diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml index 084bf62c25..11e56422f3 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml @@ -1,2826 +1,2826 @@ Chris Shumway Herschreven door Remko Lodder Vertaald door &unix; Beginselen Overzicht Het volgende hoofdstuk behandelt de basiscommando's en functionaliteit van het &os; besturingssysteem. Veel van dit materiaal is relevant voor elk &unix; achtig besturingssysteem. Als de lezer reeds bekend is met het materiaal, hoeft dit hoofdstuk niet gelezen te worden. Lezer die nog niet eerder met &os; te maken hebben gehad wordt aangeraden door te lezen. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe virtuele consoles in &os; gebruikt kunnen worden; Hoe &unix; bestandspermissies werken; Hoe het standaard &os; bestandssysteem eruit ziet; Hoe een &os; harddisk is ingedeeld; Hoe bestandssystemen gemount en ge-unmount worden; Wat processen, daemons en signalen zijn; Wat een shell is en hoe de standaard omgevingsvariabelen veranderd kunnen worden; Hoe elementaire tekstverwerkers te gebruiken; Wat devices en device-koppelpunten zijn; Welk binair formaat &os; gebruikt; Hoe handleidingen te gebruiken meer informatie. Virtuele Consoles en Terminals Virtuele consoles terminals &os; kan op diverse manieren gebruikt worden. Één van deze manieren is het typen van commando's in een tekstterminal. Veel van de flexibiliteit en kracht van een &unix; besturingssysteem is gemakkelijk beschikbaar als je &os; op deze manier gebruikt. Dit onderdeel beschrijft wat terminals en consoles zijn en hoe je deze kan gebruiken in &os;. De Console console Als &os; niet is ingesteld om automatisch een grafische omgeving te starten tijdens het opstarten, geeft het systeem een login prompt als het gestart is. Dit gebeurt direct nadat de startscripts klaar zijn. Er wordt iets als het volgende getoond: Additional ABI support:. Local package initialization:. Additional TCP options:. Fri Sep 20 13:01:06 EEST 2002 &os;/i386 (pc3.example.org) (ttyv0) login: De meldingen op het scherm kunnen wellicht iets anders zijn op een systeem, maar het zal iets soortgelijks zijn. De laatste twee regels zijn de regels waar het nu over gaat. De voorlaatste regel toont: &os;/i386 (pc3.example.org) (ttyv0) Deze regel bevat enkele informatie over het systeem dat net gestart is: dit is een &os; console, draaiend op een Intel of soortgelijke processor op de x86 architectuur. Dit betekent i386. Let op: ook al draait &os; niet op een Intel 386 processor, toch is dit een i386. Het is niet het type processor, maar de processor architectuur. De naam van de machine (elke &unix; machine heeft een naam) is pc3.example.org en dit is de console van het systeem, de ttyv0 terminal. De laatste regel is altijd: login: Dit is het deel waar een gebruikersnaam ingevuld moet worden om aan te melden op &os;. Het volgende deel beschrijft hoe dat werkt. Aanmelden op &os; &os; is een multi-user en multi-processing systeem. Dit is de formele beschrijving die meestal gegeven wordt aan een systeem dat gebruikt wordt door meerdere personen die gelijktijdig verschillende programma's draaien op één enkele machine. Elk multi-user systeem heeft een manier nodig om een gebruiker van alle andere gebruikers te kunnen onderscheiden. In &os; (en alle andere &unix; achtige besturingssystemen), wordt dit bereikt door te eisen dat elke gebruiker moet aanmelden op het systeem voordat hij/zij programma's kan draaien. Elke gebruiker heeft een unieke naam (de gebruikersnaam) en een persoonlijke, geheime sleutel (het wachtwoord). &os; vraagt om deze twee gegevens voordat het een gebruiker toegestaat om programma's te draaien. startup scripts Direct nadat &os; is opgestart en de opstartscripts Opstart scripts zijn programma's die automatisch gestart worden tijdens het opstarten. Het hoofddoel van deze programma's is om dingen goed te zetten zodat alle andere programma's ook kunnen draaien, en om services te starten die je geconfigureerd hebt om bruikbare zaken in de achtergrond te doen. afgerond zijn, wordt een prompt getoond dat vraagt om een geldige aanmeldnaam op te geven. login: In dit voorbeeld wordt aangenomen de gebruikersnaam john is. Als na deze prompt john wordt getype en op Enter wordt gedrukt, verschijnt hierna een prompt om het wachtwoord in te voeren: login: john Password: Nu kan john's wachtwoord ingevoerd worden en op Enter gedrukt worden. Het wachtwoord wordt niet getoond! Daarover hoeft geen zorg te bestaan. Het is voldoende om te zeggen dat dit om veiligheidsredenen gedaan wordt. Als het juiste wachtwoord is ingegeven, is er aangemeld bij op &os; en in het systeem klaar om alle beschikbare commando's uit te voeren. Na het aanmelden is de MOTD of het bericht van de dag zichtbaar, gevolgd door een commandoprompt (een #, $ of een % karakter). Dit geeft aan dat er succesvol is aangemeld op &os;. Meerdere Consoles &unix; programma's draaien in één console is prima, maar &os; kan veel programma's tegelijk draaien. Om maar één console te hebben waar commando's ingetypt kunnen worden zou zonde zijn van een besturingssysteem als &os; waar meerdere programma's tegelijkertijd op kunnen draaien. Hier kunnen virtuele consoles van pas komen. &os; kan ingesteld worden om verschillende virtuele consoles te tonen. Met toetscombinaties kan van de ene console naar de gewisseld worden. Elke console heeft zijn eigen uitvoerkanaal, en &os; zorgt ervoor dat alle toetsenbordinvoer en monitoruitvoer goed wordt gezet als er van de ene console naar de volgende wordt gewisseld. In &os; kunnen speciale toetscombinaties gebruikt worden om te wisselen naar een ander virtueel console. Een redelijk technische en accurate beschrijving van alle details over de &os; console en toetsenborddrivers staan in de hulppagina's van &man.syscons.4;, &man.atkbd.4;, &man.vidcontrol.1; en &man.kbdcontrol.1;. Hier wordt niet verder op ingegaan, maar de geïnteresseerde lezer kan altijd de hulppagina's raadplegen voor meer details en een grondige uitleg over hoe alles werkt. In &os; kan AltF1, AltF2 tot en met AltF8 gebruikt worden om te wisselen naar een ander virtueel console. Als wordt gewisseld van de ene naar de andere console zorgt &os; dat de uitvoer bewaard blijft. Het resultaat is een illusie van het hebben van meerdere schermen en toetsenboarden die gebruikt kunnen worden om commando's in te voeren om &os; te laten draaien. De programma's die in de ene virtuele console draaien, stoppen niet als de console niet zichtbaar is. Ze blijven doordraaien als naar een andere virtuele console wordt gewisseld. Het Bestand <filename>/etc/ttys</filename> De standaardinstelling van &os; start op met acht virtuele consoles. Dit is echter geen vaste waarde en een installatie kan eenvoudig aangepast worden, zodat het systeem gestart wordt met meer of minder virtuele consoles. De hoeveelheid en instellingen van de virtuele consoles worden ingesteld in /etc/ttys. /etc/ttys kan gebruikt worden om virtuele consoles in te stellen. Elke niet-commentaar regel in dit bestand (regels die niet beginnen met een # karakter) bevat instellingen voor een terminal of virtuele console. De standaardversie van dit bestand die meegeleverd wordt met &os; stelt negen virtuele consoles in en activeert er acht. Dit zijn de regels die beginnen met ttyv: # naam getty type status commentaar # ttyv0 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure # Virtual terminals ttyv1 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv2 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv3 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv4 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv5 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv6 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv7 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv8 "/usr/X11R6/bin/xdm -nodaemon" xterm off secure Een uitgebreide beschrijving van elke kolom in dit bestand en alle mogelijke opties voor virtuele consoles staan in de &man.ttys.5; hulppagina gebruiken. Single-user Console In staat een gedetailleerde beschrijving van de single-user modus. Het is belanrijk te melden dat er in single-user modus maar één console is. Er zijn geen virtuele consoles beschikbaar. De instellingen van de single-user modus console staan ook in /etc/ttys . De regel begint met console: # name getty type status commentaar # # Als een console gemarkeerd is als "insecure", zal het init script om het root-wachtwoord # vragen wanneer het in single-user mode komt. console none unknown off secure Zoals het commentaar boven de console regel aangeeft, kan in deze regel het woord secure gewijzigd worden in insecure. In dat geval vraagt &os; bij het opstarten in single-user modus nog steeds om een root-wachtwoord. Pas op als dit wordt veranderd in insecure. Als het wachtwoord van de gebruiker root zoek is, wordt het opstarten in single-user modus lastig. Het is nog steeds mogelijk, maar het kan vrij moeilijk zijn voor iemand die &os; niet zo goed kent met betrekking tot het opstarten en de programma's die daarbij gebruikt worden. Rechten UNIX &os;, direct afgeleid van BSD &unix;, is gebaseerd op verschillende belangrijke &unix; concepten. Het meest bekende is dat &os; een multi-user systeem is. Het systeem kan meerdere gebruikers behandelen die tegelijkertijd totaal verschillende dingen doen. Het systeem is verantwoordelijk voor het netjes delen en beheren voor aanvragen voor hardware, randapparatuur, geheugen en cpu tijd tussen elke gebruiker. Omdat het systeem in staat is om meerdere gebruikers te ondersteunen, heeft alles wat door het systeem beheerd wordt een set van rechten die aangeeft wie mag lezen, schrijven en de bron mag uitvoeren. Deze rechten zijn opgeslagen in drie octetten, die weer in drie stukjes onderverdeeld zijn: één voor de eigenaar van het bestand, één voor de groep waar het bestand toe behoort en één voor de overigen. De numerieke weergave werkt als volgt: Rechten Bestandsrechten Waarde Recht Maprecht 0 Niet lezen, niet schrijven, niet uitvoeren --- 1 Niet lezen, niet schrijven, uitvoeren --x 2 Niet lezen, schrijven, niet uitvoeren -w- 3 Niet lezen, schrijven, uitvoeren -wx 4 Lezen, niet schrijven, niet uitvoeren r-- 5 Lezen, niet schrijven, uitvoeren r-x 6 Lezen, schrijven, niet uitvoeren rw- 7 Lezen, schrijven, uitvoeren rwx ls mappen De optie kan gebruikt worden met &man.ls.1; om een lange lijst met de inhoud van een map te zien die een kolom heeft met informatie over bestandsrechten voor de eigenaar, groep en de rest. ls -l in een willekeurige map kan het volgende laten zien: &prompt.user; ls -l total 530 -rw-r--r-- 1 root wheel 512 Sep 5 12:31 myfile -rw-r--r-- 1 root wheel 512 Sep 5 12:31 otherfile -rw-r--r-- 1 root wheel 7680 Sep 5 12:31 email.txt ... Zo ziet de eerste kolom van ls -l eruit: -rw-r--r-- Het eerste (meest linkse) karakter geeft aan of dit een reguliere bestand is, een map, een speciaal karakter component(!), een socket of een andere pseudo-file component(!). In dit geval betekent de - dat het een regulier bestand is. De volgende drie karakters, rw- in dit voorbeeld, geven de rechten voor de eigenaar van het bestand. De drie karakters r--erna geven de rechten van voor de groep van het bestand. De overige drie karakters r-- tonen de rechten voor de rest. Een streepje betekent dat de rechten uitgeschakeld zijn. In het geval van dit bestand zijn de rechten zo ingesteld dat de eigenaar kan lezen en schrijven naar het bestand, de groep het bestand kan lezen, en de rest kan het bestand alleen lezen. Volgens de tabel hierboven worden de rechten 644, waar de cijfers de drie stukjes van de rechten aangeven. Dit is allemaal leuk en aardig, maar hoe controleert het systeem dan rechten voor apparaten? &os; behandelt de meeste hardware apparaten als bestanden die door programma's kunnen worden geopend en gelezen, en waar data naar toe kan worden geschreven, net zoals elk ander bestand. Deze speciale apparaat bestanden worden bewaard in de map /dev. Mappen worden ook behandeld als bestanden. Ze hebben lees, schrijf en uitvoerbare rechten. De uitvoerbare vlag voor een map heeft een klein verschil qua betekenis dan die voor gewone bestanden. Als een map als uitvoerbaar gemarkeerd is, betekent het dat erin gekeken mag worden. Het is dus mogelijk om te wisselen naar de map met cd (wissel directory). Dit betekent ook dat in de map bestanden benaderen benaderd kunnen worden waarvan de naam bekend is. Dit is natuurlijk afhankelijk van de rechten op het bestand zelf. In het bijzonder, om een lijst van de map te kunnen maken, moet een gebruiker leesrechten op de map hebben. Om een bestand te verwijderen zijn de naam van het bestanden en schrijf en uitvoerrechten op de map nodig waarin het bestand zich bevindt. Er zijn meer rechtenvlaggen, maar die worden in gebruikt in speciale gevallen, zoals setuid binaries en sticky mappen. Meer informatie over bestandsrechten en die die aangepast kunnen worden staat in &man.chmod.1;. Tom Rhodes Bijgedragen door Symbolische Rechten rechten symbolisch Symbolische rechten, soms ook wel symbolische expressies, gebruiken karakters in plaats van octale getallen om rechten aan bestanden en en mappen te geven. Symbolische expressies gebruiken de volgende opbouw (wie) (actie) (permissies), waar de volgende waardes beschikbaar zijn: Optie Letter Vertegenwoordigt (wie) u Gebruiker (wie) g Groepseigenaar (wie) o Overigen (wie) a Iedereen (wereld) (actie) + Rechten toevoegen (actie) - Rechten verwijderen (actie) = Stel deze rechten in (recht) r Lezen (recht) w Schrijven (recht) x Uitvoeren (recht) t Sticky bit (recht) s Verander UID of GID Deze waardes worden gebruikt met &man.chmod.1;, net zoals eerder, alleen nu met letters. Het volgende commando kan gebruikt worden om de overige gebruikers toegang tot BESTAND te ontzeggen: &prompt.user; chmod go= BESTAND Er kan een door komma's gescheiden lijst geleverd worden als meer dan één wijziging aan een bestand moet worden uitgevoerd. Het volgende commando past de rechten voor de groep en de wereld aan door de schrijfrechten te ontnemen om daarna iedereen uitvoerrechten te geven: &prompt.user; chmod go-w,a+x BESTAND Mappenstructuur mappenstructuur De &os; mappenstructuur is erg belangrijk om het systeem goed te leren kennen. Het belangrijkste concept om greep op te krijgen is die van de rootmap, /. Deze map is de eerste die gemount wordt tijdens het opstarten en bevat het basissysteem dat nodig is om het besturingssysteem gereed te maken voor multi-user taken. De rootmap bevat ook koppelpunten voor elk ander bestandssysteem dat misschien gekoppeld wordt. Een koppelpunt is een map waar extra bestandssystemen aan gekoppeld kunnen worden. Standaard koppelpunten bevatten /usr, /var, /tmp, /mnt en /cdrom. Naar deze mappen wordt meestal verwezen in /etc/fstab, een tabel met bestandssystemen en mountpunten ter referentie voor het systeem. De meeste bestandssystemen in /etc/fstab worden automatisch gekoppeld tijdens het opstarten door het script &man.rc.8;, behalve als ze de optie hebben. Details staan beschreven in . Een complete beschrijving over het bestandssysteem staat in &man.hier.7;. Hier wordt volstaan met een overzicht van de voorkomende mappen. Map Omschrijving / Rootmap van het bestandssysteem. /bin/ Gebruikersapplicaties, belangrijk voor zowel single user als multi-user omgevingen. /boot/ Programma's en instellingenbestanden die gebruikt worden tijdens het opstarten van het besturingssysteem. /boot/defaults/ Bestanden met standaardinstellingen voor opstarten;, zie &man.loader.conf.5;. /dev/ Apparaatnodes;, zie &man.intro.4;. /etc/ Bestanden met systeeminstellingen en scripts. /etc/defaults/ Bestanden met standaard systeeminstellingen;, zie &man.rc.8;. /etc/mail/ Instellingenbestanden voor mail transport programma's zoals &man.sendmail.8;. /etc/namedb/ Instellingenbestanden voor named, zie &man.named.8;. /etc/periodic/ Scripts die dagelijks, wekelijks en maandelijks via &man.cron.8; worden uitgevoerd, zie &man.periodic.8;. /etc/ppp/ Instellingenbestanden voor ppp, zie &man.ppp.8;. /mnt/ Lege map, veel gebruikt door systeembeheerders als tijdelijk mountpunt voor opslagruimtes. /proc/ Process bestandssysteem;, zie &man.procfs.5; en &man.mount.procfs.8;. /rescue/ Statisch gelinkte programma's voor noodherstel, zie &man.rescue.8;. /root/ Thuismap van de gebruiker root. /sbin/ Systeemprogramma's en administratieprogramma's belangrijk voor zowel single-user en multi-user omgevingen. /stand/ Programma's die gebruikt worden in een standalone omgeving. /tmp/ Tijdelijke bestanden, meestal een op &man.mfs.8; geheugen gebaseerd bestandssysteem (de inhoud van /tmp wordt meestal NIET bewaard tijdens het rebooten). /usr/ Hier bevindt zich het leeuwendeel van alle hulpprogramma's en gewone programma's. /usr/bin/ Standaard programma's, programmeertools. /usr/include/ Standaard C invoegbestanden. /usr/lib/ Functiebibliotheken. /usr/libdata/ Diverse databestanden voor hulpprogramma's. /usr/libexec/ Systeemdaemons en systeemhulpprogramma's (uitgevoerd door andere programma's). /usr/local/ Lokale programma's, bibliotheken, etc. Wordt ook gebruikt als standaard locatie voor de &os; ports. Binnen /usr/local, wordt de algemene layout bepaald door &man.hier.7;, dat ook voor /usr wordt gebruikt. Uitzonderingen is de map man, die direct onder /usr/local ligt in plaats van onder /usr/local/share, en de documentatie voor ports is te vinden in share/doc/port. /usr/obj/ Architectuur afhankelijke doelstructuur voor resultaten van de bouw van /usr/src. /usr/ports - De &os; portscollectie (optioneel). + De &os; Portscollectie (optioneel). /usr/sbin/ Systeemdaemons en systeemhulpprogramma's (uitgevoerd door gebruikers). /usr/share/ Architectuur onafhankelijke bestanden. /usr/src/ BSD en/of lokale broncodebestanden. /usr/X11R6/ Uitvoerbare bestanden en bibliotheken, etc, voor de X11R6 distributie (optioneel). /var/ Multifunctionele logboek-, tijdelijke, transparante en spool bestanden. /var/log/ Diverse logboekbestanden van het systeem. /var/mail/ Postbusbestanden van gebruikers. /var/spool/ Diverse printer- en mailsysteemspoolingmappen. /var/tmp/ Tijdelijke bestanden die bewaard worden bij een herstart van het systeem. /var/yp NIS maps. Organisatie van Disks De kleinste vorm van organisatie die &os; gebruikt om bestanden te vinden is de bestandsnaam. Bestandsnamen zijn hoofdlettergevoelig, wat betekent dat readme.txt en README.TXT twee verschillende bestanden zijn. &os; gebruikt de extensie niet (.txt) van een bestand om te bepalen of het bestand een programma, een document of een vorm van data is. Bestanden worden bewaard in mappen. Een map kan leeg zijn of of honderden bestanden bevatten. Een map kan ook andere mappen bevatten, wat het mogelijk maakt om een hiërarchie van mappen te maken. Dit maakt het veel makkelijker om data te organiseren. Bestanden en mappen worden aangegeven door het bestand of de map aan te geven, gevolgd door een voorwaardse slash, /, gevolgd door andere mapnamen die nodig zijn. Als map foo de map bar bevat, die op zijn beurt het bestand readme.txt bevat, dan wordt de volledige naam of pad naar het bestand foo/bar/readme.txt. Mappen en bestanden worden bewaard op een bestandssysteem. Elk bestandssysteem bevat precies één map op het hoogste niveau die de rootmap van het bestandssysteem heet. Deze rootmap kan op zijn beurt andere mappen bevatten. Tot zover is dit waarschijnlijk hetzelfde als voor elk ander besturingssysteem. Er zijn een paar verschillen. &ms-dos; gebruikt bijvoorbeeld een \ om bestanden en mappen te scheiden, terwijl &macos; gebruik maakt van :. &os; gebruikt geen schijfletters, of andere schijfnamennamen in het pad. &os; gebruikt geen c:/foo/bar/readme.txt. Eén bestandssysteem wordt aangewezen als root bestandssysteem, waar naar wordt verwezen met /. Elk ander bestandssysteem wordt daarna gemount onder het root bestandssysteem. Hoeveel schijven er ook aan een &os; systeem hangen, het lijkt als elke map zich op dezelfde schijf bevindt. Stel er zijn drie bestandssystemen met de namen A,B en C. Elk bestandssysteem heeft één root map die twee andere mappen bevat, A1 en A2 (zo ook voor de andere twee: B1, B2, C1 en C2). A wordt het root besturingsysteem. Met ls, dat de inhoud van de map kan tonen, zijn de twee mappen A1 en A2 te zien. De mappenstructuur ziet er als volgend uit: / | +--- A1 | `--- A2 Een bestandssysteem moet gemount worden in een map op een ander bestandssysteem. Als nu bestandssysteem B wordt gemount onder de map A1 vervangt B A1 en zien de mappingen in B er als volgt uit: / | +--- A1 | | | +--- B1 | | | `--- B2 | `--- A2 Elk bestand dat in de mappen B1 en B2 directories aanwezig is, kan benaderd worden met het pad /A1/B1 of /A1/B2. Elk bestand dat in /A1 stond is tijdelijk verborgen en komt tevoorschijn als Bis ge-unmountvan A. Als B gemount is onder A2 ziet de diagram er als volgt uit: / | +--- A1 | `--- A2 | +--- B1 | `--- B2 en de paden zouden dan respectievelijk /A2/B1 en /A2/B2 zijn. Bestandssystemen kunnen op elkaar worden gemount. Doorgaand op het vorige voorbeeld kan het bestandssysteem C gemount worden bovenop de map B1 in het bestandssysteem B. Dit resulteert in: / | +--- A1 | `--- A2 | +--- B1 | | | +--- C1 | | | `--- C2 | `--- B2 Of C kan direct onder het bestandssysteem A gemount worden, onder de map A1: / | +--- A1 | | | +--- C1 | | | `--- C2 | `--- A2 | +--- B1 | `--- B2 Hoewel het niet gelijk is, lijkt het op het gebruik van join in &ms-dos;. Beginnende gebruikers hoeven zich hier gewoonlijk niet mee bezig te houden. Normaal gesproken worden bestandssystemen gemaakt als &os; wordt geïnstalleerd en er wordt besloten waar ze gemount worden. Meestal worden ze ook niet gewijzigd tot de een nieuwe schijf aan een systeem wordt toegevoegd. Het is mogelijk om één groot root bestandssysteem te hebben en geen andere. Deze benadering heeft voordelen en nadelen. Voordelen van Meerdere Bestandssystemen Verschillende bestandssystemen kunnen verschillende mount opties hebben. Met een goede voorbereiding kan het root bestandssysteem bijvoorbeeld als alleen-lezen gemount worden, waardoor het onmogelijk wordt om per ongeluk kritische bestanden te verwijderen of te bewerken. Het scheiden van andere bestandssystemen die beschrijfbaar zijn door gebruikers, zoals /home van andere bestandssystemen stelt de beheerder in staat om ze nosuid te mounten. Deze optie voorkomt dat suid/guid bits op uitvoerbare bestanden effectief gebruikt kunnen worden, waardoor de beveiliging mogelijk beter wordt. &os; optimaliseert automatisch de layout van bestanden op een bestandssysteem, afhankelijk van hoe het bestandssysteem wordt gebruikt. Een bestandsysteem dat veel bestanden bevat waar regelmatig naar geschreven wordt, wordt anders geoptimaliseerd dan een bestandssysteem dat minder maar grotere bestanden bevat. Door het gebruik van één groot bestandssysteem werkt de optimalisatie niet. &os;'s bestandssystemen zijn erg robuust als er bijvoorbeeld een stroomstoring is, hoewel een stroomstoring op een kritiek moment nog steeds kan leiden tot schade aan de structuur van het bestandssysteem. Door het verdelen van data over meerdere bestandssystemen, is de kans groter dat het systeem nog opstart, wat terugzetten van een backup makkelijker maakt als dat nodig is. Voordeel van Eén Bestandssysteem Bestandssystemen hebben een vaste grootte. Als bij de installatie van &os; een bestandssysteem wordt gemaakt, is het later mogelijk dat de partitie groter gemaakt moet worden. Dit is niet zo makkelijk zonder een backup, het opnieuw maken van het bestandssysteem met gewijzigde grootte en het terugzetten van de gebackupte data. &os; 4.4 en latere versies hebben &man.growfs.8;, waarmee de grootte van het bestandssysteem is aan te passen terwijl het draait. Bestandssystemen worden opgeslagen in partities. Dit betekent niet hetzelfde als de algemene betekenis van de term partitie (bijvoorbeeld, &ms-dos; partitie), vanwege &os;'s &unix; achtergrond. Elke partitie wordt geïdentificeerd door een letter van a tot en met h. Elke partitie kan slechts één bestandssysteem hebben, wat betekent dat bestandssystem vaak omschreven worden aan de hand van hun mountpunt in de bestandssysteem hiërarchie of de letter van de partitie waar ze in opgeslagen zijn. &os; gebruikt ook schijfruimte voor wisselbestanden. Wisselbestanden geven &os; virtueel geheugen. Dit geeft de computer de mogelijkheid om net te doen alsof er veel meer geheugen in de machine aanwezig is dan werkelijk het geval is. Als &os; geen geheugen meer heeft, verplaatst het data die op dat moment niet gebruikt wordt naar de wisselbestanden en plaatst het terug als het wel nodig is (en zet iets anders in ruil daarvoor terug. Aan sommige partities zijn bepaalde conventies gekoppeld. Partitie Conventie a Bevat meestal het root bestandssysteem b Bevat meestal de swapruimte c Heeft meestal dezelfde grootte als de hele harde schijf. Dit geeft hulpprogramma's de mogelijkheid om op een complete disk te werken (voor bijvoorbeeld een bad block scanner) om te werken op de c partitie. Meest wordt hierop dan ook geen bestandssysteem gecreeërd. d Partitie d had vroeger een speciale betekenis, maar die is verdwenen. Tegenwoordig werken sommige hulpprogramma's raar als ze verteld worden dat ze moeten werken op partitie d, dus sysinstall maakt normaal gesproken partitie d niet. Elke partitie die een bestandssysteem bevat is opgeslagen in wat &os; noemt een slice. Slice is &os;'s term voor wat meeste mensen partities noemen. Dit komt wederom door &os;'s &unix; achtergrond. Slices zijn genummerd van 1 tot en met 4. slices partities gevaarlijk toegewijd Slicenummers volgen de apparaatnamen, voorafgegaan door een s die begint bij 1. Dus da0s1 is de eerste slice op de eerste SCSI drive. Er kunnen maximaal vier fysieke slices op een disk staan, maar er kunnen logische slices in fysieke slices van het correcte type staan. Deze uitgebreide slices zijn genummerd vanaf 5. Dus ad0s5 is de eerste uitgebreide slice op de eerste IDE disk. Deze devices worden gebruikt door bestandssystemen waarvan verwacht wordt dat ze een slice in beslag nemen. Slices, gevaarlijk toegewijde (dangerously dedicated) fysieke drivers en andere drives bevatten partities, die worden weergegeven door letters vanaf a tot h. Deze letter wordt achter de apparaatnaam geplakt. Dus da0a is de a partitie op de eerste da drive, die gevaarlijk toegewijd is. ad1s3e is de vijfde partitie op de derde slice van de tweede IDE disk drive. Elke disk op het systeem wordt geïdentificeerd. Een disknaam start met een code die het type aangeeft en dan een nummer dat aangeeft welke disk het is. In tegenstelling tot bij slices, start het nummeren van disks bij 0. Standaardcodes staan beschreven in . Bij een referentie aan een partitie verwacht &os; ook dat aan de slice en disk refereert die de partitie bevat wordt gerefereerd en als naar een slice wordt verwezen moet ook de disknaam genoemd worden. Dit kan door de disknaam, s, het slice nummer en de partitieletter aan te geven. Voorbeelden staan in . In staat een conceptmodel van een disklayout die een en ander verduidelijkt. Voordat &os; geïnstalleerd kan worden moeten eerst de diskslices gemaakt worden en daarna moeten de partities op de slices voor &os; gemaakt worden. Daarna wordt op elke partitie het bestandssysteem (of wisselbestand) gemaakt en als laatste wordt besloten waar het filesysteem gemount wordt. Schijf Apparaatcodes Code Betekenis ad ATAPI (IDE) disk da SCSI directe toegang disk acd ATAPI (IDE) CDROM cd SCSI CDROM fd Floppy disk
Voorbeeld Disk-, Slice- en Partitienamen Name Betekenis ad0s1a De eerste partitie (a) op de eerste slice (s1) op de eerste IDE disk (ad0). da1s2e De vijfde partitie (e) op de tweede slice (s1) op de tweede SCSI disk (da1). Conceptmodel van een Schijf Het onderstaande diagram geeft aan hoe &os; de eerste IDE schijf in het systeem ziet. Stel dat de disk 4 GB groot is en dat deze twee 2 GB slices (&ms-dos; partities) bevat. De eerste slice bevat een &ms-dos; disk, C: en de tweede slice bevat een &os; installatie. Deze &os; installatie heeft drie partities en een partitie met een wisselbestand. De drie partities hebben elk een bestandssysteem. Partitie a wordt gebruikt voor het root bestandssysteem, e voor de map /var en f voor de map /usr. .-----------------. --. | | | | DOS / Windows | | : : > Eerste slice, ad0s1 : : | | | | :=================: ==: --. | | | Partitie a, gekoppeld als / | | | > gerefeerd als ad0s2a | | | | | :-----------------: ==: | | | | Partitie b, gebruikt als swap | | | > gerefeerd als ad0s2b | | | | | :-----------------: ==: | Partitie c, geen | | | Partition e, gebruikt als /var > bestandssysteem, bevat | | > gerefeerd als ad0s2e | alle &os; slices, | | | | ad0s2c :-----------------: ==: | | | | | : : | Partitie f, gebruikt als /usr | : : > gerefeerd als ad0s2f | : : | | | | | | | | --' | `-----------------' --'
Mounten en Unmounten van Bestandssystemen Het bestandssysteem wordt het best weergegeven als een boom, met de stam als /. /dev, /usr en de andere map in root zijn takken die weer hun eigen takken kunnen hebben, zoals /usr/local, etc. root bestandssysteem Er zijn verschillende redenen om sommige van deze mappen op aparte bestandssystemen te plaatsen. /var bevat de mappen log/, spool/ en verschillende types tijdelijke bestanden en kan volraken. Het laten vollopen van het root bestandssysteem is geen goed idee, dus het splitsen van /var van /is vaak de favoriet. Een andere vaak voorkomende reden om bepaalde mapbomen op aparte bestandssystemen te plaatsen, is om ze op verschillende fysieke schrijven te zetten of gescheiden virtuele disks zoals gemounte Netwerk bestandssystemen of CDROM drives. Het Bestand <filename>fstab</filename> bestandssystemen gemount met fstab Tijdens het opstartproces, worden bestandssystemen die vermeld staan in /etc/fstab automatisch gemount (tenzij ze vermeld staan met ). /etc/fstab bevat een lijst van regels die aan het volgende formaat voldoen: apparaat /mountpunt fstype opties dumpfreq passno apparaat Een apparaatnaam (die moet bestaan) zoals uitgelegd in . mountpunt Een map (die moet bestaan) waarop het bestandssysteem gemount moet worden. fstype Het bestandssysteem type dat aan &man.mount.8; gegeven wordt. Het standaard &os; bestandssysteem is ufs. opties Dit is of voor lezen en schrijven bestandssytemen, of voor alleen lezen, gevolgd door elke andere optie die mogelijk nodig is. Een standaard optie is voor bestandssystemen die niet automatisch gemount worden tijdens het opstarten. Andere opties staan in &man.mount.8;. dumpfreq Dit wordt gebruikt door &man.dump.8; om te bepalen welke bestandssystemen gedumpt moeten worden. Als het veld niet is ingevuld, wordt aangenomen dat er een nul staat. passno Dit bepaalt in welke volgorde bestandssystemen gecontroleerd moeten worden. Bestandssystemen die overgeslagen moeten worden moeten hun passno waarde op nul hebben staan. Voor het root bestandssysteem (dat voor alle andere gecontroleerd moet worden) moet passno op één staan en passno waarden voor andere bestandssystemen moeten een waarde hebben groter dan één. Als bestandssysteem dezelfde passno waarde hebben probeert &man.fsck.8; deze bestandssystemen tegelijkertijd te controleren. In &man.fstab.5; staat meer informatie over de opmaak van /etc/fstab en de mogelijke opties. Het Commando <command>mount</command> bestandssystemen mounten &man.mount.8; wordt gebruikt om bestandsystemen te mounten. De meest eenvoudige vorm is: &prompt.root; mount device koppelpunt Alle opties voor het commando staat in &man.mount.8;, maar de meest voorkomende zijn: Mountopties Mount alle bestandssystemen die in /etc/fstab staan, behalve die gemarkeerd staan als noauto, uitgesloten zijn door de optie of die al gekoppeld zijn. Doe alles behalve het echt aanroepen van de mount systeemopdracht. Deze optie is handig in samen met de optie om te bepalen wat &man.mount.8; eigenlijk probeert te doen. Forceert het mounten van een niet schoon bestandssysteem (gevaarlijk) of forceert het innemen van schrijftoegang als de mountstatus van een bestandssysteem wijzigt van lezen en schrijven naar alleen lezen. Mount het bestandssysteem alleen lezen. Dit is identiek aan de optie ( voor &os; versies ouder dan 5.2) voor de optie . fstype Mount het opgegeven bestandssysteem als het opgegeven type bestandssysteem of mount alleen bestandssystemen van het aangegeven type als ook de optie is opgegeven. ufs is het standaard bestandssysteem. Werk mountopties van het bestandssysteem bij. Geef uitgebreide informatie (verbose). Mount het bestandssysteem lezen en schrijven. De optie accepteert een door komma's gescheiden lijst van opties, waaronder de volgende: nodev Intrepeteer geen speciale apparaten op het bestandssysteem. Dit is een nuttige veiligheidsoptie. noexec Sta geen uitvoerbare bestanden toe op dit bestandssysteem. Ook dit is een nuttige veiligheidsoptie. nosuid Intrepeteer geen setuid of setgid opties op het bestandssysteem. Ook dit is een nuttige veiligheidsoptie. Het Commando <command>umount</command> bestandssystemen unmounten &man.umount.8; heeft een mountpunt, een apparaatnaam, of als parameter. Alle vormen kunnen de optie hebben om een bestandsysteem te forceren te unmounten en de optie voor uitgebreide informatie. De optie is meestal geen goed idee. Forceren dat een bestandssysteem geunmount wordt kan de computer laten crashen of data op het bestandssysteem beschadigen. De opties en worden gebruikt om alle bestandssystemen te unmounten, mogelijk nader gespecificeerd door de optie met daarachter op welke typen bestandssystemen het betrekking heeft. Voor de optie geldt dat deze niet probeert het root bestandssysteem te unmounten. Processen &os; is een multi-tasking besturingssysteem. Dit betekent dat het lijkt alsof er meer dan één proces tegelijkertijd draait. Elk programma dat draait wordt een proces genoemd. Elk commando dat wordt uitgevoerd start op zijn minst één nieuw proces en er zijn systeemprocessen die continu draaien om het systeem functioneel te houden. Elk proces wordt geïdentificeerd door een nummer dat process ID of PID heet, en net zoals bij bestanden heeft elk proces één eigenaar en groep. De eigenaars- en groepsinformatie wordt gebruikt om te bepalen welke bestanden en apparaten het proces mag openen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestandsrechten die eerder zijn behandeld. Veel processen hebben ook een ouderproces (parent proces). Het ouderproces is het proces het ze door gestart is. Als commando's in een shell worden ingevoerd, start de shell een proces en elk commando dat draait is ook een proces. De uitzondering hierop is het speciale proces &man.init.8;. init is altijd het eerste proces, dus het PID is altijd 1. init wordt automatisch gestart door de kernel als &os; opstart. Twee commando's die erg handig zijn om te zien welke processen er draaien zijn &man.ps.1; en &man.top.1;. ps wordt gebruikt om een statische lijst op te vragen van de processen die op het moment van uitvoeren draaien en kan hun PID, geheugengebruik, de startende commandoregel, enzovoort, tonen. top geeft alle draaiende processen weer en werkt de status elke paar seconden bij zodat interactief wordt weergegeven wat een computer aan het doen is. Standaard laat ps alleen zien welke commando's draaien waarvan de gebruiker die het uitvoert de eigenaar is: &prompt.user; ps PID TT STAT TIME COMMAND 298 p0 Ss 0:01.10 tcsh 7078 p0 S 2:40.88 xemacs mdoc.xsl (xemacs-21.1.14) 37393 p0 I 0:03.11 xemacs freebsd.dsl (xemacs-21.1.14) 48630 p0 S 2:50.89 /usr/local/lib/netscape-linux/navigator-linux-4.77.bi 48730 p0 IW 0:00.00 (dns helper) (navigator-linux-) 72210 p0 R+ 0:00.00 ps 390 p1 Is 0:01.14 tcsh 7059 p2 Is+ 1:36.18 /usr/local/bin/mutt -y 6688 p3 IWs 0:00.00 tcsh 10735 p4 IWs 0:00.00 tcsh 20256 p5 IWs 0:00.00 tcsh 262 v0 IWs 0:00.00 -tcsh (tcsh) 270 v0 IW+ 0:00.00 /bin/sh /usr/X11R6/bin/startx -- -bpp 16 280 v0 IW+ 0:00.00 xinit /home/nik/.xinitrc -- -bpp 16 284 v0 IW 0:00.00 /bin/sh /home/nik/.xinitrc 285 v0 S 0:38.45 /usr/X11R6/bin/sawfish In het bovenstaande voorbeeld is de uitvoer van &man.ps.1; georganiseerd in een aantal kolommen. PID is het proces ID. PIDs worden toegekend vanaf 1 en lopen op tot 99999. Als ze allemaal zijn gebruikt, worden ze hergebruikt. De TT kolom toont de tty vanwaar het programma draait en wordt nu buiten beschouwing gelaten. STAT toont de huidige staat van het programma en ook deze kolom wordt buiten beschouwing gelaten. TIME is de hoeveelheid tijd die het programma gedraaid heeft op de CPU. Dit is meestal niet de verstreken tijd vanaf het moment dat het programma is gestart. Veel programma's wachten omdat er alleen gebruik wordt gemaakt van de CPU als er iets voor het programma te doen is. Als laatste is COMMAND de commandoregel die gebruikt is om het programma te starten. &man.ps.1; ondersteunt een aantal opties die de informatie wijzigen die wordt weergegeven. Één van de meest nuttige combinaties is auxww. De optie toont informatie over alle draaiende processen, niet alleen die van de gebruiker die is aangemeld. De optie toont de gebruikersnaam van de proceseigenaar, evenals geheugengebruik. De optie toont informatie over daemonprocessen en met de optie laat &man.ps.1; de volledige commandoregel zien, in plaats van een mogelijk afgekorte regel omdat die te lang is om op het scherm te passsen.. De uitvoer van &man.top.1; is hetzelfde: &prompt.user; top last pid: 72257; load averages: 0.13, 0.09, 0.03 up 0+13:38:33 22:39:10 47 processes: 1 running, 46 sleeping CPU states: 12.6% user, 0.0% nice, 7.8% system, 0.0% interrupt, 79.7% idle Mem: 36M Active, 5256K Inact, 13M Wired, 6312K Cache, 15M Buf, 408K Free Swap: 256M Total, 38M Used, 217M Free, 15% Inuse PID USERNAME PRI NICE SIZE RES STATE TIME WCPU CPU COMMAND 72257 nik 28 0 1960K 1044K RUN 0:00 14.86% 1.42% top 7078 nik 2 0 15280K 10960K select 2:54 0.88% 0.88% xemacs-21.1.14 281 nik 2 0 18636K 7112K select 5:36 0.73% 0.73% XF86_SVGA 296 nik 2 0 3240K 1644K select 0:12 0.05% 0.05% xterm 48630 nik 2 0 29816K 9148K select 3:18 0.00% 0.00% navigator-linu 175 root 2 0 924K 252K select 1:41 0.00% 0.00% syslogd 7059 nik 2 0 7260K 4644K poll 1:38 0.00% 0.00% mutt ... De uitvoer is gesplitst in twee secties. De kop (de eerste vijf regels) toont het laatst uitgegeven PID, de gemiddelde systeembelasting (hoe druk is een systeem), de uptime van het systeem (tijd verstreken sinds laatste reboot) en de huidige tijd. De andere cijfers in de kop tonen hoeveel processen er draaien (in dit geval 47) , hoeveel geheugen en swap er gebruikt wordt en hoeveel processortijd het systeem besteed aan verschillende taakgroepen. Daaronder staat een serie van kolommen die soortgelijke informatie bevatten als de uitvoer van &man.ps.1;. Zo zijn het PID, de gebruikersnaam, de hoeveelheid processortijd en het commando dat gebruikt is om het proces te starten te zien. &man.top.1; laat standaard ook zien hoeveel geheugen er gebruikt wordt door een proces. Dit staat in twee kolommen waarbij in de eerste kolom het maximale geheugengebruik wordt getoond en in de tweede kolom het huidige geheugengebruik. Maximale gebruik is de hoeveelheid geheugen die het proces nodig had in de tijd dat het bestaat en het residente gebruik is hoeveel er op het moment van weergeven gebruikt wordt. In dit voorbeeld is zichtbaar dat &netscape; bijna 30 MB RAM nodig had, maar op het moment van uitvoeren 9 MB verbruikt. &man.top.1; werkt het beeld automatisch iedere twee seconden bij. Dat kan gewijzigd worden met de optie . Daemons, Signalen en het Stoppen van Processen Als een gebruiker een editor draait is het makkelijk om de editor te besturen, te vertellen om bestanden te openen, etc. Dit kan omdat de editor de mogelijkheden geeft om dat te doen en omdat de editor gekoppeld is aan een terminal. Sommige programma's zijn niet ontworpen om te draaien met continue gebruikersinvoer, dus als zij de kans krijgen ontkoppelen zij zich van de terminal. Een webserver reageert bijvoorbeeld de hele dag op webaanvragen en heeft eigenlijk geen input van een lokale gebruiker nodig. Programma's die email van locatie naar locatie transporteren zijn een ander voorbeeld. Deze programma's heten daemons. Daemons waren karakters in de Griekste mythologie, goed noch slecht, ze waren dienende geesten die op grote schaal nuttige dingen deden voor de mensheid. Net zoals de huidige webservers en mailservers nuttige dingen doen. Dit is waarom de mascotte voor BSD al lang een vrolijk kijkende daemon met puntoren en een drietand is. Er is een overeenkomst om programma's die meestal draaien als daemon te voorzien van het achtervoegsel d. BIND is de Berkeley Internet Name Daemon (het echte programma heet named), de Apache webserver heet httpd, de printerspooldriver heet lpd, etc. Deze overeenkomst geldt niet altijd. De hoofd maildaemon voor Sendmail heet bijvoorbeeld sendmail en niet maild. Soms is communicatie met een daemon nodig. Deze communicatie heet signaleren (signals). Er kan met een daemon (of met elk ander draaiend proces) gecommunicaeerd worden door er een signaal naartoe te sturen. Er zijn een verschillende signalen. Sommige hebben een specifieke bedoeling, andere worden geïntrepeteerd door de applicatie. In de documentatie van de applicatie staat hoe de applicatie signalen intrepeteert. Er kan alleen een signaal naar een proces gezonden worden waar de uitvoerende gebruiker eigenaar van is. Als met &man.kill.1; of &man.kill.1;een signaal naar een proces van een andere gebruiker wordt gestuurd, wordt de toegang geweigerd. De enige uitzondering hierop is de root gebruiker, die signalen naar processen van alle gebruikers kan sturen. &os; stuurt soms ook signalen naar applicaties. Als een applicatie slecht geschreven is en hij probeert geheugen te benaderen waar hij niet naartoe mag, stuurt &os; het proces een Segmentation Violation signaal (SIGSEGV). Als een applicatie de systeemaanroep &man.alarm.3; heeft gebruikt om na een bepaalde periode een alarm te ontvangen, wordt er een Alarm signaal heen gestuurd (SIGALRM), etc. Twee signalen kunnen gebruikt worden om een proces te stoppen: SIGTERM en SIGKILL. SIGTERM is de nette manier om een proces te killen. Het proces kan het signaal afvangen, begrijpen dat de eigenaar wil dat het wordt afgesloten, wellicht logboekbestanden sluiten die geopend zijn en alle onderhanden activiteiten afhandelen. In een aantal gevallen kan een proces SIGTERM negeren: als het midden in een taak zit die niet beëindigd kan worden. SIGKILL mag niet worden genegeerd door een proces. Dit is het Wat je ook aan het doen bent, stop er nu mee signaal. Na een SIGKILL stopt &os; het proces meteen. Dit is niet geheel waar. Er zijn een aantal dingen die niet onderbroken kunnen worden. Als het proces bijvoorbeeld een bestand probeert uit te lezen dat op een andere computer in het netwerk staat en de andere computer is verdwenen (uitgezet of het netwerk heeft een fout), dan wordt er gezegd dat het proces niet onderbroken kan worden. Uiteindelijk loopt het proces uit de tijd, meestal na twee minuten. Zodra het uit de tijd loopt, wordt het proces alsnog gestopt. Andere veelgebruikte signalen zijn SIGHUP, SIGUSR1 en SIGUSR2. Dit zijn algemeen bruikbare signalen en verschillende applicaties zullen verschillend reageren als ze verstuurd worden. Stel dat het bestand met instellingen voor de webserver is aangepast. Dan moet aan de webserver verteld worden dat die de instellingen opnieuw moet lezen. Hiervoor zou httpd gestopt en gestart kunnen worden, maar dit resulteert in een korte onderbreking van de webserverdienst, wat ongewenst kan zijn. De meeste daemons zijn geschreven om te reageren op het SIGHUP signaal door het opnieuw inlezen van het instellingenbestand. Dus in plaats van het stoppen en herstarten van httpd kan het SIGHUP signaal gezonden worden. Omdat er geen standaard manier is om op deze signalen te reageren, reageren verschillende daemons anders. Het is verstandig eerst de documentatie van de daemon in kwestie te lezen. Zoals onderstaand voorbeeld laat zien, worden signalen door &man.kill.1; verzonden. Het Versturen van een Signaal naar een Proces Dit voorbeeld toont hoe een signaal naar &man.inetd.8; wordt verstuurd. Het bestand met instellingen voor inetd is /etc/inetd.conf en inetd leest dit bestand opnieuw in als er een SIGHUP wordt verstuurd. Eerst moet het proces ID worden opgezocht van het proces waar een signaal naar verzonden moeten worden. Dit kan door &man.ps.1; en &man.grep.1; te gebruiken. &man.grep.1; wordt gebruikt om in de uitvoer te zoeken en te kijken naar de string die de gebruiker opgeeft. Dit commando wordt gedraaid als een normale gebruiker en &man.inetd.8; wordt gedraaid onder de gebruiker root, dus aan &man.ps.1; moet de optie meegegeven worden. &prompt.user; ps -ax | grep inetd 198 ?? IWs 0:00.00 inetd -wW Dus PID van &man.inetd.8; is 198. In sommige gevallen kan grep inetd ook voorkomen in de uitvoer. Dit komt door de manier waarop &man.ps.1; de lijst van draaiende processen moet vinden. Met &man.kill.1; kan het signaal verzonden worden. Omdat &man.inetd.8; wordt gedraaid door root moet &man.su.1; gebruikt worden om root te worden. &prompt.user; su Password: &prompt.root; /bin/kill -s HUP 198 Zoals zovaak met &unix; commando's, geeft &man.kill.1; geen uitvoer als het succesvol uitgevoerd is. Als een signaal wordt verzonden naar een proces waarvan de gebruiker niet zelf de eigenaar is, dan is de melding: kill: PID: Operation not permitted . Als het PID verkeerd wordt ingevuld, wordt het signaal naar het verkeerde proces verzonden, wat slecht kan zijn, of, als de gebruiker geluk heeft, wordt het verzonden naar een PID dat momenteel niet in gebruik is, waarop de foutmelding kill: PID: No such process verschijnt. Waarom <command>/bin/kill</command> Gebruiken? Veel shells leveren kill als ingebouwd commando. Dat betekent dat de shell het signaal direct verstuurt in plaats van door het starten van /bin/kill. Dit kan erg nuttig zijn, maar verschillende shells hebben een verschillende opdrachtregel voor het specificeren van de naam van het signaal dat verstuurd moet worden. In plaats van ze allemaal te leren, is het eenvoudiger om gewoon /bin/kill PID te gebruiken. Andere signalen versturen werkt bijna hetzelfde door TERM of KILL op de commandoregel te vervangen door wat nodig is. Het stoppen van willekeurige processen op een systeem is meestal een slecht idee. In het bijzonder bij &man.init.8; met proces ID 1. Het draaien van /bin/kill -s KILL 1 is een snelle manier om een systeem uit te zetten. Argumenten die aan &man.kill.1; worden meegegeven moeten altijd twee keer gecontroleerd worden voordat op Enter gedrukt wordt. Shells shells commandoregel In &os; wordt een groot deel van het alledaagse werk gedaan vanuit een omgeving met een commandoregel die shell heet. De grootste taak van een sheel is om commando's van het invoerkanaal op te vangen en deze uit te voeren. Veel shells hebben ook functies ingebouwd om mee te helpen om alledaagse taken zoals bestandsbeheer, bestandsglobbing, bestanden wijzigen vanaf de commandoregel, commandomacro's schrijven en uitvoeren en omgevingsvariabelen instellen en wijzigen. &os; heeft een aantal shells bijgeleverd zoals sh, de Bourne Shell en tcsh, de verbeterede C-shell. Er zijn veel - andere shells beschikbaar in de &os; portscollectie zoals + andere shells beschikbaar in de &os; Portscollectie zoals zsh en bash. Welke shell gebruiken? Dit is een kwestie van smaak. Een C–programmeur voelt zich misschien prettiger bij een C–achtige shell, zoals tcsh. Een voormalig &linux; gebruiker of iemand die niet veel ervaring heeft met een &unix; commandoregel interface wil misschien bash proberen. Elke shell heeft zijn eigen unieke eigenschappen die wel of niet werken voor een bepaalde gebruiker. Een standaard optie in een shell is bestandsnaam completie. Door het intikken van de eerste paar letters van een commando of bestandsnaam, kan de shell opdracht gegeven worden om automatisch de rest het commando of bestandsnaam toe te voegen met de Tab toets op het toetsenbord. Stel dat er twee bestanden zijn met de namen foobar en foo.bar en foo.bar moet verwijderd worden. Dan kan op het toetsenbord rm fo[Tab].[Tab] ingevoerd worden. De shell geeft rm foo[BEEP].bar weer. De [BEEP] geeft aan dat de shell in staat was om de bestandsnaam te completeren omdat er meer dan één soortgelijk bestand was. foobar en foo.bar beginnen met fo, maar het was in staat om het af te maken tot foo. Na het invoeren van een . en daarna Tab, is de shell in staat om de rest van de bestandsnaam aan te vullen. omgevingsvariabelen Een andere optie van de shell is het gebruik van omgevingsvariabelen. Omgevingsvariabelen zijn variabele sleutelparen die opgeslagen zijn in de omgevingsruimte van een shell. Deze ruimte kan uitgelezen worden door elk programma dat door de shell wordt uitgevoerd en bevat dus veel programmainstellingen. Hieronder staat een lijst van standaard omgevingsvariabelen en wat ze beteken: omgevingsvariabelen Variabele Omschrijving USER Gebruikersnaam van de gebruiker die is aangemeld. PATH Een lijst van mappen, gescheiden door een : voor het zoeken naar binaire bestanden. DISPLAY Netwerknaam van het X11 scherm om verbinding mee te maken, indien beschikbaar. SHELL De huidige shell. TERM De naam van de huidige gebruikersterminal. Gebruikt om de mogelijkheden van de terminal te bepalen. TERMCAP Databaseregel met terminal escape codes voor het uitvoeren van diverse terminalfuncties. OSTYPE Type besturingssysteem, bijvoorbeeld &os;. MACHTYPE De CPU architectuur waar het systeem op draait. EDITOR De teksteditor waar de gebruiker de voorkeur aan geeft. PAGER De tekstpager waar de gebruiker de voorkeur aan geeft. MANPATH Lijst van mappen gescheiden door een : voor het zoeken naar handleidingen. Bourne shells Het instellen van omgevingsvariabelen verschilt van shell tot shell. In de C–achtige shells zoals tcsh en csh moet setenv gebruikt worden om omgevingsvariabelen in te stellen. In Bourne-shells zoals sh en bash moet export gebruikt worden om de omgevingsvariabelen in te stellen. Om bijvoorbeeld de omgevingsvariabele EDITOR te wijzigen naar /usr/local/bin/emacs onder csh of tcsh moet het volgende gedaan worden: &prompt.user; setenv EDITOR /usr/local/bin/emacs In Bourne shells is dat: &prompt.user; export EDITOR="/usr/local/bin/emacs" Met de meeste shells kunnen de omgevingsvariabelen ook weergegeven worden door een $ karakter voor de variabelenaam te plaatsen op de commandoregel. echo $TERM zou weergeven wat er in $TERM gezet is, omdat de shell $TERM uitbreid en het resultaat doorgeeft aan echo. Shells kennen veel speciale karakters, die meta-karakters heten, als speciale weergaves van data. De meest voorkomende is het karakter * karakter, dat elk karakter in een bestandsnaam voorstelt. Deze speciale meta-karakters kunnen gebruikt worden om bestandsnaamglobbing te doen. Door bijvoorbeeld echo * in te voeren, is het resultaat bijna hetzelfde als door het uitvoeren van ls, omdat de shell alle bestanden die van toepassing zijn aan echo geeft om ze daarna te tonen. Om te voorkomen dat de shell deze speciale tekens verwerkt, kunnen ze uitgeschakeld worden door er het backslash karakter (\) voor te plaatsen. echo $TERM print de inhoud van TERM naar het scherm. echo \$TERM print $TERM zoals het geschreven is. Shell Wijzigen De makkelijkste manier om de shell te wijzigen is door het chsh commando te gebruiken. Door chsh te starten wordt de editor gestart die in de EDITOR omgevingsvariable staat. Als deze niet is ingesteld, wordt vi gestart. In de editor kan de regel waarop Shell: staat gewijzigd worden. Aan chsh kan ook de optie meegegeven worden. Dit stelt de shell in, zonder dat een editor gebruikt hoeft te worden. Als de shell bijvoorbeeld gewijzigd moet worden in bash, kan dat als volgt: &prompt.user; chsh -s /usr/local/bin/bash Dit kan ook door chsh zonder parameters te starten en de regel met daarin de shell te wijzigen. De te gebruiken shell moet geregistreerd zijn in /etc/ssh. Als een - shell uit de ports collectie + shell uit de Portscollectie is geïnstalleerd, is dit meestal automatisch gebeurd. Als de shell met de hand is geïnstalleerd moet het onderstaande gedaan worden. Als bijvoorbeeld bash met de hand geïnstalleerd is in /usr/local/bin, dient het onderstaande te gebeuren: &prompt.root; echo "/usr/local/bin/bash" >> /etc/shells Hierna kan chsh weer gedraaid worden. Teksteditors teksteditors editors Een groot deel van de instellingen in &os; wordt gemaakt door het bewerken van tekstbestanden. Hierdoor is het een goed idee om bekend te zijn met een tekstverwerker. &os; heeft er een paar in het basissysteem en veel anderen zijn beschikbaar via de - portscollectie. + Portscollectie. ee editors ee De makkelijkste en simpelste editor om te leren is de editor ee, wat easy editor betekent. Om ee te starten, moet op de commandoregel ee bestandsnaam ingevoerd worden, waar bestandsnaam de naam is van het bestand dat bewerkt moet worden. Om bijvoorbeeld /etc/rc.conf te bewerken, wordt ee /etc/rc.conf ingegeven. Eenmaal in ee worden alle manipulatie commando's die de editor heeft weergegeven aan de bovenkant van het scherm. Het karakter dakje ^ staat voor de toets CTRL op het toetsenbord, dus ^e vormt de toetscombinatie Ctrle . Om uit ee te komen wordt op de toets Esc gedrukt en daar kan gekozen worden om de editor te verlaten. De editor vraagt dan of de wijzigingen bewaard moeten worden als het bestand veranderd is. vi editors vi Emacs editors Emacs &os; heeft ook uitgebreidere tekstverwerkers, zoals vi, in het basissysteem en andere editors als Emacs en vim maken onderdeel uit van de &os; - portscollectie (editors/emacs + Portscollectie (editors/emacs en editors/vim). Deze editors leveren veel meer functionaliteit en kracht maar zijn lastiger om te leren. Als echter veel met tekstverwerking gedaan wordt, is het leren van een krachtige editor als vim of Emacs verstandig omdat deze uiteindelijk veel tijd kan besparen. Apparaten en Apparaatnodes Apparaat is een term die meestal wordt gebruikt voor hardwareonderdelen in een systeem, zoals disks, printers grafische kaarten en keyboards. Wanneer &os; opstart laat het vooral zien welke apparaten gedetecteerd worden. Deze opstartmeldingen kunnen nagekeken worden door het bestand /var/run/dmesg.boot te bekijken. acd0 is bijvoorbeeld de eerste IDE CDROM drive, terwijl kbd0 staat voor het keyboard. Veel van deze apparaten moeten in een &unix; besturingssysteem benaderd worden via speciale bestanden die apparaatnodes heten en te vinden zijn in de map /dev. Het Maken van Apparaatnodes Als een nieuw apparaat wordt toegevoegd aan een systeem of als ondersteuning voor extra apparaten wordt gecompileerd, dan moeten misschien één of meer apparaatnodes voor het nieuwe apparaat gemaakt worden. Het MAKEDEV Script Op systemen zonder DEVFS (dit is het geval voor alle &os; versies vóór 5.0) worden apparaatnodes gemaakt door het script &man.MAKEDEV.8; zoals hieronder wordt aangegeven: &prompt.root; cd /dev &prompt.root; sh MAKEDEV ad1 Dit voorbeeld maakt de juiste apparaatnode voor de tweede IDE drive wanneer die geïnstalleerd is. <literal>DEVFS</literal> (Apparaatbestandssysteem - DEVice File System) Het apparaatbestandssysteem of DEVFS, levert toegang tot de apparaatruimte van de kernel in het globale bestandssysteem. In plaats van dat het nodig is om apparaatnodes te maken en te wijzigen, doet DEVFS dit. In &man.devfs.5; staat meer informatie. DEVFS wordt standaard gebruikt in &os; 5.0 en verder. Binaire Formaten Om te kunnen begrijpen waarom &os; gebruik maakt van het &man.elf.5; formaat, is het belangrijk op de hoogte zijn van de drie dominante uitvoerbare formaten voor &unix;: &man.a.out.5; Het oudste en klassieke &unix; object formaat. Het gebruikt een korte en compacte kop met een magisch nummer aan het begin dat veel gebruikt wordt om het formaat aan te geven (&man.a.out.5; geeft meer details). Het bevat drie laadbare segmenten: .tekst, .data en .bss, een symbolentabel en een stringtabel. COFF Het SVR3 object formaat. De kop bestaat uit een sectietabel, dus er kunnen meer dan alleen .tekst, .data, en .bss secties zijn. &man.elf.5; De opvolger van COFF, heeft meerdere secties en 32-bit of 64-bit als mogelijke waarden. Één nadeel: ELF was ook ontworpen met de aanname dat er maar één ABI per systeemarchitectuur zou zijn. Deze aanname is eigenlijk redelijk incorrect, zelfs niet in de commerciële SYSV wereld (die op zijn minst drie ABIs heeft: SRV4, Solaris en SCO). &os; probeert om dit probleem heen te werken door een hulpprogramma te leveren voor het brandmerken van een bekend ELF uitvoerbaar bestand met informatie over de ABI waar hij mee kan werken. In &man.brandelf.1; staat meer informatie. &os; komt uit het klassieke kamp en gebruikt het &man.a.out.5; formaat, een technologie die zich bewezen heeft door meerdere generaties van BSD versies heen, tot het begin van de 3.X versies. Alhoewel het al mogelijk was om ELF programma's en kernels te bouwen en te draaien op een &os; systeem , verzette &os; zich eerst tegen de druk om over te schakelen naar ELF als standaard formaat. Waarom? Toen het &linux; kamp hun pijnlijke wissel maakte naar ELF, was dat niet zozeer om van het a.out formaat af te komen, maar meer omdat van het op de inflexibele jump-tabel gebaseerde gedeelde bibliotheekmechanisme af te komen, die het maken van gedeelde bibliotheken erg moeilijk maakte voor bedrijven en ontwikkelaars. Omdat de ELF hulprogramma's een oplossing voor het gedeelde bibliotheek probleem waren en algemeen gezien werden als een stap vooruit, werd de migratie geaccepteerd als noodzakelijk kwaad en werd de wissel uitgevoerd. Het gedeelde bibliotheek mechanisme van &os; is meer gebaseerd op het gedeelde bibliotheek mechanisme van Sun's &sunos; en daardoor erg makkelijk te gebruiken. Waarom zijn er zoveel verschillende formaten? In het duistere donkere verleden was er simpele hardware. Deze simpele hardware ondersteunde een simpel klein systeem. a.out was volledig adequaat voor de taak om binaire bestanden op dat simpele systeem te vertegenwoordigen (een PDP-11). Toen mensen &unix; van deze machine gingen porten, behielden ze het a.out formaat omdat het voldeed voor de vroege ports van &unix; naar architecturen als Motorola 68k, VAXen, enzovoort. Toen besloot een slimme hardware engineer dat als hij de software kon forceren om wat simpele truckjes te doen, hij in staat was om een paar onderdelen van het ontwerp af te schaven, waardoor zijn processorcore sneller kon draaien. Terwijl men probeerde om het met deze nieuwe vorm van hardware te laten werken (vandaag de dag beter bekend als RISC), was a.out te beperkt voor deze hardware. Dus werden er vele formaten ontworpen om betere prestaties te krijgen uit deze hardware dan het simpele formaat a.out kon leveren. Toen werden COFF, ECOFF en een paar andere duistere formaten uitgevonden en werden de limieten verkend, waarna men besloot om zich te richten op ELF. Daarnaast werden programma's groter en bleven schijven (en fysiek geheugen) relatief klein, zodat het concept van een gedeelde bibliotheek werd geboren. Het VM systeem werd ook meer verfijnd. Terwijl al deze verbeteringen bereikt werden door het a.out formaat, werd het nut met elke nieuwe eigenschap verder uitgerekt. Daarnaast wilde men dingen dynamisch laden tijdens het starten of delen weggooien nadat het programma zijn intiële code had gedraaid om te blijven hangen in het hoofdgeheugen en in de wisselbestanden. Talen werden verder verfijnd en men wilde dat code automatisch werd aangeroepen voor main. Er werden veel hacks gedaan in het a.out formaat om alles mogelijk te maken en dit werkte ook enige tijd. Na verloop van tijd was a.out niet meer in staat om alle problemen te adresseren zonder toenemende overhead in code en complexibiliteit. Hoewel ELF veel van deze problemem verhielp, was het moeilijk om te wisselen naar een systeem dat compleet anders werkte. Dus moest ELF wachten totdat het pijnlijker was om a.out te behouden dan het te migreren naar ELF. Met het verstrijken van de tijd, werden de bouwprogramma's die &os; heeft afgeleid van hun bouwprogramma's (vooral de assembler en de loader) ontwikkeld in twee parallel lopende takken. De &os; tree voegde gedeelde bibliotheken toe en heeft wat bugs opgelost. De mensen van GNU die deze programma's hebben geschreven, hebben ze herschreven en simpelere ondersteuning toegevoegd voor het bouwen van cross-compilers, waarbij verschillende formaten zo nodig ingevoegd konden worden, enzovoort. Omdat veel mensen cross-compilers wilden bouwen die gericht waren op &os;, hadden die pech, omdat de oudere broncode van &os; voor as en ld niet opgewassen was tegen deze taak. De nieuwe GNU programmaketen (binutils) ondersteunt cross-compiling, ELF, gedeelde bibliotheken, C++ extensies, enzovoort. Daarnaast leveren veel leverancierds ELF binaire bestanden en is het goed voor &os; om het te draaien. ELF heeft meer expressiemogelijkheden dan a.out en geeft meer uitbreidingsmogelijkheden aan het basissysteem. De ELF hulpprogramma's worden beter onderhouden en geven de mogelijkheid tot ondersteuning voor cross compilatie, wat voor veel mensen belangrijk is. ELF is misschien iets trager dan a.out, maar het meten daarvan kan vrij lastig zijn. Er zijn ook ontelbare verschillen tussen de twee in hoe ze pages opslaan, initiële code verwerken, enzovoort. Geen van allen zijn ze erg belangrijk, maar er zijn verschillen. Na verloop van tijd verdwijnt de ondersteuning voor a.out uit de GENERIC kernel en uiteindelijk ook helemaal uit de kernel als de noodzaak voor a.out gebaseerde programma's voorbij is. Meer Informatie Handleidingen handleidingen De meest uitvoerige documentatie van &os; is geschreven in de vorm van handleidingen. Bijna elk programma op het systeem heeft een kleine handleiding die uitlegt wat de basisopties en verschillende argumenten doen. Deze handleidingen bekeken worden met man. Het gebruik van man gaat als volgt: &prompt.user; man commando commando is de naam van het commando waar meer informatie over getoond moet worden. Om bijvoorbeeld meer informatie weer te geven over ls kan het volgende uitgevoerd worden: &prompt.user; man ls De handleidingen zijn opgedeeld in genummerde onderdelen: Gebruikerscommando's. Systeemaanroepen en foutnummernummers. Functies in de C bibliotheken. Apparaatdrivers. Bestandsindelingen. Spelletjes en andere afleidingen. Diverse informatie. Systeemonderhoud en commando's Kernelontwikkelaars. In sommige gevallen kan een bepaald onderwerp vaker voorkomen in een onderdeel van de handleidingen. Er is bijvoorbeeld een gebruikerscommando chmod en een systeemaanroep chmod(). In deze gevallen kan man aangegeven worden welke documentatie weer te geven door het specificeren van het onderdeel: &prompt.user; man 1 chmod Dit geeft de handleiding van het gebruikerscommando chmod weer. Verwijzingen naar een bepaald onderdeel van de handleiding worden traditioneel tussen haakjes geplaatst: &man.chmod.1; verwijst naar het commando chmod en &man.chmod.2; verwijst naar de systeemaanroep. Dit werkt prima als de naam van het commando bekend is en alleen informatie nodig is over het het commando gebruikt kan worden, maar wat als de naam van het commando niet bekend is? Dan kan man gebruikt worden om naar trefwoorden te zoeken in de commandobeschrijvingen door de optie te gebruiken: &prompt.user; man -k mail Met dit commando wordt een overzicht getoond met commando's die het trefwoord mail in hun omschrijving hebben. Dit is gelijk aan het commando apropos. Dus om meer informatie over spannende commando's met een onbekende functie in /usr/bin te krijgen is het volgende commando voldoende: &prompt.user; cd /usr/bin &prompt.user; man -f * Het onderstaande commando resulteert in hetzelfde: &prompt.user; cd /usr/bin &prompt.user; whatis * Gnu Infobestanden Free Software Foundation &os; heeft veel applicaties en hulpmiddelen die gemaakt zijn door de Free Software Foundation (FSF). Als extraatje voor de documentatie hebben deze programma's uitgebreidere html bestanden die infobestanden heten, die uitgelezen kunnen worden met info of, als emacs is geïnstalleerd, de infomodus van emacs. &man.info.1; wordt als volgt gebruikt: &prompt.user; info h geeft een korte beschrijving en ? toont een een kort commando–overzicht.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml index e2b6c14c84..34ca974cfb 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/config/chapter.sgml @@ -1,3306 +1,3279 @@ - Chern + Chern Lee Geschreven door - - Mike + Mike Smith Naar een tutorial van - Matt Dillon Tevens gebaseerd op tuning(7) door - Danny Pansters - Vertaling door + Vertaald door Instellingen en Optimalisatie Overzicht systeeminstellingen + systeemoptimalisatie Systeeminstellingen zijn een belangrijk aspect van &os;. Correcte instellingen helpen moeilijkheden bij toekomstige upgrades te voorkomen. In dit hoofdstuk wordt het instellen van &os; beschreven, alsmede een aantal prestatiebevorderende maatregelen waarmee een &os; systeem geoptimaliseerd kan worden. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe efficiënt om te gaan met bestandssystemen en wisselpartities; De grondbeginselen van het rc.conf instellingensysteem en van het opstarten van toepassingen (diensten) met /usr/local/etc/rc.d; Hoe een netwerkkaart ingesteld en getest wordt; Hoe virtuele hosts op netwerkapparatuur ingesteld worden; - Hoe de configuratiebestanden in + Hoe de instellingenbestanden in /etc gebruikt worden; - Hoe &os; geoptimaliseerd kan worden met - sysctl variabelen; + Hoe &os; geoptimaliseerd kan worden met + sysctl variabelen; Hoe schijfprestaties te verbeteren en hoe kernelbeperkingen gewijzigd kunnen worden. Veronderstelde voorkennis: De &unix; en &os; grondbeginselen () begrijpen; Bekend zijn met de grondbeginselen van kernelinstellingen en compilatie (). Initiële Instellingen Partitioneren - - partitioneren - + partitioneren - - /etc - + /etc - - /var - + /var - - /usr - + /usr Basispartities Bij het aanmaken van bestandssystemen met &man.disklabel.8; of &man.sysinstall.8; is het van belang dat op een harde schijf de data-overdracht het snelst is aan de buitenste sporen en het langzaamst aan de binnenste. Kleinere en veelgebruikte bestandssystemen kunnen daarom het beste aan het begin van de schijf geplaatst worden, terwijl grotere partities als /usr meer naar het einde van de schijf geplaatst kunnen worden. Het is een goed idee om partities aan te maken in deze of gelijksoortige volgorde: root, swap, /var, /usr. De grootte van /var hangt af van de wijze waarop de machine gebruikt gaat worden. /var wordt gebruikt voor onder meer mailboxen, logbestanden en printerdata en -wachtrijen. Mailboxen en logbestanden kunnen onverwacht groot worden, afhankelijk van het aantal systeemgebruikers en de bewaarduur van logbestanden. Meestal is minder dan een gigabyte voldoende. /var/tmp moet wel groot genoeg moet zijn om packages te kunnen bevatten. De partitie /usr bevat veel van de benodigde systeembestanden. Die bevat tevens de &man.ports.7;collectie (aanbevolen) en de broncode (optioneel). Beide zijn optioneel tijdens de installatie. Voor deze partitie wordt tenminste 2 gigabyte aanbevolen. Het is verstandig rekening te houden met de vereiste schijfruimte bij het kiezen van partitiegroottes. Als in een partitie onvoldoende vrije schijfruimte is, terwijl een andere vrijwel niet gebruikt wordt, is dat een vervelend en niet optimaal oplosbaar probleem. &man.sysinstall.8;'s Auto-defaults partitiekeuze kan in de ervaring van sommige gebruikers mogelijk te kleine /var en / partities opleveren. Partitioneren - moet verstandig en niet te zuinig gebeuren. - + moet verstandig en niet te zuinig gebeuren. - Wisselpartities (swap) swap grootte wisselpartitie wisselpartitiegrootte De vuistregel is dat het wisselbestand ongeveer het dubbele van de grootte van het systeemgeheugen (RAM) moet zijn. Als de machine bijvoorbeeld 128 megabytes geheugen heeft, kan het beste een wisselbestand van (tenminste) 256 megabytes gebruikt worden. Minder dan 256 megabytes swap is in dit geval af te raden. Systemen met weinig geheugen kunnen overigens beter functioneren met meer swap. Ook is het verstandig rekening te houden met eventuele geheugenuitbreiding in de toekomst. Bovendien zijn de VM paging algoritmen van de kernel zo afgestemd dat ze het beste presteren bij een wisselbestand van tenminste tweemaal de grootte van het geheugen. Een te kleine swap kan dus inefficiënties in de VM code tot gevolg hebben en mogelijk problemen veroorzaken als het systeemgeheugen uitgebreid wordt. Op grotere systemen met meerdere SCSI schijven (of meerdere IDE schijven op verschillende controllers) is het aan te raden om op elke schijf een wisselpartitie in te stellen (dit kan tot en met vier schijven), elk met ongeveer dezelfde grootte. De kernel kan met arbitraire groottes werken, maar interne datastructuren schalen tot viermaal de grootste swappartitie. De kernel kan de beschikbare ruimte voor het wisselbestand het meest optimaal indelen als de partities ongeveer even groot zijn. Een grote swap is prima, ook als ze zelden gebruikt wordt. Zo kan het gemakkelijker zijn om een (uit de hand gelopen) proces dat het systeem grotendeels bezet houdt te beëindigen, voordat er opnieuw opgestart moet worden. Waarom partitioneren? Waarom niet één enkele grote partitie gebruiken? Er zijn verscheidene redenen waarom dit niet zo'n goed idee is. De verschillende partities hebben hun eigen karakteristieke operationele gedrag en vereisten. Door ze te scheiden zijn er betere mogelijkheden om het systeem te optimaliseren. Vanaf de / en /usr partities wordt bijvoorbeeld vooral gelezen en er wordt weinig naar geschreven, terwijl er in /var en /var/tmp zowel veel gelezen als geschreven wordt. Door een systeem goed te partitioneren wordt vermeden dat fragmentatie die optreedt in de kleinere partities met veel schrijfactiviteit doorsijpelt naar partities die vooral lees-intensief zijn. Door schrijf-intensieve partities aan het begin van de schijf te plaatsen, zijn de prestaties wat betreft invoer/uitvoer het beste is daar waar het het meest nodig is. Ofschoon er natuurlijk ook de best mogelijke in/uit prestaties wenselijk zijn in de grotere partities, weegt het plaatsen van deze bestandssystemen aan het begin van de schijf niet tegen de voordelen van het plaatsen van /var aan het begin van de schijf (na root en swap) voor de totale snelheid van het systeem. Tenslotte zijn er veiligheidsoverwegingen. Een compacte en nette rootpartitie die vrijwel alleen-lezen is, heeft een betere kans om een nare crash te overleven. Hoofdinstellingen rc bestanden rc.conf De voornaamste lokatie voor systeeminstellingen is /etc/rc.conf. Dit bestand bevat een scala aan instellingen, die gebruikt wordt om het systeem in te stellen bij het opstarten. De naam impliceert dit al. Het is informatie voor de rc* bestanden (rc staat voor resource configuration of broninstellingen). De systeembeheerder wordt geacht regels toe te voegen aan rc.conf om de standaardinstellingen uit /etc/defaults/rc.conf aan te passen. Het standaardbestand moet niet letterlijk gekopiëerd worden naar /etc. Het bevat standaardwaardes en is niet bedoeld als voorbeeld. Alle wijzigingen die specifiek zijn voor een systeem horen in /etc/rc.conf thuis. In een clusterscenario is het nuttig om systeemspecifieke instellingen te scheiden van algemene instellingen die voor het hele cluster gelden. Hiervoor kunnen een aantal strategieën worden gebruikt. De aanbevolen benadering is om gedeelde instellingen in een ander bestand te plaatsen, zoals /etc/rc.conf.site en dit invoegen in /etc/rc.conf, wat verder alleen systeemspecifieke informatie bevat. Aangezien rc.conf gelezen wordt door &man.sh.1; is dit eenvoudig te bereiken: rc.conf: . rc.conf.site hostname="node15.example.com" network_interfaces="fxp0 lo0" ifconfig_fxp0="inet 10.1.1.1" rc.conf.site: defaultrouter="10.1.1.254" saver="daemon" blanktime="100" rc.conf.site kan dan naar elk systeem gedistribueerd worden met rsync of een gelijksoortig programma, terwijl rc.conf uniek blijft. Het actualiseren van het systeem met &man.sysinstall.8; of make world overschrijft rc.conf niet, zodat de bestaande systeeminstellingen niet verloren gaan. - Toepassingen Instellingen Geïnstalleerde toepassingen hebben meestal hun eigen instellingenbestanden, met hun eigen syntaxis, etc. Het is van belang deze bestanden apart te houden van het basissysteem, zodat ze makkelijk gelokaliseerd kunnen worden en beheerd kunnen worden met de hulpmiddelen voor pakketbeheer. /usr/local/etc Deze bestanden worden meestal geïnstalleerd in /usr/local/etc. Als een toepassing een uitgebreide set bestanden voor instellingen heeft, wordt er een submap voor aangemaakt. Bij de installatie van een port of package, worden normaliter ook voorbeeldbestanden met instellingen geïnstalleerd. Deze zijn doorgaans te herkennen aan een toevoegsel .default. Als er geen bestaande instellingenbestanden voor de toepassing zijn, kunnen ze gemaakt worden door de .default bestanden te kopiëren. Een voorbeeld is de map /usr/local/etc/apache: -rw-r--r-- 1 root wheel 2184 May 20 1998 access.conf -rw-r--r-- 1 root wheel 2184 May 20 1998 access.conf.default -rw-r--r-- 1 root wheel 9555 May 20 1998 httpd.conf -rw-r--r-- 1 root wheel 9555 May 20 1998 httpd.conf.default -rw-r--r-- 1 root wheel 12205 May 20 1998 magic -rw-r--r-- 1 root wheel 12205 May 20 1998 magic.default -rw-r--r-- 1 root wheel 2700 May 20 1998 mime.types -rw-r--r-- 1 root wheel 2700 May 20 1998 mime.types.default -rw-r--r-- 1 root wheel 7980 May 20 1998 srm.conf -rw-r--r-- 1 root wheel 7933 May 20 1998 srm.conf.default Aan de grootte van de bestanden is te zien dat alleen srm.conf gewijzigd is. Als later de Apache port wordt vernieuwd, wordt dit bestand niet overschreven. - Tom Rhodes Bijgedragen door Diensten Starten diensten Veel gebruikers kiezen ervoor om software van derden te - installeren op &os; vanuit de portscollectie. In veel gevallen + installeren op &os; vanuit de Portscollectie. In veel gevallen is het noodzakelijk om de software dusdanig in te stellen dat het opstart tijdens het booten. Diensten zoals mail/postfix of www/apache13 zijn slechts twee voorbeelden van softwarepakketten die gestart kunnen worden tijdens de systeemstart. In deze paragraaf wordt toegelicht hoe software van derde partijen kan worden gestart. In &os; worden de meeste diensten, zoals &man.cron.8;, door de opstartscripts van het systeem gestart. Deze scripts kunnen verschillen tussen &os; en leverancierversies, echter het meest belangrijke aspect om in gedachten te houden is dat hun opstartinstellingen verwerkt kunnen worden door simpele opstartscripts. Voor de komst van rcNG zetten applicaties simpelweg een opstartscript in de map /usr/local/etc/rc.d dat dan uitgelezen werd door de opstartscripts van het systeem. Deze scripts werden dan uitgevoerd tijdens de laatste stappen van een systeemstart. Terwijl veel individuen bezig waren om de oude stijl van instellen naar de nieuwe stijl over te zetten, bleef sommige software nog steeds een script nodig hebben in de genoemde map. De subtiele verschillen in de scripts hangen af van het wel of niet gebruiken van rcNG. Vóór &os; 5.1 werden scripts oude stijl gebruikt en in bijna alle gevallen voldoet een script nieuwe stijl. Elk script moet een .sh toegevoegd hebben aan het einde en elk script moet opstartbaar zijn door het systeem. Het laatstgenoemde kan bereikt worden met chmod en door het zetten van de rechten 755. Er zouden ook minimaal de opties start en stop moeten zijn voor de applicatie. Het simpelste opstartscript ziet er waarschijnlijk als volgt uit: #!/bin/sh echo -n ' utility' case "$1" in start) /usr/local/bin/utility ;; stop) kill -9 `cat /var/run/utility.pid` ;; *) echo "Usage: `basename $0` {start|stop}" >&2 exit 64 ;; esac exit 0 Dit script levert de opties stop en start voor de applicatie met de naam utility. Dit kan handmatig gestart worden met: &prompt.root; /usr/local/etc/rc.d/utility.sh start Hoewel niet alle software van derden een regel nodig heeft in /etc/rc.conf, wordt er bijna elke dag een wel een port veranderd om deze instellingen te ondersteunen. De meldingen tijdens de installatie van de port bevatten vaak meer informatie. Sommige software van derden levert opstartscripts die de applicatie kunnen laten werken met rcNG. Dit wordt in de volgende paragraaf behandeld. Uitgebreide Applicatieinstellingen Nu &os; rcNG heeft, zijn de instellingen van applicaties die mee moeten opstarten verbeterd. Er is meer diepgang in gekomen. Door gebruik te maken van de sleutelwoorden die in de paragraaf rcNG behandeld worden, kunnen applicaties nu starten na andere diensten. DNS kan bijvoorbeeld extra opties meekrijgen van /etc/rc.conf in plaats - van hard ingestelde opties in het opstartscript. Een + van hard ingestelde opties in het opstartscript. Een basisscript ziet er ongeveer als volgt uit: #!/bin/sh # # PROVIDE: utility # REQUIRE: DAEMON # BEFORE: LOGIN # KEYWORD: FreeBSD shutdown # # WIJZIG DEZE WAARDEN NIET HIER # MAAR IN HET BESTAND /etc/rc.conf # utility_enable=${utility_enable-"NO"} utility_flags=${utility_flags-""} utility_pidfile=${utility_pidfile-"/var/run/utility.pid"} . /etc/rc.subr name="utility" rcvar=`set_rcvar` command="/usr/local/sbin/utility" load_rc_config $name pidfile="${utility_pidfile}" start_cmd="echo \"Starting ${name}.