verbindingen van het domein
*.example.com geweigerd.
Tegelijkertijd worden ook hostnaam, IP
adres en de daemon waarmee verbinding werd gemaakt naar
/var/log/connections.log
geschreven.Naast de vervangingskarakters die al zijn toegelicht,
zoals %a, bestaan er nog een paar andere.
In de handleiding van &man.hosts.access.5; staat een volledige
lijst.WildcardoptiesTot nu toe is in ieder voorbeeld ALL
gebruikt. Er bestaan nog andere opties waarmee de
mogelijkheden nog verder gaan. Zo kan ALL
gebruikt worden om van toepassing te zijn op iedere instantie
van een daemon, domein of een IP adres.
Een andere wildcard die gebruikt kan worden is
PARANOID. Daarmee wordt iedere host die
een IP-adres geeft dat gefingeerd kan zijn
aangeduid. Met andere woorden: PARANOID
kan gebruikt worden om een actie aan te geven als er een
IP-adres gebruikt wordt dat verschilt van
de hostnaam. Het volgende voorbeeld kan wat verheldering
brengen:# Weiger mogelijke gespoofte verzoeken aan sendmail:
sendmail : PARANOID : denyIn het voorgaande voorbeeld worden alle
verbindingsverzoeken aan sendmail met een
IP-adres dat verschilt van de hostnaam
geweigerd.Het gebruik van de wildcard PARANOID
kan nogal wat schade aanrichten als de cliënt of de
server kapotte DNS-instellingen heeft.
Voorzichtigheid van de beheerder is geboden.De handleiding van &man.hosts.access.5; geeft meer
uitleg over wildcards en de mogelijkheden die ze
bieden.Voordat de bovenstaande instellingen werken, dient de
eerste regels in hosts.allow als
commentaar gemarkeerd te worden.MarkMurrayBijgedragen door MarkDapozGebaseerd op een bijdrage van KerberosIVKerberos is een netwerkdienst,
protocol en systeem waarmee gebruikers zich kunnen aanmelden met
behulp van een dienst op een veilige server. Diensten als op een
andere server aanmelden, op afstand kopiëren, veilig tussen
systemen kopiëren en andere taken met een hoog risico worden
aanmerkelijk veiliger en beter controleerbaar.De onderstaande instructies kunnen gebruikt worden als
handleiding voor het opzetten van Kerberos op &os;. Voor een
volledige beschrijving wordt verwezen naar de relevante
handleidingen.KerberosIV installerenMITKerberosIVinstallerenKerberos is een optioneel component van &os;. De meest
eenvoudige manier om de software te installeren is het
selecteren van de krb4 of
krb5 distributie in
sysinstall tijdens de initiële
installatie van &os;. Hierdoor wordt de eBones
(KerberosIV) of Heimdal (Kerberos5)
implementatie van Kerberos geïnstalleerd. Deze
implementaties zijn beschikbaar omdat ze ontwikkeld zijn buiten
de VS/Canada en dus zijn ze beschikbaar voor systeemeigenaren
buiten die landen in dit tijdperk waarin er beperkingen gelden
ten aanzien van de export van coderingsprogramma's uit de
VS.Het is ook mogelijk te kiezen voor de MIT-implementatie van
Kerberos via de Portscollectie: security/krb5.Maken van de initiële databaseDit hoeft alleen op de Kerberos gedaan te worden. Er
dienen geen oude Kerberos databases rond te slingeren.
- Controleer in de map /etc/kerberosIV of de
+ Controleer in de map /etc/kerberosIV of de
volgende bestanden aanwezig zijn:&prompt.root; cd /etc/kerberosIV
&prompt.root; ls
README krb.conf krb.realmsAls er nog meer bestanden zijn (zoals
principal.* of
master_key), dan kan met het programma
kdb_destroy de oude Kerberos database
vernietigd worden of de overige bestanden kunnen verwijderd
worden als Kerberos niet draait.Nu moeten de bestanden krb.conf en
krb.realms gewijzigd om de Kerberos wereld
te definiëren. In dit geval heet de wereld
EXAMPLE.COM en de server heet
grunt.example.com. Wijzig of
creëer het bestand krb.conf:&prompt.root; cat krb.conf
EXAMPLE.COM
EXAMPLE.COM grunt.example.com admin server
CS.BERKELEY.EDU okeeffe.berkeley.edu
ATHENA.MIT.EDU kerberos.mit.edu
ATHENA.MIT.EDU kerberos-1.mit.edu
ATHENA.MIT.EDU kerberos-2.mit.edu
ATHENA.MIT.EDU kerberos-3.mit.edu
LCS.MIT.EDU kerberos.lcs.mit.edu
TELECOM.MIT.EDU bitsy.mit.edu
ARC.NASA.GOV trident.arc.nasa.govIn dit geval hoeven de andere werelden er niet te zijn. Ze
staan er als voorbeeld van hoe een machine attent gemaakt kan
worden op het bestaan van meerdere werelden. In een eigen test
kan ervoor gekozen worden ze weg te laten.De eerste regel benoemt de wereld waarin het systeem
opereert. De andere regels bevatten werelden/hosts. Het
eerste deel van een regel bevat de wereld en het tweede deel is
een host in die wereld die fungeert als sleutel
distributiecentrum. De woorden admin
server achter een hostnaam betekenen dat een host
ook administratieve database server is. In de handleidingen
van Kerberos wordt hierover meer uitleg gegeven.Nu moet grunt.example.com aan
de wereld EXAMPLE.COM toegevoegd worden en
er moet ook een instelling gemaakt worden voor alle hosts uit
het .example.com domein in
de wereld EXAMPLE.COM. Het bestand
krb.realms dient dan als volgt gewijzigd
te worden:&prompt.root; cat krb.realms
grunt.example.com EXAMPLE.COM
.example.com EXAMPLE.COM
.berkeley.edu CS.BERKELEY.EDU
.MIT.EDU ATHENA.MIT.EDU
.mit.edu ATHENA.MIT.EDUNogmaals: de andere werelden hoeven er niet te staan. Ze
staan er als voorbeeld hoe een machine van het bestaan van
andere werelden op de hoogte gebracht kan worden. Om het
overzichtelijker te maken, kan mogen ze verwijderd
worden.De eerste regel plaatst het specifieke
systeem in de genoemde wereld. De rest van de regels geeft aan
hoe standaardsystemen uit een bepaald subdomein in een wereld
plaatst worden.Nu kan de database aangemaakt worden. Dit hoeft alleen op
de Kerberos server gedaan te worden (of Sleutel Distributie
Centrum) met het commando kdb_init:&prompt.root; kdb_initRealm name [default ATHENA.MIT.EDU ]:EXAMPLE.COM
You will be prompted for the database Master Password.
It is important that you NOT FORGET this password.
Enter Kerberos master key:Nu moet de sleutel opgeslagen worden zodat diensten op de
lokale machine er gebruik van kunnen maken met het commando
kstash:&prompt.root; kstashEnter Kerberos master key:
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!Nu is de gecodeerde hoofdsleutel opgeslagen in
/etc/kerberosIV/master_key.Help het aan de praatKerberosIVeerste keer startenVoor ieder systeem dat met Kerberos
wordt beveiligd moeten twee principals worden aangemaakt. Die
heten kpasswd en rcmd.
Deze twee principals worden aangemaakt voor iedere systeem en
de instantie is de naam van het systeem.Deze daemons, kpasswd en
rcmd, staan andere systemen toe om
Kerberos wachtwoorden te wijzigen en commando's als
&man.rcp.1;, &man.rlogin.1; en &man.rsh.1; uit te
voeren.Deze worden nu toegevoegd:&prompt.root; kdb_edit
Opening database...
Enter Kerberos master key:
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!
Previous or default values are in [brackets] ,
enter return to leave the same, or new value.
Principal name:passwdInstance:grunt
<Not found>, Create [y] ?y
Principal: passwd, Instance: grunt, kdc_key_ver: 1
New Password: <---- hier RANDOM invoeren
Verifying password
New Password: <---- hier RANDOM invoeren
Random password [y] ?y
Principal's new key version = 1
Expiration date (enter yyyy-mm-dd) [ 2000-01-01 ] ?Max ticket lifetime (*5 minutes) [ 255 ] ?Attributes [ 0 ] ?
Edit O.K.
Principal name:rcmdInstance:grunt
<Not found>, Create [y] ?
Principal: rcmd, Instance: grunt, kdc_key_ver: 1
New Password: <---- hier RANDOM invoeren
Verifying password
New Password: <---- hier RANDOM invoeren
Random password [y] ?
Principal's new key version = 1
Expiration date (enter yyyy-mm-dd) [ 2000-01-01 ] ?Max ticket lifetime (*5 minutes) [ 255 ] ?Attributes [ 0 ] ?
Edit O.K.
Principal name: <---- hier niks invoeren stopt het programmaAanmaken van het serverbestandNu moeten alle instanties die de diensten op iedere server
definiëren geëxtraheerd worden. Dat kan met het
commando ext_srvtab. Dit commando maakt een
bestand aan dat veilig gekopieerd moet
- worden naar de map /etc van iedere
- Kerberos-cliënt. Dit bestand moet aanwezig zijn op iedere
+ worden naar de map /etc van
+ iedere Kerberos-cliënt. Dit bestand moet aanwezig zijn op iedere
server en op iedere cliënt en is van doorslaggevend belang
voor de werking van Kerberos.&prompt.root; ext_srvtab gruntEnter Kerberos master key:
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!
Generating 'grunt-new-srvtab'....Het bovenstaande commando maakt een tijdelijk bestand aan
dat hernoemd moet worden naar srvtab zodat
alle diensten erbij kunnen. Met &man.mv.1; kan het op de
juiste plaats op het originele systeem gezet worden:&prompt.root; mv grunt-new-srvtab srvtabAls het bestand voor een cliëntsysteem is en het
netwerk is niet veilig, dan kan het bestand
client-new-srvtab
dan naar een verwijderbaar medium gekopieerd worden en dan
fysiek veilig getransporteerd worden. Op de cliënt dient
- het bestand srvtab te heten in de map
- /etc en in modus 600 te staan:
+ het bestand srvtab te heten in de map /etc en in modus 600 te staan:
&prompt.root; mv grumble-new-srvtab srvtab
&prompt.root; chmod 600 srvtabDe database vullenNu moeten de gebruikers in de database. In dit voorbeeld
wordt de gebruiker jane als eerste
ingevoerd. Hiervoor is het commando
kdb_edit:&prompt.root; kdb_edit
Opening database...
Enter Kerberos master key:
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!
Previous or default values are in [brackets] ,
enter return to leave the same, or new value.
Principal name:janeInstance:
<Not found>, Create [y] ?y
Principal: jane, Instance: , kdc_key_ver: 1
New Password: <---- hier een veilig wachtwoord invullen
Verifying password
New Password: <---- hier het wachtwoord nogmaals invoeren
Principal's new key version = 1
Expiration date (enter yyyy-mm-dd) [ 2000-01-01 ] ?Max ticket lifetime (*5 minutes) [ 255 ] ?Attributes [ 0 ] ?
Edit O.K.
Principal name: <---- hier niks invoeren stopt het programmaAlles testenEerst moeten de Kerberos daemons gestart worden. Als de
juiste wijziging in /etc/rc.conf zijn
gemaakt, dan gebeurt dit automatisch na een herstart. Dit
hoeft alleen ingesteld te worden op de Kerberos server.
Kerberos cliënten vinden automatisch wat ze zoeken in de
- map /etc/kerberosIV.
+ map /etc/kerberosIV.
&prompt.root; kerberos &
Kerberos server starting
Sleep forever on error
Log file is /var/log/kerberos.log
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!