\"; /usr/bin/nice -5 ${command} ${utility_flags} ${command_args}" run_rc_command "$1" Dit script zorgt ervoor dat utility wordt gestart voor de dienst login, maar na de dienst daemon. Het biedt ook de mogelijkheid voor het instellingen en volgen van het PID of het process ID bestand. Voor deze applicatie kan dan de volgende regel in /etc/rc.conf geplaatst worden: utility_enable="YES" Deze nieuwe methode maakt het volgende mogelijk: makkelijker commandoregelopties manipuleren, importeren van standaardfuncties uit /etc/rc.subr, compatibiliteit met het &man.rcorder.8; programma en het eenvoudiger instellingen via /etc/rc.conf. In essentie kan dit script zelfs geplaatst worden in de map /etc/rc.d. Dat kan in potentie wel het &man.mergemaster.8; programma van de wijs brengen als dat gebruikt wordt voor het bijwerken van software. Diensten met Diensten Starten Andere diensten, zoals POP3 server daemons, IMAP, enzovoort, kunnen gestart worden door gebruik te maken van &man.inetd.8;. Daaraan is - voorafgegaan dat die dienst uit de portscollectie is + voorafgegaan dat die dienst uit de Portscollectie is geïstalleerd en dat er een regel met instellingen is toegevoegd aan /etc/inetd.conf of één van de bestaande niet actieve regels is geactiveerd. Werken met inetd en zijn instellingen wordt uitgebreid toegelicht in de paragraaf over inetd. In sommige gevallen is het handiger om &man.cron.8; te gebruiken om diensten te starten. Deze aanpak heeft een aantal voordelen omdat cron start als de eigenaar van crontab. Dit stelt reguliere gebruikers in staat om sommige applicaties te starten en te onderhouden. cron levert een unieke optie: plaats van een tijdsspecificatie kan @reboot gebruikt worden. Dit zorgt ervoor dat de taak gestart wordt als &man.cron.8; gestart wordt, meestal tijdens een systeemstart. - Tom - Rhodes - Een bijdrage van + Tom + Rhodes + Geschreven door <command>cron</command> Instellen cron instellen Een zeer nuttig hulpprogramma in &os; is &man.cron.8;. De cron daemon draait op de achtergrond en controleert voortdurend /etc/crontab. Ook controleert cron de map /var/cron/tabs, op zoek naar nieuwe crontab bestanden. Deze crontab bestanden bevatten informatie over specifieke taken die cron moet verrichten op gezette tijden. cron gebruikt twee verschillende soorten instellingenbestanden: de systeemcrontab en gebruikerscrontabs. Het enige verschil tussen deze twee formaten is het zesde veld. In de systeemcrontab is dit de gebruikersnaam die het commando uitvoert. Hierdoor kunnen met de systeemcrontab commando's als iedere gebruiker uitgevoerd worden. In een gebruikerscrontab is het zesde veld het uit te voeren commando en alle commando's worden uitgevoerd als de gebruiker die de crontab heeft aangemaakt. Dit is een belangrijke veiligheidsmaatregel. Gebruikerscrontabs geven individuele gebruikers de mogelijkheid om bepaalde terugkerende taken automatisch te laten uitvoeren zonder dat root rechten noodig zijn. Commando's in de crontab van een gebruiker worden uitgevoerd met de rechten van de eigenaar. root kan ook een gebruikerscrontab aanleggen. Dit is niet dezelfde als /etc/crontab (de systeemcrontab). Omdat er al een systeemcrontab is, is het doorgaans niet nodig om een gebruikerscrontab voor root te maken. /etc/crontab (de systeemcrontab) ziet er uit als volgt: # /etc/crontab - root's crontab for &os; # # $&os;: src/etc/crontab,v 1.32 2002/11/22 16:13:39 tom Exp $ # # SHELL=/bin/sh PATH=/etc:/bin:/sbin:/usr/bin:/usr/sbin HOME=/var/log # # #minuut uur mdag maand wdag wie commando # # */5 * * * * root /usr/libexec/atrun Zoals in de meeste &os; instellingenbestanden gaat het karakter # vooraf aan commentaar. Commentaar wordt gebruikt als uitleg en geheugensteun. Commentaar dient niet vermengd te worden met commando's, anders wordt het commentaar opgevat als deel van het commando. Blanco regels worden genegeerd. Eerst worden omgevingsvariabelen gedefiniëerd. Hoervoor wordt het is-gelijk karakter (=) gebruikt. In het bovenstaande voorbeeld wordt het gebruikt voor de variabelen SHELL, PATH en HOME. Als de regel SHELL ontbreekt, gebruikt cron standaard sh als shell. Voor de omgevingsvariabele PATH bestaat geen standaardwaarde. Als PATH ontbreekt moeten absolute paden gebruikt worden. Als HOME ontbreekt, gebruikt cron de thuismap van de de gebruiker die cron aanroept. In deze commentaarregel staan de zeven velden van een crontabdefinitie. Dit zijn minuut, uur, mdag, maand, wdag, wie en commando. De betekenissen liggen voor de hand: minute is het aantal minuten van het tijdstip waarop het commando moet worden uitgevoerd; hour geeft het uur aan; mdag staat voor de dag van de maand; maand staat voor het maandnummer en wdag geeft de dag van de week aan. Het veld wie is bijzonder en bestaat alleen in /etc/crontab. Het geeft aan als welke gebruiker het commando uitgevoerd moet worden. Een gebruiker die zijn eigen crontab installeert, heeft deze optie niet. Het veld command bevat het uit te voeren commando. In deze regel worden aan de hierboven besproken opties waarden toegekend. Er wordt gebruik gemaakt van */5 en * karakters. Deze betekenen eerst-laatst en kunnen gezien worden als telkens. In deze regel staat dus dat het commando atrun elke vijf minuten moet worden uitgevoerd door root, ongeacht welke dag of maand het is. Meer informatie over atrun staat in &man.atrun.8;. Commando's kunnen een willekeurig aantal opties of argumenten meekrijgen. Als commando's echter meerdere regels nodig hebben moeten deze regels afgebroken worden met een backslash \ karakter, om aan te geven dat ze op de volgende regel vervolgd worden. Dit is de basisopzet voor elk crontab bestand. De enige uitzondering is de aanwezigheid van veld zes, waar de gebruikersnaam wordt aangegeven. Dit veld bestaat alleen in het systeembestand /etc/crontab. Voor crontabbestanden van individuele gebruikers moet dit veld worden weggelaten. Een Crontab Installeren De onderstaande procedure moet niet gebruikt worden om de - systeemcrontab te wijzigen of te installeren. Er kan een + systeemcrontab te wijzigen of te installeren. Er kan een gewone editor gebruikt worden. cron ziet dat het bestand veranderd is en begint direct met het gebruiken van de nieuwe versie. Deze FAQ vraag geeft verdere uitleg. Om een nieuwe crontab te installeren moet eerst een bestand in het juiste formaat gemaakt worden en daarna moet het geiuml;nstalleerd worden met crontab commando: &prompt.root; crontab crontabbestand In dit voorbeeld is crontabbestand de naam van een eerder gemaakt crontabbestand. Er bestaat ook een optie om een lijst van geïnstalleerde crontab bestanden op te vragen, namelijk de optie van crontab. Gebruikers die hun eigen crontabbestand willen schrijven zonder het gebruik van een sjabloon, kunnen gebruik maken van crontab -e. Dit opent de EDITOR met een leeg bestand. Als het bestand wordt opgeslagen en de editor wordt afgesloten, wordt het bestand automatisch als crontab geïnstalleerd. Een gebruikerscrontab kan verwijderd worden door de met crontab de optie te gebruiken. Tom Rhodes - Een bijdrage van + Geschreven door Gebruik van rc met &os; 5.X rcNG &os; gebruikt inmiddels het NetBSD rc.d systeem bij het opstarten van het systeem. Veel van de bestanden in /etc/rc.d zijn scripts voor basisdiensten die werken met de opties , en , analoog aan hoe diensten die via een port of package zijn geïnstalleerd gestart worden met de scripts in /usr/local/etc/rc.d. &man.sshd.8; kan bijvoorbeeld als volgt herstart worden: &prompt.root; /etc/rc.d/sshd restart Deze procedure is vrijwel gelijk voor andere diensten. Uiteraard worden diensten meestal automatisch gestart zoals in &man.rc.conf.5; staat. Om de Network Address Translation daemon bij het opstarten te laten starten is de volgende regel in /etc/rc.conf bijvoorbeeld voldoende: natd_enable="YES" Als er reeds een natd_enable="NO" regel is, kan NO gewoon in YES veranderd worden. De rc scripts starten, voor zover nodig, automatisch andere afhankelijke diensten. Omdat het rc.d systeem in eerste instantie bedoeld is om diensten te starten en stoppen bij het opstarten en afsluiten van het systeem, werken de standaardopties , en alleen als de juiste variabelen in /etc/rc.conf zijn ingesteld. Het commando sshd restart alleen dan als sshd_enable de waarde YES heeft in /etc/rc.conf. Als er een service gestart, gestopt of herstart moet worden, ongeacht de definities in /etc/rc.conf, moet het commando voorafgegaan worden door force. Dus om sshd te herstarten ongeacht /etc/rc.conf setting, voldoet het volgende commando: &prompt.root; /etc/rc.d/sshd forcerestart Het is eenvoudig te controleren of een dienst is ingeschakeld is in /etc/rc.conf door het bijpassende rc.d script uit te voeren met de optie . Voor sshd: &prompt.root; /etc/rc.d/sshd rcvar # sshd $sshd_enable=YES De tweede regel (# sshd) is de uitvoer van sshd, geen root console. De optie wordt gebruikt om vast te stellen of een dienst gestart is. Om bijvoorbeeld te controleren of sshd gestart is: &prompt.root; /etc/rc.d/sshd status sshd is running as pid 433. Het is ook mogelijk om een dienst te herladen met de optie . Dan wordt er getracht een signaal te sturen aan een individuele dienst, waarbij de dienst de bestanden met instellingen opnieuw in moet lezen. Meestal komt dit neer op het verzenden van het signaal SIGHUP signaal. De structuur van rcNG wordt niet alleen gebruikt voor netwerkdiensten, maar ook voor het merendeel van de systeemstart. In dit kader is bijvoorbeeld het bestand bgfsck interessant. Als dit script wordt uitgevoerd, wordt de volgende boodschap getoond: Starting background file system checks in 60 seconds. Dit script wordt dus gebruikt voor bestandssysteemcontrole in de achtergrond, hetgeen alleen tijdens de systeemstart gebeurt. Veel systeemdiensten zijn afhankelijk van andere diensten om correct te kunnen functioneren. Zo starten NIS en andere RPC-gebaseerde diensten niet als de rpcbind (portmapper) dienst nog niet draait. Om dit te stroomlijnen wordt informatie over afhankelijkheden en andere meta-data ingevoegd in het commentaar bovenaan het opstartscript. Deze commentaarregels worden vervolgens tijdens de systeemstart met &man.rcorder.8; verwerkt om zo vast te stellen in welke volgorde de systeemdiensten gestart moeten worden. De volgende sleutelwoorden kunnen worden opgenomen aan het begin van elk opstartscript: PROVIDE: geeft aan in welke diensten dit bestand voorziet. REQUIRE: geeft aan welke andere diensten vereist zijn voor deze dienst. Dit script wordt uitgevoerd na de aangegeven diensten. BEFORE: geeft diensten aan die afhankelijk zijn van deze dienst. Dit bestand wordt uitgevoerd vóór de aangegeven diensten. KEYWORD: &os; of NetBSD. Dit wordt gebruikt voor speciale eigenschappen van één van de *BSD's. Met deze methode kan een systeembeheerder gemakkelijk systeemdiensten besturen, zonder gedoe met runlevels zoals bij sommige andere &unix; systemen. Meer informatie over het &os; 5.X rc.d staat in &man.rc.8; en &man.rc.subr.8;. Marc Fonvieille - Een bijdrage van + Geschreven door Netwerkkaarten Instellen netwerkkaarten - instellen + instellen + Het is tegenwoordig nauwelijks voorstelbaar dat een computer geen netwerkverbinding heeft. Het toevoegen en instellen van een netwerkkaart is een gebruikelijke taak voor een &os; beheerder. Het Juiste Stuurprogramma Vinden netwerkkaarten stuurprogramma Voor het zoeken begint, moet duidelijk zijn om welke kaart het gaat, welke chip erop zit en of het een PCI of ISA kaart is. &os; ondersteunt vele kaarten. Op de Hardware Compatibiliteitslijst voor de betreffende release om staan de kaarten die ondersteund worden. Als duidelijk is dat een kaart ondersteund wordt, moet vastgesteld worden wat het geschikte stuurprogramma is. In het bestand /usr/src/sys/conf/NOTES (/usr/src/sys/arch/conf/LINT voor &os; 4.X) staat een lijst van stuurprogramma's voor netwerkinterfaces met wat informatie over de ondersteunde chipsets of kaarten. In geval van twijfel biedt de hulppagina voor het stuurprogramma (man) vaak uitkomst. In het algemeen bevat deze meer informatie over de ondersteunde hardware en mogelijke problemen die kunnen optreden. NOTES bestaat niet op &os; 4.X. In plaats daarvan kan in het bestand LINT informatie gevonden worden over een groot aantal netwerkkaarten. In staan meer details over NOTES versus LINT. - + Als een veelgebruikte kaart gebruikt wordt, hoeft meestal niet ver gezocht te worden. Stuurprogramma's voor veelvoorkomende netwerkinterfaces al aanwezig in de algemene GENERIC kernel. In dat geval wordt zo'n al gevonden worden bij het opstarten, bijvoorbeeld met het volgende bericht: dc0: <82c169 PNIC 10/100BaseTX> port 0xa000-0xa0ff mem 0xd3800000-0xd38 000ff irq 15 at device 11.0 on pci0 dc0: Ethernet address: 00:a0:cc:da:da:da miibus0: <MII bus> on dc0 ukphy0: <Generic IEEE 802.3u media interface> on miibus0 ukphy0: 10baseT, 10baseT-FDX, 100baseTX, 100baseTX-FDX, auto dc1: <82c169 PNIC 10/100BaseTX> port 0x9800-0x98ff mem 0xd3000000-0xd30 000ff irq 11 at device 12.0 on pci0 dc1: Ethernet address: 00:a0:cc:da:da:db miibus1: <MII bus> on dc1 ukphy1: <Generic IEEE 802.3u media interface> on miibus1 ukphy1: 10baseT, 10baseT-FDX, 100baseTX, 100baseTX-FDX, auto In dit voorbeeld zitten er twee kaarten in het systeem die het stuurprogramma &man.dc.4; gebruiken. Als het stuurprogramma voor een NIC geen onderdeel is van de GENERIC kernel, dan dient het juiste stuurprogramma voor die NIC geladen te worden. Dit kan op twee manieren: De meest eenvoudige manier is het laden van een kernelmodule voor een netwerkkaart met &man.kldload.8;. Niet alle NIC stuurprogramma's zijn als module beschikbaar. Zo zijn er bijvoorbeeld geen modules beschikbaar voor ISA kaarten. Ondersteuning voor een kaart kan ook in de kernel gecompileerd worden. In /usr/src/sys/conf/NOTES, /usr/src/sys/arch/conf/NOTES en de hulppagina van het stuurprogramma is na te lezen wat er in het kernelinstellingenbestand moet staan. In staat meer informatie over het compileren van een eigen kernel. Als een netwerkkaart al bij het opstarten wordt herkend door de GENERIC kernel, is er geen reden om een andere kernel te bouwen. De Netwerkkaart Instellen netwerkkaarten instellen Nadat een geschikt stuurprogramma geladen is, moet de kaart nog ingestelt worden. Mogelijk is dit al gebeurd door sysinstall tijdens de installatie. Om de instellen van de netwerkkaarten weer te geven zien: &prompt.user; ifconfig dc0: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 inet 192.168.1.3 netmask 0xffffff00 broadcast 192.168.1.255 ether 00:a0:cc:da:da:da media: Ethernet autoselect (100baseTX <full-duplex>) status: active dc1: flags=8843<UP,BROADCAST,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 inet 10.0.0.1 netmask 0xffffff00 broadcast 10.0.0.255 ether 00:a0:cc:da:da:db media: Ethernet 10baseT/UTP status: no carrier lp0: flags=8810<POINTOPOINT,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 lo0: flags=8049<UP,LOOPBACK,RUNNING,MULTICAST> mtu 16384 inet 127.0.0.1 netmask 0xff000000 tun0: flags=8010<POINTOPOINT,MULTICAST> mtu 1500 Op oudere versies van of &os; moet volgens &man.ifconfig.8; misschien de optie gebruikt worden. In &man.ifconfig.8;zijn meer details over de syntaxis te lezen. In dit voorbeeld is de uitvoer over IPv6 (inet6 etc.) achterwege gelaten. In dit voorbeeld werden de volgende apparaten weergegeven: dc0: de eerste Ethernet interface; dc1: de tweede Ethernet interface; lp0: de parallelle poort interface; lo0: het loopback apparaat; tun0: het tunnelapparaat gebruikt door ppp. &os; gebruikt de naam van het stuurprogramma gevolgd door een nummer voor de volgorde waarop de kaarten gedetecteerd zijn bij het opstarten. sis2 is de derde netwerkkaart in het systeem die het stuurprogramma &man.sis.4; gebruikt. In het vorige voorbeeld is het apparaat dc0 volledig operationeel. Dit blijkt uit de volgende indicatoren: UP betekent dat de kaart geconfigureerd is en klaar voor gebruik; De kaart heeft een Internet (inet) adres (in dit geval 192.168.1.3); Het heeft een geldig subnetmasker (netmask; 0xffffff00 is hetzelfde als 255.255.255.0); Het heeft een geldig broadcastadres (in dit geval, 192.168.1.255); Het MAC adres van de kaart (ether) is 00:a0:cc:da:da:da; De fysieke mediaselectie staat in autoselectiemodus (media: Ethernet autoselect (100baseTX <full-duplex>)). dc1 is ingesteld om met 10baseT/UTP media te werken. Meet informatie over de mogelijke media types staan in de hulppagina's voor het betreffende stuurprogramma. De status van de link (status) is active, dat wil zeggen dat de drager is gevonden. Bij dc1staat echter status: no carrier. Dit is normaal als er geen ethernet kabel in de kaart gestoken is. Als de uitvoer &man.ifconfig.8; uitvoer er ongeveer zoals hieronder uitziet, dan is de netwerkkaart nog niet ingesteld: dc0: flags=8843<BROADCAST,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500 ether 00:a0:cc:da:da:da Om de kaart te instellen zijn root rechten nodig. De netwerkkaart van vanaf de console worden ingesteld met &man.ifconfig.8;, maar dan moet dat na elke herstart herhaald worden. Daarom wordt het vrijwel altijd in /etc/rc.conf gezet. In /etc/rc.conf moet voor elke netwerkkaart in een systeem een regel toegevoegd worden. In het huidige voorbeeld zou dat het volgende kunnen zijn: ifconfig_dc0="inet 192.168.1.3 netmask 255.255.255.0" ifconfig_dc1="inet 10.0.0.1 netmask 255.255.255.0 media 10baseT/UTP" dc0, dc1, enzovoort, moeten vervangen worden door de correcte stuurprogramma's voor de netwerkkaarten, zo ook de IP adressen. In de handleiding van het stuurprogramma en van &man.ifconfig.8; staan meer details over de mogelijke opties en in &man.rc.conf.5; staat meer informatie over /etc/rc.conf. Als het netwerk al geconfigureerd is tijdens het installeren van &os; staan er al enkele regels met betrekking tot de netwerkkaart(en) in /etc/rc.conf. Het is dus handig /etc/rc.conf te controleren voordat er regels toegevoegd worden. Ook /etc/hosts moet worden gewijzigd om de namen en IP adressen van verschillende machines op het lokale netwerk, als ze er nog niet in staan. Meer informatie staat in &man.hosts.5; en /usr/share/examples/etc/hosts. Testen en Problemen Oplossing Als de veranderingen in /etc/rc.conf zijn gemaakt, moet het systeem opnieuw gestarten worden (of moeten nauwkeurig alle daemons gestart of herstart worden). Veranderingen aan de interface(s) worden dan toegepast en dan kan er controleerd worden of herstarten goed werkt zonder foutmeldingen. Als de kaart werkt, maar de performance is slecht, dan kan het de moeite waard zijn om &man.tuning.7; door te nemen. Incorrecte netwerkinstellingen kunnen ook tot langzame verbindingen leiden. Soms kunnen enkele device timeouts optreden. Met sommige kaarten is dit normaal gedrag. Maar als dit continu gebeurd of storend is, is het verstandig uit te zoeken of er geen sprake is van een hardwareconfict tussen de netwerkkaart en een ander apparaat Ook dient nogmaals de bekabeling gecontroleer te worden. Misschien zit er niets anders op dan een andere netwerkkaart te gebruiken. Het is ook mogelijk dat er watchdog timeout foutmeldingen optreden. Als eerste moet dan de netwerkkabel fecontroleerd worden. Veel kaarten hebben een PCI slot nodig dat Bus Mastering ondersteunt. Sommige oudere moederborden hebben maar één PCI slot waarmee dit kan (meestal slot 0). In de documentatie van de netwerkkaart en het moederbord is na te gaan of dit het probleem is. No route to host meldingen treden op als het systeem niet in staat is om een pakket naar de eindbestemming te routeren. Dit kan gebeuren als er geen standaardroute aangegeven is of als er een kabel niet verbonden is. De uitvoer van netstat -rn moet gecontroleerd worden en of er een geldige route is naar de bestemming. Mocht dit niet het geval zijn, dan staat er meer informatie in . ping: sendto: Permission denied foutmeldingen worden vaak veroorzaakt door een verkeerd ingestelde firewall. Als de kernel ipfw activeert bij het opstarten zonder dat er firewallregels zijn gedefiniëerd, is het standaardbeleid om alle verkeer te weigeren, zelfs pings! In staat meer informatie. Er kan ook sprake zijn van onvoldoende prestaties doordat de mediaselectie instelling niet optimaal is. In dergelijke gevallen is het mogelijk om de mediaselectie niet als autoselect in te stellen, maar expliciet aan te geven wat de mediaselectie moet zijn, bijvoorbeeld 10baseT/UTP voor twisted pair. Hoewel dit voor de meeste hardware helpt, kan het zijn dat de problemen blijven. Dan moeten nogmaals de netwerkinstellingen gecontroleerd worden en geeft de &man.tuning.7; handleiding wellicht meer informatie. Virtuele Hosts virtuele hosts IP aliassen &os; wordt veel gebruikt voor virtuele sitehosting, waarbij één fysieke server er op het netwerk uitziet alsof het meerdere servers zijn. Dit kan bereikt worden door meerdere IP adressen toe te kennen aan dezelfde interface. Een bepaalde netwerkinterface heeft een echt adres en kan daarnaast een willekeurig aantal alias adressen hebben. Normaliter worden dergelijke aliassen toegevoegd door aliasregels toe te voegen aan /etc/rc.conf. Een aliasregel voor de interface fxp0 ziet er zo uit: ifconfig_fxp0_alias0="inet xxx.xxx.xxx.xxx netmask xxx.xxx.xxx.xxx" De aliasregels moeten beginnen met alias0 en moete elkaar dan opvolgen (bijvoorbeeld _alias1,, _alias2, enzovoort). Het instelproces stopt als er een nummer ontbreekt. Het is belangrijk dat aliassen het juiste netmasker hebben. Dit is eenvoudig: Een bepaalde interface moet altijd één adres hebben dat het netmasker van het netwerk correct representeert. Elk ander adres binnen dit netwerk op deze interface (alias) moet een netmasker van allemaal 1'en (bits) hebben (getoond als 255.255.255.255 of 0xffffffff). Een voorbeeld. Stel de fxp0 interface is verbonden met twee netwerken, het 10.1.1.0 netwerk met masker 255.255.255.0 en het 202.0.75.16 met netmasker 255.255.255.240. Het systeem moet ook de adressen 10.1.1.1 tot en met 10.1.1.5 en 202.0.75.17 tot en met 202.0.75.20 krijgen. Zoals hierboven vermeld, heeft alleen het eerste adres in een netwerkreeks (in dit geval 10.0.1.1 en 202.0.75.17) een geldig netmasker. Alle overige (10.1.1.2 tot en met 10.1.1.5 en 202.0.75.18 tot en met 202.0.75.20) moeten ingesteld worden met het netmasker 255.255.255.255. Dit kan als volgt: ifconfig_fxp0="inet 10.1.1.1 netmask 255.255.255.0" ifconfig_fxp0_alias0="inet 10.1.1.2 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias1="inet 10.1.1.3 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias2="inet 10.1.1.4 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias3="inet 10.1.1.5 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias4="inet 202.0.75.17 netmask 255.255.255.240" ifconfig_fxp0_alias5="inet 202.0.75.18 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias6="inet 202.0.75.19 netmask 255.255.255.255" ifconfig_fxp0_alias7="inet 202.0.75.20 netmask 255.255.255.255" Instellingenbestanden <filename>/etc</filename> layout Instellingengegevens wordt in een aantal mappen bewaard. Daar zijn onder andere: /etc Generieke systeeminstellingenbestanden, specifiek - voor het systeem. + voor het systeem. /etc/defaults De standaardversies van systeeminstellingenbestanden die gebruikt worden als er geen in /etc staat. /etc/mail Extra &man.sendmail.8; instellingenbestanden of instellingenbestanden voor andere MTAs. /etc/ppp Instellingen voor zowel user- als kernel-ppp programma's. /etc/namedb Standaardlocatie voor &man.named.8; gegevens. Normaal gesproken bevinden zich hier named.conf en zonebestanden. /usr/local/etc Instellingenbestanden voor geïnstalleerde software. Kan submappen hebben waarin bij elkaar horende instellingengegevens van een applicatie gegroepeerd zijn. /usr/local/etc/rc.d Start en stop scripts voor geïnstalleerde diensten. /var/db Automatisch gemaakte systeemspecifieke databasebestanden, zoals de packagedatabase, de &man.locate.1; database, enzovoort. Hostnamen hostnaam DNS <filename>/etc/resolv.conf</filename> resolv.conf In /etc/resolv.conf wordt voorgeschreven op welke wijze &os; het Domain Name System (DNS) moet gebruiken. De meest voorkomende termen in resolv.conf zijn: nameserver Het IP adres van een naamserver die ondervraagd moet worden voor naam/IP conversie. De servers worden in volgorde geprobeerd en het maximale aantal is drie. search Zoeklijst voor het opzoeken van hostnamen. Meestal wordt deze bepaald door het domein waarop de lokale hostnaam zich bevindt. domain De lokale domeinnaam. Een typisch resolv.conf bestand: search example.com nameserver 147.11.1.11 nameserver 147.11.100.30 search en domain dienen niet tegelijk gebruikt te worden. Als DHCP wordt gebruikt: &man.dhclient.8; overschrijft meestal resolv.conf met informatie ontvangen van de DHCP server. <filename>/etc/hosts</filename> hosts /etc/hosts is een eenvoudige tekstdatabase uit de dagen van het oude internet. Het werkt samen met DNS en NIS om namen en IP adressen over en weer te vertalen. Lokale computers, verbonden via een LAN, kunnen hier het beste in opgenomen worden om zo op simpele wijze naam/IP conversie voor een LAN te hebben, zonder noodzaak voor een &man.named.8; server. Ook kunnen naamaliassen toegekend worden (vergelijkbaar met CNAMES bij DNS). Op soortgelijke wijze kan /etc/hosts gebruikt worden als een (zeer beperkte) lokale DNS cache. # $&os;$ # # Host Database # Dit bestand hoort de adressen en aliassen te bevatten # voor de lokale hosts die dit bestand gebruiken. # Bij gebruik van DNS of NIS hoeft dit bestand helemaal niet gebruikt # te worden. Zie /etc/nsswitch.conf voor de volgorde van resolutie. # # ::1 localhost localhost.my.domain myname.my.domain 127.0.0.1 localhost localhost.my.domain myname.my.domain # # Verzonnen netwerk. #10.0.0.2 myname.my.domain myname #10.0.0.3 myfriend.my.domain myfriend # # Volgens RFC 1918 mogen de volgende IP netwerken gebruikt worden # als private netwerken die niet met internet verbonden zijn: # # 10.0.0.0 - 10.255.255.255 # 172.16.0.0 - 172.31.255.255 # 192.168.0.0 - 192.168.255.255 # # Als er toch verbinding moet zijn met internet, zijn echte # officieel toegewezen nummers nodig. Probeer ECHT GEEN eigen # netwerknummers te verzinnen, maar vraag ze op bij de provider # (als die er is) of bij de Internet Registry (ftp naar # rs.internic.net, map `/templates'). # /etc/hosts heeft als formaat: [Internet address] [official hostname] [alias1] [alias2] ... Bijvoorbeeld: 10.0.0.1 myRealHostname.example.com myRealHostname foobar1 foobar2 In &man.hosts.5; staat meer informatie. Logboekbestanden Instellen logboekbestanden <filename>syslog.conf</filename> syslog.conf syslog.conf is het instellingenbestand voor het programma &man.syslogd.8;. Het geeft aan welke soorten syslog berichten er gelogd moeten worden en naar welke logboekbestanden, apparaten, gebruikers of machines. # $&os;$ # # Spaties zijn TOEGESTAAN als veldscheiding in dit bestand. # Maar andere *nix-achtige systemen eisen nog steeds het gebruik # van tabs als veldscheiding. Als dit bestand gedeeld wordt met # andere systemen, is het verstandig alle tabs als veldscheiding # te gebruiken. # Zie ook de handleding van syslog.conf(5). *.err;kern.debug;auth.notice;mail.crit /dev/console *.notice;kern.debug;lpr.info;mail.crit;news.err /var/log/messages security.* /var/log/security mail.info /var/log/maillog lpr.info /var/log/lpd-errs cron.* /var/log/cron *.err root *.notice;news.err root *.alert root *.emerg * # verwijder het commentaarkarakter om alle schrijfacties naar # /dev/console naar /var/log/console.log te schrijven. #console.info /var/log/console.log # verwijder het commentaarkarakter om alle berichten naar # /var/log/all.log te schrijven. #*.* /var/log/all.log # # verwijder het commentaarkarakter om alle liggen naar een andere # host in te schakelen met de naam loghost. #*.* @loghost # # verwijder het commentaarkarakter als inn draait. # news.crit /var/log/news/news.crit # news.err /var/log/news/news.err # news.notice /var/log/news/news.notice !startslip *.* /var/log/slip.log !ppp *.* /var/log/ppp.log In &man.syslog.conf.5; staat meer informatie. <filename>newsyslog.conf</filename> newsyslog.conf newsyslog.conf is het instellingenbestand voor &man.newsyslog.8;, een programma dat op gezette tijden via &man.cron.8; wordt uitgevoerd. &man.newsyslog.8; stelt vast wanneer logboekbestanden gearchiveerd moeten worden of anderszins opnieuw gerangschikt moeten worden. logfile wordt hernoemd naar logfile.0, logfile.0 naar logfile.1, enzovoort. newsyslog.conf geeft aan welke logboekbestanden beheerd moeten worden, hoeveel er in archieven bewaard moeten worden en wanneer ze aangemaakt moeten worden. Logboekbestanden kunnen gereorganiseerd en/of gearchiveerd worden als ze een bepaalde grootte bereikt hebben of op een bepaald periodiek tijdstip of een bepaalde datum. # configuration file for newsyslog # $&os;$ # # filename [owner:group] mode count size when [ZB] [/pid_file] [sig_num] /var/log/cron 600 3 100 * Z /var/log/amd.log 644 7 100 * Z /var/log/kerberos.log 644 7 100 * Z /var/log/lpd-errs 644 7 100 * Z /var/log/maillog 644 7 * @T00 Z /var/log/sendmail.st 644 10 * 168 B /var/log/messages 644 5 100 * Z /var/log/all.log 600 7 * @T00 Z /var/log/slip.log 600 3 100 * Z /var/log/ppp.log 600 3 100 * Z /var/log/security 600 10 100 * Z /var/log/wtmp 644 3 * @01T05 B /var/log/daily.log 640 7 * @T00 Z /var/log/weekly.log 640 5 1 $W6D0 Z /var/log/monthly.log 640 12 * $M1D0 Z /var/log/console.log 640 5 100 * Z In &man.newsyslog.8; staat meer informatie. <filename>sysctl.conf</filename> sysctl.conf sysctl sysctl.conf lijkt veel op rc.conf. Waardetoekenning heeft weer de vorm variable=value. De ingestelde &man.sysctl.8; waarden worden doorgevoerd op het moment dat het systeem naar multi-user modus gaat. Niet alle variabelen kunnen in deze modus gewijzigd worden. Hieronder staat een voorbeeld van sysctl.conf waarin het loggen van gevallen waarin een proces beëindigd wordt ten gevolge van een fataal signaal (bijv. een TERM signaal of een exitcode van een programma dat crasht) wordt uitgezet en waarin de &linux; emulatielaag zodanig wordt ingesteld dat een &linux; programma ook echt rapporteert dat het onder &os; draait: kern.logsigexit=0 # Do not log fatal signal exits (e.g. sig 11) compat.linux.osname=&os; compat.linux.osrelease=4.3-STABLE Optimaliseren met sysctl sysctl optimalisering met sysctl &man.sysctl.8; is een interface waarmee veranderingen gemaakt kunnen worden aan een draaiend &os; systeem. Er zijn onder meer vele geavanceerde opties voor de TCP/IP stack en het virtuele geheugensysteem, waarmee een ervaren systeembeheerder de systeemprestaties drastisch kan verbeteren. Met &man.sysctl.8; kunnen meer dan vijfhonderd ststeemvariabelen opgevraagd en ingesteld worden. In essentie heeft &man.sysctl.8; twee funkties: het lezen en wijzigen van systeeminstellingen. Om alle leesbare variabelen te tonen: &prompt.user; sysctl -a Om een bepaalde variabele op te vragen, bijvoorbeeld kern.maxproc: &prompt.user; sysctl kern.maxproc kern.maxproc: 1044 Om een bepaalde variabele toe te kennen (te wijzigen), is de syntaxis - variable=value: - + variable=value: &prompt.root; sysctl kern.maxfiles=5000 kern.maxfiles: 2088 -> 5000 Waarden van sysctl variabelen zijn doorgaans strings (tekst), getallen of booleans (1 als waar, 0 als onwaar). Om automatisch variabelen in te stellen als de machine start, kunnen ze toegevoegd worden aan /etc/sysctl.conf. Meer informatie staat in &man.sysctl.conf.5; en . Tom Rhodes - Een bijdrage van + Geschreven door &man.sysctl.8; Alleen-lezen In sommige gevallen is het wenselijk zijn om &man.sysctl.8; waarden die alleen-lezen zijn toch te wijzigen. Dit wordt niet aangeraden, maar het is soms onvermijdelijk. Op sommige laptops is bijvoorbeeld het apparaat &man.cardbus.4; niet in staat om geheugenregio's af te tasten, met als gevolg foutmeldingen als: cbb0: Could not map register memory device_probe_and_attach: cbb0 attach returned 12 In dergelijke gevallen moeten er meestal enkele &man.sysctl.8; instellingen gewijzigd worden die alleen-lezen zijn en een standaardwaarde hebben. Dit kan bereikt worden door &man.sysctl.8; OIDs in de lokale /boot/loader.conf te zetten. Standaardinstellingen staan in /boot/defaults/loader.conf. Om het bovenstaande probleem op te lossen moet in in /boot/loader.confhw.pci.allow_unsupported_io_range=1 ingesteld worden. Dan werkt &man.cardbus.4; wel goed. Harde schijven optimaliseren Sysctl Variabelen <varname>vfs.vmiodirenable</varname> - - vfs.vmiodirenable - + vfs.vmiodirenable De sysctl variabele vfs.vmiodirenable kan de waarde 0 (uit) of 1 (aan) hebben. De standaardwaarde is 1. Deze variabele bepaalt hoe mappen door het systeem in een cache bewaard worden. De meeste mappen zijn klein en gebruiken slechts een klein fragment (typisch 1 K) in het bestandssysteem en nog minder (typisch 512 bytes) in de buffercache. Als deze variabele uit staat (op 0) bewaart de buffercache slechts een bepaald aantal mappen in de cache, ook al is er een overvloed aan geheugen beschikbaar. Wanneer deze aan staat (op 1), wordt de VM pagecache gebruikt, waardoor voor het cachen van mappen al het geheugen kan worden gebruikt. Het is echter wel zo dat het minimale in-core geheugen dat gebruikt wordt om een map te cachen in dat geval de fysieke pagegrootte is (typisch 4 K) in plaats van 512  bytes. Het is aan te raden deze optie aan te laten staat als gebruik gemaakt worden van diensten die met grote aantallen bestanden werken, zoals webcaches, grote mailsystemen en newsservers. Als deze optie aan blijft staan, verlaagt die de prestaties niet, ook al kost het meer geheugen. Door experimenteren is dit voor een systeem na te gaan. - <varname>vfs.write_behind</varname> + <varname>vfs.write_behind</varname> - - vfs.write_behind - + vfs.write_behind - De sysctl variabele vfs.write_behind + De sysctl variabele vfs.write_behind staat standaard aan (1). Dit betekent dat het bestandssysteem gegevens naar het medium gaat schrijven op het moment dat er een volledig cluster aan data verzameld is Dit is meestal het geval bij het schrijven van grote sequentiële bestanden. Het idee is om te voorkomen dat de buffercache verzadigd raakt met vuile buffers zonder dat dit bijdraagt aan de I/O prestaties. Dit kan echter processen ophouden en onder sommige omstandigheden is het wellicht beter deze sysctl uit te zetten. - + - - <varname>vfs.hirunningspace</varname> + + <varname>vfs.hirunningspace</varname> - - vfs.hirunningspace - + vfs.hirunningspace - De sysctl variabele vfs.hirunningspace + De sysctl variabele vfs.hirunningspace bepaalt hoeveel nog te schrijven gegevens er in het complete systeem op elk moment in de wachtrij naar schijfcontrollers mag staan. De standaardwaarde is meestal voldoende, maar op machines met veel schijven, is het beter deze te verhogen naar vier of vijf megabyte. Het instellen van een te hoge waarde (groter dan de schrijfdrempel van de buffercache) kan leiden tot zeer slechte prestaties bij clustering. Stel deze waarde niet arbitrair hoog in! Hogere schrijfwaarden kunnen vertraging veroorzaken in het lezen, als dit tegelijk plaatsvindt. - Er zijn verscheidene andere sysctls voor buffercache en - VM pagecache. Het wordt afgeraden deze te wijzigen. Sinds - &os; 4.3 is het VM systeem zeer goed in staat zichzelf + Er zijn verscheidene andere sysctls voor buffercache en + VM pagecache. Het wordt afgeraden deze te wijzigen. Sinds + &os; 4.3 is het VM systeem zeer goed in staat zichzelf automatisch te optimaliseren. - - - - <varname>vm.swap_idle_enabled</varname> - - - vm.swap_idle_enabled - - - De sysctl variabele - vm.swap_idle_enabled is nuttig in grote - multi-user systemen met veel gebruikers die af- en aanmelden - en veel onbenutte processen. Dergelijke systemen hebben de - neiging om voortdurend de vrije geheugenreserves onder druk - te zetten. Het is mogelijk om de prioriteit van - geheugenpages die verband houden met onbenutte processen - sneller te laten dalen dan met het normale pageout algoritme, - door deze sysctl aan te zetten en via - vm.swap_idle_threshold1 en + + + + <varname>vm.swap_idle_enabled</varname> + + vm.swap_idle_enabled + + De sysctl variabele + vm.swap_idle_enabled is nuttig in grote + multi-user systemen met veel gebruikers die af- en aanmelden + en veel onbenutte processen. Dergelijke systemen hebben de + neiging om voortdurend de vrije geheugenreserves onder druk + te zetten. Het is mogelijk om de prioriteit van + geheugenpages die verband houden met onbenutte processen + sneller te laten dalen dan met het normale pageout algoritme, + door deze sysctl aan te zetten en via + vm.swap_idle_threshold1 en vm.swap_idle_threshold2 de swapout hysterese (in seconden onbenut) af te stemmen. Deze optie dient alleen gebruikt te worden als ze echt nodig is, want de andere kant van de medaille is dat dit eerder pre-page geheugen inhoudt in plaats van later, waardoor het meer wisselbestand- en schijfbandbreedte kost. In een klein systeem heeft deze optie een voorspelbaar effect, maar in grote systemen waar al sprake is van een matige paging kan deze optie het mogelijk maken voor het VM systeem om hele processen gemakkelijk in en uit het geheugen te halen. - + <varname>hw.ata.wc</varname> - - hw.ata.wc - + hw.ata.wc Ten tijde van &os; 4.3 is er geflirt met het uitzetten van IDE schrijfcaching. Hierdoor neemt de bandbraadte naar IDE schijven af, maar het werd als noodzakelijk beschouwd vanwege ernstige problemen met gegevensinconsistentie die door harddiskproducenten geëintroduceerd waren. Het probleem is dat IDE schijven niet de waarheid vertellen over wanneer een schrijfactie klaar is. Door IDE schrijfcaching wordt data niet alleen ongeordend geschreven, maar soms kan zelfs het schrijven van sommige blokken voortdurend uitgesteld worden als er sprake is van een hoge disklast. Een crash of stroomstoring kan dan ernstige corruptie van het bestandssysteem veroorzaken. Daarom werd de standaardinstelling van &os; voor alle zekerheid gewijzigd. Helaas was het resultaat een groot verlies aan prestaties en na die release is de standaardwaarde weer terug veranderd. Met de sysctl variabele hw.ata.wc kan gecontroleerd worden of schrijfcaching aan of uit staat. Als schrijfcaching uit staat, het die weer aangezet worden door hw.ata.wc naar 1 te zetten. Aangezien dit een kernelvariabele is, moet deze ingesteld worden vanuit de bootloader tijdens het opstarten. Nadat de kernel eenmaal opgestart is, heeft het wijzigen van deze sysctl geen effect. Meer informatie staat in &man.ata.4;. <literal>SCSI_DELAY</literal> (<varname>kern.cam.scsi_delay</varname>) - - kern.cam.scsi.delay - + kern.cam.scsi.delay - kernel options + kernelopties SCSI_DELAY De SCSI_DELAY kernelinstelling kan gebruikt worden om de opstarttijd te versnellen. De standaardwaarde is nogal hoog en kan 15 seconden vertraging veroorzaken. Met modernere SCSI systemen is 5 seconden al voldoende. Nieuwere versies van &os; (5.0 en hoger) gebruiken de opstartvariabele kern.cam.scsi_delay. Zowel deze als de optie SCSI_DELAY gebruiken waarden uitgedrukt in milliseconden en niet in seconden. Softupdates Softupdates tunefs &man.tunefs.8; kan gebruikt worden om een bestandsysteem nauwkeurig af te stellen. Het heeft veel opties, maar nu wordt alleen het aan- en uitzetten van softupdates besproken. Dat gaat als volgt: &prompt.root; tunefs -n enable /filesystem &prompt.root; tunefs -n disable /filesystem Een bestandssysteem kan niet met &man.tunefs.8; gewijzigd worden als het gemount is. Softupdates aanzetten wordt dus in het algemeen gedaan vanuit single-user modus, voordat partities gemount zijn. Vanaf &os; 4.5, is het mogelijk om softupdates aan te zetten op het moment dat de bestandssystemen aangemaakt worden, door middel van de -U optie van &man.newfs.8;. Softupdates zorgen voor een drastische verbetering van de meta-data prestaties, met name het aanmaken en verwijderen van bestanden, door gebruik van een geheugencache. Het wordt dan ook aangeraden om op alle bestandssystemen softupdates te gebruiken. Er zijn twee nadelen aan softupdates: softupdates garandeert een consistent bestandssysteem in geval van een crash, maar het kan makkelijk enkele seconden (zelfs een minuut) achter liggen met het daadwerkelijk bijwerken op de fysieke harde schijf. Als een systeem crasht wordt wellicht meer werk verloren dan anders het geval zou zijn. Daarnaast vertraagt softupdates het vrijgeven van bestandssysteemblokken. Als een bestandssysteem (zoals de root partitie) bijna vol is, dan kan het verrichten van een grote update, zoals make installworld, ertoe leiden dat het bestandssysteem ruimtegebrek krijgt en dat daardoor de operatie mislukt. Meer over Softupdates Softupdates details Er zijn traditioneel twee methodes om de metadata van een bestandssysteem terug naar de schijf te schrijven. Het bijwerken van metadata houdt het bijwerken van van niet-inhoudelijke data zoals inodes of mappen in. Historisch gezien was het gebruikelijk om metadataupdates synchroon weg te schrijven. Als een map bijvoorbeeld gewijzigd was, wachtte het systeem totdat de verandering daadwerkelijk naar de schijf geschreven was. De databuffers (de inhoud van een bestand) werden doorgeschoven naar de buffercache en op een later moment asynchroon op de schijf opgeslagen. Het voordeel van deze benadering is dat ze altijd veilig is. Als het systeem faalt tijdens het bijwerken, is de metadata nog altijd consistent. Een bestand kan volledig gecreëerd zijn of helemaal niet. Als de datablokken van een bestand nog niet van de buffercache naar de schijf geschreven zijn ten tijde van de crash, is &man.fsck.8; in staat om dit te herkennen en het bestandssysteem te repareren door de lengte van het bestand nul te maken. Deze implementatie is ook helder en eenvoudig. Het nadeel is echter dat het wijzigen van metadata een traag proces is. Een rm -r commando benadert bijvoorbeeld alle bestanden in een map sequentiëel, maar elke mapverandering (verwijderen van een bestand) wordt synchroon naar de schijf geschreven. Dit omvat ook het bijwerken van de map zelf, van de inodetabel en mogelijk ook van indirecte blokken die voor het bestand in kwestie zijn gealloceerd. Gelijksoortige processen spelen zich af bij een commando als tar -x, waarbij een grote bestandshiëearchie wordt uitgepakt. De tweede mogelijkheid is om het bijwerken van metadata asynchroon weg te schrijven. Dit is standaard in &linux;/ext2fs en als een *BSD ufs bestandssysteem met mount -o async gemount is, is de werking hetzelfde. Alle bijwerkingen aan metagegevens worden eenvoudigweg doorgegeven aan de buffercache en vermengd met inhoudelijke updates van de bestandsgegevens. Het voordeel is een grote winst aan snelheid, omdat er niet telkens gewacht hoeft te worden op het bijwerken van metagegevens tot deze daadwerkelijk naar de schijf geschreven zijn. De implementatie is ook in dit geval helder en eenvoudig. Het grote nadeel is uiteraard dat er geen enkele garantie is voor de consistentie van het bestandssysteem. Als het systeem faalt tijdens een operatie waarbij veel metagegevens worden bijgewerkt (bijvoorbeeld door een stroomstoring of iemand drukt op de resetknop), blijft het bestandssysteem in een onvoorspelbare toestand achter. Er is geen mogelijkheid om de toestand van het bestandssysteem te onderzoeken als het systeem weer opstart, want de datablokken van een bestand kunnen al weggeschreven zijn geweest terwijl het wegschrijven van bijwerkingen aan de inodetabel of de bijhorende map nog niet plaats heeft gevonden. Het is zelfs onmogelijk om een fsck te implementeren die de overgebleven chaos kan opruimen: de benodigde informatie is gewoon niet volledig aanwezig op de schijf. Als een bestandssysteem op deze manier onherstelbaar beschadigd is, is de enige optie &man.newfs.8; te gebruiken en vervolgens te herstellen van een backup. De gebruikelijke oplossing voor dit probleem is het implementeren van dirty region logging, ook wel journaling genoemd, hoewel deze term niet consistent gebruikt wordt en soms ook wordt gebruikt voor andere vormen van transactielogging. Het bijwerken van metagegevens wordt nog steeds synchroon geschreven, maar slechts naar een klein gebied van de schijf. Later worden ze dan naar de juiste locatie verplaatst. Omdat het loggebied klein is, hoeven de koppen van de schijf zelfs tijdens schrijfintensieve operaties nog maar over een kleine fysieke afstand te bewegen en door deze snellere respons zijn dit soort operaties sneller dan op de traditionele manier. De extra complexiteit van de implementatie is nogal beperkt, dus het risico van introductie van extra bugs valt mee. Een nadeel is dat alle metagegevens tweemaal geschreven worden (eerst naar het loggebied en later nog eens naar de definitieve locatie). Dus bij normaal gebruik kan er sprake zijn van wat men wel noemt een performance pessimization. Anderzijds kunnen in geval van een crash alle nog uitstaande metagegevensoperaties snel worden teruggedraaid of vanuit het loggebied alsnog worden afgemaakt, wanneer de machine weer opstart. Het bestandssysteem start dan snel op. Kirk McKusick, de vader van het Berkeley FFS, loste dit probleem op met softupdates, wat betekent dat alle uitstaande acties voor het bijwerken van metagegevens in het geheugen bewaard worden en dan geordend naar de schijf geschreven worden. Dit heeft het gevolg dat in geval van intensieve operaties met betrekking tot metagegevens, latere bijwerkingen aan een item eerdere bewerkingen opvangen (catch) als deze nog in het geheugen zitten en nog niet weggeschreven waren. Dus alle operaties, op bijvoorbeeld een map, worden in het algemeen eerst in het geheugen uitgevoerd voordat er wordt bijgewerkt naar schijf. De datablokken worden geordend conform hun positie, zodat ze nooit weggeschreven worden voordat hun metagegevens geschreven zijn. Als het systeem een crash ondervindt, veroorzaakt dat impliciet het terugdraaien van uitstaande operaties (log rewind): alle operaties die nog niet weggeschreven waren lijken nooit gebeurd te zijn. Zo wordt een consistent bestandssysteem in stand gehouden dat eruit ziet alsof het 30 tot 60 seconden eerder was. Het gebruikte algoritme garandeert dat alle bronnen die in gebruik zijn als zodanig gemarkeerd worden in hun daarvoor geschikte bitmaps: blokken en inodes. Na een crash is de enige allocatiefout die kan optreden dat bronnen gemarkeerd kunnen zijn als in gebruik (used), terwijl ze feitelijk alweer beschikbaar (free) zijn. &man.fsck.8; herkent deze situatie en stelt dergelijke vrij te maken bronnen opnieuw beschikbaar. Het is volkomen veilig om na een crash te negeren dat het bestandssysteem niet schoon is en het tot mounten te dwingen met mount -f. Om niet langer gebruikte bronnen vrij te maken moet later &man.fsck.8; uitgevoerd worden. Dit is dan ook het idee achter background fsck: op het moment dat het systeem aan het opstarten is, wordt er alleen een snapshot van het systeem bewaard. fsck kan later uitgevoerd worden. Alle bestandssystemen kunnen dirty gemount worden en het systeem kan gewoon verder opstarten naar multi-user modus. Vervolgens zijn er fscks gepland die in de achtergrond draaien voor elk bestandssysteem dat niet schoon is en waarmee bezette bronnen vrijgegeven worden. Bestandssystemen die geen gebruik maken van softupdates moeten echter nog steeds gebruik maken van de normale fsck in de voorgrond. Het voordeel van softupdates is dat operaties op metagegevens bijna net zo snel zijn als asynchrone updates (dat wil zeggen sneller dan met logging, waarbij de metagegevens keer keer geschreven worden). Nadelen zijn de complexiteit van de code (wat een groter risico op bugs impliceert in een gebied dat bijzonder gevoelig is voor verlies van gebruikersgegevens) en een groter geheugenverbruik. Tevens moet de gebruiker wennen aan enkele eigenaardigheden. Na een crash lijkt de toestand van het bestandssysteem wat ouder. In situaties waar de standaard synchrone benadering een aantal lege bestanden zou hebben achtergelaten na fsck, is het met softupdates juist zo dat dergelijke bestanden er helemaal niet zijn, omdat de metadata of de bestandsinhoud nooit naar de schijf is geschreven. Schijfruimte wordt pas vrijgegeven als de bijwerkingen aan metagegevens en inhoudelijke bestandsdata weggeschreven zijn, wat mogelijk pas enige tijd na het uitvoeren van rm plaatsvindt. Dit kan problemen veroorzaken als er grote hoeveelheden data naar een bestandssysteem geschreven worden dat onvoldoende vrije ruimte heeft om alle bestanden twee keer te kunnen bevatten (bijvoorbeeld in /tmp). Fijnafstemming van Kernellimieten fijnafstemming kernellimieten Bestandsproceslimieten <varname>kern.maxfiles</varname> - - kern.maxfiles - + kern.maxfiles kern.maxfiles kan worden verhoogd of verlaagd, afhankelijk van de systeembehoeften. Deze variabele geeft het maximale aantal bestandsdescriptors op een systeem. Als de bestandsdescriptortabel vol is,.toont de systeembuffer meerdere malen file: table is full, hetgeen achteraf te zien is net dmesg. Elk geopend bestand, socket of fifo heeft een bestandsdescriptor. Een grote produktieserver kan makkelijk enige duizenden bestandsdescriptors nodig hebben, afhankelijk van het soort en aantal diensten die tegelijk draaien. De standaardwaarde voor kern.maxfiles wordt bepaald door de optie MAXUSERS in het bestand met kernelinstellingen. kern.maxfiles groeit evenredig met de waarde van MAXUSERS. Als een aangepaste kernel wordt gebouwd, is het een goed idee om deze kerneloptie in te stellen afhankelijk van het gebruikt van een systeemhet (maar niet te laag). Hoewel een produktieserver misschien niet 256 gebruikers gelijktijdige gebruikers heeft, kunnen de benodigde systeembronnen best vergelijkbaar zijn met een grootschalige webserver. Vanaf &os; 4.5 kan meestal het beste MAXUSERS op 0 gezet worden in het bestand met kernelinstellingen. Er wordt dan een redelijke waarde gekozen, die gebaseerd is op de - hoeveelheid RAM in een systeem. - + hoeveelheid RAM in een systeem. <varname>kern.ipc.somaxconn</varname> - - kern.ipc.somaxconn - + kern.ipc.somaxconn De sysctl variabele kern.ipc.somaxconn beparkt de grootte van de luisterwachtrij voor het accepteren van nieuwe TCP verbindingen. De standaardwaarde van 128 is meestal te laag voor robuuste behandeling van nieuwe verbindingen in een zwaarbeladen webserver omgeving. Voor zulke omgevingen wordt aangeraden deze waarde te verhogen tot 1024 of hoger. De dienstdaemon beperkt misschien zelf de luisterwachtrij (bijvoorbeeld &man.sendmail.8; of Apache), maar heeft vaak een mogelijkheid in een configuratiebestand de wachtrijgrootte aan te passen. Grote luisterwachtrijen zijn ook beter in het ontwijken van Ontzegging van Dienst (DoS) aanvallen. Netwerkbeperkingen De kerneloptie NMBCLUSTERS bepaalt het aantal netwerk Mbufs dat beschikbaar is voor een systeem. Een veel bezochte server met een laag aantal Mbufs beperkt de mogelijkheden van &os;. Elk cluster staat voor ongeveer 2 K geheugen, dus een waarde van 1024 stelt 2 megabyte aan kernelgeheugen voor, dat is gereserveerd voor netwerkbuffers. Een simpele berekening geeft aan hoeveel er nodig is. Stel dat een webserver met een maximum van 1000 simultane verbindingen voor elke verbinding 16 K aan ontvangst netwerkbuffers en 16 K aan zendbuffers kost, dan is ongeveer 32 MB aan netbuffers nodig voor de webserver. Een goede vuistregel is te vermeniguldigen met twee, dus 2x32 MB / 2 KB = 64 MB / 2 kB = 32768. Voor machines met veel geheugen wordt 4096 tot 32768 aangeraden. Er moet in geen geval een arbitrair hoge waarde voor deze sysctl opgegeven worden, want dat kan leiden tot een crash tijdens het opstarten. Met de optie van &man.netstat.1; kan clustergebruik van het netwerk bekeken worden. De loaderparameter kern.ipc.nmbclusters moet gebruikt worden om dit tijdens het opstarten toe te passen. Alleen voor oudere versies van &os; is het nodig om de kerneloptie NMBCLUSTERS te gebruiken. Voor drukke servers die extensief gebruik maken van de systeemaanroep &man.sendfile.2;, kan het nodig zijn het aantal &man.sendfile.2; buffers te verhogen via de kerneloptie NSFBUFS of door de waarde in te stellen in /boot/loader.conf (in &man.loader.8; staan details). Als er in de procestabel processen staan met een status sfbufa is dat een algemene indicator dat deze parameter aangepast moet worden. De sysctl variabele kern.ipc.nsfbufs is alleen-lezen en laat zien op welke waarde deze kernelvariabele is ingesteld. Deze parameter schaalt engiszins met de variabele kern.maxusers, maar het kan nodig zijn om deze bij te stellen. Zelfs als een socket als non-blocking gemarkeerd is, dan nog kan het aanroepen van &man.sendfile.2; op de non-blocking socket ertoe leiden dat er toch blokkade optreedt totdat er voldoende struct sf_buf's vrijgemaakt zijn. <varname>net.inet.ip.portrange.*</varname> - - net.inet.ip.portrange.* - + net.inet.ip.portrange.* De sysctle variabelelen net.inet.ip.portrange.* bepalen welke reeks poortnummers automatisch gebonden wordt aan TCP en UDP sockets. Er zijn drie gebieden: een laag gebied, een (standaard) middengebied en een hoog gebied. De meeste netwerkprogramma's gebruiken het standaardbereik, wat begrensd wordt door net.inet.ip.portrange.first en net.inet.ip.portrange.last met standaardwaarden van respectievelijk 1024 en 5000. Gebonden poortreeksen worden gebruikt voor uitgaande verbindingen en het is onder bepaalde omstandigheden mogelijk dat poorten op raken. Dit gebeurt meestal in het geval van een zwaar belaste webproxy. Poortbereik is niet van belang als vooral diensten draaien die zich bezighouden met inkomende verbindingen, zoals een normale webserver, of als het aantal uitgaande verbindingen beperkt is, zoals bij een mailrelay. Voor situaties waarin een tekort aan poorten dreigt, wordt aangeraden om net.inet.ip.portrange.last bescheiden op te hogen. Een waarde van 10000, 20000 of 30000 is redelijk. Er moet ook rekening met effecten op firewalls gehouden worden als de poortreeks gewijzigd wordt. Sommige firewalls kunnen grote poortreeksen blokkeren, meestal de lagere poorten, en verwachten dat andere systemen hogere poorten gebruiken voor uitgaande verbindingen. Om deze reden wordt het aanbevolen om net.inet.ip.portrange.first te verlagen. TCP Bandbreedtevertragingsproduct (TCP Bandwidth Delay Product) TCP bandbreedtevertragingsproduct - - net.inet.tcp.inflight_enable - + net.inet.tcp.inflight.enable De TCP bandbreedtevertragingsproduct limitatie lijkt op TCP/Vegas in NetBSD. Het kan aangezet worden door de sysctl - variabelel net.inet.tcp.inflight_enable + variabelel net.inet.tcp.inflight.enable de waarde 1 te geven. Het systeem tracht dan het bandbreedtevertragingssprodukt te berekenen voor elke verbinding en beperkt dan de hoeveelheid gegevens in de wachtrij naar het netwerk tot de hoeveelheid die vereist is om maximale doorvoer te kunnen handhaven. Dit is nuttig bij gebruik van modems, Gigabit Ethernet of zelfs bij hoge snelheid WAN links (of elke andere link met een groot bandbreedtevertragingsprodukt), in het bijzonder als ook windowschaling of een groot verzendwindow gebruikt wordt. Als deze optie aangezet wordt, dient ook - net.inet.tcp.inflight_debug de waarde + net.inet.tcp.inflight.debug de waarde 0 te krijgen (geen debugging) en voor produktiegebruik kan het instellen van - net.inet.tcp.inflight_min naar minstens + net.inet.tcp.inflight.min naar minstens 6144 voordeel opleveren. Het instellen van hoge minima kan effectief het beperken van bandbreedte ondermijnen, afhankelijk van de link. De mogelijkheid tot limitering zorgt ervoor dat de hoeveelheid data die opgebouwd wordt, in tussentijdse route- en switchwachtrijen verlaagd kan worden en tevens kan de hoeveelheid gegevens die opgebouwd wordt in de interfacewachtrij van de lokale host verlaagd worden. Met minder pakketten in wachtrijen, kunnen interactieve verbindingen opereren met lagere Round Trip tijden, met name over langzame modems. Deze optie gaat alleen over datatransmissie (upload / serverkant) en heeft geen effect gegevensontvangst (download / clientkant). Aanpassen van - net.inet.tcp.inflight_stab wordt + net.inet.tcp.inflight.stab wordt niet aangeraden. Deze parameter krijgt standaard een waarde van 20, wat 2 maximale pakketten opgeteld bij de bandbreedtevensterberekening representeert. Het extra venster is nodig om het algoritme stabiel te houden en om de reactietijd bij veranderende omstandigheden te verbeteren, maar het kan ook leiden tot langere pingtijden over langzame verbindingen (zonder het inflight algoritme kan dit echter nog erger zijn). In dergelijke gevallen kan deze parameter misschien verlaagd worden naar 15, 10 of 5 en misschien moet voor het gewenste effect ook - net.inet.tcp.inflight_min verlaagd worden + net.inet.tcp.inflight.min verlaagd worden (bijvoorbeeld naar 3500). Het verlagen van deze parameters moet pas in laatste instantie overwogen worden. + + + In 4.X en eerdere releases van &os; staan de sysctl + variabelen inflight direct onder + net.inet.tcp. Hun namen zijn (in + alfabetische volgorde): + net.inet.tcp.inflight.debug, + net.inet.tcp.inflight.enable, + net.inet.tcp.inflight.max, + net.inet.tcp.inflight.min, + net.inet.tcp.inflight.stab. + Wisselbestandruimte Toevoegen Hoe goed er ook gepland wordt, soms draait een systeem gewoon niet zoals verwacht. Een oorzaak hiervoor kan een tekort aan wisselbestandruimte zijn. Als blijkt dat er meer wisselbestandruimte nodig is, kan dat eenvoudig. Er zijn drie manieren om de totale ruimte beschikbaar als wisselbestand te vergroten: een nieuwe harde schijf toevoegen, swappen over NFS of een wisselbestand maken op een bestaande (UFS of andere) partitie. Wisselbestand (partitie) op een Nieuwe Harde Schijf Dit is natuurlijk de beste manier om de wisselbestandsruimte te vergroten en een goed excuus om een extra harde schijf toe te voegen. Die komt immers altijd wel van pas. In dat geval kan het beste de discussie over wisselbestandruimte in nog eens herlezen worden om wat suggesties te krijgen over hoe wisselbestandpartitie(s) het beste ingedeeld kunnen worden. Swappen over NFS In het algemeen wordt swappen over NFS niet aangeraden omdat het langzaam is. Dit dient alleen gebruikt te worden als het onmogelijk om naar een lokale schijf te swappen. In &os; versies voor 4.X was het hanteren van een wisselbestand over NFS erg langzaam en inefficiënt. Nieuwere versies werken beter, maar dan nog wordt swappen over NFS sterk gelimiteerd door de aanwezige netwerkbandbreedte en belast het de NFS server. Wisselbestanden Het is mogelijk om een bestand aan te maken van een bepaalde grootte en dit als swap te gebruiken. In dit voorbeeld wordt een 64 MB bestand gebruikt, /usr/swap0. Uiteraard kan een willekeurige naam gebruikt worden. Een Wisselbestand Aanmaken met &os; 4.X De kernel moet het vnode stuurprogramma bevatten. In recente versies van GENERIC is vnode niet opgenomen. pseudo-device vn #Vnode driver (turns a file into a device) Een vn-apparaat aanmaken: &prompt.root; cd /dev &prompt.root; sh MAKEDEV vn0 Een wisselbestand aanmaken (/usr/swap0): &prompt.root; dd if=/dev/zero of=/usr/swap0 bs=1024k count=64 Correcte rechten op (/usr/swap0) instellen: &prompt.root; chmod 0600 /usr/swap0 Wisselbestand opnemen in /etc/rc.conf: swapfile="/usr/swap0" # Set to name of swapfile if aux swapfile desired. Nu kan de machine herstart worden of het wisselbestand meteen te gebruiken: &prompt.root; vnconfig -e /dev/vn0b /usr/swap0 swap Een Wisselbestand Aanmaken met &os; 5.X De kernel moet het stuurprogramma voor de geheugendisk (&man.md.4;) bevatten. Dat zit standaard in de GENERIC kernel. device md # Memory "disks" Het wisselbestand /usr/swap0 aanmaken: &prompt.root; dd if=/dev/zero of=/usr/swap0 bs=1024k count=64 De correctie rechten op /usr/swap0 instellen: &prompt.root; chmod 0600 /usr/swap0 Het wisselbestand opnemen in /etc/rc.conf: swapfile="/usr/swap0" # Set to name of swapfile if aux swapfile desired. De machine moet herstart worden of om het wisselbestand direct in te schakelen: &prompt.root; mdconfig -a -t vnode -f /usr/swap0 -u 0 && swapon /dev/md0 Hiten Pandya Geschreven door - Tom Rhodes Energie- en Bronnenbeheer Het is belangrijk om hardwarebronnen op een efficiënte wijze te benutten. Voordat ACPI geïntroduceerd werd was het erg lastig en onflexibel om het energieverbruik en de thermische eigenschappen van een systeem te beheersen. De hardware werd beheerst door deze of gene interface, ingebed in het BIOS, zoals de Plug-n-play BIOS (PNPBIOS) of Advanced Power Management (APM), enzovoort. Energie- en bronnenbeheer is een kerntaak van moderne besturingssystemen. Het besturingssysteem moet bijvoorbeeld systeemlimieten in de gaten houdt (en mogelijk een SMS sturen of iets dergelijks) als de systeemtemperatuur onverwacht toeneemt. In dit deel van het &os; handboek wordt uitgebreide informatie verschaft over ACPI. Aan het einde staan referenties naar meer leesmateriaal. ACPI is op &os; 5.X en nieuwere systemen als een standaard ingeladen kernelmodule aanwezig. In &os; 4.9 kan ACPI aangezet worden door de regel device acpica toe te voegen aan het bestand met kernelinstellingen en een nieuwe kernel te bouwen en te installeren. Wat is ACPI? ACPI APM - Advanced Configuration and Power Interface (ACPI) is een standaard die door een alliantie van producenten geschreven is, met als doel te voorzien in een een standaardinterface voor hardware bronnen- en energiebeheer. Een belangrijk element is dat het meer flexibiliteit en beheersmogelijkheden biedt aan het besturingssysteem (OS). Moderne systemen hebben de limieten van de huidige PNP interfaces verder opgerekt dan wenselijk en misschien wel mogelijk was. ACPI is de directe opvolger van APM (Advanced Power Management). Centraal is het verleggen van hardwarebeheer en -monitoring naar de OS laag in plaats van de zeer beperkte BIOS laag. Tekortkomingen van APM Met de Advanced Power Management (APM) faciliteit kan het energieverbruik van een systeem geregeld worden op basis van de systeemactiviteit. Het APM BIOS wordt geleverd door de systeemproducent of -verkoper en het is specifiek voor dat betreffende hardware platform. Een APM stuurprogramma in het besturingssysteem regelt vervolgens de toegang tot de APM Software Interface, die het besturen van vermogensniveau mogelijk maakt. Er zijn vier hoofdproblemen met APM te onderscheiden: ten eerste wordt het energiebeheer verricht door een BIOS (afhankelijk van producent) en het besturingssysteem heeft daar geen kennis van. De gebruiker die idle-time waarden instelt voor een harde schijf in het APM BIOS is hier een voorbeeld van. Dan zal het BIOS de harde schijf langzamer kunnen laten draaien zonder dat het besturingssysteem de noodzaak ziet of het goedkeurt. Ten tweede: de APM logica is ingebed in de BIOS, waardoor het buiten het besturingssysteem om opereert. Dit houdt in dat gebruikers problemen met hun APM BIOS alleen kunnen verhelpen door een nieuw BIOS in het ROM te flashen, wat een gevaarlijke en mogelijk onherstelbare operatie is. Ten derde is APM een producent-specifieke technologie, in de zin dat er altijd een hoge mate van duplicatie zal zijn van al dan niet geslaagde pogingen om het wiel opnieuw uit te vinden en uiteraard ook van bugs. Er is geen enkele garantie dat het wegnemen van een bug door een producent ook een zelfde bug wegneemt bij een concurrent. Tenslotte is het van belang te weten dat de APM BIOS in het algemeen gewoon te weing geheugen kon gebruiken om een ingewikkeld energiebeheer te kunnen implementeren. Laat staan dat deze goed aanpasbaar was aan veranderlijke doelstellingen voor de betreffende machine. Plug-n-play BIOS (PNPBIOS) was in veel situations onbetrouwbaar. PNPBIOS is 16-bit technologie, dus het besturingssysteem moet 16-bit emulatie gebruiken om met PNPBIOS methoden te kunnen samenwerken. Het &os; stuurprogramma APM is gedocumenteerd in &man.apm.4;. <acronym>ACPI</acronym> Instellen Het stuurprogramma acpi.ko wordt standaard geladen bij het opstarten door de &man.loader.8; en hoeft niet gecompileerd te worden. De redenatie is dat er met modules gemakkelijker gewerkt kan worden, bijvoorbeeld een andere acpi.ko gebruiken zonder dat er een nieuwe kernel gebouwd moet worden. Dit heeft het voordeel dat testen eenvoudiger is. Een andere reden is dat het opstarten van ACPI nadat een systeem eenmaal volledig opgestart is, weinig nuttig is en in sommige gevallen fataal kan zijn. In geval van tijfel kan ACPI beter uitgeschakeld worden. Dit stuurprogramma kan niet gestopt worden als het eenmaal geladen is, omdat de systeembus het gebruikt voor allerlei interacties met hardware. ACPI kan uitgezet worden met het hulpprogramma &man.acpiconf.8;. In feite kan de meeste interactie met het ACPI systeem gedaan worden via &man.acpiconf.8;. In wezen betekent dit dat als er iets over ACPI in &man.dmesg.8; staat, het hoogstwaarschijnlijk al draait. ACPI en APM kunnen niet samenleven en moeten afzonderlijk en exclusief gebruikt worden. De laatste die gestart wordt bepaalt of het stuurprogramma de ander wel of niet ziet. In haar eenvoudigste vorm kan ACPI gebruikt worden om het systeem in slaapmodus te zetten met de vlag en een 1-5 optie met &man.acpiconf.8;. De meeste gebruikers hebben alleen 1 nodig. De optie 5 verricht een soft-off, wat hetzelfde is als: &prompt.root; halt -p Andere opties zijn mogelijk. In &man.acpiconf.8; staat meer informatie. Nate Lawson Geschreven door - Peter Schultz Met medewerking van - Tom Rhodes &os; <acronym>ACPI</acronym> Gebruiken en Debuggen ACPI is een totaal nieuwe manier om apparaten te ontdekken, om energieverbruik te beheren en om een gestandaardiseerde toegang te bieden tot allerlei apparaten die eerder via het BIOS beheerd werden. Er wordt voortdurend vooruitgang geboekt om ACPI op alle systemen te laten werken, maar bugs in de ACPIMachine Language (AML) bytecode van sommige moederborden, onvolledigheden in &os;'s kernel subsystemen en bugs in de &intel; ACPI-CA interpreter blijven opduiken. Deze tekst is bedoeld om de &os; ACPI beheerders (maintainers) te helpen met het vinden van de hoofdoorzaken van problemen die voorkomen en met het debuggen en het vinden van een oplossing. Debuginformatie Aanleveren Voordat een probleem wordt aanmeld, moet het zeker zijn dat de laatste BIOS versie draait en indien beschikbaar de geïntregeerde controller firmware versie. Diegenen die meteen een probleem willen indienen, sturen de volgende informatie naar freebsd-acpi@FreeBSD.org: Omschrijving van het foutieve gedrag, inclusief systeemtype en model en alles wat de fout kan veroorzaken. Als het een nieuw fenomeen is, dan dient ook zo accuraat mogelijk aangegeven te worden wanneer de fout het eerst optrad. De &man.dmesg.8; uitvoer van boot -v, inclusief foutmeldingen die gegenereerd worden als de fout optreedt. De &man.dmesg.8; uitvoer van boot -v met ACPI uitgeschakeld, indien het uitzetten van ACPI het probleem oplost. Uitvoer van sysctl hw.acpi. Dit is tevens een goede manier om uit te vinden welke ACPI mogelijkheden een systeem heeft. Een URL waar de ACPISource Language (ASL) gevonden kan worden. De ASL dient niet rechtstreeks naar de lijst gezonden te worden, omdat deze nogal groot kan zijn. Een kopie van een ASL kan gemaakt worden met het volgende commando: &prompt.root; acpidump -t -d > name-system.asl (Vervang een aanmeldnaam door $NAME en producent/model door $SYSTEM. Bijvoorbeeld: njl-FooCo6000.asl) De meeste &os; programmeurs lezen de &a.current; mailinglijst, maar problemen gaan bij voorkeur ook naar &a.acpi.name; zodat ze zeker gezien worden. Het kan enige tijd duren voordat er antwoord komt, omdat deze mensen elders ook nog fulltime banen hebben. Als de bug niet meteen duidelijk is, komt er waarschijnlijk en verzoek om een PR in te dienen via &man.send-pr.1;. Als er een PR moet worden opgesteld, dan dient alle hierboven gevraagde informatie vermeld te worden. Dit helpt om het probleem te kunnen volgen en oplossen. Het sturen van een PR zonder eerst &a.acpi.name; te mailen is niet wenselijk, aangezien men PRs gebruikt als herinnering, niet als rapportagesysteem. Mogelijk is een probleem al eens door iemand anders aangemeld. Achtergrond ACPI is aanwezig op alle moderne computers die voldoen aan de ia32 (x86), ia64 (Itanium) of amd64 (AMD) architecturen. De volledige standaard heeft vele mogelijkheden zoals CPU prestatiebeheer, energiebeheer, thermische zones, diverse batterijsystemen, ingebedde controllers en busnummering. De meeste systemen implementeren minder dan de volledige standaard. Een desktopsysteem implementeert bijvoorbeeld meestal alleen busnummering, terwijl laptops mogelijk ook koeling- en batterijbeheer ondersteunen. Laptops hebben ook suspend en resume (slapen en wakker worden) met hun eigen aanverwante comlexiteit. Een ACPI-compliant systeem heeft verscheidene componenten. Het BIOS is de eerste en dan zijn er verscheidene tabellen in het geheugen zoals FADT die zaken als de APIC map (gebruikt voor SMP) specificeren, beschikbaar gesteld door verschillende producenten/verkopers. Daarnaast zijn er specifieke eenvoudige instellingen en instellingenregisters, ook allen specifiek voor de leverancier. Ook wordt er een tabel van bytecode (de Differentiated System Description Table DSDT) geleverd die een op een boomstructuur lijkende namespace biedt voor apparaten en apparaatobjectfuncties. Het stuurprogramma ACPI moet de voorgedefinieerde tabellen verwerken, een interpreter voor de bytecode implementeren en apparaatstuurprogramma's en de kernel aanpassen om alleen al informatie van het ACPI subsysteem te kunnen accepteren. &intel; heeft een interpreter beschikbaar gesteld (ACPI-CA) die door &os; en ook door &linux; en NetBSD gebruikt wordt. De ACPI-CA broncode staat in src/sys/contrib/dev/acpica. De lijmcode (glue code) die ACPI-CA laat werken met &os; staat in src/sys/dev/acpica/Osd. Stuurprogramma's die verscheidene ACPI apparaten implementeren staan in src/sys/dev/acpica. Algemene Problemen Wil ACPI goed werken, dan moeten alle onderdelen goed werken. Hieronder staan enkele algemene problemen in volgorde van hoe vaak ze optreden en enkele mogelijke oplossingen of manieren om de problemen te vermijden. Suspend/resume ACPI heeft drie slaapstanden waarbij het geheugen (RAM) wordt ingezet. Dit zijn de STR toestanden S1-S3,en nog een slaap-met-gebruik-van-harde-schijf toestand (STD) die S4 heet. S5 is zacht uit en is de normale status van een systeem als het is aangesloten maar niet is aangezet. S4 kan feitelijk op twee manieren geïmplementeerd worden: S4BIOS is een slaapstand naar schijf met behulp van het BIOS en S4OS wordt volledig door het besturingssysteem beheerd. als eerste dienen de sysctl items die iets met de slaapstand te maken hebben gecontroleerd te worden. Hieronder staan de resultaten voor een Thinkpad: hw.acpi.supported_sleep_state: S3 S4 S5 hw.acpi.s4bios: 0 Dit betekent dat hier acpiconf -s gebruikt kan worden om S3, S4 OS en S5 te testen. Als gelijk was aan (1), dan zou er S4BIOS ondersteuning zijn in plaats van S4 OS. Als suspend/resume getest moet worden, dient, indien ondersteund, bij S1 begonnen te worden. Deze toestand heeft de grootste kans om te werken, omdat deze niet veel stuurprogrammaondersteuning vereist. Niemand heeft nog S2 geïmplementeerd, maar het is ongeveer hetzelfde als S1. Daarna wordt S3 getest. Dit is het diepste STR niveau en heeft uitgebreide ondersteuning van stuurprogramma's nodig om hardware goed opnieuw te kunnen starten. Mochten er blokkades optreden, dan kan naar de &a.acpi.name; lijst gemaild worden. Er kan echter geen snelle oplossing verwacht worden, omdat er nog de nodige stuurprogramma's/hardware liggen om getest en bewerkt te worden. Om een probleem te kunnen isoleren helpt het om zoveel mogelijk stuurprogramma's uit de kernel te halen. Als dit werkt, kan er teruggewerkt worden naar de driver die schuldig is aan het falen. Meestal vertonen binaire stuurprogramma's als nvidia.ko, X11 beeldschermstuurprogramma's en USB de meeste problemen, terwijl bijvoorbeeld Ethernet interfaces meestal meteen goed werken. Als de stuurprogramma's zonder problemen geladen en verwijderd kunnen worden, dan is dit te automatiseren door de juiste commando's in /etc/rc.suspend en /etc/rc.resume te zetten. Er staat een voorbeeld (achter commentaartekens) voor het laden en verwijderen van een driver. Als het beeldscherm er na wakker worden vreemd uitziet, kan geprobeerd worden naar nul (0) te zetten. Met langere of kortere waarden voor kan bekeken worden of dat helpt. In geval van problemen is het ook een optie om een recente &linux; distibutie met ondersteuning voor ACPI support te starten en daarvan de suspend/resume ondersteuning op dezelfde hardware uit te proberen. Als het werkt met &linux;, dan is het waarschijnlijk een &os; stuurprogrammaprobleem en als het mogelijk is uit te vinden over welke driver het gaat, kan dat bijdragen aan het oplossen van het probleem. ACPI houdt zich in het algemeen niet bezig met andere stuurprogramma's bijvoorbeeld geluid, ATA, enzovoort. Als er dus een echt driverprobleem is, dan is waarchijnlijk uiteindelijk ook nodig naar de &a.current.name; lijst te posten en naar de beheerder van het stuurprogramma. Voor degenen met moed is het vooral aan te raden een paar &man.printf.3;s in problematische stukken van een stuurprogramma te plaatsen voor debugging om na te gaan waar de resumefunctie precies hangt. Tot slot kan geprobeerd worden om ACPI uit te zetten en in plaats daarvan APM aan te zetten. Als suspend/resume werkt met APM, is het wellicht verstandig het daarbij te houden, vooral met wat oudere apparatuur (voor 2000). Producenten hebben nogal wat tijd nodig gehad om ACPI ondersteuning goed te krijgen en voor oudere hardware is het waarschijnlijker dat er BIOS problemen zijn met ACPI. Systeem Hangt (tijdelijk of permanent) Meestal is het hangen van het systeem het gevolg van verloren interrupts of een interruptstorm. Chipsets kunnen een heleboel problemen hebben, afhankelijk van hoe het BIOS interrupts instelt voor het opstarten, of de APIC (MADT) tabel correct is en de routering van het System Control Interrupt (SCI). interrupt storms Interruptstorms kunnen onderscheiden worden van verloren geraakte interrupts door de uitvoer van vmstat -i te controleren en de regel met acpi0 goed te lezen. Als de teller in toenemende mate hoger staat dan enkele per seconde, dan is sprake van een interruptstorm. Als het systeem lijkt te hangen, is het wellicht nog mogelijk door te dringen tot de DDB (CTRL ALTESC) show interrupts uit te voeren. ACPI disabling De beste hoop in geval van interruptproblemen is om APIC ondersteuning uit te zetten met hint.apic.0.disabled="1" in loader.conf. Panics Panics zijn relatief zeldzaam met ACPI en krijgen de hoogste prioriteit bij het oplossen. Eerst moeten de verschillende gebeurtenissen waarmee de panic (als mogelijk) te reproduceren is geïsoleerd worden en moet een backtrace gemaakt worden. options DDB dient aangezet te worden en er dient een een seriële console () of een &man.dump.8; partitie te komen.. In DDB is een backtrace te maken met tr. Als de backtrace handmatig opgeschreven moet worden, is het belangrijk dat in ieder geval de bovenste en onderste vijf (5) regels van de backtrace genoteerd worden. Daarna dient getracht te worden het systeem te starten zonder ACPI. Als dat werkt, is het ACPI subsysteem geïsoleerd en kunnen de verschillende waarden uitgeprobeerd worden. In &man.acpi.4; staan enkele voorbeelden. Systeem Slaat Aan na Slaapstand of Stop hw.acpi.disable_on_poweroff="0" kan uitgezet worden in &man.loader.conf.5;. Hierdoor schakelt ACPI bepaalde gebeurtenissen tijdens het afsluitproces niet uit. Om dezelfde redenen moeten sommige systemen deze waarde altijd op 1 (standaard) hebben staan. In het algemeen lost dit een probleem op waarbij een systeem spontaan weer opkomt nadat het in slaapstand is gezet of geheel gestopt is. Overige Problemen Als er nog andere problemen zijn met ACPI (met een docking station of apparaten niet gedetecteerd, enzovoort), dan kan een mail met beschijving naar de mailinglijst gezonden worden. Sommige zaken kunnen echter gerelateerd zijn aan delen van het ACPI subsysteem die nog niet af zijn, dus het kan in sommige gevallen een tijd duren. Gebruikers moeten soms geduld hebben en de bereidheid om eventuele patches uit te proberen. <acronym>ASL</acronym>, <command>acpidump</command> en <acronym>IASL</acronym> ACPI ASL Het grootste probleem is dat BIOS producenten vaak incorrecte (of gewoon foutieve) bytecode leveren. Dit blijkt doorgaans uit kernelboodschappen als: ACPI-1287: *** Error: Method execution failed [\\_SB_.PCI0.LPC0.FIGD._STA] \\ (Node 0xc3f6d160), AE_NOT_FOUND Vaak kunnen dergelijke problemen geoplost worden door de BIOS bij te werken tot de laatste revisie. De meeste consoleberichten zijn onschuldig, maar als er andere problemen zijn, zoals batterijstatus die niet werkt, dan ligt het voor de hand te zoeken naar problemen in de AML code. De bytecode die AML genoemd wordt, wordt gecompileerd van een broncodetaal ASL. Deze staat weer in een tabel DSDT. Met &man.acpidump.8; kan een kopie van de ASL gemaakt worden. Dan moeten zowel de opties (laat inhoud van vaste tabellen zien) als (disassembleer AML naar ASL) gebruikt worden. In Debuginformatie Aanleveren staat een voorbeeld. De eenvoudigste eerste controle is de ASL code opnieuw compileren en kijken of er foutmeldingen optreden. Waarschuwingen kunnen doorgaans genegeerd worden, maar fouten zijn bugs die er meestal toe leiden dat ACPI niet correct werkt. Om ASL te hercompileren: &prompt.root; iasl eigen.asl <acronym>ASL</acronym> Repareren ACPI ASL Op langere termijn is het de bedoeling dat voor vrijwel elke machine ACPI werkt zonder enig ingrijpen van de gebruiker. Op dit moment wordt er echter nog gewerkt aan oplossingen voor veel voorkomende vergissingen die BIOS producenten maken. De µsoft; interpreter (acpi.sys en acpiec.sys) controleert niet strikt of het BIOS volledig aan de standaard voldoet, waardoor het voorkomt dat BIOS makers die alleen testen onder &windows; bepaalde fouten in hun ASL nooit correct repareren. &os; hoopt door te gaan met de identificatie en documentatie van welk niet-standaard gedrag precies wordt toegelaten door µsoft;'s interpreter en te dit te repliceren zodat &os; kan werken zonder dat gebruikers zich gedwongen zien om de ASL te repareren. Als een tijdelijke oplossing en om te helpen met het in kaart brengen van bepaald gedrag, kan de ASL handmatig gerepareerd worden. Mocht dit lukken, dan wordt erop aangedrongen een &man.diff.1; van de oude en de nieuwe ASL te mailen, zodat het foutieve gedrag mogelijk in ACPI-CA kan worden verwerkt, waardoor andere gebruikers niet meer handmatig met hun ASL aan de gang hoeven. ACPI error messages Hieronder staat een lijst algemene foutmeldingen, hun oorzaken en hoe ze op te lossen: _OS afhankelijkheden Sommige AMLs gaan ervan uit dat de wereld enkel bestaat uit &windows; versies. &os; kan zich voordoen als elk OS om te kijken of dit problemen oplost. Een gemakkelijke manier om dit te doen is hw.acpi.osname="Windows 2001" in te stellen in /boot/loader.conf of andere gelijksoortige strings die in een ASL staan. Ontbrekende Return Opdrachten Sommige methoden hebben geen specifieke returnwaarde, zoals wel vereist wordt door de standaard. Hoewel ACPI-CA hier niets mee doet, heeft &os; de mogelijkheid tot impliciete returns. Er kunnen ook expliciet return opdrachten toegevoegd worden waar vereist, als het bekend is welke waarden teruggevoerd moeten worden. Om iasl te dwingen tot compilatie van ASL kan de schakeloptie gebruikt worden. De Standaard <acronym>AML</acronym> Aanpassen Nadat eigen.asl aangepast is, kan deze als volgt gecompileerd wordent: &prompt.root; iasl eigen.asl Met de optie is af te dwingen dat de AML gemaakt wordt, zelfs als er compileerfouten optreden. Sommige fouten (zoals ontbrekende return opdrachten) worden automatisch opgelost door de interpreter. DSDT.aml is de standaardnaam voor het bestand dat door iasl wordt geproduceerd. Dit is in plaats van de foutieve versie uit het BIOS (die nog steeds aanwezig is in het flashgeneugen) te laden door /boot/loader.conf als volgt te wijzigen: acpi_dsdt_load="YES" acpi_dsdt_name="/boot/DSDT.aml" DSDT.aml moet in de map /boot staan. Debuguitvoer van <acronym>ACPI</acronym> Verkrijgen ACPI problems ACPI debugging Het stuurprogramma ACPI heeft een zeer flexibele debugfaciliteit. Er kan zowel een set van subsystemen aangegeven worden als het niveau van uitvoerigheid. De te debuggen subsystemen worden aangegeven als lagen (layers) en zijn opgedeeld in ACPI-CA componenten (ACPI_ALL_COMPONENTS) en ACPI hardware ondersteuning (ACPI_ALL_DRIVERS). De uitvoerigheid van debuguitvoer wordt aangegeven als het niveau (level) en gaat van CPI_LV_ERROR (alleen fouten rapporteren) tot ACPI_LV_VERBOSE (alles). Het niveau is een bitmasker en dus kunnen er meerdere opties tegelijk ingeschakeld worden (gescheiden door spaties). In de praktijk wordt wellicht een seriële console gebruikt om de uitvoer te loggen als deze zo omvangrijk is dat de console berichtbuffer vol loopt (misschien wel meerdere keren). Een complete lijst van de individuele lagen en niveaus staat in &man.acpi.4;. Debuguitvoer staat staandaard niet aan. Door options ACPI_DEBUG toe te voegen aan het bestand met kernelinstellingen als ACPI als de kernel is gebouwd, wordt het ingeschakeld. Door ACPI_DEBUG=1 toe te voegen aan /etc/make.conf wordt het systeembreed ingeschakeld. Als ACPI als module wordt gebruikt (de normale situatie), dan hoeft slechts de acpi.ko module opnieuw gecompileerd te worden: &prompt.root; cd /sys/modules/acpi/acpi && make clean && make ACPI_DEBUG=1 acpi.ko moet in /boot/kernel komen te staan en de gewenste debuglaag en het gewenste niveau van uitvoerigheid dienen toegevoegd te worden aan loader.conf. Hieronder een voorbeeld waarmee debuguitvoer wordt aangezet voor alle ACPI-CA componenten en alle ACPI hardware stuurprogramma's (CPU, LID, enzovoort. Het niveau van uitvoerigheid is het laagst mogelijke. Er worden alleen fouten gemeld. debug.acpi.layer="ACPI_ALL_COMPONENTS ACPI_ALL_DRIVERS" debug.acpi.level="ACPI_LV_ERROR" Als de gezochte informatie wordt veroorzaakt door een specifieke gebeurtenis (bijvoorbeeld in en uit slaapstand gaan), dan kunnen wijzigingen aan loader.conf achterwege blijven en in plaats daarvan kan sysctl gebruikt worden om laag en niveau in te stellen na het opstarten en zo het systeem voor te bereiden op die specifieke gebeurtenis. De sysctls hebben dezelfde namen als de parameters in loader.conf. Verwijzingen Meer informatie over ACPI staat op de volgende locaties: De &a.acpi; De ACPI mailinglijst archieven De oude ACPI mailinglijst archieven De ACPI 2.0 specificatie &os; Handleidingen: &man.acpi.4;, &man.acpi.thermal.4;, &man.acpidump.8;, &man.iasl.8;, &man.acpidb.8; DSDT debugging informatie. (Gebruikt Compaq als voorbeeld, maar van algemeen nut). diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/desktop/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/desktop/chapter.sgml index d21d893508..52187fc21e 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/desktop/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/desktop/chapter.sgml @@ -1,1420 +1,1424 @@ Chrisptophe Juliet Bijgedragen door René Ladan Vertaald door Bureaubladapplicaties Overzicht &os; kan een groot aantal bureaubladapplicaties draaien, zoals browsers en tekstverwerkers. De meeste hiervan zijn beschikbaar als packages of kunnen automatisch vanuit de - portscollectie gebouwd worden. Veel nieuwe gebruikers + Portscollectie gebouwd worden. Veel nieuwe gebruikers verwachten dit soort applicaties op hun bureaublad. Dit hoofdstuk laat zien hoe populaire bureaubladapplicaties moeiteloos geïnstalleerd kunnen worden vanuit een package - of vanuit de portscollectie. + of vanuit de Portscollectie. Als programma's vanuit ports geïnstalleerd worden, wordt hun broncode gecompileerd. Dit kan erg lang duren, afhankelijk van wat er gecompileerd wordt en de rekenkracht van een machine. Als compileren vanuit broncode te veel tijd kost, kunnen de - meeste programma's van de portscollectie als een voorafgebouwd + meeste programma's van de Portscollectie als een voorafgebouwd package geïnstalleerd worden. Omdat &os; compatibel is met &linux;, zijn veel applicaties die voor &linux; zijn ontwikkeld beschikbaar een &os; bureaublad. Het wordt sterk aanbevolen om te lezen voordat &linux; applicaties geïnstalleerd worden. Veel ports die gebruik maken van &linux; compatibiliteit beginnen met linux-. Dit is handig om te onthouden wanneer er naar een port gezocht wordt met bijvoorbeeld &man.whereis.1;. In dit hoofdstuk wordt aangenomen dat &linux; binaire compatibiliteit is ingeschakeld voordat &linux; applicaties worden geïnstalleerd. In dit hoofdstuk worden de volgende categoriën behandeld: Browsers (zoals Mozilla, &netscape;, Opera, Firefox, Konqueror) Productiviteit (zoals KOffice, AbiWord, The GIMP, OpenOffice.org) Documentviewers (zoals &acrobat.reader;, gv, Xpdf, GQview) Financieel (zoals GnuCash, Gnumeric, Abacus) Er wordt aangenomen dat de lezer van dit hoofdstuk: Weet hoe aanvullende software van derde partijen geïnstalleerd wordt (). Weet hoe aanvullende &linux; software geïnstalleerd wordt (). Meer informatie over een multimedia-omgeving staat in . Installatie van e-mail staat beschreven in . Browsers browsers web &os; wordt zonder een voor-geïnstalleerde browser geleverd. In plaats hiervan bevat de www map van de - portscollectie browsers om te installeren. Het is ook mogelijk + Portscollectie browsers om te installeren. Het is ook mogelijk voor de meeste ports een package te installeren als compileren niet gewenst is. Compileren kan soms lang duren. KDE en GNOME bevatten reeds HTML-browsers. In staat meer informatie over de installatie van deze complete bureaubladen. - Lichtgewicht browsers uit de portscollectie zijn onder andere + Lichtgewicht browsers uit de Portscollectie zijn onder andere www/dillo, www/links of www/w3m. Dit gedeelte behandelt deze applicaties: Applicatie Bronnen Ports Afhankelijkheden Mozilla veel zwaar Gtk+ &netscape; veel licht &linux; binaire compatibiliteit Opera weinig licht &os; en &linux; versies beschikbaar. De &linux; versie is afhankelijk van de &linux; binaire compatibiliteit en linux-openmotif. Firefox gemiddeld zwaar Gtk+ Konqueror gemiddeld zwaar KDE bibliotheken Mozilla Mozilla Mozilla is misschien wel de - meest geschikte browser voor &os;. Het is modern, stabiel en - volledig geschikt naar &os;. Het bevat een zeer aan de - standaarden voldoend HTML-weergave element. Het levert een - mail- en nieuwslezer. Het bevat zelfs een HTML-bewerker voor - het maken van webpagina's. Mozilla - deelt dezelfde broncodebasis met - &netscape; + meest geschikte browser voor &os;. De browser is modern, + stabiel en volledig geschikt naar &os;. De HTML-weergave + engine voldoet in grote mate aan de standaarden. Er worden een + mail- en nieuwslezer bijleverd en het pakket bevat zelfs een + HTML-bewerker voor het maken van webpagina's. + Mozilla heeft dezelfde broncodebasis + met &netscape; Communicator. Op langzame machines, met een CPU-snelheid van 233MHz of minder dan 64MB aan RAM, kan Mozilla te veeleisend zijn om volledig bruikbaar te zijn. In dat geval is Opera browser een mogelijke vervanger. - Het is niet wenselijk is om + Als het niet wenselijk of mogelijk is om Mozilla te compileren, dan is dit al door het &os; GNOME team gedaan. Het package kan geïnstalleerd worden met: &prompt.root; pkg_add -r mozilla Als het package niet beschikbaar is en er genoeg tijd en schijfruimte schikbaar zijn, kan de broncode van Mozilla gedownload, gecompileerd en geïnstalleerd worden. Dit gaat met: &prompt.root; cd /usr/ports/www/mozilla &prompt.root; make install clean De Mozilla port zorgt voor een correcte installatie door de chrome registry setup met root rechten te draaien. Als echter ook toevoegingen zoals muisgebaren geïnstalleerd moeten worden, dan moet Mozilla als root gedraaid worden om dat op de juiste wijze geïnstalleerd te krijgen. Als de installatie van Mozilla eenmaal voltooid is, is root zijn niet langer nodig. Mozilla kan als browser gestart worden met: &prompt.user; mozilla Het kan direct als mailprogramma of nieuwslezer gestart worden met: &prompt.user; mozilla -mail Tom Rhodes Bijgedragen door Mozilla, &java;, en ¯omedia; &flash; Mozilla installeren is eenvoudig, maar helaas neemt Mozilla installeren met ondersteuning voor add-ons zoals &java; en ¯omedia; &flash; zowel tijd als schijfruimte in beslag. Als eerste moeten de bestanden gedownload worden die gebruikt worden met Mozilla. Op - + kan een account aangemaakt worden. De gebruikersnaam en het - moeten bewaard worden omdat het in de toekomst nog nodig kan - zijn. Daarna dient j2sdk-1_3_1-src.tar.gz - gedownload te worden en in - /usr/ports/distfiles/ geplaatst te worden - omdat de port het bestand niet automatisch kan ophalen. Dit - komt door licentiebeperkingen. Ook kan meteen de - java environment kan vanaf - + wachtwoord moeten bewaard worden omdat ze in de toekomst nog + nodig kunnen zijn. Daarna dient + j2sdk-1_3_1-src.tar.gz gedownload te + worden en in /usr/ports/distfiles/ + geplaatst te worden, omdat de port het bestand niet automatisch + kan ophalen. Dit komt door licentiebeperkingen. Ook kan + meteen de java environment kan vanaf gedownload worden. De bestandsnaam is j2sdk-1_3_1_08-linux-i586.bin en is rond 25 megabyte groot. Ook dit bestand dient in /usr/ports/distfiles/ te worden geplaatst. - Tenslotte dient de java patchkit van - + Tenslotte dient de java patchkit van gedownload te worden en in /usr/ports/distfiles/ gezet te worden. Installeer de java/jdk13 port met make install clean en installeer vervolgens de www/flashpluginwrapper port. Deze is afhankelijk van emulators/linux_base wat een grote port is. Er bestaan andere &flash; - plug-ins, maar werkten niet op het moment van schrijven. + plug-ins, maar die werken niet op het moment van + schrijven. - Installeer de - www/mozilla port als + Installeer de www/mozilla port als Mozilla niet al is geïnstalleerd. Kopieer de &flash; plug-in met: &prompt.root; cp /usr/local/lib/flash/libflashplayer.so \ /usr/X11R6/lib/browser_plugins/libflashplayer_linux.so &prompt.root; cp /usr/local/lib/flash/ShockwaveFlash.class \ /usr/X11R6/lib/browser_plugins/ Voeg de volgende regels bovenin (meteen onder #!