Current Kerberos master key version is 1
Local realm: EXAMPLE.COM
&prompt.root; kadmind -n &
KADM Server KADM0.0A initializing
Please do not use 'kill -9' to kill this job, use a
regular kill instead
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!Nu kan kan er getest worden of met het commando
kinit een ticket (kaartje) gekregen kan
worden voor het ID jane dat net is
aangemaakt:&prompt.user; kinit jane
MIT Project Athena (grunt.example.com)
Kerberos Initialization for "jane"
Password:Met klist kan gecontroleerd worden of de
tokens er echt zijn:&prompt.user; klist
Ticket file: /tmp/tkt245
Principal: jane@EXAMPLE.COM
Issued Expires Principal
Apr 30 11:23:22 Apr 30 19:23:22 krbtgt.EXAMPLE.COM@EXAMPLE.COMNu wordt het wachtwoord gewijzigd met &man.passwd.1; om
te controleren of de kpasswd daemon
autorisatie krijgt van de Kerberos database:&prompt.user; passwd
realm EXAMPLE.COM
Old password for jane:New Password for jane:
Verifying password
New Password for jane:
Password changed.su rechten toewijzenKerberos biedt mogelijkheid iedere
gebruiker die rootrechten nodig heeft zijn
eigen afzonderlijke &man.su.1; wachtwoord
te geven. Nu wordt een ID toegevoegd dat geautoriseerd is om
&man.su.1; te gebruiken naar root. Dit
wordt geregeld door een instantie van root
te verbinden met een principal. Met
kdb_edit kan jane.root
gemaakt worden in de Kerberos database:&prompt.root; kdb_edit
Opening database...
Enter Kerberos master key:
Current Kerberos master key version is 1.
Master key entered. BEWARE!
Previous or default values are in [brackets] ,
enter return to leave the same, or new value.
Principal name:janeInstance:root
<Not found>, Create [y] ? y
Principal: jane, Instance: root, kdc_key_ver: 1
New Password: <---- hier een veilig wachtwoord invullen
Verifying password
New Password: <---- hier nogmaals het wachtwoord invullen
Principal's new key version = 1
Expiration date (enter yyyy-mm-dd) [ 2000-01-01 ] ?Max ticket lifetime (*5 minutes) [ 255 ] ?12 <--- Keep this short!
Attributes [ 0 ] ?
Edit O.K.
Principal name: <---- hier niks invullen stopt het programmaEen lijst van de tokens kan bevestigen als alles werkt
zoals verwacht:&prompt.root; kinit jane.root
MIT Project Athena (grunt.example.com)
Kerberos Initialization for "jane.root"
Password:Nu dient de gebruiker toegevoegd te worden aan het
bestand .klogin van
root:&prompt.root; cat /root/.klogin
jane.root@EXAMPLE.COMNa een &man.su.1;:&prompt.user; suPassword:kan de lijst met tokens bekeken worden:&prompt.root; klist
Ticket file: /tmp/tkt_root_245
Principal: jane.root@EXAMPLE.COM
Issued Expires Principal
May 2 20:43:12 May 3 04:43:12 krbtgt.EXAMPLE.COM@EXAMPLE.COMAndere commando's gebruikenIn een eerder voorbeeld is een principal met de naam
jane gemaakt met een instantie
root. Dit was gebaseerd op een gebruiker met
dezelfde naam als de principal en dit is de standaard binnen
Kerberos: een
<principal>.<instantie> in de
vorm van <gebruikersnaam>.root staat die
<gebruikersnaam> het gebruik van
&man.su.1; naar root toe als de benodigde
instellingen in het bestand .klogin in de
home directory van root zijn
gemaakt:&prompt.root; cat /root/.klogin
jane.root@EXAMPLE.COMZo werkt het ook als een gebruiker in zijn eigen home
directory iets als volgt heeft opgenomen:&prompt.user; cat ~/.klogin
jane@EXAMPLE.COM
jack@EXAMPLE.COMHierdoor mag iedereen die zich in de wereld
EXAMPLE.COM heeft geautenticeerd als
jane of jack (via
kinit, zie boven) bij
jane's account of de bestanden op dit
systeem (grunt) met &man.rlogin.1;,
&man.rsh.1; of &man.rcp.1;.Nu meldt bijvoorbeeld jane zich aan
op een ander systeem met Kerberos:&prompt.user; kinit
MIT Project Athena (grunt.example.com)
Password:
&prompt.user; rlogin grunt
Last login: Mon May 1 21:14:47 from grumble
Copyright (c) 1980, 1983, 1986, 1988, 1990, 1991, 1993, 1994
The Regents of the University of California. All rights reserved.
FreeBSD BUILT-19950429 (GR386) #0: Sat Apr 29 17:50:09 SAT 1995Of jack meldt zich aan op
jane's account op dezelfde machine
(jane heeft het bestand
.klogin ingesteld zoals hierboven en de
beheerder van Kerberos heeft een principal
jack aangemaakt zonder instantie):&prompt.user; kinit
&prompt.user; rlogin grunt -l jane
MIT Project Athena (grunt.example.com)
Password:
Last login: Mon May 1 21:16:55 from grumble
Copyright (c) 1980, 1983, 1986, 1988, 1990, 1991, 1993, 1994
The Regents of the University of California. All rights reserved.
FreeBSD BUILT-19950429 (GR386) #0: Sat Apr 29 17:50:09 SAT 1995TillmanHodgsonBijgedragen door MarkMurrayGebaseerd op een bijdrage van Kerberos5Iedere &os; uitgave hoger dan &os;-5.1 bevat alleen
ondersteuning voor Kerberos5. Daarom
is Kerberos5 de enige versie die erbij
zit. De instellingen zijn op veel gebieden gelijk aan die van
KerberosIV. De nu volgende informatie
geldt alleen voor &os;-5.0 uitgaven en verder. Gebruikers die
het pakket KerberosIV willen
gebruiken kunnen dat installeren uit de
security/krb4 port.Kerberos is een netwerkdienst,
protocol en systeem waarmee gebruikers zich kunnen aanmelden
met behulp van een dienst op een veilige server. Diensten als
op een andere server aanmelden, op afstand kopiëren, veilig
tussen systemen kopiëren en andere taken met een hoog risico
worden aanmerkelijk veiliger en beter controleerbaar.Kerberos kan omschrijven worden
als identiteitbevestigend proxy systeem. Het kan ook
omschreven worden als een vertrouwd autenticatiesysteem van een
derde partij. Kerberos vervult maar
één taak: het veilig autenticeren van gebruikers
op het netwerk. Het vervult geen autorisatietaken (wat
gebruikers mogen) en controleert ook niets (wat gebruikers hebben
gedaan). Nadat een cliënt en server
Kerberos hebben gebruikt om hun
identiteit vast te stellen kunnen ze ook al hun communicatie
coderen om hun privacy en gegevensintegriteit te garanderen.Daarom wordt het sterk aangeraden om
Kerberos samen met andere
beveiligingsmechanismen te gebruiken die autorisatie en
controlemogelijkheden bieden.De aanwijzingen die nu volgen kunnen gebruikt worden als
werkinstructie om Kerberos in te
stellen zoals dat wordt meegeleverd met &os;. Een complete
beschrijving staat in de handleiding.Voor demonstratie van de installatie van
Kerberos wordt gebruik gemaakt van de
volgende naamgeving:Het DNS domein (zone)
is example.org.De Kerberos wereld is
EXAMPLE.ORG.Het advies is voor installaties van
Kerberos echte domeinnamen te
gebruiken, zelfs als het alleen intern wordt gebruikt. Hiermee
worden DNS problemen voorkomen is een
goede samenwerking met andere
Kerberos werelden verzekerd.GeschiedenisKerberos5geschiedenisKerberos is ontworpen door
MIT als oplossing voor
netwerkbeveiligingsproblemen. Het
Kerberos protocol gebruikt sterke
codering zodat een cliënt zijn identiteit kan bewijzen aan
een server (en andersom) over een onveilige
netwerkverbinding.Kerberos is zowel de naam van
een netwerkautorisatieprotocol als een bijvoeglijk naamwoord om
de programma's te beschrijven die gebruik maken van het
programma (zoals Kerberos telnet).
De huidige versie van het protocol is versie 5 en is beschreven
in RFC 1510.Er zijn een aantal vrij beschikbare implementaties van dit
protocol beschikbaar voor veel systemen. Het Massachusetts
Institute of Technology (MIT), waar
Kerberos ooit is ontwikkeld,
ontwikkelt nog steeds door aan hun
Kerberos pakket. Het wordt in de
VS veel gebruikt als coderingspakket en
daarom wordt het ook geraakt door de exportwetgeving van de
VS. Kerberos
van MIT is beschikbaar als port
(security/krb5). Heimdal
Kerberos is een andere implementatie
van versie 5 die expliciet buiten de VS is
ontwikkeld om de exportwetgeving de omzeilen (en wordt daarom
vaak gebruikt in niet-commerciële &unix; varianten). De
Heimdal Kerberos distributie is
beschikbaar als port (security/heimdal) en er zit een
minimale installatie in de basisinstallatie van &os;.Om het grootst mogelijke publiek te bereiken gaan deze
instructies ervan uit dat de Heimdal distributie die bij &os;
zit wordt gebruikt.Opzetten van een Heimdal KDCKerberos5sleutel distributie centrum instellingenHet Sleutel Distributie Centrum (KDC,
voluit Key Distribution Center) is de
gecentraliseerde autenticatiedienst die
Kerberos levert. Het is de computer
die Kerberos tickets uitgeeft. Het
KDC wordt vertrouwd door
alle andere computer in de Kerberos
wereld en daarom dient er een strenger beveiligingsregime op
van kracht te zijn.Hoewel het draaien van de
Kerberos dienst erg weinig van een
systeem vraagt, wordt het wel aangeraden om een machine in te
richten exclusief voor het KDC om
beveiligingsredenen.Het opzetten van een KDC begint met de
controle of de instellingen in
/etc/rc.conf juist zijn om te functioneren
als KDC (misschien moeten paden veranderd
worden voor een eigen systeem):kerberos5_server_enable="YES"
kadmind5_server_enable="YES"Daarna wordt het
Kerberos-instellingenbestand
/etc/krb5.conf aangemaakt:[libdefaults]
default_realm = EXAMPLE.ORG
[realms]
EXAMPLE.ORG = {
kdc = kerberos.example.org
admin_server = kerberos.example.org
}
[domain_realm]
.example.org = EXAMPLE.ORG/etc/krb5.conf gaat ervan uit dat de
KDC de volledig gekwalificeerde hostnaam kerberos.example.org heeft. Als de
KDC een andere hostnaam heeft, moet er nog
een CNAME (alias) toegevoegd aan de zonefile.Voor grotere netwerken met een juist ingestelde
BIND DNS server kan
het bovenstaande voorbeeld ingekort worden tot:[libdefaults]
default_realm = EXAMPLE.ORGDoor de volgende regels toe te voegen aan het
zonebestand voor example.org:_kerberos._udp IN SRV 01 00 88 kerberos.example.org.
_kerberos._tcp IN SRV 01 00 88 kerberos.example.org.
_kpasswd._udp IN SRV 01 00 464 kerberos.example.org.
_kerberos-adm._tcp IN SRV 01 00 749 kerberos.example.org.
_kerberos IN TXT EXAMPLE.ORGOm cliënten de
Kerberos-diensten te kunnen laten
vinden, moet er een volledig ingestelde
/etc/krb5.conf zijn of een minimaal
ingestelde /etc/krb5.confen een correct ingestelde DNS-server.Nu wordt de Kerberos
database aangemaakt. Deze database bevat de sleutels voor
alle principals en zijn versleuteld met een hoofdwachtwoord.