/bin/sh) aan het opstartscript van Mozilla /usr/X11R6/bin/mozilla toe: LD_PRELOAD=/usr/local/lib/libflashplayer.so.1 export LD_PRELOAD Mozilla kan gestart worden met: &prompt.user; mozilla & Ga naar de About Plug-ins optie van het Help menu. Er verschijnt een lijst met alle beschikbare plugins. &java; en &shockwave; &flash; horen beiden in de lijst te staan. &netscape; &netscape; - De portscollectie bevat verschillende versies van de + De Portscollectie bevat verschillende versies van de &netscape; browser. Omdat in de &os; versie een serieuze veiligheidsfout zit, wordt installatie sterk afgeraden ten faveure van een meer recente &linux; of DIGITAL UNIX versie. De laatste stabiele uitgave van de &netscape; browser is &netscape; 7. Deze kan - geïnstalleerd worden vanaf de ports collectie: + geïnstalleerd worden vanaf de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/www/netscape7 &prompt.root; make install clean Er zijn ook versies in de Franse, Duitse en Japanse categoriën. &netscape; 4.x versies worden niet aangeraden omdat ze niet voldoen aan de hedendaagse standaarden. &netscape; 7.x en nieuwere versies zijn echter alleen beschikbaar voor het &i386; platform. Opera Opera Opera is een zeer snelle, complete browser en voldoet aan standaarden. Hij komt in twee smaken: een &os; versie en een versie die draait onder &linux; emulatie. Voor elk besturingssysteem is er een gratis versie van de browser (adware) en een reclameloze versie die gekocht kan worden op de Opera website. De &os; package versie van Opera wordt zo geïnstalleerd: &prompt.root; pkg_add -r opera Sommige FTP-sites hebben niet alle packages, maar hetzelfde - resultaat kan worden behaald met de ports collectie door te + resultaat kan worden behaald met de Portscollectie door te typen: - &prompt.root; cd /usr/ports/www/opera> + &prompt.root; cd /usr/ports/www/opera &prompt.root; make install clean De &linux; versie van Opera kan geïnstlleerd worden door bij de bovenstaande voorbeelden linux-opera te gebruiken in plaats van opera. De &linux; versie is nuttig in situaties waarin plugins nodig zijn die alleen voor &linux; beschikbaar zijn, zoals Adobe &acrobat.reader;. In alle andere opzichten lijken de &os; en &linux; versies identiek. Firefox Firefox Firefox is de browser voor de volgende generatie, gebaseerd op de codebase van Mozilla. Mozilla is een volledig pakket van applicaties, zoals een browser, een mailclient, een chatclient en nog veel meer. Firefox is gewoon een browser wat het kleiner en sneller maakt. Het package is te installeren met: &prompt.root; pkg_add -r firefox - Via de portscollectie kan ook de broncode gecompileerd + Via de Portscollectie kan ook de broncode gecompileerd worden: &prompt.root; cd /usr/ports/www/firefox &prompt.root; make install clean Konqueror Konqueror Konqueror is deel van - KDE maar het kan ook buiten - KDE gebruikt worden door - x11/kdebase3 te - installeren. Konqueror is veel meer - dan een browser. Het is ook een bestandsbeheerder en een - multimedia-viewer. + KDE, maar kan ook buiten + KDE gebruikt worden door x11/kdebase3 te installeren. + Konqueror is meer dan een browser. + Het is ook een bestandsbeheerder en multimedia-viewer. Konqueror wordt ook met een - verzameling plugins geleverd, beschikbaar in - misc/konq-plugins. + verzameling plugins geleverd, beschikbaar in misc/konq-plugins. Konqueror ondersteunt ook - &flash; en er is meer informatie - beschikbaar op &flash;. Daarover is meer + informatie beschikbaar op . Productiviteit Als het op productiviteit aankomt, zoeken nieuwe gebruikers vaak een goed kantoorpakket of een vriendelijke tekstverwerker. Hoewel sommige bureaubladomgevingen zoals KDE reeds een kantoorpakket - verschaffen, is er geen standaardapplicatie. &os; verschaft alles - wat nodig is, ongeacht de bureaubladomgeving. + verschaffen, is er geen standaardapplicatie. &os; verschaft + alles wat nodig is, ongeacht de bureaubladomgeving. - Dit gedeelde behandelt deze applicaties: + In dit gedeelte worden de onderstaande applicaties + beschreven: Applicatie Bronnen Ports Afhankelijkheden KOffice weinig zwaar KDE AbiWord weinig licht Gtk+ of GNOME The GIMP weinig licht Gtk+ OpenOffice.org veel erg zwaar GCC 3.1, &jdk; 1.3, Mozilla KOffice KOffice kantoorpakket KOffice De KDE-gemeenschap heeft zijn bureaubladomgeving met een - kantoorpakket geleverd dat buiten KDE - gebruikt kan worden. Het bevat de vier standaardcomponenten uit - andere kantoorpakketten. KWord is de - tekstverwerker, KSpread is het - spreadsheetprogramma, KPresenter - beheert diapresentaties, en Kontour - voorziet in grafische mogelijkheden. + kantoorpakket geleverd dat buiten + KDE gebruikt kan worden. Het bevat + de vier standaardcomponenten uit andere kantoorpakketten. + KWord is de tekstverwerker, + KSpread is het spreadsheetprogramma, + KPresenter beheert diapresentaties + en Kontour voorziet in grafische + mogelijkheden. Voordat de nieuwste KOffice wordt geïnstalleert, moet er een recente versie van KDE geïnstalleerd zijn. KOffice als package installeren gaat met het volgende commando: &prompt.root; pkg_add -r koffice - Als het package niet beschikbaar is, kan de portscollectie + Als het package niet beschikbaar is, kan de Portscollectie gebruiken worden. Om KOffice voor KDE3 te installeren: &prompt.root; cd /usr/ports/editors/koffice-kde3 &prompt.root; make install clean AbiWord AbiWord AbiWord is een vrij tekstverwerkingsprogramma, ongeveer gelijk aandoet als µsoft; Word. Het is geschikt om verslagen, brieven, rapporten, memo's, enz. mee te typen. Het is erg snel, bevat veel mogelijkheden en is erg gebruikersvriendelijk. AbiWord kan veel - bestandsformaten in- en uitvoeren, waaronder enkele formaten - zoals µsoft; .doc. + bestandsformaten importeren en exporteren, waaronder enkele + gesloten formaten, zoals µsoft; + .doc. AbiWord is beschikbaar als package en te installeren met: &prompt.root; pkg_add -r AbiWord2 Als het package niet beschikbaar is, kan het worden - gecompileerd vanuit de ports collectie. De ports collectie is + gecompileerd vanuit de Portscollectie. De Portscollectie is meer recent. Dat kan als volgt: &prompt.root; cd /usr/ports/editors/AbiWord2 &prompt.root; make install clean The GIMP The GIMP Voor het bewerken of retoucheren van afbeeldingen is The GIMP een zeer geavanceerd afbeeldingenmanipulatieprogramma. Het kan als eenvoudig tekenprogramma worden gebruikt of als kwalititeitspakket voor het retoucheren van foto's. Het ondersteunt een groot aantal plugins en bevat een scripting interface. The GIMP kan een groot aantal bestandsformaten lezen en schrijven. Het ondersteunt interfaces met scanners en tabletten. Het pakket is te installeren als package met: &prompt.root; pkg_add -r gimp Als een FTP-site dit package niet heeft, kan de - portscollectie gebruikt worden. De graphics map van - de portscollectie bevat ook + de Portscollectie bevat ook The GIMP Manual. Die kan zo geïnstalleerd worden: &prompt.root; cd /usr/ports/graphics/gimp &prompt.root; make install clean &prompt.root; cd /usr/ports/graphics/gimp-manual-pdf &prompt.root; make install clean De graphics - map van de portscollectie bevat de ontwikkelversie van + map van de Portscollectie bevat de ontwikkelversie van The GIMP in graphics/gimp-devel. Een HTML versie van The GIMP Manual staan in graphics/gimp-manual-html. OpenOffice.org OpenOffice.org kantoorpakket OpenOffice.org OpenOffice.org bevat alle noodzakelijke applicaties in een compleet kantoorproductiviteitspakket: een tekstverwerker, een spreadsheet, een presentatiebeheerder en een tekenprogramma. De gebruikersinterface is vrijwel gelijk aan die van andere kantoorpakketten en het kan veel populaire bestandsformaten in- en uitvoeren. Het is beschikbaar in een aantal verschillende talen met interfaces, spellingcontrole en woordenboeken. De tekstverwerker van OpenOffice.org gebruikt een eigen XML-bestandsformaat voor overdraagbaarheid en flexibiliteit. Het spreadsheetprogramma bevat een macrotaal en kan gekoppeld worden aan externe databases. OpenOffice.org is stabiel en draait zonder aanpassingen op &windows;, &solaris;, &linux;, &os; en &macos; X. Meer informatie over OpenOffice.org staat op de OpenOffice website. Voor specifieke &os; informatie en om direct packages te downloaden is er de website van het &os; OpenOffice Porting Team. Om OpenOffice.org te installeren: &prompt.root; pkg_add -r openoffice Als het package geïnstalleerd is, moet het installatieprogramma gedraaid worden en gekozen worden voor . Dit programma dient uitgevoerd te worden door de gebruiker die OpenOffice.org gaat gebruiken: &prompt.user; openoffice-setup Als de OpenOffice.org packages niet beschikbaar zijn, kan het uit de ports gecompileerd worden. Hiervoer is veel schijfruimte en tijd nodig: &prompt.root; cd /usr/ports/editors/openoffice-1.1 &prompt.root; make install clean Als de installatie klaar is, moet het installatieprogramma gedraaid worden en gekozen worden voor . Dit programma dient + workstation installation. Dit programma dient uitgevoerd te worden door de gebruiker die OpenOffice.org gaat gebruiken: &prompt.user; cd /usr/ports/editors/openoffice-1.1 &prompt.user; make install-user Vertaalde versies zijn als de onderstaande ports beschikbaar: Taal Port Catalaans editors/openoffice-1.1-ca Tsjechisch editors/openoffice-1.1-cs Deens editors/openoffice-1.1-dk Grieks editors/openoffice-1.1-gr Spaans editors/openoffice-1.1-es Estlands editors/openoffice-1.1-et Fins editors/openoffice-1.1-fi Italiaans editors/openoffice-1.1-it Nederlands editors/openoffice-1.1-nl Zweeds editors/openoffice-1.1-se Slowaaks editors/openoffice-1.1-sk Sloveens editors/openoffice-1.1-sl_SI Turks editors/openoffice-1.1-tr Arabisch arabic/openoffice-1.1 Chinees (Vereenvoudigd) chinese/openoffice-1.1-zh_CN Chinees (Traditioneel) chinese/openoffice-1.1-zh_TW Frans french/openoffice-1.1 Duits german/openoffice-1.1 Hongaars hungarian/openoffice-1.1 Japans japanese/openoffice-1.1 Koreaans korean/openoffice-1.1 Pools polish/openoffice-1.1 Portugees (Braziliaans) portuguese/openoffice-1.1-pt_BR Portugees portuguese/openoffice-1.1-pt_PT Russisch russian/openoffice-1.1 Documentviewers Het kan zijn dat de standaardviewers voor een aantal populaire bestandsformaten niet in het basissysteem zitten. In dit gedeelte wordt aangegeven hoe die geïnstalleerd kunnen worden. - Dit gedeelte behandelt deze applicaties: + Dit gedeelte behandelt de onderstaande applicaties: Applicatie Bronnen Ports Afhankelijkheden &acrobat.reader; weinig licht &linux; binaire compatibiliteit gv weinig licht Xaw3d Xpdf weinig licht FreeType GQview weinig licht Gtk+ of GNOME &acrobat.reader; &acrobat.reader; PDF bekijken Documenten worden vaak als PDF-bestanden, Portable Document Format, verspreid. Een van de aanbevolen viewers voor dit bestandstype is &acrobat.reader; dat Adobe voor &linux; heeft uitgegeven. Omdat &os; &linux; binaries kan draaien, is het ook beschikbaar voor &os;. Het &acrobat.reader; 5 package wordt geïnstalleerd met: &prompt.root; pkg_add -r acroread - Zoals gewoonlijk kan ook de portscollectie gebruikt worden + Zoals gewoonlijk kan ook de Portscollectie gebruikt worden als het package niet beschikbaar is: &prompt.root; cd /usr/ports/print/acroread5 &prompt.root; make install clean gv gv PDF bekijken &postscript; bekijken gv is een &postscript; en PDF viewer. Het is gebaseerd op ghostview maar heeft een vriendelijker uiterlijk dankzij de Xaw3d bibliotheek. Het is snel en heeft mogelijkheden als oriëntatie, papiergrootte, schalen en anti-aliassen. Bijna elke bewerking kan met het toetsenbord of de muis worden gedaan. gv is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r gv - Of uit de portscollectie: + Of uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/print/gv &prompt.root; make install clean Xpdf Xpdf PDF bekijken Xpdf een efficiënte lichtgewicht PDF-viewer voor &os;. Het heeft erg weinig bronnen nodig en is zeer stabiel. Het gebruikt de standaard X-fonts en is niet afhankelijk van &motif; of andere X-toolkits. Xpdf is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r xpdf - Of uit de portscollectie: + Of uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/graphics/xpdf &prompt.root; make install clean Als de installatie voltooid is, kan Xpdf gestart worden en het menu kan met de rechtermuisknop geactiveerd worden. GQview GQview GQview is een afbeeldingenbeheerder. Een bestand kan met één klik bekeken worden, er kan een externe editor opgestart worden er kunnen thumbnail-voorbeelden gemaakt worden en nog veel meer. Het bevat ook een diapresentatie-modus en enkele standaard bestandsoperaties. Er kunnen afbeeldingsverzamelingen beheerd worden en eenvoudig duplicaten - gevonden worden. GQview het - completekan scherm gebruiken ondersteunt meerdere talen. + gevonden worden. GQview kan het + complete scherm gebruiken en ondersteunt meerdere talen. GQview is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r gqview - Of vanuit de portscollectie: + Of vanuit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/graphics/gqview &prompt.root; make install clean Financiën Om financiën via het &os; bureaublad te beheren zijn er krachtige en gemakkelijk te gebruiken applicaties om te installeren. Sommige zijn compatibel met wijdverbreide bestandsformaten zoals Quicken of Excel documenten. Dit gedeelte behandelt deze applicaties: Applicatie Bronnen Ports Afhankelijkheden GnuCash weinig zwaar GNOME Gnumeric weinig zwaar GNOME Abacus weinig licht Tcl/Tk GnuCash GnuCash GnuCash is onderdeel van GNOME dat gebruikersvriendelijke en krachtige applicaties aan eindgebruikers wil leveren. Met GnuCash kunnen inkomsten en uitgaven, bankrekeningen en voorraden bijgehouden worden. Het bevat een intuïtieve interface terwijl het erg professioneel blijft. GnuCash levert een slim kasboek, een hiërarchisch systeem van rekeningen, veel toetsenbordversnellers en auto-invul mogelijkheden. Het een transactie splitsen in meer gedetailleerde stukken. GnuCash kan Quicken QIF-bestanden invoeren en samenvoegen. Het kan ook met de meeste internationale datum- en valutaformaten omgaan. GnuCash is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r gnucash - Of uit de portscollectie: + Of uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/finance/gnucash &prompt.root; make install clean Gnumeric Gnumeric spreadsheet Gnumeric Gnumeric is een spreadsheet uit de GNOME bureaubladomgeving. Het maakt gebruikt van auto-invullen afhankelijk van het celformaat. Het kan bestanden in een aantal populaire formaten zoals Excel, Lotus 1-2-3 en Quattro Pro inlezen. Gnumeric ondersteunt grafieken door middel van het grafiekprogramma math/guppi. Het heeft een groot aantal ingebouwde functies en kent gebruikelijke celformaten als nummer, valuta, datum, tijd en veel meer. Gnumeric is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r gnumeric - Of uit de portscollectie: + Of uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/math/gnumeric &prompt.root; make install clean Abacus Abacus spreadsheet Abacus Abacus is een kleine en gemakkelijk te gebruiken spreadsheet en bevat veel ingebouwde functies die nuttig zijn in verschillende domeinen zoals statistiek, financiën, en wiskunde. Het kan Excelbestanden lezen en schrijven. Abacus kan &postscript; uitvoer produceren. Abacus is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r abacus - Of uit de portscollectie: + Of uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/deskutils/abacus &prompt.root; make install clean Samenvatting Hoewel &os; populair is bij ISP's om zijn prestaties en stabiliteit, is het behoorlijk klaar voor dagelijks gebruik als een bureaublad. Met enkele duizenden applicaties als packages of ports, is een perfect bureaublad te bouwen dat aan alle noden voldoet. Als een bureaublad is geïnstalleerd is het mogelijk een stap verder te gaan met misc/instant-workstation. Met deze meta-port kan een verzameling ports gebouwd worden die aangepast kan worden door /usr/ports/misc/instant-workstation/Makefile te bewerken en de gebruikte syntaxis voor de standaardverzameling om ports toe te voegen of te verwijderen te gebruiken. Het - bouwen gaat volends de gebruikelijke procedure. Uiteindelijk is + bouwen gaat volgens de gebruikelijke procedure. Uiteindelijk is het zo mogelijk één groot package te creëren voldoet aan de persoonlijke eisen van een gebruiker dat te installeren is op alle gebruikte werkstations! Nu volgt nog een overzicht van alle bureaubladapplicaties die in dit hoofdstuk zijn behandeld: Applicatie Package Port Mozilla mozilla www/mozilla &netscape; linux-netscape7 www/netscape7 Opera linux-opera www/linux-opera Firefox firefox www/firefox KOffice koffice-kde3 editors/koffice-kde3 AbiWord AbiWord2 editors/AbiWord2 The GIMP gimp graphics/gimp OpenOffice.org openoffice editors/openoffice-1.1 &acrobat.reader; acroread5 print/acroread5 gv gv print/gv Xpdf xpdf graphics/xpdf GQview gqview graphics/gqview GnuCash gnucash finance/gnucash Gnumeric gnumeric math/gnumeric Abacus abacus deskutils/abacus diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/eresources/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/eresources/chapter.sgml index 7f233e0569..a97438c37d 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/eresources/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/eresources/chapter.sgml @@ -1,1882 +1,1882 @@ Bronnen op Internet Door de snelle ontwikkeling van &os; zijn gedrukte media niet zo praktisch om de laatste ontwikkelingen te volgen. Elektronische bronnen zijn de beste, en vaak de enige, om op de hoogte te blijven van de laatste ontwikkelingen. Omdat &os; draait op de inzet van vrijwilligers, is de gebruikersgemeenschap vaak een soort technische ondersteuningsgroep, die heeft ontdekt dat e–mail en USENET de meeste effectieve manieren zijn om de gebruikersgemeenschap te bereiken. Hieronder staan de meest belangrijke contactmogelijkheden met de &os; gebruikersgemeenschap beschreven. Mochten er andere bronnen zijn die hier niet beschreven zijn, laat die dan weten aan de &a.doc;, zodat ze hier ook beschreven kunnen worden. Mailinglijsten Hoewel veel van de ontwikkelaars van &os; USENET lezen, kan niet altijd gegarandeerd worden dat vragen die in een van de groepen binnen comp.unix.bsd.freebsd.* gesteld worden, op tijd beantwoord worden - als ze al beantwoord worden. Door vragen op de daarvoor bestemde mailinglijsten te stellen, wordt het gewenste &os; publiek bereikt, waardoor een beter, of in ieder geval tijdiger, antwoord is gegarandaard. De doelstellingen van de verschillende lijsten staan onderaan dit document. Lees alsjeblieft de doelstellingen alvorens lid te worden of mail te sturen. De meeste leden ontvangen tegenwoordig vaak honderden &os; gerelateerde berichten per dag, en door de doelstellingen en gebruiksregels op te stellen wordt gestreefd om zo min mogelijk ruis op de lijn te krijgen. Door de voorgaande adviezen te negeren zouden de mailinglijsten op termijn falen als een effectief communicatiemedium over het project. Bij twijfel over naar welke lijst te posten, kan de pagina Hoe de beste resultaten uit de &os;-vragen mailinglijst te halen wellicht helpen. Alvorens naar enige lijst te posten, is het verstandig te leren hoe de mailinglijsten het beste gebruikt kunnen worden. Hoe bijvoorbeeld zich vaak herhalende discussies voorkomen kunnen worden door het document Veel Gestelde Mailinglijstvragen (FAQ) te lezen. Voor alle mailinglijsten worden archieven bijgehouden die doorzocht kunnen worden op de &os; World Wide Web server. De met sleutelwoorden te doorzoeken archieven bieden een voortreffelijke methode om antwoorden te vinden op vaak gestelde vragen en horen geraadpleegd te worden voordat er vragen op een lijst worden gesteld. Lijstsamenvatting Algemene lijsten: De volgende zijn algemene lijsten waarop vrijelijk (en aangemoedigd) geabonneerd kan worden: Lijst Doel &a.cvsall.name; Wijzigen die aan de &os; broncode zijn gemaakt &a.advocacy.name; &os; Evangelisatie &a.announce.name; Belangrijke gebeurtenissen en projectdoelen &a.arch.name; Architectuur en ontwerp discussies &a.bugbusters.name; Discussie over het onderhoud van de &os; probleemrapporten database en aanverwante zaken &a.bugs.name; Bugbeschrijvingen &a.chat.name; Niet-technische onderwerpen met betrekking tot de &os; gemeenschap &a.current.name; Discussie over het gebruik van &os.current; &a.isp.name; Zaken voor Internet Service Providers die &os; gebruiken &a.jobs.name; Werk en mogelijkheden voor het geven van advies met betrekking tot &os; &a.newbies.name; Activiteiten en discussies voor nieuwe gebruikers van &os; &a.policy.name; Beleidsbeslissingen van het &os; Kernteam. Laag volume en alleen-lezen &a.questions.name; Gebruikersvragen en technische ondesteuning &a.security-notifications.name; Beveiligingswaarschuwingen &a.stable.name; Discussies over het gebruik van &os.stable; &a.test.name; Hier kunnen testberichten heengestuurd worden in plaats van naar de eigenlijke lijsten Technische lijsten: De volgende lijsten zijn voor technische discussie. Het is van belang de doelstellingen te lezen alvorens lid te worden of mail te sturen omdat de richlijnen voor het gebruik en de inhoud erg strikt zijn. Lijst Doel &a.acpi.name; Ontwikkeling van ACPI en energiebeheer &a.afs.name; Porten van AFS naar &os; &a.aic7xxx.name; Ontwikkeling van drivers voor de &adaptec; AIC 7xxx &a.alpha.name; Porten van &os; naar de Alpha &a.amd64.name; Porten van &os; naar AMD64 systemen &a.apache.name; Discussie over ports met betrekking tot Apache &a.arm.name; Porten van &os; naar &arm; processors &a.atm.name; Het gebruik van ATM netwerken met &os; &a.audit.name; Audit van broncode project &a.binup.name; Ontwerp en ontwikkeling van het binaire updatesysteem &a.cluster.name; &os; gebruiken in een geclusterde omgeving &a.cvsweb.name; CVSweb onderhoud &a.database.name; Discussie over het gebruik en de ontwikkeling van databases met &os; &a.doc.name; Het maken van &os; gerelateerde documenten &a.emulation.name; Emulatie van andere systemen zoals &linux;, &ms-dos; en &windows; &a.firewire.name; &os; &firewire; (iLink, IEEE 1394) technische discussie &a.fs.name; Bestandssystemen &a.geom.name; GEOM-specifieke discussies en implementaties &a.gnome.name; Porten van GNOME en GNOME applicaties &a.hackers.name; Algemene technische discussies &a.hardware.name; Algemene discussies over hardware voor het draaien van &os; &a.i18n.name; &os; Internationalisatie &a.ia32.name; &os; op het IA-32 (&intel; x86) platform &a.ia64.name; Porten van &os; naar &intel;'s IA64 systemen &a.ipfw.name; Technische discussie over het herontwerp van de IP firewallcode &a.isdn.name; ISDN ontwikkelaars &a.java.name; &java; ontwikkelaars en mensen die &jdk;'s porten naar &os; &a.kde.name; Porten van KDE en KDE applications &a.lfs.name; Porten van LFS naar &os; &a.libh.name; Het tweede generatie installatie en package systeem &a.mips.name; Porten van &os; naar &mips; &a.mobile.name; Discussie over mobiel computeren &a.mozilla.name; Porten van Mozilla naar &os; &a.multimedia.name; Multimedia applicaties &a.newbus.name; Technische discussies over bus-architecturen &a.net.name; Discussies over netwerken en TCP/IP broncode &a.openoffice.name; Porten van OpenOffice.org en &staroffice; naar &os; &a.performance.name; Optimalisatie van prestaties voor installaties met hoge prestaties en/of load &a.perl.name; Onderhoud van een aantal ports met betrekking tot perl &a.pf.name; Discussies en vragen voor het pakketfilter firewall systeem &a.platforms.name; Ports naar niet &intel; architectuur platforms &a.ports.name; - Discussie over de portscollectie + Discussie over de Portscollectie &a.ports-bugs.name; Discussie over bugs in ports en PR's &a.ppc.name; Porten van &os; naar de &powerpc; &a.python.name; &os;-specifieke Python zaken &a.qa.name; Discussie over Quality Assurance, meestal in een release traject &a.realtime.name; Ontwikkeling van realtime extensions voor &os; &a.scsi.name; Het SCSI subsysteem &a.security.name; Beveiligingsonderwerpen betreffende &os; &a.small.name; &os; gebruiken in embedded toepassingen &a.smp.name; Discussies over het ontwerp voor [A]Symmetric MultiProcessing &a.sparc.name; Porten van &os; naar op &sparc; gebaseerde systemen &a.standards.name; Volgen van de C99 en de &posix; standaarden door &os; &a.threads.name; Threading in &os; &a.testing.name; &os; prestatie- en stabiliteitstesten &a.tokenring.name; Ondersteuning voor Token Ring in &os; &a.usb.name; Discussie over &os; ondersteuning voor USB &a.vuxml.name; Discussie over VuXML infrastructuur &a.x11.name; Onderhoud en ondersteuning voor X11 op &os; Beperkte lijsten: De volgende lijsten zijn voor meer gespecialiseerd publiek en algemene gebruikers hebben er waarschijnlijk niets aan. Het is verstandig om eerst naam te maken in de technische lijsten alvorens lid te worden van een van de onderstaande beperkte lijsten, zodat de gebruiken op die lijst bekend zijn. Lijst Doel &a.hubs.name; Mensen die mirror sites draaien (infrastructurele ondersteuning) &a.usergroups.name; Gebruikersgroep coördinatie &a.vendors.name; Coördinatie van pre-release met wederverkopers &a.www.name; Beheerders van www.FreeBSD.org Verkorte versie van lijsten (digest): Alle hierboven beschreven lijsten zijn beschikbaar in verkorte vorm. Na het lid worden van een lijst zijn de digest opties te wijzigen bij de accountopties. CVS lijsten: De volgende lijsten zijn voor mensen met interesse in het zien van logboekberichten voor wijzigingen in verschillende onderdelen van de broncodestructuur. Het zijn Alleen-lezen lijsten waar geen e–mail heen gezonden hoort te worden. Lijst Broncodegebied Broncodebeschrijving &a.cvsall.name; /usr/(CVSROOT|doc|ports|projects|src) Alle wijzigingen op welke plaats in de structuur dan ook (som van alle andere CVS commit lijsten) &a.cvs-doc.name; /usr/(doc|www) Alle wijzigingen aan de doc en www structuren &a.cvs-ports.name; /usr/ports Alle wijzigingen aan de ports structuur &a.cvs-projects.name; /usr/projects Alle wijzigingen aan de projects structuur &a.cvs-src.name; /usr/src Alle wijzigingen aan de src structuur Hoe Abonneren Om te abonneren op een lijst kan geklikt worden op de naam van de lijst hierboven of kan op &a.mailman.lists.link; geklikt worden op de lijst waarin interesse bestaat. De pagina waarop de lijsten staan beschreven bevat alle informatie die nodig is om te abonneren. Om te posten op een lijst kan simpelweg een e–mail gestuurd worden naar lijstnaam@FreeBSD.org. Daarna wordt die doorgestuurd aan leden van de lijst in de hele wereld. Om het abonnement op een lijst op te zeggen kan op de URL die onderaan iedere e–mail van een lijst staat geklikt worden. Het is ook mogelijk om een e–mail te sturen naar lijstnaam-unsubscribe@FreeBSD.org om een abonnement op te zeggen. Hierbij nogmaals het advies om discussies op de technische mailinglijsten technisch te houden. Als er alleen interesse bestaat in belangrijke mededelingen dan wordt aangeraden te abonnneren op &a.announce;, waarop zelden verkeer voorkomt. Lijstdoelstellingen Alle &os; mailinglijsten hebben eigen regels waaraan voldaan dient te worden bij gebruik. Als daaraan niet wordt voldaan, resulteert dat in maximaal twee (2) schriftelijke waarschuwingen van de &os; Postmaster postmaster@FreeBSD.org, waarna na de derde overtreding de poster verwijderd wordt van alle &os; mailinglijsten en alle toekomstige mail van het adres van de verzender wordt uitgefilterd. Helaas zijn deze regels nodig, omdat het internet van vandaag de dag een onvriendelijke omgeving is en slechts weinigen zich bewust zijn van hoe fragiel sommige mechanismen zijn. Standaardregels: Het onderwerp van iedere mail dient te voldoen aan de basisdoelstellingen van de lijst waarnaar wordt gepost. Als de lijst bijvoorbeeld over technische onderwerpen gaat, dan hoort een post ook over iets technisch te gaan. Ruis en flaming doen alleen af aan de waarde van een mailinglijst voor alle leden en dat wordt niet getolereerd. Voor vrije discussie dient de &a.chat; gebruikt te worden die daar speciaal voor is ingesteld. Bijdragen horen niet naar meer dan twee mailinglijsten verzonden te worden en alleen dan naar twee als het helder en duidelijk is dat daarvoor de noodzaak bestaat. Voor de meeste lijsten bestaat er al veel overlap in de leden en met uitzondering van de meer esoterische lijsten, zoals bijvoorbeeld -stable & -scsi, is er eigenlijk slechts zelden aanleiding om naar meer dan een lijst te posten. Als een bericht zo is verzonden dat er meerdere mailinglijsten op de regel Cc staan, dan hoort de regel Cc weer ingekort te worden in een eventueel antwoord. De verzender is verantwoordelijk voor zijn eigen kruisposten, wie ook een eerdere zender was. Persoonlijke aanvallen en profane taal (in de context van een geschil) zijn niet toegestaan. Dit geldt zowel voor gebruikers als ontwikkelaars. Grove schending van de netiquette, zoals kopiëren uit of het volledig doorsturen van persoonlijke e–mail zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, wordt niet op prijs gesteld. Er zijn hoe dan ook zeer weinig gevallen zijn waarin zoiets dergelijks wel binnen de doelstelling van een lijst valt, waardoor dat soort e–mails op grond van de inhoud alleen al vaak reden zijn voor een waarschuwing (of ban). Adverteren voor niet-&os; gerelateerde producten is streng verboden en heeft direct een ban tot gevolg als helder is dat de overtreder adverteert door middel van spam. Individuele lijstdoelstellingen: &a.acpi.name; ACPI en energiebeheerontwikkeling &a.afs.name; Andrew Bestandssysteem (Andrew File System) Deze lijst is voor onderwerpen over het porten en gebruik van AFS van CMU/Transarc &a.announce.name; Belangrijke gebeurtenissen en projectdoelen Dit is de mailinglijst voor hen die alleen interesse hebben in gelegenheidsmededelingen of belangrijke &os; gebeurtenissen. Hieronder vallen aankondigingen over snapshots en andere releases. De lijst omvat ook aankondigingen over nieuwe mogelijkheden binnen &os;. Er kunnen ook oproepen gedaan worden voor vrijwilligers, enzovoort. Deze lijst kent een laag volume en is volledig gemodereerd. &a.arch.name; Discussie van architectuur en ontwerp Deze lijst is bedoeld voor het bespreken van de &os; architectuur. Berichten zijn in het algemeen strikt technisch van aard. Voorbeelden van geschikte onderwerpen zijn: Hoe het buildsysteem bijgewerkt kan worden zodat meerdere aanpaste builds tegelijkertijd kunnen lopen. Wat moet er aan VPS aangepast worden om Heidemann layers te laten werken. Hoe kan de device driver interface aangepast worden zodat dezelfde drivers netjes op vele bussen en architecturen gebruikt kunnen worden. Hoe een netwerkdriver geschreven kan worden. &a.audit.name; Broncode audit project Dit is de mailinglijst voor het &os; broncode audit project. Hoewel in eerst instantie bedoeld voor beveiliging gerelateerde wijzigingen, zijn de doelstellingen aangepast naar alle wijzigingen in de code. Op deze lijst komen veel patches voor en hij is waarschijnlijk niet interessant voor de gemiddelde &os; gebruiker. Beveiligingsdiscussies die niet gerelateerd zijn aan een bepaalde broncodewijziging worden gehouden op freebsd-security. Omgekeerd worden alle ontwikkelaars aangemoedigd hun patches op deze lijst ter review aan te bieden, zeker als hun patch een deel van het systeem raakt waar een bug de integriteit van het systeem nadelig kan beïnvloeden. &a.binup.name; &os; Binaire Updates Project Deze lijst bestaat om de mogelijkheid te bieden tot het bespreken van het binaire update systeem of binup. Onderwerpen met betrekking tot ontwerp, implementatie details, patches, bugreports, statusreports, feature requests, commit logs en alle andere dingen die met binup te maken hebben kunnen besproken worden. &a.bugbusters.name; Coördinatie afhandeling Problem Reports Het doel van deze lijst is een platform zijn voor de coördinatie en discussie voor de Bugmeister, zijn Bugbusters en anderen die interesse hebben in de PR database. Deze lijst is niet bedoeld voor discussie van specifieke bugs, patches of PR's. &a.bugs.name; Bug reports Dit is de mailinglijst voor het rapporteren van bugs in &os;. Waar mogelijk dienen bugs ingezonden te worden via &man.send-pr.1; of via de WEB interface daarvan. &a.chat.name; Niet-technische onderwerpen met betrekking tot de &os; gemeenschap Deze lijst bevat alle onderwerpen waar op andere lijsten geen ruimte voor is wat betreft niet-technische en sociale informatie. Er wordt gesproken over de moord op Van Gogh, of er in onderkast of kapitalen geschreven dient te worden, wie er te veel koffie drinkt, waar het beste bier vandaan komt, enzovoort. Belangrijke gebeurtenissen (zoals feestjes, bruiloften, geboorten, nieuwe banen, enzovoort) kunnen op de technische lijsten aangekondigd worden, maar antwoorden dienen naar deze -chat lijst te gaan. &a.core.name; &os; Kernteam Dit is een interne mailinglijst die wordt gebruikt door de kernleden. Er kunnen berichten naar gestuurd worden als een belangrijke &os; gerelateerde zaak arbitrage nodig heeft of een onderzoekende blik op hoog niveau nodig is. &a.current.name; Discussie over het gebruikt van &os.current; Dit is de mailinglijst voor gebruikers van &os.current;. Er staan waarschuwingen op over nieuwe mogelijkheden in -CURRENT die impact hebben op gebruikers en instructies over de te nemen stappen om -CURRENT te blijven. Iedereen die CURRENT draait, zou zich moeten abonneren. Dit is een technische mailinglijst waarop strikt technische berichten worden verwacht. &a.cvsweb.name; &os; CVSweb Project Technische discussie over het gebruik, de ontwikkeling en het beheer van &os;-CVSweb. &a.doc.name; Documentatie project Dit is de mailinglijst voor het bespreken van onderwerpen en projecten die te maken hebben met het maken van documentatie voor &os;. De leden van deze mailinglijst worden samen The &os; Documentation Project genoemd. Het is een open lijst waarop zonder problemen een abonnement genomen kan worden en bijdragen zeer op prijs worden gesteld! &a.firewire.name; &firewire; (iLink, IEEE 1394) Dit is de mailinglijst voor het bespreken van het ontwerp en de implementatie van een &firewire; (ook wel IEEE 1394 of iLink) subsysteem voor &os;. Relevante onderwerpen omvatten de standaarden, bus devices en hun protocollen, adapter boards/kaarten/chipssets en de architectuur en implementatie van code voor een juiste ondersteuning. &a.fs.name; Bestandssystemen Discussie over &os; bestandssystemen. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.geom.name; GEOM Discussie specifiek over GEOM en gerelateerde implementaties. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.gnome.name; GNOME Discussie over de GNOME bureaubladomgeving voor &os;. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.ipfw.name; IP Firewall Dit is het forum voor technische bespreking van het herontwerp van de IP firewall code in &os;. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.ia64.name; Porten van &os; naar IA64 Dit is een technische mailinglijst voor individuen die actief werken aan het porten van &os; naar het IA-64 platform van &intel;, om problemen op tafel te leggen of alternatieve oplossingen te bespreken. Geïnteresseerden die alleen de technische bespreking willen volgen zijn ook welkom. &a.isdn.name; ISDN Communicatie Dit is de mailinglijst voor discussie over de ontwikkeling van ISDN ondersteuning voor &os;. &a.java.name; &java; Ontwikkeling Dit is de mailinglijst voor het bespreken van de ontwikkeling van significante &java; applicaties voor &os; en het porten en het beheer van &jdk;'s. &a.jobs.name; Banen in de aanbieding en gezocht Dit is een forum voor vacatures en CV's specifiek gerelateerd aan &os;, bijvoorbeeld als er &os; gerelateerd werk wordt gezocht of in de aanbieding is. Dit is geen mailinglijst voor algemene werkonderwerpen omdat daarvoor al elders ruimte staat. Ook deze lijst wordt net als alle andere FreeBSD.org mailinglijsten wereldwijd verspreid. Daarom dient duidelijk vermeld te worden om welke locatie het gaat en onder welke voorwaarden telewerken of bijdragen in huisvesting mogelijk zijn. E–mail dient alleen open formaten te bevatten. Bij voorkeur platte tekst, maar standaard Portable Document Format (PDF), HTML en een aantal andere, zijn acceptabel voor lezers. Gesloten formaten, zoals µsoft; Word (.doc), worden door de mailinglijstserver geweigerd. &a.kde.name; KDE Discussie over KDE op &os; systemen. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.hackers.name; Technische discussies Dit is een forum voor technische discussie met betrekking tot &os;. Dit is de leidende technische mailinglijst die is bestemd voor mensen die actief aan &os; werken om problemen aan het voetlicht te brengen of alternatieve oplossingen te bespreken. Geïnteresseerden die alleen de technische bespreking willen volgen zijn ook welkom. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.hardware.name; Algemene discussie over &os; hardware Algemene discussie over de typen hardware waar &os; op draait en problemen en oplossingen over wat te kopen en wat vooral niet. &a.hubs.name; Mirrorsites Aankondigingen en discussie voor beheerders van &os; mirrorsites. &a.isp.name; Onderwerpen voor Internet Service Providers Deze mailinglijst is voor het bespreken van relevante onderwerpen voor Internet Service Providers (ISP's) die &os; gebruiken. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.newbies.name; Bespreken activiteiten voor nieuwelingen (newbies) Hier worden alle mogelijke activiteiten voor nieuwelingen besproken die niet al ergens anders worden besproken, waaronder: onafhankelijk leren en problemen oplossen, bronnen vinden en gebruiken, hulp zoeken, hoe en welke mailinglijsten te gebruiken, algemene onderwerpen, fouten maken, pochen, ideeën delen, verhalen, morele (maar geen technische) ondersteuning en actief deelnemen in de &os; gemeenschap. Problemen en vragen horen thuis in freebsd-questions en freebsd-newbies gaat om het ontmoeten van anderen die met dezelfde dingen bezig zijn als de andere nieuwelingen. &a.openoffice.name; OpenOffice.org Discussie over het porten en beheren van OpenOffice.org en &staroffice;. &a.performance.name; Discussie over het optimaliseren of versnellen van &os; Deze mailinglijst is een platform voor hackers, beheerders en/of andere belanghebbenden om &os; en prestaties gerelateerde onderwerpen te bespreken. De onderwerpen die besproken kunnen worden omvatten &os; installaties met een hoge load, systemen met prestatieproblemen of systemen die tegen de limieten van &os; aan zitten. Zij die willen meewerken om de prestaties van &os; te verbeteren worden sterk aangemoedigd op deze lijst te abonneren. Deze lijst is bijzonder technisch en bijzonder geschikt voor ervaren &os; gebruikers, hackers en beheerders die &os; snel, robuust en schaalbaar willen houden. Deze lijst is geen vraag-en-antwoord lijst die dient als vervanging voor het lezen van documentatie, maar hier worden bijdragen geleverd of vragen gesteld over nog niet eerder beschreven prestatie gerelateerde onderwerpen. &a.pf.name; Discussie en vragen over het pakketfilter firewall systeem Discussie over het pakketfilter (pf) firewall systeem aangaande &os;. Technische discussie en gebruikersvragen zijn beiden welkom. Deze lijst is ook de plaats om het ALTQ QoS framework te bespreken. &a.platforms.name; Porten van niet-&intel; platforms Cross-platform &os; zaken, algemene discussie en voorstellen voor niet-&intel; &os; ports. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.policy.name; Kernteam beleidsbeslissingen Dit is een laag volume, alleen-lezen mailinglijst voor beleidsbeslissingen van het &os; Kernteam. &a.ports.name; Discussie over ports - Discussie over de portscollectie + Discussie over de Portscollectie (/usr/ports) van &os;, de ports infrastructuur en algemene coördinatie aangaande ports. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.ports-bugs.name; Discussie over ports bugs Discussie over problem reports voor de &os; - portscollectie + Portscollectie (/usr/ports), voorgestelde ports of aanpassingen aan ports. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.python.name; Python op &os; Dit is een lijst voor discussie gerelateerd aan het verbeteren van ondersteuning voor Python op &os;. Dit is een technische mailinglijst. Hij is voor mensen die aan het porten van Python, aanverwante modules en Zope dingen naar &os; werken. &a.questions.name; Gebruikersvragen Dit is de mailinglijst voor vragen over &os;. Er horen geen how to vragen op de technische mailinglijsten thuis, tenzij een vraag erg technisch van aard is. &a.scsi.name; SCSI subsysteem Dit is de mailinglijst voor mensen die aan het SCSI subsysteem voor &os; werken. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.security.name; Beveiligingsonderwerpen &os; computerbeveiligingsonderwerpen (DES, Kerberos, bekende beveiligingsgaten, oplossingen, enzovoort). Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. Dit is zeker geen vraag-en-antwoord lijst, maar bijdragen voor de FAQ (zowel vraag als antwoord) zijn welkom. &a.security-notifications.name; Beveiligingswaarschuwingen Waarschuwingen voor &os; beveiligingsproblemen en oplossingen. Dit is geen discussielijst. De discussielijst is &a.security.name;. &a.small.name; &os; gebruiken in embedded toepassingen Op deze lijst worden onderwerpen gerelateerd aan ongebruikelijk kleine en enbedded &os; installaties besproken. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.stable.name; Discussie over het gebruik van &os.stable; Dit is de mailinglijst voor gebruikers van &os.stable;. Er worden ook waarschuwingen op gepost over nieuwe opties in -STABLE die invloed op de systemen van gebruikers kunnen hebben en instructies over de te nemen stappen om -STABLE te blijven. Iedereen die STABLE draait hoort zich op deze lijst te abonneren. Dit is een technische mailinglijst waarop slechts strikt technische bijdragen worden verwacht. &a.standards.name; Conformeren C99 & POSIX Dit is een forum voor technische bespreking gerelateerd aan het conformeren van &os; aan de C99 en de POSIX standaarden. &a.usb.name; Discussie over &os; ondersteuning voor USB Dit is de mailinglijst voor technische bespreking van onderwerpen gerelateerd aan &os; ondersteuning voor USB. &a.usergroups.name; Gebruikersgroep Coördinatie Lijst Dit is de mailinglijst voor coördinatoren voor alle lokale gebruikersgroepen, zodat ze met elkaar en een lid van het Kernteam zaken kunnen bespreken. Deze lijst hoort beperkt te blijven tot een overzicht van overleggen en de coördinatie van projecten waarbij meerdere gebruikersgroepen betrokken zijn. &a.vendors.name; Verkopers Coördinatie en discussie tussen het &os; project en verkopers van software en hardware voor &os;. Filters op de Mailinglijsten De &os; mailinglijsten worden op verschillende manieren gefilterd om het doorsturen van spam, virussen en andere ongewenste e–mail te beperken. De hieronder beschreven filteracties bevatten niet alle genomen acties voor de beveiliging van de mailinglijsten. Er is een beperkt aantal typen bijlagen toegestaan op de mailinglijsten. Alle bijlagen met een MIME content type dat niet in de onderstaande lijst staat worden verwijderd voordat de mail wordt doorgestuurd naar de mailinglijsten. application/octet-stream application/pdf application/pgp-signature application/x-pkcs7-signature message/rfc822 multipart/alternative multipart/related multipart/signed text/html text/plain text/x-diff text/x-patch Sommige mailinglijsten staan wellicht bijlagen toe met andere MIME content typen, maar de bovenstaande lijst zal gelden voor de meeste mailinglijsten. Als een e–mail zowel een HTML als een platte tekst versie bevat, dan wordt de HTML versie verwijderd. Als een mail alleen een HTML versie bevat, dan wordt die omgezet naar platte tekst. Usenet Nieuwsgroepen Naast de twee specifieke &os; nieuwsgroepen zijn er nog veel andere waarin &os; wordt besproken of die anderszins relevant zijn voor &os; gebruikers. Er zijn sleutelwoord doorzoekbare archieven voor een aantal van die nieuwsgroepen, met dank aan Warren Toomey wkt@cs.adfa.edu.au. Specifieke BSD Nieuwsgroepen comp.unix.bsd.freebsd.announce comp.unix.bsd.freebsd.misc de.comp.os.unix.bsd (Duits) fr.comp.os.bsd (Frans) it.comp.os.freebsd (Italiaans) Overige Interessante &unix; Nieuwsgroepen comp.unix comp.unix.questions comp.unix.admin comp.unix.programmer comp.unix.shell comp.unix.user-friendly comp.security.unix comp.sources.unix comp.unix.advocacy comp.unix.misc comp.bugs.4bsd comp.bugs.4bsd.ucb-fixes comp.unix.bsd X Window Systeem comp.windows.x.i386unix comp.windows.x comp.windows.x.apps comp.windows.x.announce comp.windows.x.intrinsics comp.windows.x.motif comp.windows.x.pex comp.emulators.ms-windows.wine World Wide Web Servers Onderstaande lijst met World Wide Web Servers wordt automatisch samengesteld om zo actueel mogelijk te zijn en is daarom niet vertaald. &chap.eresources.www.inc; E–mail Adressen De onderstaande gebruikersgroepen bieden &os; gerelateerde e–mail adressen aan voor hun leden. De aangegeven beheerders behouden zich het recht voor om een account te verwijderen als die op enigerlei wijze wordt misbruikt. Domein Faciliteiten Gebruikersgroep Beheerder ukug.uk.FreeBSD.org Alleen forwarden freebsd-users@uk.FreeBSD.org Lee Johnston lee@uk.FreeBSD.org Shell Accounts De onderstaande gebruikersgroepen bieden shell accounts aan voor mensen die het &os; project actief ondersteunen. De aangegeven beheerders behouden zich het recht voor om een account te verwijderen als die op enigerlei wijze wordt misbruikt. Host Toegang Faciliteiten Beheerder dogma.freebsd-uk.eu.org Telnet/FTP/SSH E–mail, webhosting, anonieme FTP Lee Johnston lee@uk.FreeBSD.org diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/firewalls/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/firewalls/chapter.sgml index 9932c4fa16..d203e21570 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/firewalls/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/firewalls/chapter.sgml @@ -1,3133 +1,3139 @@ Joseph J. Barbish Bijgedragen door Brad Davis Omgezet naar SGML en bijgewerkt door Siebrand Mazeland Vertaald door Firewalls firewall beveiliging firewalls Inleiding Firewalls bieden de mogelijkheid om inkomend en uitgaand verkeer op een systeem te filteren. Een firewall gebruikt daarvoor een of meer groepen regels (rules) om netwerkpakketten te inspecteren als ze binnenkomen of weggaan door netwerkverbindingen en staat dat verkeer dan toe of blokkeert het. De regels van een firewall kunnen één of meerdere eigenschappen van pakketten onderzoeken waaronder, maar niet uitsluitend, het protocol, het bron- of bestemmingsadres en de bron- en bestemmingspoort. Firewalls kunnen de veiligheid van een host of netwerk enorm vergroten. Ze kunnen één of meer van de volgende dingen doen: Applicaties, diensten en machines op een intern netwerk te beschermen tegen ongewild verkeer van het internet. Toegang tot internet voor interne hosts te limiteren of uitschakelen. Ondersteuning bieden voor netwerkadres vertaling (network address translation of NAT), waarmee er vanaf een intern netwerk met private IP adressen een internetverbinding gedeeld kan worden met één IP adres of met een groep van publieke adressen die automatisch wordt toegewezen. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe pakketfilteringsregels op de juiste wijze samengesteld kunnen worden; De verschillen tussen de firewalls die bij &os; worden geleverd; Hoe de OpenBSD firewall PF te gebruiken en in te stellen; Hoe IPFILTER te gebruiken en in te stellen; Hoe IPFW te gebruiken en in te stellen. Er wordt aangenomen dat de lezer van dit hoofdstuk: Basisbegrip heeft van FreeBSD en internetconcepten. Firewallconcepten Er zijn twee basismogelijkheden om sets met regels te maken voor firewalls: inclusief of exclusief. Een exclusieve firewall staat al het verkeer door behalve het verkeer dat past bij de set met regels. Een inclusieve firewall doet het tegenovergestelde. Die staat alleen verkeer toe dat past bij de regels en blokkeert al het overige verkeer. Inclusieve firewalls zijn in het algemeen veiliger dan exclusieve firewalls omdat ze het risico op het toestaan van ongewild verkeer door een firewall aanzienlijk reduceren. De beveiliging kan nog verder vergroot worden met een stateful firewall. Een stateful firewall houdt bij welke connecties er door de firewall tot stand zijn gekomen en laat alleen verkeer door dat bij een bestaande connectie hoort of onderdeeel is van een connectie in opbouw. Het nadeel van een stateful firewall is dat die kwetsbaar kan zijn voor Ontzegging van Dienst (DoS) aanvallen als er een groot aantal nieuwe verbindingen binnen korte tijd wordt opgezet. Met de meeste firewalls is het mogelijk een combinatie te maken van stateful en niet stateful gedrag om een optimale firewall voor een site te maken. Firewallsoftware &os; heeft drie soorten firewallsoftware in de basisinstallatie. Dat zijn IPFILTER (ook bekend als IPF), IPFIREWALL (ook bekend als IPFW) en PF (de pakketfilter van - OpenBSD). IPFIREWALL heeft ingebouwde mogelijkheden om + OpenBSD). IPFIREWALL heeft ingebouwde mogelijkheden om bandbreedte te regelen met de DUMMYNET traffic shaper. IPFILTER heeft geen traffic shaper om bandbreedte te regelen, maar dit kan wel gedaan worden met de port ALTQ. DUMMYNET en ALTQ worden meestal gebruikt door ISPs en bedrijven. IPF, IPFW en PF gebruiken regels om de toegang van pakketten tot een systeem te regelen, hoewel ze dat op andere manieren doen en de syntaxis voor regels anders is. De voorbeeldregels voor IPFW (in /etc/rc.firewall) die meekomen met de basisinstallatie zijn verouderd en gecompliceerd en ze maken geen gebruik van stateful regels op de interface die in verbinding staat met internet. Daar wordt alleen gebruik gemaakt van staatloze regels die alleen poorten voor diensten open of dicht kunnen zetten. De stateful regels die in dit onderdeel staan zijn de opvolger van dat wat in /etc/rc.firewall met het basissysteem meekomt. Stateful regels hebben technisch geavanceerde inspectiemogelijkheden om bescherming te bieden tegen de overvloed aan methoden die door aanvallers gebruikt worden. Zowel IPF, IPFW als PF kunnen nog steeds de staatloze regels gebruikt blijven worden. Die verouderde regels worden in dit onderdeel niet behandeld. Hier worden alleen de nieuwe, moderne stateful regels en de volgorde waarin die van toepassing zijn behandeld. We raden aan de mogelijkheden van beide firewalls te bestuderen om te bepalen welke firewall in een situatie het beste past. De schrijver van dit artikel geeft de voorkeur aan IPFILTER omdat daarmee stateful regels minder complex zijn toe te passen in een omgeving waar NAT wordt gebruikt en IPF heeft een ingebouwde ftp proxy waardoor de regels voor het veilig gebruiken van FTP eenvoudiger worden. Daarnaast past het beter bij het kennisniveau van een onervaren firewallgebruiker. Omdat alle firewalls gebaseerd zijn op het inspecteren van aangegeven controlevelden in pakketten, moet iemand die firewallregels opstelt begrijpen hoe TCP/IP werkt, welke waarde de controlevelden kunnen hebben en hoe die waarden gebruikt worden in normaal verkeer. Op de volgende webpagina wordt een prima uitleg gegeven: . De Packet Filter (PF) Firewall Vanaf juli 2003 is de OpenBSD firewalltoepassing PF geporteerd naar &os; wn bwschikbaar gekomen - in de &os; portscollectie. In november 2004 was &os; 5.3 de + in de &os; Portscollectie. In november 2004 was &os; 5.3 de eerste release die PF bevatte is integraal onderdeel van het basissysteem. PF is een complete en volledige firewall die ALTQ bevat om bandbreedte management uit te voeren op een vergelijkbare wijze als DUMMYNET in IPFW. Het OpenBSD project zorgt voor een erg goed gebruikershandboek voor PF dat niet in dit onderdeel wordt opgenomen omdat dat niet nodig is. Voor oudere 5.X versies van &os; staat - PF in de &os; portscollectie: PF in de &os; Portscollectie: security/pf. Meer informatie staat op de PF voor &os; website: . Het OpenBSD PF gebruikershandboek staat hier: . PF in &os; 5.X staat op het niveau van OpenBSD versie - 3.5. De port uit de &os; portscollectie is op het niveau van + 3.5. De port uit de &os; Portscollectie is op het niveau van OpenBSD versie 3.4. Houd dit in gedachten bij het doornemen van het gebruikershandboek. PF Inschakelen PF zit in de basisinstallatie van &os; voor versies vanaf 5.3 als aparte run time laadbare module. Een systeem laadt de PF laadbare module dynamisch in de kernel als pf_enable="YES" in rc.conf staat. In de laadbare module is &man.pflog.4; logging ingeschakeld. Kernelopties Het is niet verplicht om PF in te schakelen door het mee te compileren in de &os; kernel. Dit wordt alleen beschreven als achtergrondinformatie. Door PF in de kernel te compileren wordt de laadbare module niet gebruikt. Voorbeeld kernelinstellingen voor PF staan beschreven in de /usr/src/sys/conf/NOTES kernel source en worden hier weergegeven: device pf device pflog device pfsync device pf schakelt ondersteuning voor de Packet Filter firewall in. device pflog schakelt het optionele &man.pflog.4; pseudo netwerkdevice in dat gebruikt kan worden om verkeer te loggen naar een &man.bpf.4; - descriptor. De &man.pflogd.8; daemon kan gebruikt worden om + descriptor. De &man.pflogd.8; daemon kan gebruikt worden om de logboekinformatie naar disk te schrijven. device pfsync schakelt het optionele &man.pfsync.4; pseudo netwerkdevice in waarmee de state wijzigingen gemonitord kunnen worden. Omdat dit geen onderdeel is van de laadbare module, moet dit in een aangepaste kernel gebouwd worden om het te kunnen gebruiken. Deze instellingen worden pas actief nadat een kernel waarvoor deze instellingen zijn gemaakt is gebouwd en geïnstalleerd. Beschikbare Opties voor <filename>rc.conf</filename> De volgende instellingen moeten in /etc/rc.conf staan om PF bij het booten te activeren: pf_enable="YES" # Schakel PF in (laad module als nodig) pf_rules="/etc/pf.conf" # bestand met regels voor pf pf_flags="" # aanvullende vraagen voor opstarten pfctl pflog_enable="YES" # start pflogd(8) pflog_logfile="/var/log/pflog" # waar pflogd het logboekbestand moet opslaan pflog_flags="" # aanvullende vlaggen voor opstarten pflogd Als er een LAN achter de firewall staat en er pakketten doorgestuurd moeten worden naar computers op dat LAN of als NAT actief is, dan moet de volgende optie ook ingesteld worden: gateway_enable="YES" # Schakel in als LAN gateway De IPFILTER (IPF) Firewall Darren Reed is de auteur van IPFILTER, dat niet afhankelijk is van één besturingssysteem. Het is een open source applicatie die is geporteerd naar &os;, NetBSD, OpenBSD, SunOS, HP/UX en Solaris besturingssystemen. IPFILTER wordt actief ondersteund en onderhouden en er worden regelmatig nieuwe versies uigebracht. IPFILTER is gebaseerd op een firewall aan de kernelkant en een NAT mechanisme dat gecontroleerd en gemonitord kan worden door programma's in userland. De firewallregels kunnen ingesteld of verwijderd worden met het - hulpprogramma &man.ipf.8;. De NAT regels - kunnen ingesteld of verwijderd worden met &man.ipnat.1;. Het + hulpprogramma &man.ipf.8;. De NAT regels + kunnen ingesteld of verwijderd worden met &man.ipnat.1;. Het programma &man.ipfstat.8; kan actuele statistieken leveren voor de kernelonderdelen van IPFILTER. &man.ipmon.8; kan acties van IPFILTER wegschrijven naar logboekbestanden van het systeem. IPF is oorspronkelijk geschreven met logica die regels verwerkte volgens het principe de laatst passende regel wint en gebruikte toen alleen staatloze regels. In de loop der tijd is IPF verbeterd en zijn de opties quick en keep state toegevoegd waarmee de logica van het verwerken van regels drastisch is gemoderniseerd. In de officiële documentatie van IPF worden de verouderde regels en verwerkingslogica behandeld. De moderne functies worden alleen behandeld als opties, waardoor hun nut dat er een veiliger firewall mee te maken volledig onderbelicht blijft. De instructies in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op regels die gebruik maken van de optie quick en de stateful optie keep state. Dit is het raamwerk waarmee een set van inclusieve firewallregels wordt samengesteld. Een inclusieve firewall staat alleen pakketten toe die voldoen aan de regels. Op die manier kan er in de hand gehouden worden welke diensten van binnen de firewall naar buiten mogen en welke diensten op het private netwerk vanaf het internet bereikbaar zijn. Al het andere verkeer wordt vanuit het ontwerp standaard geblokkeerd en gelogd. Inclusieve firewalls zijn veel veiliger dan exclusieve firewalls. Het is ook de enige wijze voor de opzet van een firewall die in dit hoofdstuk wordt behandeld. Voor een gedetailleerde uitleg over de verwerking van de verouderde regels zie en . De IPF FAQ is te vinden op . IPF Inschakelen IPF zit in de basisinstallatie van &os; als een aparte run time laadbare module. Een systeem laadt de IPF kernel laadbare module dynamisch als ipfilter_enable="YES" in - rc.conf staat. Voor de laadbare module + rc.conf staat. Voor de laadbare module zijn de opties logging en default pass all ingeschakeld. IPF hoeft niet in de kernel gecompileerd te worden om het standaardgedrag te wijzigen naar block all. Dat is mogelijk door als laatste regel een regel toe te voegen die al het verkeer blokkeert. Kernelopties Het is niet verplicht om IPF in te schakelen door de volgende opties in de &os; kernel te compileren. Dit wordt alleen beschreven als achtergrondinformatie. Door IPF in de kernel te compileren wordt de laadbare module niet gebruikt. Voorbeeld kernelinstellingen voor IPF staan beschreven in de /usr/src/sys/i386/conf/LINTin de kernelbroncode (/usr/src/sys/arch/conf/LINT voor &os; 4.X) en worden hier beschreven: options IPFILTER options IPFILTER_LOG options IPFILTER_DEFAULT_BLOCK options IPFILTER schakelt ondersteuning voor de IPFILTER firewall in. options IPFILTER_LOG schakelt de optie in waarmee IPF verkeer kan loggen door het naar het ipl pakketloggende pseudo–device te schrijven voor iedere regel met het sleutelwoord log erin. options IPFILTER_DEFAULT_BLOCK wijzigt het standaardgedrag zodat ieder pakket waarop geen enkele pass regel van toepassing is wordt geblokkeerd. Deze instelling worden pas actief nadat een kernel waarvoor deze instellingen zijn gemaakt is gebouwd en geïnstalleerd. Beschikbare Opties voor rc.conf De volgende instellingen moeten in /etc/rc.conf staan om IPF bij het booten te activeren: ipfilter_enable="YES" # Start ipf firewall ipfilter_rules="/etc/ipf.rules" # laad regels uit het doelbestand ipmon_enable="YES" # Start IP monitor log ipmon_flags="-Ds" # D = start als daemon # s = log naar syslog # v = log tcp window, ack, seq # n = vertaal IP & poort naar namen Als er een LAN achter de firewall staat dat gebruik maakt van IP adressen uit de privaat reeks, dan moet de volgende optie ook ingesteld worden om NAT functionaliteit in te schakelen: gateway_enable="YES" # Schakel in als LAN gateway ipnat_enable="YES" # Start ipnat functie ipnat_rules="/etc/ipnat.rules" # bestand met regels voor ipnat IPF &man.ipf.8; wordt gebruikt om het bestand met firewallregels te laden. Gewoonlijk wordt er een bestand aangemaakt waarin de situatieafhankelijke regels staan waarmee in één keer de bestaande regels kunnen worden vervangen: ipf -Fa -f /etc/ipf.rules : verwijder alle interne tabellen met regels. : laad het aangegeven bestand met regels. Hiermee wordt het mogelijk wijzigingen te maken aan het bestand met eigen regels en met &man.ipf.8; de firewall aan te passen met verse regels zonder het systeem te booten. Deze methode is erg handig om nieuwe regels te testen omdat dit zo vaak als nodig gedaan kan worden. In &man.ipf.8; worden alle opties die beschikbaar zijn toegelicht. &man.ipf.8; verwacht dat het bestand met regels een standaard tekstbestand is. Het accepteert geen bestand met regels dat is opgesteld als een script dat gebruik maakt van substitutie. Er is wel een mogelijkheid om IPF regels op te stellen en gebruik te maken van substitutie. Meer informatie staat in . IPFSTAT &man.ipfstat.8; haalt de totalen van de statistieken op die horen bij de firewall sinds die is gestart en toont deze. Het kan ook zijn dat de tellers in tussentijd op nul zijn gesteld met ipf –Z. In &man.ipfstat.8; worden alle details behandeld. Standaard ziet &man.ipfstat.8; uitvoer er ongeveer als volgt uit: input packets: blocked 99286 passed 1255609 nomatch 14686 counted 0 output packets: blocked 4200 passed 1284345 nomatch 14687 counted 0 input packets logged: blocked 99286 passed 0 output packets logged: blocked 0 passed 0 packets logged: input 0 output 0 log failures: input 3898 output 0 fragment state(in): kept 0 lost 0 fragment state(out): kept 0 lost 0 packet state(in): kept 169364 lost 0 packet state(out): kept 431395 lost 0 ICMP replies: 0 TCP RSTs sent: 0 Result cache hits(in): 1215208 (out): 1098963 IN Pullups succeeded: 2 failed: 0 OUT Pullups succeeded: 0 failed: 0 Fastroute successes: 0 failures: 0 TCP cksum fails(in): 0 (out): 0 Packet log flags set: (0) Als er als optie voor inkomend of voor uitgaand wordt meegegeven, dan wordt de juiste lijst met regels die de kernel op dat moment gebruikt weergegeven. ipfstat –in toont de tabel met regels voor inkomend verkeer met regelnummers ipfstat –on toont de tabel met regels voor uitgaand verkeer met regelnummers De uitvoer ziet er ongeveer als volgt uit: @1 pass out on xl0 from any to any @2 block out on dc0 from any to any @3 pass out quick on dc0 proto tcp/udp from any to any keep state ipfstat –ih toont de tabel met regels voor inkomend verkeer, waarbij voor iedere regel staat hoe vaak die van toepassing was. ipfstat –oh toont de tabel met regels voor uitgaand verkeer, waarbij voor iedere regel staat hoe vaak die van toepassing was. De uitvoer ziet er ongeveer als volgt uit: 2451423 pass out on xl0 from any to any 354727 block out on dc0 from any to any 430918 pass out quick on dc0 proto tcp/udp from any to any keep state Een van de belangrijkste functies van ipfstat is de vlag waarmee de staat-tabel wordt getoond op een wijze die vergelijkbaar is met de wijze waarop &man.top.1; de draaiende &os; procestabel toont. Als een firewall wordt aangevallen dan geeft deze functie de mogelijkheid om de pakketten van de aanvaller te identificeren en nader te onderzoeken. De optionele subvlaggen bieden de mogelijkheid om een bron of bestemmings IP adres, poort of protocol aan te geven dat gemonitord moet worden. Details zijn na te lezen in &man.ipfstat.8;. IPMON Om &man.ipmon.8; te laten werken zoals bedoeld, moet de kerneloptie IPFILTER_LOG aan staan. Dit commando kan op twee verschillende wijzen gebruikt worden. De standaard is van toepassing als het commando op de commandoregel wordt ingegeven zonder de optie . De daemon wordt gebruikt als continu een systeemlogboek bijgewerkt moet worden zodat het mogelijk is om gebeurtenissen in het verleden te bekijken. Zo zijn &os; en IPFILTER ingesteld om samen te werken. &os; heeft ingebouwde mogelijkheden om automatisch syslogs te roteren. Daarom is het beter om de uitvoer naar &man.syslogd.8; te geschrijven dan naar een gewoon bestand. In rc.conf is te zien dat de instelling ipmon_flags de waarde heeft: ipmon_flags="-Ds" # D = start als daemon # s = log naar syslog # v = log tcp window, ack, seq # n = vertaal IP & poort naar namen De voordelen van loggen zijn duidelijk. Het biedt de mogelijkheid om na het feit informatie na te zien als: welke pakketten heeft de firewall laten vallen, waar kwamen ze vandaan en waar gingen ze heen? Dit zijn allemaal voordelen als het gaat om uitvinden waar een aanvaller vandaan komt en wat hij heeft geprobeerd. Zelfs als logging is ingeschakeld logt IPF nog niets uit zichzelf. De beheerder van de firewall beslist welke actieve regels iets weg moeten schrijven door het sleutelwoord log aan die regels toe te voegen. Gewoonlijk worden alleen deny regels gelogd. Het is heel normaal om als laatste regel een deny regel aan de set met regels toe te voegen waar het sleutelwoord log in staat. Zo krijgt een beheerder alle pakketten te zien waarop geen enkele regel van toepassing was. Loggen met IPMON &man.syslogd.8; heeft een eigen methode om logboekgegevens te scheiden. Het maakt gebruik van speciale groepen die facility en level heten. &man.ipmon.8; in mode gebruikt - Local0 als facilitynaam. + local0 als facilitynaam. Alle door &man.ipmon.8; gelogde gegevens gaan naar - Local0. De nu volgende levels kunnen + local0. De nu volgende levels kunnen gebruikt worden om de gelogde gegevens nog verder uit elkaar te trekken als dat gewenst is. LOG_INFO – pakketten gelogd met het sleutelwoord "log" als actie in plaats van pass of block. LOG_NOTICE – gelogde pakketten die ook zijn doorgelaten LOG_WARNING – gelogde pakketten die ook geblokkeerd zijn LOG_ERR – gelogde pakketten die een verkeerde opbouw hebben, "short" Om IPFILTER alle gelogde gegevens naar /var/log/ipfilter.log te laten schrijven, dient dat bestand te bestaan. Dat kan met het volgende commando: touch /var/log/ipfilter.log De syslogfunctie wordt beheerd met instellingen in /etc/syslog.conf. syslog.conf biedt aanzienlijke flexibiliteit in hoe syslog omgaat met systeemberichten die door softwaretoepassingen als IPF worden gegeven. Zo kan de volgende instelling toegevoegd worden aan /etc/syslog.conf: - Local0.* /var/log/ipfilter.log + local0.* /var/log/ipfilter.log - Local0.* betekent dat alle + local0.* betekent dat alle logberichten naar de aangegeven plaats geschreven moeten worden. Om de wijzigingen in /etc/syslog.conf actief te maken kan er gereboot worden of is het mogelijk de syslogtaak een schop te geven zodat /etc/syslog.conf opnieuw wordt ingelezen met /etc/rc.d/syslogd restart. Voor &os; 4.X is dit kill -HUP PID. Het PID (procesnummer) is te achterhalen door een overzicht van taken te tonen met ps –ax. Het PID is het nummer in de linker kolom voor de regel waarop syslog staat. Vaak wordt vergeten /etc/newsyslog.conf te wijzigen om het nieuw aangemaakte logboekbestand te laten roteren. De Opmaak van Gelogde Berichten Berichten die door ipmon wordt gezonden bestaan uit velden die gescheiden worden door een spatie. Velden die in alle berichten zitten zijn: De datum waarop het pakket is ontvangen. De tijd waarop het pakket is ontvangen weergegeven als HH:MM:SS.F voor uren, minuten, seconden en fracties van een seconde. De fractie kan meerdere cijfers lang zijn. De naam van de interface waarop het pakket is ontvangen, bijvoorbeeld dc0. De groep en regelnummer van de regel, bijvoorbeeld @0:17. Deze kunnen ingezien worden met ipfstat -in. De acties: p voor doorgelaten (passed), b voor geblokkeerd (blocked), S voor een verkeerd pakket (short packet), n voor dat er geen enkele regel van toepassing was, L voor een logboekregel. De volgorde waarin deze acties getoond worden is: S, p, b, n, L. Een hoofdletter P of B betekent dat het pakket gelogd is vanwege een globale instelling, niet vanwege één regel in het bijzonder. De adressen. Dit zijn eigenlijk drie velden: het bronadres en poort gescheiden door een komma het symbool –> en het bestemmingsadres en poort. 209.53.17.22,80 –> 198.73.220.17,1722. Achter PR staat de naam van het protocol of het nummer, bijvoorbeeld PR tcp. Achter len staan de lengte van de pakketkop en de totale lengte van het pakket, bijvoorbeeld len 20 40. Als het pakket een TCP pakket is, dan is er nog een veld dat begint met een verbindingsstreepje met daarachter letters die overeenkomen met vlaggen die ingeschakeld waren. In &man.ipmon.8; is een lijst met letters en bijbehorende vlaggen te vinden. Als het pakket een ICMP pakket is, dan worden aan het einde twee velden toegevoegd. Het eerste is altijd ICMP en het volgende het ICMP bericht en subbericht type, gescheiden door een slash, bijvoorbeeld ICMP 3/3 voor een poort niet bereikbaar bericht. Bouwen van een Script met Regels Geoefende gebruikers van IPF maken een bestand dat de regels bevat en stellen dat op zo'n manier op dat het uitgevoerd kan worden als een script met substitutie. Het grote voordeel van deze werkwijze is dat er dan alleen de waarde van een variabele gewijzigd hoeft te worden en dat als het script opnieuw wordt uitgevoerd, op alle plaatsen waar de variabele wordt gebruikt, de nieuwe waarde in de regels wordt opgenomen. Omdat het een script is, kan substitutie gebruik worden om vaak voorkomende waarden de definiëren zodat ze in meerdere regels vervangen kunnen worden. Dit wordt geïllustreerd in het onderstaande voorbeeld. De syntaxis die in het script wordt gebruikt is compatibel met de shells sh, csh en tcsh. Velden waarvoor substitutie van toepassing is worden vooraf gegaan door het dollarteken $. Definities worden niet vooraf gegaan door het voorvoegsel $. De waarden van een definitie moet omsloten worden door "dubbele aanhalingstekens". Een set regels begint wellicht als volgt: ############## Begin IPF regels script ######################### oif="dc0" # naam van de uitgaande interface odns="192.0.2.11" # IP adres van DNS server ISP myip="192.0.2.7" # statische IP adres gekregen van ISP ks="keep state" fks="flags S keep state" # Hetzelfde kan gebruikt worden om /etc/ipf.rules te bouwen #cat >> /etc/ipf.rules << EOF # voer ipf uit en lees de inline gegevens, stop met lezen # als het woord EOF wordt gevonden. Er moet een lege regel # zijn na de regel met EOF voor een correcte werking. /sbin/ipf –Fa –f – << EOF # Verleen toegang tot de DNS van de ISP. pass out quick on $oif proto tcp from any to $odns port = 53 $fks pass out quick on $oif proto udp from any to $odns port = 53 $ks # Sta uitgaand verkeer voor niet beveiligd www verkeer toe pass out quick on $oif proto tcp from $myip to any port = 80 $fks # Sta uitgaand verkeer voor beveiligd www verkeer toe (https over TLS SSL) pass out quick on $oif proto tcp from $myip to any port = 443 $fks EOF ################## Einde IPF regels script ######################## Dat is alles. De regels zijn niet van belang in dit voorbeeld, maar tonen hoe substitutievelden worden gedefinieerd en hoe ze worden gebruikt. Als het bovenstaande voorbeeld de inhoud van /etc/ipf.rules.script was, dan kon het geladen worden door het vanaf de commandoregel aan te roepen: sh /etc/ipf.rules.script Er is wel een probleem met het gebruik van regels in combinatie met substitutie. IPF heeft er geen probleem mee, maar de rc opstartscripts die rc.conf lezen hebben er wel last van. Het is mogelijk om deze beperking van de rc scripts heen te werken met de volgende regel in rc.conf: >ipfilter_rules= Nu kan er een script als het volgende worden toegevoegd aan de /usr/local/etc/rc.d/ opstartmap. We adviseren het script een duidelijke naam te geven als ipf.loadrules.sh. De extensie .sh is verplicht: #!/bin/sh sh /etc/ipf.rules.script De rechten op dit scriptbestand moeten lezen, schrijven en uitvoeren voor eigenaar root zijn: chmod 700 /usr/local/etc/rc.d/ipf.loadrules.sh Als het systeem nu herstart, worden de regels via het script gestart. Sets van IPF Regels Een set regels is een groep ipf regels die is gemaakt om pakketten toe te staan of te blokkeren op basis van de eigenschappen van dat pakket. De bi-directionele uitwisseling van pakketten tussen hosts bestaat uit een gesprek dat een sessie heet. De set van firewallregels beoordeelt pakketten twee keer: als het aankomt van de host op het publieke internet en als het de host weer verlaat op de weg terug naar de host op het publieke internet. Iedere TCP/IP dienst als telnet, www, mail, etc, heeft zijn eigen protocol, bron IP adres en bestemmings IP adres of de bron- en bestemmingspoort. Deze attributen vormen de basis voor het opstellen van regels waarmee diensten toegelaten of geblokkeerd kunnen worden. IPF is oorspronkelijk geschreven met logica die regels verwerkte volgens het principe de laatst passende regel wint en gebruikte toen alleen staatloze regels. In de loop der tijd is IPF verbeterd en zijn de opties quick en keep state toegevoegd waarmee de logica van het verwerken van regels drastisch is gemoderniseerd. De instructies in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op regels die gebruik maken van de optie quick en de stateful optie keep state. Dit is het raamwerk waarmee een set van inclusieve firewallregels wordt samengesteld. Een inclusieve firewall staat alleen diensten toe die voldoen aan de regels. Op die manier kan er in de hand gehouden worden welke diensten van binnen de firewall naar buiten mogen en welke diensten op het private netwerk vanaf het internet bereikbaar zijn. Al het andere verkeer wordt vanuit het ontwerp standaard geblokkeerd en gelogd. Inclusieve firewalls zijn veel veiliger dan exclusieve firewalls. Het is ook de enige wijze voor de opzet van een firewall die in dit hoofdstuk wordt behandeld. Werk bij het wijzigen van firewallregels bij voorkeur - vanaf het root console van het systeem - waarop de firewall draait om te voorkomen dat de gebruiker - die de instellingen maakt wordt buitengesloten. + vanaf het console van een systeem waarop de firewall draait + om te voorkomen dat de gebruiker die de instellingen maakt + wordt buitengesloten. Het is ook mogelijk om een cronjob aan + te maken die bijvoorbeeld iedere vijf minuten de + firewallregels flusht. Dit is wellicht niet wenselijk voor + de firewall van een bedrijf, maar voor een firewall thuis is + het waarschijnlijk acceptabel. Regelsyntaxis De regelsyntaxis die hier wordt besproken is versimpeld door alleen de moderne stateful regels en de eerste van toepassing zijnde regel wint te belichten. De complete regelsyntaxis is na te lezen in &man.ipf.8 Het karakter # wordt gebruikt om het begin van een opmerking te markeren en zowel op een eigen regel als achter een firewallregel staan. Lege regels worden genegeerd. Regels bevatten sleutelwoorden die in een bepaalde volgorde van links naar rechts op een regel horen te staan. Sleutelwoorden worden vet weergegeven. Sommige sleutelwoorden hebben subopties die zelf ook weer sleutelwoorden hebben die ook weer subopties kunnen hebben. Alle opties die hier direct onder staan, worden daaronder uitgebreid weergegeven en verderop in dit hoofdstuk in een aparte paragraaf behandeld. ACTIE IN/UIT OPTIES SELECTIE STATEFUL PROTO BRON_ADR,BEST_ADR OBJECT POORT_NUM TCP_VLAG STATEFUL ACTIE = block | pass IN/UIT = in | out OPTIES = log | quick | on interfacenaam SELECTIE = protowaarde | bron/bestemming IP | poort = nummer | flags flag–value PROTO = tcp/udp | udp | tcp | icmp BRON_ADR,BEST_ADR = all | from object to object OBJECT = IP adres | any POORT_NUM = poortnummer TCP_VLAG = S STATEFUL = keep state ACTIE De actie geeft aan wat er met het pakket gedaan moet worden als het van toepassing is op de rest van de filterregel. Iedere regel moet een actie hebben. De volgende acties zijn mogelijk: block geeft aan dat het pakket moet verdwijnen als de parameters van toepassing zijn het het pakket. pass geeft aan dat het pakket doorgelaten moet worden als de parameters van toepassing zijn op het pakket. IN/UIT Een verplicht onderdeel voor iedere filterregel waarin expliciet wordt aangegeven op welke zijde van de in/uit hij van toepassing is. Het volgende sleutelwoord moet in of out zijn, anders is de regel syntactisch onjuist. in betekent dat de regel van toepassing is op inkomende pakketten. out betekent dat de regel van toepassing is op inkomende pakketten. OPTIES Deze opties moeten in de volgorde waarin ze hier beschreven staan gebruikt worden. log geeft aan dat het pakket naar het ipl logboekbestand geschreven moeten worden (zoals verderop beschreven staat in de paragraaf Loggen) als de regel van toepassing is op het pakket. quick geeft aan dat als een regel van toepassing is, dat de laatste regel moet zijn die wordt gecontroleerd, waardoor er een pad wordt kortgesloten waardoor de volgende regels voor dat pakket niet meer gecontroleerd worden. Deze optie is voor de moderne regels eigenlijk verplicht. on geeft de interface aan die in de parameters meegenomen moet worden. De namen van interfaces kunnen getoond worden met &man.ifconfig.8;. Als deze optie wordt gebruikt, kan een regel alleen van toepassing zijn als het pakket door de aangegeven interface gaat in de richting die is aangegeven (in/out). Ook deze optie is verplicht voor de moderne regels. Als een pakket wordt gelogd, dan wordt de kop van het pakket weggeschreven naar het ipl pakketloggende pseudo–device. Direct na het sleutelwoord log mogen de volgende opties gebruikt worden (in de aangegeven volgorde): body geeft aan dat de eerste 128 bytes van de inhoud van het pakket worden opgeslagen na de kop. first; als het sleutelwoord log samen met keep state wordt gebruikt, wordt het aangeraden om deze optie ook te gebruiken zodat alleen het pakket dat als eerste in de sessie van toepassing was en niet ook alle pakketten die daarna in de sessie volgens keep state van toepassing zijn. SELECTIE De sleutelwoorden in deze paragraaf worden gebruikt om attributen van het pakket dat wordt geïnspecteerd te beschrijven om te bepalen of een regel wel of niet van toepassing is. Er is een sleutelwoord en er zijn subopties waarvan er één of meer gekozen moeten worden. De volgende attributen zijn beschikbaar voor het proces en moeten in de aangegeven volgorde worden gebruikt: PROTO proto is het sleutelwoord dat moet worden aangegeven samen met een van de sleutelwoorden uit de subopties. De waarde geeft een bepaald protocol aan dat van toepassing moet zijn. Ook deze optie is verplicht voor de moderne regels. tcp/udp, tcp, udp, icmp of ieder ander protocol dat in /etc/protocols staat wordt herkend en kan gebruikt worden. Het bijzondere protocol sleutelwoord tcp/udp kan gebruikt worden om zowel voor TCP als UDP pakketten van toepassing te laten zijn. Het is toegevoegd voor het gemak om vrijwel gelijke regels te voorkomen. BRON_ADR/BEST_ADR Het sleutelwoord all is in feite hetzelfde als from any to any zonder overige parameters. from bron to dest; de sleutelwoorden from en to worden gebruikt om te testen op IP adressen. In regels moet zowel een bron als bestemmings IP adres aangegeven worden. any is een bijzonder sleutelwoord dat van toepassing is voor ieder IP adres als in from any to any of from 0.0.0.0/0 to any of from any to 0.0.0.0/0 of from 0.0.0.0 to any of from any to 0.0.0.0. IP adressen mogen ingevoerd worden in de vorm numeriek, door punten gescheiden adres/maskerlengte of als een enkelvoudig IP adres in de vorm numeriek, door punten gescheiden. Het is vaak lastig om te komen tot een reeks adressen in de vorm adres/masker. De volgende webpagina kan daar wellicht bij helpen: . POORT Als in een regel op een poort wordt gecontroleerd, voor bron- of bestemmingspoort of beiden, dan is dat alleen van toepassing op TCP en UDP pakketten. Bij het maken van poortvergelijkingen kunnen zowel de dienstnamen uit /etc/services als een uit een natuurlijk getal bestaand poortnummer ingesteld worden. Als de poort onderdeel is van het from object dan wordt het vergeleken met het poortnummer van de bron en als het onderdeel is van het to object, dan wordt het vergeleken met het poortnummer van de bestemming. Het gebruik van het to object is in de moderne regels verplicht en neemt de vorm aan van from any to any port = 80. Poortvergelijkingen kunnen op verschillende manieren ingesteld worden met een aantal verschillende operators. Er kunnen ook reeksen van poorten ingesteld worden. port = of een van de volgende operators: !