Dit wachtwoord hoeft niet onthouden te worden omdat het wordt
opgeslagen in (/var/heimdal/m-key). De
hoofdsleutel wordt aangemaakt door kstash
te starten en een wachtwoord in te voeren.Als de hoofdsleutel is gemaakt, kan de database
ingeschakeld worden met kadmin
met de optie -l (die staat voor
local). Deze optie geeft
kadmin de opdracht om de databasebestanden
direct te wijzigingen in plaats van via de
kadmind netwerkdienst. Hiermee wordt het
kip-ei-probleem opgelost waarbij een verbinding wordt gemaakt
met de database voordat hij bestaat. Op het prompt van
kadmin kan met init
de database met de werelden aangemaakt worden.Tenslotte, nog steeds in kadmin, kan
de eerste principal gemaakt worden met
add. De standaardopties voor de principal
worden nu aangehouden. Deze kunnen later altijd
nog gewijzigd worden met modify. Met
het commando ? kunnen alle beschikbare
mogelijkheden getoond worden.Hieronder een sessie waarin een voorbeelddatabase wordt
aangemaakt:&prompt.root; kstash
Master key: xxxxxxxx
Verifying password - Master key: xxxxxxxx
&prompt.root; kadmin -l
kadmin> init EXAMPLE.ORG
Realm max ticket life [unlimited]:
kadmin> add tillman
Max ticket life [unlimited]:
Max renewable life [unlimited]:
Attributes []:
Password: xxxxxxxx
Verifying password - Password: xxxxxxxxNu kan de KDC dienst gestart worden
met /etc/rc.d/kerberos start en
/etc/rc.d/kadmind start. Op dit moment
draait er nog geen enkele daemon die gebruik maakt van
Kerberos. Bevestiging dat
KDC draait is te krijgen door een ticket te
vragen en dat uit te lezen voor de principal (gebruiker)
die zojuist is aangemaakt vanaf de commandoregel van het
KDC zelf:&prompt.user; kinit tillman
tillman@EXAMPLE.ORG's Password:
&prompt.user; klist
Credentials cache: FILE:/tmp/krb5cc_500
Principal: tillman@EXAMPLE.ORG
Issued Expires Principal
Aug 27 15:37:58 Aug 28 01:37:58 krbtgt/EXAMPLE.ORG@EXAMPLE.ORGHet ticket kan worden ingenomen wanneer u klaar bent:&prompt.user; kdestroyKerberos inschakelen op een
server met Heimdal dienstenKerberos5diensten inschakelenAls eerste is een kopie van het instellingenbestand van
Kerberos nodig,
/etc/krb5.conf. Dit bestand kan
eenvoudigweg op een veilige manier (met netwerkprogramma's
als &man.scp.1;, of fysiek via een floppy) naar de
cliëntcomputer gekopieerd worden vanaf de
KDC.Hierna is het /etc/krb5.keytab
nodig. Dit is het belangrijkste verschil tussen een server
die een daemons met Kerberos
aanbiedt en een werkstation: de server heeft het bestand
keytab nodig. Dit bestand bevat de
hostsleutel van de server waardoor het werkstation en de
KDC elkaars identiteit kunnen bevestigen.
Dit bestand dient veilig overgebracht te worden omdat de
beveiliging van de server doorbroken kan worden als de
sleutel openbaar wordt gemaakt. Dit betekent expliciet dat
overdracht via een protocol dat platte tekst gebruikt,
bv. FTP, een slecht idee is.Meestal wordt keytab naar de
server gebracht met kadmin. Dat
werkt handig omdat ook de host principal (het
KDC onderdeel van
krb5.keytab) aangemaakt moet
worden met kadmin.Let wel op dat er al een ticket moet zijn en dat dit
ticket de kadmin interface moet mogen
gebruiken in kadmind.acl. Zie
Beheer op Afstand in de Heimdal
informatiepagina's (info heimdal) voor
details over het ontwerpen van toegangscontrole. Als
kadmin via het netwerk geen toegang mag
hebben, dan kan ook op een veilige verbinding gemaakt worden
met de KDC (via het lokale console,
&man.ssh.1; of Kerberos
&man.telnet.1;) zodat alles lokaal uitgevoerd kan worden met
kadmin -l.Na het installeren van
/etc/krb5.conf kan
kadmin van de
Kerberos server gebruikt worden.
Met add --random-key kan de host
principal toegevoegd worden en met ext kan
de host principal van de server naar zijn eigen keytab
getrokken worden. Bijvoorbeeld:&prompt.root; kadmin
kadmin> add --random-key host/myserver.example.org
Max ticket life [unlimited]:
Max renewable life [unlimited]:
Attributes []:
kadmin> ext host/myserver.example.org
kadmin> exitLet op: ext slaat de sleutel standaard
op in /etc/krb5.keytab.Als kadmind niet beschikbaar is op de
KDC (wellicht om beveiligingsredenen) en
er via het netwerk dus geen toegang is tot
kadmin, dan kan de host principal
(host/myserver.EXAMPLE.ORG) ook direct
aan de KDC toegevoegd worden en daarna in
een tijdelijk bestand gezet worden. Het volgende kan
gebruikt worden om te voorkomen dat
/etc/krb5.keytab op de
KDC) wordt overschreven:&prompt.root; kadmin
kadmin> ext --keytab=/tmp/example.keytab host/myserver.example.org
kadmin> exitHierna kan de keytab veilig gekopieerd worden naar de
server (met scp of een floppy). Geef
een niet-standaard naam op voor de keytab om te voorkomen
dat de keytab op de KDC wordt
overschreven.Nu kan de server communiceren met de
KDC (vanweg
krb5.conf) en zijn identiteit bewijzen
(vanwege krb5.keytab). Nu is de server
klaar om er een aantal Kerberos
diensten op te activeren. In dit voorbeeld wordt de dienst
telnet geactiveerd door de volgende regel
in /etc/inetd.conf te zetten en dan
&man.inetd.8; te herstarten met
/etc/rc.d/inetd restart:telnet stream tcp nowait root /usr/libexec/telnetd telnetd -a userHet belangrijkste is dat de typering
-a (van autenticatie) op user staat. Meer
details zijn in &man.telnetd.8; te vinden.Kerberos activeren op een
cliënt met HeimdalKerberos5cliëntinstellingenHet opzetten van een cliëntcomputer is eigenlijk
kinderlijk eenvoudig. Wat betreft de
Kerberos instelling is alleen het
Kerberos instellingenbestand
(/etc/krb5.conf) nodig. Dat kan
eenvoudigweg naar de cliëntcomputer gekopieerd worden
vanaf de KDC.Test de cliënt met kinit,
klist en kdestroy
vanaf de cliënt om een ticket te krijgen, te bekijken en
daarna te verwijderen voor de principal die hierboven is
aangemaakt. Nu moeten ook
Kerberos applicaties gebruikt
kunnen worden om verbindingen te maken met servers waarop
Kerberos is geactiveerd. Als dat
niet lukt en het verkrijgen van een ticket is wel mogelijk,
dan ligt dat hoogstwaarschijnlijk aan de server en niet aan
de cliënt of de KDC.Bij het testen van een applicatie als
telnet kan het beste een pakketsnuffelaar
(bv. &man.tcpdump.1;) gebruikt worden om te bevestigen dat
een wachtwoord niet als tekst wordt verzonden. Gebruik
telnet met de optie -x.
Dan wordt de complete gegevensstroom versleuteld (vergelijkbaar
met ssh).Er worden standaard ook andere
Kerberos applicaties op de
cliënt geïnstalleerd. Hier komt de
minimalistische natuur van de basisinstallatie
van Heimdal boven drijven: telnet is
de enige dienst waarvoor Kerberos
geactiveerd is.De port Heimdal voegt een aantal ontbrekende
cliëntapplicaties toe: versies met ondersteuning voor
Kerberos van
ftp, rsh,
rcp, rlogin en een paar
minder gebruikelijke programma's. De MIT
port bevat ook een volledig gamma aan
Kerberos cliëntapplicaties.Instellingenbestanden voor gebruikers:
.k5login en
.k5users.k5login.k5usersVoor gebruikers binnen een wereld wijst hun
Kerberos principal (bv.
tillman@EXAMPLE.ORG) gewoonlijk naar
een lokale gebruikersaccount (bijvoorbeeld een lokale account
met de naam tillman). Voor
cliëntapplicaties als telnet is
gewoonlijk geen gebruikersnaam of principal nodig.Soms moet iemand zonder bijpassende
Kerberos principal toch toegang
hebben tot een lokale gebruikersaccount.
tillman@EXAMPLE.ORG zou bijvoorbeeld
toegang nodig kunnen hebben tot de lokale gebruikersaccount
webdevelopers. Andere principals zouden
die toegang wellicht ook nodig kunnen hebben.De bestanden .k5login en
.k5users uit de gebruikersmap kunnen op
eenzelfde manier gebruikt worden als
.hosts en .rhosts.
Zo wordt het voorgaande probleem opgelost. Als bijvoorbeeld
een .k5login met de volgende
inhoud:tillman@example.org
jdoe@example.orgin de thuismap van de lokale gebruiker
webdevelopers gezet wordt dan zouden
beide principals toegang hebben tot die account zonder dat
ze een wachtwoord hoeven te delen.We raden aan de handleidingen voor deze commando's
te lezen. Let op dat de ksu handleiding
.k5users behandelt.Kerberos tips, trucs en
problemen oplossenKerberos5problemen oplossenAls de Heimdal of MIT
Kerberos port wordt gebruikt
dan dient de PATH omgevingsvariabele
de Kerberos versies van de
cliëntapplicaties te tonen voor de systeemversies.Hebben alle computers in de wereld hun tijd
gesynchroniseerd? Als dat niet zo is, dan slaagt de
autenticatie wellicht niet.
beschrijft hoe klokken
met NTP gesynchroniseerd kunnen
worden.MIT en Heimdal werken prima samen.
Dit geldt niet voor kadmin omdat
daarvoor geen protocolstandaard is.Als een hostnaam wordt gewijzigd, dan moet ook de
host/ principal aangepast en de
keytab. Dit geldt ook voor bijzondere instellingen
in de keytab zoals de www/ principal
voor www/mod_auth_kerb van
Apache.Alle hosts in een wereld moeten oplosbaar
(resolvable) zijn (zowel vooruit als achteruit) in de
DNS (of tenminste in
/etc/hosts). CNAMEs werken wel,
maar de A en PTR records moeten juist en actief zijn. De
foutmelding is niet erg duidelijk: Kerberos5
refuses authentication because Read req failed: Key table
entry not found.Sommige besturingssystemen van cliënten voor een
KDC zetten wellicht geen setuid
root voor ksu.
Dit betekent dat ksu niet werkt. Dat
is vanuit beveiligingsoogpunt een prima idee, maar wel
lastig. Dit is dus geen KDC-fout.Als met MIT
Kerberos een principal een
ticket moet krijgen dat langer geldig is dan de standaard
van tien uur, dan moet
modify_principal in
kadmin gebruikt worden om de maximale
geldigheidsduur (maxlife) van zowel de principal waar het
om gaat als de krbtgt principal aan
te passen. Dan kan de principal kinit-l gebruiken om een ticket met een
langere levensduur aan te vragen.Als een pakketsnuffelaar op de
KDC draait bij om te helpen bij het
oplossen van problemen en dan kinit
vanaf een werkstation wordt gestart, dan wordt zichtbaar
dat de TGT meteen wordt verstuurd als
kinit start, zelfs nog voor het
wachtwoord! De reden hiervoor is dat de
Kerberos server vrijelijk een
TGT (Ticket Granting
Ticket) verstuurt op iedere niet geautoriseerd verzoek.
Maar iedere TGT is versleuteld met een
sleutel die is afgeleid van het wachtwoord van de
gebruiker. Als een gebruiker zijn wachtwoord ingeeft,
wordt dat dus niet naar de KDC
gezonden, maar ontcijfert het de TGT
die kinit al heeft ontvangen. Als de
ontcijfering resulteert in een geldige ticket met een
geldige tijdstempel, dan heeft de gebruiker geldige
Kerberos rechten. Deze
rechten bevatten ook een sessiesleutel voor het opzetten
van beveiligde communicatie met de
Kerberos server in de toekomst
en de eigenlijke ticket-granting ticket, die is
versleuteld met de sleutel van de
Kerberos server zelf. Deze
tweede laag van versleuteling is niet bekend voor de
gebruiker, maar het stelt de
Kerberos server in staat om de
juistheid van iedere TGT te
bevestigen.Als tickets worden gebruik die lang geldig zijn (bv.
een week) en OpenSSH wordt
gebruikt om een verbinding te maken met de machine waarop
het ticket staat, zorg er dan voor dat de
Kerberos optie
op no
staat in sshd_config want anders
worden tickets verwijderd bij afmelden.Hostprincipals kunnen ook een langere levensduur
hebben. Als een gebruikers principal een levensduur van
een week heeft, maar de host waar de verbinding mee
gemaakt wordt heeft een levensduur van negen uur,
dan heb staat er een verlopen host principal in de cache
en dan werkt e.e.a. niet zoals verwacht.Een krb5.dict bestand om het
gebruik van bepaalde slechte wachtwoorden te voorkomen
(dit wordt kort behandeld in de handleiding voor
kadmind) heeft alleen betrekking op
principals waar een wachtwoordbeleid voor geldt. De
opmaak van krb5.dict is eenvoudig:
een rij tekens per regel. Een symbolische link maken naar
/usr/share/dict/words is misschien
handig.Verschillen met de MIT portHet belangrijkste verschil tussen de
MIT en Heimdal installatie heeft
betrekking op kadmin, dat een andere (maar
gelijkwaardige) set commando's kent en een andere protocol
gebruikt. Dit betekent nogal wat als een
KDC MIT is, omdat
dan de kadmin van Heimdal niet gebruikt
kan worden om de KDC vanaf afstand te
beheren (dat geldt trouwens ook vice versa).De cliëntapplicaties kunnen ook commandoregelopties
gebruiken die een beetje verschillen, maar waarmee wel
hetzelfde wordt bereikt. We raden aan de instructies op de
MIT Kerberos
website () te volgen.
Wees voorzichtig met paden: de MIT-port
installeert standaard in
- /usr/local/ en dus kunnen de
+ /usr/local/ en dus kunnen de
normale systeemapplicaties gestart worden in
plaats van die van MIT als de
PATH omgevingsvariabele de systeemmappen als
eerste weergeeft.Als de MIT
security/krb5 port die
bij &os; zit wordt gebruikt, dan zorgt het lezen van
/usr/local/share/doc/krb5/README.FreeBSD
dat bij de port wordt geïnstalleerd voor een beter
begrip over waarom het aanmelden via
telnetd en klogind
soms wat vreemd verloopt. Als belangrijkste wijzen we erop
dat het bij het corrigeren van
onjuiste rechten op het cachebestand
noodzakelijk is dat het binaire bestand
login.krb5 wordt gebruikt voor
autenticatie zodat het op de juiste wijze eigenaarschap kan
wijzigen voor de doorgegeven rechten.Het bestand rc.conf moet ook gewijzigd
worden zodat het de volgende configuratie bevat:kerberos5_server="/usr/local/sbin/krb5kdc"
kadmind5_server="/usr/local/sbin/kadmind"
kerberos5_server_enable="YES"
kadmind5_server_enable="YES"Dit is gedaan omdat de applicaties voor
MIT-Kerberos binairen in de hiërarchie
/usr/local installeren.Beperkingen in
KerberosKerberos5beperkingen en tekortkomingenKerberos is een alles of
niets aanpakIedere ingeschakelde dienst op het netwerk moet
aangepast worden om met Kerberos
te werken (of op een andere manier beschermd zijn tegen
netwerkaanvallen), want anders kunnen gebruikersrechten
worden gestolen en herbruikt. Een voorbeeld hier van is
het inschakelen van Kerberos
voor alle shells op afstand (via rsh en
telnet bijvoorbeeld), maar de
POP3 mailserver die wachtwoorden als
platte tekst verzend ongemoeid laten.Kerberos is bedoeld voor
werkstations met een gebruikerIn een meergebruikersomgeving is
Kerberos minder veilig. Dit
komt doordat de tickets worden opgeslagen in de map
- /tmp, waar gelezen kan worden door
- alle gebruikers. Als een gebruiker een computer deelt met
+ /tmp, waar gelezen kan worden
+ door alle gebruikers. Als een gebruiker een computer deelt met
andere gebruikers op hetzelfde moment (dus multi-user), dan
is het mogelijk dat een ticket van een gebruiker wordt
gestolen (gekopieerd) door een andere gebruiker.Dit kan voorkomen worden met de commandoregeloptie
-c bestandsnaam of (bij
voorkeur) de omgevingsvariabele KRB5CCNAME,
maar dat wordt zelden gedaan. In principe kan het opslaan
van een ticket in de thuismap van een gebruiker in
combinatie met eenvoudige bestandsrechten dit probleem
verhelpen.De KDC is een single point of failureZoals het is ontworpen, moet de KDC
zo goed mogelijk beveiligd zijn, omdat de
hoofdwachtwoorddatabase erop staat. De KDC
hoort geen enkele andere dienst aan te bieden en moet ook
fysiek afgeschermd worden. Het gevaar is groot, omdat
Kerberos alle wachtwoorden
versleutelt met dezelfde sleutel (de master
sleutel) die als een bestand op de KDC
staat.Toch is een gecompromitteerde mastersleutel niet zo'n
groot probleem als wellicht wordt verondersteld. De
mastersleutel wordt alleen gebruikt om de
Kerberos database te
versleutelen en als zaad voor de generator van willekeurige
nummers. Zo lang als de toegang tot de
KDC is beveiligd, kan een aanvaller niet
echt iets doen met de mastersleutel.Als de KDC niet beschikbaar is
(misschien door een ontzeggen van dienst aanval of
netwerkproblemen) kunnen de netwerkdiensten niet gebruikt
worden omdat er geen autenticatie uitgevoerd kan worden;
een recept voor een ontzeggen van dienst aanval. Dit
risico kan omzeild worden door meerdere
KDC's (één master en
één of meer slaven) en een zorgvuldige
implementatie van secundaire of fall-back autenticatie.
PAM is hier uitermate geschikt
voor.Tekortkomingen van
KerberosKerberos stelt gebruikers,
hosts en diensten in staat om elkaar te autenticeren.
Maar het heeft geen mechanisme om de KDC
te autenticeren aan de gebruikers, hosts of diensten. Dit
betekent dat bijvoorbeeld een vervalste
kinit alle gebruikersnamen en
wachtwoorden zou kunnen afluisteren. Iets als
security/tripwire of
andere controle-instrumenten voor de integriteit van
bestandssystemen kunnen hier verlichting brengen.Bronnen en verdere informatieKerberos5externe bronnen
De Kerberos FAQ
(Engels)Een
Autenticatiesysteem Ontwerpen: een Dialoog in Vier
Scenes (Engels)
RFC 1510, De Kerberos Netwerk
Authenticatie Dienst (V5) (Engels)
MIT
Kerberos
homepageHeimdal
Kerberos homepageTomRhodesGeschreven door OpenSSLbeveiligingOpenSSLOpenSSLEen toepassing die bij &os; zit die veel gebruikers over het
hoofd zien is OpenSSL.
OpenSSL biedt een versleutelde
transportlaag bovenop de normale communicatielaag. Daardoor
biedt het de mogelijkheid met veel netwerktoepassingen en
diensten verweven te raken.Een aantal toepassingen van
OpenSSL zijn versleutelde
autenticatie van mailcliënten, webgebaseerde transacties als
creditcardbetalingen en nog veel meer. Veel ports zoals
www/apache13-ssl en
mail/sylpheed-claws
bieden tijdens het compileren ondersteuning om
OpenSSL in te bouwen.In de meeste gevallen zal de Portscollectie proberen de
port security/openssl te
bouwen, tenzij de make variabele
WITH_OPENSSL_BASE expliciet naar
yes is gezet.De versie van OpenSSL die bij &os;
zit ondersteunt Secure Sockets Layer v2/v3 (SSLv2/SSLv3),
Transport Layer Security v1 (TLSv1) netwerkbeveiligingsprotocollen
en kan gebruikt worden als generieke versleutelingsbibliotheek.Hoewel OpenSSL ondersteuning
biedt voor het IDEA algoritme, is dat
standaard uitgeschakeld in verband met patenten in de VS. Om
het te gebruiken dient de licentie gelezen te worden en, als
de restricties aanvaardbaar zijn, dient de make-variabele
MAKE_IDEA ingesteld te worden in
make.conf.Een van de meest gebruikte toepassingen van
OpenSSL is het leveren van
certificaten voor gebruik met softwaretoepassingen. Deze
certificaten verzekeren dat de eigenschappen van een bedrijf
of individu geldig zijn en niet vervalst. Als het certificaat
in kwestie niet geldig verklaard is door een van de
Certificate Authorities of
CA's, dan komt er een waarschuwing. Een
Certificate Authority is een bedrijf, zoals VeriSign, dat
certificaten ondertekent zodat de eigenschappen van een bedrijf
of individu geldig verklaard kunnen worden. Dit proces kost geld
en het is zeker geen voorwaarde voor het gebruik van
certificaten. Het stelt wel de meer paranoïde gebruikers
gerust.Certificaten makenOpenSSLcertificaten makenVoor het maken van certificaten is het volgende commando
beschikbaar:&prompt.root; openssl req -new -nodes -out req.pem -keyout cert.pem
Generating a 1024 bit RSA private key
................
.......................................
writing new private key to 'cert.pem'
-----
You are about to be asked to enter information that will be incorporated
into your certificate request.
What you are about to enter is what is called a Distinguished Name or a DN.
There are quite a few fields but you can leave some blank
For some fields there will be a default value,
If you enter '.', the field will be left blank.
-----
Country Name (2 letter code) [AU]:US
State or Province Name (full name) [Some-State]:PA
Locality Name (eg, city) []:Pittsburgh
Organization Name (eg, company) [Internet Widgits Pty Ltd]:My Company
Organizational Unit Name (eg, section) []:Systems Administrator
Common Name (eg, YOUR name) []:localhost.example.org
Email Address []:trhodes@FreeBSD.org
Please enter the following 'extra' attributes
to be sent with your certificate request
A challenge password []:SOME PASSWORD
An optional company name []:Another NameLet op dat het antwoord direct na Common
Name een domeinnaam weergeeft. De prompt wil
dat er een servernaam wordt ingegeven voor het
verificatieproces. Het plaatsen van iets anders dan een
domeinnaam zorgt ervoor dat het certificaat waardeloos wordt.
Er zijn ook andere opties als verloopdatum, andere
versleutelingsalgoritmes, etc, beschikbaar. Een volledige
lijst is na te lezen in de handleiding van
&man.openssl.1;.Er horen nu twee bestanden te staan in de map waarin het
voorgaande commando is uitgevoerd. Het certificaatverzoek,
req.pem, kan naar een certificaat
autoriteit gestuurd worden die de bijgevoegde gegevens kan
valideren, het verzoek kan tekenen en het certificaat kan
retourneren. Het tweede bestand heet
cert.pem en is de geheime sleutel voor het
certificaat. Deze dient zorgvuldig beschermd te worden. Als
de geheime sleutel in de handen van anderen valt kan die
gebruikt worden om de identiteit van de eigenaar (of server)
aan te nemen.In gevallen waar ondertekening door een
CA niet vereist is, kan een zelfondertekend
certificaat gemaakt worden. Maak als eerste de
RSA sleutel:&prompt.root; openssl dsaparam -rand -genkey -out myRSA.key 1024Hierna kan de CA sleutel gemaakt
worden:&prompt.root; openssl gendsa -des3 -out myca.keymyRSA.keyDeze sleutel kan gebruikt worden om een certificaat te
maken:&prompt.root; openssl req -new -x509 -days 365 -key myca.key -out new.crtEr zouden nu twee bestanden bijgekomen moeten zijn in de
map: een certificaatautoriteit ondertekeningsbestand
myca.key en new.crt,
het certificaat zelf. Deze moeten in een map geplaatst worden,
bij voorkeur onder /etc
waar alleen root kan lezen. De rechten
0700 zijn hier prima en die kunnen ingesteld worden met
chmod.Certificaten gebruiken: een voorbeeldEn wat kunnen deze bestanden? Een prima toepassing zou
het versleutelen van verbindingen naar de
Sendmail MTA
kunnen zijn. Daardoor zouden gebruikers niet langer platte
tekst hoeven te autenticeren om mail te sturen via de lokale
MTA.Dit is niet de best denkbare toepassing omdat sommige
MUA's de gebruiker een foutmelding geven
als ze het certificaat niet lokaal geïnstalleerd hebben.
De documentatie bij de software geeft meer informatie over
het installeren van certificaten.De volgende regels moeten opgenomen worden in het lokale
.mc bestand:dnl SSL Options
define(`confCACERT_PATH',`/etc/certs')dnl
define(`confCACERT',`/etc/certs/new.crt')dnl
define(`confSERVER_CERT',`/etc/certs/new.crt')dnl
define(`confSERVER_KEY',`/etc/certs/myca.key')dnl
define(`confTLS_SRV_OPTIONS', `V')dnl/etc/certs/ is de
map die gebruikt wordt voor het lokaal opslaan van certificaten
en sleutels. De laatste voorwaarde het is opnieuw aanmaken van
het lokale .cf bestand. Dit gaat door
eenvoudigweg make
install te typen in de map
/etc/mail. Laat dat
volgen door make
install waardoor de daemon
Sendmail herstart zou moeten
worden.Als alles goed is gegaan, dan staan er geen foutmeldingen
/var/log/maillog en is
Sendmail zichtbaar in de
proceslijst.Maak als eenvoudige test een verbinding met de mailserver
met &man.telnet.1;:&prompt.root; telnet example.com 25
Trying 192.0.34.166...
Connected to example.com.