=, <, >, <, >=, eq, ne, lt, gt, le, ge. Reeksen van poorten worden met de volgende optie aangegeven: port <> of ><. De volgende twee parameters die betrekking hebben op bron en bestemming, zijn verplicht in de moderne regels. TCP_VLAG Vlaggen zijn alleen beschikbaar voor het filteren van TCP. De letters staan voor de mogelijke vlaggen die bekeken kunnen worden in de kop van een TCP pakket. In de moderne regels wordt de optie flags S gebruikt om het verzoek tot het starten van een TCP sessie. STATEFUL keep state geeft aan dat in een regel met pass voor alle pakketten die van toepassing zijn stateful gefilterd moet worden. Deze optie is voor moderne regels verplicht. Stateful Filteren Met stateful filteren wordt verkeer benaderd als een uitwisseling van pakketten tussen twee kanten die een sessie zijn. Als het is ingeschakeld, dan maakt het mechamisme dynamisch interne regels voor pakketten die in de sessie horen te volgen. Het kan bekijken of de karakteristieken van de sessie tussen verzender en ontvanger de juiste procedure volgen. Alle pakketten die niet passen in de sessie, worden automatisch geblokkeerd. keep state staat ook ICMP pakketten toe die gerelateerd zijn aan een TCP of UDP sessie. Dus als er een ICMP type 3 code 4 komt in antwoord op websurfen, dat wordt toegestaan van binnen naar buiten door een keep state regel, dan wordt dat toegelaten. Pakketten waarvan IPF zeker is dat ze onderdeel zijn van de sessie worden toegelaten, zelfs als ze van een ander protocol zijn. Wat er gebeurt: pakketten die naar buiten gaan op de interface die met internet is verbonden worden eerst vergeleken met de dynamische staattabel. Als een pakket voldoet aan de verwachting van het volgende pakket in de sessie, dan mag het de firewall verlaten en wordt de staattabel bijgewerkt. De overige pakketten worden vergeleken met de set van regels voor uitgaand verkeer. Pakketten die binnenkomen op de interface die met internet is verbonden worden eerst vergeleken met de dynamische staattabel. Als een pakket voldoet aan de verwachting van het volgende pakket in de sessie, dan mag het de firewall verlaten en wordt de staattabel bijgewerkt. De overige pakketten worden vergeleken met de set van regels voor uitgaand verkeer. Als de sessie wordt beëindigd wordt hij uit de dynamische staattabel verwijderd. Met stateful filteren is het mogelijk om de focus te leggen op het blokkeren of toestaan van nieuwe sessies. Als een nieuwe sessie tot stand mag komen, dan worden alle volgende pakketten automatisch doorgelaten en al het vervalste verkeer wordt automatisch tegegehouden. Als een nieuwe sessie wordt geweigerd, dan wordt geen enkel pakket doorgelaten. Met stateful filteren zijn er uitgebreide mogelijkheden voor onderzoek om bescherming te bieden tegen de veelheid aan aanvallen die tegenwoorden door aanvallers worden uitgevoerd. Voorbeeld van Inclusieve Regels De onderstaande regels zijn een voorbeeld van hoe een erg veilige inclusieve firewall opgezet kan worden. Een inclusieve firewall staat alleen diensten toe die passen bij de pass regels en blokkeert al het overige verkeer. Alle firewalls hebben tenminste twee interfaces waarop regels van toepassing zijn om de firewall te laten werken. Alle &unix; systemen en dus ook &os; zijn zo ontworpen dat ze voor interne communicatie de interface lo0 en IP adres 127.0.0.1 gebruiken. De firewall moet dit interne verkeer gewoon doorgang laten vinden. Voor de interface die is verbonden met het publieke internet worden regels gemaakt waarmee sessies naar het internet mogelijk gemaakt worden en toegang wordt gegeven voor pakketten die uit die sessies terug komen. Dit kan de PPP interface tun0 zijn of de netwerkkaart die is verbonden met een xDSL of kabelmodem. In gevallen dat er één of meer netwerkkaarten zijn aangesloten op het LAN achter de firewall, dan moeten er op de firewall regels zijn om het verkeer tussen die interfaces vrije doorgang te geven. De regels worden opgedeeld in drie onderdelen: alle interfaces met vrije doorgang, uitgaand op publieke interfaces en inkomend op publieke interfaces. In iedere sectie moeten zo staan dat de regels die het meest gebruikt worden vóór de regels die minder vaak gebruikt worden staan. De laatste regel van een onderdeel geeft aan dat al het overige verkeer op die interface in die richting geblokkeerd en gelogd moet worden. In het onderdeel Uitgaand staan alleen regels met pass die parameters bevatten om individuele diensten beschikbaar te maken zodat er internet toegang is. Al die regels moeten gebruik maken van quick, on, proto, port en keep state. De regels met proto tcp maken ook gebruik van flag om te bekijken of het een pakket betreft voor het opzetten van een sessie om de stateful functionaliteit aan te sturen. In het onderdeel Inkomend staan alle regels voor het blokkeren van ongewenste pakketten eerst om twee redenen. Als eerste kan het zo zijn dat wat er wordt geblokkeerd later toegestaan zou worden door regels die diensten toestaan. De tweede reden is dat nu ongewenste pakketten die vaak voor komen en die bij voorkeur niet in de logboeken voor komen niet meer van toepassing zijn op de laatste regel van het onderdeel waarin ze zouden worden gelogd. Met de laatste regel van dit onderdeel worden alle overige pakketten geblokkeerd en gelogd en ze kunnen bewijsmateriaal zijn in een zaak tegen iemand die heeft geprobeerd een systeem aan te vallen. Voor al het verkeer dat wordt geweigerd wordt geen antwoord gestuurd. De pakketten verdwijnen gewoon. Zo weet een aanvaller niet of een pakket het doelsysteem wel heeft bereikt. Zo kan een aanvaller geen informatie verzamelen over een systeem: hoe minder informatie er over een systeem beschikbaar is, hoe veiliger het is. Zo wordt bijvoorbeeld een inkomend verzoek van een nmap OS fingerprint gelogd omdat een aanvaller zoiets zou proberen. We raden aan om als er logmeldingen komen van een regel met log first het commando ipfstat -hio uit te voeren om te bekijken hoe vaak de regel van toepassing is geweest om te kijken of de firewall overspoeld wordt, m.a.w. aangevallen wordt. Als er pakketten gelogd worden waarvan de beheerder het poortnummer niet herkent, dan is de functie van dat poortnummer na te zoeken in /etc/services of op . Op de volgende link worden poortnummers van Trojans beschreven: . De onderstaande set regels is een complete en erg veilige inclusieve set met regels voor een firewall die de auteur zelf heeft gebruikt op zijn syteem. Deze set met regels is een aanrader en eenvoudig aan te passen door commentaar te maken van een regel voor een dienst die niet gewenst is. Logberichten die niet gewenst zijn, zijn uit te sluiten door ze met een regel te blokkeren in het begin van het onderdeel Inkomend. Voor de onderstaande regels dient de dc0 interfacenaam in iedere regel vervangen te worden door de interfacenaam van de netwerkkaart in het systeem die met het publieke internet is verbonden. Voor gebruikers van PPP zou dat tun0 zijn. Dit zou de inhoud van /etc/ipf.rules kunnen zijn: ################################################################# # Geen beperkingen op de interface aan de LAN kant. # Niet nodig als er geen LAN is. ################################################################ #pass out quick on xl0 all #pass in quick on xl0 all ################################################################# # Geen beperkingen op de loopback interface ################################################################# pass in quick on lo0 all pass out quick on lo0 all ################################################################# # Interface aan het publieke internet (onderdeel Uitgaand). # Inspecteer verzoeken om een sessie te starten van achter de # firewall op het private netwerk of vanaf de server zelf naar # het publieke internet. ################################################################# # Geef toegang tot de DNS server van de ISP. # xxx moet het IP adres van de DNS van de ISP zijn. # Dupliceer deze regels als een ISP meedere DNS servers heeft. # Haal het IP adres evt. uit /etc/resolv.conf. pass out quick on dc0 proto tcp from any to xxx port = 53 flags S keep state pass out quick on dc0 proto udp from any to xxx port = 53 keep state # Geef toegang tot de DHCP server van de ISP voor kabel- en # xDSL-netwerken. Deze regel is niet nodig als gebruik gemaakt worden # van PPP naar het publieke internet. In dat geval kan de hele groep # verwijderd worden. Gebruik de volgende regel en controleer het # logboek voor het IP adres. Wijzig dan het IP adres in de regel # commentaar hieronder en verwijder de eerste regel. pass out log quick on dc0 proto udp from any to any port = 67 keep state #pass out quick on dc0 proto udp from any to z.z.z.z port = 67 keep state # Sta niet beveiligd www verkeer toe. pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 80 flags S keep state # Sta beveiligd www verkeer over TLS SSL toe. pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 443 flags S keep state # Sta het verzenden en ontvangen van e-mail toe. pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 110 flags S keep state pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 25 flags S keep state # Sta Time toe. pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 37 flags S keep state # Sta NNTP nieuws toe. pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 119 flags S keep state # Sta lokale en LAN gebruiker toe niet beveiligde FTP te gebruiken # (zowel passieve als actieve modes). Deze functie maakt gebruik van # de in IPNAT ingebouwde FTP proxy die in het bestand met nat regels # staat om dit in één regel te laten werken. Als er met # pkg_add packages toegevoegd moeten kunnen worden op een systeem, dan # is deze regel nodig. pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 21 flags S keep state # Sta beveiligde FTP, Telnet en SCP toe. # Deze functie maakt gebruik van SSH (secure shell) pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 22 flags S keep state # Sta uitgaande niet beveiligde telnet toe. pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 23 flags S keep state # Sta de &os; CVSUP functie toe. pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 5999 flags S keep state # Sta ping toe naar het publieke internet. pass out quick on dc0 proto icmp from any to any icmp–type 8 keep state # Sta whois toe vanaf overal naar het publieke internet. pass out quick on dc0 proto tcp from any to any port = 43 flags S keep state # Blokkeer en log het eerste voorkomen van al het andere dat probeert # buiten te komen. Deze regel dwingt de 'block all' logica af. block out log first quick on dc0 all ################################################################# # Interface aan het publieke internet (onderdeel Inkomend). # Inspecteert pakketten die van het publieke internet komen # met als bestemming de host zelf of het private netwerk. ################################################################# # Blokkeer al het verkeer voor niet–routeerbare of gereserveerde # adresreeksen. block in quick on dc0 from 192.168.0.0/16 to any #RFC 1918 privaat IP block in quick on dc0 from 172.16.0.0/12 to any #RFC 1918 privaat IP block in quick on dc0 from 10.0.0.0/8 to any #RFC 1918 privaat IP block in quick on dc0 from 127.0.0.0/8 to any #loopback block in quick on dc0 from 0.0.0.0/8 to any #loopback block in quick on dc0 from 169.254.0.0/16 to any #DHCP auto–config block in quick on dc0 from 192.0.2.0/24 to any #gereserveerd voor documentatie block in quick on dc0 from 204.152.64.0/23 to any #Sun cluster interconnect block in quick on dc0 from 224.0.0.0/3 to any #Klasse D & E multicast ##### Blokkeer wat vervelende dingen ############ # die niet in de logboeken moeten komen. # Blokkeer flagmenten. block in quick on dc0 all with frags # Block korte TCP pakketten. block in quick on dc0 proto tcp all with short # Blokkeer source gerouteerde pakketten. block in quick on dc0 all with opt lsrr block in quick on dc0 all with opt ssrr # Blokkeer pogingen voor nmap OS fingerprint. # Log first occurrence of these so I can get their IP address block in log first quick on dc0 proto tcp from any to any flags FUP # Blokkeer alles met speciale opties. block in quick on dc0 all with ipopts # Blokkeer publieke pings. block in quick on dc0 proto icmp all icmp–type 8 # Blokkeer ident. block in quick on dc0 proto tcp from any to any port = 113 # Blokkeer alle Netbios diensten. 137=naam, 138=datagram, 139=sessie. # Netbios is de &windows; bestandsdeeldienst. # Blokkeer &windows; hosts2 name server verzoeken 81. block in log first quick on dc0 proto tcp/udp from any to any port = 137 block in log first quick on dc0 proto tcp/udp from any to any port = 138 block in log first quick on dc0 proto tcp/udp from any to any port = 139 block in log first quick on dc0 proto tcp/udp from any to any port = 81 # Sta inkomend verkeer toe van de DHCP server van de ISP. Deze regel # moet het IP adres van de DHCP server van de ISP bevatten omdat die # de enige toegestane bron van dit type pakketten moet zijn. Alleen # van belang voor kabel en xDSL instellingen. Deze regel is niet nodig # voor PPP verbindingen naar het publieke internet. Dit is hetzelfde # IP adres dat in het Uitgaande onderdeel is opgezocht. pass in quick on dc0 proto udp from z.z.z.z to any port = 68 keep state # Sta inkomend webverkeer toe omdat er een Apache server draait. pass in quick on dc0 proto tcp from any to any port = 80 flags S keep state # Sta niet beveiligde telnet sessie toe vanaf het publieke internet. # Dit heeft het label niet veilig omdat gebruikersnaam en # wachtwoord als platte tekst over internet gaan. Als er geen telnet # server draait, hoeft deze regel niet actief te zijn. #pass in quick on dc0 proto tcp from any to any port = 23 flags S keep state # Sta beveiligde FTP, telnet en SCP toe vanaf internet. # Deze functie gebruik SSH(secure shell). pass in quick on dc0 proto tcp from any to any port = 22 flags S keep state # Blokkeer en log het eerste voorkomen van al het andere dat probeert # binnen te komen. Het loggen van alleen het eerste voorkomen stopt # een ontzegging van dienst aanval die gericht is op het laten # vollopen van de partitie waarop de logboeken staan. Deze regel dwingt # de 'block all' logica af. block in log first quick on dc0 all ################### Einde van de regels ################################### <acronym>NAT</acronym> NAT staat voor Network Address Translation (netwerkadres vertaling). In &linux; heet dit IP Masquerading. Een van de vele mogelijkheden die IPF NAT kan bieden is het delen van één IP adres op het publieke internet met een LAN achter een firewall. De vraag zou kunnen rijzen waarom iemand dat zou willen. ISP's wijzen normaliter namelijk dynamisch een IP adres toe aan hun niet-commerciële gebruikers. Dynamisch betekent hier dat het IP adres iedere dat er wordt ingebeld of dat de kabel- of xDSL-modem uit- en aangeschakeld wordt anders kan zijn. Dit IP adres is het adres waarmee een netwerkapparaat bekend is op het publieke internet. Stel dat er vijf PC's in een huis staan en iedere computer in dat huis heeft toegang tot internet nodig. Dan zouden er bij een ISP vijf individuele accounts moeten zijn en vijf telefoonlijnen om dat te realiseren. Met NAT is er maar één account bij een ISP nodig en moeten er vier PC's met kabels op een switch aangesloten waarop ook een &os; systeem is aangesloten dat als gateway gaat opereren. NAT zal automatisch de private LAN IP adressen van alle PC's vertalen naar een enkel publiek IP adres als de pakketten de firewall naar het internet verlaten. NAT wordt vaak gebruikt zonder toestemming of wetenschap van een ISP en in de meeste gevallen is het, als het wordt ontdekt, grond voor een ISP om de account op te zeggen. Commerciële gebruikers betalen veel meer voor hun internet verbindingen en krijgen vaak een reeks statische IP adressen die nooit verandert. Een ISP verwacht en staat toe dat commerciële gebruikers NAT inzetten voor connectiviteit voor hun interne netwerk. Er is een speciale reeks van IP adressen gereserveerd voor NAT op LANs. Volgens RFC 1918 kunnen de volgende reeksen IP adressen gebruikt worden op private netwerken die nooit direct op het publieke internet gerouteerd worden. Eerste IP Laatste IP 10.0.0.0 10.255.255.255 172.16.0.0 172.31.255.255 192.168.0.0 192.168.255.255 IP<acronym>NAT</acronym> NAT regels worden geladen met ipnat. De NAT regels worden vaak opgeslagen in /etc/ipnat.rules . Meer details staan in &man.ipnat.1;. Bij het maken van wijzigingen aan de NAT regels nadat NAT gestart is, wordt aangeraden de wijziging aan het bestand met regels te maken en daarna met ipnat alle actieve NAT regels te wissen. Daarna kunnen de regels uit het bestand weer als volgt geladen worden: ipnat -CF -f /etc/ipnat.rules Gebruiksgegevens over NAT kunnen getoond worden met: ipnat -s De huidige inhoud van de NAT tabellen kan getoond worden met: ipnat -l Met het volgende commando kan de uitgebreide rapportage worden ingeschakeld en dan wordt informatie over het verwerken van verkeer en de actieve regels getoond: ipnat –v IP<acronym>NAT</acronym> Regels NAT regels zijn erg flexibel en er kunnen veel dingen mee gedaan worden om behoeften van bedrijven en thuisgebruikers in te vullen. De syntaxis van de regels die hier wordt toegelicht is vereenvoudigd om te passen bij een niet-commerciële omgeving. De complete syntaxis is na te lezen in &man.ipnat.5;. De syntaxis voor een NAT regel ziet er ongeveer als volgt uit: map IF LAN_IP_REEKS –> PUBLIEK_ADRES De regel begint met het sleutelwoord map. IF dient vervangen te worden door de aanduiding van de externe interface. LAN_IP_REEKS is de reeks die clients op een LAN gebruiken, meestal iets van 192.168.1.0/24. PUBLIEK_ADRES kan het publieke IP adres zijn of een speciaal sleutelwoord 0.32, wat betekent dat het IP adres van IF gebruikt moet worden. Hoe <acronym>NAT</acronym> Werkt Een pakket komt vanaf het LAN aan bij de firewall en heeft een publieke bestemming. Het wordt verwerkt door de filterregels voor inkomend verkeer en daarna krijgt NAT de kans zijn regels op het pakket toe te passen. De regels worden van boven naar beneden toegepast en de eerste regel die van toepassing is wint. NAT controleert voor alle regels het pakket op interfacenaam en bron IP adres. Als de interfacenaam van een pakket past bij een NAT regel dan wordt het bron IP adres van dat pakket gecontroleerd, dat is dus een IP adres op het private LAN, om te bekijken of het valt in de reeks die is opgegeven aan de linkerkant van een NAT regel. Als ook dat klopt, dan wordt het bron IP adres van het pakket vervangen (rewritten) door een publiek IP adres dat verkregen kan zijn met het sleutelwoord 0.32. NAT werkt dan zijn interne NAT tabel bij, zodat als er een pakket uit die sessie terugkomt van het publieke internet, dat pakket weer gepast kan worden bij het originele private IP adres en door de firewallregels gefilterd kan worden om daarna, als dat mag, naar een client gestuurd te worden. IP<acronym>NAT</acronym> Inschakelen Voor IPNAT zijn de onderstaande instellingen in /etc/rc.conf beschikbaar. Om verkeer tussen interfaces te kunnen routeren: gateway_enable="YES" Om IPNAT automatisch te starten: ipnat_enable="YES" Om aan te geven waar de IPNAT regels staan: ipnat_rules="/etc/ipnat.rules" <acronym>NAT</acronym> voor een Groot LAN Voor netwerken met grote aantallen PC's of netwerken met meerdere LAN's kan het een probleem worden om al die private IP adressen met één enkel publiek IP adres te vervangen, omdat vaak dezelfde poortnummers gebruikt worden. Er zijn twee manieren om dit probleem op te lossen. Aangeven Welke Poorten te Gebruiken + Een normale regel voor NAT ziet er als volgt uit: + map dc0 192.168.1.0/24 –> 0.32 Met de bovenstaande regel blijft de bronpoort ongewijzigd als het pakket door IPNAT gaat. Door gebruik te maken van het sleutelwoord portmap kan IPNAT ingesteld worden om alleen bronpoorten in de aangegeven reeks te gebruiken. Zo stelt de onderstaande regel in dat IPNAT de bronpoort aanpast naar een poortnummer dat in de aangegeven reeks valt: map dc0 192.168.1.0/24 –> 0.32 portmap tcp/udp 20000:60000 Het kan nog eenvoudiger door gebruik te maken van het sleutelwoord auto zodat IPNAT zelf bepaalt welke poorten gebruikt kunnen worden: map dc0 192.168.1.0/24 –> 0.32 portmap tcp/udp auto Meerdere Publieke Adressen Gebruiken In grote netwerken komt er een moment waarop er gewoon te veel adressen zijn om te bedienen met één IP adres. De volgende regel vertaalt alle verbindingen naar 204.134.75.1: map dc0 192.168.1.0/24 –> 204.134.75.1 Dit kan gewijzigd worden naar een reeks addressen met de volgende regel: map dc0 192.168.1.0/24 –> 204.134.75.1–10 Er kan ook een subnet aangegeven worden met een CIDR notatie als in het volgende voorbeeld: map dc0 192.168.1.0/24 –> 204.134.75.0/24 Poorten Omleiden Het is erg gebruikelijk om een webserver, mailserver, database server en DNS server op verschillende computers op een LAN te draaien. Het uitgaande verkeer van die servers kan dan met NAT afgehandeld worden, maar er moet ook ingesteld worden dat inkomend verkeer bij de juiste computer terecht komt. IPNAT gebruikt daarvoor de opties in NAT waarmee verkeer omgeleid kan worden. Als bijvoorbeeld een webserver op 10.0.10.25 draait en het publieke IP adres zou 20.20.20.5 zijn, dan zou dit mogelijk zijn met één van de volgende twee regels: map dc0 20.20.20.5/32 port 80 –> 10.0.10.25 port 80 map dc0 0/32 port 80 –> 10.0.10.25 port 80 Voor een DNS server op een LAN die ook vanuit internet bereikbaar met zijn en die draait op 10.0.10.33 zou de regel er als volgt uit zien: map dc0 20.20.20.5/32 port 53 –> 10.0.10.33 port 53 udp FTP en <acronym>NAT</acronym> FTP is dinosaurus uit het tijdperk van voor internet was zoals het nu is, toen onderzoeksinstellingen met elkaar verbonden waren via huurlijnen en FTP de aangewezen methode was om bestanden met elkaar uit te wisselen. Maar bij het gebruik van FTP worden gebruikersnaam en wachtwoord als platte tekst verzonden en het protocol is nooit aangepast. FTP is er in twee smaken: actief en passief. Het verschil zit 'm in hoe het datakanaal wordt opgezet. De passieve variant is veiliger voor een gebruiker omdat bij deze variant beide communicatiekanalen door de client zelf worden opgezet. Op de volgende link zijn details over FTP na te lezen: . IP<acronym>NAT</acronym> Regels IPNAT heeft een een speciale FTP proxy ingebouwd die kan worden ingeschakeld met een NAT map regel. Die kan al het uitgaande verkeer monitoren wat betreft opstartverzoeken voor sessies voor actieve en passieve FTP en dynamisch tijdelijke filterregels maken die alleen het poortnummer dat echt in gebruik is voor het datakanaal doorlaten. Hiermee wordt een veiligheidsrisico dat normaal gepaard gaat met FTP, namelijk het toestaan van grote reeksen hoge poortnummers, weggenomen. De volgende regel handelt al het FTP verkeer van het LAN af: map dc0 10.0.10.0/29 –> 0/32 proxy port 21 ftp/tcp De regel hieronder handelt het FTP verkeer van de gateway zelf af: map dc0 0.0.0.0/0 –> 0/32 proxy port 21 ftp/tcp Deze laatste regel handelt al het niet–FTP verkeer voor het LAN af: map dc0 10.0.10.0/29 –> 0/32 De FTP map regel hoort voor de normale regels te staan. Alle pakketten worden als eerste vergeleken met de eerste regel en zo verder. Eerst wordt gekeken over de interfacenaam overeenkomt, daarna het bron IP adres van het LAN en dan of het een FTP pakket is. Als dat allemaal klopt, dan maakt de speciale FTP proxy een tijdelijke filterregel die de pakketten uit de FTP sessie naar binnen en buiten doorlaat en ook NAT toepast op de FTP pakketten. Alle pakketten van het LAN die niet van het protocoltype FTP zijn en dus niet bij de eerste regel passen, worden tegen de derde regel gehouden die van toepassing is vanwege de interface en bron IP adres, zodat er dan NAT op toegepast wordt. IP<acronym>NAT</acronym> FTP Filterregels Als de NAT FTP proxy wordt gebruikt is er maar één filterregel voor FTP nodig. Zonder de FTP proxy zouden er drie regels nodig zijn: # Sta LAN client toe te FTP-en naar internet # Actieve en passieve modes pass out quick on rl0 proto tcp from any to any port = 21 flags S keep state # Sta opzetten van het datakanaal voor passieve mode toe voor hoge poorten pass out quick on rl0 proto tcp from any to any port > 1024 flags S keep state # Laat het datakanaal van de FTP server binnen voor actieve mode pass in quick on rl0 proto tcp from any to any port = 20 flags S keep state FTP <acronym>NAT</acronym> Proxy Bug Vanaf &os; 4.9, waar IPFILTER versie 3.4.31 bij zit, werkt de FTP proxy volgens de documentatie tot de sessie wordt afgesloten. Als dit wordt gedaan dan worden pakketten die terug komen van de FTP server geblokkeerd en gelogd als inkomend op poort 21. De NAT FTP proxy lijkt zijn tijdelijke regels te vroeg te verwijderen, nog voordat het antwoord van de FTP server dat de verbinding gesloten kan worden is ontvangen. Er is een PR gepost op de ipf mailinglijst. Hoewel dit niet opgelost kan worden, is het mogelijk een regel in te stellen waarmee de ongewilde logboekregels niet ontstaan. Als alternatief is het mogelijk ze gewoon - te negeren. Zo vaak wordt FTP nu ook weer niet gebruikt, - dus het is niet echt belangrijk. + te negeren. De meeste mensen maken niet zoveel gebruik van + uitgaande FTP. block in quick on rl0 proto tcp from any to any port = 21 IPFW IPFIREWALL (IPFW) is een firewall die binnen &os; wordt ontwikkeld en onderhouden door vrijwilligers, leden van de staf. Het maakt gebruik van verouderde staatloze regels en een verouderde techniek om te realiseren wat eenvoudige stateful logica zou kunnen heten. De staatloze syntaxis van IPFW is krachtig door de technisch geavanceerde mogelijkheden van de regelsyntaxis die de kennis van de gemiddelde gebruiker van firewalls ver overstijgt. IPFW is gericht op de professionele gebruiker of de gevorderde thuisgebruiker die hoge eisen stelt aan de wijze waarop er met pakketten wordt omgegaan. Voordat de kracht van de IPFW regels echt ingezet kan worden, moet de gebruiker veel weten over de verschillende protocollen en de wijze waarop pakketten in elkaar zitten. Het tot op dat niveau behandelen van stof valt buiten de doelstellingen van dit boek. IPFW bestaat uit zeven componenten: de verwerkingseenheid voor de firewallregels, verantwoording, loggen, regels met divert (omleiden) waarmee NAT gebruikt kan worden en de speciale gevorderde mogelijkheden voor bandbreedte management DUMMYNET, de bridge mogelijkheden en de ipstealth mogelijkheden. IPFW Inschakelen IPFW zit bij de basisinstallatie van &os; als een losse in run-time laadbare module. Het systeem laadt de kernel module dynamisch als in rc.conf firewall_enable="YES" staat. IPFW hoeft niet in de &os; kernel gecompileerd te worden, tenzij het nodig is dat NAT beschikbaar is. Na het rebooten van een systeem met firewall_enable="YES" in rc.conf is het volgende bericht op het scherm te zien tijdens het booten: IP packet filtering initialized, divert disabled, rule–based forwarding enabled, default to deny, logging disabled Dit bericht kan genegeerd worden omdat het niet de juiste status weergeeft van de laadbare IPFW module. De laadbare module biedt wèl mogelijkheden voor loggen. Om de uitgebreid loggen limiet in te stellen is er een - instelling in /etc/sysctl.conf. Door + instelling in /etc/sysctl.conf. Door die te maken wordt loggen na een reboot ingeschakeld: net.inet.ip.fw.verbose_limit=5 Kernelopties Het is niet verplicht om IPFW in te schakelen door het mee te compileren in de &os; kernel, tenzij de NAT functionaliteit beschikbaar moet zijn. Dit wordt alleen beschreven als achtergrondinformatie. Door IPFW in de kernel te compileren wordt de laadbare module niet gebruikt. options IPFIREWALL Met IPFIREWALL wordt IPFW ingeschakeld als deel van de kernel. options IPFIREWALL_VERBOSE Met IPFIREWALL_VERBOSE wordt het loggen van pakketten die worden verwerkt met IPFW mogelijk als het sleutelwoord in een regel staat. options IPFIREWALL_VERBOSE_LIMIT=5 Met IPFIREWALL_VERBOSE_LIMIT wordt het aantal pakketten aangegeven dat standaard voor een regel wordt gelogd. Zonder deze optie wordt ieder voorkomen van hetzelfde pakket gelogd zodat uiteindelijk alle diskruimte gebruikt kan worden zodat bepaalde functies niet meer uitgevoerd zouden kunnen worden. In dit voorbeeld wordt een - uniek voorkomen maximaal vijf keer in het logboek - vermeld. + uniek voorkomen maximaal 5 keer in het + logboek vermeld. options IPFIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPT Met IPFIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPT wordt standaard alles door de firewall doorgelaten. Dit wordt aangeraden als iemand voor het eerst een firewall opzet. options IPV6FIREWALL options IPV6FIREWALL_VERBOSE options IPV6FIREWALL_VERBOSE_LIMIT options IPV6FIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPT Voor de bovenstaande opties geldt dat ze hetzelfde doen als de opties voor IPv4, alleen doen ze dat voor IPv6. Als IPv6 niet wordt gebruikt, dan wordt aangeraden de optie IPV6FIREWALL te gebruiken zonder regels, zodat al het IPv6 verkeer wordt geblokkeerd. options IPDIVERT Met IPDIVERT wordt de NAT functionaliteit ingeschakeld. Als IPFIREWALL_DEFAULT_TO_ACCEPT niet wordt gebruikt of de regels van de firewall staan geen verkeer toe, dan worden alle pakketten van en naar de machine waar dit voor geldt geblokkeerd. <filename>/etc/rc.conf</filename> Opties Als IPFW niet in de kernel is gecompileerd, dan moet het geladen worden met de volgende instellingen in /etc/rc.conf: firewall_enable="YES" Om de firewallregels uit een bestand te laden kan de volgende instelling gebruikt worden: firewall_script="/etc/ipfw.rules" Om loggen in te schakelen: firewall_logging="YES" Het Commando <command>IPFW</command> ipfw wordt gebruikt om met de hand regels toe te voegen of te verwijderen als IPFW actief is. Het probleem met deze methode is dat, als het systeem down wordt gebracht, alle regels die gewijzigd of verwijderd zijn verloren gaan. Door alle regels in een bestand op te nemen dat bij het booten wordt geladen of door het bestand waarin de wijzigingen zijn gemaakt als een machine draait te laden bestaat die probleem niet. Met ipfw kunnen de actieve regels van de firewall op het scherm getoond worden. De verantwoordingsmogelijkeden van &man.ipfw.8; maken dynamisch tellers aan voor iedere regel en houden die bij voor alle pakketten die van toepassing zijn op die regel. Dit biedt ook de mogelijkheid om een regel te testen. Om alle regels in volgorde te tonen: ipfw list Om alle regels te tonen met de tijd waarop deze voor het laatst van toepassing was: ipfw –t list Het volgende commando kan gebruikt worden om de verantwoordingsinformatie, pakettellers en de regel zelf te tonen. De eerste kolom is het regelnummer met daarachter het aantal keren dat de regel van toepassing was voor inkomend verkeer, gevolgd door het aantal keren dat de regel van toepassing was voor uitgaand verkeer. Als laatste wordt de regel zelf getoond: ipfw –a list Ook kunnen onder de statische regels de dynamische regels getoond worden: ipfw –d list En de dynamische regels die verlopen zijn: ipfw –d –e list De tellers op nul gesteld worden: ipfw zero Alleen de tellers voor regel NUM op nul stellen: ipfw zero NUM Sets van IPFW Regels Een set regels is een groep &man.ipfw.8; regels die is gemaakt om pakketten toe te staan of te blokkeren op basis van de eigenschappen van dat pakket. De bi-directionele uitwisseling van pakketten tussen hosts bestaat uit een gesprek dat een sessie heet. De set van firewallregels beoordeelt pakketten twee keer: als het aankomt van de host op het publieke internet en als het de host weer verlaat op de weg terug naar de host op het publieke internet. Iedere TCP/IP dienst als telnet, www, mail, etc, heeft zijn eigen protocol, bron IP adres en bestemmings IP adres of de bron- en bestemmingspoort. Deze attributen vormen de basis voor het opstellen van regels waarmee diensten toegelaten of geblokkeerd kunnen worden. Als een pakket de firewall binnenkomt wordt het vergeleken met de eerste regel in de set regels en zo gaat dat voor iedere regel vanaf boven tot beneden. Als een regel van toepassing is op een pakket, dan wordt het actieveld van de regel uitgevoerd. Dit wordt de de eerst passende regel wint zoekmethode genoemd. Als een pakket bij geen enkele regel past, dan wordt de standaardregel 65535 toegepast, die alle pakketten weigert zonder een antwoord terug te sturen naar de verzender. De instructies in dit onderdeel zijn gebaseerd op regels die gebruik maken van de stateful opties keep state, limit, in/out en via. Dit is het raamwerk waarmee een set van inclusieve firewallregels wordt samengesteld. Een inclusieve firewall staat alleen diensten toe die voldoen aan de regels. Op die manier kan er in de hand gehouden worden welke diensten van binnen de firewall naar buiten mogen en welke diensten op het private netwerk vanaf het internet bereikbaar zijn. Al het andere verkeer wordt vanuit het ontwerp standaard geblokkeerd en gelogd. Inclusieve firewalls zijn veel veiliger dan exclusieve firewalls. Het is ook de enige wijze voor de opzet van een firewall die in dit hoofdstuk wordt behandeld. Er wordt aangeraden voorzichtig te zijn als er vanaf het netwerk aan de firewallregels wordt gewerkt omdat het gevaar bestaat buitengesloten te worden. Regelsyntaxis De regelsyntaxis zoals hier toegelicht is vereenvoudigd door alleen te tonen wat nodig is om een standaard inclusieve set met firewallregels te maken. De complete beschijving van alle mogelijkheden staat in &man.ipfw.8;. Regels bevatten sleutelwoorden die in een bepaalde volgorde van links naar rechts op een regel horen te staan. Sleutelwoorden worden vet weergegeven. Sommige sleutelwoorden hebben subopties die zelf ook weer sleutelwoorden hebben die ook weer subopties kunnen hebben. Het karakter # wordt gebruikt om het begin van een opmerking te markeren en kan zowel op een eigen regel als achter een firewallregel staan. Lege regels worden genegeerd. CMD REGEL# ACTIE LOGGEN SELECTIE STATEFUL CMD Iedere regel moet beginnen met add om hem toe te voegen aan de tabel met regels. REGEL# Iedere regel moet een regelnummer hebben. ACTIE Bij een regel kunnen één of meer acties horen die worden uitgevoerd als een regel geldt voor een pakket. allow | accept | pass | permit Deze opties betekenen allemaal hetzelfde: als de regel geldt voor een pakket, laat dat pakket dan door en stop met het zoeken naar geldende regels. check–state Vergelijkt het pakket met de tabel met dynamische regels. Als het erin staat, dan wordt de actie van de dynamisch door deze regel gemaakte regel uitgevoerd. Anders wordt er verder gezocht door de regels. Een regel met check–state heeft geen selectiecriteria. Als er geen regel met check–state in de set met regels staat, dan wordt de tabel met dynamische regels bij het eerste voorkomen van keep–state of limit gecontroleerd. deny | drop Deze opties betekenen hetzelfde: als de regel geldt voor een pakket, blokkeer dat pakket dan en stop met het zoeken naar geldende regels. Loggen log of logamount Als een regel met het sleutelwoord log van toepassing is op een pakket, dan wordt er een bericht naar &man.syslogd.8; geschreven met de facilitynaam SECURITY. Er wordt alleen een bericht geschreven als het aantal voor die regel gelogde pakketten niet groter is dan de instelling logamount. Als logamount niet is ingesteld, dan wordt de limiet uit de &man.sysctl.8; variabele net.inet.ip.fw.verbose_limit gehaald. In beide gevallen bestaat er in het geval de waarde nul is geen limiet. Als de limiet is bereikt, dan kan het loggen weer ingeschakeld worden door de teller voor het loggen weer op nul te stlelen voor die regel met ipfw zero. Er wordt gelogd als een pakket zeker past bij een regel, maar voordat de actie (bijvoorbeeld accept of deny) op een pakket wordt toegepast. Uiteindelijk bepaalt de gebruiker zelf voor welke regels loggen wordt ingeschakeld. Selectie De sleutelwoorden in deze paragraaf beschrijven de attributen van een pakket die bekeken worden bij het bepalen of een regel wel of niet op een pakket van toepassing is. De attributen waarop gecontroleerd kan worden moeten in de beschreven volgorde gebruikt worden. udp | tcp | icmp Naast de hierboven aangegeven protocollen kunnen alle in /etc/protocols beschreven protocollen gebruikt worden. De waarde die wordt opgegeven is het protocol dat van toepassing moet zijn. Dit attribuut is verpicht. from bron to best De sleutelwoorden from en to worden gebruikt om te bekijken of een regel van toepassing is op IP adressen. Een regel moet zowel bron- als bestemmingsadressen bevatten. any is een bijzonder sleutelwoord dat van toepassing is op alle IP adressen. me is een bijzonder sleutelwoord dat van toepassing is op alle IP adressen die ingesteld zijn op interfaces van een &os; systeem. Zo kan dit onderdeel dus bijvoorbeeld de volgende vormen aannemen: from me to any, from any to me, from 0.0.0.0/0 to any, from any to 0.0.0.0/0, from 0.0.0.0 to any, from any to 0.0.0.0, from me to 0.0.0.0. IP adressen mogen ingevoerd worden in de vorm numeriek, door punten gescheiden adres/maskerlengte of als een enkelvoudig IP adres in de vorm numeriek, door punten gescheiden. De volgende link kan hulp verschaffen bij het schrijven van IP adressen in de vorm adres/maskerlengte: Dit attribuut is verpicht. poortnummer Wordt gebruikt voor protocollen die poortnummers ondersteunen (als TCP en UDP). Het gebruik van een poortnummer is verplicht. Er mogen ook dienstnamen uit /etc/services gebruikt worden in plaats van nummers. in | out Is op respectievelijk inkomende of uitgaande pakketten van toepassing. De sleutelwoorden in of out zijn verplicht in een regel. via IF Deze parameter geeft aan op welke interface de regel van toepassing is, waarbij IF de exacte naam van de bedoelde interface is. setup Dit is een verplicht sleutelwoord waarmee wordt aangegeven dat er gezocht wordt naar een pakket met het verzoek tot het opstarten van een TCP sessie. keep–state Dit is een verplicht sleutelwoord. Als er een pakket op een regel met keep–state van toepassing is, dan wordt er door de firewall een dynamische regel gemaakt die bi–directioneel verkeer zal toestaan tussen bron en bestemming en de bijbehorende poorten voor hetzelfde protocol. limit {bron–adr | bron–poort | best–adr | best–poort} De firewall staat maar N verbindingen toe met dezelfde groep parameters uit een regel. Er kunnen één of meer van de parameters bron- of bestemmingsadres en bron- en bestemmingspoort gebruikt worden. limit en keep–state kunnen niet in dezelfde regel gebruikt worden. limit geeft dezelfde mogelijkheden als keep–state en voegt daar zijn eigen mogelijkheden aan toe. Stateful Optie Bij stateful filteren wordt verkeer bekeken als bi–directioneel verkeer dat samen een sessie vormt. Het heeft de mogelijkheid om te bepalen of de sessie tussen de zender en de ontvanger op de juiste wijze voortgaat. Alle pakketten die niet precies in de verwachting van een sessie passen worden automatisch als fout geblokkeerd. check–state wordt gebruikt om aan te geven waar IPFW regels tegen de mogelijkheden voor dynamische regels gehouden moeten worden. Als er een passende regel bij een pakket wordt gevonden, dan kan dat pakket de firewall verlaten en wordt een nieuwe regel gemaakt voor het volgende pakket dat wordt verwacht in de sessie. Als er geen regel van toepassing is op het pakket, dan wordt de volgende regel in de groep regels getest. De mogelijkheden voor dynamische regels zijn kwetsbaar voor een aanval die SYN–flood heet, waarmee wordt geprobeerd een zeer groot aantal regels aan te laten maken. Om deze aanval tegen te gaan, is er vanaf &os; versie 4.5 de optie limit beschikbaar. Met deze optie kan het maximaal aantal simultane sessies geregeld worden op basis van bron en bestemmingsvelden. Als het aantal sessies gelijk aan het maximale aantal sessies is, wordt een pakket voor een nieuwe sessie geweigerd. Firewallberichten Loggen De voordelen van loggen zijn duidelijk. Het biedt de mogelijkheid om na het feit informatie na te zien als: welke pakketten heeft de firewall laten vallen, waar kwamen ze vandaan en waar gingen ze heen. Dit zijn allemaal voordelen als het gaat om uitvinden waar een aanvaller vandaan komt en wat hij heeft geprobeerd. Zelfs als logging is ingeschakeld logt IPFW nog niets uit zichzelf. De beheerder van de firewall beslist welke actieve regels iets weg moeten schrijven door het sleutelwoord log aan die regels toe te voegen. Gewoonlijk worden alleen deny regels gelogd. Dit geldt bijvoorbeeld voor de deny regel voor inkomende ICMP pings. Het is gebruikelijk om de standaard ipfw regel te dupliceren, daar log in op te nemen, en deze als laatste in de set met regels te plaatsen. Zo zijn alle pakketten te zien die niet voldeden aan ook maar één regel. Loggen heeft ook mogelijke nadelen. Het is mogelijk om te veel te loggen en dan om te komen in logboekgegevens die uiteindelijk een disk kunnen vullen. Een DoS aanval om een disk met logs te vullen is een van de oudst bekende typen DoS aanvallen. Logberichten van de firewall worden niet alleen naar &man.syslogd.8; geschreven, maar ook op het root console getoond waar ze snel erg vervelend kunnen worden. De kerneloptie IPFIREWALL_VERBOSE_LIMIT=5 beperkt het aantal opeenvolgende berichten dat naar &man.syslogd.8; wordt geschreven voor één specifieke regel. Als deze optie is ingeschakeld, worden in dit geval maximaal vijf berichten voor dezelfde regel gemeld. Als er meer berichten op dezelfde regel zouden zijn, zou dat als volgt aan &man.syslogd.8; gemeld worden: last message repeated 45 times Standaard worden alle gelogde pakketten weggeschreven naar /var/log/security, wat is ingesteld in /etc/syslog.conf. Regelscript Bouwen De meeste ervaren gebruikers van IPFW maken een bestand waarin de regels staan en stellen dat zo op dat het als script uitgevoerd kan worden. Het grootste voordeel van deze methode is dat de firewallregels allemaal vervangen kunnen worden zonder dat het systeem geboot moet worden. Deze methode is ook erg geschikt voor het testen van regels omdat de procedure zo vaak als nodig uitgevoerd kan worden. Omdat het een script is, kan er gebruik gemaakt worden van substitutie zodat veel gebruikte waarden verduidelijkt kunnen worden. In het volgende voorbeeld wordt hier gebruik van gemaakt. De syntaxis die in het script wordt gebruikt is compatibel met de shells sh, csh en tcsh. Velden waarvoor substitutie van toepassing is worden vooraf gegaan door het dollarteken $. Definities worden niet vooraf gegaan door het voorvoegsel $. De waarden van een definitie moet omsloten worden door "dubbele aanhalingstekens". Een bestand met regels kan als volgt beginnen: ############### begin voorbeeldscript ipfw regels ############## # ipfw –q –f flush # Verwijder alle bestaande regels. # Stel standaarden in. oif="tun0" # uitgaande interface. odns="192.0.2.11" # IP adres DNS server ISP. cmd="ipfw –q add " # Voorvoegsel voor regel. ks="keep–state" # Te lui om iedere keer in te typen. $cmd 00500 check–state $cmd 00502 deny all from any to any frag $cmd 00501 deny tcp from any to any established $cmd 00600 allow tcp from any to any 80 out via $oif setup $ks $cmd 00610 allow tcp from any to $odns 53 out via $oif setup $ks $cmd 00611 allow udp from any to $odns 53 out via $oif $ks ################### einde voorbeeldscript ipfw regels ########### Dat is alles. De feitelijke functie van de regels is in dit voorbeeld van ondergeschikt belang. Dit was slechts een voorbeeld om het gebruik van substitutie te illustreren. Als het bovenstaande voorbeeld het de inhoud van /etc/ipfw.rules was, dan kon het herladen worden met het volgende commando: sh /etc/ipfw.rules /etc/ipfw.rules zou overal kunnen staan met iedere gewenste naam. Wat in het bovenstaande voorbeeld met een bestand is gerealiseerd, kan ook met de hand: ipfw –q –f flush ipfw –q add 00500 check–state ipfw –q add 00502 deny all from any to any frag ipfw –q add 00501 deny tcp from any to any established ipfw –q add 00600 allow tcp from any to any 80 out via tun0 setup keep–state ipfw –q add 00610 allow tcp from any to 192.0.2.11 53 out via tun0 setup keep–state ipfw –q add 00611 allow udp from any to 192.0.2.11 53 out via tun0 keep–state Set met Stateful Regels De volgende set met regels, waarin geen gebruik gemaakt wordt van NAT, is een voorbeeld van hoe een erg veilige inclusieve firewall kan worden opgezet. Een inclusieve firewall laat alleen diensten toe waarvoor pass regels van toepassing zijn en blokkeert al het andere verkeer. Alle firewalls hebben tenminste twee interfaces waarvoor regels moeten zijn die de firewall in staat stellen zijn werk te doen. Alle &unix; systemen en dus ook &os; zijn zo ontworpen dat ze voor interne communicatie de interface lo0 en IP adres 127.0.0.1 gebruiken. De firewall moet dit interne verkeer gewoon doorgang laten vinden. Voor de interface die is verbonden met het publieke internet worden regels gemaakt waarmee sessies naar het internet mogelijk gemaakt worden en toegang wordt gegeven voor pakketten die uit die sessies terug komen. Dit kan de PPP interface tun0 zijn of de netwerkkaart die is verbonden met een xDSL of kabelmodem. In gevallen dat er meer dan één netwerkkaart is aangesloten op het private netwerk achter de firewall, moeten er op de firewall regels zijn om het verkeer tussen die interfaces vrije doorgang te geven. De regels worden opgedeeld in drie onderdelen: alle interfaces met vrije doorgang, uitgaand op publieke interfaces en inkomend op publieke interfaces. De volgorde van de regels in iedere sectie voor publieke interfaces moet zo zijn dat de regels die het meest gebruikt worden vóór de regels staan die minder vaak gebruikt worden. De laatste regel van een onderdeel geeft aan dat al het overige verkeer op die interface in die richting geblokkeerd en gelogd moet worden. In het onderdeel Uitgaand staan alleen regels met allow die parameters bevatten om individuele diensten beschikbaar te maken zodat er internet toegang is. Al die regels moeten gebruik maken van proto, port, in/out, via en keep-state. De regels met proto tcp maken ook gebruik van setup om te bekijken of het een pakket betreft voor het opzetten van een sessie om de stateful functionaliteit aan te sturen. In het onderdeel Inkomend staan alle regels voor het blokkeren van ongewenste pakketten eerst om twee redenen. Als eerste kan het zo zijn dat wat er wordt geblokkeerd later toegestaan zou worden door regels die diensten toestaan. De tweede reden is dat nu ongewenste pakketten die vaak voorkomen en die bij voorkeur niet in de logboeken voorkomen niet meer van toepassing zijn op de laatste regel van het onderdeel waarin ze zouden worden gelogd. Met de laatste regel van dit onderdeel worden alle overige pakketten geblokkeerd en gelogd en ze kunnen bewijsmateriaal zijn in een zaak tegen iemand die heeft geprobeerd een systeem aan te vallen. Voor al het verkeer dat wordt geweigerd wordt geen antwoord gestuurd. Die pakketten verdwijnen gewoon. Zo weet een aanvaller niet of een pakket het doelsysteem wel heeft bereikt. Zo kan een aanvaller geen informatie verzamelen over een systeem: hoe minder informatie er over een systeem beschikbaar is, hoe veiliger het is. Als er pakketten gelogd worden waarvan de beheerder het poortnummer niet herkent, dan is de functie van dat poortnummer na te zoeken in /etc/services of op . Op de volgende link worden poortnummers van Trojans beschreven: . Voorbeeld van een Set Inclusieve Regels Het volgende voorbeeld is een complete inclusieve set regels die geen gebruik maakt van NAT. Deze set met regels is een aanrader en eenvoudig aan te passen door commentaar te maken van een regel voor een dienst die niet gewenst is. Logberichten die niet gewenst zijn, zijn uit te sluiten door ze met een regel te blokkeren in het begin van het onderdeel Inkomend. Voor de onderstaande regels dient de dc0 interfacenaam in iedere regel vervangen te worden door de interfacenaam van de netwerkkaart in het systeem die met het publieke internet is verbonden. Voor gebruikers van PPP zou dat tun0 zijn. Er zit een structuur in de regels: Alle regels die controleren op het verzoek voor het opzetten van een sessie gebruiken keep–state. Alle diensten die vanaf internet bereikbaar zijn gebruiken limit om flooding te voorkomen. Alle regels gebruiken in of out om de richting aan te geven. Alle regels gebruiken via interfacenaam om aan te geven op welke interface de regel van toepassing is. De volgende regels zouden in /etc/ipfw.rules kunnen staan: ################ Begin bestand met IPFW regels ############################### # Verwijder eerst de bestaande regels. ipfw –q –f flush # Stel commando voorvoegsel in. cmd="ipfw –q add" pif="dc0" # Interfacenaam van NIC die verbinding # met het publieke internet heeft. ################################################################# # Geen beperkingen op de interface aan de LAN kant. Alleen nodig # als er een LAN is. Wijzig xl0 naar de gebruikte interfacenaam. ################################################################# #$cmd 00005 allow all from any to any via xl0 ################################################################# # Geen beperkingen op de loopback interface. ################################################################# $cmd 00010 allow all from any to any via lo0 ################################################################# # Sta het pakket toe als het aan de tabel met dynamische regels # was toegevoegd met een 'allow keep–state' commando. ################################################################# $cmd 00015 check–state ################################################################# # Interface aan het publieke internet (onderdeel Uitgaand). # Inspecteer verzoeken om een sessie te starten van achter de # firewall op het private netwerk of vanaf de server zelf naar # het publieke internet. ################################################################# # Geef toegang tot de DNS server van de ISP. # x.x.x.x moet het IP adres van de DNS van de ISP zijn. # Dupliceer deze regels als een ISP meedere DNS servers heeft. # Haal het IP adres evt. uit /etc/resolv.conf $cmd 00110 allow tcp from any to x.x.x.x 53 out via $pif setup keep–state $cmd 00111 allow udp from any to x.x.x.x 53 out via $pif keep–state # Geef toegang tot de DHCP server van de ISP voor kabel- en # xDSL-netwerken. Deze regel is niet nodig als gebruik gemaakt worden # van PPP naar het publieke internet. In dat geval kan de hele groep # verwijderd worden. Gebruik de volgende regel en controleer het # logboek voor het IP adres. Wijzig dan het IP adres in de regel # commentaar hieronder en verwijder de eerste regel. $cmd 00120 allow log udp from any to any 67 out via $pif keep–state #$cmd 00120 allow udp from any to x.x.x.x 67 out via $pif keep–state # Sta niet beveiligd www verkeer toe. $cmd 00200 allow tcp from any to any 80 out via $pif setup keep–state # Sta beveiligd www verkeer over TLS SSL toe. $cmd 00220 allow tcp from any to any 443 out via $pif setup keep–state # Sta het verzenden en ontvangen van e-mail toe. $cmd 00230 allow tcp from any to any 25 out via $pif setup keep–state $cmd 00231 allow tcp from any to any 110 out via $pif setup keep–state # Sta de FreeBSD CVSUP functie toe voor uid root. $cmd 00240 allow tcp from me to any out via $pif setup keep–state uid root # Sta ping toe. $cmd 00250 allow icmp from any to any out via $pif keep–state # Sta Time toe naar buiten. $cmd 00260 allow tcp from any to any 37 out via $pif setup keep–state # Sta NNTP nieuws toe naar buiten. $cmd 00270 allow tcp from any to any 119 out via $pif setup keep–state # Sta beveiligde FTP, Telnet en SCP toe naar buiten. # Deze functie maakt gebruik van SSH (secure shell). $cmd 00280 allow tcp from any to any 22 out via $pif setup keep–state # Sta whois toe naar buiten. $cmd 00290 allow tcp from any to any 43 out via $pif setup keep–state # Blokkeer en log al het andere dat probeert buiten te komen. # Deze regel dwingt de 'block all' logica af. $cmd 00299 deny log all from any to any out via $pif ################################################################# # Interface aan het publieke internet (onderdeel Inkomend). # Inspecteert pakketten die van het publieke internet komen # met als bestemming de host zelf of het private netwerk. ################################################################# # Blokkeer al het verkeer voor niet-routeerbare of gereserveerde # adresreeksen. $cmd 00300 deny all from 192.168.0.0/16 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP $cmd 00301 deny all from 172.16.0.0/12 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP $cmd 00302 deny all from 10.0.0.0/8 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP $cmd 00303 deny all from 127.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback $cmd 00304 deny all from 0.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback $cmd 00305 deny all from 169.254.0.0/16 to any in via $pif #DHCP auto–config $cmd 00306 deny all from 192.0.2.0/24 to any in via $pif #gereserveerd voor documentatie $cmd 00307 deny all from 204.152.64.0/23 to any in via $pif #Sun cluster interconnect $cmd 00308 deny all from 224.0.0.0/3 to any in via $pif #Klasse D & E multicast # Blokkeer publieke pings. $cmd 00310 deny icmp from any to any in via $pif # Blokkeer ident. $cmd 00315 deny tcp from any to any 113 in via $pif # Blokkeer alle Netbios diensten. 137=naam, 138=datagram, 139=sessie. # Netbios is de Windows® bestandsdeeldienst. # Blokkeer Windows hosts2 name server verzoeken 81. $cmd 00320 deny tcp from any to any 137 in via $pif $cmd 00321 deny tcp from any to any 138 in via $pif $cmd 00322 deny tcp from any to any 139 in via $pif $cmd 00323 deny tcp from any to any 81 in via $pif # Blokkeer gefragmenteerde pakketten. $cmd 00330 deny all from any to any frag in via $pif # Blokkeer ACK pakketten die niet in de table met dynamische regels # staan. $cmd 00332 deny tcp from any to any established in via $pif # Geef toegang tot de DHCP server van de ISP voor kabel- en # xDSL-netwerken. Deze regel is niet nodig als gebruik gemaakt worden # van PPP naar het publieke internet. In dat geval kan de hele groep # verwijderd worden. Hier wordt hetzelfde IP adres gebruikt als in de # sectie voor Uitgaand verkeer. #$cmd 00360 allow udp from any to x.x.x.x 67 in via $pif keep–state # Sta inkomend webverkeer toe omdat er een Apache server draait. $cmd 00400 allow tcp from any to me 80 in via $pif setup limit src–addr 2 # Sta beveiligde FTP, telnet en SCP toe vanaf internet. $cmd 00410 allow tcp from any to me 22 in via $pif setup limit src–addr 2 # Sta niet beveiligde telnet sessie toe vanaf het publieke internet. # Dit heeft het label ``niet veilig'' omdat gebruikersnaam en # wachtwoord als platte tekst over internet gaan. Als er geen telnet # server draait, hoeft deze regel niet actief te zijn. $cmd 00420 allow tcp from any to me 23 in via $pif setup limit src–addr 2 # Weiger en log alle niet toegestane inkomende verbindingen van buiten. $cmd 00499 deny log all from any to any in via $pif # Al het andere verkeer wordt standaard geblokkeerd. Weiger en log alle # pakketten die tot hier zijn gekomen om te bekijken welke het waren. $cmd 00999 deny log all from any to any ################ Einde bestand met IPFW regels ######################## Voorbeeld <acronym>NAT</acronym> en Stateful Regels Om NAT met IPFW te gebruiken moeten een aantal instellingen gemaakt worden. In het instellingenbestand voor de kernel moet option divert toegevoegd worden aan de andere IPFIREWALL opties. Naast de normale IPFW opties in /etc/rc.conf zijn de volgende nodig: natd_enable="YES" # Schakel NATD in natd_interface="rl0" # interfacenaam voor de publieke internet NIC natd_flags="–dynamic –m" # –m = behoud poortnummers als mogelijk Stateful regels samen met de divert natd regel gebruiken maakt het schrijven van regels veel gecompliceerder. De plaats van de regels met check–state en divert natd zijn van kritiek belang. De logica bestaat niet langer uit het eenvoudigweg van boven naar beneden doorwerken van de regels. Er wordt dan ook een nieuw type actie gebruik: skipto. Bij het gebruik van skipto is het verplicht iedere regel te nummeren zodat duidelijk is waar een skipto precies heen springt. Hieronder staat een groep regels zonder commentaar waarin een manier om pakketten door de groep regels te leiden wordt aangegeven. De verwerking begint met de eerste regel en er wordt steeds een volgende regel gecontroleerd tot het einde wordt bereikt of totdat een regel op het gecontroleerde pakket van toepassing is, op dat pakket wordt toegepast en de verwerking van regels daardoor stopt. In het voorbeeld zijn de regels 100, 101, 450, 500, and 510 van belang. Die regels regelen de vertaling van inkomende en uitgaande pakketten zodat er in de tabel met de dynamische keep–state regels altijd het private IP adres staat. Daarnaast is het van belang op te merken dat er in alle allow en deny regels de richting van het pakket wordt gecontroleerd (inkomend of uitgaand) en over welke interface het pakket gaat. Merk ook op dat alle uitgaande verzoeken voor het starten van een sessie met een skipto naar regel 500 gaan voor NAT. Stel dat een gebruiker zijn webbrowser gebruikt om een webpagina op te halen. Webpagina's gebruiken poort 80 voor communicatie. Er komt een pakket de firewall binnen dat niet past bij regel 100 omdat het naar buiten gaat en niet naar binnen. Het komt voorbij regel 101 omdat dit het eerste pakket is en er dus nog niets voor in de dynamische keep-state tabel staat. Als het pakket bij 125 aankomt blijkt het te passen bij die regel. Het gaat naar buiten door de interface aan het publieke internet. Het pakket heeft dan nog steeds het bron IP adres van het private LAN. Als blijkt dat deze regel geldt, dan gebeuren er twee dingen: door keep–state wordt er een regel in de dynamische keep–state tabel gezet en wordt de aangegeven actie uitgevoerd. De actie is onderdeel van de informatie uit de dynamische tabel. In dit geval is het skipto 500. In regel 500 wordt NAT op het IP adres van het pakket toegepast en dan kan het weg. Het volgende is van groot belang. Dit pakket komt aan op zijn bestemming en als er een antwoord terug komt, dan begint de verwerking van dat pakket weer van voor af aan. Nu voldoet het aan regel 100 en dus wordt het bestemmingsadres vertaald naar het bijbehorende IP adres op het LAN. Daarna past het bij de check–state regel en wordt een vermelding in de tabel gevonden wat betekent dat er een bestaande sessie is en wordt het doorgelaten naar het LAN. Het gaat dan naar de PC op het LAN die als eerste een pakket heeft verzonden en die verstuurt een nieuw pakket met de vraag om een volgend segment met data naar de server. Nu blijkt bij controle van de check–state regel dat die op het pakket van toepassing moet zijn en er staat een vermelding in de tabel voor uitgaand verkeer. Daarom wordt de bijbehorende actie skipto 500 uitgevoerd. Het pakket springt naar regel 500, er wordt NAT op toegepast en het kan zijn weg vervolgen. Wat betreft binnenkomende pakketten wordt alles dat onderdeel is van een bestaande sessie automatisch afgehandeld door de check–state regel en de juist geplaatste divert natd regels. Nu hoeven alleen de foute pakketten nog geweigerd te worden en moet ondersteuning voor inkomende diensten ingesteld worden. In dit geval draait er een Apache server op de gateway machine die vanaf internet bereikbaar moet zijn. Het nieuwe inkomende pakket past bij regel 100 en het IP adres wordt aangepast aan het interne IP adres van de gateway machine. Dat pakket wordt dan gecontroleerd op alle ongewenste eigenschappen en komt uiteindelijk aan bij regel 425 die van toepassing blijkt te zijn. In dat geval kunnen er twee dingen gebeuren: de pakketregel wordt in de dynamische keep–state tabel gezet, maar nu wordt het aantal nieuwe sessies dat van het bron IP adres komt gelimiteerd tot twee. Dit is een bescherming tegen DoS aanvallen op de dienst die op dat poortnummer wordt aangeboden. De actie is allow, dus het pakket wordt tot het LAN toegelaten. Voor het antwoord herkent de check–state regel dat het pakket bij een bestaande sessie hoort, stuurt het naar regel 500 voor NAT en stuurt het via de uitgaande interface weg. Voorbeeld Set Regels #1: #!/bin/sh cmd="ipfw –q add" skip="skipto 500" pif=rl0 ks="keep–state" good_tcpo="22,25,37,43,53,80,443,110,119" ipfw –q –f flush $cmd 002 allow all from any to any via xl0 # exclude Lan traffic $cmd 003 allow all from any to any via lo0 # exclude loopback traffic $cmd 100 divert natd ip from any to any in via $pif $cmd 101 check–state # Toegestaan uitgaand verkeer. $cmd 120 $skip udp from any to xx.168.240.2 53 out via $pif $ks $cmd 121 $skip udp from any to xx.168.240.5 53 out via $pif $ks $cmd 125 $skip tcp from any to any $good_tcpo out via $pif setup $ks $cmd 130 $skip icmp from any to any out via $pif $ks $cmd 135 $skip udp from any to any 123 out via $pif $ks # Blokkeer al het verkeer voor niet-routeerbare of gereserveerde # adresreeksen. $cmd 300 deny all from 192.168.0.0/16 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP $cmd 301 deny all from 172.16.0.0/12 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP $cmd 302 deny all from 10.0.0.0/8 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP $cmd 303 deny all from 127.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback $cmd 304 deny all from 0.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback $cmd 305 deny all from 169.254.0.0/16 to any in via $pif #DHCP auto–config $cmd 306 deny all from 192.0.2.0/24 to any in via $pif #gereserveerd voor documentatie $cmd 307 deny all from 204.152.64.0/23 to any in via $pif #Sun cluster $cmd 308 deny all from 224.0.0.0/3 to any in via $pif #Klasse D & E multicast # Toegestaan inkomend verkeer. $cmd 400 allow udp from xx.70.207.54 to any 68 in $ks $cmd 420 allow tcp from any to me 80 in via $pif setup limit src–addr 1 $cmd 450 deny log ip from any to any # Dit is de 'skipto' locatie voor de uitgaande stateful regels. $cmd 500 divert natd ip from any to any out via $pif $cmd 510 allow ip from any to any ######################## Einde regels ################## Het volgende voorbeeld doet vrijwel hetzelfde als het bovenstaande, maar volgt een zelfdocumenterende stijl voor het opstellen van regels en commentaar waardoor minder ervaren gebruikers beter kunnen begrijpen wat de regels doen. Voorbeeld Set Regels #2: #!/bin/sh ################ Begin bestand met IPFW regels ############################### # Verwijder eerst de bestaande regels. ipfw –q –f flush # Stel commando voorvoegsel in. cmd="ipfw –q add" skip="skipto 800" pif="rl0" # Interfacenaam van NIC die verbinding # met het publieke internet heeft. ################################################################# # Geen beperkingen op de interface aan de LAN kant. # Wijzig xl0 naar de gebruikte interfacenaam. ################################################################# $cmd 005 allow all from any to any via xl0 ################################################################# # Geen beperkingen op de loopback interface. ################################################################# $cmd 010 allow all from any to any via lo0 ################################################################# # Controleer of pakket inkomend is. NAT in dat geval. ################################################################# $cmd 014 divert natd ip from any to any in via $pif ################################################################# # Sta het pakket toe als het aan de tabel met dynamische regels # was toegevoegd met een 'allow keep–state' commando. ################################################################# $cmd 015 check–state ################################################################# # Interface aan het publieke internet (onderdeel Uitgaand). # Inspecteer verzoeken om een sessie te starten van achter de # firewall op het private netwerk of vanaf de server zelf naar # het publieke internet. ################################################################# # Geef toegang tot de DNS server van de ISP. # x.x.x.x moet het IP adres van de DNS van de ISP zijn. # Dupliceer deze regels als een ISP meedere DNS servers heeft. # Haal het IP adres evt. uit /etc/resolv.conf $cmd 020 $skip tcp from any to x.x.x.x 53 out via $pif setup keep–state # Geef toegang tot de DHCP server van de ISP voor kabel en xDSL. $cmd 030 $skip udp from any to x.x.x.x 67 out via $pif keep–state # Sta niet beveiligd www verkeer toe. $cmd 040 $skip tcp from any to any 80 out via $pif setup keep–state # Sta beveiligd www verkeer over TLS SSL toe. $cmd 050 $skip tcp from any to any 443 out via $pif setup keep–state # Sta het verzenden en ontvangen van e-mail toe. $cmd 060 $skip tcp from any to any 25 out via $pif setup keep–state $cmd 061 $skip tcp from any to any 110 out via $pif setup keep–state # Sta de FreeBSD CVSUP functie toe voor uid root. $cmd 070 $skip tcp from me to any out via $pif setup keep–state uid root # Sta ping toe naar het publieke internet. $cmd 080 $skip icmp from any to any out via $pif keep–state # Sta Time toe. $cmd 090 $skip tcp from any to any 37 out via $pif setup keep–state # Sta NNTP nieuws toe. $cmd 100 $skip tcp from any to any 119 out via $pif setup keep–state # Sta beveiligde FTP, Telnet en SCP toe. # Deze functie maakt gebruik van SSH (secure shell). $cmd 110 $skip tcp from any to any 22 out via $pif setup keep–state # Sta whois toe. $cmd 120 $skip tcp from any to any 43 out via $pif setup keep–state # Sta NPT tijdserver toe. $cmd 130 $skip udp from any to any 123 out via $pif keep–state ################################################################# # Interface aan het publieke internet (onderdeel Inkomend). # Inspecteert pakketten die van het publieke internet komen # met als bestemming de host zelf of het private netwerk. ################################################################# # Blokkeer al het verkeer voor niet-routeerbare of gereserveerde # adresreeksen. $cmd 300 deny all from 192.168.0.0/16 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP $cmd 301 deny all from 172.16.0.0/12 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP $cmd 302 deny all from 10.0.0.0/8 to any in via $pif #RFC 1918 privaat IP $cmd 303 deny all from 127.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback $cmd 304 deny all from 0.0.0.0/8 to any in via $pif #loopback $cmd 305 deny all from 169.254.0.0/16 to any in via $pif #DHCP auto–config $cmd 306 deny all from 192.0.2.0/24 to any in via $pif #gereserveerd voor documentatie $cmd 307 deny all from 204.152.64.0/23 to any in via $pif #Sun cluster $cmd 308 deny all from 224.0.0.0/3 to any in via $pif #Klasse D & E multicast # Blokkeer ident. $cmd 315 deny tcp from any to any 113 in via $pif # Blokkeer alle Netbios diensten. 137=naam, 138=datagram, 139=sessie. # Netbios is de Windows® bestandsdeeldienst. # Blokkeer Windows hosts2 name server verzoeken 81. $cmd 320 deny tcp from any to any 137 in via $pif $cmd 321 deny tcp from any to any 138 in via $pif $cmd 322 deny tcp from any to any 139 in via $pif $cmd 323 deny tcp from any to any 81 in via $pif # Blokkeer gefragmenteerde pakketten. $cmd 330 deny all from any to any frag in via $pif # Blokkeer ACK pakketten die niet in de table met dynamische regels # staan. $cmd 332 deny tcp from any to any established in via $pif # Geef toegang tot de DHCP server van de ISP voor kabel- en # xDSL-netwerken. Deze regel is niet nodig als gebruik gemaakt worden # van PPP naar het publieke internet. In dat geval kan de hele groep # verwijderd worden. Hier wordt hetzelfde IP adres gebruikt als in de # sectie voor Uitgaand verkeer. $cmd 360 allow udp from x.x.x.x to any 68 in via $pif keep–state # Sta inkomend webverkeer toe omdat er een Apache server draait. $cmd 370 allow tcp from any to me 80 in via $pif setup limit src–addr 2 # Sta beveiligde FTP, telnet en SCP toe vanaf internet. $cmd 380 allow tcp from any to me 22 in via $pif setup limit src–addr 2 # Sta niet beveiligde telnet sessie toe vanaf het publieke internet. # Dit heeft het label ``niet veilig'' omdat gebruikersnaam en # wachtwoord als platte tekst over internet gaan. Als er geen telnet # server draait, hoeft deze regel niet actief te zijn. #$cmd 390 allow tcp from any to me 23 in via $pif setup limit src–addr 2 # Weiger en log alle niet toegestane inkomende verbindingen vanaf het # publieke internet. $cmd 400 deny log all from any to any in via $pif # Weiger en log alle niet toegestane uitgaande verbindingen naar # internet. $cmd 450 deny log all from any to any out via $pif # Dit is de 'skipto' locatie voor de uitgaande stateful regels $cmd 800 divert natd ip from any to any out via $pif $cmd 801 allow ip from any to any # Al het andere verkeer wordt standaard geblokkeerd. Weiger en log alle # pakketten die tot hier zijn gekomen om te bekijken welke het waren. $cmd 999 deny log all from any to any ################ Einde bestand met IPFW regels ######################## diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/introduction/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/introduction/chapter.sgml index 541c801180..d732f113e4 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/introduction/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/introduction/chapter.sgml @@ -1,1100 +1,1100 @@ Jim Mock Gereorganiseerd en delen herschreven door Arjan van Leeuwen Vertaald door Introductie Overzicht Welkom bij &os;! Dit hoofdstuk beschrijft de verschillende aspecten van het &os; Project: geschiedenis, doelen, ontwikkelmodel en meer. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe &os; gerelateerd is aan andere besturingssystemen; De geschiedenis van het &os; Project; De doelen van het &os; Project; De fundering van het &os; open-source ontwikkelmodel; En natuurlijk: waar de naam &os; vandaan komt. Welkom bij &os;! 4.4BSD-Lite &os; is een op 4.4BSD-Lite gebaseerd besturingssysteem voor Intel (x86 en &itanium;), AMD64, Alpha en Sun &ultrasparc; computers. Er zijn ook ports naar andere architecturen in voorbereiding. Er is nog meer informatie over de geschiedenis van &os; of over de huidige release. Als de lezer wil bijdragen aan het project (code, hardware, geld) wordt aangeraden het artikel Bijdragen aan &os; te lezen. Wat kan &os;? &os; heeft veel mogelijkheden die het bespreken waard zijn. Hier zijn er enkele op een rij gezet: preemptive multitasking Preemptive multitasking zorgt ervoor dat meerdere programma's en gebruikers op dezelfde computer kunnen werken, zonder dat de systeemrespons of stabiliteit beïnvloed wordt. Meerdere gebruikers Ondersteuning voor meerdere gebruikers maakt het mogelijk dat verschillende mensen een &os; systeem tegelijkertijd kunnen gebruiken voor een groot aantal taken. Dit betekent bijvoorbeeld dat randapparaten als printers en tapedrives gedeeld kunnen worden door alle gebruikers van het systeem en dat individuele beperkingen ingesteld kunnen worden voor gebruikers of voor groepen gebruikers, zodat kritieke systeembronnen beschermd kunnen worden tegen onrechtmatig of overmatig gebruik. TCP/IP netwerken Krachtige mogelijkheden voor TCP/IP netwerken met ondersteuning voor industriestandaarden als SLIP, PPP, NFS, DHCP en NIS. Dit betekent dat een &os;-systeem makkelijk kan samenwerken met andere systemen en dat het kan functioneren als bedrijfsserver, waarbij het belangrijke functies als NFS (bestandsdeling over het netwerk), email, web services, FTP, routing en firewall-diensten kan aanbieden. Geheugenbeveiliging Geheugenbeveiliging garandeert dat applicaties (of gebruikers) elkaar niet kunnen storen. Een crashende applicatie heeft totaal geen effect op andere applicaties. &os; is een 32-bits besturingssysteem (64-bits op de Alpha, &itanium;, AMD64, en &ultrasparc;) en is van de grond af aan zo ontworpen. X Window Systeem XFree86 Het X Window Systeem (X11R6), een industriële standaard, biedt een grafische gebruikersinterface (GUI) met als enige benodigdheden een VGA-kaart en een beeldscherm. binaire compatibiliteit Linux binaire compatibiliteit SCO binaire compatibiliteit SVR4 binaire compatibiliteit BSD/OS binaire compatibiliteit NetBSD Door binaire compatibiliteit met veel programma's voor &linux;, SCO, SVR4, BSDI en NetBSD is het mogelijk om deze programma's zonder snelheidsverlies op &os; te draaien. Er zijn duizenden applicaties beschikbaar in de &os; ports en packages collectie. Waarom zoeken op het internet als het allemaal al klaarstaat? Duizenden andere en makkelijk over te zetten applicaties zijn beschikbaar op het internet. &os; is broncode-compatibel met de meeste populaire commerciële &unix; systemen, wat betekent dat veel applicaties nagenoeg geen wijzigingen vereisen om te compileren op &os;. Virtueel geheugen Het demand-paged virtueel geheugen en de gecombineerde VM/buffer cache van &os; zorgen ervoor dat applicaties met grote geheugenbehoeften niets te kort komen, terwijl de systeemrespons niet achteruit gaat. Symmetric Multi-Processing (SMP) SMP-ondersteuning voor computers met meerdere processoren. compilers C compilers C++ compilers FORTRAN Een volledige C, C++, Fortran en Perl ontwikkelomgeving. Vele andere programmeertalen, te gebruiken voor onderzoek of geavanceerde ontwikkeling, zijn ook beschikbaar in de ports- en packagescollectie. broncode De broncode van het hele systeem is beschikbaar, zodat gebruikers de volledige controle over het systeem in handen hebben. Waarom genoegen nemen met alleen het erewoord van de softwarefabrikant, als een compleet open systeem ook tot de mogelijkheden behoort? Uitgebreide online documentatie. En nog veel meer! 4.4BSD-Lite Computer Systems Research Group (CSRG) U.C. Berkeley &os; is gebaseerd op de 4.4BSD-Lite release van de Computer Systems Research Group (CSRG) aan de University of California in Berkeley en borduurt voort op een lange traditie van ontwikkeling van BSD-systemen. Het &os; Project heeft duizenden uren gestoken in het afstellen van het systeem voor maximale prestaties en betrouwbaarheid in realistische en veel voorkomende situaties. Terwijl veel commerciële bedrijven blijven worstelen met het uitbrengen van besturingssystemen met dergelijke mogelijkheden, prestaties en betrouwbaarheid, kan &os; deze nu bieden! De toepassingen voor &os; worden alleen beperkt door eigen fantasie. Van software-ontwikkeling tot fabrieksautomatisering, van voorraadbeheersing tot de azimuth-correctie van een satellietantenne: als het kan met een commercieel &unix;product, dan kan het ook met &os;! &os; vaart ook wel bij de letterlijk duizenden open-source programma's, vaak van bijzonder hoge kwaliteit, die ontwikkeld zijn in onderzoekscentra, universiteiten over de hele wereld en open-source gemeenschappen, en die beschikbaar zijn voor weinig of geen geld. Ook steeds meer commerciële applicaties vinden hun weg naar &os;. Omdat ook de broncode van &os; zelf vrij beschikbaar is, kan het systeem aangepast worden voor speciale toepassingen of projecten, op manieren die meestal niet mogelijk zijn met besturingssystemen van vooraanstaande commerciële softwarehuizen. Hier zijn een aantal voorbeelden van toepassingen waar &os; voor gebruikt wordt: Internetdiensten: de robuuste TCP/IP netwerkarchitectuur die in &os; zit, maakt het een ideaal platform voor uiteenlopende internetdiensten als: FTP servers FTP servers; web servers World Wide Web servers (standaard of beveiligd [SSL]); firewall IP-maskering Firewalls en NAT (IP-maskering) gateways; elektronische mail e-mail e-mail E-mail servers; USENET USENET nieuws of Bulletin Board (BBS) systemen; En meer... &os; kan eenvoudig geleerd worden op een goedkope standaard-PC, om later verder te groeien naar een professioneel Xeon-systeem met 4 processoren (of meer!) en RAID opslagsystemen als een bedrijf groeit. Onderwijs: is de lezer informatica-student of werkzaam in een ander vakgebied dat hier mee te maken heeft? Er is geen betere manier om besturingssystemen, computerarchitecturen en netwerken te bestuderen dan de hands-on open-source ervaring die &os; kan bieden. Gratis beschikbare programma's voor CAD, wiskundige toepassingen en grafisch ontwerp maken &os; ook heel handig voor mensen wiens primaire interesse voor de computer ligt bij het voltooien van ander werk! Onderzoek: omdat de broncode van het volledige systeem beschikbaar is, vormt &os; een uitstekende basis voor het onderzoeken van besturingssystemen of andere takken in de informatica. De open natuur van &os; maakt het ook mogelijk voor groepen mensen over de hele wereld om met elkaar samen te werken, zonder dat men zich zorgen hoeft te maken over speciale licentieovereenkomsten of beperkingen op wat er besproken kan worden in open fora. router DNS Server Netwerken: nieuwe router nodig? Of een nameserver (DNS)? Een firewall om een intern netwerk te beschermen? &os; kan die ongebruikte 486 of Pentium PC die nog ergens in een hoekje ligt gemakkelijk omtoveren tot een geavanceerde router met uitgebreide pakketfilter mogelijkheden. X Window Systeem XFree86 X Window Systeem Accelerated-X X Window werkstation: &os; is een prima keuze als goedkope X terminal oplossing, door gebruik te maken van de gratis beschikbare X11 server of een van de commerciële servers aangeboden door Xi Graphics. In tegenstelling tot een pure X terminal kan &os; ook applicaties lokaal draaien, wat een verlichting van de centrale server tot gevolg kan hebben. &os; heeft zelfs de mogelijkheid om schijfloos op te starten, zodat individuele workstations nog goedkoper en makkelijker te beheren zijn. Bureaublad: de beschikbaarheid van geavanceerde bureabladomgevingen als KDE en GNOME en kantoortoepassingen als tekstverwerkers en spreadsheet-programma's in de ports- en packagescollectie maken van &os; een uitgebreid desktop-platform. Thuis en op het werk zorgt &os; ervoor dat er snel, efficiënt en veilig gewerkt kan worden! GNU Compiler Collection Software Ontwikkeling: bij het standaard &os;-systeem zit al een volledige verzameling van ontwikkelgereedschappen, inclusief de bekende GNU C/C++ compiler en debugger. &os; is beschikbaar in zowel broncode als binaire vorm op CDROM, DVD en via FTP. In staat meer informatie over het verkrijgen van &os;. Wie Gebruiken &os;? gebruikers grote sites die &os; draaien &os; is de drijvende kracht achter enkele van de grootste sites die het internet kent, zoals: Yahoo! Yahoo! Apache Apache Blue Mountain Arts Blue Mountain Arts Pair Networks Pair Networks Sony Japan Sony Japan Netcraft Netcraft Weathernews Weathernews Supervalu Supervalu TELEHOUSE America TELEHOUSE America Sophos Anti-Virus Sophos Anti-Virus JMA Wired JMA Wired en nog veel meer sites. Over het &os; Project Deze paragraaf geeft wat meer achtergrondinformatie over het project, inclusief een korte geschiedenis, projectdoelen, en het ontwikkelmodel van het project. Jordan Hubbard Bijgedragen door Een Korte Geschiedenis van &os; 386BSD Patchkit Hubbard, Jordan Williams, Nate Grimes, Rod &os; Project geschiedenis Het &os; Project zag het licht in het begin van 1993, gedeeltelijk als een voortzetting van de Unofficial 386BSD Patchkit door de 3 laatste coördinatoren van de patchkit: Nate Williams, Rod Grimes en ikzelf. 386BSD Het oorspronkelijke doel was om een zogenaamde 'snapshot'-release te maken van 386BSD, om zo een aantal problemen op te lossen die niet op te lossen waren met het patchkit-mechanisme dat eerder gebruikt was. Sommigen kunnen zich misschien nog herinneren dat de werktitel van het project in het begin nog 386BSD 0.5 of 386BSD Interim was, refererend aan het oorspronkelijke doel. Jolitz, Bill 386BSD was het besturingssysteem van Bill Jolitz en had tot op dat moment geleden onder het feit dat er al bijna een jaar niet naar omgekeken was. Terwijl de patchkit steeds groter en onhandiger werd, was een groep mensen het er over eens dat er iets moest gebeuren en beslisten om Bill te assisteren bij het maken van een tussentijdse cleanup snapshot. Deze plannen kwamen echter tot een plotseling einde toen Bill Jolitz besliste om zijn toestemming voor het project in te trekken, zonder dat er een alternatief werd geboden. Greenman, David Walnut Creek CDROM Het duurde niet lang om te beslissen dat het doel nog steeds belangrijk was, zelfs zonder de ondersteuning van Bill, dus werd de naam &os; aangenomen, naar een idee van David Greenman. De oorpronkelijke doelen werden opgesteld na het raadplegen van de gebruikers van het systeem. Toen het erop begon te lijken dat dit project misschien wel snel realiteit kon worden, werd contact opgenomen met Walnut Creek CDROM vanuit het oogpunt om de distributiekanalen van &os; te verbeteren voor diegenen die geen toegang hadden tot internet. Walnut Creek CDROM ondersteunde niet alleen het idee om &os; op CD te distribueren, maar bood het project ook een systeem en een snelle internetverbinding om mee te werken. Zonder Walnut Creek CDROM's bijna onbeperkte vertrouwen in wat op dat moment nog een compleet onbekend project was, is het onwaarschijnlijk dat &os; zo ver gekomen zou zijn, en zo snel, als het vandaag de dag is. 4.3BSD-Lite Net/2 U.C. Berkeley 386BSD Free Software Foundation De eerste CDROM (en algemene op het net beschikbare) distributie was &os; 1.0, uitgebracht in december 1993. Deze versie was gebaseerd op de 4.3BSD-Lite (Net/2) tape van U.C. Berkeley, met veel toevoegingen van 386BSD en de Free Software Foundation. Het werd een redelijk succes voor een eerste aanbod, en werd opgevolgd door de zeer succesvolle &os; 1.1 release in mei 1994. Novell U.C. Berkeley Net/2 AT&T Rond deze tijd vormde zich nogal onverwacht een stormachtige lucht aan de horizon toen Novell en U.C. Berkeley hun langlopende rechtszaak over de legale status van de Berkeley Net/2 tape oplosten met een schikking. Een voorwaarde van deze schikking was dat U.C. Berkeley toegaf dat grote delen van Net/2 beladen code was en het eigendom van Novell, die deze code op haar beurt overgenomen had van AT&T enige tijd hiervoor. Wat Berkeley hiervoor terugkreeg was Novell's zegen over de 4.4BSD-Lite release; wanneer deze uitkwam zou Novell verklaren dat geen van de code hierin eigendom van Novell was, en bestaande Net/2 gebruikers zou sterk aanbevolen worden om over te stappen naar deze nieuwe versie. Dit gold ook voor &os; en het project werd de tijd gegeven tot juli 1994 om te stoppen met het distribueren van het eigen op Net/2-gebaseerde product. De schikking liet wel toe dat nog een laatste release werd uitgebracht voor de deadline en dat was &os; 1.1.5.1. &os; nam toen de enorme taak op zich om zichzelf letterlijk opnieuw uit te vinden, met als basis een volledig nieuwe en nogal incomplete verzameling van delen van 4.4BSD-Lite. De Lite releases werden zo genoemd omdat Berkeley's CSRG grote delen code die nodig waren om een werkend systeem te construeren had weggelaten (om allerlei legale redenen) en omdat de Intel port van 4.4 grotendeels incompleet was. Het kostte het project tot november 1994 om deze overstap te maken. Op dat moment werd &os; 2.0 op het net en op CDROM (aan het einde van december) uitgebracht. Ondanks het feit dat deze release nog wat ruige kantjes had, werd het een groot succes en werd het gevolgd door de robustere en makkelijker te installeren &os; 2.0.5 in juni 1995. In augustus 1996 is &os; 2.1.5 uitgebracht en deze bleek populair genoeg bij internet service providers (ISP's) en andere commerciële gebruikers van &os; om nog een release van de 2.1-STABLE tak te rechtvaardigen. Dit was &os; 2.1.7.1, uitgebracht in februari 1997. Deze release markeerde het einde van de hoofdstroomontwikkeling op 2.1-STABLE; alleen beveilingsupdates en andere kritieke bug fixes werden nog op deze tak uitgevoerd (RELENG_2_1_0). &os; 2.2 werd afgesplitst van de ontwikkelingstak (-CURRENT) in november 1996 als RELENG_2_2 en de eerste volledige release (2.2.1) werd uitgebracht in april 1997. Andere releases van de 2.2 tak werden uitgebracht in de zomer en herfst van '97. De laatste (2.2.8) verscheen in november 1998. De eerste officiële 3.0 release verscheen in oktober 1998 en was het begin van het einde voor de 2.2 tak. Er was opnieuw een afsplitsing op 20 januari 1999, wat leidde tot de 4.0-CURRENT en 3.x-STABLE takken. Vanuit 3.X-STABLE werd versie 3.1 uitgebracht op 15 februari 1999, 3.2 op 15 mei 1999, 3.3 op 16 september 1999, 3.4 op 20 december 1999 en 3.5 op 24 juni 2000. De laatste werd enkele dagen later gevolgd door een point release update naar 3.5.1, om enkele net-ontdekte beveiligingsfouten in Kerberos te corrigeren. Dit was de laatste release van de 3.X tak. Een nieuwe tak werd gemaakt op 13 maart 2000, de 4.X-STABLE tak. Er zijn verschillende releases van deze tak gemaakt: 4.0-RELEASE werd geïntroduceerd in maart 2000, en de meest recente &rel2.current;-RELEASE verscheen in &rel2.current.date;. In de toekomst verschijnen er nog releases uit de RELENG_4 tak. De langverwachte 5.0-RELEASE werd aangekondigd op 19 januari 2003. Dit resultaat van bijna drie jaar werk zette &os; stevig neer op de weg naar geavanceerde multiprocessor- en threading-ondersteuning en introduceerde nieuwe &os; ports voor de &ultrasparc; en ia64 architecturen. Deze release werd gevolgd door 5.1 in juni 2003. De laatste 5.X release uit de –CURRENT-tak was 5.2.1–RELEASE uit februari 2004. De RELENG_5 tak is gemaakt in augustus 2004 en werd gevolgd door 5.3-RELEASE, die het begin van de 5-STABLE tak markeert. Op dit moment vinden lange-termijn ontwikkelprojecten plaats in de 6.X-CURRENT tak, en snapshot releases van 6.X op CDROM (en natuurlijk op het Net) worden continu beschikbaar gemaakt op de snapshot server. Jordan Hubbard Bijgedragen door &os; Projectdoelen &os; Project doelen Het doel van het &os; Project is om software aan te bieden die gebruikt kan worden voor iedere mogelijke toepassing, zonder beperkingen. Vele ontwikkelaars hebben een belangrijke investering in de code (en het project) zitten en vinden het niet erg om af en toe een financiële compensatie te ontvangen, maar dat is zeker geen voorwaarde. De ontwikkelaars van &os; geloven dat de eerste en belangrijkste missie het aanbieden van code is, aan iedereen die het wil hebben, voor wat voor doel dan ook, zodat de code zo breed mogelijk gebruikt kan worden tot voordeel van zoveel mogelijk mensen. Dit is een van de meest fundamentele doelen van Vrije Software dat &os; enthousiast ondersteunt. GNU General Public License (GPL) GNU Lesser General Public License (LGPL) BSD Copyright Sommige code in &os; valt onder de GNU General Public License (GPL) of Library General Public License (LGPL). Deze code heeft iets meer beperkingen, maar in ieder geval aan de kant waarbij vrije toegang tot de code geforceerd wordt, in plaats van het gebruikelijke tegenovergestelde hiervan. Door de toegevoegde moeilijkheden die kunnen voortkomen uit het commerciële gebruik van GPL software geeft het &os; Project echter de voorkeur aan het meer vrije BSD copyright, wanneer er een redelijk alternatief voor handen is. Satoshi Asami Bijgedragen door Het &os; Ontwikkelmodel &os; Project ontwikkelmodel De ontwikkeling van &os; is een erg open en flexibel proces en wordt gevormd door de bijdragen van letterlijk honderden mensen over de hele wereld, zoals te zien is in de lijst van medewerkers. De infrastructuur die wordt gebruikt voor de ontwikkeling van &os; zorgt ervoor dat deze honderden ontwikkelaars kunnen samenwerken over het internet. Het &os; Project is continu op zoek naar nieuwe ontwikkelaars en ideeën. Om bij te dragen aan de ontwikkeling van &os; is een mail naar &a.hackers; voldoende. De &a.announce; is beschikbaar om mededelingen te doen aan andere &os;-gebruikers over grote veranderingen. Een aantal dingen over &os; en haar ontwikkelingsproces zijn handig om te weten, of een bijdrage nu onafhankelijk of in samenwerking met anderen uit het Project komt: Het CVS-archief CVS archief Concurrent Versions System CVS Alle broncode voor &os; wordt bijgehouden met CVS (Concurrent Versions System), een vrij verkrijgbaar pakket voor het onderhouden van broncode die bij &os; zit. Het primaire CVS archief staat op een systeem in Santa Clara, Californië, in de VS, waar het wordt gesynchroniseerd met verschillende mirrors over de hele wereld. De boomstructuur van CVS, waarin de broncode voor -CURRENT en -STABLE is te vinden, kan ook makkelijk met die op een eigen systeem gesynchroniseerd worden. Synchroniseren van broncode bevat meer informatie over dit onderwerp. Committers committers De zogenaamde committers zijn alle mensen die schrijf-rechten hebben in het CVS archief van &os;. Deze mensen mogen veranderingen maken aan de &os; broncode (de term committer is afkomstig uit het &man.cvs.1; commit commando, wat gebruikt wordt om veranderingen door te voeren in het CVS-archief). De beste manier om eigen bijdragen te laten keuren door een van de committers is door gebruik te maken van &man.send-pr.1;. Als het erop lijkt dat een bijdrage ergens in het systeem blijft hangen, dan is het ook mogelijk om mail te sturen naar de &a.committers;. Het &os; Core Team core team Het &os; core team zou het equivalent zijn van een raad van bestuur als &os; een bedrijf zou zijn. De primaire taak van het core team is ervoor zorg te dragen dat het project, in zijn geheel, in goede vorm verkeert en de goede richting opgaat. Toegewijde en verantwoordelijke ontwikkelaars uitnodigen om deel te worden van de committers is één van de taken van het core team, net als het recruteren van nieuwe leden van het core team. Het huidige core team is gekozen door de committers uit een groep van kandidaten (ook allen committers) in juli 2004. Elke twee jaar worden verkiezingen gehouden. Sommige leden van het core team hebben een bijzondere verantwoordelijkheid, wat wil zeggen dat zij er speciaal op toezien dat een bepaald deel van het systeem werkt zoals het hoort. In de lijst van medewerkers staat een complete lijst van ontwikkelaars en hun verantwoordelijkheden. De meeste leden van het core team zijn vrijwilligers. Toewijding betekent dus niet gegarandeerde ondersteuning. De raad van bestuur-analogie hierboven klopt niet helemaal en het is misschien beter om te zeggen dat dit de mensen zijn die hun leven opgaven voor &os;, tegen beter weten in! Externe Bijdragen externe bijdragen De grootste groep ontwikkelaars zijn de gebruikers zelf, die &os; continu voorzien van constructief commentaar en oplossingen voor fouten. De handigste manier om contact te houden met het niet-gecentraliseerde deel van de ontwikkeling van &os; is een abonnement nemen op de &a.hackers;, waar allerlei bijdragen, patches en nieuwe ideeën worden bediscussieerd. In is meer informatie te vinden over de verschillende &os; mailinglijsten. De lijst van medewerkers is lang en groeit iedere dag, dus wat let de lezer om zelf een bijdrage te doen aan &os;? Programmeren is niet de enige manier om een bijdrage te leveren aan het project. Een meer volledige lijst van dingen die gedaan moeten worden staat op de &os; web site. Samengevat is het &os; ontwikkelmodel georganiseerd als een niet-samenhangende verzameling van concentrische cirkels. Het gecentraliseerde model is ontworpen voor het gemak van de gebruikers van &os;, die op deze manier makkelijk de wijzigingen in het project kunnen volgen. Niet om potentiële medewerkers buiten de deur te houden! Het is wenselijk om een stabiel besturingssysteem te maken, met een grote verzameling samenhangende applicaties. Dit model heeft zijn waarde op dat gebied bewezen. Om bij te dragen en samen &os; verder te ontwikkelen, is het enige wat het &os; Project vraagt dat te doen met dezelfde toewijding als de huidige ontwikkelaars: succes gegarandeerd! De Huidige &os; Release NetBSD OpenBSD 386BSD Free Software Foundation U.C. Berkeley Computer Systems Research Group (CSRG) &os; is een open source, op 4.4BSD-Lite gebaseerd besturingssysteem voor Intel (x86 en &itanium;), AMD64, Alpha en Sun &ultrasparc; computers. Het is grotendeels gebaseerd op software van de Computer Systems Research Group (CSRG) van de University of California in Berkeley (U.C. Berkeley), met verbeteringen overgenomen van NetBSD, OpenBSD, 386BSD en de Free Software Foundation. Sinds het uitbrengen van &os; 2.0 tegen het einde van 1994, zijn de prestaties, mogelijkheden en stabiliteit van &os; dramatisch verbeterd. &os; heeft namelijk de beschikking over een compleet nieuw subsysteem voor virtueel geheugen, dat niet alleen de prestaties ten goede komt, maar er ook voor zorgt dat het systeem minder geheugen gebruikt dan ooit tevoren. Andere belangrijke verbeteringen zijn de ondersteuning van veel nieuwe hardware, een compleet nieuw systeem voor de ondersteuning van machines met meerdere processoren (SMP) en een nieuwe bibliotheek voor de ondersteuning van multithreading in applicaties. Behalve de basisdistributie van het besturingssysteem, biedt &os; ook een enorme softwarecollectie met duizenden veelgebruikte programma's, de zogenaamde ports. Op het moment van schrijven zijn er al meer dan &os.numports; ports! In de ports zitten alle mogelijke klassen van software die te bedenken zijn, van http-servers tot spellen, van kantoorapplicaties tot multimedia en alles wat er tussenin - zit. De complete portscollectie beslaat zo'n &ports.size; aan + zit. De complete Portscollectie beslaat zo'n &ports.size; aan schijfruimte. Meer informatie over de ports en over de packages is te vinden in . Een aantal andere documenten die kunnen helpen bij het installeren en gebruiken van &os; staan in de map /usr/share/doc op ieder recente &os;-installatie. De lokaal geïnstalleerde documentatie kan in een browser bekeken worden door de volgende URLs te gebruiken: Het &os; handboek /usr/share/doc/handbook/index.html De &os; FAQ /usr/share/doc/faq/index.html De nieuwste versies van deze documenten zijn altijd te vinden op . diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/kernelconfig/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/kernelconfig/chapter.sgml index fcc80c472d..c4a66ce1e7 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/kernelconfig/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/kernelconfig/chapter.sgml @@ -1,1917 +1,1917 @@ Jim Mock Bijgewerkt en opnieuw gestructureerd door Jake Hamby Oorspronkelijk bijgedragen door René Ladan Vertaald door Het Instellen van de &os;-kernel Samenvatting kernel een eigen kernel bouwen De kernel is de kern van het &os;-besturingssysteem en is verantwoordelijk voor het geheugenbeheer, het opleggen van beveiligingsregels, het aansturen van het netwerk, de toegang tot schijven en nog veel meer. Hoewel steeds meer in &os; dynamisch instelbaar wordt, is het af en toe nodig om de kernel opnieuw in te stellen en te compileren. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Waarom het nodig is om een eigen kernel te bouwen; Hoe een nieuw kernelinstellingenbestand te schrijven of een bestaand kernelinstellingenbestand aan te passen; Hoe het kernelinstellingenbestand te gebruiken om een nieuwe kernel aan te maken en te bouwen; Hoe een nieuwe kernel te installeren; Hoe de ingangen in /dev die nodig kunnen zijn aan te maken; Hoe problemen op te lossen als er iets verkeerd gaat. Alle opdrachten die in dit hoofdstuk als voorbeeld zijn gegeven moeten als root uitgevoerd worden om te slagen. Redenen om een Eigen Kernel te Bouwen Traditioneel heeft &os; zoals dat heet een monolitische kernel gehad. Dit betekent dat de kernel één groot programma was, een vaste lijst van apparaten ondersteunde en als het gewenst was om het gedrag van de kernel te veranderen, moest er een nieuwe kernel gecompileerd worden en moest daarna de computer opnieuw gestart worden met de nieuwe kernel. Vandaag de dag beweegt &os; zich snel naar een model waar veel van de functionaliteit van de kernel in modules zit die dynamisch in en uit de kernel kunnen worden geladen, naargelang dat noodzakelijk is. Dit stelt de kernel in staat om zich aan nieuwe hardware aan te passen die plotseling beschikbaar komt (zoals PCMCIA-kaarten in een laptop) of om nieuwe functionaliteit in zich op te nemen die niet noodzakelijk was toen de kernel oorspronkelijk werd gecompileerd. Dit staat bekend als een modulaire kernel. Desondanks is het nog steeds nodig om enkele dingen van de kernel statisch in te stellen. In sommige gevallen komt dit doordat de functionaliteit zo diep geworteld zit in de kernel dat het niet dynamisch laadbaar gemaakt kan worden. In andere gevallen kan het simpelweg komen doordat nog niemand de tijd heeft genomen om een dynamisch laadbare kernelmodule voor die functionaliteit te schrijven. Het bouwen van een eigen kernel is een van de meest belangrijke beproevingen die bijna elke BSD-gebruiker moet doorstaan. Hoewel dit proces veel tijd in beslag neemt, levert het veel voordelen op voor een &os; systeem. In tegenstelling tot de GENERIC-kernel, die vele typen hardware moet ondersteunen, ondersteunt een eigen kernel alleen de hardware van de computer waar hij voor gemaakt is. Dit biedt een aantal voordelen, zoals: Een snellere opstarttijd. Aangezien de kernel alleen de hardware zoekt die zich in het systeem bevindt, kan de tijd die het systeem nodig heeft om op te starten aanzienlijk korter worden; Minder geheugengebruik. Een eigen kernel gebruikt vaak minder geheugen dan de GENERIC-kernel, wat van belang is aangezien de kernel zich altijd in het echte geheugen moet bevinden. Om deze reden is een eigen kernel geknipt voor een systeem met een kleine hoeveelheid RAM; Aanvullende hardware-ondersteuning. Een eigen kernel kan ingebouwde ondersteuning bieden voor apparaten die zich niet in de GENERIC-kernel bevinden, zoals geluidskaarten. Bouwen en Installeren van een Eigen Kernel kernel bouwen / installeren Eerst wordt er een overzicht gegeven van de mappen waarin de kernel gebouwd wordt. Alle genoemde mappen staan onder de map /usr/src/sys, die ook toegankelijk is via de padnaam /sys. Er zijn hier een aantal mappen aanwezig die de verschillende delen van de kernel representeren, maar de meest belangrijke hiervan zijn arch/conf, waarin de eigen kernelinstellingen bewerkt worden en compile, waarin de eigen kernel gebouwd wordt. arch representeert hier één van i386, alpha, amd64, ia64, powerpc, sparc64 of pc98 (een alternatieve ontwikkelingstak van PC-hardware die populair is in Japan). Alles binnen de map van een bepaalde architectuur is er alleen voor die architectuur. De rest van de code is machine-onafhankelijk en hetzelfde op alle platformen waarnaar &os; eventueel geport kan worden. De indeling van de mapstructuur is logisch: alle ondersteunde apparaten, bestandssystemen en opties staan in een eigen submap. Versies van &os; beneden 5.X ondersteunen alleen de i386-, alpha- en pc98-architecturen. Dit hoofdstuk veronderstelt dat de i386-architectuur in de voorbeelden gebruikt wordt. Als dit voor de lezer anders is, moeten de juiste aanpassingen aan de padnamen worden gemaakt voor de architectuur van zijn systeem. Als de map /usr/src/sys niet aanwezig is op een systeem, dan is de kernelbroncode niet geïnstalleerd. De eenvoudigste manier om dit te doen is door sysinstall ( /stand/sysinstall voor versies van &os; ouder dan 5.2) te draaien als root en Configure, Distributions, src, sys te kiezen. Als sysinstall ongewenst is en er toegang is tot een officiële &os;-CDROM, is de broncode ook vanaf de opdrachtregel te installeren: &prompt.root; mount /cdrom &prompt.root; mkdir -p /usr/src/sys &prompt.root; ln -s /usr/src/sys /sys &prompt.root; cat /cdrom/src/sys.[a-d]* | tar -xzvf - Daarna kan vanuit de map arch/conf het instellingenbestand GENERIC naar de naam voor de eigen kernel gekopieerd worden: &prompt.root; cd /usr/src/sys/i386/conf &prompt.root; cp GENERIC MIJNKERNEL Traditioneel bestaat deze naam geheel uit hoofdletters en als er meerdere &os;-machines worden beheerd met verschillende hardware is het een goed idee om het te vernoemen naar de hostnaam van de machine. Omwille van dit voorbeeld wordt het MIJNKERNEL genoemd. Het kernelinstellingenbestand direct onder /usr/src opslaan kan een slecht idee zijn. In geval van problemen kan het verleidelijk zijn om /usr/src te verwijderen en opnieuw te beginnen. Nadat dit gedaan is kost het vaak maar enkele seconden om te realiseren dat het instellingenbestand voor de eigen kernel verwijderd is. Ook moet GENERIC niet gewijzigd worden, omdat het tijdens de volgende keer dat de broncodestructuur bijgewerkt wordt, overschreven kan worden waarbij de wijzigingen in de kernelinstellingen verloren gaan. Het kan gewenst zijn om het kernelinstellingenbestand ergens anders op te slaan en een symbolische link naar het bestand in de map i386 aan te maken: &prompt.root; cd /usr/src/sys/i386/conf &prompt.root; mkdir /root/kernels &prompt.root; cp GENERIC /root/kernels/MIJNKERNEL &prompt.root; ln -s /root/kernels/MIJNKERNEL Nu moet MIJNKERNEL met de favoriete tekstverwerker bewerkt worden. Voor beginners is waarschijnlijk alleen de tekstverwerker vi beschikbaar, die te ingewikkeld is om hier te beschrijven, maar goed is beschreven in vele boeken in de bibliografie. &os; biedt ook de eenvoudigere tekstverwerker ee, die voor een beginner de keuze bij uitstek is. De commentaarregels in het begin kunnen gewijzigd worden om de persoonlijke instellingen of de veranderingen die gemaakt zijn ten opzichte van GENERIC weer te geven. &sunos; Voor degenen die een kernel op &sunos; of een andere BSD hebben gebouwd zal veel van dit bestand bekend voorkomen. Echter, voor degenen die van een ander besturingssysteem zoals DOS komen, kan het instellingenbestand GENERIC overdonderend overkomen, dus moeten de beschrijvingen in de sectie Het Instellingenbestand zorgvuldig opgevolgd worden. Als de broncodestructuur gesynchroniseerd is met de nieuwste broncode van het &os;-project, moet altijd /usr/src/UPDATING gelezen worden voordat enige updatestappen worden genomen. Dit bestand beschrijft alle belangrijke zaken en gebieden binnen de broncodestructuur die speciale aandacht nodig hebben. /usr/src/UPDATING komt altijd overeen met de lokale versie van de &os;-broncode en is daarom meer bijgewerkt met nieuwe informatie dan dit handboek. Nu moet de broncode voor de kernel gecompileerd worden. Hiervoor zijn twee procedures beschikbaar en degene die gebruikt wordt hangt af van de reden waarom de kernel opnieuw gebouwd wordt en de gebruikte versie van &os;. Als alleen de kernelbroncode is geïnstalleerd, moet procedure 1 gevolgd worden. Als een versie van &os; lager dan 4.0 wordt gedraaid, en er niet wordt geupdate naar &os; 4.0 of hoger door middel van de make buildworld–procedure, moet procedure 1 gebruikt worden. Als er een nieuwe kernel gebouwd wordt zonder dat de broncode geupdate wordt (misschien om een nieuwe optie, zoals IPFIREWALL, toe te voegen), kunnen beide procedures gebruikt worden. Als de kernel opnieuw wordt gebouwd als onderdeel van een make buildworld-proces, moet procedure 2 gebruikt worden. cvsup CTM CVS anoniem Als de broncodestructuur niet op enige wijze bijgewerkt is sinds de laatste keer dat er met succes een buildworld-installworld cyclus werd uitgevoerd, CVSup noch CTM werden gedraaid en anoncvs werd niet gebruikt, dan is het veilig om config, make depend, make, make install te gebruiken. Procedure 1. Een Kernel op <quote>Traditionele Wijze</quote> Bouwen Draai &man.config.8; om de kernelbroncode aan te maken: &prompt.root; /usr/sbin/config MIJNKERNEL Ga naar de bouwmap. &man.config.8; geeft de naam van deze map nadat het gedraaid is zoals boven is aangegeven: &prompt.root; cd ../compile/MIJNKERNEL Voor &os; versies lager dan 5.0 moet het volgende gebruikt worden: &prompt.root; cd ../../compile/MIJNKERNEL Compileer de kernel: &prompt.root; make depend &prompt.root; make Installeer de nieuwe kernel: &prompt.root; make install Procedure 2. Een Kernel op de <quote>Nieuwe Wijze</quote> bouwen Ga naar de map /usr/src: &prompt.root; cd /usr/src Compileer de kernel: &prompt.root; make buildkernel KERNCONF=MIJNKERNEL Installeer de nieuwe kernel: &prompt.user; make installkernel KERNCONF=MIJNKERNEL In &os; 4.2 en eerder moet KERNCONF= door KERNEL= vervangen worden. Een 4.2-STABLE die voor 2 februari 2001 is opgehaald herkent KERNCONF= niet. /boot/kernel.old De nieuwe kernel wordt naar de map /boot/kernel gekopieerd als /boot/kernel/kernel en de oude kernel wordt verplaatst naar /boot/kernel.old/kernel. Nu moet het systeem afgesloten worden en opnieuw worden opgestart om gebruik te maken van de nieuwe kernel. Er zijn wat instructies voor problemen oplossen aan het einde van dit hoofdstuk, die erg nuttig kunnen zijn als er iets misgaat. Vergeet niet om het gedeelte te lezen waarin staat uitgelegd hoe te herstellen als de nieuwe kernel niet opstart. In &os; 4.X en eerder worden kernels in /kernel en modules in /modules geïnstalleerd en worden oude kernels gebackupt in /kernel.old. Andere bestanden die te maken hebben met het opstartproces, zoals de boot &man.loader.8; en instellingen worden opgeslagen in /boot. Modules van derde partijen of eigen modules kunnen in /modules opgeslagen worden, alhoewel gebruikers erop bedacht moeten zijn dat het erg belangrijk is dat de modules synchroon worden gehouden met de gecompileerde kernel. Modules die niet bedoeld zijn om met de gecompileerde kernel te draaien kunnen voor instabiliteit of onjuistheden zorgen. Als er nieuwe apparaten (zoals geluidskaarten) zijn toegevoegd en &os; 4.X of eerder wordt gedraaid, kan het zijn dat er enkele apparaatnodes aan de map /dev moeten worden toegevoegd, voordat ze gebruikt kunnen worden. Er staat meer informatie in het Apparaatnodes maken later in dit hoofdstuk. Joel Dahl Bijgewerkt voor &os; 5.X door Het Instellingenbestand kernel NOTES kernel LINT NOTES LINT kernel instellingenbestand Het algemene formaat van een instellingenbestand is vrij eenvoudig. Elke regel bevat een sleutelwoord en één of meer argumenten. Omwille van de eenvoud bevatten de meeste regels maar één argument. Alles wat na een # komt, wordt als commentaar beschouwd en genegeerd. De volgende gedeelten beschrijven elk sleutelwoord, in het algemeen in dezelfde volgorde als GENERIC, alhoewel sommige samenhangende sleutelwoorden gegroepeerd zijn in een enkel gedeelte (zoals Netwerken) zelfs al staan ze verspreid in het bestand GENERIC. Een uitputtende lijst van architectuurafhankelijke opties en apparaten staat in het bestand NOTES, dat in dezelfde map staat als GENERIC. Architectuuronafhankelijke opties staan in /usr/src/sys/conf/NOTES. NOTES bestaat niet in &os; 4.X. In plaats daarvan bevat het bestand LINT een uitgebreide uitleg over opties en apparaten in GENERIC. LINT had twee doelen in 4.X: een naslagwerk leveren om kernelopties te kiezen voor het bouwen van een eigen kernel en een kernelinstelling leveren met zoveel mogelijk instelbare opties ingesteld op niet-standaardwaarden. De redenering hierachter was dat zo'n instelling veel hielp (en nog steeds helpt) met het testen van nieuwe code en veranderingen aan bestaande code die conflicten met andere delen van de kernel kunnen veroorzaken. Er zijn in 5.X echter een hoop veranderingen gemaakt aan het raamwerk van kernelinstellingen. Een voorbeeld hiervan is dat de instelopties van de stuurprogramma's zijn verplaatst naar een bestand hints zodat ze tijdens het opstarten dynamisch veranderd en geladen kunnen worden, en LINT kon deze aanwijzingen niet meer bevatten. Om deze en andere redenen is LINT hernoemd tot NOTES en heeft het hoofdzakelijk z'n eerste bestaansreden gehouden: de beschikbare opties documenteren voor gebruikersgemak. In &os; 5.X en latere versies is het nog steeds mogelijk om een bouwbaar bestand LINT aan te maken door middel van: &prompt.root; cd /usr/src/sys/i386/conf && make LINT kernel instellingenbestand Het volgende is een voorbeeld van het kernelinstellingenbestand GENERIC met aanvullend commentaar omwille van de helderheid. Dit voorbeeld is redelijk gelijk aan de versie in /usr/src/sys/i386/conf/GENERIC. # # GENERIC -- Standaard kernelinstellingenbestand voor &os;/i386 # # Meer informatie over dit bestand staat in het onderdeel Het Instellen # van de FreeBSD-kernel in het handboek: # # http://www.FreeBSD.org/doc/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/kernelconfig-config.html # # Het handboek is ook lokaal beschikbaar in /usr/share/doc/handbook # als de doc distributie is geïnstalleerd. Op de &os; World Wide Web # server (http://www.FreeBSD.org/) staat altijd de meest recente # informatie. # # Een uitputtende lijst met opties en meer gedetailleerde beschrijving # van de apparaatregels staat ook in de bestanden ../../conf/NOTES en # NOTES. # Bij twijfel over het doel en de noodzaak van een regel dient eerst in # NOTES gekeken te worden. # # $FreeBSD: /repoman/r/ncvs/src/sys/i386/conf/GENERIC,v 1.413 2004/08/11 01:34:18 rwatson Exp $ De volgende sleutelwoorden zijn noodzakelijk in elke kernel die gebouwd wordt: kernelopties machine machine i386 Dit is de architectuur van de machine. Het moet één van alpha, amd64, i386, ia64, pc98, powerpc of sparc64 zijn. kernelopties cpu cpu I486_CPU cpu I586_CPU cpu I686_CPU Bovenstaande optie geeft het type CPU aan dat in een systeem zit. De CPU-regel kan meerdere keren voorkomen (als bijvoorbeeld onbekend is of I586_CPU of I686_CPU gebruikt moet worden), maar voor een eigen kernel is het beter om alleen de aanwezige CPU aan te geven. Als er twijfel bestaat over het type CPU, kan het bestand /var/run/dmesg.boot worden bekeken voor de opstartberichten. kernelopties cputype De broncode van &os; bevat nog steeds ondersteuning voor I386_CPU, maar staat standaard uit in zowel -STABLE als -CURRENT. Dit betekent dat er nu de volgende mogelijkheden zijn om &os; op een CPU van de 386-klasse te installeren: Installeer een oudere versie van &os; en herbouw vanuit de broncode zoals beschreven staat in . Bouw userland en de kernel op een nieuwere machine en verricht de installatie op de 386 door gebruik te maken van de voorgecompileerde bestanden in /usr/obj (in staan details). Maak een eigen versie van &os; die ondersteuning voor I386_CPU bevat in de kernels van de installatie-CDROM. De eerste van deze opties is waarschijnlijk de gemakkelijkste, maar deze heeft veel schijfruimte nodig wat een probleem kan zijn voor 386-klasse machines. kernelopties ident ident GENERIC Dit is de identificatie van de kernel. Dit moet veranderd worden in de naam van de kernel, dus MIJNKERNEL als de instructies van de voorgaande voorbeelden gevolgd zijn. De waarde in de string ident wordt afgebeeld wanneer de kernel opstart, dus is het handig om de nieuwe kernel een andere naam te geven als deze apart moet worden gehouden van de gebruikelijke kernel (als er bijvoorbeeld een experimentele kernel gebouwd wordt). kernelopties maxusers maxusers n De optie maxusers stelt de grootte van een aantal belangrijke systeemtabellen in. Dit aantal moet ruwweg gelijk zijn aan het aantal gebruikers dat verwacht wordt gelijktijdig van de machine gebruik te maken. Met ingang van &os; 4.5 stelt het systeem deze waarde zelf in als deze uitdrukkelijk op 0 is gezet. Het auto-tuning-algoritme stelt maxusers in afhankelijk van de hoeveelheid geheugen in het systeem, met een minimum van 32 en een maximum van 384. In &os; 5.X en hoger heeft maxusers een standaardwaarde van 0 als deze niet gespecificeerd is. Als er een versie van &os; lager dan 4.5 wordt gebruikt of het gewenst is om de waarde zelf te beheren, wordt aangeraden om maxusers minstens op 4 te zetten, met name als het X Window Systeem in gebruik is of als er software gecompileerd wordt. De reden hiervoor is dat de belangrijkste tabel die door maxusers ingesteld wordt, het maximum aantal processen is, dat ingesteld wordt op 20 + 16 * maxusers, dus als maxusers op 1 ingesteld wordt, zijn er maar 36 gelijktijdige processen mogelijk, inclusief de ongeveer achttien processen die door het systeem tijdens het opstarten start en de ongeveer vijftien processen die waarschijnlijk aangemaakt worden door het opstarten van het X Window Systeem. Zelfs een eenvoudige taak als het afbeelden van een hulppagina start negen processen op om de pagina te filteren, te decomprimeren en af te beelden. Als maxusers op 64 ingesteld wordt, zijn er 1044 gelijktijdige processen mogelijk, wat genoeg moet zijn voor bijna alle soorten gebruik. Als echter de gevreesde fout proc table full verschijnt als er geprobeerd wordt om een programma op te starten of als er een server gedraaid wordt met een groot aantal gelijktijdige gebruikers, zoals ftp.FreeBSD.org, kan het getal altijd verhoogd worden en kan de kernel opnieuw gebouwd worden. maxusers stelt geen grens aan het aantal gebruikers dat op de machine kan aanmelden. Het stelt gewoon verschillende tabelgroottes in op redelijke waardes, uitgaande van het maximum aantal gebruikers dat waarschijnlijk de machine gebruikt en van het aantal processen dat elk van deze gebruikers zal draaien. Een sleutelwoord dat wel het aantal gelijktijdige aanmeldingen op afstand en X-terminalvensters begrenst is pseudo-device pty 16. In &os; 5.X kan dit getal genegeerd worden omdat daar het stuurprogramma &man.pty.4; auto-cloning is. Er kan eenvoudig gebruik worden gemaakt van de regel device pty in het instellingenbestand. # Floating point ondersteuning - niet uitschakelen. device npx npx is de interface naar de wiskundige floating point-eenheid in &os;, die ofwel de hardware coprocessor is ofwel de softwarematige wiskundige emulator. Dit is niet optioneel. # Pseudo devices device loop # Netwerk loopback Dit is het generieke loopbackapparaat voor TCP/IP. Als telnet of FTP op localhost (ook bekend als 127.0.0.1) gebruikt wordt, loopt dat via dit apparaat. Dit is verplicht. Op &os; 4.X moet de volgende regel gebruikt worden: # Gebruiken in &os; 4.X pseudo-device loop Alles wat nu volgt is min of meer optioneel. Meer informatie over elke optie staat in de notities eronder of ernaast. #Om statisch te compileren in device wiring in plaats van /boot/device.hints. #hints "GENERIC.hints" # Standaardlocatie voor devices. In &os; 5.X en nieuwer wordt &man.device.hints.5; gebruikt om opties van de programma's die de apparaten aansturen in te stellen. De standaardplaats die &man.loader.8; controleert tijdens het opstarten is /boot/device.hints. Met de optie hints is het mogelijk om deze aanwijzingen statisch in de kernel te compileren, waardoor er geen noodzaak is om een bestand device.hints in /boot aan te maken. #makeoptions DEBUG=-g # Bouw kernel met gdb(1) debug symbolen. Om ruimte te sparen in de installatieplaats voegt het normale bouwproces van &os; geen debug-informatie toe tijdens het bouwen van de kernel en stript de meeste symbolen nadat de resulterende kernel is gelinkt. Voor het testen van kernels van de tak -CURRENT of van zelfgemaakte veranderingen in de &os;-kernel kan het gewenst zijn om deze regel uit te commentariëren. Dit zet het gebruik van de optie aan die debug-informatie aanzet als de broncode wordt doorgegeven aan &man.gcc.1;. Hetzelfde kan bereikt worden met de optie van &man.config.8; als de traditionele manier wordt gebruikt om een kernel te bouwen. Meer informatie staat in . options SCHED_4BSD # 4BSD taakplanner De traditionele taakplanner voor &os;. Afhankelijk van de systeembelasting kan de prestatie worden verhoogd door de nieuwe scheduler ULE voor &os; te gebruiken, die speciaal voor SMP ontworpen is, maar ook goed werkt op UP-systemen. Vervang desgewenst, om deze uit te proberen, SCHED_4BSD door SCHED_ULE in het instellingenbestand. options INET # internetwerken Netwerkondersteuning. Laat dit aanstaan, zelfs als een verbinding met een netwerk niet gepland is. De meeste programma's hebben tenminste een loopbacknetwerk nodig (dat wil zeggen het maken van netwerkverbindingen binnen de PC), dus dit is eigenlijk verplicht. options INET6 # IPv6 communicatieprotocollen Dit zet de IPv6-communicatieprotocollen aan. options FFS # Berkeley Fast Bestandssysteem Dit is het basisbestandssysteem voor de harde schijf. Laat dit erin staan als er vanaf de harde schijf wordt opgestart. options UFS_ACL # Ondersteuning voor toeganscontrolelijsten Met deze optie, die alleen in &os; 5.X aanwezig is, wordt de ondersteuning voor toegangscontrolelijsten aangezet. Hiervoor zijn uitgebreide attributen en UFS2 nodig. Een en ander wordt in detail beschreven in . ACL's staan standaard aan en moeten niet uitgezet worden in de kernel als ze al eerder op een bestandssysteem zijn gebruikt, omdat dit de toegangscontrolelijsten verwijdert en hierdoor de manier waarop bestanden beschermd worden op onvoorspelbare wijze verandert. options UFS_DIRHASH # Verbeter prestaties in grote mappen Deze optie bevat functionaliteit om schijfoperaties op grote mappen te versnellen, ten koste van extra geheugen. Deze staat normaalgesproken, zoals voor een grote server of interactief werkstation, aan en wordt uitgezet als &os; op een kleiner systeem wordt gebruikt waar geheugen het belangrijkste en schijfsnelheid minder belangrijk is, zoals voor een firewall. options SOFTUPDATES # Schakel FFS Softupdates ondersteuning in Deze optie zet softupdates in de kernel aan en helpt om de schijftoegang voor schrijven te verhogen. Zelfs als deze functionaliteit door de kernel geleverd wordt, moet die voor specifieke schijven worden aangezet. Bekijk de uitvoer van &man.mount.8; om te zien of softupdates aanstaat voor de systeemschijven. Als de optie soft-updates niet zichtbaar is, dient deze geactiveerd te worden met behulp van &man.tunefs.8; voor bestaande bestandssystemen of &man.newfs.8; voor nieuwe bestandssystemen. options MD_ROOT # MD is een potentieel rootapparaat Deze optie zet ondersteuning aan voor een virtuële schijf die in het geheugen wordt geïmplementeerd en als rootapparaat wordt gebruikt. kernelopties NFS kernelopties NFS_ROOT options NFSCLIENT # Netwerk Bestandssysteem Client options NFSSERVER # Netwerk Bestandssysteem Server options NFS_ROOT # NFS bruikbaar als /, NFSCLIENT nodig Het netwerkbestandssysteem. Dit kan weggelaten worden tenzij er gepland is om partities te mounten van een &unix; bestandsserver over TCP/IP. kernelopties MSDOSFS options MSDOSFS # MSDOS Bestandssysteem Het &ms-dos; bestandssysteem. Dit kan veilig weggelaten worden, tenzij er gepland is om een DOS-geformatteerde partitie van de harde schijf tijdens het opstarten te mounten. Het wordt automatisch geladen als er voor de eerste keer een DOS-partitie wordt gemount, zoals boven beschreven. Bovendien geeft de uitstekende software emulators/mtools toegang tot DOS-floppies zonder dat ze gemount en gedismount moeten worden en heeft het MSDOSFS helemaal niet nodig. options CD9660 # ISO 9660 Bestandssysteem Het ISO 9960-bestandssysteem voor CDROM's. Commentarieer dit uit als er geen CDROM-drive aanwezig is of als er slechts af en toe data-CD's gemount worden (aangezien het dynamisch geladen wordt als er voor de eerste keer een data-CD gemount wordt). Audio-CD's hebben dit bestandssysteem niet nodig. options PROCFS # Procesbestandssysteem Het procesbestandssysteem. Dit is een als-of bestandssysteem, gemount in /proc, dat programma's als &man.ps.1; in staat stelt om meer informatie over de draaiende processen te geven. In &os; 5.X en hoger is het onder de meeste omstandigheden niet nodig om PROCFS te gebruiken, omdat de meeste debug- en monitorgereedschappen zijn aangepast om zonder PROCFS te draaien. In tegenstelling tot &os; 4.X mounten nieuwe installaties op &os; 5.X standaard het procesbestandssysteem niet. Bovendien moeten 6.X-CURRENT kernels die gebruik maken van PROCFS, nu ook ondersteuning bevatten voor PSEUDOFS: options PSEUDOFS # Pseudo-bestandssysteem framework PSEUDOFS is niet beschikbaar in &os; 4.X. options GEOM_GPT # GUID Partitietabellen. Met deze optie kan een groot aantal partities op een enkele schijf aanwezig zijn. options COMPAT_43 # Compatibel met BSD 4.3 [ERIN HOUDEN!] Compatibiliteit met 4.3BSD. Laat dit aanstaan. Sommige programma's gedragen zich vreemd als dit uitgecommentarieerd wordt. options COMPAT_FREEBSD4 # Compatibel met &os;4 Deze optie is nodig op &os; 5.X &i386; en Alpha systemen om ondersteuning te bieden aan applicaties die gecompileerd zijn op oudere versies van &os; en gebruik maken van oudere systeemaanroep-interfaces. Het is aanbevolen dat deze optie gebruikt wordt op alle &i386; en Alpha systemen die mogelijk oudere applicaties draaien. Voor platformen die pas in 5.X ondersteuning verwierven, zoals ia64 en &sparc64;, is deze optie niet nodig. options SCSI_DELAY=15000 # Vertraging (in ms) voordat SCSI wordt afgezocht. Dit zorgt ervoor dat de kernel vijftien seconden wacht voordat die elk SCSI-apparaat in het systeem afzoekt. Als er alleen IDE harddisks zijn, kan deze optie genegeerd worden, anders is het misschien wenselijk om deze waarde te verlagen tot vijf seconden, om het opstarten te versnellen. Uiteraard moet deze waarde weer verhoogd worden als &os; problemen heeft om de SCSI-apparaten te herkennen. options KTRACE # ktrace(1) ondersteuning Dit schakelt kernelondersteuning voor het volgen processen in, wat handig is tijdens debuggen. options SYSVSHM # SYSV-stijl gedeeld geheugen Deze optie biedt System V gedeeld geheugen. Meestal wordt dit wegens de XSHM-uitbreiding in X gebruikt, waar door vele grafische programma's automatisch gebruik van wordt gemaakt voor extra snelheid. Als X gebruik wordt, is het raadzaam om dit op te nemen. options SYSVMSG # SYSV-stijl berichtwachtrijen Dit biedt ondersteuning voor System V berichten. Ook deze optie voegt slechts een paar honderd bytes aan de kernel toe. options SYSVSEM # SYSV-stijl semaforen Dit biedt ondersteuning voor System V semaforen. Het wordt minder vaak gebruikt, maar voegt slechts een paar honderd bytes aan de kernel toe. De optie van het commando &man.ipcs.1; geeft een lijst van alle processen die een van deze System V faciliteiten gebruikt. options _KPOSIX_PRIORITY_SCHEDULING # POSIX P1003_1B real-time extensies Dit biedt real-time-uitbreidingen die in de 1993 &posix; zijn - toegevoegd. Bepaalde applicaties in de portscollectie gebruiken + toegevoegd. Bepaalde applicaties in de Portscollectie gebruiken deze (zoals &staroffice;). options KBD_INSTALL_CDEV # installeer een CDEV-ingang in /dev Deze optie is gerelateerd aan het toetsenbord. Het installeert een CDEV-ingang in /dev. options AHC_REG_PRETTY_PRINT # Toon register bitveld in debuguitvoer. # Voegt ~128k toe aan driver. options AHD_REG_PRETTY_PRINT # Toon register bitveld in debuguitvoer. # Voegt ~215k toe aan driver. Dit helpt bij het debuggen door makkelijker te lezen registerdefinities af te beelden. options ADAPTIVE_GIANT # Giant mutex is adaptief. Giant is de naam van een wederzijds uitsluitingsmechanisme (een sleep mutex) dat een grote verzameling kernelbronnen beschermt. Vandaag de dag is dit een onaccaptabele prestatie-bottleneck die actief door sloten wordt vervangen die individuele bronnen beschermen. De optie ADAPTIVE_GIANT zorgt ervoor dat Giant in de verzamelingen van mutexen wordt opgenomen waar actief wordt opgespind. Dit betekent dat wanneer een thread de Giant-mutex wil nemen, maar die reeds door een thread op een andere CPU genomen is, de eerste thread blijft draaien en wacht tot er een slot vrijkomt. Normaalgesproken zou de thread weer gaan slapen en wachten op de volgende kans om te draaien. Laat dit er in geval van twijfel instaan. kernelopties SMP device apic # I/O APIC Het apic-apparaat zet de ondersteuning voor I/O-APIC voor het afleveren van interrupts aan. Het apic-apparaat kan zowel in UP- als in SMP-kernels gebruikt worden, maar is noodzakelijk voor SMP-kernels. Voeg options SMP toe om ondersteuning voor meerdere processoren op te nemen. device isa Alle computers die door &os; ondersteund worden hebben één van deze apparaten. Verwijder dit niet, zelfs niet als er geen ISA-sloten aanwezig zijn. &os; biedt momenteel slechts gedeeltelijke ondersteuning aan IBM PS/2 (Micro Channel Architecture)-systemen. Meer informatie over de ondersteuning voor MCA staat in /usr/src/sys/i386/conf/notes. device eisa Neem dit op voor een EISA-moederbord. Dit zet ondersteuning voor zelfdetectie en -instelling aan voor alle apparaten op de EISA-bus. device pci Neem dit op voor een PCI-moederbord. Dit zet ondersteuning voor zelfdetectie van PCI-kaarten en gatewaying van PCI-naar-ISA-bus aan. device agp Neem dit op als er een AGP-kaart in het systeem aanwezig is. Dit zet ondersteuning voor AGP aan, en ondersteuning voor AGP GART voor borden die deze mogelijkheden hebben. # Floppy drives device fdc Dit is de controller voor de floppydrive. # ATA- en ATAPI-apparaten device ata Dit stuurprogramma biedt ondersteuning aan alle ATA- en ATAPI-apparaten. Er is slechts één device ata-regel nodig om de kernel alle PCI ATA/ATAPI-apparaten te laten ontdekken op moderne machines. device atadisk # ATA schijven Dit is samen met device ata nodig voor ATA schijven. device ataraid # ATA RAID schijven Dit is samen met device ata nodig voor ATA RAID-schijven. device atapicd # ATAPI CDROM-drives Dit is samen met device ata nodig voor ATAPI CDROM-drives. device atapifd # ATAPI floppy drives Dit is samen met device ata nodig voor ATAPI floppydrives. device atapist # ATAPI tape drives Dit is samen met device ata nodig voor ATAPI tapedrives. options ATA_STATIC_ID # Statische apparaatnummering Dit zorgt ervoor dat de controller statisch nummert. Zonder deze optie worden nummers dynamisch toegewezen. # SCSI Controllers device ahb # EISA AHA1742 familie device ahc # AHA2940 en onboard AIC7xxx apparaten device ahd # AHA39320/29320 en onboard AIC79xx apparaten device amd # AMD 53C974 (Teckram DC-390(T)) device isp # Qlogic familie device mpt # LSI-Logic MPT-Fusion #device ncr # NCR/Symbios Logic device sym # NCR/Symbios Logic (nieuwere chipsets) device trm # Tekram DC395U/UW/F DC315U adapters device adv # Advansys SCSI adapters device adw # Advansys wide SCSI adapters device aha # Adaptec 154x SCSI adapters device aic # Adaptec 15[012]x SCSI adapters, AIC-6[23]60. device bt # Buslogic/Mylex MultiMaster SCSI adapters device ncv # NCR 53C500 device nsp # Workbit Ninja SCSI-3 device stg # TMC 18C30/18C50 SCSI controllers. Commentarieer de regels uit voor apparaten die niet in het systeem aanwezig zijn. Als het een systeem met alleen IDE apparaten betreft, kunnen ze allemaal weggelaten worden. # SCSI randapparaten device scbus # SCSI bus (nodig voor SCSI) device ch # SCSI media changers device da # Direct Access (schijven) device sa # Sequential Access (tape, enzovoort) device cd # CD device pass # Passthrough apparaat (directe SCSI-toegang) device ses # SCSI Omgevingsdiensten (en SAF-TE) SCSI-aanhangels. Ook hier geldt dat apparaten die niet aanwezig zijn uitgecommentarieerd kunnen worden, of als alleen IDE-hardware aanwezig aanwezig is, ze allemaal weggelaten kunnen worden. Het USB-stuurprogramma &man.umass.4; en enkele andere stuurprogramma's gebruiken het SCSI-subsysteem, alhoewel ze geen echte SCSI-apparaten zijn. Daarom mag SCSI-ondersteuning niet verwijderd worden als dit soort stuurprogramma's in de kernelinstellingen worden opgenomen. # RAID controllers met interfaces naar het SCSI subsysteem device amr # AMI MegaRAID device asr # DPT SmartRAID V, VI en Adaptec SCSI RAID device ciss # Compaq Smart RAID 5* device dpt # DPT Smartcache III, IV - Zie NOTES voor opties device hptmv # Highpoint RocketRAID 182x device iir # Intel Integrated RAID device ips # IBM (Adaptec) ServeRAID device mly # Mylex AcceleRAID/eXtremeRAID device twa # 3ware 9000 series PATA/SATA RAID # RAID controllers device aac # Adaptec FSA RAID device aacp # SCSI passthrough voor aac (CAM nodig) device ida # Compaq Smart RAID device mlx # Mylex DAC960 famile device pst # Promise Supertrak SX6000 device twe # 3ware ATA RAID Ondersteunde RAID-controllers. Als een van deze niet aanwezig is, kan deze uitgecommentarieerd of verwijderd worden. # atkbdc0 bestuurt het toetsenbord en de PS/2 muis device atkbdc # AT toetsenbordcontroller De toetsenbordcontroller (atkbdc) biedt I/O-diensten aan voor het AT-toetsenbord en het PS/2-type van aanwijsapparaten. Deze controller is noodzakelijk voor het toetsenbordstuurprogramma (atkbd) en het PS/2-aanwijsapparaatstuurprogramma (psm). device atkbd # AT toetsenbord Het stuurprogramma atkbd biedt samen met de controller atkbdc toegang tot het AT84-toetsenbord of het uitgebreide AT-toetsenbord dat verbonden is met de controller voor het AT-toetsenbord. device psm # PS/2 muis Dit apparaat kan gebruikt worden als de muis in de PS/2-muispoort wordt geplugd. device vga # VGA videokaart stuurprogramma Het stuurprogramma voor de videokaart. # splash screen/screensaver device splash # Splash screen en screensaver ondersteuning Een splash-scherm tijdens het opstarten! Screensavers hebben deze optie ook nodig (voor &os; 4.X dient pseudo-device splash gebruikt te worden. # syscons is het standaard consolestuurprogramma, lijkt op een SCO console device sc sc is het standaard consolestuurprogramma en lijkt op een SCO-console. Aangezien de meeste programma's die met een volledig scherm werken de console via een terminaldatabase zoals termcap benaderen, moet het niet uitmaken of dit of vt, het VT220-compatibele consolestuurprogramma, gebruikt wordt. Wanneer er aangemeld wordt, dient de variabele TERM op scoansi gezet worden indien programma's die met een volledig scherm werken problemen hebben om met dit console te draaien. # Schakel dit in voor het pcvt (VT220 compatibele) consolestuurprogramma #device vt #options XSERVER # ondersteuning voor X server op een vt console #options FAT_CURSOR # begin met een blokcursor Dit is een VT220-compatibel consolestuurprogramma, achterwaarts compatibel met de VT100/102. Het werkt goed op enkele laptops die hardware-incompatibiliteiten hebben met sc. Ook dient de variabele TERM op vt100 of vt220 gezet te worden bij het aanmelden. Dit stuurprogramma kan ook nuttig zijn wanneer er verbinding wordt gemaakt met een groot aantal verschillende machines in een netwerk, waarbij de ingangen termcap of terminfo voor het apparaat sc vaak niet beschikbaar zijn. vt100 is op bijna elk platform beschikbaar. APM # Ondersteuning voor energiebeheer (zie NOTES voor meer opties) #device apm Ondersteuning voor geavanceerd energiebeheer (Advanced Power Management). Dit is nuttig voor laptops, alhoewel dit in &os; 5.X en hoger standaard uitgeschakeld is in GENERIC. # Schakel suspend/resume ondersteuning voor de i8254 in. device pmtimer Het stuurprogramma voor het timerapparaat voor energiebeheergebeurtenissen, zoals APM en ACPI. # PCCARD (PCMCIA) ondersteuning. # PCMCIA en cardbus bridge ondersteuning. device cbb # cardbus (yenta) bridge device pccard # PC Card (16-bit) bus device cardbus # CardBus (32-bit) bus Ondersteuning voor PCMCIA. Dit is wenselijk voor laptopgebruikers. # Serial (COM) poorten device sio # 8250, 16[45]50-gebaseerde seriële poorten Dit zijn de seriële poorten waarnaar in de wereld van &ms-dos;/&windows; verwezen wordt als COM-poorten. Als er een intern modem op COM4 en een seriële poort op COM2 aanwezig is, moet het IRQ van het modem in 2 worden veranderd (om duistere technische redenen geldt dat IRQ2 = IRQ9) om er vanuit &os; toegang toe te krijgen. Als er een multipoort seriële kaart aanwezig is, staat in &man.sio.4; meer informatie over de juiste waarden die aan /boot/device.hints toegevoegd moeten worden. Sommige videokaarten (vaak gebaseerd op S3 chips) gebruiken IO-adressen van de vorm 0x*2e8, en omdat vele goedkope serieële kaarten de 16-bits IO-adresruimte niet volledig decoderen, botsen ze met deze kaarten waardoor de COM4-poort praktisch onbruikbaar is. Elke serieële poort moet een uniek IRQ hebben (tenzij er gebruik wordt gemaakt van een van de multipoortkaarten waarbij gedeelde interrupts ondersteund worden), dus kunnen de standaard IRQ's voor COM3 en COM4 niet gebruikt worden. # Parallelle poort device ppc Dit is de interface voor de parallelle poort op de ISA-bus. device ppbus # Parallelle poortbus (verplicht) Biedt ondersteuning voor de parallelle poortbus. device lpt # Printer Ondersteuning voor parallelle poort-printers. Alle van de bovenstaande drie zijn noodzakelijk om ondersteuning voor parallelle printers aan te zetten. device plip # TCP/IP over parallel Dit is het stuurprogramma voor de parallelle netwerkinterface. device ppi # Parallelle poort interface apparaat De algemene I/O (geek-poort) + IEEE1284 I/O. #device vpo # scbus en da verplicht zipdrive Dit is voor een Iomega Zipdrive. Hiervoor is ondersteuning voor scbus en da nodig. De beste prestaties worden gehaald met poorten in EPP 1.9-modus. #device puc Dit dient uitgecommentarieerd te worden indien er een domme seriële of parallelle PCI-kaart aanwezig is die ondersteund wordt door het &man.puc.4; verbindingsstuurprogramma. # PCI Ethernet NIC's. device de # DEC/Intel DC21x4x (Tulip) device em # Intel PRO/1000 adapter Gigabit Ethernet Card device ixgb # Intel PRO/10GbE Ethernet Card device txp # 3Com 3cR990 (Typhoon) device vx # 3Com 3c590, 3c595 (Vortex) Verscheidene PCI-netwerkkaartstuurprogramma's. Degenen die niet in het systeem aanwezig zijn kunnen uitgecommentarieerd of verwijderd worden. # PCI Ethernet NIC's die de MII bus controller code gebruiken. # NB: 'device miibus' moet behouden blijven om deze NIC's te kunnen gebruiken! device miibus # MII bus ondersteuning Ondersteuning voor MII-bus is noodzakelijk voor sommige PCI 10/100 Ethernet-NICs, namelijk voor diegenen die MII-geldige transceivers gebruiken of interfaces voor transceiverbesturing implementeren die als een MII werken. Door device miibus aan de kernelinstellingen toe te voegen wordt de ondersteuning voor de generieke miibus-API en voor alle PHY-stuurprogramma's opgenomen, waaronder een generieke voor PHYs die niet specifiek door een individueel stuurprogramma worden behandeld. device dc # DEC/Intel 21143 en verschillende gelijkwerkenden device miibus # MII bus ondersteuning device bfe # Broadcom BCM440x 10/100 Ethernet device bge # Broadcom BCM570xx Gigabit Ethernet device dc # DEC/Intel 21143 en verschillende gelijkwerkenden device fxp # Intel EtherExpress PRO/100B (82557, 82558) device pcn # AMD Am79C97x PCI 10/100 (voorrang boven 'lnc') device re # RealTek 8139C+/8169/8169S/8110S device rl # RealTek 8129/8139 device sf # Adaptec AIC-6915 (Starfire) device sis # Silicon Integrated Systems SiS 900/SiS 7016 device sk # SysKonnect SK-984x & SK-982x gigabit Ethernet device ste # Sundance ST201 (D-Link DFE-550TX) device ti # Alteon Networks Tigon I/II gigabit Ethernet device tl # Texas Instruments ThunderLAN device tx # SMC EtherPower II (83c170 EPIC) device vr # VIA Rhine, Rhine II device wb # Winbond W89C840F device xl # 3Com 3c90x (Boomerang, Cyclone) Stuurprogramma's die gebruik maken van de MII bus-controllercode. # ISA Ethernet NIC's. Inclusief pccard NIC's. device cs # Crystal Semiconductor CS89x0 NIC # 'device ed' heeft 'device miibus' nodig device ed # NE[12]000, SMC Ultra, 3c503, DS8390 kaarten device ex # Intel EtherExpress Pro/10 en Pro/10+ device ep # Etherlink III-gebaseerde kaarten device fe # Fujitsu MB8696x-gebaseerde kaarten device ie # EtherExpress 8/16, 3C507, StarLAN 10, etc. device lnc # NE2100, NE32-VL Lance Ethernet kaarten device sn # SMC's 9000 serie Ethernet chips device xe # Xircom pccard Ethernet # ISA apparaten die de oude ISA shims gebruiken #device le ISA Ethernetstuurprogramma's. In /usr/src/sys/i386/conf/NOTES staan details over welke kaarten door welk stuurprogramma ondersteund worden. # Draadloze NIC kaarten device wlan # 802.11 ondersteuning device an # Aironet 4500/4800 802.11 draadloze NIC's. device awi # BayStack 660 en anderen device wi # WaveLAN/Intersil/Symbol 802.11 draadloze NIC's. #device wl # Oudere niet-802.11 Wavelan draadloze NIC. Ondersteuning voor verscheidene draadloze kaarten. device mem # Geheugen- en kernelgeheugenapparaten De geheugenapparaten van het systeem. device io # I/O apparaat Deze optie stelt een proces in staat om I/O-privileges te verkrijgen. Dit is nuttig als er gebruikerprogramma's worden geschreven die direct met hardware werken. Dit is nodig om het X Window Systeem te draaien. device random # Entropy apparaat Cryptografisch veilige willekeurige getallengenerator. device ether # Ethernet ondersteuning ether is allen noodzakelijk als er een Ethernetkaart aanwezig is. Het bevat code voor het generieke Ethernet protocol. Op &os; 4.X dient pseudo-device ether gebruikt te worden. device sl # Kernel SLIP sl dient voor SLIP-ondersteuning. Dit is bijna geheel overgenomen door PPP, wat eenvoudiger is op te zetten, beter geschikt is voor modem-naar-modem-verbindingen en krachtiger is. Met &os; 4.X dient pseudo-device sl gebruikt te worden. device ppp # Kernel PPP Dit dient voor PPP-ondersteuning van inbelverbindingen door de kernel. Er is ook een versie van PPP als gebruikersapplicatie geïmplementeerd die tun gebruikt en meer flexibiliteit en mogelijkheden biedt zoals demand-bellen. Met &os; 4.X dient pseudo-device ppp gebruikt te worden. device tun # Packet tunnel. Dit wordt gebruikt door de gebruikers-PPP-software. In PPP staat meer informatie. Met &os; 4.X dient pseudo-device tun gebruikt te worden. device pty # Pseudo-ttys (telnet, etc.) Dit is een pseudo-terminal of gesimuleerde aanmeldpoort. Die wordt gebruikt door binnenkomende sessies van telnet en rlogin, door xterm en voor sommige andere applicaties zoals Emacs. Met &os; 4.X dient pseudo-device ptynummer gebruikt te worden. Het nummer na pty geeft het aantal pty's aan dat aangemaakt dient te worden. Als er meer dan het standaard aantal van zestien gelijktijdige xterm schermen en/of remote aanmeldingen nodig zijn, dient dit nummer overeenkomstig verhoogd te worden, tot maximaal 256. device md # Geheugenschijven Pseudo-apparaten die een schijf in het geheugen implementeren. Met &os; 4.X dient pseudo-device md gebruikt te worden. device gif # IPv6 en IPv4 tunnelen Dit implementeert IPv6-over-IPv4-tunneling, IPv4-over-IPv6-tunneling, IPv4-over-IPv4-tunneling en IPv6-over-IPv6-tunneling. Met ingang van &os; 4.4 is het apparaat gif zelfklonend en dient de regel pseudo-device gif gebruikt te worden. Eerdere versies van &os; 4.X vereisen een getal, bijvoorbeeld pseudo-device gif 4. device faith # IPv6-naar-IPv4-relay (vertaling) Dit pseudo-apparaat onderschept pakketten die ernaar verzonden worden en leidt ze om naar het IPv4/IPv6-vertaaldaemon. Met &os; 4.X dient pseudo-device faith 1 gebruikt te worden. # Het `bpf' apparaat schakelt de Berkeley Pakketfilter in. # Wees bewust van de administratieve consequenties die dit heeft! device bpf # Berkeley pakketfilter Dit is het Berkeley Pakketfilter. Dit pseudo-apparaat staat netwerkinterfaces toe om in luistermodus gezet te worden, zodat elk pakket op een uitzendnetwerk (bijvoorbeeld een Ethernet) onderschept wordt. Deze pakketten kunnen naar schijf onderschept en/of onderzocht worden met het programma &man.tcpdump.1;. Met &os; 4.X dient pseudo-device bpf gebruikt te worden. Het apparaat &man.bpf.4; wordt ook gebruikt door &man.dhclient.8; om het IP-adres van de standaardrouter (gateway) te verkrijgen, enzovoorts. Als DHCP gebruikt wordt, dient dit ingeschakeld te blijven. # USB support device uhci # UHCI PCI->USB interface device ohci # OHCI PCI->USB interface device usb # USB Bus (verplicht) #device udbp # USB Double Bulk Pipe apparaten device ugen # Generic device uhid # Human Interface Devices device ukbd # Toetsenbord device ulpt # Printer device umass # Schijnven/Massaopslag - scbus en da nodig device ums # Muis device urio # Diamond Rio 500 MP3 speler device uscanner # Scanners # USB Ethernet, requires mii device aue # ADMtek USB Ethernet device axe # ASIX Electronics USB Ethernet device cue # CATC USB Ethernet device kue # Kawasaki LSI USB Ethernet device rue # RealTek RTL8150 USB Ethernet Ondersteuning voor verscheidene USB-apparaten. # FireWire ondersteuning device firewire # FireWire bus code device sbp # SCSI over FireWire (scbus en da nodig) device fwe # Ethernet over FireWire (niet-standaard!) Ondersteuning voor verscheidene Firewire-apparaten. Meer informatie en aanvullende apparaten die door &os; ondersteund worden staan in /usr/src/sys/i386/conf/NOTES. Instellingen bij Veel Geheugen (<acronym>PAE</acronym>) Physical Address Extensions (PAE) veel geheugen Sommige machines (PAE) hebben meer geheugen nodig dan limiet van 4 gigabyte op User+Kernel Virtual Adress (KVA) ruimte. Vanwege deze limiet voegde Intel ondersteuning toe voor toegang tot 36-bits fysieke adresruimte in de &pentium; Pro en nieuwere lijn van CPU's. De Physical Address Extension (PAE) mogelijkheden van de &intel; &pentium; Pro en nieuwere CPU's staan geheugenhoeveelheden toe tot 64 gigabyte. &os; biedt ondersteuning voor deze mogelijkheid via de kernelinsteloptie , die beschikbaar is in de 4.X-serie van &os; met ingang van 4.9-RELEASE en in de 5.X-serie van &os; met ingang van 5.1-RELEASE. Vanwege de beperkingen van de geheugenarchitectuur van Intel wordt er geen onderscheid gemaakt tussen geheugen boven of beneden 4 gigabytes. Geheugen dat boven de 4 gigabytes is toegewezen wordt gewoon bij het beschikbare gevoegd. Om ondersteuning voor PAE in de kernel aan te zetten, dient de volgende regel aan het kernelinstellingenbestand te worden toegevoegd: options PAE De ondersteuning voor PAE in &os; is alleen beschikbaar voor &intel; IA-32-processoren. Ook dient opgemerkt te worden dat ondersteuning voor PAE nog niet wijdverbreid getest is en als betakwaliteit beschouwd dient te worden vergeleken met andere stabiele kenmerken van &os;. Ondersteuning voor PAE in &os; heeft enige beperkingen: Een proces kan niet meer dan 4 gigabyte VM-ruimte krijgen; KLD-modules kunnen niet in een kernel worden geladen die PAE aan heeft staan, vanwege de verschillen in het bouwraamwerk van een module en de kernel; Apparaatstuurprogramma's die geen gebruik maken van de &man.bus.dma.9;-interface zullen gegevenscorruptie veroorzaken in een kernel die PAE aan heeft staan en hun gebruik wordt afgeraden. Om deze reden wordt er een kernelinstellingenbestand voor PAE geleverd met &os; 5.X, die alle stuurprogramma's uitsluit waarvan bekend is dat ze niet werken in een kernel die PAE aan heeft staan; Sommige systeeminstellingen bepalen het geheugenbronverbruik aan de hand van de hoeveelheid beschikbaar fysiek geheugen. Zulke instellingen kunnen onnodig veel toewijzen vanwege de grote hoeveelheid geheugen in een PAE systeem. Een voorbeeld hiervan is de sysctl , die het maximum aantal vnodes dat in de kernel aanwezig mag zijn beheert. Het is aan te raden om deze en andere van dit soort instellingen aan te passen aan een redelijke waarde; Het kan nodig zijn om de virtuele kerneladresruimte (KVA) te vergroten of om het aantal kernelbronnen dat veel gebruikt wordt (zie boven) te verminderen om zo uitputting van KVA te voorkomen. De kerneloptie kan gebruikt worden om de KVA-ruimte te vergroten. Om prestatie- en stabiliteitsredenen is het aan te raden om &man.tuning.7; te raadplegen. &man.pae.4; bevat bijgewerkte informatie over de ondersteuning voor PAE in &os;. Apparaatnodes Maken apparaatnodes MAKEDEV Als &os; 5.0 of hoger gedraaid wordt, kan deze sectie veilig worden overgeslagen. Deze versies gebruiken &man.devfs.5; om transparant apparaatnodes voor de gebruiker toe te wijzen. Bijna elk apparaat in de kernel heeft een overeenkomstige node-ingang in de map /dev. Deze nodes zien eruit als reguliere bestanden, maar zijn eigenlijk speciale ingangen in de kernel die door programma's gebruikt worden om toegang tot het apparaat te verkrijgen. Het shellscript /dev/MAKEDEV, dat wordt uitgevoerd als het besturingssysteem voor het eerst wordt geïnstalleerd, maakt bijna alle ondersteunde apparaatnodes aan. Het maakt echter niet alle nodes aan, dus als ondersteuning voor een apparaat wordt toegevoegd, loont het om te controleren of de geschikte ingangen in de map aanwezig zijn en deze toe te voegen als ze ontbreken. Hier volgt een eenvoudig voorbeeld: Stel dat ondersteuning voor de IDE CD-ROM aan de kernel wordt toegevoegd: device ad0 Dit betekent dat de map /dev moet worden onderzocht op ingangen die met acd0 beginnen, mogelijk gevolgd door een letter zoals c of voorafgegaan door de letter r, wat duidt op een raw apparaat. Die bestanden zijn daar niet, dus moet in de map /dev het volgende ingegeven worden: MAKEDEV &prompt.root; sh MAKEDEV acd0 Als dit script geëindigd is, zijn de ingangen acd0c en racd0c in de map /dev aanwezig, wat duidt op een juiste uitvoer. Voor geluidskaarten maakt het volgende commando de juiste ingangen aan: &prompt.root; sh MAKEDEV snd0 Als apparaatnodes voor apparaten als geluidskaarten worden aangemaakt en andere mensen toegang tot de machine hebben, kan het wenselijk zijn om de apparaten tegen toegang van buitenaf te beschermen door deze aan /etc/fbtab toe te voegen. In &man.fbtab.5; staat meer informatie. Deze eenvoudige procedure dient gevolgd te worden voor elk ander apparaat dat niet in GENERIC staat en geen ingangen heeft in /dev. Alle SCSI-controllers gebruiken dezelfde verzameling ingangen in /dev, dus is het niet nodig om deze aan te maken. Ook hebben netwerkkaarten en SLIP/PPP pseudo-apparaten geen ingang in /dev, dus is het niet nodig om hierover bezorgd te zijn. Problemen Oplossen Er zijn vijf categoriën problemen die op kunnen treden tijdens het bouwen van een eigen kernel: config faalt Als het commando &man.config.8; faalt bij het verwerken van de kernelbeschrijving, is er waarschijnlijk ergens een eenvoudige fout gemaakt. Gelukkig geeft &man.config.8; het nummer van de regel weer waarmee het problemen had, dus kan snel de regel gevonden worden waarin de fout zit. In het onderstaande voorbeeld dient gecontroleerd te worden of het sleutelwoord juist is ingevoerd door het met de kernel GENERIC of een andere referentie te vergelijken: config: line 17: syntax error make faalt Als make faalt, duidt dit meestal op een fout in de kernelbeschrijving die niet erg genoeg is om door &man.config.8; opgemerkt te worden. De instellingen dienen nogmaals nagekeken te worden. Als het probleem nog steeds niet is op te lossen, stuur dan een mail naar de &a.questions; met de kernelinstellingen. Dat leidt meestal snel tot een diagnose. Het installeren van de nieuwe kernel mislukt Als het compileren van de kernel goed ging, maar het installeren mislukte (make install of make installkernel faalde), dient als eerste gecontroleerd te worden of het systeem op beveiligingsniveau (securelevel) 1 of hoger draait (zie &man.init.8;). De kernelinstallatie probeert namelijk om de vlag immutable van de oude kernel te verwijderen en de vlag immutable op de nieuwe kernel te zetten. Aangezien beveiligingsniveau 1 of hoger verhindert om de vlag immutable te verwijderen van enig bestand op het systeem, dient de kernelinstallatie op beveiligingsniveau 0 of lager uitgevoerd te worden. Bovenstaande geldt alleen voor &os; 4.X en eerdere versies. &os; 5.X en hogere versies zetten de vlag immutable niet op de kernel en een mislukte poging om de kernel de kernel te installeren duidt meestal op een fundamenteler probleem. De kernel start niet op Als de nieuwe kernel niet opstart of de apparaten niet herkent is kalmte geboden. &os; heeft een uitstekend mechanisme om van niet-compatibele kernels te herstellen. De gewenste kernel om mee op te starten kan vanuit de &os; boot loader gekozen worden. Als het systeem terugtelt vanaf 10, kan deze vanuit het opstartmenu gekozen worden. Sla een willekeurige toets, behalve de Enter toets, aan, voer unload in en daarna boot /boot/kernel.old/kernel of de bestandsnaam van enige andere kernel die correct opstart. Als de kernelinstellingen gewijzigd worden, is het altijd aan te raden om een kernel bij de hand te houden waarvan bekend is dat die juist werkt. Nadat er met een goede kernel is opgestart, kan het instellingenbestand gecontroleerd worden en geprobeerd worden om de kernel nogmaals te bouwen. Een behulpzame bron is het bestand /var/log/messages, dat onder andere alle kernelberichten van alle keren dat er succesvol is opgestart vastlegt. Ook geeft &man.dmesg.8; alle kernelberichten weer van de huidige opstartprocedure. Als er problemen zijn met het bouwen van een kernel, dient een GENERIC, of een andere kernel waarvan bekend is dat die werkt, bewaard te worden onder een andere naam die niet verwijderd wordt als de volgende kernel gebouwd wordt. Er kan niet op kernel.old vertrouwd worden omdat bij de installatie van een nieuwe kernel kernel.old overschreven wordt met de laatst geïnstaleerde kernel, die niet hoeft te werken. Ook dient de werkende kernel zo snel mogelijk naar de juiste plaats /boot/kernel verplaatst te worden, omdat anders commando's als &man.ps.1; eventueel onjuist werken. Hiervoor dient simpelweg de map met de goede kernel hernoemd te worden: &prompt.root; mv /boot/kernel /boot/kernel.slecht &prompt.root; mv /boot/kernel.goed /boot/kernel Voor versies van &os; eerder dan 5.X luidt het juiste commando om het kernelbestand dat make installeert te ontgrendelen (om een andere kernel definitief terug te zetten): &prompt.root; chflags noschg /kernel Als dit niet mogelijk is, wordt er waarschijnlijk op een beveiligingsniveau groter dan nul gedraaid. Wijzig kern_securelevel in /etc/rc.conf naar –1 en start het systeem opnieuw. Deze instelling kan op het vorige niveau worden teruggezet als de nieuwe kernel naar behoren werkt. Als het wenselijk is om de nieuwe kernel vast te zetten op zijn plaats, of enig ander bestand, zodat het niet verplaatst of verknoeid kan worden: &prompt.root; chflags schg /kernel De kernel werkt, maar &man.ps.1; werkt niet meer Als er een andere versie van de kernel is geïnstalleerd dan degene waarmee de systeemgereedschappen gebouwd zijn, bijvoorbeeld een kernel voor 5.X op een 4.X-systeem, werken vele systeemstatuscommando's als &man.ps.1; en &man.vmstat.8; niet langer. De wereld moet opnieuw gecompileerd en geïnstalleerd worden en met dezelfde broncodestructuur als de kernel zijn gebouwd. Dit is een van de redenen waarom het normaliter geen goed idee is om een afwijkende versie van de kernel ten opzichte van de rest van de wereld te gebruiken. diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/linuxemu/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/linuxemu/chapter.sgml index 5163100364..3421910534 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/linuxemu/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/linuxemu/chapter.sgml @@ -1,4028 +1,4028 @@ Jim Mock Geherstructureerd en delen bijgewerkt door Brian N. Handy Origineel bijgedragen door Rich Murphey René Ladan Vertaald door &linux; Binaire Compatibiliteit Overzicht &os; levert binaire compatibiliteit met verscheidene andere &unix; achtige besturingssystemen, waaronder &linux;. Op dit moment kan de vraag gesteld worden waarom &os; nu precies &linux; binaries moet kunnen draaien. Het antwoord is dat veel bedrijven en ontwikkelaars alleen ontwikkelen voor &linux;, omdat dat het nieuwste hebbeding is in de wereld van computers. Dat laat &os; gebruikers al zeurend achter bij diezelfde bedrijven en ontwikkelaars om originele &os; versies van hun applicaties. Het probleem is dat veel van deze bedrijven zich niet goed realiseren hoeveel mensen hun product zouden gebruiken als er ook &os; versies van waren en de meesten blijven alleen voor &linux; ontwikkelen. Dus wat moet een &os; gebruiker doen? Hier komt de &linux; binaire compatibiliteit van &os; om de hoek kijken. In een notendop stelt de compatibiliteit &os; in staat om rond de 90% van alle &linux; applicaties zonder wijzigingen te draaien. Dit omvat applicaties zoals &staroffice;, de &linux; versie van &netscape;, &adobe; &acrobat;, RealPlayer, VMWare, &oracle;, WordPerfect, Doom, Quake en meer. Er wordt zelfs gemeld dat in sommige gevallen &linux; binaries beter presteren op &os; dan op &linux;. Er zijn echter enkele &linux;-specifieke besturingssysteemeigenschappen die niet door &os; ondersteund worden. &linux; binaries werken niet op &os; als ze overvloedig gebruik maken van &i386; specifieke aanroepen, zoals het aanzetten van de virtuele 8086 modus. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe &linux; binaire compatibiliteit op een systeem aan te zetten; Hoe aanvullende &linux; gedeelde bibliotheken te installeren; Hoe &linux; applicaties op een &os; systeem te installeren; De implementatiedetails van &linux; compatibiliteit in &os;. Aangeraden voorkennis: Hoe extra software van derden te installeren (). Installatie KLD (kernel loadable object) &linux; binaire compatibiliteit staat standaard niet aan. De gemakkelijkste manier om deze functionaliteit aan te zetten is door het linux KLD object (Kernel LoaDable object) te laden. Deze module kan geladen worden door simpelweg linux op de opdrachtregel in te geven. Als &linux; compatibiliteit altijd aan moet staan, dan moet de volgende regel aan /etc/rc.conf toegevoegd worden: linux_enable="YES" Met &man.kldstat.8; kan gecontroleerd worden of de KLD geladen is: &prompt.user; kldstat Id Refs Address Size Name 1 2 0xc0100000 16bd8 kernel 7 1 0xc24db000 d000 linux.ko kernelopties LINUX Als het om enige reden ongewenst of onmogelijk is de KLD te laden, dan kan de &linux; binaire compatibiliteit statisch in de kernel gecompileerd worden door options COMPAT_LINUX aan het kernelinstellingenbestand toe te voegen. Daarna kan de nieuwe kernel zoals beschreven in geïnstalleerd worden. &linux; Runtime Bibliotheken Installeren &linux; &linux; bibliotheken installeren Dit kan op twee manieren gedaan worden: door de linux_base port te gebruiken of door ze handmatig te installeren. Installeren uit de linux_base Port - portscollectie + Portscollectie Dit is verreweg de gemakkelijkste weg om te bewandelen om de runtime bibliotheken te installeren. Het is net als het installeren van andere ports uit de portscollectie. + url="file://localhost/usr/ports/">Portscollectie. Dit kan met het volgende commando: &prompt.root; cd /usr/ports/emulators/linux_base &prompt.root; make install distclean Nu is er werkende &linux; binaire compatibiliteit. Sommige programma's kunnen klagen over onjuiste kleine versies van de systeembibliotheken. Over het algemeen schijnt dit echter geen probleem te zijn. Er kunnen verschillende versies van de emulators/linux_base port beschikbaar zijn, overeenkomend met verschillende versies van verscheidene &linux; distributies. Het is verstandig de port te installeren die het meest voldoet aan de eisen van de &linux; applicaties die geïnstalleerd gaan worden. Bibliotheken Handmatig Installeren - Als de portscollectie niet is geïnstalleerd, kunnen + Als de Portscollectie niet is geïnstalleerd, kunnen de bibliotheken met de hand geïnstalleerd worden. Om alles te laten werken moeten de &linux; gedeelde bibliotheken waarvan het programma afhankelijk is en de runtime linker geïnstalleerd worden. Ook moet een shadow root map aangemaakt worden, /compat/linux, voor &linux; bibliotheken op een &os; systeem. Elke gedeelde bibliotheek die wordt geopend door &linux; programma's die op &os; draaien, kijken eerst in deze boomstructuur. Dus als een &linux; programma bijvoorbeeld /lib/libc.so laadt, probeert &os; eerst /compat/linux/lib/libc.so te openen, en als die niet bestaat, probeert het /lib/libc.so proberen. Gedeelde bibliotheken moeten in de schaduwmapstructuur geïnstalleerd worden in plaats van in de paden die het &linux; ld.so rapporteert. In het algemeen geldt dat alleen de eerste paar keer dat een &linux; binary wordt geïnstalleerd op een &os; systeem naar de gedeelde bibliotheken gezocht wordt waar &linux; binaries van afhankelijk zijn. Na een tijd is de verzameling van &linux; gedeelde bibliotheken op een systeem voldoende groot om nieuw geïmporteerde &linux; binaries te kunnen draaien zonder enig extra werk. Extra Gedeelde Bibliotheken Installeren gedeelde bibliotheken Wat als de linux_base port is geïnstalleerd en een applicatie nog steeds klaagt over ontbrekende gedeelde bibliotheken? Op zich zijn er twee mogelijkheden (voor het opvolgen van deze instructies zijn root rechten op een &os; systeem vereist). Als er toegang is tot een &linux; systeem kan gekeken worden welke gedeelde bibliotheken de applicatie nodig heeft en kunnen ze gekopieerd worden naar het &os systeem. Dit wordt toegelicht in het volgende voorbeeld: Stel dat FTP gebruikt is om de &linux; binary van Doom op te halen en die op een &linux; systeem staat waar toegang tot is. Dan kan met ldd linuxdoom gecontroleerd worden welke gedeelde bibliotheken er nodig zijn: &prompt.user; ldd linuxdoom libXt.so.3 (DLL Jump 3.1) => /usr/X11/lib/libXt.so.3.1.0 libX11.so.3 (DLL Jump 3.1) => /usr/X11/lib/libX11.so.3.1.0 libc.so.4 (DLL Jump 4.5pl26) => /lib/libc.so.4.6.29 symbolische links Alle bestanden uit de laatste kolom zijn nodig en moeten onder /compat/linux komen te staat en de namen uit de eerste kolom moeten er als symbolische links naar verwijzen. Dit betekent dat uiteindelijk deze bestanden op een &os; systeem staan: /compat/linux/usr/X11/lib/libXt.so.3.1.0 /compat/linux/usr/X11/lib/libXt.so.3 -> libXt.so.3.1.0 /compat/linux/usr/X11/lib/libX11.so.3.1.0 /compat/linux/usr/X11/lib/libX11.so.3 -> libX11.so.3.1.0 /compat/linux/lib/libc.so.4.6.29 /compat/linux/lib/libc.so.4 -> libc.so.4.6.29
Als er al een &linux; gedeelde bibliotheek met een groot revisienummer overeenstemmend met de eerste kolom van de ldd uitvoer is, dan hoeft het bestand uit de laatste kolom niet naar een systeem gekopieerd te worden. Het bestand dat er al staat moet werken. Het is aan te raden om de gedeelde bibliotheek sowieso te kopiëren als het een nieuwere versie is. De oude kan verwijderd worden, zolang de symbolische link maar naar de nieuwe wijst. Dus als deze bibliotheken op een systeem staan: /compat/linux/lib/libc.so.4.6.27 /compat/linux/lib/libc.so.4 -> libc.so.4.6.27 en een nieuwe binary zegt een latere versie nodig te hebben volgens de uitvoer van ldd: libc.so.4 (DLL Jump 4.5pl26) -> libc.so.4.6.29 Als slechts één of twee versies verouderd zijn in het laatste cijfer, dan hoeft /lib/libc.so.4.6.29 niet gekopieerd te worden, omdat het programma goed moet werken met de ietwat oudere versie. Als er echter behoefte aan is, kan besloten worden om libc.so sowieso te verplaatsen, en dat resulteert in: /compat/linux/lib/libc.so.4.6.29 /compat/linux/libc.so.4 -> lbic.so.4.6.29
Het symbolische link mechanisme is alleen nodig voor &linux; binaries. De &os; runtime linker zorgt zelf voor het kijken naar passende grote revisienummers en daar hoeft geen zorg over te bestaan.