Escape character is '^]'.
220 example.com ESMTP Sendmail 8.12.10/8.12.10; Tue, 31 Aug 2004 03:41:22 -0400 (EDT)
ehlo example.com
250-example.com Hello example.com [192.0.34.166], pleased to meet you
250-ENHANCEDSTATUSCODES
250-PIPELINING
250-8BITMIME
250-SIZE
250-DSN
250-ETRN
250-AUTH LOGIN PLAIN
250-STARTTLS
250-DELIVERBY
250 HELP
quit
221 2.0.0 example.com closing connection
Connection closed by foreign host.Als de regel STARTTLS verschijnt in de
uitvoer dan werkt alles correct.NikClaytonnik@FreeBSD.orgGeschreven door IPsecVPN via IPsecEen VPN opzetten met &os; gateways tussen twee netwerken die
gescheiden zijn door Internet.Hiten M.Pandyahmp@FreeBSD.orgGeschreven door IPsec begrijpenDeze paragraaf is een gids in het proces van het opzetten
van IPsec. Voordat IPsec opgezet kan worden dient de lezer
bekend te zijn met de concepten die nodig zijn om een aangepaste
kernel te bouwen (zie ).IPsec is een protocol dat bovenop de
Internet Protocol (IP) laag ligt. Hiermee kunnen twee of meer
host op een veilige manier communiceren (vandaar de naam). De
&os; IPsec netwerk wachtrij (stack) is gebaseerd
op de
KAME-implementatie,
die zowel de protocolfamilies IPv4 als de IPv6 ondersteunt.IPsecESPIPsecAHIPsec bestaat uit twee subprotocollen:Encapsulated Security Payload
(ESP) beschermt de IP-pakketdata tegen
inmenging door een derde partij door de inhoud te
versleutelen met symmetrische
versleutelingsalgoritmes (zoals Blowfish en 3DES).Authentication Header (AH)
beschermt de IP-pakketkop tegen inmenging door een derde
partij en spoofing door een cryptografische checksum te
berekenen en de IP-pakketkopvelden te hashen met een
veilige hashfunctie. Hierna wordt een extra kop ingevoegd
die de hash bevat zodat de informatie in het pakket
geautenticeerd kan worden.ESP en AH kunnen
samen of apart gebruikt worden, afhankelijk van de
omgeving.VPNvirtual private networkVPNvirtueel privaat netwerkVPNIPsec kan gebruikt worden om het verkeer tussen twee hosts
direct te versleutelen (dat heet Transport
Mode) of door virtuele tunnels te
bouwen tussen twee subnetten die gebruikt kunnen worden voor
veilige communicatie tussen twee bedrijfsnetwerken (dat heet
Tunnel Mode). De laatste versie staat
beter bekend als Virtual Private Network
(VPN). In &man.ipsec.4; staat gedetailleerde
informatie over het IPsec subsysteem in &os;.Voor ondersteuning voor IPsec in de kernel zijn de
volgende opties nodig in het
kernelinstellingenbestand:kerneloptiesIPSECoptions IPSEC #IP-beveiliging
device cryptokerneloptiesIPSEC_DEBUGAls er ook fouten in IPsec (debugging) verwijderd moeten
kunnen worden, dan is de volgende optie ook nodig:options IPSEC_DEBUG #debug voor IP-beveiligingHet probleemEr bestaat geen standaard voor wat een VPN is. VPN's
kunnen opgezet worden met behulp van een aantal verschillende
technologieën die allemaal hun eigen voor- en nadelen
hebben. Dit onderdeel bevat een scenario en de
strategieën die gebruikt kunnen worden voor het
implementeren van een VPN in iedere situatie.Het scenario: twee netwerken, de ene thuisgebaseerd en de
andere bedrijfgebaseerd. Beide zijn verbonden met het Internet,
en er wordt van verwacht dat ze zich via dit
VPN als één gedragen.VPNmakenDit is het uitgangspunt:Er zijn tenminste twee locatiesBeide locaties gebruiken IPBeide locaties hebben een Internetverbinding via een
gateway waarop &os; draait.De gateway op ieder netwerk heeft tenminste
één publiek IP-adres.De interne adressen van de twee netwerken mogen
publieke of private IP-adressen zijn,
dat maakt niet uit. Ze mogen alleen niet botsen;
bijvoorbeeld: ze mogen niet beide 192.168.1.x gebruiken.TomRhodestrhodes@FreeBSD.orgGeschreven door IPsec configureren op &os;Om te beginnen moet de port security/ipsec-tools
geïnstalleerd zijn vanuit de Portscollectie. Dit
softwarepakket van een derde partij biedt een aantal applicaties
die helpen de configuratie te ondersteunen.De volgende benodigdheid is om twee &man.gif.4;
pseudo-apparaten aan te maken om de pakketten te tunnelen en
beide netwerken in staat stellen om op een juiste wijze te
communiceren. Draai als root de volgende
commando's, waarbij de items intern
en extern met de echte interne en
externe gateways:&prompt.root; ifconfig gif0 create&prompt.root; ifconfig gif0 intern1 intern2&prompt.root; ifconfig gif0 tunnel extern1 extern2Het publieke IP van het
LAN van de onderneming is bijvoorbeeld
172.16.5.4 en het heeft een
privaat IP 10.246.38.1. Het publieke
IP van het LAN van huis is
192.168.1.12 met een intern
privaat IP 10.0.0.5.Dit kan verwarrend lijken, dus bekijk de volgende
voorbeeld van het commando &man.ifconfig.8;:Gateway 1:
gif0: flags=8051 mtu 1280
tunnel inet 172.16.5.4 --> 192.168.1.12
inet6 fe80::2e0:81ff:fe02:5881%gif0 prefixlen 64 scopeid 0x6
inet 10.246.38.1 --> 10.0.0.5 netmask 0xffffff00
Gateway 2:
gif0: flags=8051 mtu 1280
tunnel inet 192.168.1.12 --> 172.16.5.4
inet 10.0.0.5 --> 10.246.38.1 netmask 0xffffff00
inet6 fe80::250:bfff:fe3a:c1f%gif0 prefixlen 64 scopeid 0x4Eenmaal compleet zouden beide private
IP's bereikbaar moeten zijn met het commando
&man.ping.8; zoals de volgende uitvoer suggereert:priv-net# ping 10.0.0.5
PING 10.0.0.5 (10.0.0.5): 56 data bytes
64 bytes from 10.0.0.5: icmp_seq=0 ttl=64 time=42.786 ms
64 bytes from 10.0.0.5: icmp_seq=1 ttl=64 time=19.255 ms
64 bytes from 10.0.0.5: icmp_seq=2 ttl=64 time=20.440 ms
64 bytes from 10.0.0.5: icmp_seq=3 ttl=64 time=21.036 ms
--- 10.0.0.5 ping statistics ---
4 packets transmitted, 4 packets received, 0% packet loss
round-trip min/avg/max/stddev = 19.255/25.879/42.786/9.782 ms
corp-net# ping 10.246.38.1
PING 10.246.38.1 (10.246.38.1): 56 data bytes
64 bytes from 10.246.38.1: icmp_seq=0 ttl=64 time=28.106 ms
64 bytes from 10.246.38.1: icmp_seq=1 ttl=64 time=42.917 ms
64 bytes from 10.246.38.1: icmp_seq=2 ttl=64 time=127.525 ms
64 bytes from 10.246.38.1: icmp_seq=3 ttl=64 time=119.896 ms
64 bytes from 10.246.38.1: icmp_seq=4 ttl=64 time=154.524 ms
--- 10.246.38.1 ping statistics ---
5 packets transmitted, 5 packets received, 0% packet loss
round-trip min/avg/max/stddev = 28.106/94.594/154.524/49.814 msZoals verwacht hebben beide kanten de mogelijkheid om
ICMP-pakketten te verzenden en te ontvangen
van de privaat geconfigureerde adressen. Vervolgens dient aan
beide gateways verteld te worden hoe pakketten te routeren om op
de juiste wijze verkeer van een van de netwerken te versturen.
Het volgende commando doet dit:&prompt.root; corp-net# route add 10.0.0.0 10.0.0.5 255.255.255.0&prompt.root; corp-net# route add net 10.0.0.0: gateway 10.0.0.5&prompt.root; priv-net# route add 10.246.38.0 10.246.38.1 255.255.255.0&prompt.root; priv-net# route add host 10.246.38.0: gateway 10.246.38.1Op dit moment dienen interne machines bereikbaar te zijn
vanuit elke gateway alsook als vanuit machines achter de
gateways. Dit is eenvoudig te zien aan het volgende
voorbeeld:corp-net# ping 10.0.0.8
PING 10.0.0.8 (10.0.0.8): 56 data bytes
64 bytes from 10.0.0.8: icmp_seq=0 ttl=63 time=92.391 ms
64 bytes from 10.0.0.8: icmp_seq=1 ttl=63 time=21.870 ms
64 bytes from 10.0.0.8: icmp_seq=2 ttl=63 time=198.022 ms
64 bytes from 10.0.0.8: icmp_seq=3 ttl=63 time=22.241 ms
64 bytes from 10.0.0.8: icmp_seq=4 ttl=63 time=174.705 ms
--- 10.0.0.8 ping statistics ---
5 packets transmitted, 5 packets received, 0% packet loss
round-trip min/avg/max/stddev = 21.870/101.846/198.022/74.001 ms
priv-net# ping 10.246.38.107
PING 10.246.38.1 (10.246.38.107): 56 data bytes
64 bytes from 10.246.38.107: icmp_seq=0 ttl=64 time=53.491 ms
64 bytes from 10.246.38.107: icmp_seq=1 ttl=64 time=23.395 ms
64 bytes from 10.246.38.107: icmp_seq=2 ttl=64 time=23.865 ms
64 bytes from 10.246.38.107: icmp_seq=3 ttl=64 time=21.145 ms
64 bytes from 10.246.38.107: icmp_seq=4 ttl=64 time=36.708 ms
--- 10.246.38.107 ping statistics ---
5 packets transmitted, 5 packets received, 0% packet loss
round-trip min/avg/max/stddev = 21.145/31.721/53.491/12.179 msDe tunnels opzetten is het eenvoudige deel. Het
configureren van een veilige verbinding is een veel diepgaander
proces. De volgende configuratie gebruikt vooraf gedeelde
(PSK) RSA-sleutels.
Afgezien van de IP-adressen zijn beide
bestanden /usr/local/etc/racoon/racoon.conf
identiek en zien ze er ongeveer als volgt uit:path pre_shared_key "/usr/lcoal/etc/racoon/psk.txt"; # plaats van bestand vooraf gedeelde sleutels
log debug; # verbositeitsinstelling van loggen: op 'notify' zetten als testen en debuggen klaar is
padding # opties moeten niet veranderd worden
{
maximum_length 20;
randomize off;
strict_check off;
exclusive_tail off;
}
timer # timingopties, veranderen indien nodig
{
counter 5;
interval 20 sec;
persend 1;
# natt_keepalive 15 sec;
phase1 30 sec;
phase2 15 sec;
}
listen # adres [poort] waarop racoon luistert
{
isakmp 172.16.5.4 [500];
isakmp_natt 172.16.5.4 [4500];
}
remote 192.168.1.12 [500]
{
exchange_mode main,aggressive;
doi ipsec_doi;
situation identity_only;
my_identifier address 172.16.5.4;
peers_identifier address 192.168.1.12;
lifetime time 8 hour;
passive off;
proposal_check obey;
# nat_traversal off;
generate_policy off;
proposal {
encryption_algorithm blowfish;
hash_algorithm md5;
authentication_method pre_shared_key;
lifetime time 30 sec;
dh_group 1;
}
}
sainfo (address 10.246.38.0/24 any address 10.0.0.0/24 any) # adres $netwerk/$netmasker $type adres $netwerk/$netmasker $type ( $type is any of esp)
{
pfs_group 1;
lifetime time 3600 sec;
encryption_algorithm blowfish,3des,des;
authentication_algorithm hmac_md5,hmac_sha1;
compression_algorithm deflate;
}Het uitleggen van elke beschikbare optie, samen met diegenen
in deze voorbeelden valt buiten het bereik van dit document.