&linux; ELF Binaries Installeren &linux; ELF binaries ELF binaries hebben soms een extra stap van branding nodig. Als er ongemerkt ELF binaries worden gedraaid, onstaat er een foutmelding zoals de volgende: &prompt.user; ./mijn-linux-elf-binary ELF binary type not known Abort Om de &os; kernel te helpen &os; ELF binaries en &linux; binaries uit elkaar te houden, kan &man.brandelf.1; gebruikt worden. &prompt.user; brandelf -t Linux mijn-linux-elf-binary GNU gereedschapskist De GNU gereedschapskist plaatst nu automatisch de juiste merkinformatie in ELF binaries, dus deze stap zou steeds overbodiger moeten worden in de toekomst. De Hostnaamresolver Instellen resolv+: "bind" is an invalid keyword resolv+: "hosts" is an invalid keyword Als DNS niet werkt of de bovenstaande melding ontstaat, dan moet /compat/linux/etc/host.conf ingesteld worden met daarin: order hosts, bind multi on De volgorde geeft aan dat /etc/hosts als eerste doorzocht wordt en DNS als tweede. Als /compat/linux/etc/host.conf niet geïnstalleerd is, vinden &linux; applicaties /etc/host.conf van &os; en klagen ze over de incompatibele &os; syntaxis. bind moet verwijderd worden als er geen naamserver is ingesteld die gebruik maakt van /etc/resolv.conf.
Murray Stokely Bijgewerkt voor &mathematica; 4.X door Bojan Bistrovic Samengevoegd met werk van &mathematica; Installeren applicaties &mathematica; Dit document beschrijft het installatieproces van de &linux; versie van &mathematica; 4.X op een &os; systeem. De &linux; versie van &mathematica; draait perfect op &os;, maar de binaries die door Wolfram geleverd worden moeten gemerkt worden zodat &os; weet dat het de Linux ABI moet gebruiken om ze uit te voeren. De &linux; versie van &mathematica; of &mathematica; for Students kan direct bij Wolfram besteld worden op . De &linux; Binaries Merken De &linux; binaries zijn geplaatst in de map Unix van de &mathematica; CDROM geleverd door Wolfram. Deze mappenstructuur moet naar de lokale harde schijf gekopieerd worden, zodat de &linux; binaries gemerkt kunnen wordt met &man.brandelf.1; voordat de installer draait: &prompt.root; mount /cdrom &prompt.root; cp -rp /cdrom/Unix/ /localdir/ &prompt.root; brandelf -t Linux /localdir/Files/SystemFiles/Kernel/Binaries/Linux/* &prompt.root; brandelf -t Linux /localdir/Files/SystemFiles/FrontEnd/Binaries/Linux/* &prompt.root; brandelf -t Linux /localdir/Files/SystemFiles/Installation/Binaries/Linux/* &prompt.root; brandelf -t Linux /localdir/Files/SystemFiles/Graphics/Binaries/Linux/* &prompt.root; brandelf -t Linux /localdir/Files/SystemFiles/Converters/Binaries/Linux/* &prompt.root; brandelf -t Linux /localdir/Files/SystemFiles/LicenseManager/Binaries/Linux/mathlm &prompt.root; cd /localdir/Installers/Linux/ &prompt.root; ./MathInstaller Als alternatief kan simpelweg het standaard ELF merk op Linux gezet worden voor alle ongemerkte binaries met het commando: &prompt.root; sysctl kern.fallback_elf_brand=3 Dit laat &os; aannemen dat alle ongemerkte ELF binaries de Linux ABI gebruiken en dus zou de installer rechtstreeks van de CDROM moeten kunnen draaien. &mathematica; Wachtwoord Opvragen Voordat &mathematica; kan draaien, moet er een wachtwoord komen van Wolfram dat overeenkomt met het machine ID. Ethernet MAC adres Als de &linux; compatibiliteits-runtime bibliotheken zijn geïnstalleerd en &mathematica; is uitgepaktm, dan kan het machine ID verkregen worden door mathinfo te draaien in de installatiemap. Dit machine-ID is alleen op het MAC adres van de eerste Ethernetkaart gebaseerd. &prompt.root; cd /localdir/Files/SystemFiles/Installation/Binaries/Linux &prompt.root; mathinfo disco.example.com 7115-70839-20412 Bij een registratie bij Wolfram, per email, telefoon of fax, wordt het machine ID opgegeven en zij reageren met een overeenkomstig wachtwoord dat uit groepen getallen bestaat. Deze informatie kan ingevoerd worden bij het voor de eerste keer draaien van &mathematica;, net als voor elk ander &mathematica; platform. Het &mathematica; Frontend over een Netwerk Draaien &mathematica; gebruikt enkele speciale lettertypen om tekens af te beelden die niet aanwezig zijn in een standaard lettertypeverzameling (integralen, sommen, Griekse letters, enzovoort). Het X-protocol vereist dat deze lettertypen lokaal worden geïnstalleerd. Dit betekent dat deze lettertypen gekopieerd moeten worden vanaf de CDROM of vanaf een host met &mathematica; erop naar de lokale machine. Deze lettertypen worden meestal opgeslagen in /cdrom/Unix/Files/SystemFiles/Fonts op de CDROM of in /usr/local/mathematica/SystemFiles/Fonts op de harde schijf. De eigenlijke lettertypen staan in de submap Type1 en X. Er zijn verschillende manieren om ze te installeren, zoals hieronder staat beschreven. De eerste manier is om ze te kopiëren in één van de bestaande lettertypenmappen in /usr/X11R6/lib/X11/fonts. Hiertoe dient fonts.dir bewerkt te worden door de namen van de lettertypen eraan toe te voegen het aantal lettertypen op de eerste regel te veranderen. Als alternatief kan ook eenvoudig &man.mkfontdir.1; in de map gedraaid worden waar de lettertypen heen zijn gekopieerd. De tweede manier om dit te doen is door de mappen naar /usr/X11R6/lib/X11/fonts te kopiëren: &prompt.root; cd /usr/X11R6/lib/X11/fonts &prompt.root; mkdir X &prompt.root; mkdir MathType1 &prompt.root; cd /cdrom/Unix/Files/SystemFiles/Fonts &prompt.root; cp X/* /usr/X11R6/lib/X11/fonts/X &prompt.root; cp Type1/* /usr/X11R6/lib/X11/fonts/MathType1 &prompt.root; cd /usr/X11R6/lib/X11/fonts/X &prompt.root; mkfontdir &prompt.root; cd ../MathType1 &prompt.root; mkfontdir Voeg nu de nieuwe lettertypenmappen toe aan het lettertypenpad: &prompt.root; xset fp+ /usr/X11R6/lib/X11/fonts/X &prompt.root; xset fp+ /usr/X11R6/lib/X11/fonts/MathType1 &prompt.root; xset fp rehash Als de &xorg; server gebruikt wordt, kunnen deze lettertypenmappen automatisch geladen worden door ze aan xorg.conf toe te voegen. Voor &xfree86; servers is het instellingenbestand XF86Config. lettertypen Als er nog geen map /usr/X11R6/lib/X11/fonts/Type1 bestaat, kan de naam van de map MathType1 in het bovenstaande voorbeeld veranderd worden naar Type1. Aaron Kaplan Bijgedragen door Robert Getschmann Met dank aan &maple; Installeren applicaties Maple &maple; is een commercieel wiskundeprogramma vergelijkbaar met &mathematica;. De software is te koop op en kan daar ook geregistreerd worden voor een licentiebestand. Om deze software op &os; te installeren kunnen de volgende eenvoudige stappen gevolgd worden: Voer het INSTALL> shellscript uit van de productdistributie. Kies de RedHat optie als daarom wordt gevraagd door het installatieprogramma. Een typische installatiemap zou /usr/local/maple zijn. Bestel, als dat nog niet gedaan is, een licentie voor &maple; van Maple Waterloo Software () en kopieer deze naar /usr/local/maple/license/license.dat. Installeer de FLEXlm licentiebeheerder met het installatieshellscript INSTALL_LIC, dat geleverd wordt bij &maple;. Stel de primaire hostnaam voor de machine in voor de licentieserver. Patch het bestand /usr/local/maple/bin/maple.system.type met het volgende: ----- knip ------------------ *** maple.system.type.orig Sun Jul 8 16:35:33 2001 --- maple.system.type Sun Jul 8 16:35:51 2001 *************** *** 72,77 **** --- 72,78 ---- # the IBM RS/6000 AIX case MAPLE_BIN="bin.IBM_RISC_UNIX" ;; + "FreeBSD"|\ "Linux") # the Linux/x86 case # We have two Linux implementations, one for Red Hat and ----- knip einde van patch ----- Achter "FreeBSD"| mogen geen verdere witvelden staan. Deze patch instrueert &maple; om &os; als een &linux; systeem te herkennen. Het shellscript bin/maple roept het shellscript bin/maple.system.type aan, dat op zijn beurt uname -a aanroept om achter de naam van het besturingssysteem te komen. Afhankelijk van de naam van het besturingssysteem zoekt het uit welke binaries het moet gebruiken. Start de licentieserver. Het volgende script, geïnstalleerd als /usr/local/etc/rc.d/lmgrd.sh, is een gemakkelijke manier om lmgrd op te starten: ----- knip ------------ #! /bin/sh PATH=/usr/local/sbin:/usr/local/bin:/sbin:/bin:/usr/sbin:/usr/bin:/usr/X11R6/bin PATH=${PATH}:/usr/local/maple/bin:/usr/local/maple/FLEXlm/UNIX/LINUX export PATH LICENSE_FILE=/usr/local/maple/license/license.dat LOG=/var/log/lmgrd.log case "$1" in start) lmgrd -c ${LICENSE_FILE} 2>> ${LOG} 1>&2 echo -n " lmgrd" ;; stop) lmgrd -c ${LICENSE_FILE} -x lmdown 2>> ${LOG} 1>&2 ;; *) echo "Usage: `basename $0` {start|stop}" 1>&2 exit 64 ;; esac exit 0 ----- knip ------------ &maple; testen: &prompt.user; cd /usr/local/maple/bin &prompt.user; ./xmaple Nu hoort het programma te draaien. Het is belangrijk om Maplesoft te schrijven om ze te laten weten dat een echte &os; versie gewenst is! Gemeenschappelijke Verborgen Gevaren De FLEXlm licentiebeheerder kan een lastig programma zijn om mee te werken. Aanvullende documentatie staat op . lmgrd staat er bekend om erg kieskeurig over het licentiebestand te zijn en core te dumpen als er een probleem is. Een correct licentiebestand ziet er zo uit: # ======================================================= # License File for UNIX Installations ("Pointer File") # ======================================================= SERVER chillig ANY #USE_SERVER VENDOR maplelmg FEATURE Maple maplelmg 2000.0831 permanent 1 XXXXXXXXXXXX \ PLATFORMS=i86_r ISSUER="Waterloo Maple Inc." \ ISSUED=11-may-2000 NOTICE=" Technische Universitat Wien" \ SN=XXXXXXXXX Het serienummer en de sleutel zijn vervangen door X'en. chillig is de hostnaam. Het bewerken van het licentiebestand lukt zolang de regel FEATURE niet verandert (die beschermd is door de licentiesleutel). Dan Pelleg Bijgedragen door &matlab; Installeren applicaties &matlab; Dit document beschrijft het installatieproces van de &linux; versie van &matlab; 6.5 op een &os; systeem. Het werkt best goed, met uitzondering van de &java.virtual.machine; (zie ). De &linux; versie van &matlab; kan besteld worden bij The MathWorks op . Er dient ook een licentiebestand of instructies hoe dat te maken te zijn. Het is belangrijk om Maplesoft te schrijven om ze te laten weten dat een echte &os; versie gewenst is! &matlab; Installeren Om &matlab; te installeren: Laad de installatie-CD en mount die. Start het installatiescript als root: &prompt.root; /compat/linux/bin/sh /cdrom/install Het is een grafisch installatieprogramma. Als er foutmeldingen verschijnen dat het programma geen scherm kan openen, kan setenv HOME ~GEBRUIKER uitgevoerd worden, waar GEBRUIKER de gebruiker is waarmee &man.su.1; is gedaan. Als om de &matlab; rootmap wordt gevraagd, dient /compat/linux/usr/local/matlab opgegeven te worden. Voer op de commandoregel het volgende uit om de rest van het installatieproces gemakkelijk te houden: set MATLAB=/compat/linux/usr/local/matlab. Wijzig het licentiebestand zoals aangegeven tijdens het verkrijgen van de licentie voor &matlab;. Dit bestand kan van tevoren gemaakt worden met een tekstverwerker en door het te kopiëren naar $MATLAB/license.dat voordat het installatieprogramma vraagt om het te bewerken. Maak het installatieproces af. Nu is de installatie van &matlab; compleet. De volgende stappen lijmen het aan het &os; systeem. Licentiebeheerder Starten Maak symbolische links voor de scriptbestanden van de licentiebeheerder: &prompt.root; ln -s $MATLAB/etc/lmboot /usr/local/etc/lmboot_TMW &prompt.root; ln -s $MATLAB/etc/lmdown /usr/local/etc/lmdown_TMW Maak een opstartbestand in /usr/local/etc/rc.d/flexlm.sh. Onderstaand voorbeeld is een gewijzigde versie van het meegeleverde $MATLAB/etc/rc.lm.glnx86. De wijzigingen omvatten bestandslocaties en het starten van de licentiebeheerder onder &linux;-emulatie. #!/bin/sh case "$1" in start) if [ -f /usr/local/etc/lmboot_TMW ]; then /compat/linux/bin/sh /usr/local/etc/lmboot_TMW -u gebruikersnaam && echo 'MATLAB_lmgrd' fi ;; stop) if [ -f /usr/local/etc/lmdown_TMW ]; then /compat/linux/bin/sh /usr/local/etc/lmdown_TMW > /dev/null 2>&1 fi ;; *) echo "Usage: $0 {start|stop}" exit 1 ;; esac exit 0 Het bestand moet uitvoerbaar zijn: &prompt.root; chmod +x /usr/local/etc/rc.d/flexlm.sh Ook moet bovenstaande gebruikersnaam vervangen worden door een geldige gebruikersnaam op het systeem (maar niet door root). Start de licentiebeheerder op met het commando: &prompt.root; /usr/local/etc/rc.d/flexlm.sh start De &java; Runtime-omgeving Linken Verander de &java; Runtime Environment Link naar een die werkt op &os;: &prompt.root; cd $MATLAB/sys/java/jre/glnx86 &prompt.root; unlink jre; ln -s ./jre1.1.8 ./jre &matlab; Opstartscript Maken Plaats het volgende startscript in /usr/local/bin/matlab: #!/bin/sh /compat/linux/bin/sh /compat/linux/usr/local/matlab/bin/matlab "$@" Geef vervolgens het commando chmod +x /usr/local/bin/matlab. Afhankelijk van de versie van emulators/linux_base, kunnen er fouten optreden als dit script draait. Om dat te voorkomen, dient in /compat/linux/usr/local/matlab/bin/matlab de regel: if [ `expr "$lscmd" : '.*->.*'` -ne 0 ]; then (in versie 13.0.1 staat dit op regel 410) veranderd te worden in: if test -L $newbase; then &matlab; Afsluitscript Maken Het volgende is nodig om een probleem op te lossen dat samenhangt met het onjuist afsluiten van &matlab;. Maak het bestand $MATLAB/toolbox/local/finish.m dat alleen de volgende regel bevat: ! $MATLAB/bin/finish.sh $MATLAB$ is hier letterlijk bedoeld. In dezelfde map staan de bestanden finishsav.m en finishdlg.m, die de mogelijkheid geven om de werkomgeving te bewaren vóór het afsluiten. Als één van deze scripts gebruikt wordt, dient de bovenstaande regel direct na het commando save ingevoegd te worden. Maak het bestand $MATLAB/bin/finish.sh, dat het volgende bevat: #!/usr/compat/linux/bin/sh (sleep 5; killall -1 matlab_helper) & exit 0 Maak het bestand uitvoerbaar: &prompt.root; chmod +x $MATLAB/bin/finish.sh &matlab; Gebruiken Nu kan met matlab het programma gestart worden. Marcel Moolenaar Bijgedragen door &oracle; Installeren applicaties Oracle Voorwoord Hieronder wordt het installatieproces van &oracle; 8.0.5 en &oracle; 8.0.5.1 Enterprise Edition voor &linux; op een &os;-machine beschreven. De &linux;-omgeving Installeren - Uit de portscollectie dienen Uit de Portscollectie dienen emulators/linux_base en devel/linux_devtools geïnstalleerd te zijn. Als er problemen zijn met deze ports, kan het zijn dat de packages of oudere versies uit de - portscollectie gebruikt moeten worden. + Portscollectie gebruikt moeten worden. Om de intelligente agent te draaien, moet ook het Red Hat Tcl package geïnstalleerd worden: tcl-8.0.3-20.i386.rpm. Het algemene commando om packages te installeren met de officiële RPM port (archivers/rpm) is: &prompt.root; rpm -i --ignoreos --root /compat/linux --dbpath /var/lib/rpm package De installatie van het package hoort foutloos te verlopen. De &oracle;-omgeving Creëren Voordat &oracle; geïnstalleerd kan worden, moet een juiste omgeving opgezet worden. Dit document beschrijft alleen welke speciale dingen gedaan moeten worden om &oracle; voor &linux; op &os; te draaien, en niet wat beschreven staat in de &oracle; installatiehandleiding. Kerneloptimalisatie kerneloptimalisatie Zoals beschreven staat in de &oracle; installatiehandleiding moet de maximale grootte van het gedeelde geheugen ingesteld worden. Op &os; moet SHMMAX niet gebruikt worden. SHMMAX wordt slechts uit SHMMAXPGS en PGSIZE berekend. Daarom dient SHMMAXPGS gedefinieerd te worden. Alle andere opties kunnen gebruikt worden zoals in de handleiding staat beschreven. Bijvoorbeeld: options SHMMAXPGS=10000 options SHMMNI=100 options SHMSEG=10 options SEMMNS=200 options SEMMNI=70 options SEMMSL=61 Deze opties kunnen naargelang het gebruik van &oracle; ingesteld worden. Ook de volgende opties dienen in het kernelinstellingenbestand te staan: options SYSVSHM #SysV gedeeld geheugen options SYSVSEM #SysV semaforen options SYSVMSG #SysV interprocescommunicatie &oracle; Account Creeër een oracle account op dezelfde manier als elk ander account. Het oracle account is alleen bijzonder in het opzicht dat het een &linux; shell moet hebben. Dat kan door /compat/linux/bin/bash toe te voegen aan /etc/shells en de shell voor het oracle account in te stellen op /compat/linux/bin/bash. Omgeving Naast de normale &oracle; variabelen als ORACLE_HOME en ORACLE_SID moeten de volgende omgevingsvariabelen ingesteld worden: Variabele Waarde LD_LIBRARY_PATH $ORACLE_HOME/lib CLASSPATH $ORACLE_HOME/jdbc/lib/classes111.zip PATH /compat/linux/bin; /compat/linux/sbin; /compat/linux/usr/bin; /compat/linux/usr/sbin; /bin; /sbin; /usr/bin; /usr/sbin; /usr/local/bin; $ORACLE_HOME/bin Het is aan te raden om alle omgevingsvariabelen in .profile in te stellen. Een volledig voorbeeld is: ORACLE_BASE=/oracle; export ORACLE_BASE ORACLE_HOME=/oracle; export ORACLE_HOME LD_LIBRARY_PATH=$ORACLE_HOME/lib export LD_LIBRARY_PATH ORACLE_SID=ORCL; export ORACLE_SID ORACLE_TERM=386x; export ORACLE_TERM CLASSPATH=$ORACLE_HOME/jdbc/lib/classes111.zip export CLASSPATH PATH=/compat/linux/bin:/compat/linux/sbin:/compat/linux/usr/bin PATH=$PATH:/compat/linux/usr/sbin:/bin:/sbin:/usr/bin:/usr/sbin PATH=$PATH:/usr/local/bin:$ORACLE_HOME/bin export PATH &oracle; Installeren Wegens een kleine inconsistentie in de &linux; emulator moet de map .oracle aangemaakt worden in /var/tmp voordat het installatieprogramma wordt gestart. De gebruiker oracle moet de eigenaar van deze map zijn. Nu hoort &oracle; zonder problemen te installeren. Bij problemen dienen eerst de &oracle; distributie en/of de instellingen gecontroleerd te worden! Nadat &oracle; is geïnstalleerd, moeten de patches uit de volgende twee secties geïnstalleerd worden. Een veelvoorkomend probleem is dat de adapter voor het TCP-protocol niet goed is geïnstalleerd. De consequentie daarvan is dat er geen TCP-listeners gestart kunnen worden. De volgende acties helpen om dit probleem op te lossen: &prompt.root; cd $ORACLE_HOME/network/lib &prompt.root; make -f ins_network.mk ntcontab.o &prompt.root; cd $ORACLE_HOME/lib &prompt.root; ar r libnetwork.a ntcontab.o &prompt.root; cd $ORACLE_HOME/network/lib &prompt.root; make -f ins_network.mk install Hierna dient root.sh nogmaals te draaien! <filename>root.sh</filename> Patchen Als &oracle; geïnstalleerd wordt, worden sommige acties die als root moeten worden uitgevoerd geregistreerd in een shellscript met de naam root.sh. Dit script komt in de map orainst te staan. De volgende patch dient uitgevoerd te worden op root.sh om het de juiste locatie van chown te laten gebruiken of als alternatief kan het script onder een originele &linux; shell gedraaid worden *** orainst/root.sh.orig Tue Oct 6 21:57:33 1998 --- orainst/root.sh Mon Dec 28 15:58:53 1998 *************** *** 31,37 **** # This is the default value for CHOWN # It will redefined later in this script for those ports # which have it conditionally defined in ss_install.h ! CHOWN=/bin/chown # # Define variables to be used in this script --- 31,37 ---- # This is the default value for CHOWN # It will redefined later in this script for those ports # which have it conditionally defined in ss_install.h ! CHOWN=/usr/sbin/chown # # Define variables to be used in this script Als &oracle; niet vanaf een CD wordt geïnstalleerd, kan de broncode van root.sh aangepast worden. Die heet rthd.sh en staat in de map orainst in de broncodestructuur. genclntsh Patchen Het script genclntsh wordt gebruikt om é´n enkele gedeelde bibliotheek voor de client aan te maken. Het wordt gebruikt tijdens het maken van de demonstraties. Met de volgende patch wordt de definitie van PATH uitgecommentarieerd: *** bin/genclntsh.orig Wed Sep 30 07:37:19 1998 --- bin/genclntsh Tue Dec 22 15:36:49 1998 *************** *** 32,38 **** # # Explicit path to ensure that we're using the correct commands #PATH=/usr/bin:/usr/ccs/bin export PATH ! PATH=/usr/local/bin:/bin:/usr/bin:/usr/X11R6/bin export PATH # # each product MUST provide a $PRODUCT/admin/shrept.lst --- 32,38 ---- # # Explicit path to ensure that we're using the correct commands #PATH=/usr/bin:/usr/ccs/bin export PATH ! #PATH=/usr/local/bin:/bin:/usr/bin:/usr/X11R6/bin export PATH # # each product MUST provide a $PRODUCT/admin/shrept.lst &oracle; Draaien Als de instructies worden gevolgd, draait &oracle; als op &linux; zelf. Holger Kipp Bijgedragen door Valentino Vaschetto Originele versie omgezet naar SGML door &sap.r3; Installeren applicaties &sap.r3; Installaties van &sap; Systemen die &os; gebruiken worden niet ondersteund door het &sap; ondersteuningsteam. Zij bieden alleen ondersteuning voor gecertificeerde platformen. Voorwoord Dit document beschrijft een mogelijke manier om een &sap.r3; System met &oracle; Database voor &linux; op een &os; machine, inclusief de installatie van &os; en &oracle;. Er worden twee configuraties beschreven: &sap.r3; 4.6B (IDES) met &oracle; 8.0.5 op &os; 4.3–STABLE; &sap.r3; 4.6C met &oracle; 8.1.7 op &os; 4.5–STABLE. Hoewel dit document alle belangrijke stappen in meer detail probeert te beschrijven, is het niet bedoeld als een vervanging voor de &oracle; en &sap.r3; installatiehandleidingen. Voor specifieke vragen wordt verwezen naar de documentatie die geleverd wordt bij de &sap.r3; &linux; editie voor &sap; en &oracle; en de bronnen van &oracle; en &sap; OSS. Software Voor de &sap; installaties zijn de volgende CDROMs gebruikt: &sap.r3; 4.6B, &oracle; 8.0.5 Naam Nummer Beschrijving KERNEL 51009113 SAP Kernel Oracle / Installation / AIX, Linux, Solaris RDBMS 51007558 Oracle / RDBMS 8.0.5.X / Linux EXPORT1 51010208 IDES / DB-Export / Disc 1 of 6 EXPORT2 51010209 IDES / DB-Export / Disc 2 of 6 EXPORT3 51010210 IDES / DB-Export / Disc 3 of 6 EXPORT4 51010211 IDES / DB-Export / Disc 4 of 6 EXPORT5 51010212 IDES / DB-Export / Disc 5 of 6 EXPORT6 51010213 IDES / DB-Export / Disc 6 of 6 Ook zijn de &oracle; 8 Server (Pre-productie versie 8.0.5 voor &linux; kernelversie 2.0.33) CD gebruikt, die niet echt noodzakelijk is en &os; 4.3-STABLE (een paar dagen na de 4.3-RELEASE). &sap.r3; 4.6C SR2, &oracle; 8.1.7 Naam Nummer Beschrijving KERNEL 51014004 SAP Kernel Oracle / SAP Kernel Version 4.6D / DEC, Linux RDBMS 51012930 Oracle 8.1.7/ RDBMS / Linux EXPORT1 51013953 Release 4.6C SR2 / Export / Disc 1 of 4 EXPORT1 51013953 Release 4.6C SR2 / Export / Disc 2 of 4 EXPORT1 51013953 Release 4.6C SR2 / Export / Disc 3 of 4 EXPORT1 51013953 Release 4.6C SR2 / Export / Disc 4 of 4 LANG1 51013954 Release 4.6C SR2 / Language / DE, EN, FR / Disc 1 van 3 Afhankelijk van de talen die geïnstalleerd moeten worden kunnen aanvullende taal-CDs nodig zijn. Hier worden DE en EN gebruikt, dus is alleen de eerste taal-CD nodig. Een kleine kanttekening is dat de nummers van alle vier de EXPORT CDs identiek zijn. Ook hebben alle drie de taal-CDs hetzelfde nummer (dit verschilt met de 4.6B IDES release CD-nummering). Ten tijde van schrijven draait deze installatie op &os; 4.5-STABLE (20.03.2002). Opmerkingen over &sap; Het wordt aangeraden de volgende notities vóór de installatie van &sap.r3; gelezen te hebben. Ze waren bruikbaar tijdens de installatie: &sap.r3; 4.6B, &oracle; 8.0.5 Nummer Titel 0171356 SAP Software on Linux: Essential Comments 0201147 INST: 4.6C R/3 Inst. on UNIX - Oracle 0373203 Update / Migration Oracle 8.0.5 --> 8.0.6/8.1.6 LINUX 0072984 Release of Digital UNIX 4.0B for Oracle 0130581 R3SETUP step DIPGNTAB terminates 0144978 Your system has not been installed correctly 0162266 Questions and tips for R3SETUP on Windows NT / W2K &sap.r3; 4.6C, &oracle; 8.1.7 Nummer Titel 0015023 Initializing table TCPDB (RSXP0004) (EBCDIC) 0045619 R/3 with several languages or typefaces 0171356 SAP Software on Linux: Essential Comments 0195603 RedHat 6.1 Enterprise version: Known problems 0212876 The new archiving tool SAPCAR 0300900 Linux: Released DELL Hardware 0377187 RedHat 6.2: important remarks 0387074 INST: R/3 4.6C SR2 Installation on UNIX 0387077 INST: R/3 4.6C SR2 Inst. on UNIX - Oracle 0387078 SAP Software on UNIX: OS Dependencies 4.6C SR2 Benodigde Hardware De volgende uitrusting is voldoende voor de installatie van een &sap.r3; Systeem. Voor productiegebruik geldt natuurlijk dat exactere gegevens nodig zijn: Component 4.6B 4.6C Processor 2 x 800MHz &pentium; III 2 x 800MHz &pentium; III Geheugen 1GB ECC 2GB ECC Hardeschijfruimte 50-60GB (IDES) 50-60GB (IDES) Voor productiegebruik zijn &xeon; processoren met een grote cache, schijftoegang op hoge snelheid (SCSI, RAID-hardwarecontroller) USV en ECC-RAM aanbevolen. De grote hoeveelheid benodigde schijfruimte is te wijten aan het vooringestelde IDES-systeem, dat 27 GB aan databasebestanden aanmaakt tijdens de installatie. Deze ruimte is ook voldoende voor beginnende productiesystemen en applicatiegegevens. &sap.r3; 4.6B, &oracle; 8.0.5 De volgende kant-en-klare hardware werd gebruikt: een dual processorbord met 2 800 MHz &pentium;nbsp;III processoren, &adaptec; 21960 Ultra160 SCSI adapter (om een 40/80 GB DLT tapedrive en CDROM aan te spreken), &mylex; &acceleraid; (2 kanalen, firmware 6.00-1-00 met 32 MB RAM). Aan de &mylex; RAID-controller zijn twee 17 GB harde schijven (gespiegeld) en vier 36 GB harde schijven (RAID-niveau 5) bevestigd. &sap.r3; 4.6C, &oracle; 8.1.7 Voor deze installatie werd een &dell; &poweredge; 2500 gebruikt: een dual processorbord met twee 1000 MHz &pentium; III processoren (256 kB cache), 2 GB PC133 ECC SDRAM, PERC/3 DC PCI RAID-controller met 128 MB en een EIDE DVD-ROM-drive. Aan de RAID-controller zijn twee 18 GB harde schijven (gespiegeld) en vier 36 GB harde schijven (RAID-niveau 5) bevestigd. Installatie van &os; Eerst moet &os; geïnstalleerd worden. Er zijn verschillende manieren om dit te doen (&os; 4.3 was geïnstalleerd via FTP, &os; 4.5 direct vanaf de RELEASE CD). Er staat meer informatie in . Schijfindeling Om het eenvoudig te houden, werd voor zowel de &sap.r3; 46B installatie als de &sap.r3; 46C SR2 installatie dezelfde schijfindeling gebruikt. Alleen de apparaatnamen veranderden, omdat de installaties op verschillende hardware werden gedaan (/dev/da respectievelijk /dev/amr, dus als een AMI &megaraid; wordt gebruikt, is /dev/amr0s1a te zien in plaats van /dev/da0s1a): Bestandssysteem Grootte (1k-blokken) Grootte (GB) Gemount aan /dev/da0s1a 1.016.303 1 / /dev/da0s1b 6 swap /dev/da0s1e 2.032.623 2 /var /dev/da0s1f 8.205.339 8 /usr /dev/da1s1e 45.734.361 45 /compat/linux/oracle /dev/da1s1f 2.032.623 2 /compat/linux/sapmnt /dev/da1s1g 2.032.623 2 /compat/linux/usr/sap De twee logische drives dienen tevoren met de &mylex;- of PERC/3 RAID-software ingesteld en geïnitialiseerd te worden. De software kan tijdens de opstartfase van het BIOS gestart worden. De schijfindelingen wijken licht af van de aanbevelingen van &sap;, omdat &sap; aanbeveelt om de &oracle; submappen (en enkele andere) gescheiden te mounten. Hier is besloten om ze omwille van de eenvoud gewoon als echte submappen aan te maken. <command>make world</command> en een Nieuwe Kernel Nu dient de nieuwste -STABLE-broncode gedownload te worden. Nadat het kernelinstellingenbestand is aangepast, kunnen de wereld en de kernel opnieuw gebouwd worden. Hier moeten ook de kernelparameters in staan die nodig zijn voor &sap.r3; en &oracle;. De &linux;-omgeving Installeren Het &linux; Basissysteem Installeren Eerst moet de linux_base port geïnstalleerd worden (als root): &prompt.root; cd /usr/ports/emulators/linux_base &prompt.root; make install distclean De &linux; Ontwikkelomgeving Installeren De &linux;-ontwikkelomgeving is volgens noodzakelijk om &oracle; op &os; te installeren: &prompt.root; cd /usr/ports/devel/linux_devtools &prompt.root; make install distclean De &linux;-ontwikkelomgeving is alleen voor de &sap.r3; 46B IDES installatie geïnstalleerd. Het is niet nodig als de &oracle; DB niet opnieuw wordt gelinkt op het &os;-systeem. Dit is het geval als de &oracle; tarball van een &linux;-systeem wordt gebruikt. De Benodigde RPM's Installeren RPM's Om het R3SETUP programma te starten is PAM-ondersteuning nodig. Tijdens de eerste installatie van &sap; op &os; 4.3-STABLE is geprobeerd om PAM met alle benodigde packages te installeren en uiteindelijk is de installatie van het PAM-package afgedwongen, wat werkte. Voor &sap.r3; 4.6C SR 2 is we meteen de installatie van het PAM RPM afgedwongen, wat ook werkte, dus lijkt het erop dat de afhankelijke packages niet nodig zijn: &prompt.root; rpm -i --ignoreos --nodeps --root /compat/linux --dbpath /var/lib/rpm \ pam-0.68-7.rpm Om &oracle; 8.0.5 de intelligente agent te laten draaien, moest ook het Tcl-package van RedHat tcl-8.0.5-30.i386.prm geïnstalleerd worden (anders mislukt het herlinken tijdens de installatie van &oracle;). Er zijn nog wat andere gevallen met betrekking tot het herlinken van &oracle;, maar dat is een &oracle; &linux;-geval en niet &os;-specifiek. Aanvullende Hints Het kan ook een goed idee zijn om linprocfs aan /etc/fstab toe te voegen. Meer informatie is te vinden in &man.linprocfs.5;. Een andere parameter om in te stellen is kern.fallback_elf_brand=3 in /etc/sysctl.conf. De &sap.r3;-omgeving Maken De Benodigde Bestandssystemen en Mountpunten Creëren Voor een eenvoudige installatie is het voldoende om de volgende bestandssystemen aan te maken: mountpunt grootte in GB /compat/linux/oracle 45 GB /compat/linux/sapmnt 2 GB /compat/linux/usr/sap 2 GB Het is ook noodzakelijk om enige mounts te maken, anders klaagt de &sap; Installer als die de gemaakte mounts controleert: &prompt.root; ln -s /compat/linux/oracle /oracle &prompt.root; ln -s /compat/linux/sapmnt /sapmnt &prompt.root; ln -s /compat/linux/usr/sap /usr/sap Mogelijke foutmeldingen tijdens de installatie zijn (hier met System PRD en de &sap.r3; 4.6C SR2-installatie): INFO 2002-03-19 16:45:36 R3LINKS_IND_IND SyLinkCreate:200 Checking existence of symbolic link /usr/sap/PRD/SYS/exe/dbg to /sapmnt/PRD/exe. Creating if it does not exist... WARNING 2002-03-19 16:45:36 R3LINKS_IND_IND SyLinkCreate:400 Link /usr/sap/PRD/SYS/exe/dbg exists but it points to file /compat/linux/sapmnt/PRD/exe instead of /sapmnt/PRD/exe. The program cannot go on as long as this link exists at this location. Move the link to another location. ERROR 2002-03-19 16:45:36 R3LINKS_IND_IND Ins_SetupLinks:0 can not setup link '/usr/sap/PRD/SYS/exe/dbg' with content '/sapmnt/PRD/exe' Gebruikers en Mappen Aanmaken &sap.r3; heeft twee gebruikers en drie groepen nodig. De gebruikersnamen zijn afhankelijk van de &sap; system ID (SID) die uit drie letters bestaat. Enkele van deze SIDs zijn gereserveerd door &sap; (bijvoorbeeld SAP en NIX. In de &sap;-documentatie staat een complete lijst). Voor de IDES-installatie is IDS gebruikt, voor de 4.6C SR2-installatie PRD, omdat dat systeem bedoeld is voor productiegebruik. Daarvoor zijn de volgende groepen gebruikt (groep-IDs kunnen afwijken, dat zijn gewoon de waardes die voor deze specifieke installatie gebruikt zijn): groep-ID groepsnaam beschrijving 100 dba DataBase-Administrator 101 sapsys &sap; System 102 oper DataBase-Operator Voor een standaard &oracle;- installatie wordt slechts é´n groep, dba, gebruikt. De groep oper gebruikt ook de groep dba (er staat meer informatie in de &oracle;- en &sap;-documentatie). Tevens zijn de volgende gebruikers nodig: gebruikers-ID gebruikersnaam generieke naam groep aanvullende groepen beschrijving 1000 idsadm/prdadm sidadm sapsys oper &sap;-beheerder 1002 oraids/oraprd orasid dba oper &oracle;-beheerder De volgende regels voor &man.adduser.8; zijn nodig om de &sap;-beheerder-gebruiker toe te voegen: Name: sidadm Password: ****** Fullname: SAP-beheerderSID Uid: 1000 Gid: 101 (sapsys) Class: Groups: sapsys dba HOME: /home/sidadm Shell: bash (/compat/linux/bin/bash) en deze voor de &oracle;-beheerder-gebruiker: Name: orasid Password: ****** Fullname: Oracle-beheerderSID Uid: 1002 Gid: 100 (dba) Class: Groups: dba HOME: /oracle/sid Shell: bash (/compat/linux/bin/bash) De &oracle;-beheerder moet ook in de groep oper zitten als de groepen dba en oper beiden gebruikt worden. Mappen Aanmaken De volgende mappen worden normaalgesproken als aparte bestandssystemen aangemaakt. Dit is geheel afhankelijk van de behoefte. Hier is ervoor gekozen om ze als simpele mappen aan te maken, omdat ze toch allemaal op dezelfde RAID-5 zitten: Eerst worden de eigenaren en rechten van sommige mappen ingesteld (als root): &prompt.root; chmod 775 /oracle &prompt.root; chmod 777 /sapmnt &prompt.root; chown root:dba /oracle &prompt.root; chown sidadm:sapsys /compat/linux/usr/sap &prompt.root; chmod 775 /compat/linux/usr/sap Als tweede worden de mappen als gebruiker orasid aangemaakt. Dat zijn allemaal submappen van /oracleSID: &prompt.root; su - orasid &prompt.root; cd /oracle/SID &prompt.root; mkdir mirrlogA mirrlogB origlogA origlogB &prompt.root; mkdir sapdata1 sapdata2 sapdata3 sapdata4 sapdata5 sapdata6 &prompt.root; mkdir saparch sapreorg &prompt.root; exit Voor de &oracle; 8.1.7-installatie zijn enkele aanvullende mappen nodig: &prompt.root; su - orasid &prompt.root; cd /oracle &prompt.root; mkdir 805_32 &prompt.root; mkdir client stage &prompt.root; mkdir client/80x_32 &prompt.root; mkdir stage/817_32 &prompt.root; cd /oracle/SID &prompt.root; mkdir 817_32 De map client/80x_32 wordt met precies deze naam gebruikt. De x mag niet door een getal of iets dergelijs vervangen worden. In de derde stap worden de mappen als gebruiker sidadm aangemaakt: &prompt.root; su - sidadm &prompt.root; cd /usr/sap &prompt.root; mkdir SID &prompt.root; mkdir trans &prompt.root; exit Regels in <filename>/etc/services</filename> Voor &sap.r3; zijn enkele regels in het bestand /etc/services nodig, die niet correct worden ingesteld tijdens de installatie op &os;. De volgende regels moeten toegevoegd worden (op zijn minst die regels die met een instantienummer overeenkomen, in dit geval 00. Het kan geen kwaad om alle regels van 00 tot en met 99 toe te voegen voor dp, gw, sp en ms). Als er een SAProuter gebruikt gaat worden of toegang tot &sap; OSS nodig is, dan is 99 ook nodig, aangezien poort 3299 gewoonlijk wordt gebruikt voor het SAProuter-proces op het doelsysteem: sapdp00 3200/tcp # SAP-dispatcher. 3200 + instantienummer sapgw00 3300/tcp # SAP-gateway. 3300 + instantienummer sapsp00 3400/tcp # 3400 + instantienummer sapms00 3500/tcp # 3500 + instantienummer sapmsSID 3600/tcp # SAP-berichtenserver. 3600 + instantienummer sapgw00s 4800/tcp # veilige SAP-gateway 4800 + instantienummer Benodigde Lokalisaties locale &sap; heeft tenminste twee lokalisaties nodig die geen deel uitmaken van de standaard RedHat-installatie. &sap; biedt de benodigde RPMs als downloadbare bestanden op hun FTP-server aan (die alleen toegankelijk is voor klanten met OSS-toegang). In notitie 0171356 staat een lijst van de benodigde RPMs. Het is ook mogelijk om gewoon de juiste links aan te maken (bijvoorbeeld vanuit de_DE en en_US), maar dat is niet aan te raden voor productiesystemen (alhoewel het probleemloos op het IDES-systeem werkte). De volgende lokalisaties zijn nodig: de_DE.ISO-8859-1 en_US.ISO-8859-1 Nu moeten de volgende links gemaakt worden: &prompt.root; cd /compat/linux/usr/share/locale &prompt.root; ln -s de_DE de_DE.ISO-8859-1 &prompt.root; ln -s en_US en_US.ISO-8859-1 Als ze niet aanwezig zijn, onstaan er problemen tijdens de installatie. Als ze dan consequent genegeerd worden (door de STATUS van de probleemstap op OK te zetten in het bestand CENTRDB.R3S), is het niet mogelijk om op het &sap;- systeem aan te melden zonder wat extra moeite. Kerneloptimalisatie kerneloptimalisatie &sap.r3;-systemen hebben veel bronnen nodig. Daarom zijn de volgende parameters toegevoegd aan het kernelinstellingenbestand: #Stel deze in voor geheugengierigheid (SAP en Oracle) options MAXDSIZ="(1024*1024*1024)" options DFLDSIZ="(1024*1024*1024)" #System-V-opties nodig. options SYSVSHM # SysV-stijl gedeeld geheugen options SHMMAXPGS=262144 #maximum aantal gedeelde geheugenpagina's #options SHMMAXPGS=393216 #gebruik dit voor de 46C installatieparameters options SHMMNI=256 #maximun aantal identifier-interfaces voor gedeeld geheugen options SHMSEG=100 #maximum aantal gedeeld-geheugensegmenten per proces options SYSVMSG #SysV-stijl berichtenwachtrijen options MSGSEG=32767 #maximum aantal berichtsegmenten in systeem options MSGSSZ=32 #grootte van berichtensegment. MOET macht van 2 zijn options MSGMNB=65535 #maximum aantal tekens per berichtenwachtrij options MSGTQL=2046 #maximum aantal berichten in systeem options SYSVSEM #SysV-stijl semaforen options SEMMNU=256 #aantal semafoor-UNDO-structuren options SEMMNS=1024 #aantal semaforen in systeem options SEMMNI=520 #aantal semafoor-identifiers options SEMUME=100 #aantal UNDO-sleutels De minimumwaarden zijn aangegeven in de documentatie van &sap;. Omdat er geen beschrijving voor &linux; is, wordt verwezen naar de HP-UX-sectie (32 bit) voor meer informatie. Omdat het systeem voor de 4.6C SR2-installatie meer hoofdgeheugen heeft, kunnen de gedeelde segmenten voor &sap; en &oracle; groter zijn.. Daarom kan voor een groter aantal pagina's voor het gedeelde geheugen gekozen worden. Op een standaardinstallatie van &os; 4.5 op &i386; moeten MAXDSIZ en DFLDSIZ op maximaal 1 GB blijven staan. Anders kunnen er vreemde fouten als ORA-27102: out of memory en Linux Error 12: Cannot allocate memory optreden. &sap.r3; Installeren De &sap;-CDROMs Voorbereiden Tijdens de installatie moeten veel CDROMs gemount en gedismount worden. Als er voldoende CDROM-drives zijn, kunnen ze allemaal tegelijk gemount worden. Hier is besloten om de inhoud van de CDROMs naar de overeenkomende mappen te kopiëren: /oracle/SID/sapreorg/cd-naam Hierboven is cd-naam één van KERNEL, RDBMS, EXPORT1, EXPORT2, EXPORT3, EXPORT4, EXPORT5 en EXPORT6 voor de 4.6B/IDES-installatie en één van KERNEL, RDBMS, DISK1, DISK2, DISK3, DISK4 en LANG voor de 4.6C SR2-installatie. Alle bestandsnamen op de gemounte CD's moeten in hoofdletters staan of anders kan er gebruik gemaakt worden van de optie bij het mounten: &prompt.root; mount_cd9660 -g /dev/cd0a /mnt &prompt.root; cp -R /mnt/* /oracle/SID/sapreorg/cd-naam &prompt.root; umount /mnt Het Installatiescript Uitvoeren Eerst moet er een map install worden aangemaakt: &prompt.root; /oracle/SID/sapreorg/KERNEL/UNIX/INSTTOOL.SH De IDES-installatie (4.6B) komt met een volledig aangepast &sap.r3; -demonstratiesysteem, dus zijn er zes in plaats van slechts drie EXPORT-CD's. Op dit moment dient het installatiesjabloon CENTRDB.R3S voor het installeren van een standaard centrale instantie (&r3; met database), niet de IDES centrale instantie, dus moet de overeenkomende CENTRDB.R3S vanuit de map EXPORT1 gekopieerd worden, anders vraagt R5SETUP slechts om drie EXPORT-CD's. De nieuwere uitgave &sap; 4.6 SR2 komt met vier EXPORT-CD's. Het parameterbestand dat de installatiestappen beheert is CENTRAL.R3S. In tegenstelling tot eerdere uitgaven zijn er geen aparte installatiesjablonen voor een centrale instantie met of zonder database. &sap; gebruikt een apart sjabloon voor de installatie van de database. Om de installatie op een later tijdstip te opnieuw te starten is het echter oldoende om met het originele bestand opnieuw te starten. Tijdens en na de installatie eist &sap; dat hostname alleen de naam van de computer en niet de volledig gekwalificeerde domeinnaam teruggeeft. Dus dient òf de computernaam op deze manier ingesteld te worden, òf een alias ingesteld te worden met alias hostname='hostname -s' voor zowel orasid als sidadm (en voor root tijdens minimaal de installatiestappen die als root worden uitgevoerd). Het is ook mogelijk om de geïnstalleerde bestanden .profile en .login van beide gebruikers die tijdens de installatie worden geïnstalleerd aan te passen. Start <command>R3SETUP</command> 4.6B Ben er zeker van dat LD_LIBRARY_PATH juist is ingesteld: &prompt.root; export LD_LIBRARY_PATH=/oracle/IDS/lib:/sapmnt/IDS/exe:/oracle/805_32/lib Start R3SETUP als root vanuit de installatiemap: &prompt.root; cd /oracle/IDS/sapreorg/install &prompt.root; ./R3SETUP -f CENTRDB.R3S Het script stelt vervolgens wat vragen (standaardantwoorden in haken, gevolgd door de eigenlijke invoer): Vraag Standaard Invoer Enter SAP System ID [C11] IDSEnter Enter SAP Instance Number [00] Enter Enter SAPMOUNT Directory [/sapmnt] Enter Enter name of SAP central host [troubadix.domain.de] Enter Enter name of SAP db host [troubadix] Enter Select character set [1] (WE8DEC) Enter Enter Oracle server version (1) Oracle 8.0.5, (2) Oracle 8.0.6, (3) Oracle 8.1.5, (4) Oracle 8.1.6 1Enter Extract Oracle Client archive [1] (Yes, extract) Enter Enter path to KERNEL CD [/sapcd] /oracle/IDS/sapreorg/KERNEL Enter path to RDBMS CD [/sapcd] /oracle/IDS/sapreorg/RDBMS Enter path to EXPORT1 CD [/sapcd] /oracle/IDS/sapreorg/EXPORT1 Directory to copy EXPORT1 CD [/oracle/IDS/sapreorg/CD4_DIR] Enter Enter path to EXPORT2 CD [/sapcd] /oracle/IDS/sapreorg/EXPORT2 Directory to copy EXPORT2 CD [/oracle/IDS/sapreorg/CD5_DIR] Enter Enter path to EXPORT3 CD [/sapcd] /oracle/IDS/sapreorg/EXPORT3 Directory to copy EXPORT3 CD [/oracle/IDS/sapreorg/CD6_DIR] Enter Enter path to EXPORT4 CD [/sapcd] /oracle/IDS/sapreorg/EXPORT4 Directory to copy EXPORT4 CD [/oracle/IDS/sapreorg/CD7_DIR] Enter Enter path to EXPORT5 CD [/sapcd] /oracle/IDS/sapreorg/EXPORT5 Directory to copy EXPORT5 CD [/oracle/IDS/sapreorg/CD8_DIR] Enter Enter path to EXPORT6 CD [/sapcd] /oracle/IDS/sapreorg/EXPORT6 Directory to copy EXPORT6 CD [/oracle/IDS/sapreorg/CD9_DIR] Enter Enter amount of RAM for SAP + DB 850Enter (in Megabytes) Service Entry Message Server [3600] Enter Enter Group-ID of sapsys [101] Enter Enter Group-ID of oper [102] Enter Enter Group-ID of dba [100] Enter Enter User-ID of sidadm [1000] Enter Enter User-ID of orasid [1002] Enter Number of parallel procs [2] Enter Als de CD's niet naar de verschillende plaatsen gekopieerd waren, kan het &sap;-installatieprogramma de benodigde CD niet vinden (geïdentificeerd door het bestand LABEL.ASC op de CD) en vraagt het om de CD te mounten en het mountpad te bevestigen of in te voeren. Het bestand CENTRDB.R3S kan fouten bevatten. In dit geval vroeg het nogmaals om de EXPORT4 CD maar gaf het wel de juiste sleutel (6_LOCATION, daarna 7_LOCATION enzovoorts) aan, dus kon gewoon doorgegaan worden met het invoeren van de juiste waarden. Afgezien van enkele problemen die hieronder genoemd worden, hoort alles vanzelf te gaan tot het punt waar de software voor de &oracle;-database geïnstalleerd moet worden. <command>R3SETUP</command> 4.6C SR2 Starten LD_LIBRARY_PATH moet juist ingesteld zijn. Dit is een andere waarde dan die van de 4.6B installatie met &oracle; 8.0.5: &prompt.root; export LD_LIBRARY_PATH=/sapmnt/PRD/exe:/oracle/PRD/817_32/lib Start R3SETUP als gebruiker root vanuit de installatiemap: &prompt.root; cd /oracle/PRD/sapreorg/install &prompt.root; ./R3SETUP -f CENTRAL.R3S Het script stelt vervolgens enkele vragen (standaardantwoorden tussen haken, gevolgd door de eigenlijke invoer): Vraag Standaard Invoer Enter SAP System ID [C11] PRDEnter Enter SAP Instance Number [00] Enter Enter SAPMOUNT Directory [/sapmnt] Enter Enter name of SAP central host [majestix] Enter Enter Database System ID [PRD] PRDEnter Enter name of SAP db host [majestix] Enter Select character set [1] (WE8DEC) Enter Enter Oracle server version (2) Oracle 8.1.7 2Enter Extract Oracle Client archive [1] (Yes, extract) Enter Enter path to KERNEL CD [/sapcd] /oracle/PRD/sapreorg/KERNEL Enter amount of RAM for SAP + DB 2044 1800Enter (in Megabytes) Service Entry Message Server [3600] Enter Enter Group-ID of sapsys [100] Enter Enter Group-ID of oper [101] Enter Enter Group-ID of dba [102] Enter Enter User-ID of oraprd [1002] Enter Enter User-ID of prdadm [1000] Enter LDAP support 3Enter (no support) Installation step completed [1] (continue) Enter Choose installation service [1] (DB inst,file) Enter Tot dusver geeft het aanmaken van gebruikers een fout in de fases OSUSERDBSID_IND_ORA (voor het aanmaken van de gebruiker orasid) en OSUSERIDADM_IND_ORA (voor het aanmaken van de gebruiker sidadm). &oracle; 8.0.5 Installeren Mogelijke problemen staan beschreven in de &sap; Notes en &oracle; Readme bestanden met betrekking tot &linux; en &oracle; DB. De meeste, zoniet alle, problemen komen door incompatibele bibliotheken. Meer informatie over het installeren van &oracle; staat in &oracle; Installeren. &oracle; 8.0.5 Installeren met <command>orainst</command> Als &oracle; 8.0.5 gebruikt moet worden, zijn enkele bibliotheken nodig voor het met succes herlinken, omdat &oracle; 8.0.5 met een oude versie van glibc gelinkt was (RedHat 6.0) en RedHat 6.1 reeds een nieuwere glibc gebruikt. De volgende aanvullende packages moeten geïnstalleerd worden om er zeker van te zijn dat het linken lukt: compat-libs-5.2-2.i386.rpm compat-glibc-5.2-2.0.7.2.i386.rpm compat-egcs-5.2-1.0.3a.1.i386.rpm compat-egcs-c++-5.2.1.0.3a.1.i386.rpm compat-binutils-5.2-2.9.1.0.23.1.i386.rpm In de &sap; Notes of &oracle; Readme staat meer informatie. Als er geen keuze is (op het moment van installeren was er niet genoeg tijd om dit te controleren) kunnen de originele binaries gebruikt worden of kunnen de herlinkte binaries van een origineel RedHat systeem gebruikt worden. Om de intelligente agent te compileren moet het RedHat Tcl package geïnstalleerd zijn. Als tcl-8.0.3-20.i386.rpm niet te krijgen is, doet een nieuwere versie zoals tcl-8.0.5-30.i386.rpm voor RedHat 6.1 het ook. Afgezien van het herlinken is de installatie rechttoe rechtaan: &prompt.root; su - oraids &prompt.root; export TERM=xterm &prompt.root; export ORACLE_TERM=xterm &prompt.root; export ORACLE_HOME=/oracle/IDS &prompt.root; cd $ORACLE_HOME/orainst_sap &prompt.root; ./orainst Alle schermen dienen met Enter bevestigd te worden totdat de software geïnstalleerd is, behalve dat de &oracle; On-Line Text Viewer gedeselecteerd moet worden omdat deze momenteel niet voor &linux; beschikbaar is. Vervolgens wil &oracle; met i386-glibc20-linux-gcc herlinken, in plaats van met de beschikbare gcc, egcs of i386-redhat-linux-gcc. Wegens tijdbeperkingen is besloten om de binaries van een &oracle; 8.0.5 PreProduction-uitgave te gebruiken, nadat de eerste poging om de versie van de RDBMS-CD werkend te krijgen mislukte en het vinden en gebruiken van de juiste RPMs was op dat moment een nachtmerrie was. &oracle; 8.0.5 Pre-productie Versie voor &linux; (Kernel 2.0.33) Installeren De installatie hiervan is vrij eenvoudig: mount de CD en start het installatieprogramma. Het vraagt dan om de plaats van de &oracle; thuismap en zet daar alle binaries neer. Op dat moment waren echter niet de restanten van vorige pogingen om RDBMS te installeren verwijderd. Daarna kon &oracle; Database zonder problemen gestart worden. De &oracle; 8.1.7 &linux; Tarball Installeren De tarball oracle81732.tgz die gemaakt is uit de installatiemap een &linux;-systeem kan uitgepakt worden in /oracle/SID/817_32/. Ga door met de &sap.r3; Installatie Als eerste dienen de omgevingsinstellingen van de gebruikers idsamd (sidadm) en oraids (orasid) gecontroleerd te worden. Ze moeten nu beiden beschikken over de bestanden .profile, .login en .cshrc die allemaal hostname gebruiken. In het geval dat de hostnaam van het systeem de volledig gekwalificeerde naam is, moet hostname in hostname –s veranderd worden in alle drie de bestanden. De Database Laden Hierna kan R3SETUP òfwel opnieuw gestart of voortgezet worden (afhankelijk van de keuze voor exit of niet). R3SETUP maakt vervolgens de tabelruimten aan en laadt de gegevens (voor 46B IDES van EXPORT1 tot en met EXPORT6, voor 46C van DISK1 tot en met DISK4) met R3load in de database. Wanneer het laden van de database is voltooid (dit kan enkele uren duren) wordt om enkele wachtwoorden gevraagd. Voor testinstallaties kunnen de welbekende standaardwachtwoorden worden gebruikt. Als veiligheid een punt is moeten er andere wachtwoorden gebruikt worden! Vraag Invoer Enter Password for sapr3 sapEnter Confirum Password for sapr3 sapEnter Enter Password for sys verander_tijdens_installerenEnter Confirm Password for sys verander_tijdens_installatieEnter Enter Password for system beheerderEnter Confirm Password for system beheerderEnter Hier waren er wat problemen met dipgntab tijdens de installatie van 4.6B. Listener Hieronder staat hoe de &oracle; Listener als gebruiker orasid op kan starten: &prompt.user; umask 0; lsnrctl start Anders kan de fout ORA-12546 optreden, omdat de sockets dan niet de juiste rechten hebben. Zie &sap; Note 072984. Bijwerken van MNLS Tabellen Als het de bedoeling is niet-Latin-1-talen in te voeren in het &sap;-systeem, dan moeten de Multi National Language Support-tabellen bijgewerkt worden. Dit staat beschreven in de &sap; OSS Notes 15023 en 45619. In alle andere gevallen kan deze vraag overgeslagen worden tijdens de &sap; installatie. Als er geen MNLS nodig is, is het nog steeds noodzakelijk om de TCPDB-tabel te controleren en deze te initialiseren als dit nog niet is gedaan. Zie &sap;-notities 0015023 en 0045619 voor meer informatie. Stappen na de Installatie De &sap.r3; Licentiesleutel Opvragen Er moet een &sap.r3; licentiesleutel opgevraagd worden. Dit is nodig omdat de tijdelijke licentie die tijdens de installatie geïnstalleerd is, maar voor vier weken geldig is. Eerst moet de hardwaresleutel bekend zijn. Deze wordt bekend door als gebruiker idsadm aan te melden en saplicense uit te voeren: &prompt.root; /sapmnt/IDS/exe/saplicense -get Het uitvoeren van saplicense zonder parameters geeft een lijst met opties. Nadat de licentiesleutel verkregen is, kan deze geïnstalleerd worden door middel van: &prompt.root; /sapmnt/IDS/exe/saplicense -install Hierbij moeten de volgende waarden ingevoerd worden: SAP SYSTEM ID = SID, 3 tekens CUSTOMER KEY = hardwaresleutel, 11 tekens INSTALLATION NO = installatie, 10 cijfers EXPIRATION DATE = jjjjmmdd, meestal "99991231" LICENSE KEY = licentiesleutel, 24 tekens Gebruikers Aanmaken Nu kan een gebruiker binnen client 000 aangemaakt worden (voor sommige taken is het nodig deze binnen client 000 aan te maken, als maar een andere gebruiker dan gebruikers sap* en ddic wordt gebruikt). Zoals gewoonlijk wordt als nieuwe gebruikersnaam wartung (of dienst in het Nederlands) gekozen. Voor extra veiligheid moeten de wachtwoorden van alle standaardgebruikers binnenin alle clients worden veranderd (dit geldt ook voor gebruikers sap* en ddic). Transportsysteem, Profiel, Werkmodi en Dergelijke Instellen Vanuit client 000 dient, als een andere gebruiker dan ddic of sap*, tenminste het volgende ingesteld worden: Taak Transactie Stel het transportsysteem in, bijvoorbeeld als Stand-Alone Transport Domain Entity STMS Maak een profiel voor het systeem aan of wijzig dit RZ10 Beheer werkmodi en instanties RZ04 Deze en alle andere stappen die na de installatie uitgevoerd moeten worden, staan uitvoerig beschreven in de &sap; installatiehandleidingen. <filename>init<replaceable>sid</replaceable>.sap</filename> (<filename>initIDS.sap</filename>) Bewerken Het bestand /oracle/IDS/dbs/initIDS.asp bevat het &sap; back-upprofiel. Hier moeten de grootte van de te gebruiken tape, het compressietype, enzovoorts gedefinieerd worden. Om dit aan de gang te krijgen met sapdba / brbackup zijn de volgende waarden veranderd: compress = hardware archive_function = copy_delete_save cpio_flags = "-ov --format=newc --block-size=128 --quiet" cpio_in_flags = "-iuv --block-size=128 --quiet" tape_size = 38000M tape_address = /dev/nsa0 tape_address_rew = /dev/sa0 Uitleg: compress: de tape die gebruikt wordt is een HP DLT1 die hardware-compressie ondersteunt. archive_function: dit definieert het standaardgedrag om &oracle;-archieflogs op te slaan: nieuwe logboekbestanden worden op tape opgeslagen, reeds opgeslagen logboekbestanden worden nogmaals opgeslagen en worden daarna verwijderd. Dit bespaart een hoop problemen als de database hersteld moet worden en één van de archieftapes versleten is. cpio_flags: de standaard is om te gebruiken die de blokgrootte op 5120 bytes instelt. Voor DLT tapes raadt HP een blokgrootte van minimaal 32 kB aan, dus is gebruikt voor blokken van 64 kB. is nodig omdat er inodegetallen groter dan 65535 zijn. De laatste optie is nodig omdat brbackup anders klaagt zodra cpio het aantal opgeslagen blokken meldt. cpio_in_flags: vlaggen die nodig zijn om de gegevens van de tape terug te laden. Het formaat wordt automatisch herkend. tape_size: dit geeft gewoonlijk de ruwe opslagcapaciteit van de tape. Omwille van de veiligheid (er wordt hardware-compressie gebruikt) is de waarde iets lager dan de eigenlijke waarde. tape_address: de naam van het niet-opwindbare apparaat dat met cpio gebruikt wordt. tape_address_rew: de naam van het opwindbare apparaat dat met cpio gebruikt wordt. Instellingen na de Installatie De volgende parameters van &sap; moeten na de installatie geoptimaliseerd worden (voorbeelden voor IDES 46B, 1 GB geheugen): Naam Waarde ztta/roll_extension 250000000 abap/heap_area_dia 300000000 abap/heap_area_nondia 400000000 em/initial_size_MB 256 em/blocksize_kB 1024 ipc/shm_psize_40 70000000 &sap; notitie 0013026: Naam Waarde ztta/dynpro_area 2500000 &sap; notitie 0157246: Naam Waarde rdisp/ROLL_MAXFS 16000 rdisp/PG_MAXFS 30000 Met bovenstaande parameters kan op een op een systeem met 1 GB aan geheugen het geheugengebruik soortgelijk zijn aan het volgende: Mem: 547M Active, 305M Inact, 109M Wired, 40M Cache, 112M Buf, 3492K Free Problemen Tijdens de Installatie <command>R3SETUP</command> Herstarten na het Oplossen van een Probleem R3SETUP stopt als het een probleem tegenkomt. Nadat de bijhorende logbestanden zijn bekeken en de fout is hersteld, moet R3SETUP opnieuw gestart worden en gewoonlijk dient REPEAT geselecteerd te worden bij de laatste stap waar R3SETUP over klaagde. R3SETUP kan gewoon met het bijhorende bestand R3S worden opgestart: &prompt.root; ./R3SETUP -f CENTRDB.R3S voor 4.6B, of met &prompt.root; ./R3SETUP -f CENTRAL.R3S voor 4.6C, onafhankelijk van het feit of de fout optrad met CENTRAL.R3S of met DATABASE.R3S. Tijdens sommige fasen verwacht R3SETUP dat zowel de database als &sap; draaien (omdat die stappen al voltooid waren). Mochten er fouten optreden en kan bijvoorbeeld de database niet gestart worden, dan moeten de database en &sap; handmatig worden gestart nádat de fouten zijn hersteld en voordat R3SETUP opnieuw wordt gestart. Ook de &oracle; listener moet opnieuw gestarten worden (als orasid met umask 0; lsnrctl start) als die ook was gestopt (bijvoorbeeld omdat het systeem opnieuw opgestart moest worden). OSUSERSIDADM_IND_ORA Tijdens <command>R3SETUP</command> Als R3SETUP tijdens deze fase klaagt, moet het sjabloonbestand dat R3SETUP destijds gebruikte (CENTRDB.R3S (4.6B) of één van CENTRAL.R3S of DATABASE.R3S (4.6C)) worden gewijzigd. Zoek [OSUSERSIDADM_IND_ORA] of zoek de enige regel met STATUS=ERROR en wijzig de volgende waarden: HOME/home/sidadm (was leeg) STATUS=OK (had status ERROR) Daarna kan R3SETUP opnieuw gestart worden. OSUSERDBSID_IND_ORA Tijdens <command>R3SETUP</command> R3SETUP klaagt mogelijk ook tijdens deze fase. De fout is vergelijkbaar met die in de fase OSUSERSIDADM_IND_ORA. Hier kan gewoon het sjabloonbestand dat R3SETUP destijds gebruikte (CENTRDB.R3S (4.6B) of één van CENTRAL.R3S of DATABASE.R3S (4.6C)) gewijzigd worden. In [OSUSERDBSID_IND_ORA] of de enige regel STATUS=ERROR en kan de volgende waarde in die sectie gewijzigd worden: STATUS=OK Nu kan R3SETUP opnieuw gestart worden. <errorname>oraview.vrf FILE NOT FOUND</errorname> Tijdens de Installatie van &oracle; De &oracle; On-Line Text Viewer is niet gedeselecteerd voordat de installatie begon. Dit onderdeel is gemarkeerd om geïnstalleerd te worden, zelfs al is dit onderdeel momenteel niet beschikbaar op &linux;. Dit onderdeel dient gedeselecteerd te worden in het &oracle; installatiemenu en de installatie dient opnieuw gestart te worden. <errorname>TEXTENV_INVALID</errorname> Tijdens <command>R3SETUP</command>, RFC of SAPgui Start Deze foutmelding geeft aan dat de juiste locale niet geïnstalleerd is. &sap; notitie 0171356 geeft de benodigde RPMs die geïnstalleerd moeten worden (bijvoorbeeld spalocales-1.0-3 en saposcheck-1.0-1 voor RedHat 6.1). Indien alle gerelateerde foutmeldingen genegeerd zijn en de bijhorende STATUS van ERROR in OK veranderd zijn (in CENTRDB.R3S) telkens als R3SETUP klaagde en R3SETUP gewoon opnieuw gestart is, dan is het &sap;-systeem onjuist geconfigureerd en is het onmogelijk om met SAPgui een verbinding met het systeem te maken, zelfs al kan het systeem gestart worden. Een poging om met de oude &linux; SAPgui een verbinding te maken gaf de volgende meldingen: Sat May 5 14:23:14 2001 *** ERROR => no valid userarea given [trgmsgo. 0401] Sat May 5 14:23:22 2001 *** ERROR => ERROR NR 24 occured [trgmsgi. 0410] *** ERROR => Error when generating text environment. [trgmsgi. 0435] *** ERROR => function failed [trgmsgi. 0447] *** ERROR => no socket operation allowed [trxio.c 3363] Speicherzugriffsfehler Dit komt doordat &sap.r3; geen juiste locale kan toekennen en ook doordat het zelf onjuist is ingesteld (ontbrekende regels in sommige databasetabellen). Om een verbinding met &sap.r3; te kunnen maken, moeten de volgende regels aan het DEFAULT.PFL worden toegevoegd (zie notitie 0043288): abap/set_etct_env_at_new_mode = 0 install/collate/active = 0 rscp/TCP0B = TCP0B Nu kan het &sap;-systeem opnieuw gestart worden en kan een verbinding met het systeem gemaakt worden, hoewel landspecifieke taalinstellingen anders kunnen werken dan verwacht. Nadat de landinstellingen zijn gecorrigeerd (en de juiste locales zijn gegeven), kunnen bovenstaande regels uit DEFAULT.PFL verwijderd worden en kan het &sap;-systeem opnieuw gestart worden. <errorcode>ORA-00001</errorcode> Deze fout trad alleen op met &oracle; 8.1.7 op &os; 4.5. De reden was dat de &oracle;-database zichzelf niet goed kon initialiseren en crashte, waarbij het semaforen en gedeeld geheugen op het systeem achterliet. De volgende poging om de database te starten geeft dan ORA-00001. Met ipcs -a moeten de semaforen opgezocht worden en verwijderd worden met ipcrm. <errorcode>ORA-00445</errorcode> (achtergrondproces PMON Is Niet Gestart) Deze fout trad op met &oracle; 8.1.7. Deze fout wordt gemeld als de database met het gebruikelijke script startsap wordt gestart (bijvoorbeeld startsap_majestix_00) als gebruiker prdadm. Een mogelijke manier om dit te omzeilen is om de database in plaats daarvan als gebruiker oraprd te starten met svrmgrl: &prompt.user; svrmgrl SVRMGR> connect internal; SVRMGR> startup; SVRMGR> exit <errorcode>ORA-12546</errorcode> (Start Listener met de Juiste Rechten) De &oracle; listener moet als gebruiker oraids worden gestart: &prompt.root; umask 0; lsnrctl start Anders kan ORA-12456 optreden omdat de sockets dan niet de juiste rechten hebben. Zie &sap; notitie 0072984. <errorcode>ORA-27102</errorcode> (Geen Geheugen Beschikbaar) Deze fout trad op toen geprobeerd werd en om waarden groter dan 1 GB (1024x1024x1024) te gebruiken voor MAXDSIZ en DFLDSIZ. Ook kwam er de foutmelding Linux Error 12: Cannot allocate memory. [DIPGNTAB_IND_IND] Tijdens <command>R3SETUP</command> Dit wordt behandeld in &sap; notitie 0130581 (R3SETUP termineert). Om een of andere reden gebruikte het installatieproces tijdens de IDES-specifieke installatie niet de juiste &sap; systeemnaam IDS, maar in plaats daarvan de lege string "". Dit leidt tot wat kleine problemen met de toegang tot mappen omdat de paden dynamisch gegenereerd worden door middel van SID (in dit geval IDS). Dus werden niet de paden: /usr/sap/IDS/SYS/... /usr/sap/IDS/DVMGS00 maar de volgende paden gebruikt: /usr/sap//SYS/... /usr/sap/D00 Om de installatie voort te zetten, zijn een link en een aanvullende map aangemaakt: &prompt.root; pwd /compat/linux/usr/sap &prompt.root; ls -l total 4 drwxr-xr-x 3 idsadm sapsys 512 May 5 11:20 D00 drwxr-x--x 5 idsadm sapsys 512 May 5 11:35 IDS lrwxr-xr-x 1 root sapsys 7 May 5 11:35 SYS -> IDS/SYS drwxrwxr-x 2 idsadm sapsys 512 May 5 13:00 tmp drwxrwxr-x 11 idsadm sapsys 512 May 4 14:20 trans Dit gedrag staat ook beschreven in &sap; notities 0029227 en 0008401. Deze problemen traden niet op tijdens de installatie van &sap; 4.6C. [RFCRSWBOINI_IND_IND] Tijdens <command>R3SETUP</command> Tijdens de installatie van &sap; 4.6C trad deze fout gewoon op als het gevolg van een andere fout eerder in de installatie. In dit geval moeten de bijhorende logboekbestanden doorzocht worden om het echte probleem te kunnen herstellen. Als na het doorzoeken van de logboekbestanden blijkt dat deze fout inderdaad de juiste is (zie de &sap; notities), dan kan de STATUS van de stap die het probleem geeft van ERROR in OK veranderd worden (in CENTRDB.R3S) en kan R3SETUP opnieuw gestart worden. Na de installatie moet rapport RSWBOINS van transactie SE38 uitgevoerd worden. In &sap; notitie 0162266 staat aanvullende informatie over de fasen RFCRSWBOINI en RFCRADDBDIF. [RFCRADDBDIF_IND_IND] Tijdens <command>R3SETUP</command> Hier gelden dezelfde beperkingen: er dient door het doorzoeken van de logboekbestanden gecontroleerd te worden dat deze fout niet veroorzaakt wordt door eerdere problemen. Als bevestigd kan worden dat &sap; notitie 0162266 van toepassing is, kan gewoon STATUS van de stap die het probleem geeft van ERROR in OK veranderd worden (in CENTRDB.R3S) en R3SETUP opnieuw gestart worden. Na de installatie moet het rapport RADDBDIF van transactie SE38 uitgevoerd worden. <errorcode>sigaction sig31: File size limit exceeded</errorcode> Deze fout trad op tijdens het starten van de &sap;-processen disp+work. Als &sap; met het script startsap gestart wordt, worden er subprocessen gestart die ontkoppelen en het vuile werk om alle andere &sap;-processen te starten opknappen. Een gevolg hiervan is dat het script zelf een verkeerde situatie niet opmerkt. Om te controleren of de &sap; processen juist zijn gestart, kan de processtatus bekeken worden met ps ax | grep SID, wat een lijst geeft met alle processen van &oracle; en &sap;. Als het ernaar uitziet dat sommige processen ontbreken of als er geen verbinding met het &sap;-systeem gemaakt kan worden, is het verstandig de bijhorende logboekbestanden uit /usr/sap/SID/DVEBMGSnr/work/ te bekijken. De te controleren bestanden zijn dev_ms en dev_disp. Signaal 31 treedt hier op als de hoeveelheid gedeeld geheugen die door &oracle; en &sap; wordt gebruikt, groter is dan wat in het kernelinstellingenbestand is ingesteld en dit kan worden verholpen door een hogere waarde te gebruiken: # grotere waarden voor 46C productiesystemen: options SHMMAXPGS=393216 # kleinere waarde voldoende voor 46B: #options SHMMAXPGS=262144 <command>saposcol</command> Starten Mislukt Er zijn wat problemen met het programma saposcol (versie 4.6D). Het &sap;-systeem gebruikt saposcol om informatie over de systeemprestaties in te winnen. Dit programma is niet noodzakelijk om het &sap;-systeem te gebruiken, dus kan dit probleem als onbelangrijk worden beschouwd. De oudere versie (4.6B) werkt wel, maar verzamelt niet alle gegevens (veel aanroepen geven gewoon 0 terug, bijvoorbeeld het processorgebruik). Gevorderde Onderwerpen Hier wordt beschreven hoe de &linux; binaire compatibiliteit werkt. Het meeste van wat nu volgt is sterk gebaseerd op een e-mailbericht van Terry Lambert tlambert@primenet.com aan &a.chat; (Message ID: <199906020108.SAA07001@usr09.primenet.com>). Hoe Werkt Het? uitvoerklasselader &os; heeft een abstractie met de naam execution class loader. Dit is een wig in de systeemaanroep &man.execve.2;. Wat er gebeurt is dat &os; een lijst van loaders heeft, in plaats van een enkele loader die terugvalt op de #! loader voor het draaien van elke shellinterpreter of shellscript. Vroeger onderzocht de enige loader op het &unix; platform het magische getal (in het algemeen de eerste 4 of 8 bytes van het bestand) om te zien of het een binary was die het systeem kende en als dat het geval was laadde het de binaire loader. Als het niet het binaire type voor het systeem was, faalde de aanroep naar &man.execve.2; en probeerde de shell het als shellopdrachten uit te voeren. Deze aanname was een standaard voor wat de huidige shell ook is. Later werd er een hack gemaakt voor &man.sh.1; om de eerste twee tekens te onderzoeken en als die bestonden uit :\n voerde het in plaats hiervan de &man.csh.1; shell uit (het idee is dat SCO de hack als eerste maakte). Wat &os; nu doet is door een lijst van loaders gaan met een generieke #! loader die kennis heeft van interpreters in de zin van de karakters die volgen op de volgende witruimte tot de laatste, met uiteindelijk een terugval op /bin/sh. ELF Voor &linux; ABI-ondersteuning ziet &os; het magische getal als een ELF-binary (het maakt op dit punt geen onderscheid tussen &os;, &solaris;, &linux; of elk ander besturingssysteem dat een ELF-beeldtype heeft). &solaris; De ELF loader zoekt naar een gespecialiseerd merk, dat een commentaargedeelte in het ELF-beeld is en dat niet aanwezig is in SVR4/&solaris; ELF-binairen. Om &linux;-binaries werkend te krijgen, moeten ze gemerkt worden als het type Linux met &man.brandelf.1;: &prompt.root; brandelf -t Linux bestand Als dit gedaan is, ziet de ELF loader het Linux-merk in het bestand. ELF merken Als de ELF loader het Linux-merk tegenkomt, verplaatst de loader een pointer in de proc-structuur. Alle systeemaanroepen worden met deze pointer geïndexeerd (in een traditioneel &unix; systeem is dit de sysent[]-structuurarray, die de systeemaanroepen bevat). Ook wordt het proces gemerkt voor speciale behandeling door de valstrikvector van de signaal-trampolinecode samen met nog meer (kleine) aanpassingen die door de &linux; kernelmodule worden afgehandeld. De &linux; kernelmodule bevat naast andere dingen een lijst van sysent[]-ingangen waarvan de adressen in de kernelmodule staan. Als een systeemaanroep door de &linux;-binary wordt aangeroepen, verwijdert de valstrikcode de referentie aan de functiepointer van de systeemaanroep en geeft die de ingangspunten van de systeemaanroep van &linux; en niet van &os;. Verder reroot de &linux;-modus dynamisch lookups. Dit is wat de optie (niet het unionfs bestandssysteemtype!) voor het mounten van bestandssystemen effectief doet. Eerst wordt een poging gedaan om het bestand in de map /compat/linux/origineel-pad op te zoeken en vervolgens alleen als dat mislukt, wordt het bestand in /origineel-pad opgezocht. Dit zorgt ervoor dat binaries die andere binaries nodig hebben kunnen draaien (zo kan bijvoorbeeld de &linux;-gereedschapskist geheel onder &linux; ABI-ondersteuning draaien). Dit betekent ook dat &linux;-binaries &os;-binaries kunnen laden en draaien als er geen overeenkomende &linux;-binaries zijn en dat er een &man.uname.1;-opdracht in de mappenstructuur /compat/linux gezet kan worden om er zeker van te zijn dat &linux;-binaries niet kunnen weten dat ze niet op &linux; draaien. Effectief bevindt er zich een &linux;-kernel in de &os;-kernel. De verschillende onderliggende functies die alle functies implementeren die de kernel aanbiedt, zijn dezelfde tabelingangen voor de systeemaanroepen van &os; als van &linux;: bestandssysteembewerkingen, bewerkingen op het virtuële geheugen, signaalaflevering, System V IPC, enzovoort. Het enige verschil is dat &os;-binaries de lijm functies voor &os; krijgen en dat de &linux;-binaries de lijm-functies voor &linux; krijgen (de meeste oudere besturingssystemen hadden alleen hun eigen lijm-functies: adressen van functies die in een statische globale sysent[] structuurarray werden opgeslagen, in plaats van adressen van functies waarvan dynamisch een geïnitialiseerde pointer wordt verwijderd in de proc-structuur van het proces dat de aanroep doet). Welke is de eigenlijke &os; ABI? Dat maakt niet uit. Eigenlijk is het enige verschil dat (op dit moment; dit kan eenvoudig veranderen in een toekomstige uitgave, en dat gebeurt waarschijnlijk na deze uitgave) de lijm-functies van &os; statisch gelinkt zijn in de kernel en dat de lijm-functies van &linux; zowel statisch gelinkt kunnen worden als dat ze door een kernelmodule worden benaderd. Maar is dit nu echt emulatie? Nee. Het is een ABI-implementatie, geen emulatie. Er is geen emulator (of simulator, om de volgende vraag voor te zijn) bij betrokken. Dus waarom wordt het dan soms &linux;-emulatie genoemd? Om het moeilijk te maken om &os; te verkopen! Serieus, het is zo omdat de historische implementatie in een tijd werd gedaan toen er echt geen ander woord was om te beschrijven wat er aan de hand was, om te zeggen dat &os; &linux;-binaries draaide was niet waar als de code niet in de kernel gecompileerd werd of als een module geladen werd en er moest een woord zijn voor hetgeen geladen werd. Vandaar de &linux;-emulator.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/mirrors/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/mirrors/chapter.sgml index bfd662d71f..2f130e34c6 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/mirrors/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/mirrors/chapter.sgml @@ -1,3082 +1,3080 @@ &os; Verkrijgen CDROM en DVD Uitgevers Winkelproducten in Doos &os; is beschikbaar in een doos (&os; CD's, additionele software en gedrukte documentatie) bij verschillende verkopers:
CompUSA WWW:
Frys Electronics WWW:
CD's en DVD's &os; CD's en DVD's zijn te koop bij veel online winkels:
Daemon News Mall PO Box 161 Nauvoo, IL 62354 Verenigde Staten Telefoon: +1 866 273-6255 Fax: +1 217 453-9956 E–mail: sales@bsdmall.com WWW:
BSD-Systems E–mail: info@bsd-systems.co.uk WWW:
fastdiscs.com 6 Eltham Close Leeds, LS6 2TY Verenigd Koninkrijk Telefoon: +44 870 1995 171 E–mail: sales@fastdiscs.com WWW:
&os; Mall, Inc. 3623 Sanford Street Concord, CA 94520-1405 Verenigde Staten Telefoon: +1 925 674-0783 Fax: +1 925 674-0821 E–mail: info@freebsdmall.com WWW:
&os; Services Ltd 11 Lapwing Close Bicester OX26 6XR Verenigd Koninkrijk WWW:
Hinner EDV St. Augustinus-Str. 10 D-81825 München Duitsland Telefoon: (089) 428 419 WWW:
Ikarios 22-24 rue Voltaire 92000 Nanterre Frankrijk WWW:
JMC Software Ierland Telefoon: 353 1 6291282 WWW:
The Linux Emporium Hilliard House, Lester Way Wallingford OX10 9TA Verenigd Koninkrijk Telefoon: +44 1491 837010 Fax: +44 1491 837016 WWW:
Linux System Labs Australia 21 Ray Drive Balwyn North VIC - 3104 Australië Telefoon: +61 3 9857 5918 Fax: +61 3 9857 8974 WWW:
LinuxCenter.Ru Galernaya Street, 55 Saint-Petersburg 190000 Rusland Telefoon: +7-812-3125208 E–mail: info@linuxcenter.ru WWW:
UNIXDVD.COM LTD 57 Primrose Avenue Sheffield S5 6FS Verenigs Koninkrijk WWW:
Distributeurs Wederverkopers die &os; CDROM producten willen verkopen kunnen contact opnemen met een distributeur:
Cylogistics 809B Cuesta Dr., #2149 Mountain View, CA 94040 Verenigde Staten Telefoon: +1 650 694-4949 Fax: +1 650 694-4953 E–mail: sales@cylogistics.com WWW:
&os; Services Ltd 11 Lapwing Close Bicester OX26 6XR Verenigd Koninkrijk WWW:
Ingram Micro 1600 E. St. Andrew Place Santa Ana, CA 92705-4926 Verenigde Staten Telefoon: 1 (800) 456-8000 WWW:
Kudzu, LLC 7375 Washington Ave. S. Edina, MN 55439 Verenigde Staten Telefoon: +1 952 947-0822 Fax: +1 952 947-0876 E–mail: sales@kudzuenterprises.com
LinuxCenter.Ru Galernaya Street, 55 Saint-Petersburg 190000 Rusland Telefoon: +7-812-3125208 E–mail: info@linuxcenter.ru WWW:
Navarre Corp 7400 49th Ave South New Hope, MN 55428 Verenigde Staten Telefoon: +1 763 535-8333 Fax: +1 763 535-0341 WWW:
FTP Sites De officië broncode voor &os; is beschikbaar via anoniem toegankelijke FTP in de hele wereld via vele mirrorsites. De site heeft een goede verbinding en staat veel verbindingen toe, maar het is waarschijnlijk beter om een mirrorsite te zoeken die dichterbij is (zeker als het doel is ook een soort mirrorsite op te zetten). De &os; mirrorsites database is beter bijgewerkt dan die in het Handboek omdat die lijst uit DNS komt in plaats van een met de hand ingevoerde lijst. &os; is beschikbaar via de onderstaande anonieme FTP mirror sites. Bij het kiezen van anonieme FTP voor het verkrijgen van &os; wordt aangeraden een site die dichtbij ligt te kiezen. De mirrorsites die in de lijst staan als Primaire Mirrorsites hebben meestal het complete &os; archief (alle beschikbare versies voor alle architecturen) maar downloads zijn waarschijnlijk sneller van een site die in het land of de regio van de gebruiker staat. De regionale sites hebben de meeste recente versies voor de meest populaire architecturen, maar hebben wellicht niet het complete archief. Alle sites geven toegang via anonieme FTP, maar een aantal sites hebben ook andere toegangsmogelijkheden. De toegangsmogelijkheden voor iedere site staan tussen haakjes achter de hostnaam. De rest van deze paragraaf wordt automatisch samengesteld en is niet vertaald. &chap.mirrors.ftp.inc; Anonieme CVS <anchor id="anoncvs-intro">Inleiding CVS anoniem Anonieme CVS (of ook wel bekend als anoncvs) is een functie die beschikbaar is met de hulpprogramma's die bij &os; zitten om te synchroniseren met een elders aanwezig CVS depot. Het staat gebruikers van &os; onder andere toe om zonder bijzondere rechten alleen-lezen operaties uit te voeren op een van de officiële anoncvs servers van het &os; project. Om het te kunnen gebruiken dient de omgevingsvariabele CVSROOT zo ingesteld te worden dat hij wijst naar de gewenste anoncvs server, dient het bekende wachtwoord anoncvs bij het commando cvs login opgegeven te worden en kan daarna &man.cvs.1; gebruikt worden om het te benaderen als ieder lokaal aanwezig depot. Het commando cvs login slaat de wachtwoorden die voor aanmelden bij de CVS server op in een bestand met de naam .cvspass in de map HOME. Als dit bestand niet bestaat, is het mogelijk dat er een foutmelding wordt gegeven als cvs login de eerste keer wordt gebruikt. Dat kan opgelost worden door een leeg bestand .cvspass te maken en dan opnieuw aan te melden. Hoewel de diensten CVSup en anoncvs beiden vrijwel dezelfde functie invullen, zijn er redenen die de keuze voor de synchronisatiemethode beïnvloeden. In een notendop is CVSup veel efficiënter in het gebruik van netwerkbronnen en is het de meest geavanceerde van de twee, maar daar staat iets tegenover. Voor het gebruik van CVSup moet eerst een speciale client geïnstalleerd en ingesteld worden voordat er bits kunnen gaan stromen en dat kan dan alleen in de redelijk grote brokken die in CVSup collections heten. Anoncvs kan daarentegen gebruikt worden om alles te bekijken van een individueel bestand tot aan een specifiek programma (als ls of grep) door aan de naam van de CVS module te refereren. Ook anoncvs is alleen geschikt voor alleen-lezen operaties op het CVS depot, dus als het de bedoeling is om lokaal ontwikkelwerk en hetzelfde depot met delen uit het &os; project te combineren, dan biedt alleen CVSup daar een oplossing voor. <anchor id="anoncvs-usage">Anonieme CVS Gebruiken Het instellen van &man.cvs.1; om gebruik te maken van een Anoniem CVS depot is een kwestie van het instellen van de omgevingsvariabele CVSROOT op een van de anoncvs servers van het &os; project. Op het moment van schrijven zijn de volgende servers beschikbaar: Oostenrijk: :pserver:anoncvs@anoncvs.at.FreeBSD.org:/home/ncvs Gebruikt cvs login en gebruik een willekeurig wachtwoord. Frankrijk: :pserver:anoncvs@anoncvs.fr.FreeBSD.org:/home/ncvs (pserver (wachtwoord anoncvs), ssh - (geen wachtwoord) - + (geen wachtwoord) Duitsland: :pserver:anoncvs@anoncvs.de.FreeBSD.org:/home/ncvs Gebruik cvs login en gebruik als wachtwoord anoncvs Duitsland: :pserver:anoncvs@anoncvs2.de.FreeBSD.org:/home/ncvs - (rsh, pserver, ssh, ssh/2022) - + (rsh, pserver, ssh, ssh/2022) Japan: :pserver:anoncvs@anoncvs.jp.FreeBSD.org:/home/ncvs Gebruik cvs login en gebruik als wachtwoord anoncvs Zweden: freebsdanoncvs@anoncvs.se.FreeBSD.org:/home/ncvs (alleen ssh - geen wachtwoord) VS: freebsdanoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs (alleen ssh - geen wachtwoord) VS: anoncvs@anoncvs1.FreeBSD.org:/home/ncvs (alleen ssh - geen wachtwoord) Omdat met CVS vrijwel iedere versie die ooit beschikbaar is geweest uitgecheckt kan worden, is het van belang op de hoogte te zijn van de &man.cvs.1; vlag voor revisie () en welke waarden zie zoal kan aannemen in het &os; Project depot. Er zijn twee soorten labels (tags): revisielabels en taklabels (branch). Een revisielabel refereert aan een specifieke revisie. De betekenis blijft van dag tot dag gelijk. Aan de andere kant refereert een taklabel aan de laatste revisie in een bepaalde ontwikkellijn op een bepaald moment. Omdat een taklabel niet refereert aan een specifieke revisie, kan die morgen anders zijn dan vandaag. bevat revisielabels waar gebruikers in geïnteresseerd kunnen zijn. Nogmaals: deze - zijn allemaal niet geldig voor de portscollectie omdat de - portscollectie geen meerdere revisies kent. + zijn allemaal niet geldig voor de Portscollectie omdat de + Portscollectie geen meerdere revisies kent. Als een specifiek taklabel wordt aangegeven, worden als alles goed gaat, de laatste revisies uit een bepaalde ontwikkellijn ontvangen. Als er een oudere versie opgehaald moet worden, kan dat door met de vlag een datum aan te geven. In &man.cvs.1; staan meer details. Voorbeelden Hoewel het sterk wordt aangeraden eerst de hulppagina's voor &man.cvs.1; grondig door te lezen, volgen hier een aantal snelle voorbeelden die feitelijk aangeven hoe Anonieme CVS gebruikt kan worden. SSH Gebruiken om de <filename>src/</filename> Tree Uit te Checken: &prompt.user; cvs -d freebsdanoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs co src The authenticity of host 'anoncvs.freebsd.org (128.46.156.46)' can't be established. DSA key fingerprint is 52:02:38:1a:2f:a8:71:d3:f5:83:93:8d:aa:00:6f:65. Are you sure you want to continue connecting (yes/no)? yes Warning: Permanently added 'anoncvs.freebsd.org' (DSA) to the list of known hosts. Iets Uitchecken uit -CURRENT (&man.ls.1;) en Dat Weer Verwijderen: &prompt.user; setenv CVSROOT :pserver:anoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs &prompt.user; cvs login At the prompt, enter the password anoncvs. &prompt.user; cvs co ls &prompt.user; cvs release -d ls &prompt.user; cvs logout SSH Gebruiken om de <filename>src/</filename> Structuur uit te Checken: &prompt.user; cvs -d freebsdanoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs co src The authenticity of host 'anoncvs.freebsd.org (128.46.156.46)' can't be established. DSA key fingerprint is 52:02:38:1a:2f:a8:71:d3:f5:83:93:8d:aa:00:6f:65. Are you sure you want to continue connecting (yes/no)? yes Warning: Permanently added 'anoncvs.freebsd.org' (DSA) to the list of known hosts. De Versie van &man.ls.1; in de 3.X-STABLE Tak Uitchecken: &prompt.user; setenv CVSROOT :pserver:anoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs &prompt.user; cvs login At the prompt, enter the password anoncvs. &prompt.user; cvs co -rRELENG_3 ls &prompt.user; cvs release -d ls &prompt.user; cvs logout Een Lijst Wijzigingen Maken (als Unified Diffs) voor &man.ls.1; &prompt.user; setenv CVSROOT :pserver:anoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs &prompt.user; cvs login At the prompt, enter the password anoncvs. &prompt.user; cvs rdiff -u -rRELENG_3_0_0_RELEASE -rRELENG_3_4_0_RELEASE ls &prompt.user; cvs logout Uitzoeken Welke Modulenamen Gebruikt Kunnen Worden: &prompt.user; setenv CVSROOT :pserver:anoncvs@anoncvs.FreeBSD.org:/home/ncvs &prompt.user; cvs login At the prompt, enter the password anoncvs. &prompt.user; cvs co modules &prompt.user; more modules/modules &prompt.user; cvs release -d modules &prompt.user; cvs logout Andere Bronnen De volgende bronnen kunnen bijdragen aan een beter begrip van CVS: CVS Tutorial van Cal Poly. CVS Home, de CVS gemeenschap voor ontwikkeling en ondersteuning. CVSweb is de &os; Project webinterface voor CVS. CTM Gebruiken CTM CTM is een methode om een map elders gesynchroniseerd te houden met een centrale. Het is ontwikkeld voor gebruik met de &os; broncode, hoewel sommigen het ook voor andere doeleinden handig vinden. Er bestaat op dit moment weinig tot geen documentatie over het proces van het maken van delta's. Voor informatie over het gebruik van CTM kan het beste contact gezocht worden met de &a.ctm-users.name; mailinglijst. Waarom <application>CTM</application> Gebruiken? CTM geeft een lokale kopie van de &os; broncode. Die is in een aantal smaken beschikbaar. Of het gaat om slechts één tak of de complete CVS structuur, CTM kan het bieden. CTM is gewoon gemaakt voor actieve ontwikkelaars die met &os; werken, maar geen of een slechte internetverbinding hebben of gewoon automatisch de laatste wijzigingen willen ontvangen. De meest actieve takken kennen op z'n hoogst drie delta's per dag. Het is het overwegen waard om ze per automatische mail te laten sturen. De grootte van de updates wordt altijd zo klein mogelijk gehouden. Meestal kleiner dan 5 K en soms (in tien procent van de gevallen) is het 10–50 K. In uitzonderlijke gevallen komt het voor dat een mail van 100 K of meer wordt gestuurd. Het is wel van belang op de hoogte te zijn van de valkuilen die een rol spelen bij het direct werken met broncode in plaats van met een voorverpakte release. Dit geldt nog meer als wordt gewerkt met de current code. Het lezen van Bijblijven met &os; wordt sterk aangeraden. Wat Is Er Nodig om <application>CTM</application> te Gebruiken? Voor het gebruik van CTM zijn twee dingen nodig: het CTM programma en de initiële delta's om de applicatie te voeden en naar een current niveau te komen. CTM is al onderdeel van &os; sinds versie 2.0 is uitgebracht en is te vinden in /usr/src/usr.sbin/ctm, als de broncode aanwezig is. Als er een oudere versie van 2.0 draait van &os;, is het mogelijk om de huidige CTM code direct op te halen van . De delta's voor CTM kunnen op twee manieren komen: met FTP of per e-mail. De volgende FTP sites bieden ondersteuning voor CTM: Er staan er nog meer in de paragraaf mirrors. FTP de relevante map en download het bestand README vanaf daar. Voor delta's via e-mail: Er dient een abonnement genomen te worden op een van de CTM distributielijsten. &a.ctm-cvs-cur.name; ondersteunt de complete CVS structuur. &a.ctm-src-cur.name; ondersteunt het hoofd van de ontwikkeltak. &a.ctm-src-4.name; ondersteunt de 4.X release tak, enzovoort. Om te abonneren kan geklikt worden op de bovenstaande links of via &a.mailman.lists.link; kan in een lijst geklikt worden op de lijst waarvoor waarvoor een abonnement gewenst is. De lijstpagina bevat instructies over hoe te abonneren. Na het ontvangen van CTM updates per mail, kan ctm_rmail gebruikt worden voor het uitpakken en verwerken. ctm_rmail kan zelfs direct vanuit /etc/aliases gebruikt worden om het proces volledig automatisch te laten verlopen. In de hulppagina van ctm_rmail staan meer details. Welke methode ook gebruikt wordt voor de CTM delta's, het is belangrijk een abonnement te nemen op de &a.ctm-announce.name; mailinglijst. In de toekomst worden alleen op die lijst aankondigingen gedaan over het CTM systeem. Abonneren kan door op de link hierboven te klikken en de instructies te volgen. <application>CTM</application> de Eerste Keer Gebruiken Voordat de CTM delta's gebruikt kunnen worden, moet er een startpunt voor bepaald worden. Eerst moet bepaald worden wat er al is. Het is mogelijk te beginnen vanuit een lege map. Dan moet een initiële Empty delta gebruikt worden om een door CTM ondersteunde structuur te starten. Het is de bedoeling dat deze start delta's ooit voor het gemak op de CD komen te staan, maar dit is nog niet het geval. Omdat de structuren tientallen megabytes groot zijn, heeft het de voorkeur om al met iets te beginnen. Als er een -RELEASE CD beschikbaar is, kan de initiële broncode gekopieerd of uitgepakt worden. Dit bespaart nogal wat dataverkeer. De start delta's kunnen herkend worden aan de X die aan het nummer is toegevoegd (bijvoorbeeld src-cur.3210XEmpty.gz). De nummering achter de X komt overeen met de oorsprong van het initiële zaad. Empty is een lege map. Er wordt in het algemeen iedere honderd delta's een basistransitie voor Empty gemaakt. Die zijn trouwens groot: 70 tot 80 Megabytes gzip data is normaal voor de XEmpty delta's. Als er een delta als startpunt is gekozen, zijn ook alle delta's met hogere volgnummers nodig. <application>CTM</application> in het Dagelijk Leven Gebruiken Om de delta's toe te passen: &prompt.root; cd /where/ever/you/want/the/stuff &prompt.root; ctm -v -v /where/you/store/your/deltas/src-xxx.* CTM begrijpt delta's in gzip formaat, dus het niet nodig om eerst gunzip te gebruiken. Dat spaart diskruimte. Tenzij het zeker is van de veiligheid van het proces, doet CTM niets met de structuur. Om een delta te verifiëren kan ook de vlag gebruikt worden en dan komt CTM ook niet aan een structuur. Dan wordt alleen de integriteit van de delta gecontroleerd en of die zonder problemen op de huidige structuur kan worden toegepast. CTM kent nog meer opties die in de hulppagina's worden besproken. Meer is er niet. Iedere keer dat er een delta wordt ontvangen, moet die door CTM gehaald worden om de broncode bijgewerkt te houden. Delta's kunnen het beste niet verwijderd worden als het lastig is ze opnieuw te downloaden. Dan kunnen ze het beste bewaard worden voor het geval er eens iets gebeurt. Zelfs als er alleen floppy's beschikbaar zijn, is het wellicht verstandig die te gebruiken met fdwrite. Lokale Wijzigingen Behouden Een ontwikkelaar wil graag experimenteren met bestanden in de structuur en die bestanden veranderen. CTM ondersteunt lokale wijzigingen in beperkte mate: alvorens te kijken of bestand foo bestaat, zoekt het eerst naar foo.ctm. Als dat bestand bestaat, past CTM de wijzigigen daarop toe in plaats van op foo. Dit gedrag biedt een eenvoudige mogelijkheid om lokale wijzigingen bij te houden. Dat kan dus door bestanden die gewijzigd gaan worden te kopiëren naar een bestand met dezelfde naam met de toevoeging .ctm. Dan kan er vrijelijk gespeeld worden met de code, terwijl CTM het bestand .ctm bijwerkt. Andere Interessante Mogelijkheden van <application>CTM</application> Uitvinden Wat Precies Wordt Veranderd door een Update Het is mogelijk een lijst met wijzigingen te maken die CTM zou maken op het broncodedepot met de optie . Dit is nuttig als het gewenst is om een logboek bij te houden van de wijzigingen, de te wijzigen bestanden voor- of na te bewerken op welke manier dan ook, of als de gebruiker gewoon een beetje paranoïde is. Back-ups Maken vóór Bijwerken Soms kan het wenselijk zijn om een back-up te maken van alle bestanden die gewijzigd gaan worden door een CTM update. Met back-upt CTM alle bestanden die gewijzigd gaan worden door een CTM delta naar back–upbestand. Te Wijzigen Bestanden door een Update Beperken Soms is het wenselijk de reikwijdte voor een CTM update te beperken of kan het wenselijk zijn om maar een paar bestanden bij te werken uit een aantal delta's. Een lijst met bestanden die CTM mag bewerken kan aangegeven worden met de opties en en het opgeven van regular expressions. Om bijvoorbeeld een bijgewerkte kopie van lib/libc/Makefile te maken uit de verzameling met opgeslagen CTM delta's, kan het volgende commando uitgevoerd worden: &prompt.root; cd /where/ever/you/want/to/extract/it/ &prompt.root; ctm -e '^lib/libc/Makefile' ~ctm/src-xxx.* Voor ieder te wijzigen bestand in een CTM delta worden de opties en toegepast in de volgorde waarin ze op de commandoregel staan. Het bestand wordt alleen door CTM verwerkt als het passend is bevonden na het toepassen van alle parameters in en . Toekomstige Plannen voor <application>CTM</application> Die zijn er: Een of andere vorm van authenticatie in het CTM systeem bouwen zodat vervalste CTM updates afgevangen kunnen worden; De opties voor CTM opruimen omdat ze verwarrend zijn geworden. Nog Meer Er zijn ook delta's voor de portscollectie, maar daar is nog niet zo veel belangstelling voor. CTM Mirrors CTM/&os; is op de volgende mirrorsites via anonieme FTP beschikbaar. Als voor CTM anonieme FTP wordt gebruikt, heeft het de voorkeur een site die in geografische zin dichtbij is te gebruiken. Bij problemen kan contact gezocht worden met de &a.ctm-users.name; mailinglijst. Californië, Bay Area, officiële bron Zuid-Afrika, back-upserver voor oude delta's Taiwan/R.O.C. Als er geen mirror dichtbij is of als die incompleet is, kan een zoekmachine als alltheweb gebruikt worden. CVSup Gebruiken Inleiding CVSup is een softwarepakket voor het verspreiden en bijwerken van broncodestructueren vanaf een master CVS depot op een andere server. De &os; broncode wordt beheerd in een broncode depot op een centrale ontwikkelmachine in Californië. Met CVSup kunnen &os; gebruikers op eenvoudige wijze hun broncode bijwerken. CVSup gebruikt een zogenaamd pull model voor het bijwerken. In het pull-model vraagt iedere client de server om updates als die nodig zijn. De server wacht passief op een verzoek om updates van zijn clients. Alle updates worden dus op initiatief van de client gedaan. De server stuurt nooit ongevraagde updates. Gebruikers moeten de CVSup client handmatig draaien om te updaten of een cron taak instellen om op regelmatige basis bij te werken. De term CVSup, op de gegeven wijze geschreven, doelt op het complete softwarepakket. De belangrijkste componenten zijn de client cvsup, die op de machine van een gebruiker draait, en de server cvsupd, die op alle &os; mirrorsites draait. In de &os; documentatie en op de mailinglijsten zijn referenties aan sup te vinden. Sup was de voorloper van CVSup en diende hetzelfde doel. CVSup wordt op dezelfde manier gebruikt als sup en gebruikt zelfs bestanden met instellingen die ook te gebruiken zijn met sup. Sup wordt niet langer gebruikt in het &os; project omdat CVSup sneller en flexibeler is. Installatie De meest eenvoudige wijze van installatie van CVSup is met het voorgecompileerde package net/cvsup uit de &os; packagescollectie. Als het gewenst is, kan CVSup ook uit de broncode gebouwd worden in net/cvsup. De net/cvsup port is afhankelijk van het Modula-3 systeem en dat kan wel even duren en er is ook nogal wat schijfruimte voor nodig om het te downloaden en te bouwen. Als CVSup gebruikt gaat worden op een machine waarop geen &xfree86; of &xorg; staat, zoals een server, dan dient de port waar geen CVSup GUI bij zit geïnstalleerd te worden: net/cvsup-without-gui. CVSup Instellingen De werking van CVSup wordt gestuurd door een bestand met instellingen met de naam supfile. Er staan een aantal supfiles als voorbeeld in de map /usr/share/examples/cvsup/. De informatie in een supfile beantwoordt de volgende vragen voor CVSup: Welke bestanden moeten ontvangen worden? Welke versies daarvan moeten ontvangen worden? Waar moeten ze vandaan komen? Waar moeten ze komen te staan? Waar moet cvsup zijn statusbestanden bijhouden? In de volgende paragrafen wordt een supfile bestand opgebouwd door achtereenvolgens alle gestelde vragen te beantwoorden. Als eerste wordt de algemene structuur van een supfile beschreven. Een supfile is een tekstbestand. Commentaar begint met een # en loopt tot het einde van de regel. Lege regels en regels die alleen commentaar bevatten worden genegeerd. Iedere regel die overblijft slaat op een groep bestanden die ontvangen moet worden. De regel begint met de naam van een collectie, een logische groep bestanden op de server. De naam van de collectie geeft de server aan welke bestanden er gestuurd moeten worden. Na de naam van de collectie komen er geen of meer velden die gescheiden worden door witruimte. Die velden beantwoorden de hierboven gestelde vragen. Er zijn twee soorten velden: vlagvelden en waardevelden. Een vlagveld bestaat uit een alleenstaand sleutelwoord, bijvoorbeeld delete of compress. Een waardeveld begint ook met een sleutelwoord, maar het sleutelwoord wordt direct (zonder witruimte) gevolgd door = en een tweede woord. release=cvs is bijvoorbeeld een waardeveld. In een supfile wordt meestal aangegeven dat er meerdere collecties ontvangen moeten worden. Het is mogelijk om een supfile te structureren door expliciet alle relevante velden aan te geven voor iedere collectie, maar dat maakt de regels in de supfile nogal lang en het is onhandig omdat de meeste velden hetzelfde zijn voor alle collecties in een supfile. CVSup biedt een systeem met standaardinstellingen om dit probleem te omzeilen. Regels die beginnen met de speciale pseuso-collectienaam *default kunnen gebruikt worden om standaarden in te stellen voor de collecties die er in de supfile achteraan komen. Een standaardwaarde kan voor individuele collecties overschreven worden door een andere waarde in de collectie zelf aan te geven. Standaarden kunnen ook middenin het bestand gewijzigd of aangevuld worden met extra *default regels. Na deze achtergronden wordt er nu een supfile samengesteld voor het ontvangen en bijwerken van de hoofd broncodestructuur van &os;-CURRENT. Welke bestanden moeten ontvangen worden? De bestanden die via CVSup beschikbaar zijn, zijn beschikbaar in groepen die collecties heten. De beschikbare collecties staan beschreven in de volgende paragraaf. In dit voorbeeld is het de bedoeling dat de hele hoofd broncodestructuur voor &os; wordt ontvangen. Daar is één grote collectie voor: src-all. De eerste stap in het maken van een supfile is het opsommen van de gewenste collecties, één per regel (in dit geval maar één regel): src-all Welke versies daarvan moeten ontvangen worden? Met CVSup kan vrijwel iedere versie van de broncode die ooit heeft bestaan opgehaald worden. Dat kan omdat de cvsupd server direct vanaf het CVS depot werkt, dat alle versies bevat. Er kan aangegeven welke ontvangen moeten worden met de waardevelden tag= en . Voorzichtigheid is geboden bij het correct aangeven van velden met tag=. Sommige labels zijn alleen geldig voor bepaalde collecties of bestanden. Als ze incorrect worden aangeven of als er een spelfout wordt gemaakt in een label, verwijdert CVSup bestanden waarvan dat waarschijnlijk niet de bedoeling is. Het label tag=. dient eigenlijk alleen gebruikt te worden voor de ports-* collecties. Het veld tag= benoemt een symbolisch label in het depot. Er zijn twee soorten labels: revisielabels en taklabels. Een revisielabel refereert aan een specifieke revisie. De betekenis blijft altijd hetzelfde. Een taklabel refereert echter aan de laatste revisie van een gegeven ontwikkellijn op een gegeven moment. Omdat een taklabel niet refereert aan een specifieke revisie, kan het morgen iets anders betekenen dan vandaag. beschrijft de meest interessante taklabels. Als er in het instellingenbestand van CVSup een label wordt aangegeven, moet dat vooraf gegaan worden door tag= (RELENG_4 zal tag=RELENG_4 worden). Voor de - portscollectie is alleen tag=. + Portscollectie is alleen tag=. relevant. Labels dienen exact zo ingegeven te worden als ze staan beschreven. CVSup kan geen onderscheid maken tussen geldige en ongeldige labels. Als er een spelfout in een label wordt gemaakt, doet CVSup alsof er een geldig label is ingegeven dat aan geen enkel bestand refereert. Dan zal CVSup de bestaande broncode wissen. Bij het aangeven van een taklabel wordt meestal de laatste versie van de bestanden voor een bepaalde ontwikkellijn ontvangen. Om een oudere versie te ontvangen kan in het veld een datum opgegeven worden. In &man.cvsup.1; staat hoe dat werkt. Om bijvoorbeeld &os;-CURRENT te ontvangen dient het volgende aan het begin van supfile toegevoegd te worden: *default tag=. Er ontstaat een belangrijk speciaal geval als er geen velden met tag= of date= worden aangegeven. In dat geval worden de eigenlijke RCS bestanden direct uit het CVS depot van de server ontvangen in plaats van dat een bepaalde versie wordt ontvangen. Ontwikkelaars geven in het algemeen de voorkeur aan deze optie. Door zelf een kopie van de broncode op hun systeem te hebben, krijgen ze de mogelijkheid om zelf door eerdere versies van bestanden te bladeren en de geschiedenis ervan te bekijken. Dit voordeel kost wel veel schijfruimte. Waar moeten ze vandaan komen? Het veld host= wordt gebruikt om cvsup aan te geven waar de updates vandaan moeten komen. Dat kan van elke CVSup mirrorsite, hoewel er wordt aangeraden een site die geografisch dichtbij ligt te kiezen. In dit voorbeeld wordt een fictieve &os; distributiesite gebruikt, cvsup99.FreeBSD.org: *default host=cvsup99.FreeBSD.org In een werkelijke situatie dient de hostnaam gewijzigd te worden in een host die echt bestaat voordat CVSup gaat draaien. Iedere keer dat cvsup wordt gestart, kan er een andere host op de commandoregel opgegeven worden met de optie . Waar moeten ze komen te staan? Het veld prefix= geeft cvsup aan waar de ontvangen bestanden terecht moeten komen. In dit voorbeeld worden de bestanden direct in de hoofd broncodestructuur /usr/src geplaatst. De map src is al impliciet in de gekozen collecties, vandaar dat het onderstaande de juiste instelling is: *default prefix=/usr Waar moet cvsup zijn statusbestanden bijhouden? De CVSup client houdt statusbestanden bij in een map die base wordt genoemd. Die bestanden helpen CVSup efficiënter te werken door bij te houden welke updates al eerder zijn ontvangen. Hier wordt de standaard basemap gebruikt, /var/db: *default base=/var/db De bovenstaande instelling wordt standaard gebruikt als die niet wordt aangegeven in de supfile, dus hij is eigenlijk niet nodig. Als de basemap niet al bestaat, moet die gemaakt worden. De cvsup client weigert te draaien als de basemap niet bestaat. Allerlei supfile instellingen: Er is nog een regel die in een supfile moet staan: *default release=cvs delete use-rel-suffix compress release=cvs geeft de server aan dat de informatie uit het &os; hoofd CVS depot moet komen. Dat is eigenlijk altijd het geval, maar er zijn mogelijkheden die buiten het bereik van dit handboek vallen. delete geeft CVSup het recht om bestanden te verwijderen. Dit moet altijd aangegeven worden zodat CVSup de broncode altijd kan bijwerken. CVSup gaat voorzichtig om met het verwijderen van bestanden waar het verantwoordelijk voor is. Extra bestanden in de structuur worden met rust gelaten. use-rel-suffix is nogal geheimzinnig. Voor de nieuwsgierigen staat er meer over in &man.cvsup.1;. Anders kan het gewoon ingesteld worden zonder erover na te denken. compress schakelt het gebruikt van gzip compressie in voor het communicatiekanaal. Als de verbinding een E1 of sneller is, hoeft er geen compressie gebruikt te worden. Anders helpt het aanzienlijk. Alles combinerend: Hieronder staat de hele supfile uit het voorbeeld: *default tag=. *default host=cvsup99.FreeBSD.org *default prefix=/usr *default base=/var/db *default release=cvs delete use-rel-suffix compress src-all Het Bestand <filename>refuse</filename> Zoals hierboven al is aangegeven, gebruikt CVSup een pull methode. Dat betekent eigenlijk dat er een verbinding wordt gemaakt met de CVSup server en die zegt dan: Dit kan er van mij gedownload worden..., en dan antwoordt de client met: Oké, ik wil dit en dat en zus en zo. Met de standaardinstellingen haalt de CVSup client alle bestanden die bij een collectie en het label horen dat in het bestand met de instellingen is opgegeven. Maar dat is niet altijd wenselijk, in het bijzonder als de doc, ports of www structuren worden gesynchroniseerd. De meeste mensen kunnen geen vier of vijf talen lezen en die hebben de taalspecifieke - bestanden dus niet nodig. Als de portscollectie met + bestanden dus niet nodig. Als de Portscollectie met CVSup wordt opgehaald, is het mogelijk om iedere collectie apart aan te geven (bijvoorbeeld ports-astrology, ports-biology, enzovoort, in plaats van eenvoudigweg ports-all). Maar omdat de doc en www structuren geen taalspecifieke collecties hebben, moet er gebruik gemaakt worden van een van de vele mooie mogelijkheden van CVSup: het bestand refuse. Het bestand refuse geeft CVSup in feite aan dat niet ieder bestand uit een collectie opgehaald moet worden. Het geeft dus aan dat de client bepaalde bestanden van de server moet weigeren. Het bestand refuse staat in (of kan gemaakt worden in) base/sup/. base staat ingesteld in supfile. De standaardlocatie voor base is /var/db. De standaardplaats voor refuse is dus /var/db/sup/refuse. Het bestand refuse heeft een erg eenvoudige opmaak. Het bevat de namen van de bestanden die niet gedownload mogen worden. Als een gebruiker bijvoorbeeld geen andere talen spreekt dan Engels en Nederlands, maar de Nederlandse vertaling van de documentatie hoeft niet binnengehaald te worden, dan kan het volgende in het bestand refuse gezet worden: doc/bn_* doc/da_* doc/de_* doc/el_* doc/es_* doc/fr_* doc/it_* doc/ja_* doc/nl_* doc/no_* doc/pl_* doc/pt_* doc/ru_* doc/sr_* doc/tr_* doc/zh_* Dit gaat zo door voor de andere talen. De volledige lijst staat in het &os; CVS depot. Met deze handige eigenschap kunnen gebruikers met langzamere verbindingen of zij die per minuut voor hun internetverbinding betalen waardevolle tijd besparen omdat er geen bestanden meer gedownload worden die nooit gebruikt worden. Meer informatie over refuse bestanden en andere leuke mogelijkheden van CVSup staat in de handleiding. <application>CVSup</application> Draaien Nu kan het bijwerken beginnen. Het commando is best wel eenvoudig: &prompt.root; cvsup supfile De supfile is de naam van het supfile bestand dat gebruikt moet worden. Aangenomen dat er X11 draait op een machine, toont cvsup een GUI venster met wat knoppen om de bekende acties uit te voeren. Het proces start na het klikken op de knop go. Omdat in dit voorbeeld de werkelijke structuur in /usr/src wordt bijgewerkt, moet het programma als root uitgevoerd worden, zodat cvsup de rechten heeft die het nodig heeft om de bestanden bij te werken. Het is voorstelbaar dat de benodigde rechten, het net gemaakte bestand met instellingen en het voor de eerste keer draaien van een programma zorgt voor wat onrust. Daarom is het mogelijk proef te draaien zonder dat er bestanden gewijzigd worden. Dat kan door ergens een lege map te maken en een extra argument mee te geven op de commandoregel: &prompt.root; mkdir /var/tmp/dest &prompt.root; cvsup supfile /var/tmp/dest De opgegeven map is de bestemming voor alle bestandsupdates. CVSup bekijkt wel de bestanden in /usr/src, maar wijzigt ze niet. Alle updates belanden in /var/tmp/dest/usr/src. CVSup werkt ook de statusbestanden niet bij als het op deze wijze wordt uitgevoerd. De nieuwe versies van de bestanden worden naar de aangegeven map geschreven. Als er maar leestoegang is tot /usr/src, hoeft een gebruiker zelfs geen root te zijn bij het uitvoeren van dit experiment. Als er geen X11 draait of als het niet wenselijk is een GUI te gebruiken, dan kunnen daarvoor opties op de commandoregel meegegeven worden bij het draaien van cvsup: &prompt.root; cvsup -g -L 2 supfile De optie geeft CVSup aan dat de GUI niet gebruikt hoeft te worden. Dit gebeurt automatisch als X11 niet draait, maar anders moet het aangegeven worden. De optie geeft CVSup aan dat details getoond moeten worden over alle bestanden die bijgewerkt worden. Er zijn drie niveau's van uitvoerigheid, van tot . Standaard is het 0, wat betekent dat er geen enkel bericht wordt getoond, met uitzondering van foutmeldingen. Er zijn nog veel andere opties beschikbaar. Met cvsup -H wordt een lijst met korte uitleg getoond. Beschrijvingen met meer details staan in de handleiding. Als het bijwerken op de gewenste manier loopt, kan het regulier draaien van CVSup met &man.cron.8; ingesteld worden. Natuurlijk hoort CVSup zonder GUI te draaien als het programma vanuit de &man.cron.8; draait. <application>CVSup</application> Bestandscollecties De via CVSup beschikbare bestandscollecties zijn hiërarchisch georganiseerd. Er zijn een paar grote collecties en die zijn opgedeeld in kleinere sub-collecties. Het ontvangen van een collectie is hetzelfde als het ontvangen van alle sub-collecties. De hiërarchische relatie tussen de collecties wordt hieronder aangegeven door het niveau van inspringen. De meest gebruikte collecties zijn src-all en ports-all. De andere collecties worden door kleine groepen mensen gebruikt voor bijzondere doeleinden en sommige mirrorsites hebben ze niet allemaal. cvs-all release=cvs Het &os; CVS hoofddepot, inclusief de cryptografische code. distrib release=cvs Bestanden die betrekking hebben op het verspreiden en spiegelen van &os;. doc-all release=cvs Broncode voor het &os; Handboek en andere documentatie, zonder de bestanden voor de &os; website. ports-all release=cvs De &os; Portscollectie. Als ports-all (het complete portssysteem) niet bijgewerkt hoeft te worden, maar enkele van de onderstaande sub-collecties, dan moet altijd ook de ports-base sub-collectie bijgewerkt worden! Als er iets wijzigt in de infrastructuur van de ports waar ports–base voor staat, is het vrijwel zeker dat die wijzigingen heel snel door echte ports gebruikt gaan worden. Dus als alleen de echte ports bijgewerkt worden en als die gebruik maken van nieuwe mogelijkheden, dan is de kans groot dat het bouwen daarvan foutloopt met een vage foutmelding. Het eerste dat gedaan moeten worden is ervoor zorgen dat de ports-base sub-collectie is bijgewerkt. Bij het zelf bouwen van een lokale kopie van ports/INDEX mOEt ports-all geaccepteerd worden (de hele port structuur). Het bouwen van ports/INDEX met een gedeeltelijke structuur wordt niet ondersteund. Zie ook de FAQ. + url="&url.books.faq;/applications.html#MAKE-INDEX">FAQ. ports-accessibility release=cvs Software voor minder valide gebruikers. ports-arabic release=cvs Ondersteuning voor de Arabische taal. ports-archivers release=cvs Archiveringshulpmiddelen. ports-astro release=cvs Astronomie ports. ports-audio release=cvs Geluidsondersteuning. ports-base release=cvs - De infrastructuur van de portscollectie. + De infrastructuur van de Portscollectie. Bestanden uit de mappen Mk/ en Tools/ van /usr/ports. Zie ook de belangrijke waarschuwing hierboven: deze sub-collectie dient altijd bijgewerkt te worden als er een onderdeel van de &os; - portscollectie wordt bijgewerkt! + Portscollectie wordt bijgewerkt! ports-benchmarks release=cvs Benchmarks. ports-biology release=cvs Biologie. ports-cad release=cvs Computer aided design programma's. ports-chinese release=cvs Ondersteuning voor de Chinese taal. ports-comms release=cvs Communicatiesoftware. ports-converters release=cvs Karaktercode omzetters. ports-databases release=cvs Databases. ports-deskutils release=cvs Dingen die op een bureaublad stonden voordat computers waren uitgevonden. ports-devel release=cvs Ontwikkelhulpmiddelen. ports-dns release=cvs DNS gerelateerde software. ports-editors release=cvs Editors. ports-emulators release=cvs Emulatoren voor besturingssystemen. ports-finance release=cvs Monetaire, financiële en gerelateerde applicaties. ports-ftp release=cvs FTP client en server programma's. ports-games release=cvs Spelletjes. ports-german release=cvs Ondersteuning voor de Duitse taal. ports-graphics release=cvs Grafische programma's. ports-hebrew release=cvs Ondersteuning voor de Hebreeuwse taal. ports-hungarian release=cvs Ondersteuning voor de Hongaarse taal. ports-irc release=cvs Internet Relay Chat hulpprogramma's. ports-japanese release=cvs Ondersteuning voor de Japanse taal. ports-java release=cvs &java; programma's. ports-korean release=cvs Ondersteuning voor de Koreaanse taal. ports-lang release=cvs Programmeertalen. ports-mail release=cvs Mailsoftware. ports-math release=cvs Numerieke rekensoftware. ports-mbone release=cvs MBone applicaties. ports-misc release=cvs Verschillende programma's. ports-multimedia release=cvs Multimedia software. ports-net release=cvs Netwerksoftware. ports-net-mgmt release=cvs Netwerkbeheersoftware. ports-news release=cvs USENET news software. ports-palm release=cvs Softwareondersteuning voor Palm apparatuur. ports-polish release=cvs Ondersteuning voor de Poolse taal. ports-portuguese release=cvs Ondersteuning voor de Portugese taal. ports-print release=cvs Printsoftware. ports-russian release=cvs Ondersteuning voor de Russische taal. ports-science release=cvs Wetenschappelijk. ports-security release=cvs Beveiligingsprogramma's. ports-shells release=cvs Commandoregelshells. ports-sysutils release=cvs Systeemprogramma's. ports-textproc release=cvs Tekstverwerkingsprogramma's (zonder desktop publishing). ports-ukrainian release=cvs Ondersteuning voor de Oekraïnische taal. ports-vietnamese release=cvs Ondersteuning voor de Vietnamese taal. ports-www release=cvs Software gerelateerd aan het Wereldwijde Web. ports-x11 release=cvs Ports voor het X windowsysteem. ports-x11-clocks release=cvs X11 klokken. ports-x11-fm release=cvs X11 bestandsbeheerders. ports-x11-fonts release=cvs X11 lettertypen en lettertypeprogramma's. ports-x11-toolkits release=cvs X11 hulpprogramma's. ports-x11-servers - release=cvs + release=cvs X11 servers. ports-x11-themes X11 thema's. ports-x11-wm - release=cvs + release=cvs X11 vensterbeheerprogramma's. src-all release=cvs De hoofdbroncode van &os;, inclusief de cryptografische code. src-base release=cvs Verschillende bestanden bovenin de /usr/src structuur. src-bin release=cvs Gebruikersprogramma's die wellicht nodig zijn in single-user modus (/usr/src/bin). src-contrib release=cvs Programma's en bibliotheken van buiten het &os; project die vrijwel ongewijzigd gebruikt worden (/usr/src/contrib). src-crypto release=cvs Cryptografische programma's en bibliotheken van buiten het &os; project, die vrijwel ongewijzigd worden gebruikt (/usr/src/crypto). src-eBones release=cvs Kerberos en DES (/usr/src/eBones). Niet gebruikt in recente uitgaves van &os;. src-etc release=cvs Bestanden met systeeminstellingen (/usr/src/etc). src-games release=cvs Spelletjes (/usr/src/games). src-gnu release=cvs Programma's die onder de GNU Public License vallen (/usr/src/gnu). src-include release=cvs Headerbestanden (/usr/src/include). src-kerberos5 release=cvs Kerberos5 beveiligingspakket (/usr/src/kerberos5). src-kerberosIV release=cvs KerberosIV beveiligingspakket (/usr/src/kerberosIV). src-lib release=cvs Bibliotheken (/usr/src/lib). src-libexec release=cvs Systeemprogramma's die meestal door andere programma's worden uitgevoerd (/usr/src/libexec). src-release release=cvs Bestanden die nodig zijn voor het maken van een &os; release (/usr/src/release). src-sbin release=cvs Systeemprogramma's voor single-user modus (/usr/src/sbin). src-secure release=cvs Cryptografische bibliotheken en commando's (/usr/src/secure). src-share release=cvs Bestanden die tussen meerdere systemen gedeeld kunnen worden (/usr/src/share). src-sys release=cvs De kernel (/usr/src/sys). src-sys-crypto release=cvs Cryptografische kernelcode (/usr/src/sys/crypto). src-tools release=cvs Verschillende hulpprogramma's voor het onderhoud van &os; (/usr/src/tools). src-usrbin release=cvs Gebruikersprogramma's (/usr/src/usr.bin). src-usrsbin release=cvs Systeemprogramma's (/usr/src/usr.sbin). www release=cvs De broncode voor de &os; website. distrib release=self De instellingenbestanden van de CVSup server zelf. Gebruikt door de CVSup mirrorsites. gnats release=current De GNATS bug-tracking database. mail-archive release=current &os; mailinglijstarchief. www release=current De voorbewerkte &os; websitebestanden (niet de broncode). Gebruikt door WWW mirrorsites. Voor Meer Informatie De CVSup FAQ en andere informatie over CVSup is te vinden op De CVSup Homepage. De meeste &os;–gerelateerde discussie over CVSup vindt plaats op de &a.hackers;. Daar worden nieuwe versies van de software aangekondigd, net als op de &a.announce;. Vragen en foutrapporten kunnen gericht worden aan de auteur van het programma op cvsup-bugs@polstra.com. CVSup Sites CVSup servers voor &os; draaien op de onderstaande sites. Het overige deel van deze paragraaf wordt automatisch samengesteld en is daarom niet vertaald. &chap.mirrors.cvsup.inc; CVS Labels Bij het ophalen of bijwerken van broncode met cvs of CVSup moet een revisielabel meegegeven worden. Een revisielabel refereert aan een specifieke lijn in de &os; ontwikkeling of aan een specifiek moment in de tijd. Het eerste type heet taklabel (branch tag) en het tweede type heet releaselabel (release tag). Taklabels Deze zijn, met uitzondering van HEAD (dat altijd een geldig label is), alleen van toepassing op de src/ structuur. De ports/, doc/ en www/ structuren kennen geen takken. HEAD Symbolische naam voor de hoofdlijn van &os;-CURRENT. Ook de standaard als geen revisie is aangegeven. In CVSup wordt dit label aangegeven met een . (dat is dus geen interpunctie, maar een echt . karakter). In CVS is dit de standaard als er geen revisietabel is aangegeven. Het is meestal geen goed idee om een checkout of update van CURRENT broncode op een STABLE machine te doen, tenzij dat expliciet de bedoeling is. RELENG_5 De ontwikkellijn voor &os;-5.X, ook bekend als &os; 5-STABLE. RELENG_5_3 De releasetak voor &os;-5.3, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_5_2 De releasetak voor &os;-5.2 en &os;-5.2.1, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_5_1 De releasetak voor &os;-5.1, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_5_0 De releasetak voor &os;-5.0, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_4 De ontwikkellijn voor &os;-4.X, ook bekend als &os; 4-STABLE. RELENG_4_10 De releasetak voor &os;-4.10, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_4_9 De releasetak voor &os;-4.9, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_4_8 De releasetak voor &os;-4.8, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_4_7 De releasetak voor &os;-4.7, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_4_6 De releasetak voor &os;-4.6 en &os;-4.6.2, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_4_5 De releasetak voor &os;-4.5, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_4_4 De releasetak voor &os;-4.4, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_4_3 De releasetak voor &os;-4.3, alleen gebruikt voor beveiligingswaarschuwingen en andere kritische aanpassingen. RELENG_3 De ontwikkellijn voor &os;-3.X, ook bekend als 3.X-STABLE. RELENG_2_2 De ontwikkellijn voor &os;-2.2.X, ook bekend als 2.2-STABLE. Deze tak is sterk verouderd. Releaselabels Deze labels refereren aan een specifiek moment in de tijd waarop een versie van &os; is uitgegeven. Het proces om tot een release te komen is gedetailleerder beschreven in de Release Engineering Informatie en Release Proces documenten. De src structuur gebruikt labelnamen die beginnen met RELENG_ labels. De ports en doc structuren gebruiken labels waarvan de naam begint met het label RELEASE. De www tenslotte, is niet gemarkeerd met een bijzondere naam bij releases. RELENG_5_3_0_RELEASE &os; 5.3 RELENG_4_10_0_RELEASE &os; 4.10 RELENG_5_2_1_RELEASE &os; 5.2.1 RELENG_5_2_0_RELEASE &os; 5.2 RELENG_4_9_0_RELEASE &os; 4.9 RELENG_5_1_0_RELEASE &os; 5.1 RELENG_4_8_0_RELEASE &os; 4.8 RELENG_5_0_0_RELEASE &os; 5.0 RELENG_4_7_0_RELEASE &os; 4.7 RELENG_4_6_2_RELEASE &os; 4.6.2 RELENG_4_6_1_RELEASE &os; 4.6.1 RELENG_4_6_0_RELEASE &os; 4.6 RELENG_4_5_0_RELEASE &os; 4.5 RELENG_4_4_0_RELEASE &os; 4.4 RELENG_4_3_0_RELEASE &os; 4.3 RELENG_4_2_0_RELEASE &os; 4.2 RELENG_4_1_1_RELEASE &os; 4.1.1 RELENG_4_1_0_RELEASE &os; 4.1 RELENG_4_0_0_RELEASE &os; 4.0 RELENG_3_5_0_RELEASE &os;-3.5 RELENG_3_4_0_RELEASE &os;-3.4 RELENG_3_3_0_RELEASE &os;-3.3 RELENG_3_2_0_RELEASE &os;-3.2 RELENG_3_1_0_RELEASE &os;-3.1 RELENG_3_0_0_RELEASE &os;-3.0 RELENG_2_2_8_RELEASE &os;-2.2.8 RELENG_2_2_7_RELEASE &os;-2.2.7 RELENG_2_2_6_RELEASE &os;-2.2.6 RELENG_2_2_5_RELEASE &os;-2.2.5 RELENG_2_2_2_RELEASE &os;-2.2.2 RELENG_2_2_1_RELEASE &os;-2.2.1 RELENG_2_2_0_RELEASE &os;-2.2.0 AFS Sites Er draaien AFS servers voor &os; op de volgende sites: Sweden The path to the files are: - /afs/stacken.kth.se/ftp/pub/FreeBSD/ + /afs/stacken.kth.se/ftp/pub/FreeBSD/ stacken.kth.se # Stacken Computer Club, KTH, Sweden 130.237.234.43 #hot.stacken.kth.se 130.237.237.230 #fishburger.stacken.kth.se 130.237.234.3 #milko.stacken.kth.se Beheerder: ftp@stacken.kth.se rsync Sites De volgende sites bieden &os; aan via het protocol rsync. Het programma rsync werkt vrijwel hetzelfde als &man.rcp.1;, maar kent meer mogelijkheden en gebruikt het rsync remote-update protocol, dat alleen verschillen tussen twee groepen bestanden overbrengt, waardoor het synchroniseren via een netwerk drastisch wordt versneld. Dit kan het beste gedaan worden als er een mirrorsite voor de &os; FTP server of het &os; CVS depot draait. De rsync suite is voor veel besturingssystemen beschikbaar. Voor &os; kan het package of de port uit net/rsync geïnstalleerd worden. Tschechische Republiek rsync://ftp.cz.FreeBSD.org/ Beschikbare collecties: ftp: Een gedeeltelijke mirror van de &os; FTP server. &os;: Een volledige mirror van de &os; FTP server. Duitsland rsync://grappa.unix-ag.uni-kl.de/ Beschikbare collecties: freebsd-cvs: Het volledige &os; CVS depot. Deze machine mirrort onder andere ook de CVS depots voor de NetBSD en OpenBSD projecten. Nederland rsync://ftp.nl.FreeBSD.org/ Beschikbare collecties: vol/4/freebsd-core: Een volledige mirror van de &os; FTP server. Verenigd Koninkrijk rsync://rsync.mirror.ac.uk/ Beschikbare collecties: ftp.FreeBSD.org: Een volledige mirror van de &os; FTP server. Verenigde Staten rsync://ftp-master.FreeBSD.org/ Deze server mag alleen gebruikt worden door &os; primaire mirrorsites. Beschikbare collecties: &os;: Het masterarchief van de &os; FTP server. acl: De &os; master ACL lijst. rsync://ftp13.FreeBSD.org/ Beschikbare collecties: &os;: Een volledige mirror van de &os; FTP server.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml index e7d4cfd641..5f9dd8bb4a 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml @@ -1,2047 +1,2047 @@ Ross Lippert Aangepast door Siebrand Mazeland Vertaald door Multimedia Overzicht &os; ondersteunt een breed bereik aan geluidskaarten, waardoor het mogelijk is van geluid van hoge kwaliteit op een computer te genieten. Hieronder vallen mogelijkheden om geluid op te nemen en af te spelen in de MPEG Audio Layer 3 (MP3), WAV en Ogg Vorbis formaten en vele andere formaten. De &os; - portscollectie bevat ook programma's waarmee opgenomen audio + Portscollectie bevat ook programma's waarmee opgenomen audio bewerkt kan worden, waarmee geluidseffecten toegevoegd kunnen worden en aangesloten MIDI apparaten bestuurd kunnen worden. Met wat wil om te experimenteren kunnen met &os; videobestanden en DVD's afgespeeld worden. Er zijn minder programma's om video te encoderen, te converteren en af te spelen dan er zijn voor audio. Op het moment van schrijven is er - bijvoorbeeld geen programma in de &os; portscollectie beschikbaar + bijvoorbeeld geen programma in de &os; Portscollectie beschikbaar waarmee video goed gehercodeerd kan worden. Deze functie zou gebruikt kunnen worden om tussen formaten te converteren, zoals mogelijk is met audio/sox. De software in dit landschap is echter sterk aan verandering onderhevig. In dit hoofdstuk worden de stappen beschreven die uitgevoerd moeten worden om een geluidskaart in te stellen. Bij de installatie en instelling van X11 () is al beschreven hoe videokaarten ingesteld kunnen worden, hoewel er nog wel een aantal mogelijkheden zijn om het afspelen te verbeteren. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe een systeem zo in te stellen dat een geluidskaart wordt herkend; Hoe getest kan worden of een kaart werkt door gebruik te maken van voorbeeldapplicaties; Hoe problemen op te lossen met betrekking tot geluidsinstellingen; Hoe MP3's en andere audio af te spelen en te maken; Hoe video wordt ondersteund door de X server; Welke video speler/encoderports goede resultaten geven; Hoe DVD's, .mpg en .avi bestanden af te spelen; Hoe CD en DVD informatie naar bestanden geript kan worden; Hoe een TV-kaart in te stellen; Hoe een scanner in te stellen. Er wordt aangenomen dat de lezer van dit hoofdstuk: Weet hoe een nieuwe kernel in te stellen en te installeren (). Het proberen te mounten van audio CD's met &man.mount.8; resulteert in ieder geval in een foutmelding en op zijn ergst in een kernel panic. Dat type media heeft een formaat dat afwijkt van het gebruikelijke ISO-bestandssysteem. Moses Moore Geschreven door Marc Fonvieille Aangepast voor &os; 5.X door Geluidskaart Installeren Systeem Instellen PCI ISA geluidskaarten Alvorens te beginnen is het van belang te weten welk model een geluidskaart is, welke chip erop wordt gebruikt en of het een PCI of ISA kaart is. &os; ondersteunt vele PCI en ISA kaarten. De ondersteunde audioapparaten staan in een lijst in de Hardware Notes. In dit document staat ook beschreven welk stuurprogramma welke kaart(en) ondersteunt. kernel instellen Om een geluidsapparaat te gebruiken dient het juiste apparaatstuurprogramma geladen te worden. Dit kan op twee manieren. De meest eenvoudige manier is simpelweg een kernelmodule te laden voor de gewenste geluidskaart met &man.kldload.8;. Dit kan vanaf de commandoregel: &prompt.root; kldload snd_emu10k1 Of door als volgt de juiste regel toe te voegen aan /boot/loader.conf: snd_emu10k1_load="YES" De bovenstaande voorbeelden zijn voor een Creative &soundblaster; Live! geluidskaart. De overige beschikbare laadbare geluidsmodules staan beschreven in /boot/defaults/loader.conf. Als niet compleet duidelijk is welk stuurprogramma gebruikt dient te worden, dan kan het met de module snd_driver geprobeerd worden: &prompt.root; kldload snd_driver Dit is een metastuurprogramma, dat in één keer de meest voorkomende apparaatstuurprogramma's laadt. Hiermee kan het zoeken naar het juiste stuurprogramma versneld worden. Het is ook mogelijk om alle geluidsstuurprogramma's te laden via de optie /boot/loader.conf. Om onder &os; 4.X alle geluidsstuurprogramma's te laden, dient de module snd geladen te worden in plaats van snd_driver. Een tweede mogelijkheid is ondersteuning voor een geluidskaart statisch in de kernel te compileren. In de onderstaande paragrafen staat meer informatie over hoe op die manier ondersteuning voor hardware toegevoegd kan worden. Meer informatie over het hercompileren van een kernel staat in . Aangepaste Kernel Maken met Geluidsondersteuning Eerst moet het generieke audiostuurprogramma &man.sound.4; aan de kernel toegevoegd worden. Daarvoor dient het volgende te worden opgenomen in het bestand met kernelinstellingen: device sound Voor &os; 4.X kan het volgende gebruikt worden: device pcm Daarna kan ondersteuning voor de specifieke geluidskaart toegevoegd worden. Daarvoor moet bekend zijn welk stuurprogramma de kaart ondersteunt. Dit kan opgezocht worden in de lijst met ondersteunde audioapparaten in de Hardware Notes, waar de correcte stuurprogramma's voor geluidskaarten beschreven staan. Zo wordt een Creative &soundblaster; Live! geluidskaart bijvoorbeeld ondersteund door het stuurprogramma &man.snd.emu10k1.4;. Ondersteuning voor deze kaart kan als volgt worden toegevoegd: device "snd_emu10k1" In de hulppagina voor een stuurprogramma staat welke syntaxis gebruikt kan worden. Informatie over de syntaxis van geluidsstuurprogramma's in de kernelinstellingen staat ook in /usr/src/sys/conf/NOTES (/usr/src/sys/i386/conf/LINT voor &os; 4.X). Voor niet-PnP ISA-kaarten kan het nodig zijn dat de kernel informatie gegeven moet worden over de instellingen van een geluidskaart (IRQ, I/O poort, enzovoort). Dit kan via het bestand /boot/device.hints. Bij het starten van een systeem leest de &man.loader.8; dat bestand uit en geeft de instellingen door aan de kernel. Zo gebruikt een oude Creative &soundblaster; 16 ISA niet-PnP-kaart het stuurprogramma &man.snd.sbc.4; en dient de volgende regel toegevoegd te worden aan het bestand met kernelinstellingen: device snd_sbc Daarnaast moet het volgende worden toegevoegd aan /boot/device.hints: hint.sbc.0.at="isa" hint.sbc.0.port="0x220" hint.sbc.0.irq="5" hint.sbc.0.drq="1" hint.sbc.0.flags="0x15" In dit geval gebruikt de kaart I/O poort 0x220 en IRQ 5. De gebruikte syntaxis voor /boot/device.hints staat beschreven in de hulppagina voor het geluidsstuurprogramma. In &os; 4.X worden deze instellingen direct in het bestand met kernelinstellingen gezet. In het geval van de bovenstaande ISA-kaart gaat dat al volgt: device sbc0 at isa? port 0x220 irq 5 drq 1 flags 0x15 De bovenstaande instellingen zijn de standaard instellingen. In sommige gevallen moeten IRQ of andere instellingen gewijzigd worden om een apparaat juist te laten werken. In &man.snd.sbc.4; staat meer informatie. Onder &os; 4.X hebben sommige systemen met audioapparaten op het moederbord de volgende optie in het bestand met kernelinstellingen nodig: options PNPBIOS Geluidskaart Testen Na het herstarten met de aangepaste kernel of na het laden van de benodigde module, hoort de geluidskaart ongeveer als volgt te verschijnen in de systeemberichtbuffer (&man.dmesg.8;): pcm0: <Intel ICH3 (82801CA)> port 0xdc80-0xdcbf,0xd800-0xd8ff irq 5 at device 31.5 on pci0 pcm0: [GIANT-LOCKED] pcm0: <Cirrus Logic CS4205 AC97 Codec> De status van de geluidskaart kan gecontroleerd worden via het bestand /dev/sndstat: &prompt.root; cat /dev/sndstat FreeBSD Audio Driver (newpcm) Installed devices: pcm0: <Intel ICH3 (82801CA)> at io 0xd800, 0xdc80 irq 5 bufsz 16384 kld snd_ich (1p/2r/0v channels duplex default) De uitvoer kan per systeem wat verschillen. Als er geen apparaten pcm verschijnen, dienen eerdere stappen bekeken te worden. Bekijk nogmaals de instellingen van de kernel en bevestig dat het juiste apparaat is gekozen. Veel voorkomende problemen staan beschreven in . Als het goed is werkt de geluidskaart nu. Als de CD-ROM of DVD-ROM drive juist is aangesloten op de geluidskaart, dan kan er een CD in de drive gestoken worden en kan deze met &man.cdcontrol.1; afgespeeld worden: &prompt.user; cdcontrol -f /dev/acd0 play 1 Applicaties als audio/workman kunnen een vriendelijker interface bieden. Wellicht is het handig om een applicatie als audio/mpg123 te installeren om naar MP3 audiobestanden te luisteren. Een snelle manier om de kaart te testen is het als volgt sturen van data naar /dev/dsp: &prompt.user; cat filename > /dev/dsp filename kan ieder bestand zijn. Deze commandoregel hoort wat ruis tot gevolg te hebben, waardoor wordt bevestigd dat de geluidskaart echt werkt. &os; 4.X gebruikers moeten de geluidskaart apparaatnodes maken voordat hij gebruikt kan worden. Als de kaart voorkomt in de berichtbuffer als pcm0, dan dient het volgende als root uitgevoerd te worden: &prompt.root; cd /dev &prompt.root; sh MAKEDEV snd0 Als de kaart herkend is als pcm1, kunnen dezelfde stappen als hierboven gevolgd worden, waarbij snd0 wordt vervangen door snd1. MAKEDEV maakt een groep apparaatnodes aan die gebruikt worden voor de applicaties die met geluid te maken hebben. Niveau's voor de geluidskaartmixer kunnen aangepast worden met het commando &man.mixer.8;. Er staan meer details in &man.mixer.8;. Bekende Problemen apparaatnodes I/O poort IRQ DSP Fout Oplossing unsupported subdevice XX Eén of meer van de apparaatnodes zijn niet correct gemaakt. De bovenstaande stappen dienen opnieuw uitgevoerd te worden. sb_dspwr(XX) timed out De I/O poort is niet correct ingesteld. bad irq XX Het IRQ is niet correct ingesteld. Zorg dat het ingestelde IRQ en het IRQ voor het geluid hetzelfde zijn. xxx: gus pcm not attached, out of memory Er is niet genoeg geheugen beschikbaar om het apparaat te gebruiken. xxx: can't open /dev/dsp! Controleer fstat | grep dsp of een ander programma het apparaat geopend heeft. Bekende probleemgevallen zijn esound en KDE's geluidsondersteuning. Munish Chopra Geschreven door Meerdere Geluidsbronnen Gebruiken Het is vaak wenselijk om meerdere geluidsbronnen tegelijkertijd af te kunnen spelen, zoals wanneer esound of artsd het delen van een geluidsapparaat met een andere applicatie niet ondersteunen. Met &os; kan dit met Virtuele Geluidskanalen, die ingesteld kunnen worden met de &man.sysctl.8; faciliteit. Met virtuele kanalen kunnen de afspeelkanalen van een geluidskaart gemultiplext worden door het geluid in de kernel te mixen. Het aantal virtuele kanalen kan met twee sysctl knoppen als root als volgt ingesteld worden: &prompt.root; sysctl hw.snd.pcm0.vchans=4 &prompt.root; sysctl hw.snd.maxautovchans=4 In het bovenstaande voorbeeld worden vier virtuele kanelen gealloceerd, wat in het dagelijks gebruik voldoende is. In hw.snd.pcm0.vchans staat het aantal vitruele kanalen dat pcm0 heeft en is instelbaar als een apparaat is aangesloten. In hw.snd.maxautovchans staat het aantal virtuele kanalen dat aan een nieuw audio-apparaat wordt gegeven als het wordt aangesloten met &man.kldload.8;. Omdat de module pcm onafhankelijk van de hardware stuurprogramma's geladen kan worden, kan in hw.snd.maxautovchans opgeslagen worden hoeveel virtuele kanalen apparaten die later worden aangesloten krijgen. Als er geen gebruik wordt gemaakt van &man.devfs.5;, dan moeten applicaties wijzen naar /dev/dsp0.x, waar x tussen 0 en 3 ligt als hw.snd.pcm.0.vchans is ingesteld op 4, zoals in het bovenstaande voorbeeld. Op een systeem waar &man.devfs.5; wordt gebruikt, wordt het voorgaande voor een gebruiker automatisch transparant gealloceerd. Josef El-Rayes Geschreven door Standaardwaarden voor Mixerkanalen Instellen De standaard waarden voor de mixerkanelen zijn ingesteld in de broncode van het stuurprogramma &man.pcm.4;. Er zijn vele applicaties en daemons waarmee waarden voor de mixer ingesteld en onthouden kunnen worden en iedere keer bij het starten weer kunnen worden ingesteld. Maar dit is geen nette oplossing, omdat het netter is de standaardwaarden in te stellen op het niveau van het stuurprogramma. Die kunnen ingesteld worden door de gewenste waarden in te stellen in /boot/device.hints. Bijvoorbeeld: hint.pcm.0.vol="100" Met de bovenstaande instelling wordt het volume van een kanaal standaard op 100 ingesteld bij het laden van de module &man.pcm.4;. Dit wordt alleen ondersteund in &os; 5.3 en hoger. Chern Lee Geschreven door MP3 Audio Met MP3 (MPEG Layer 3 Audio) kan geluid bijna in CD-kwaliteit weergegeven worden en dus is er een goede reden om dit vooral niet na te laten op een &os; werkstation. MP3 Spelers Verreweg de meest populaire X11 MP3 speler is XMMS (X Multimedia Systeem). In XMMS kunnen Winamp skins gebruikt worden, omdat de GUI vrijwel gelijk is aan die van Nullsoft's Winamp. XMMS heeft ook een eigen plug-in ondersteuning. XMMS kan geïnstalleerd worden via de multimedia/xmms port of package. De interface van XMMS is intuïtief met een playlist, grafische equalizer en meer. Gebruikers die bekend zijn met Winamp vinden XMMS vast eenvoudig te gebruiken. De port audio/mpg123 is een alternatieve MP3 speler die gebruik maakt van de commandoregel. mpg123 werkt door het geluidsapparaat en het MP3 bestand aan te geven op de commandoregel, zoals hieronder wordt aangegeven: &prompt.root; mpg123 -a /dev/dsp1.0 Foobar-GreatestHits.mp3 High Performance MPEG 1.0/2.0/2.5 Audio Player for Layer 1, 2 and 3. Version 0.59r (1999/Jun/15). Written and copyrights by Michael Hipp. Uses code from various people. See 'README' for more! THIS SOFTWARE COMES WITH ABSOLUTELY NO WARRANTY! USE AT YOUR OWN RISK! Playing MPEG stream from Foobar-GreatestHits.mp3 ... MPEG 1.0 layer III, 128 kbit/s, 44100 Hz joint-stereo /dev/dsp1.0 dient gewijzigd te worden in het dsp apparaat van het systeem waarop de MP3 afgespeeld moet worden. CD Audio Tracks Rippen Voordat een CD of een CD track naar MP3 ge-encodeerd kan worden moet de audiodata naar de harde schijf geript worden. Dit gaat door de ruwe CDDA (CD Digital Audio) data naar WAV-bestanden de kopiëren. Het hulpprogramma cdda2wav, dat onderdeel is van de suite sysutils/cdrtools, kan gebruikt worden om audio-informatie en de daarbij behorende informatie van CD's te rippen. Als de audio CD in de drive zit, kan het volgende commando als root uitgevoerd worden om een hele CD naar individuele (per track) WAV-bestanden te rippen: &prompt.root; cdda2wav -D 0,1,0 -B cdda2wav ondersteunt ATAPI (IDE) CDROM drives. Om van een IDE drive te rippen, dient de apparaatnaam aangegeven te worden in plaats van de SCSI eenheidsnummers. Om bijvoorbeeld track 7 van een IDE drive te rippen: &prompt.root; cdda2wav -D /dev/acd0a -t 7 De optie geeft het SCSI apparaat 0,1,0 aan, dat overeenkomt met de uitvoer van cdrecord -scanbus. Om individuele tracks te rippen kan gebruik gemaakt worden van de optie : &prompt.root; cdda2wav -D 0,1,0 -t 7 In het bovenstaande voorbeeld wordt track 7 van de audio CDROM geript. Om een reeks tracks te rippen, bijvoorbeeld van 1 tot 7, kan een reeks opgegeven worden: &prompt.root; cdda2wav -D 0,1,0 -t 1+7 Ook het hulpprogramma &man.dd.1; kan gebruikt worden om audio tracks van ATAPI drives af te halen. Deze mogelijkheid wordt beschreven in . MP3's Encoderen Tegenwoodig is de MP3 encoder lame. Lame staat in audio/lame in de portsstructuur. Met de geripte WAV-bestanden converteert het volgende commando audio01.wav naar audio01.mp3: &prompt.root; lame -h -b 192 \ --tt "Foo Titel" \ --ta "FooBar Artiest" \ --tl "FooBar Album" \ --ty "2005" \ --tc "Geript en encoded door Foo" \ --tg "Genre" \ audio01.wav audio01.mp3 192 kbits lijkt de standaard bitrate voor MP3 te zijn. Het is ook mogelijk 128 of 160 of andere bitrates te gebruiken. Hoe hoger de bitrate, hoe meer schijfruimte de uiteindelijke MP3-bestanden gebruiken, maar ook de kwaliteit wordt dan hoger. Met de optie wordt de modus hogere kwaliteit, maar iets langzamer ingeschakeld. Met de opties vanaf worden de ID3 tags ingegeven, die meestal informatie over een nummer bevatten en onderdeel uitmaken van het MP3-bestand. In de hulppagina voor lame staan nog meer opties die gebruikt kunnen worden bij het encoderen beschreven. MP3's Decoderen Om een CD te kunnen branden van MP3's, moeten ze omgezet worden naar een niet gecomprimeerd WAV-formaat. Zowel XMMS als mpg123 ondersteunen de uitvoer van MP3 naar een niet gecomprimeerd bestandsformaat. Naar schijf schrijven met XMMS: Start XMMS; Klik rechts op het venster om het XMMS menu te zien; Selecteer Preference onder Options; Wijzig de Output Plugin naar Disk Writer Plugin; Klik Configure; Voer een map in (of kies browse) waar de ongecomprimeerde bestanden heengeschreven moeten worden; Laad de MP3-bestanden zoals gewoonlijk in XMMS, met het volume op 100% en de EQ instellingen uitgeschakeld; Klik Play. XMMS lijkt nu de MP3 af te spelen, maar er is geen muziek te horen. Nu wordt feitelijk de MP3 afgespeeld naar een bestand; Zorg ervoor dat de standaard Output Plugin wordt teruggezet naar hoe de instellingen waren om weer naar MP3's te kunnen luisteren. Schrijven naar stdout vanuit mpg123: Voer mpg123 -s audio01.mp3 > audio01.pcm uit. XMMS schijft een bestand in het WAV-formaat, terwijl mpg123 de MP3 converteert naar ruwe PCM audio data. Beide formaten kunnen gebruikt worden met cdrecord om audio CD's te maken. Met &man.burncd.8; moeten ruwe PCM-bestanden gebruikt worden. Als er WAV-bestanden worden gebruikt, is er een tik-geluid te horen bij het begin van iedere track. Dit is het geluid van de kop van ieder WAV-bestand. Met het hulpprogramma SoX kan de kop van WAV-bestanden verwijderd worden. Dit programma kan geïnstalleerd worden met de port of package audio/sox &prompt.user; sox -t wav -r 44100 -s -w -c 2 track.wav track.raw In staat meer informatie over het gebruiken van een CD-brander in &os;. Ross Lippert Geschreven door Video Afspelen Video afspelen is een relatief nieuwe en zich snel ontwikkelende richting voor applicaties. In tegenstelling tot voor audio werkt alles hier niet zo soepel. Voor er wordt begonnen is het van belang te weten welk model videokaart