De configuratiehandleiding van racoon
staat vol relevante informatie.De SPD-beleiden moeten geconfigureerd
worden zodat &os; en racoon in staat
zijn om netwerkverkeer tussen hosts te versleutelen en te
ontsleutelen.Deze taak kan met een eenvoudig shellscript zoals het
volgende dat op de gateway van de onderneming staat worden
uitgevoerd. Dit bestand wordt gebruikt tijdens de
systeeminitialisatie en dient bewaard te worden als
/usr/local/etc/racoon/setkey.conf.flush;
spdflush;
# Naar het thuisnetwerk
spdadd 10.246.38.0/24 10.0.0.0/24 any -P out ipsec esp/tunnel/172.16.5.4-192.168.1.12/use;
spdadd 10.0.0.0/24 10.246.38.0/24 any -P in esp/tunnel/192.168.1.12-172.16.5.4/use;Eenmaal aanwezig kan racoon op
beide gateways gestart worden met het volgende commando:&prompt.root; /usr/local/sbin/racoon -F -f /usr/local/etc/racoon/racoon.conf -l /var/log/racoon.logDe uitvoer moet ongeveer gelijk zijn aan de volgende:corp-net# /usr/local/sbin/racoon -F -f /usr/local/etc/racoon/racoon.conf
Foreground mode.
2006-01-30 01:35:47: INFO: begin Identity Protection mode.
2006-01-30 01:35:48: INFO: received Vendor ID: KAME/racoon
2006-01-30 01:35:55: INFO: received Vendor ID: KAME/racoon
2006-01-30 01:36:04: INFO: ISAKMP-SA established 172.16.5.4[500]-192.168.1.12[500] spi:623b9b3bd2492452:7deab82d54ff704a
2006-01-30 01:36:05: INFO: initiate new phase 2 negotiation: 172.16.5.4[0]192.168.1.12[0]
2006-01-30 01:36:09: INFO: IPsec-SA established: ESP/Tunnel 192.168.1.12[0]->172.16.5.4[0] spi=28496098(0x1b2d0e2)
2006-01-30 01:36:09: INFO: IPsec-SA established: ESP/Tunnel 172.16.5.4[0]->192.168.1.2[0] spi=47784998(0x2d92426)
2006-01-30 01:36:13: INFO: respond new phase 2 negotiation: 172.16.5.4[0]192.168.1.12[0]
2006-01-30 01:36:18: INFO: IPsec-SA established: ESP/Tunnel 192.168.1.12[0]->172.16.5.4[0] spi=124397467(0x76a279b)
2006-01-30 01:36:18: INFO: IPsec-SA established: ESP/Tunnel 172.16.5.4[0]->192.168.1.12[0] spi=175852902(0xa7b4d66)Om er zeker van te zijn dat de tunnel correct werkt, dient
naar een ander console geschakeld te worden en &man.tcpdump.1;
gebruikt te worden om hiermee het netwerkverkeer te bekijken.
Vervang em0 door de netwerkinterfacekaart
indien nodig.&prompt.root; tcpdump -i em0 host 172.16.5.4 and dst 192.168.1.12Gegevens lijkend op de volgende zouden op het console moeten
verschijnen. Indien niet, dan is er iets aan de hand, en is het
nodig om de teruggegeven gegevens te debuggen.01:47:32.021683 IP corporatenetwork.com > 192.168.1.12.privatenetwork.com: ESP(spi=0x02acbf9f,seq=0xa)
01:47:33.022442 IP corporatenetwork.com > 192.168.1.12.privatenetwork.com: ESP(spi=0x02acbf9f,seq=0xb)
01:47:34.024218 IP corporatenetwork.com > 192.168.1.12.privatenetwork.com: ESP(spi=0x02acbf9f,seq=0xc)Op dit punt zouden beide netwerken beschikbaar moeten zijn en
deel lijken van hetzelfde netwerk. Waarschijnlijk zijn beide
netwerken beschermt door een firewall, zoals het hoort. Om
verkeer tussen hen toe te staan, moeten er regels worden
toegevoegd om pakketten heen en terug door te laten. Voeg voor
de firewall &man.ipfw.8; de volgende regels toe aan het
instellingenbestand van de firewall:ipfw add 00201 allow log esp from any to any
ipfw add 00202 allow log ah from any to any
ipfw add 00203 allow log ipencap from any to any
ipfw add 00204 allow log udp from any 500 to anyAfhankelijk van de huidige hostconfiguratie dienen de
regelnummers gewijzigd te worden.Voor gebruikers van &man.pf.4; of &man.ipf.8; zouden de
volgende regels moeten volstaan:pass in quick proto esp form any to any
pass in quick proto ah from any to any
pass in quick proto ipencap from any to any
pass in quick proto udp form any port = 500 to any port = 500
pass in quick on gif0 from any to any
pass out quick proto esp from any to any
pass out quick proto ah from any to any
pass out quick ptoto ipencap from any to any
pass out quick proto udp from any port = 500 to any port = 500
pass out quick on gif0 from any to anyTer afsluiting, voeg de volgende regels toe aan
/etc/rc.conf om de machine toe te staan om
ondersteuning voor het VPN te starten tijdens
de systeeminitialisatie:ipsec_enable="YES"
ipsec_program="/usr/local/sbin/setkey"
ipsec_file="/usr/local/etc/racoon/setkey.conf" # staat toe om spd-beleiden tijdens het opstarten op te zetten
racoon_enable="yes"ChernLeeBijgedragen door OpenSSHOpenSSHbeveiligingOpenSSHOpenSSH is een groep
netwerkverbindingsprogramma's waarmee computers via het netwerk
veilig benaderd kunnen worden. Het kan ingezet worden als een
directe vervanger van rlogin,
rsh, rcp en
telnet. Daarnaast kunnen
TCP/IP-verbindingen veilig
getunneld of geforward worden door SSH.
OpenSSH versleutelt al het verkeer om
afluisteren, het stelen van een verbinding en andere
netwerkaanvallen effectief te voorkomen.OpenSSH wordt onderhouden door het
OpenBSD project en is gebaseerd op SSH v1.2.12 met alle recente
bugfixes en updates. Het is compatibel met beide protocollen SSH
1 en 2.Voordelen van gebruik van OpenSSHAls gewoonlijk &man.telnet.1; of &man.rlogin.1; wordt
gebruikt, wordt de data in platte tekst en niet versleuteld
verzonden. Netwerksnuffelaars die ergens tussen de cliënt
en de server meeluisteren, kunnen een gebruikersnaam en
wachtwoord stelen en zien welke gegevens er worden overgezonden
tijdens een sessie. OpenSSH biedt
een verscheidenheid aan autenticatie en versleutelingsmethoden
die het voorgaande voorkomen.sshd inschakelenOpenSSHinschakelenDe sshd is een optie die wordt
aangeboden tijdens een Standard-installatie
van &os;. sshd is ingeschakeld als
de volgende regel voorkomt in rc.conf:sshd_enable="YES"Hierdoor wordt &man.sshd.8; geladen, het daemonprogramma
voor OpenSSH, als het systeem de
volgende keer opstart. Als alternatief is het mogelijk om het
&man.rc.8;-script /etc/rc.d/sshd te
gebruiken om OpenSSH te starten:/etc/rc.d/sshd startSSH-cliëntOpenSSHcliënt&man.ssh.1; werkt net zoals &man.rlogin.1;.&prompt.root; ssh user@example.com
Host key not found from the list of known hosts.
Are you sure you want to continue connecting (yes/no)? yes
Host 'example.com' added to the list of known hosts.
user@example.com's password: *******Het aanmelden gaat nu net zoals het zou gaan als wanneer
er een sessie gestart zou worden met rlogin
of telnet. SSH maakt gebruik van een
systeem met vingerafdrukken als sleutels voor het vaststellen
met welke server verbinding wordt gemaakt op het moment
dat de cliënt verbinding zoekt. De gebruiker krijgt alleen
de eerste keer dat verbinding wordt gezocht met de server een
vraag waarop yes geantwoord dient te worden.
Bij volgende pogingen om aan te melden wordt de
vingerafdruksleutel vergeleken met de sleutel die is
opgeslagen. De SSH-cliënt alarmeert de gebruiker als de
opgeslagen vingerafdruk sleutel anders is dan de sleutel die
de server meldt. De vingerafdrukken worden opgeslagen in
~/.ssh/known_hosts of in
~/.ssh/known_hosts2 voor SSH v2
vingerafdrukken.Recente OpenSSH servers staan
standaard ingesteld om alleen SSH v2 connecties toe te staan.
De cliënt gebruikt versie 2 als dat mogelijk is en valt
anders terug op versie 1. De cliënt kan ook gedwongen
worden om een van de twee protocollen te gebruiken door de optie
of voor respectievelijk
versie 1 en versie 2 aan te geven. De mogelijkheid versie 1 te
gebruiken blijft in de cliënt bestaan om compatibiliteit
met oudere versies te behouden.Veilig kopiërenOpenSSHveilig kopiërenscpHet commando &man.scp.1; (secure copy) werkt gelijk aan
&man.rcp.1;. Het kopieert een bestand van of naar een andere
machine, maar doet dat veilig.&prompt.root; scp user@example.com:/COPYRIGHT COPYRIGHT
user@example.com's password: *******
COPYRIGHT 100% |*****************************| 4735
00:00
&prompt.root;Omdat de vingerafdruk al is opgeslagen voor deze host in
het vorige voorbeeld, is die al geverifieerd als &man.scp.1;
gebruik wordt.De argumenten die aan &man.scp.1; gegeven worden zijn
vrijwel gelijk aan die voor &man.cp.1; met het bestand of
de bestanden als het eerste argument en de bestemming als het
tweede. Omdat het bestand over het netwerk gaat, door SSH,
hebben een of meer van de bestandsargumenten de vorm
.InstellenOpenSSHinstellenHet instellingenbestand dat voor het hele systeem geldt
voor zowel de OpenSSH daemon als
- cliënt staat in de map /etc/ssh.
+ cliënt staat in de map /etc/ssh.
ssh_config bevat de instellingen voor
de cliënt en sshd_config bevat ze voor
de daemon.Daarnaast bieden het
(standaard /usr/sbin/sshd) en
rc.conf
opties nog meer mogelijkheden voor instellingen.ssh-keygenIn plaats van het gebruik van wachtwoorden kan
&man.ssh-keygen.1; gebruikt worden om DSA en RSA sleutels te
maken om een gebruiker te autenticeren:&prompt.user; ssh-keygen -t dsa
Generating public/private dsa key pair.
Enter file in which to save the key (/home/user/.ssh/id_dsa):
Created directory '/home/user/.ssh'.
Enter passphrase (empty for no passphrase):
Enter same passphrase again:
Your identification has been saved in /home/user/.ssh/id_dsa.
Your public key has been saved in /home/user/.ssh/id_dsa.pub.
The key fingerprint is:
bb:48:db:f2:93:57:80:b6:aa:bc:f5:d5:ba:8f:79:17 user@host.example.com&man.ssh-keygen.1; maakt een publiek en privaat sleutelpaar
aan dat gebruikt kan worden voor autenticatie. De private
sleutel staat opgeslagen in
~/.ssh/id_dsa of
~/.ssh/id_rsa en de publieke sleutel
staat in ~/.ssh/id_dsa.pub of
~/.ssh/id_rsa.pub voor respectievelijk
sleuteltypen DSA en RSA.
De publieke sleutel moet voor beide RSA- of
DSA-sleutels in het bestand
~/.ssh/authorized_keys van de andere
machine staan om dit te laten werken.Nu is het mogelijk een verbinding te maken met een andere
machine die gebaseerd is op SSH sleutels in plaats van op
wachtwoorden.Als er een wachtwoordzin is gebruikt bij &man.ssh-keygen.1;
dan wordt de gebruiker iedere keer dat de private sleutel wordt
gebruikt een wachtwoord gevraagd. &man.ssh-agent.1; kan het
ongemak van steeds opnieuw een lange wachtwoordzin moeten
ingeven verlichten en wordt beschreven in het onderdeel .Afhankelijk van de gebruikte versie van
OpenSSH kunnen opties en bestanden
verschillen. Het is verstandig de handleiding
&man.ssh-keygen.1; te raadplegen.ssh-agent en ssh-addDe hulpprogramma's &man.ssh-agent.1; en &man.ssh-add.1;
bieden de mogelijkheid om SSH
in het geheugen te laden zodat niet iedere keer de
wachtwoordzin ingegeven hoeft te worden.Het hulpprogramma &man.ssh-agent.1; handelt de
autenticatie af voor de geheime sleutels die erin geladen
zijn. &man.ssh-agent.1; wordt gebruikt om andere programma's
te starten. Bij eenvoudig gebruik kan er een shell mee
gestart worden of meer complex een schermbeheerprogramma.Voordat &man.ssh-agent.1; in een shell gebruikt kan worden
dient het eerst gestart te worden met een shell als argument.
Daarna kan de identiteit toegevoegd worden daar &man.ssh-add.1;
aan te roepen en de wachtwoordzin voor de geheime sleutel op te
geven. Als deze stappen zijn voltooid kan een gebruiker met
&man.ssh.1; naar iedere host waar de corresponderende publieke
sleutel is geïnstalleerd:&prompt.user; ssh-agent csh
&prompt.user; ssh-add
Enter passphrase for /home/user/.ssh/id_dsa:
Identity added: /home/user/.ssh/id_dsa (/home/user/.ssh/id_dsa)
&prompt.user;Om &man.ssh-agent.1; te gebruiken in X11 dient er een
verwijzing naar &man.ssh-agent.1; in
~/.xinitrc te staan. Dan zijn de diensten
van &man.ssh-agent.1; beschikbaar voor alle programma's die in
X11 gestart worden. Een ~/.xinitrc zou er
als volgt uit kunnen zien:exec ssh-agent startxfce4Hiermee wordt &man.ssh-agent.1; gestart die op zijn beurt
XFCE start, iedere keer dat X11
start. Als dat is gebeurd en X11 is herstart zodat de
wijzigingen actief zijn, dan kan eenvoudigweg &man.ssh-add.1;
gestart worden om alle beschikbare SSH sleutels te
laden.SSH tunnelsOpenSSHtunnelsOpenSSH kan een tunnel maken
waarin een ander protocol ingepakt kan worden zodat er een
versleutelde sessie ontstaat.Het volgende commando geeft &man.ssh.1; aan dat er een
tunnel voor telnet gemaakt moet
worden:&prompt.user; ssh -2 -N -f -L 5023:localhost:23 user@foo.example.com
&prompt.user;Aan het ssh commando worden de volgende
opties meegegeven:Dit dwingt ssh om versie 2 van het
protocol te gebruiken. Gebruik van deze optie wordt
afgeraden als er verbinding wordt gemaakt met oudere SSH
servers.Dit geeft aan dat er geen commando volgt, maar dat er
een tunnel opgezet moet worden. Als deze optie niet
aanwezig was, zou ssh een normale
sessie starten.Dit dwingt ssh om in de
achtergrond te draaien.Dit geeft aan dat de lokaal een tunnel wordt gemaakt
in de vorm
lokale_poort:netwerk_host:netwerk_poort.Wijst naar een gebruiker op de SSH server op het
netwerk.Een SSH tunnel werkt doordat een luistersocket wordt
gemaakt op localhost op de aangegeven poort.
Die stuurt dan iedere ontvangen verbinding op de lokale
host/poort via de SSH verbinding door naar de aangegeven host
en poort op het netwerk.In het voorbeeld wordt poort
5023 op localhost
doorgestuurd naar poort 23 op
localhost van de machine op het netwerk.
Omdat 23telnet is, zou dit een veilige
telnet verbinding opleveren door
een SSH tunnel.Dit kan gebruikt worden om ieder willekeurig onveilig
TCP protocol in te pakken als SMTP,
POP3, FTP, etc.SSH gebruiken om een veilige tunnel te maken voor
SMTP&prompt.user; ssh -2 -N -f -L 5025:localhost:25 user@mailserver.example.com
user@mailserver.example.com's password: *****
&prompt.user; telnet localhost 5025
Trying 127.0.0.1...
Connected to localhost.
Escape character is '^]'.
220 mailserver.example.com ESMTPDit kan samen met een &man.ssh-keygen.1; en extra
gebruikersaccounts gebruikt worden om een min of meer
naadloze en eenvoudige SSH tunnelomgeving te maken. In
plaats van wachtwoorden kunnen sleutels gebruikt worden en de
tunnels kunnen in de omgeving van een aparte gebruiker
draaien.Praktische voorbeelden van een SSH tunnelVeilige toegang tot een POP3 serverOp het werk staat een SSH server die verbindingen van
buitenaf toestaat. Op hetzelfde netwerk op kantoor staat
een mailserver waarop POP3 draait. Het netwerk of het
netwerkpad tussen de locatie op Internet en kantoor is
wellicht niet helemaal te vertrouwen. Om deze reden dient
de mailserver op een veilige manier benaderd te worden. De
oplossing is een SSH verbinding opzetten naar de SSH server
op kantoor en dan door de tunnel heen een verbinding
opzetten met de mailserver.&prompt.user; ssh -2 -N -f -L 2110:mail.example.com:110 user@ssh-server.example.com
user@ssh-server.example.com's password: ******Als de tunnel eenmaal draait, dan kan de mailcliënt
naar localhost poort 2110 gewezen worden.
Alle verbinding naar die poort worden veilig doorgestuurd
door de tunnel naar
mail.example.com.Een draconische firewall omzeilenSommige netwerkbeheerders stellen draconische
firewallregels op en filteren niet alleen inkomende
verbindingen, maar ook uitgaande. Meestal mag dan alleen
maar verbinding gemaakt worden met andere machines op
poorten 22 en 80 voor SSH en websurfen.Soms wil een gebruiker dan toch toegang krijgen tot
andere (wellicht niet netwerkgerelateerde) diensten, zoals
een Ogg Vorbis server om muziek te streamen. Als die Ogg
Vorbis server streamt op een andere poort dan 22 of 80, dan
kan deze niet bereikt worden.De oplossing ligt in het opzetten van een SSH
verbinding naar een machine buiten de firewall en die
tunnel te gebruiken om bij de Ogg Vorbis server te
komen.&prompt.user; ssh -2 -N -f -L 8888:music.example.com:8000 user@unfirewalled-system.example.org
user@unfirewalled-system.example.org's password: *******De streamingcliënt kan nu gewezen worden naar
localhost poort 8888 vanwaar er wordt
doorverwezen naar music.example.com poort
8000 en zo wordt de firewall succesvol ontwerken.De gebruikersoptie AllowUsersVaak is het verstandig om beperkingen aan te brengen op het
gebied van welke gebruikers kunnen aanmelden en van waar. De
optie AllowUsers biedt deze mogelijkheid.
Om bijvoorbeeld alleen root toe te staan
zich aan te melden van 192.168.1.32, kan iets als de volgende
regel worden opgenomen in het bestand
/etc/ssh/sshd_config:AllowUsers root@192.168.1.32Om de gebruiker admin het recht te
geven zich van overal aan te melden hoeft alleen de
gebruikersnaam vermeld te worden:AllowUsers adminMeerdere gebruikers met rechten of beperkingen horen op
dezelfde regel te staan:AllowUsers root@192.168.1.32 adminHet is van belang dat iedere gebruiker die zich moet
kunnen aanmelden wordt genoemd. De overige gebruikers
worden buitengesloten.Nadat er wijzigingen zijn gemaakt aan
/etc/ssh/sshd_config dienen de bestanden
in &man.sshd.8; geladen te worden:&prompt.root; /etc/rc.d/sshd reloadMeer informatieOpenSSH&man.ssh.1; &man.scp.1; &man.ssh-keygen.1;
&man.ssh-agent.1; &man.ssh-add.1; &man.ssh.config.5;&man.sshd.8; &man.sftp-server.8; &man.sshd.config.5;TomRhodesBijgedragen door ACLBestandssysteem toegangscontrolelijstenIn combinatie met verbeteringen als snapshots, bieden
&os; 5.0 en volgende versies de veiligheid van
Toegangscontrolelijsten voor Bestandssystemen (Access Control
Lists, ACLs).Met toegangscontrolelijsten wordt het standaard &unix;
rechtenmodel uitgebreid op een zeer verenigbare (&posix;.1e)
manier. Deze methodes stellen een beheerder in staat om gebruik
te maken en voordeel te halen uit een geraffineerder
beveiligingsmodel.Om ondersteuning voor ACLs voor
bestandssystemen in te schakelen dient het volgende in de kernel
gecompileerd te worden:options UFS_ACLAls deze optie niet aanwezig is, dan wordt er een
waarschuwing weergegeven als er wordt geprobeerd een
bestandssysteem aan te koppelen dat gebruik maakt van
ACLs. Deze optie is al geactiveerd in de
GENERIC kernel. ACLs
zijn afhankelijk van uitgebreide attributen die zijn ingeschakeld
op het bestandssysteem. Uitgebreide attributen worden standaard
ondersteund in het volgende generatie &unix; bestandssysteem
UFS2.Er is meer administratieve rompslomp nodig om uitgebreide
attributen in te stellen op UFS1 dan op
UFS2. De prestaties van uitgebreide
attributen zijn op UFS2 ook veel beter.
Daarom wordt UFS2 ook meestal aangeraden
boven UFS1 bij het gebruik van
toegangscontrolelijsten.ACLs worden ingeschakeld door de
beheersvlag op het moment van aankoppelen.
Dit kan ook in /etc/fstab staan. De vlag op
het moment van aankoppelen kan ook automatisch gezet worden op een
persistente wijze met &man.tunefs.8; door een superblok in de
bestandssysteemkop te wijzigen. In het algemeen wordt de
voorkeur gegeven aan de vlag in het superblok om een aantal
redenen:De ACLs vlag op het moment van
aankoppelen kan niet gewijzigd worden bij opnieuw aankoppelen
(&man.mount.8; ), maar alleen door een
volledige &man.umount.8; en een verse &man.mount.8;. Dit
betekent dat ACLs niet ingeschakeld kunnen
worden op root-bestandssysteem na het opstarten. Het betekent
ook dat de aard van een bestandssysteem niet veranderd kan
worden als het eenmaal in gebruik is.Het inschakelen van de superblokvlag zorgt ervoor dat
het bestandssysteem altijd wordt aangekoppeld met de
ACLs ingeschakeld, zelfs als het niet in
fstab staat of als de apparaten van
plaats veranderen. Hiermee wordt voorkomen dat het
bestandssysteem wordt gebruikt zonder dat
ACLs ingeschakeld zijn, wat ervoor zou
kunnen zorgen dat ACLs onjuist worden
toegepast wat weer kan zorgen voor
beveiligingsproblemen.Wellicht wordt het mogelijk om de
ACLs via de vlag in te schakelen zonder een
compleet verse &man.mount.8;, maar de ontwikkelaars vinden het
wenselijk om het per ongeluk zonder ACLs
aankoppelen te ontmoedigen, omdat er bijzonder vervelende
gevolgen kunnen zijn als ACLs worden
ingeschakeld,
daarna worden uitgezet en weer worden ingeschakeld zonder dat
de uitgebreide attributen worden geschoond. In het algemeen
geldt dat als ACLs eenmaal zijn ingeschakeld
voor een bestandssysteem, ze niet meer uitgeschakeld moeten
worden, omdat de resulterende bestandsbescherming wellicht niet
compatibel is met dat wat gebruikers van het systeem nodig
hebben en het opnieuw aanzetten van ACLs kan
leiden tot het opnieuw koppelen van voorheen bestaande
ACLs aan bestanden waarvoor de
toegangsrechten sindsdien zijn aangepast, wat kan leiden tot
onverwachte situaties.Bestandssystemen waarvoor ACLs zijn
ingeschakeld worden weergegeven met een +
(plus) teken als de toegangsrechten worden bekeken:drwx------ 2 robert robert 512 Dec 27 11:54 private
drwxrwx---+ 2 robert robert 512 Dec 23 10:57 directory1
drwxrwx---+ 2 robert robert 512 Dec 22 10:20 directory2
drwxrwx---+ 2 robert robert 512 Dec 27 11:57 directory3
drwxr-xr-x 2 robert robert 512 Nov 10 11:54 public_htmlHierboven is te zien dat mappen
- directory1, directory2
- en directory3 allemaal gebruik maken van
- ACLs. De map public_html
- doet dat niet.
+ directory1,
+ directory2 en
+ directory3 allemaal gebruik maken
+ van ACLs. De map public_html doet dat niet.
Gebruik maken van ACLsDe ACLs van het bestandssysteem kunnen
bekeken worden met het hulpprogramma &man.getfacl.1;. Om de
ACL op het bestand test
te bekijken zou het volgende commando nodig zijn:&prompt.user; getfacl test
#file:test
#owner:1001
#group:1001
user::rw-
group::r--
other::r--Om de ACL op dit bestand te wijzigen
wordt het hulpprogramma &man.setfacl.1; als volgt
gebruikt:&prompt.user; setfacl -k testDe vlag verwijdert alle bestaande
ACLs van een bestand of bestandssysteem. De
methode die de voorkeur geniet is gebruiken
omdat die optie de basisvelden die nodig zijn voor het laten
werken van de ACLs laat staan.&prompt.user; setfacl -m u:trhodes:rwx,group:web:r--,o::--- testBij het commando hierboven, werd de optie
gebruikt om de standaard
ACL aan te passen. Omdat er geen
voorgedefinieerde instellingen waren, die waren verwijderd door
het commando daarvoor, werden nu de standaardinstellingen
hersteld en de rechten die werden aangegeven toegevoegd. Let
op dat bij het toevoegen van een gebruiker of een groep die
niet bekend is op het systeem een foutmelding
Invalid argument wordt geschreven naar
stdout.TomRhodesGeschreven door PortauditMonitoren van beveiligingsproblemen met andere
softwareIn de afgelopen jaren zijn er in de beveiligingswereld veel
vorderingen gemaakt op het gebied van inzicht in kwetsbaarheden.
Als er software naast het besturingssysteem wordt
geïnstalleerd en ingesteld neemt op vrijwel ieder
besturingssysteem het risico op inbraak toe.Inzicht in kwetsbaarheid is een vitale factor in beveiliging
en hoewel &os; waarschuwingen publiceert voor het basissysteem,
gaat het publiceren van waarschuwingen voor alle overige software
de scope van het &os; Project te buiten. Er is een manier om
inzicht te krijgen in de kwetsbaarheden voor additionele software
en als beheerder gewaarschuwd te worden. Voor dit doel bestaat
het &os; hulpprogramma
Portaudit.De port ports-mgmt/portaudit zoekt naar
bekende beveiligingsproblemen in een database die wordt bijgewerkt
en onderhouden door het &os; Security Team en
portontwikkelaars.Voordat Portaudit gebruikt kan
worden dient het geïnstalleerd te worden uit de
Portscollectie:&prompt.root; cd /usr/ports/ports-mgmt/portaudit && make install cleanTijdens het installatieproces worden de instellingenbestanden
voor &man.periodic.8; bijgewerkt, waardoor
Portaudit uitvoer in de dagelijkse
security runs meekomt. Het is van belang dat de emails die
aan de emailaccount van root worden
gezonden en uit de dagelijkse beveiligingsronde komen ook echt
worden gelezen. Er zijn geen verdere instellingen nodig.Na de installatie kan de beheerder de database bijwerken en
bekende kwetsbaarheden in geïnstalleerde pakketten bekijken
met het volgende commando:&prompt.root; portaudit -FdaDe database wordt automatisch bijgewerkt tijdens de
&man.periodic.8; run; dus het voorgaande commando is volledig
optioneel. Het is alleen nodig om de volgende voorbeelden na
te kunnen doen.De software de uit de Portscollectie is geïnstalleerd
kan op elk moment door een beheerder ge-audit worden met:&prompt.root; portaudit -aPortaudit zal iets als het volgende
produceren voor kwetsbare pakketten:Affected package: cups-base-1.1.22.0_1
Type of problem: cups-base -- HPGL buffer overflow vulnerability.
Reference: <http://www.FreeBSD.org/ports/portaudit/40a3bca2-6809-11d9-a9e7-0001020eed82.html>
1 problem(s) in your installed packages found.
You are advised to update or deinstall the affected package(s) immediately.Door met een webbrowser naar de aangegeven
URL te gaan kan een beheerder meer informatie
over de bewust kwetsbaarheid krijgen, waaronder de versies die
het betreft, volgens de &os; Port versie en andere websites
waarop beveiligingswaarschuwingen te lezen zijn.In het kort is Portaudit een
krachtig hulpprogramma dat bijzonder handig is als het wordt
gekoppeld aan het gebruik van de port
Portupgrade.TomRhodesBijgedragen door &os; Beveiligingswaarschuwingen&os; beveiligingswaarschuwingenNet als veel andere kwalitatief goede
productiebesturingssystemen publiceert &os;
Beveiligingswaarschuwingen. Deze waarschuwingen
worden meestal pas naar de beveiligingslijst gemaild en
gedocumenteerd in de Errata als de van toepassing zijnde
uitgaven gepatcht zijn. In deze paragraaf wordt toegelicht wat
een waarschuwing is, hoe die te begrijpen en welke maatregelen
er genomen moeten worden om een systeem bij te werken.Hoe ziet een waarschuwing eruit?De &os; beveiligingswaarschuwingen zien er ongeveer uit als
die hieronder die van de &a.security-notifications.name;
mailinglijst komt.=============================================================================
&os;-SA-XX:XX.UTIL Security Advisory
The &os; Project
Topic: denial of service due to some problem
Category: core
Module: sys
Announced: 2003-09-23
Credits: Person@EMAIL-ADDRESS
Affects: All releases of &os;
&os; 4-STABLE prior to the correction date
Corrected: 2003-09-23 16:42:59 UTC (RELENG_4, 4.9-PRERELEASE)
2003-09-23 20:08:42 UTC (RELENG_5_1, 5.1-RELEASE-p6)
2003-09-23 20:07:06 UTC (RELENG_5_0, 5.0-RELEASE-p15)
2003-09-23 16:44:58 UTC (RELENG_4_8, 4.8-RELEASE-p8)
2003-09-23 16:47:34 UTC (RELENG_4_7, 4.7-RELEASE-p18)
2003-09-23 16:49:46 UTC (RELENG_4_6, 4.6-RELEASE-p21)
2003-09-23 16:51:24 UTC (RELENG_4_5, 4.5-RELEASE-p33)
2003-09-23 16:52:45 UTC (RELENG_4_4, 4.4-RELEASE-p43)
2003-09-23 16:54:39 UTC (RELENG_4_3, 4.3-RELEASE-p39)
CVE Name: CVE-XXXX-XXXX
For general information regarding FreeBSD Security Advisories,
including descriptions of the fields above, security branches, and the
following sections, please visit
http://www.FreeBSD.org/security/.
I. Background
II. Problem Description
III. Impact
IV. Workaround
V. Solution
VI. Correction details
VII. ReferencesHet veld Topic geeft aan wat precies
het probleem is. Het is eigenlijk een inleiding op de
beveiligingswaarschuwing en geeft aan welke programma
kwetsbaar is.Het veld Category geeft aan welk
onderdeel van het systeem kwetsbaar is. Dat kan een van de
onderdelen core,
contrib of ports
zijn. De categorie core betekent dat
de een kerncomponent van het &os; besturingssysteem
kwetsbaar is. De categorie contrib
betekent dat software die toegevoegd is aan het &os;
Project kwetsbaar is, zoals
sendmail. Tenslotte geeft de
categorie ports aan dat een optionele
component uit de Portscollectie kwetsbaar is.Het veld Module geeft aan waar de
component zich bevindt, bijvoorbeeld
sys. In dit voorbeeld wordt het
duidelijk dat de module sys kwetsbaar
is. Hier gaat het dus om een kwetsbaar component die
gebruikt wordt in de kernel.Het veld Announced geeft aan wanneer
de beveiligingswaarschuwing gepubliceerd of aangekondigd
is. Dit betekent dat het beveiligingsteam heeft bevestigd
dat het probleem bestaat en dat er een patch is gecommit in
het depot met de broncode van &os;.In het veld Credits wordt iemand of
een organisatie bedankt die de kwetsbaarheid heeft ontdekt
en gerapporteerd.Het veld Affects geeft aan welke
uitgaven van &os; door deze kwetsbaarheid worden getroffen.
Voor de kernel kan snel gekeken worden naar de uitvoer van
ident voor de betreffende bestanden om
- te bepalen welke revisie ze hebben. Voor ports is het
- versienummer te zien in /var/db/pkg.
+ te bepalen welke revisie ze hebben. Voor ports is het versienummer
+ te zien in /var/db/pkg.
Als het systeem niet gelijk op loopt met het &os;
CVS depot en dagelijks herbouwd wordt,
dan is de kans groot dat het systeem kwetsbaar is.Het veld Corrected geeft de datum,
tijd en tijdzone aan en de uitgave die is aangepast.Gereserveerd voor de identificatie-informatie die
gebruikt wordt om kwetsbaarheden in het Common
Vulnerabilities Database System op te zoeken.Het veld Background geeft meer
informatie over wat er precies aan de hand is. Meestal
staat hier waarom het programma aanwezig is in &os;, waar
het voor gebruikt wordt en hoe het programma is
ontstaan.Het veld Problem Description geeft
gedetailleerde toelichting op het beveiligingsprobleem.
Hier kan informatie bij staat over programmacode die
fouten bevat of zelfs hoe het programma gebruikt kan worden
om een beveiligingsgat te openen.Het veld Impact beschrijft welke
invloed het probleem kan hebben op het systeem. Dit kan
bijvoorbeeld een ontzegging van dienst aanval zijn,
gebruikers extra rechten geven of het verkrijgen van
supergebruiker toegang voor de aanvaller zijn.Het veld Workaround geeft aan hoe
het mogelijk is het probleem te omzeilen (workaround) in
het geval systeembeheerders niet in staat zijn om het
systeem bij te werken. Dit zou te maken kunnen hebben
met de tijd, beschikbaarheid van het netwerk en een hele
lijst met andere redenen. Hoe dan ook, beveiliging
dient serieus genomen te worden en een systeem dat
kwetsbaar is moet bijgewerkt worden of het gat in de
beveiliging moet gedicht worden met de alternatieve
oplossing.Het veld Solution geeft instructies
over hoe een systeem aangepast kan worden. Dit is een
werkinstructie die getest en gecontroleerd is om een
systeem aan te passen en weer veilig werkend te
krijgen.In het veld Correction Details staan
de CVS takken of uitgavenamen, met de
punten veranderd in een liggend streepje. Er staat ook
welke revisienummer de aangetaste bestanden binnen een tak
hebben.In het veld References wordt
gewoonlijk verwezen naar andere bronnen. Dit kunnen
web-URLs, boeken, mailinglijsten en
nieuwsgroepen zijn.TomRhodesGeschreven door ProcesaccountingProcesaccountingProcesaccounting is een beveiligingsmethode die een beheerder
in staat stelt om in de gaten te houden welke systeembronnen
worden gebruikt, hoe ze over gebruikers verdeeld zijn,
systeemmonitoring biedt en op minimalistische wijze het gebruik
van commando's door gebruikers volgt.Deze methode heeft voordelen en nadelen. Eén van de
positieve punten is dat een inbraak gevolgd kan worden tot het
moment waarop die zich voordeed. Nadelen zijn de grootte van de
logboeken die door procesaccounting worden gegenereerd en de
schijfruimte die dat kost. In dit onderdeel wordt een beheerder
de basis van procesaccounting getoond.Procesaccounting inschakelen en gebruikenVoordat procesaccounting gebruikt kan worden dient het te
worden ingeschakeld met de volgende commando's:&prompt.root; touch /var/account/acct
&prompt.root; accton /var/account/acct
&prompt.root; echo 'accounting_enable="YES"' >> /etc/rc.confEenmaal ingeschakeld begint accounting met het bijhouden
van CPU statistieken, commando's, enzovoort.
Alle accounting logboeken worden in een niet leesbaar formaat
bijgehouden en zijn uit te lezen met &man.sa.8;. Bij het
uitvoeren zonder opties, toont sa informatie
gerelateerd aan het aantal aanroepen per gebruiker, de totale
tijd in minuten die is verstreken, de totale
CPU- en gebruikerstijd in minuten, gemiddeld
aantal I/O operaties, enzovoort.Informatie over uitgevoerde commando's kan bekeken worden
met &man.lastcomm.1;. Zo kan met lastcomm
bijvoorbeeld weergegeven worden welke commando's door
gebruikers op een specifieke &man.ttys.5; zijn
uitgevoerd:&prompt.root; lastcomm ls trhodes ttyp1Het bovenstaande commando toont ieder bekend gebruikt van
ls door de gebruiker
trhodes op terminal ttyp1.Veel andere handige opties staan beschreven in
&man.lastcomm.1;, &man.acct.5; en &man.sa.8;.