zich in een systeem bevindt en welke chip die gebruikt. Hoewel &xorg; en &xfree86; vele videokaarten ondersteunen, zijn er veel minder geschikt om goed video mee af te spelen. Er kan een lijst met ondersteunde extensies getoond worden voor X server met de gebruikte videokaart door het commando &man.xdpyinfo.1; uit te voeren terwijl X11 draait. Het is verstandig een kort MPEG-bestand beschikbaar te hebben dat gebruikt kan worden als testbestand voor het evalueren van de spelers en hun opties. Omdat sommige DVD-spelers standaard zoeken naar DVD media in /dev/dvd of deze apparaatnaam standaard in de broncode hebben staan, is het wellicht verstandig om een symbolische link te maken naar de juist apparaten: &prompt.root; ln -sf /dev/acd0c /dev/dvd &prompt.root; ln -sf /dev/racd0c /dev/rdvd In &os; 5.X, dat &man.devfs.5; gebruikt, worden net iets andere links aangeraden: &prompt.root; ln -sf /dev/acd0 /dev/dvd &prompt.root; ln -sf /dev/acd0 /dev/rdvd Vanwege de werking van &man.devfs.5;, blijven handmatig aangemaakte links niet bestaan als een systeem wordt herstart. Om automatisch symbolische links aan te laten maken als een systeem start, kunnen de volgende regels toegevoegd worden aan /etc/devfs.conf: link acd0 dvd link acd0 rdvd Daarnaast zijn voor het decoderen van DVD, waarvoor bijzondere DVD-ROM functies aangeroepen worden, schrijfrechten op de DVD-apparaten nodig. kernelopties CPU_ENABLE_SSE kernelopties USER_LDT Een aantal van de hier besproken ports hebben specifieke kernelopties nodig om correct gebouwd te worden. Voordat ze gebouwd worden, dienen deze opties aan het bestand met kernelinstellingen toegevoegd te worden, dient de kernel opnieuw gebouwd te worden en het systeem opnieuw gestart te worden: option CPU_ENABLE_SSE option USER_LDT option USER_LDT bestaat niet in &os; 5.X. Om de gedeeld geheugen interface van X11 te verbeteren, wordt aangeraden dat een aantal variablelen van &man.sysctl.8; worden verhoogd: kern.ipc.shmmax=67108864 kern.ipc.shmall=32768 Videomogelijkheden Vaststellen XVideo SDL DGA Er zijn een aantal methoden om video weer te geven onder X11. Welke echt werkt, is voornamelijk afhankelijk van de gebruikte hardware. Iedere hieronder beschreven methode geeft andere resultaten op andere hardware. De laatste tijd krijgt het renderen van video in X11 veel aandacht en bij iedere versie van &xorg; of &xfree86; kan er een aanzienlijke verbetering zijn. Een lijst van veel gebruikte video-interfaces: X11: normale X11 uitvoer met gebruikmaking van gedeeld geheugen; XVideo: een uitbreiding op de X11 interface die video in een door X11 getekend object ondersteunt; SDL: de Simple Directmedia Layer; DGA: de Direct Graphics Access; SVGAlib: low level console grafische laag. XVideo &xorg; en &xfree86; 4.X kennen een uitbreiding XVideo, ook bekend als Xvideo, Xv of xv, waarmee video direct weergegeven kan worden in getekende objecten door een speciale versneller. Deze uitbreiding geeft een goede afspeelkwaliteit, zelfs op machines met mindere specificaties. Of de uitbreiding actief is, kan gecontroleerd worden met het commando xvinfo: &prompt.user; xvinfo XVideo wordt ondersteund als de uitvoer er ongeveer als volgt uitziet: X-Video Extension version 2.2 screen #0 Adaptor #0: "Savage Streams Engine" number of ports: 1 port base: 43 operations supported: PutImage supported visuals: depth 16, visualID 0x22 depth 16, visualID 0x23 number of attributes: 5 "XV_COLORKEY" (range 0 to 16777215) client settable attribute client gettable attribute (current value is 2110) "XV_BRIGHTNESS" (range -128 to 127) client settable attribute client gettable attribute (current value is 0) "XV_CONTRAST" (range 0 to 255) client settable attribute client gettable attribute (current value is 128) "XV_SATURATION" (range 0 to 255) client settable attribute client gettable attribute (current value is 128) "XV_HUE" (range -180 to 180) client settable attribute client gettable attribute (current value is 0) maximum XvImage size: 1024 x 1024 Number of image formats: 7 id: 0x32595559 (YUY2) guid: 59555932-0000-0010-8000-00aa00389b71 bits per pixel: 16 number of planes: 1 type: YUV (packed) id: 0x32315659 (YV12) guid: 59563132-0000-0010-8000-00aa00389b71 bits per pixel: 12 number of planes: 3 type: YUV (planar) id: 0x30323449 (I420) guid: 49343230-0000-0010-8000-00aa00389b71 bits per pixel: 12 number of planes: 3 type: YUV (planar) id: 0x36315652 (RV16) guid: 52563135-0000-0000-0000-000000000000 bits per pixel: 16 number of planes: 1 type: RGB (packed) depth: 0 red, green, blue masks: 0x1f, 0x3e0, 0x7c00 id: 0x35315652 (RV15) guid: 52563136-0000-0000-0000-000000000000 bits per pixel: 16 number of planes: 1 type: RGB (packed) depth: 0 red, green, blue masks: 0x1f, 0x7e0, 0xf800 id: 0x31313259 (Y211) guid: 59323131-0000-0010-8000-00aa00389b71 bits per pixel: 6 number of planes: 3 type: YUV (packed) id: 0x0 guid: 00000000-0000-0000-0000-000000000000 bits per pixel: 0 number of planes: 0 type: RGB (packed) depth: 1 red, green, blue masks: 0x0, 0x0, 0x0 Sommige van de weergegeven formaten (YUV2, YUV12, enzovoort) zijn niet in iedere implementaties van XVideo beschikbaar en hun afwezigheid kan sommige spelers hinderen. Als het resultaat er als hieronder uitziet, is er geen ondersteuning voor XVideo aanwezig op de videokaart in een systeem: X-Video Extension version 2.2 screen #0 no adaptors present Als XVideo voor een kaart niet wordt ondersteund, dan betekent dat alleen dat het lastiger wordt om op een beeldscherm aan de vereisten voor het renderen van video te voldoen. Afhankelijk van de videokaart en de processor kan het toch nog mogelijk zijn om acceptabele prestaties neer te zetten. In staan verwijzingen naar leesvoer over mogelijkheden voor het verbeteren van prestaties. Eenvoudige Directmedia Laag De Eenvoudige Directmedia Laag (Simple Directmedia Layer), SDL, was bedoeld als een porting-laag tussen µsoft.windows;, BeOS en &unix;, waardoor cross-platform toepassingen konden worden ontwikkeld die efficiënt gebruik maken van geluid en beelden. De SDL laag biedt een abstractie op laag niveau naar de hardware die soms efficiënter kan zijn dan de X11 interface. De SDL staat in devel/sdl12. Directe Grafische Toegang Directe Grafische Toegang (Direct Graphics Access) is een X11 uitbreiding die een programma in staat stelt voorbij te gaan aan de X server en de framebuffer direct kan wijzigen. Omdat hij afhankelijk is van geheugenmapping op een laag niveau om dit delen uit te voeren, moeten programma's die er gebruik van maken als root draaien. De DGA uitbreiding kan getest en gebenchmarkt worden met &man.dga.1;. Als dga draait, verandert het de kleuren op een scherm als er een toets wordt ingedrukt. Om te stoppen kan de toets q gebruikt worden. Ports en Packages met Video videopoorten videopackages In dit onderdeel wordt de software die vanuit de &os; - portscollectie beschikbaar is voor het afspelen van video + Portscollectie beschikbaar is voor het afspelen van video beschreven. Het afspelen van video is een tak van softwareontwikkeling die erg in beweging is en de mogelijkheden van de verschillende applicaties verschillen zeer waarschijnlijk van wat hier is beschreven. Als eerste is het belangrijk om te weten dat veel applicaties die met video te maken hebben en op &os; draaien ontwikkeld zijn als &linux; applicaties. Veel van die applicaties zijn op het moment van schrijven van beta-kwaliteit. Problemen die te verwachten zijn bij het gebruik van de beschreven videopakketten op &os; zijn: Een applicatie kan geen bestanden afspelen die zijn gemaakt met een andere applicatie; Een applicatie kan geen bestanden afspelen die met de applicatie zelf zijn gemaakt; Dezelfde applicatie, op twee verschillende machines gebouwd, speelt hetzelfde bestand op twee machines anders af; Een ogenschijlijk triviale filter, zoals het herschalen van beeldgrootte, kan resulteren in vreselijk vervelende artefacten door fouten in de routine voor het herschalen; Een applicatie dumpt zijn core regelmatig; Documentatie wordt niet geïnstalleerd bij de port en staat op het web of in de map work van de port. Veel van deze applicaties kunnen ook Linux-ismes vertonen. Zo kunnen er bijvoorbeeld problemen ontstaan door de wijze waarop standaard bibliotheken zijn geïmplementeerd in de &linux; distributies of een aantal van de mogelijkheden van de &linux;-kernel, waarvan door de makers van de applicatie wordt aangenomen dat ze aanwezig zijn. Dit soort problemen zijn niet altijd zichtbaar en er wordt ook omheen gewerkt door de beheerders van ports, wat tot de volgende mogelijke problemen kan leiden: Het gebruik van /proc/cpuinfo om processorkarakteristieken uit te lezen; Het verkeerd gebruiken van threads, waardoor een programma hangt als het klaar is, in plaats van dat het echt eindigt; - Software die nog niet in de &os; portscollectie zit en + Software die nog niet in de &os; Portscollectie zit en vaak gebruikt wordt samen met een applicatie die daar wel onderdeel van uitmaakt. Tot nu toe is gebleken dat de ontwikkelaars van applicaties wel coöperatief waren met de beheerders van ports om zo het aantal work-arounds dat nodig was voor het porten tot een minimum te beperken. MPlayer MPlayer is een zich snel ontwikkelende videospeler. De doelen van het MPlayer-team zijn snelheid en flexibiliteit onder &linux; en andere Unices. Het project is gestart toen de oprichter van het team genoeg had van de slechte afspeelprestaties van de destijds beschikbare spelers. Er zijn mensen die zeggen dat het grafische ontwerp is opgeofferd voor het stroomlijnen van het ontwerp, maar het blijkt dat, als een gebruiker gewend is aan de commandoregelopties en de toetsencommando's, de applicatie erg goed werkt. MPlayer Bouwen MPlayer maken MPlayer staat in multimedia/mplayer. MPlayer voert een aantal hardwarecontroles uit tijdens het bouwen, wat resulteert in een binair bestand dat niet van het ene naar het andere systeem verplaatst kan worden. Daarom is het van belang dat het uit de ports wordt gebouwd en niet als binair package wordt geïnstalleerd. Daarnaast staan er ook nog opties die vanaf de make commandoregel meegegeven kunnen worden beschreven in de Makefile en aan het begin van de build: &prompt.root; cd /usr/ports/multimedia/mplayer &prompt.root; make N - O - T - E Take a careful look into the Makefile in order to learn how to tune mplayer towards you personal preferences! For example, make WITH_GTK1 builds MPlayer with GTK1-GUI support. If you want to use the GUI, you can either install /usr/ports/multimedia/mplayer-skins or download official skin collections from http://www.mplayerhq.hu/homepage/dload.html De standaard portopties zijn voor de meeste gebruikers voldoende. Maar als bijvoorbeeld de XviD codec nodig is, dan moet de optie WITH_XVID op de commandoregel meegegeven worden. Het standaard DVD-apparaat kan ook gedefinieerd worden met de optie WITH_DVD_DEVICE, waarbij standaard /dev/acd0 wordt gebruikt. Op het moment van schrijven wordt de MPlayer port gebouwd met de HTML documentatie en twee uitvoerbare bestanden, mplayer en mencoder, wat een hulpmiddel is voor het opnieuw encoderen van video. De HTML documentatie voor MPlayer is erg informatief. Als de lezer vindt dat er informatie over videohardware en interfaces in dit hoofdstuk mist, dan is de documentatie van MPlayer een zeer grondige aanvulling. Het is de moeite waard de tijd te nemen om de documentatie van MPlayer te lezen, als meer informatie over de ondersteuning van video in &unix; welkom is. MPlayer Gebruiken MPlayer gebruiken Iedere gebruiker van MPlayer dient een submap .mplayer in zijn thuismap te hebben. Die kan als volgt gemaakt worden: &prompt.user; cd /usr/ports/multimedia/mplayer &prompt.user; make install-user De commando-opties voor mplayer staan in de hulppagina. Nog meer details staan in de HTML documentatie. In dit onderdeel worden slechts een aantal gebruiksmogelijkheden beschreven. Om een bestand als testfile.avi af te spelen met een van de beschikbare video-interfaces, kan de optie gebruikt worden: &prompt.user; mplayer -vo xv testfile.avi &prompt.user; mplayer -vo sdl testfile.avi &prompt.user; mplayer -vo x11 testfile.avi &prompt.root; mplayer -vo dga testfile.avi &prompt.root; mplayer -vo 'sdl:dga' testfile.avi Het is de moeite waard alle bovenstaande opties uit te proberen omdat hun relatieve prestatie afhangt van vele factoren die aanzienlijk verschillen tussen hardware. Om een DVD af te spelen dient testfile.avi vervangen te worden door waar N het titelnummer is dat afgespeeld moeten worden en APPARAAT de apparaatnode is voor de DVD-ROM. Om bijvoorbeeld titel 3 van /dev/dvd af te spelen: &prompt.root; mplayer -vo xv dvd://3 -dvd-device /dev/dvd Het standaard DVD-apparaat kan ingesteld worden bij het bouwen van de MPlayer port met de optie WITH_DVD_DEVICE. Standaard is dit apparaat /dev/acd0. Meer details staan in de Makefile van de port. Om te stoppen, pauzeren, verder te spoelen, enzovoort, kunnen de toetsendefinities gebruikt worden, die in te zien zijn door mplayer -h uit te voeren of de hulppagina te lezen. Overige belangrijke opties voor het afspelen zijn: , waarmee het volledige scherm wordt gebruikt, en , die prestatieverhogend werkt. Om ervoor te zorgen dat de commandoregels niet te lang worden, kan het bestand .mplayer/config met voorkeursinstellingen gemaakt worden: vo=xv fs=yes zoom=yes Tenslotte kan mplayer gebruikt worden om een DVD naar een bestand van het type .vob te rippen. Om de tweede titel van een DVD de dumpen kan het volgende commando gebruikt worden: &prompt.root; mplayer -dumpstream -dumpfile out.vob dvd://2 -dvd-device /dev/dvd Het uitvoerbestand out.vob, is van het type MPEG en kan bewerkt worden met andere in dit onderdeel besproken programma's. <command>mencoder</command> mencoder Voordat mencoder wordt gebruikt, is het verstandig de opties uit de HTML-documentatie te bekijken. Er is een hulppagina, maar die is niet echt bruikbaar zonder de HTML-documentatie. Er zijn ontelbare mogelijkheden om de kwaliteit te verhogen, de bitrate te verlagen en formaten te wijzigen en een aantal van die truuks maken het verschil tussen goede en slechte prestaties. Hieronder staan een aantal voorbeelden beschreven. Eenvoudigweg kopiëren: &prompt.user; mencoder input.avi -oac copy -ovc copy -o output.avi Verkeerde combinaties van commandoregelopties kunnen resulteren in uitvoerbestanden die zelfs niet af te spelen zijn door mplayer. Daarom wordt aangeraden om het bij de optie in mplayer te houden als het alleen maar nodig is een bestand te rippen. Om input.avi te converteren naar de MPEG4-codec met MPEG3-audio encoding (audio/lame is verplicht): &prompt.user; mencoder input.avi -oac mp3lame -lameopts br=192 \ -ovc lavc -lavcopts vcodec=mpeg4:vhq -o output.avi Hiermee wordt uitvoer gemaakt die af te spelen is met mplayer en xine. input.avi kan worden vervangen door en als root gedraaid worden om een DVD titel direct te hercoderen. Omdat het waarschijnlijk is dat de eerste experimenten niet direct tevredenstellend zijn, wordt aangeraden een titel eerst naar een bestand te dumpen en dat als werkbestand te gebruiken. <application>xine</application> Videospeler De xine videospeler is een project met een brede scope, dat niet alleen tracht een allesomvattende video-oplossing te bieden, maar ook probeert een herbruikbare basisbibliotheek en een modulair uitvoerbaar bestand te maken dat uitgebreid kan worden met plug-ins. Het kan als package en port geïnstalleerd worden uit multimedia/xine. De xine speler heeft nog wat ruwe randjes, maar is zeker goed van start gegaan. In de praktijk heeft xine een snelle CPU met een snelle videokaart of ondersteuning voor de XVideo extensie nodig. De GUI is bruikbaar, maar wat onhandig. Op het moment van schrijven wordt er geen invoermodule bij xine geleverd waarmee CSS gecodeerde DVD's afgespeeld kunnen worden. Er zijn er die door andere partijen zijn gebouwd die dat type modules wel hebben, maar die zijn niet beschikbaar in de &os; - portscollectie. + Portscollectie. Vergeleken met MPlayer, doet xine meer voor de gebruiker, maar tegelijkertijd neemt het wat van de fijnafstellingsmogelijkheden weg. De xine videospeler werkt het beste op XVideo interfaces. Standaard start de xine speler op in een grafische gebruikersinterface. Via het menu kan een specifiek bestand geopend worden: &prompt.user; xine Het is ook mogelijk om zonder de GUI direct een bestand af te laten spelen: &prompt.user; xine -g -p mymovie.avi <application>transcode</application> Hulpprogramma's De software transcode is geen speler, maar een verzameling hulpprogramma's voor het hercoderen van .avi en .mpg bestanden. Met transcode wordt het mogelijk om videobestanden samen te voegen, kapotte bestanden te repareren en commandoregelprogramma's te gebruiken met stdin/stdout stream interfaces. Net als MPlayer is transcode bijzonder experimentele software die vanuit de port multimedia/transcode gebouwd moet worden. Er zijn veel opties voor make beschikbaar en daaruit worden de volgende aangeraden: &prompt.root; make WITH_LIBMPEG2=yes Als ook multimedia/avifile wordt geïnstalleerd, dan dient WITH_AVIFILE aan de make commandoregel te worden toegevoegd: &prompt.root; make WITH_AVIFILE=yes WITH_LIBMPEG2=yes Hieronder staan twee voorbeelden beschreven waarin transcode wordt gebruikt voor het converteren van video met als resultaat anders geschaalde uitvoer. Het eerste encodeert de uitvoer naar een openDIVX AVI-bestand, het tweede encodeert het naar het meer portabele formaat MPEG. &prompt.user; transcode -i input.vob -x vob -V -Z 320x240 \ -y opendivx -N 0x55 -o output.avi &prompt.user; transcode -i input.vob -x vob -V -Z 320x240 \ -y mpeg -N 0x55 -o output.tmp &prompt.user; tcmplex -o output.mpg -i output.tmp.m1v -p output.tmp.mpa -m 1 Er is een hulppagina voor transcode, maar er is weinig documentatie voor de verschillende tc* programma's (zoals tcmplex) die ook zijn geïnstalleerd. Voor ieder commando is wel de commandoregeloptie beschikbaar, waarmee een korte beschrijving voor het gebruik van het programma wordt getoond. Als de twee vergeleken worden, draait transcode aanzienlijk langzamer dan mencoder, maar is de kans wel groter dat er een bestand uit komt dat op de meeste spelers afgespeeld kan worden. MPEG-bestanden die met transcode zijn gemaakt, zijn bijvoorbeeld al afgespeeld op &windows.media; Player en Apple's &quicktime;. Verder Lezen De beschikbare videosoftware pakketten voor &os; zijn fors in ontwikkeling. Het is goed mogelijk dat in de nabije toekomst de meeste problemen die hier aan de kaak zijn gesteld, zijn opgelost. Intussen kunnen zij die het hoogst haalbare uit de A/V mogelijkheden voor &os; willen halen, dat het beste doen door wat beschikbaar is bij elkaar te scharrelen uit de beschikbare FAQ's and tutorials en meerdere programma's gebruiken. Het doel van deze paragraaf is de lezer wat richting te geven op dat vlak. De MPlayer documentatie is technisch erg informatief. Deze documenten kunnen het beste bekeken worden door iemand die veel kennis wil opdoen over video in &unix;. Op de MPlayer mailinglijst wordt het niet op prijsgesteld als iemand de documentatie niet heeft gelezen, dus het is verstandig RTFM in gedachten te houden alvorens bug reports naar ze te mailen. De xine HOWTO bevat een hoofdstuk over het verbeteren van prestaties, dat op alle spelers van toepassing is. Tenslotte zijn er nog een aantal veelbelovende applicaties die het proberen waard zijn: Avifile bestaat ook als port: multimedia/avifile; Ogle is er ook als port: multimedia/ogle; Xtheater; multimedia/dvdauthor, een open source pakket voor authoring van DVD content. Josef El-Rayes Oorspronkelijk geschreven door Marc Fonvieille Verbeterd en aangepast door TV-kaarten Installeren TV-kaarten Inleiding Met TV-kaarten is het mogelijk om naar (kabel)uitzendingen te kijken op een computer. Op de meeste kaarten kan composiet video aangeleverd worden via een RCA of S-video input en sommige kaarten hebben ook een FM tuner. &os; biedt ondersteuning voor PCI-gebaseerde TV-kaarten met een Brooktree Bt848/849/878/879 of een Conexant CN-878/Fusion 878a Video Capture Chip met het stuurprogramma &man.bktr.4;. Het is van belang dat er op de kaart ook een ondersteunde tuner zit. Hiervoor kan &man.bktr.4; geraadpleegd worden, waarin een lijst met ondersteunde tuners staat. Stuurprogramma Toevoegen Voordat de kaart gebruikt kan worden, dient het stuurprogramma &man.bktr.4; geladen te worden. Dit kan door de volgende regel aan /boot/loader.conf toe te voegen: bktr_load="YES" Daarnaast is het ook mogelijk om statisch ondersteuning voor de TV-kaart in de kernel te compileren. Dan dient de volgende regel toegevoegd te worden aan de kernelinstellingen: device bktr device iicbus device iicbb device smbus De extra stuurprogramma's zijn nodig omdat de kaartcomponenten verbonden zijn via een I2C bus. Met deze instellingen kan een nieuwe kernel gebouwd en geïnstalleerd worden. Als een systeem eenmaal ondersteuning biedt, hoort de TV-kaart ongeveer als volgt bij een herstart getoond te worden: bktr0: <BrookTree 848A> mem 0xd7000000-0xd7000fff irq 10 at device 10.0 on pci0 iicbb0: <I2C bit-banging driver> on bti2c0 iicbus0: <Philips I2C bus> on iicbb0 master-only iicbus1: <Philips I2C bus> on iicbb0 master-only smbus0: <System Management Bus> on bti2c0 bktr0: Pinnacle/Miro TV, Philips SECAM tuner. Deze berichten kunnen afwijken, afhankelijk van de gebruikte hardware. Het is van belang te controleren of de tuner juist herkend wordt; er kunnen nog een aantal instellingen gemaakt worden voor parameters met &man.sysctl.8; MIB's en in het kernelinstellingenbestand. Om bijvoorbeeld het gebruik van een Philips SECAM tuner te forceren, kan de volgende regel aan het bestand met kernelinstellingen worden toegevoegd: options OVERRIDE_TUNER=6 Dit kan ook via een instelling van &man.sysctl.8;: &prompt.root; sysctl hw.bt848.tuner=6 In &man.bktr.4; en /usr/src/sys/conf/NOTES staan meer details over de beschikbare opties (onder &os; 4.X dient voor /usr/src/sys/conf/NOTES het bestand /usr/src/sys/i386/conf/LINT gelezen te worden). Handige Programma's Om een TV-kaart te gebruiken, dient een van de volgende applicaties geïnstalleerd te worden: multimedia/fxtv biedt TV-in-een-window en beeld/audio/videocapture mogelijkheden; multimedia/xawtv is ook een TV applicatie met dezelfde mogelijkheden als fxtv; misc/alevt decodeert Videotext/Teletext en kan deze weergeven; audio/xmradio, een applicatie om de FM tuner die bij sommige TV-kaarten zit te gebruiken; audio/wmtune, een handige bureaubladapplicatie voor radiotuners. Er zijn nog meer applicaties beschikbaar in de - portscollectie. + Portscollectie. Problemen Oplossen Bij problemen met een TV-kaart dient eerst gecontroleerd te worden of de videocapture chip en de tuner echt ondersteund worden door het stuurprogramma &man.bktr.4; en of de juiste instellingen worden gebruikt. Voor meer ondersteuning en vragen over een specifieke TV-kaart is het aan te raden de archieven van de &a.multimedia.name; mailinglijst te raadplegen of er contact mee op te nemen. Marc Fonvieille Geschreven door Scanners scanners Inleiding In &os; is het, net als in andere moderne besturingssystemen, mogelijk om scanners te gebruiken. Gestandaardiseerde toegang tot scanners is mogelijk met de SANE (Scanner Access Now Easy) API uit de &os; portscollectie. + Interface">API uit de &os; Portscollectie. SANE gebruikt ook een aantal &os; apparaatstuurprogramma's om toegang te krijgen tot de hardware van de scanner. &os; ondesteunt SCSI en USB scanners. Het is van belang te controleren of een scanner door SANE wordt ondersteund voordat er instellingen worden gemaakt. SANE heeft een lijst met ondersteunde apparaten waarin gekeken kan worden of een scanner wordt ondersteund en wat de status voor ondersteuning is. In &man.uscanner.4; staat een lijst met ondersteunde USB-scanners. Kernel Instellen Zoals hierboven al is aangegeven, worden zowel SCSI als USB-scanners ondersteund. Afhankelijk van de gebruikte scannerinterface zijn verschillende apparaatstuurprogramma's nodig. USB Interface In de GENERIC kernel zitten standaard de apparaatstuurprogramma's die nodig zijn voor ondersteuning van USB-scanners. In het geval wordt besloten tot het maken van een aangepaste kernel, dan dienen de volgende regels in het kernelinstellingenbestand te worden opgenomen: device usb device uhci device ohci device uscanner Afhankelijk van de USB-chipset op een moederbord, is alleen device uhci of device ohci nodig, maar het opnemen van beiden in het bestand met kernelinstellingen is niet schadelijk. Als het niet wenselijk is een nieuwe kernel te bouwen en er wordt geen GENERIC kernel gebruikt, dan kan de apparaatstuurprogrammamodule &man.uscanner.4; direct geladen worden met &man.kldload.8;: &prompt.root; kldload uscanner Om de module bij iedere systeemstart te laden kan de volgende regel aan /boot/loader.conf worden toegevoegd: uscanner_load="YES" Na een herstart met een juiste ingestelde kernel of na het laden van de benodigde module, kan de USB-scanner aangesloten worden. De scanner hoort ongeveer als volgt gemeld te worden in de systeemberichtbuffer (&man.dmesg.8;): uscanner0: EPSON EPSON Scanner, rev 1.10/3.02, addr 2 Het bovenstaande geeft aan dat de scanner de apparaatnode /dev/uscanner0 gebruikt. Om onder &os; 4.X bepaalde USB-apparaten te zien, moet daar de USB daemon (&man.usbd.8;) draaien. Om die in te schakelen, dient usbd_enable="YES" toegevoegd te worden aan /etc/rc.conf en dient een systeem herstart te worden. SCSI Interface Als een scanner een SCSI interface heeft, is het belangrijk te weten welk SCSI controllerbord gebruikt gaat worden. Afhankelijk van de gebruikte SCSI chipset, dient het bestand met kernelinstellingen aangepast te worden. De GENERIC kernel ondersteunt de meest voorkomende SCSI controllers. In het bestand NOTES (LINT onder &os; 4.X) is de juiste instelling te vinden die toegevoegd moet worden aan het bestand met kernelinstellingen. Naast het toevoegen van het juiste SCSI-adapter stuurprogramma, dienen ook de volgende regels opgenomen te worden in het kernelinstellingenbestand: device scbus device pass Als de kernel juist gecompileerd is, horen de apparaten zichtbaar te zijn in de systeemberichtbuffer tijdens het opstarten: pass2 at aic0 bus 0 target 2 lun 0 pass2: <AGFA SNAPSCAN 600 1.10> Fixed Scanner SCSI-2 device pass2: 3.300MB/s transfers Als een scanner niet aan staat tijdens het opstarten, is het nog mogelijk handmatig detectie te forceren door de SCSI-bus te laten scannen met &man.camcontrol.8;: &prompt.root; camcontrol rescan all Re-scan of bus 0 was successful Re-scan of bus 1 was successful Re-scan of bus 2 was successful Re-scan of bus 3 was successful In het bovenstaande geval zal de scanner ongeveer als volgt verschijnen in de lijst met SCSI-apparaten: &prompt.root; camcontrol devlist <IBM DDRS-34560 S97B> at scbus0 target 5 lun 0 (pass0,da0) <IBM DDRS-34560 S97B> at scbus0 target 6 lun 0 (pass1,da1) <AGFA SNAPSCAN 600 1.10> at scbus1 target 2 lun 0 (pass3) <PHILIPS CDD3610 CD-R/RW 1.00> at scbus2 target 0 lun 0 (pass2,cd0) Meer details over SCSI-apparaten staan in &man.scsi.4; en &man.camcontrol.8;. SANE Instellen Het SANE systeem is opgesplitst in twee delen: de backends (graphics/sane-backends) en de frontends (graphics/sane-frontends). Het deel met de backends zorgt voor de toegang tot de scanner zelf. In de lijst met door SANE ondersteunde apparaten staat welk backend welke scanner(s) ondersteunt. Het is echt nodig het juiste backend vast te stellen, omdat het anders bijzonder lastig wordt een scanner aan de praat te krijgen. Het deel met frontends levert een grafische scaninterface (xscanimage). Als eerste dient de port of het package graphics/sane-backends geïnstalleerd te worden. Daarna kan met het commando sane-find-scanner gecontroleerd worden welke scanner er door het SANE systeem is gedetecteerd: &prompt.root; sane-find-scanner -q found SCSI scanner "AGFA SNAPSCAN 600 1.10" at /dev/pass3 In de uitvoer is te lezen welk type interface en welke apparaatnode worden gebruikt om de scanner met een systeem te verbinden. Het merk en het model worden wellicht niet getoond, maar dat is ook niet echt van belang. Sommige USB-scanners verlangen dat er firmware wordt geladen. Dit wordt uitgelegd in de hulppagina van het backend. Het is ook van belang &man.sane-find-scanner.1; en &man.sane.7; te lezen. Hierna kan gecontroleerd worden of de scanner ook te zien is voor een scanner-frontend. Er zit bij de SANE backends een standaard hulpprogramma &man.scanimage.1;. Met dit commando kunnen de apparaten zichtbaar gemaakt worden en kan vanaf de commandoregel gescand worden. Met de optie kunnen de scannerapparaten getoond worden: &prompt.root; scanimage -L device `snapscan:/dev/pass3' is a AGFA SNAPSCAN 600 flatbed scanner De afwezigheid van uitvoer of een bericht dat aangeeft dat er geen scanners zijn aangetroffen, betekent dat &man.scanimage.1; niet in staat is een scanner te identificeren. Als dit gebeurt, dient het instellingenbestand voor het backend aangepast te worden en dient daar de juiste instelling gemaakt te worden. De map /usr/local/etc/sane.d/ bevat alle bestanden met instellingen voor de backends. Het is bekend dat dit identificatieprobleem optreedt bij bepaalde USB-scanners. De USB-scanner die in wordt gebruikt, toont bijvoorbeeld de volgende informatie met sane-find-scanner: &prompt.root; sane-find-scanner -q found USB scanner (UNKNOWN vendor and product) at device /dev/uscanner0 De bovenstaande uitvoer geeft aan dat de scanner juist is gedetecteerd, dat hij de USB interface gebruikt en is aangesloten op de apparaatnode /dev/uscanner0. Nu kan gecontroleerd worden of de scanner juist wordt geïdentificeerd: &prompt.root; scanimage -L No scanners were identified. If you were expecting something different, check that the scanner is plugged in, turned on and detected by the sane-find-scanner tool (if appropriate). Please read the documentation which came with this software (README, FAQ, manpages). Omdat in het bovenstaande voorbeeld de scanner niet wordt geïdentificeerd, dient het bestand /usr/local/etc/sane.d/epson.conf gewijzigd te worden. De gebruikte scanner is een &epson.perfection; 1650, dus in dit geval dient voor de scanner het backend epson gebruikt te worden. Het is van belang om het commentaar in de instellingenbestanden van de backends te lezen. Het aanpassen van regels is eenvoudig: plaats een commentaarkarakter voor alle regels voor andere interfaces dan die nodig zijn weg (in dit geval worden alle regels die beginnen met het woord scsi uitgeschakeld, omdat er een USB interface wordt gebruiken), en dan kan onderaan het bestand een regel met de gebruikte interface en apparaatnode geplaatst worden: usb /dev/uscanner0 Het is aan te raden de opmerkingen te lezen in het bestand met instellingen voor het backend en ook de hulppagina, omdat daarin meer details en de correcte syntaxis te vinden zijn. Nu kan gecontroleerd worden of de scanner wèl juist wordt geïdentificeerd: &prompt.root; scanimage -L device `epson:/dev/uscanner0' is a Epson GT-8200 flatbed scanner In het bovenstaande voorbeeld wordt duidelijk dat de USB-scanner is geïdentificeerd. Het is niet belangrijk dat het merk en model niet overeenkomen. Het belangrijkste is het veld `epson:/dev/uscanner0', dat de juiste benamingen voor het backend en de apparaatnode aangeeft. Als scanimage -L in staat is een scanner goed te zien, dan zijn de instellingen compleet. Er kan nu met het apparaat gescand worden. Hoewel &man.scanimage.1; in staat is om vanaf de commandoregel te scannen, is het aan te raden beelden te scannen vanuit de grafische gebruikersinterface. SANE heeft een eenvoudige, maar efficiënte grafische interface: xscanimage (graphics/sane-frontends). Xsane (graphics/xsane) is een ander populair grafisch scanfrontend, dat geavanceerde mogelijkheden biedt, zoals meerdere scanmodi (fotokopie, fax, enzovoort), kleurcorrectie, batchscannen, enzovoort. Beide applicaties zijn als plug-in voor GIMP te gebruiken. Scannergebruik voor Andere Gebruikers Toestaan Alle voorgaande taken zijn uitgevoerd met root rechten, maar het is wellicht ook nodig dat andere gebruikers de scanner kunnen gebruiken. Dan heeft een gebruiker lees- en schrijfrechten nodig op de apparaatnode voor een scanner. Een USB-scanner gebruikt bijvoorbeeld apparaatnode /dev/uscanner0, waarvan de groep operator eigenaar is. Door gebruiker joe lid te maken van de groep operator, kan die gebruiker de scanner gebruiken: &prompt.root; pw groupmod operator -m joe In &man.pw.8; staan meer details. Op de apparaatnode /dev/uscanner0 moeten ook de juiste rechten staan. Standaard kan de groep operator alleen lezen op de apparaatnode. Dit is te wijzigen door de volgende regel aan /etc/devfs.rules toe te voegen: [system=5] add path uscanner0 mode 660 Daarna kan de volgende regel aan /etc/rc.conf toegevoegd worden en dient een machine herstart te worden: devfs_system_ruleset="system" Meer informatie over de bovenstaande instellingen staan in &man.devfs.8; manual page. Onder &os; 4.X heeft de groep operator standaard lees- en schrijfrechten op /dev/uscanner0. Natuurlijk dient ook beveiliging een factor te zijn in de afweging of een gebruiker lid gemaakt moet worden van een bepaalde groep, zeker als dat om de groep operator gaat. diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/network-servers/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/network-servers/chapter.sgml index fda14e47ec..eac66f308c 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/network-servers/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/network-servers/chapter.sgml @@ -1,5543 +1,5543 @@ Murray Stokely Gereorganiseerd door Siebrand Mazeland Vertaald door Netwerkdiensten Overzicht Dit hoofdstuk behandelt een aantal veelgebruikte netwerkdiensten op &unix; systemen. Er wordt ingegaan op de installatie, het instellen, testen en beheren van verschillende typen netwerkdiensten. Overal in dit hoofdstuk staan voorbeeldbestanden met instellingen waar de lezer zijn voordeel mee kan doen. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe om te gaan met de inetd daemon; Hoe een netwerkbestandssysteem opgezet kan worden; Hoe een netwerkinformatiedienst (NIS) opgezet kan worden voor het delen van gebruikersaccounts; Hoe automatische netwerkinstellingen gemaakt kunnen worden met DHCP; Hoe een domeinnaam server opgezet kan worden; Hoe een Apache HTTP Server opgezet kan worden; Hoe een File Transfer Protocol (FTP) Server opgezet kan worden; Hoe een bestands- en printserver voor &windows; clients opgezet kan worden met Samba; Hoe datum en tijd gesynchroniseerd kunnen worden en hoe een tijdserver opgezet kan worden met het NTP protocol. Veronderstelde voorkennis: Basisbegrip van de scripts in /etc/rc; Bekend zijn met basis netwerkterminologie; Kennis van de installatie van software van derde partijen (). Chern Lee Geschreven door De <application>inetd</application> <quote>Super-Server</quote> Overzicht &man.inetd.8; wordt de internet Super-Server genoemd, omdat die verbindingen voor meerdere diensten beheert. Als door inetd een verbinding wordt ontvangen, bepaalt die voor welk programma de verbinding bedoeld is, spawnt dat proces en delegeert de socket (het programma wordt gestart met de socket van de dienst als zijn standaard invoer, uitvoer en foutbeschrijvingen). Het draaien van één instantie van inetd reduceert de load op een systeem in vergelijking met het in stand-alone modus draaien van alle daemons. inetd wordt primair gebruikt om andere daemons aan te roepen, maar het handelt een aantal triviale protocollen direct af, zoals chargen, auth en daytime. In deze paragraaf worden de basisinstellingen van inetd behandeld met de opties vanaf de commandoregel en met het instellingenbestand /etc/inetd.conf. Instellingen inetd wordt gestart door het /etc/rc.conf systeem. De optie inetd_enable staat standaard op NO, maar wordt door sysinstall vaak ingeschakeld door de instellingen van het medium beveiligingsprofiel. Door het instellen van inetd_enable="YES" of inetd_enable="NO" in /etc/rc.conf wordt inetd bij het opstarten van een systeem wel of niet ingeschakeld. Dan kunnen er ook nog een aantal commandoregelopties aan inetd meegegeven worden met de optie inetd_flags. Commandoregelopties inetd overzicht: inetd [-d] [-l] [-w] [-W] [-c maximum] [-C rate] [-a adres | hostnaam] [-p bestandsnaam] [-R rate] [instellingenbestand] -d Schakel debugging in. -l Schakel het loggen van succesvolle verbindingen in. -w Schakel TCP Wrapping voor externe diensten in (staat standaard aan). -W Schakel TCP Wrapping voor internet diensten uit inetd in (staat standaard aan). -c maximum Geeft het maximale aantal gelijktijdige verzoeken voor iedere dienst aan. De standaard is ongelimiteerd. Kan per dienst ter zijde geschoven worden met de parameter . -C rate Geeft het maximale aantal keren aan dat een dienst vanaf een bepaald IP adres per minuut aangeroepen kan worden. Kan per dienst ter zijde geschoven worden met de parameter . -R rate Geeft het maximale aantal keren aan dat een dienst per minuut aangeroepen kan worden. De standaard is 256. De instelling 0 geeft aan dat er geen limiet is. -a Geeft een of meer IP adres associaties aan. Er kan ook een hostnaam opgegeven worden, in welk geval het IPv4 of IPv6 adres dat met de hostnaam overeenkomst wordt gebruikt. Meestal wordt er een hostnaam gebruikt als inetd in een &man.jail.8; draait en de hostnaam dus overeenkomst met de &man.jail.8;-omgeving. Als er een hostnaam wordt aangegeven en zowel IPv4 als IPv6 zijn nodig, dan moeten er twee instellingen in /etc/inetd.conf gemaakt worden, voor beide protocollen een. Een TCP-gebaseerde dienst heeft bijvoorbeeld twee regels met instellingen nodig: tcp4 en tcp6 voor beide protocollen. -p Geeft het bestand aan waarin het proces ID opgeslagen moet worden. Al deze opties kunnen aan inetd meegegeven worden met de optie inetd_flags in /etc/rc.conf. Standaard staat inetd_flags op –wW, dat TCP wrapping voor de interne en externe diensten van inetd inschakelt. Voor beginnende gebruikers hoeven deze waarden meestal niet aangepast te worden of ingegeven te worden in /etc/rc.conf. Een externe dienst is een daemon buiten inetd, die wordt aangesproken als er een verbinding voor wordt ontvangen. Een interne dienst is een dienst die inetd vanuit zichzelf kan aanbieden. <filename>inetd.conf</filename> De instellingen van inetd worden beheerd in /etc/inetd.conf. Als er een wijziging wordt aangebracht in /etc/inetd.conf, dan kan inetd gedwongen worden om de instellingen opnieuw in te lezen door een HangUP signaal naar het inetd proces te sturen: <application>inetd</application> een HangUP Signaal Sturen &prompt.root; kill -HUP `cat /var/run/inetd.pid` Iedere regel in het bestand met instellingen heeft betrekking op een individuele daemon. Commentaar wordt vooraf gegaan door een #. De opmaak van /etc/inetd.conf is als volgt: service-name socket-type protocol {wait|nowait}[/max-child[/max-connections-per-ip-per-minute]] user[:group][/login-class] server-program server-program-arguments Een voorbeeldregel voor de ftpd daemon met IPv4: ftp stream tcp nowait root /usr/libexec/ftpd ftpd -l service-name Dit is de dienstnaam van een daemon. Die moet overeenkomen met een dienst uit /etc/services. Hiermee kan de poort waarop inetd moet luisteren aangegeven worden. Als er een nieuwe dienst wordt gemaakt, moet die eerst in /etc/services gezet worden. socket-type Dit is stream, dgram, raw of seqpacket. stream moet gebruikt worden voor connectie gebaseerde TCP daemons, terwijl dgram wordt gebruikt voor daemons die gebruik maken van het UDP transport protocol. protocol Een van de volgende: Protocol Toelichting tcp, tcp4 TCP IPv4 udp, udp4 UDP IPv4 tcp6 TCP IPv6 udp6 UDP IPv6 tcp46 Zowel TCP IPv4 als v6 udp46 Zowel UDP IPv4 als v6 {wait|nowait}[/max-child[/max-connections-per-ip-per-minute]] geeft aan of de daemon die door inetd wordt aangesproken zijn eigen sockets kan afhandelen of niet. sockettypen moeten de optie gebruiken, terwijl streamsocket daemons, die meestal multi-threaded zijn, de optie horen te gebruiken. geeft meestal meerdere sockets aan een daemon, terwijl een child daemon spawnt voor iedere nieuwe socket. Het maximun aantal child daemons dat inetd mag spawnen kan ingesteld worden met de optie . Als een limiet van tien instanties van een bepaalde daemon gewenst is, dan zou er /10 achter gezet worden. Naast is er nog een andere optie waarmee het maximale aantal verbindingen van een bepaalde plaats naar een daemon ingesteld kan worden. Dat kan met . Een waarde van tien betekent hier dat er van iedere IP adres maximaal tien verbindingen naar daemon tot stand gebracht kunnen worden. Dit kan gebruikt worden om bedoeld en onbedoeld bronnengebruik van een machine te voorkomen. In dit veld is of verplicht. en zijn optioneel. Een stream-type multi-threaded daemon zonder or limieten is eenvoudigweg: nowait. Dezelfde daemon met een maximale limiet van tien daemons zou zijn: nowait/10. Dezelfde instellingen met een limiet van twintig connecties per IP adres per minuut en een totaal maximum van tien child daemons zou zijn: nowait/10/20. Deze opties worden allemaal gebruikt door de standaardinstelling voor de fingerd daemon: finger stream tcp nowait/3/10 nobody /usr/libexec/fingerd fingerd -s user Dit is de gebruikersnaam waar een daemon onder draait. Daemons draaien meestal als de gebruiker root. Om veiligheidsredenen draaien sommige daemons onder de gebruiker daemon of de gebruiker met de minste rechten: nobody. server-program Het volledige pad van de daemon die uitgevoerd moet worden als er een verbinding wordt ontvangen. Als de daemon een dienst is die door inetd intern wordt geleverd, dan moet de optie gebruikt worden. server-program-arguments Deze optie werkt samen met de optie en hierin worden de argumenten ingesteld, beginnend met argv[0], die bij het starten aan de daemon worden meegegeven. Als mijndaemon -d de commandoregel is, dan zou mijndaemon -d de waarde van zijn. Hier geldt ook dat als de daemon een interne dienst is, hier de optie moet worden. Beveiliging Afhankelijk van het beveiligingsprofiel dat bij de installatie is gekozen, kunnen veel van de daemons van inetd standaard ingeschakeld zijn. Het is verstandig een daemon die niet noodzakelijk is uit te schakelen! Dat kan door een # voor de daemon in /etc/inetd.conf en dan een hangup signaal naar inetd te sturen. Sommige daemons, zoals fingerd, zijn wellicht helemaal niet gewenst omdat ze een aanvaller te veel informatie geven. Sommige daemons zijn zich niet echt bewust van beveiliging en hebben lange of niet bestaande time-outs voor verbindingspogingen. Hierdoor kan een aanvaller langzaam veel verbindingen maken met een daemon en zo beschikbare bronnen verzadigen. Het is verstandig voor die daemons de limietopties en te gebruiken. TCP wrapping staat standaard aan. Er staat meer informatie over het zetten van TCP restricties op de verschillende daemons die door inetd worden aangesproken in &man.hosts.access.5;. Allerlei daytime, time, echo, discard, chargen en auth zijn allemaal interne diensten van inetd. De dienst auth biedt identiteitsnetwerkdiensten (ident, identd) en is tot op een bepaald niveau instelbaar. Er staat meer informatie in &man.inetd.8;. Tom Rhodes Gereorganiseerd en verbeterd door Bill Swingle Geschreven door Netwerkbestandssysteem (NFS) NFS Het Netwerkbestandssysteem (Network File System) is een van de vele bestandssystemen die &os; ondersteunt. Het staat ook wel bekend als NFS. Met NFS is het mogelijk om mappen en bestanden met anderen in een netwerk te delen. Door het gebruik van NFS kunnen gebruikers en programma's bij bestanden op andere systemen op bijna dezelfde manier als bij hun eigen lokale bestanden. De grootste voordelen van NFS zijn: Lokale werkstations gebruiken minder diskruimte omdat veel gebruikte data op één machine opgeslagen kan worden en nog steeds toegankelijk is voor gebruikers via het netwerk; Gebruikers hoeven niet op iedere machine een thuismap te hebben. Thuismappen kunnen op de NFS server staan en op het hele netwerk beschikbaar zijn; Opslagapparaten als floppydisks, CDROM drives en &iomegazip; drives kunnen door andere machines op een netwerk gebruikt worden. Hierdoor kan het aantal drives met verwijderbare media in een netwerk verkleind worden. Hoe <acronym>NFS</acronym> Werkt NFS bestaat uit tenminste twee hoofdonderdelen: een server en een of meer clients. De client benadert de gegevens die op een server machine zijn opgeslagen via een netwerk. Om dit mogelijk te maken moeten er een aantal processen ingesteld en gestart worden. In &os; 4.X is het hulpprogramma portmap gebruikt in plaats van rpcbind. Dus in &os; 4.X moet elke rpcbind vervangen worden door portmap in de volgende voorbeelden. Op de server moeten de volgende daemons draaien: NFS server fileserver UNIX clients rpcbind portmap mountd nfsd Daemon Beschrijving nfsd De NFS daemon die verzoeken van de NFS clients afhandelt. mountd De NFS mountdaemon die doorgestuurde verzoeken van &man.nfsd.8; uitvoert. rpcbind Deze daemon geeft NFS clients aan welke poort de NFS server gebruikt. Op de client kan ook een daemon draaien: nfsiod. De nfsiod daemon handelt verzoeken van de NFS server af. Dit is optioneel en kan de prestaties verbeteren, maar het is niet noodzakelijk voor een normale en correcte werking. Meer informatie staat in &man.nfsiod.8;. <acronym>NFS</acronym> Instellen NFS instellen NFS instellen gaat redelijk rechtlijnig. Alle processen die moeten draaien kunnen meestarten bij het opstarten door een paar wijzigingen in /etc/rc.conf. Op de NFS server dienen de volgende opties in /etc/rc.conf te staan: rpcbind_enable="YES" nfs_server_enable="YES" mountd_flags="-r" mountd start automatisch als de NFS server is ingeschakeld. Op de client dient de volgende optie in /etc/rc.conf te staan: nfs_client_enable="YES" In het bestand /etc/exports staat beschreven welke bestandssystemen NFS moet exporteren (soms heet dat ook wel delen of sharen). Iedere regel in /etc/exports slaat op een bestandssysteem dat wordt geëxporteerd en welke machines toegang hebben tot dat bestandssysteem. Samen met machines die toegang hebben, kunnen ook toegangsopties worden aangegeven. Er zijn veel opties beschikbaar, maar hier worden er maar een paar beschreven. Alle opties staan beschreven in &man.exports.5;. Nu volgen een aantal voorbeelden voor /etc/exports: NFS export voorbeelden Het volgende voorbeeld geeft een beeld van hoe een bestandssysteem te exporteren, hoewel de instellingen afhankelijk zijn van de omgeving en het netwerk. Om bijvoorbeeld de map /cdrom te exporteren naar drie machines die dezelfde domeinnaam hebben als de server (vandaar dat de machinenamen geef domeinachtervoegsel hebben) of in /etc/hosts staan. De vlag exporteert het bestandssysteem als alleen–lezen. Door die vlag kan een ander systeem niet schrijven naar het geëxporteerde bestandssysteem. /cdrom -ro host1 host2 host3 Het volgende voorbeeld exporteert /home naar drie hosts op basis van IP adres. Dit heeft zin als er een privaat netwerk bestaat, zonder dat er een DNS server is ingesteld. Optioneel kan /etc/hosts gebruikt worden om interne hostnamen in te stellen. Er is meer informatie te vinden in &man.hosts.5;. Met de vlag mogen submappen ook mountpunten zijn. De submap wordt dan niet feitelijk gemount, maar de client mount dan alleen de submappen die verplicht of nodig zijn. /home -alldirs 10.0.0.2 10.0.0.3 10.0.0.4 Het volgende voorbeeld exporteert /a zo dat twee clients uit verschillende domeinen bij het bestandssysteem mogen. Met de vlag mag de gebruiker op het andere systeem gegevens naar het geëxporteerde bestandssysteem schrijven als root. Als de vlag niet wordt gebruikt, dan kan een gebruiker geen bestanden wijzigen op het geëxporteerde bestandssysteem, zelfs niet als een gebruiker daar root is. /a -maproot=root host.example.com box.example.org Om een client toegang te geven tot een geëxporteerd bestandssysteem, moet die client daar rechten voor hebben. De client moet daarvoor genoemd worden in /etc/exports. In /etc/exports staat iedere regel voor de exportinformatie van één bestandssysteem naar één host. Per bestandssysteem mag een host maar één keer genoemd worden en mag maar één standaard hebben. Stel bijvoorbeeld dat /usr een enkel bestandssysteem is. Dan is de volgende /etc/exports niet valide: ># Werkt niet als /usr 1 bestandssysteem is /usr/src client /usr/ports client Eén bestandssysteem, /usr, heeft twee regels waarin exports naar dezelfde host worden aangegeven, client. In deze situatie is de juiste instelling: /usr/src /usr/ports client De eigenschappen van een bestandssysteem dat naar een bepaalde host wordt geëxporteerd moeten allemaal op één regel staan. Regels waarop geen client wordt aangegeven worden behandeld als een enkele host. Dit beperkt hoe bestandssysteem geëxporteerd kunnen worden, maar dat blijkt meestal geen probleem. Het volgende voorbeeld is een valide exportlijst waar /usr en /exports lokale bestandssystemen zijn: # Export src and ports to client01 and client02, but only # client01 has root privileges on it /usr/src /usr/ports -maproot=root client01 /usr/src /usr/ports client02 # The client machines have root and can mount anywhere # on /exports. Anyone in the world can mount /exports/obj read-only /exports -alldirs -maproot=root client01 client02 /exports/obj -ro Als /etc/exports wordt aangepast, moet mountd herstart worden om de wijzigingen actief te maken. Dat kan door een HUP signaal naar het mountd proces te sturen: &prompt.root; kill -HUP `cat /var/run/mountd.pid` Het is ook mogelijk een machine te herstarten, zodat &os; alles netjes in kan stellen, maar dat is niet nodig. Het uitvoeren van de volgende commando's als root hoort hezelfde resultaat te hebben. Op de NFS server: &prompt.root; rpcbind &prompt.root; nfsd -u -t -n 4 &prompt.root; mountd -r Op de NFS client: &prompt.root; nfsiod -n 4 Nu is alles klaar om feitelijk het netwerkbestandssysteem te mounten. In de volgende voorbeelden is de naam van de server server en de naam van de client is client. Om een netwerkbestandssysteem slechts tijdelijk te mounten of om alleen te testen, kan een commando als het onderstaande als root op de client uitgevoerd worden: NFS mounten &prompt.root; mount server:/home /mnt Hiermee wordt de map /home op de server gemount op /mnt op de client. Als alles juist is ingesteld, zijn nu in /mnt op de client de bestanden van de server zichtbaar. Om een netwerkbestandssysteem iedere keer als een computer opstart te mounten, kan het bestandssysteem worden toegevoegd aan /etc/fstab file: server:/home /mnt nfs rw 0 0 Alle beschikbare opties staan in &man.fstab.5;. Mogelijkheden voor Gebruik NFS is voor veel doeleinden in te zetten. Een aantal voorbeelden: NFS gebruik Een aantal machines een CDROM of andere media laten delen. Dat is goedkoper en vaak ook handiger, bijvoorbeeld bij het installeren van software op meerdere machines; Op grote netwerken kan het praktisch zijn om een centrale NFS server in te richten, waarop alle thuismappen staan. Die thuismappen kunnen dan geëxporteerd worden, zodat gebruikers altijd dezelfde thuismap hebben, op welk werkstation ze ook aanmelden; Meerdere machines kunnen een gezamenlijke map /usr/ports/distfiles hebben. Dan is het mogelijk om een port op meerdere machines te installeren, zonder op iedere machine de broncode te hoeven downloaden. Wylie Stilwell Geschreven door Chern Lee Herschreven door Automatisch Mounten met <application>amd</application> amd automatic mounter daemon &man.amd.8; (de automatic mounter daemon) mount automatisch netwerkbestandssystemen als er aan een bestand of map binnen dat bestandssysteem wordt gerefereerd. amd unmount ook bestandssystemen die een bepaalde tijd niet gebruikt worden. Het gebruikt van amd is een aantrekkelijk en eenvoudig alternatief ten opzichte van permanente mounts, die meestal in /etc/fstab staan. amd werkt door zichzelf als NFS server te koppelen aan de mappen /host en /net. Als binnen die mappen een bestand wordt geraadpleegd, dan zoekt amd de bijbehorende netwerkmount op en mount die automatisch. /net wordt gebruikt om een geëxporteerd bestandssysteem van een IP adres te mounten, terwijl /host wordt gebruikt om een geëxporteerd bestandssysteem van een hostnaam te mounten. Het raadplegen van een bestand in /host/foobar/usr geeft amd aan dat die moet proberen de /usr export op de host foobar te mounten. Een Export Mounten met <application>amd</application> De beschikbare mounts van een netwerkhost zijn te bekijken met showmount. Om bijvoorbeeld de mounts van de host foobar te bekijken: &prompt.user; showmount -e foobar Exports list on foobar: /usr 10.10.10.0 /a 10.10.10.0 &prompt.user; cd /host/foobar/usr Zoals in het bovenstaande voorbeeld te zien is, toont showmount /usr als een export. Als er naar de map /host/foobar/usr wordt gegaan, probeert amd de hostnaam foobar te resolven en de gewenste export automatisch te mounten. amd kan gestart worden door de opstartscript door de volgende regel in /etc/rc.conf te plaatsen: amd_enable="YES" Er kunnen ook nog opties meegegeven worden aan amd met de optie amd_flags. Standaard staat amd_flags ingesteld op: amd_flags="-a /.amd_mnt -l syslog /host /etc/amd.map /net /etc/amd.map" In het bestand /etc/amd.map staan de standaardinstellingen waarmee exports gemount worden. In het bestand /etc/amd.conf staan een aantal van de meer gevorderde instellingen van amd. In &man.amd.8; en &man.amd.conf.5; staat meer informatie. John Lind Geschreven door Problemen bij Samenwerking met Andere Systemen Bepaalde Ethernet adapters voor ISA PC systemen kennen limieten die tot serieuze netwerkproblemen kunnen leiden, in het bijzonder met NFS. Dit probleem is niet specifiek voor &os;, maar het kan op &os; wel voor komen. Het probleem ontstaat bijna altijd als (&os;) PC systemen netwerken met high-performance werkstations, zoals van Silicon Graphics, Inc. en Sun Microsystems, Inc. De NFS mount werkt prima en wellicht lukken een aantal acties ook, maar dan ineens lijkt de server niet meer te reageren voor de client, hoewel verzoeken van en naar andere systemen gewoon verwerkt worden. Dit gebeurt op een clientsysteem, of de client nu het &os systeem is of het werkstation. Op veel systemen is er geen manier om de client netjes af te sluiten als dit probleem is ontstaan. Vaak is de enige mogelijkheid een reset van de client, omdat het probleem met NFS niet opgelost kan worden. Hoewel de enige correcte oplossing de aanschaf van een snellere en betere Ethernet adapter voor het &os; systeem is, is er zo om het probleem heen te werken dat het werkbaar is. Als &os; de server is, kan de optie gebruikt worden bij het mounten door de client. Als het &os; systeem de client is, dan dient het NFS bestandssysteem gemount te worden met de optie . Deze opties kunnen het vierde veld zijn in een regel in fstab voor automatische mounts en bij handmatige mounts met &man.mount.8; kan de parameter gebruikt worden. Soms wordt een ander probleem voor dit probleem versleten, als servers en clients zich op verschillende netwerken bevinden. Als dat het geval is, dan dient vastgesteld te worden dat routers de UDP informatie op de juiste wijze routeren, omdat er anders nooit NFS verkeer gerouteerd kan worden. In de volgende voorbeelden is fastws de host(interface)naam van een high-performance werkstation en freebox is de host(interface)naam van een &os; systeem met een Ehernet adapter die mindere prestaties levert. /sharedfs wordt het geëxporteerde NFS bestandssysteem (zie &man.exports.5;) en /project wordt het mountpunt voor het geëxporteerde bestandssysteem op de client. In sommige gevallen kunnen applicaties beter draaien als extra opties als of en gebruikt worden. Voorbeelden voor het &os; systeem (freebox) als de client in /etc/fstab op freebox: fastws:/sharedfs /project nfs rw,-r=1024 0 0 Als een handmatig mountcommando op freebox: &prompt.root; mount -t nfs -o -r=1024 fastws:/sharedfs /project Voorbeelden voor het &os; systeem als de server in /etc/fstab op fastws: freebox:/sharedfs /project nfs rw,-w=1024 0 0 Als een handmatig mountcommando op fastws: &prompt.root; mount -t nfs -o -w=1024 freebox:/sharedfs /project Bijna iedere 16–bit Ethernet adapter werkt zonder de hierboven beschreven restricties op de lees- en schrijfgrootte. Voor wie het wil weten wordt nu beschreven wat er gebeurt als de fout ontstaan, wat ook duidelijk maakt waarom het niet hersteld kan worden. NFS werkt meestal met een blockgrootte van 8 K (hoewel het mogelijk is dat er kleinere fragmenten worden verwerkt). Omdat de maximale grootte van een Ethernet pakket rond de 1500 bytes ligt, wordt een block opgesplitst in meerdere Ethernet pakketten, hoewel het hoger in de code nog steeds één eenheid is, en wordt ontvangen, samengevoegd en bevestigd als een eenheid. De high-performance werkstations kunnen de pakketten waaruit een NFS eenheid bestaat bijzonder snel naar buiten pompen. Op de kaarten met minder capaciteit worden de eerdere pakketten door de latere pakketten van dezelfde eenheid ingehaald voordat ze bij die host zijn aangekomen en daarom kan de eenheid niet worden samengesteld en bevestigd. Als gevolg daarvan ontstaat er op het werkstation een time-out en probeert die de eenheid opnieuw te sturen, maar dan weer de hele eenheid van 8 K, waardoor het proces wordt herhaald, ad infinitum. Door de grootte van de eenheid kleiner te houden dan de grootte van een Ethernet pakket, is het zeker dat elk Ethernet pakket dat compleet is aangekomen bevestigd kan worden, zodat de deadlock niet ontstaat. Toch kan een PC systeem nog wel overrompeld worden als high-performance werkstations er op inhakken, maar met de betere netwerkkaarten valt het dan in ieder geval niet om door de NFS eenheden. Als het systeem toch wordt overrompeld, dan worden de betrokken eenheden opnieuw verstuurd en dan is de kans groot dat ze worden ontvangen, samengevoegd en bevestigd. Bill Swingle Geschreven door Eric Ogren Verbeterd door Udo Erdelhoff Netwerkinformatiesysteem (NIS/YP) Wat Is Het? NIS Solaris HP-UX AIX Linux NetBSD OpenBSD NIS, dat staat voor Netwerkinformatiediensten (Network Information Services), is ontwikkeld door Sun Microsystems om het beheer van &unix; (origineel &sunos;) systemen te centraliseren. Tegenwoordig is het eigenlijk een industriestandaard geworden. Alle grote &unix; achtige systemen (&solaris;, HP-UX, &aix;, &linux;, NetBSD, OpenBSD, &os;, enzovoort) ondersteunen NIS. yellow pagesNIS NIS stond vroeger bekend als Yellow Pages, maar vanwege problemen met het handelsmerk heeft Sun de naam veranderd. De oude term, en yp, wordt nog steeds vaak gebruikt. NIS domeinen Het is een op RPC gebaseerd client/server systeem waarmee een groep machines binnen een NIS domein een gezamenlijke set met instellingenbestanden kan delen. Hierdoor kan een beheerder NIS systemen opzetten met een minimaal aantal instellingen en vanaf een centrale lokatie instellingen toevoegen, verwijderen en wijzigen. Windows NT Het is te vergelijken met het &windowsnt; domeinsysteem en hoewel de interne implementatie van de twee helemaal niet overeenkomt, is de basisfunctionaliteit vergelijkbaar. Termen en Processen om te Onthouden Er zijn een aantal termen en belangrijke gebruikersprocessen die een rol spelen bij het implementeren van NIS op &os;, zowel bij het maken van een NIS server als bij het maken van een systeem dan NIS client is: rpcbind portmap Term Beschrijving NIS domeinnaam Een NIS master server en al zijn clients (inclusief zijn slave master) hebben een NIS domeinnaan. Vergelijkbaar met een &windowsnt; domeinnaam, maar de NIS domeinnaam heeft niets te maken met DNS. rpcbind Moet draaien om RPC (Remote Procedure Call in te schakelen, een netwerkprotocol dat door NIS gebruikt wordt). Als rpcbind niet draait, dan kan een NIS server niet draaien en kan een machine ook geen NIS client zijn (In &os; 4.X wordt portmap in plaats van rpcbind). ypbind Verbindt een NIS client aan zijn NIS server. Dat gebeurt door met de NIS domeinnaam van het systeem en door het gebruik van RPC te verbinden met de server. ypbind is de kern van client-server communicatie in een NIS omgeving. Als ypbind op een machine stopt, dan kan die niet meer bij de NIS server komen. ypserv Hoort alleen te draaien op NIS servers. Dit is het NIS server proces zelf. Als &man.ypserv.8; stopt, dan kan de server niet langer reageren op NIS verzoeken (hopelijk is er dan een slave server om het over te nemen). Er zijn een aantal implementaties van NIS, maar niet die op &os;, die geen verbinding met een andere server proberen te maken als de server waarmee ze verbonden waren niet meer reageert. In dat geval is vaak het enige dat werkt het server proces herstarten (of zelfs de hele server) of het ypbind proces op de client. rpc.yppasswdd Nog een proces dat alleen op NIS master servers hoort te draaien. Dit is een daemon waarbij NIS clients hun NIS wachtwoorden kunnen wijzigen. Als deze daemon niet draait, moeten gebruikers aanmelden op de NIS master server en daar hun wachtwoord wijzigen. Hoe Werkt Het? Er zijn drie typen hosts in een NIS omgeving: master servers, slave servers en clients. Servers zijn het centrale depot voor instellingen voor een host. Master servers bevatten de geauthoriseerd kopie van die informatie, terwijl slave servers die informatie spiegelen voor redundantie. Clients verlaten zich op de servers om hun die informatie ter beschikking te stellen. Op deze manier kan informatie uit veel bestanden gedeeld worden. De bestanden master.passwd, group en hosts worden meestal via NIS gedeeld. Als een proces op een client informatie nodig heeft die normaliter in een van die lokale bestanden staat, dan vraagt die het in plaats daarvan aan de NIS servers waarmee hij verbonden is. Soorten Machines NIS master server Een NIS master server. Deze server onderhoudt, analoog aan een &windowsnt; primary domain controller, de bestanden die door alle NIS clients gebruikt worden. De bestanden passwd, group en andere bestanden die door de NIS clients gebruikt worden staan op de master server. Het is mogelijk om één machine master server te laten zijn voor meerdere NIS domeinen. Dat wordt in deze inleiding echter niet beschreven, omdat die uitgaat van een relatief kleine omgeving. NIS slave server NIS slave servers. Deze zijn te vergelijken met &windowsnt; backup domain controllers. NIS slave servers beheren een kopie van de bestanden met gegevens op de NIS master. NIS slave servers bieden redundantie, die nodig is in belangrijke omgevingen. Ze helpen ook om de belasting te verdelen met de master server: NIS client maken altijd een verbinding met de NIS server die het eerst reageert en dat geldt ook voor antwoorden van slave servers. NIS client NIS clients. NIS clients authenticeren, net als de meeste &windowsnt; werkstations, tegen de NIS server (of de &windowsnt; domain controller in het geval van &windowsnt; werkstations) bij het aanmelden. NIS/YP Gebruiken Dit onderdeel behandelt het opzetten van een NIS voorbeeldomgeving. Dit onderdeel veronderstelt dat &os; 3.3 of later draait. De nu volgende instructies werken waarschijnlijk voor iedere versie van &os; hoger dan 3.0, maar dat hoeft niet waar te zijn. Plannen Er wordt uitgegaan van een beheerder van een klein universiteitslab. Dat lab, dat bestaat uit &os; machines, kent op dit moment geen centraal beheer. Iedere machine heeft zijn eigen /etc/passwd en /etc/master.passwd. Die bestanden worden alleen met elkaar in lijn gehouden door handmatige handelingen. Als er op dit moment een gebruiker aan het lab wordt toegevoegd, moet adduser op alle 15 machines gedraaid worden. Dat moet natuurlijk veranderen en daarom is besloten het lab in te richten met NIS, waarbij twee machines als server worden gebruikt. Het lab ziet er ongeveer als volgt uit: Machinenaam IP adres Rol Machine ellington 10.0.0.2 NIS master coltrane 10.0.0.3 NIS slave basie 10.0.0.4 Wetenschappelijk werkstation bird 10.0.0.5 Client machine cli[1-11] 10.0.0.[6-17] Andere client machines Bij het voor de eerste keer instellen van een NIS schema is het verstandig eerst na te denken over hoe dat opgezet moet worden. Hoe groot een netwerk ook is, er moeten een aantal beslissingen gemaakt worden. Een NIS Domeinnaam Kiezen NIS domeinnaam Dit is wellicht niet de bekende domeinnaam. Daarom wordt het ook de NIS domeinnaam genoemd. Bij de broadcast van een client om informatie wordt ook de naam van het NIS domein waar hij onderdeel van uitmaakt meegezonden. Zo kunnen meerdere servers op een netwerk bepalen of er antwoord gegeven dient te worden op een verzoek. De NIS domeinnaam is kan voorgesteld worden als de naam van een groep hosts op op een of andere manier aan elkaar gerelateerd zijn. Sommige organisaties kiezen hun internet domeinnaam als NIS domeinnaam. Dat wordt niet aangeraden omdat het voor verwarring kan zorgen bij het debuggen van netwerkproblemen. De NIS domeinnaam moet uniek zijn binnen een netwerk en het is handig als die de groep machines beschrijft waarvoor hij geldt. Zo kan bijvoorbeeld de Financiële afdeling van Acme Inc. als NIS domeinnaam acme-fin hebben. In dit voorbeeld wordt de naam test-domain gekozen. SunOS Sommige besturingssystemen gebruiken echter (met name &sunos;) hun NIS domeinnaam als hun internet domeinnaam. Als er machines zijn op een netwerk die deze restrictie kennen, dan moet de internet domeinnaam als de naam voor het NIS domainnaam gekozen worden. Systeemeisen Bij het kiezen van een machine die als NIS server wordt gebruikt zijn er een aantal aandachtspunten. Een van de onhandige dingen aan NIS is de afhankelijkheid van de clients van de server. Als een client de server voor zijn NIS domein niet kan bereiken, dan wordt die machine vaak onbruikbaar. Door het gebrek aan gebruiker- en groepsinformatie bevriezen de meeste systemen. Daarom moet er een machine gekozen worden die niet vaak herstart hoeft te worden of wordt gebruikt voor ontwikkeling. De NIS server is in het meest ideale geval een alleenstaande server die als enige doel heeft NIS server te zijn. Als een netwerk niet zwaar wordt gebruikt, kan de NIS server op een machine die ook andere diensten aanbiedt gezet worden, maar het blijft belangrijk om ervan bewust te zijn dat als de NIS server niet beschikbaar is, dat nadelige invloed heeft op alle NIS clients. NIS Servers De hoofdversies van alle NIS informatie staan opgeslagen op één machine die de NIS master server heet. De databases waarin de informatie wordt opgeslagen heten NIS maps. In &os; worden die maps opgeslagen in /var/yp/[domainnaam] waar [domeinnaam] de naam is van het NIS domein dat wordt bediend. Een enkele NIS server kan tegelijkertijd meerdere NIS domeinen ondersteunen en het is dus mogelijk dat er meerdere van zulke mappen zijn, een voor ieder ondersteund domein. Ieder domein heeft zijn eigen onafhankelijke set maps. In NIS master en slave servers worden alle NIS verzoeken door de ypserv daemon afgehandeld. ypserv is verantwoordelijk voor het ontvangen van inkomende verzoeken van NIS clients, het vertalen van de gevraagde domeinnaam en mapnaam naar een pad naar het corresponderende databasebestand en het terugsturen van de database naar de client. Een NIS Master Server Opzetten NIS server opzetten Het opzetten van een master NIS server kan erg eenvoudig zijn, afhankelijk van de behoeften. &os; heeft ondersteuning voor NIS als basisfunctie. Alleen de volgende regels hoeven aan /etc/rc.conf toegevoegd te worden en &os; doet de rest: nisdomainname="test-domain" Deze regel stelt de NIS domainnaam in op test-domain bij het instellen van het netwerk (bij het opstarten). nis_server_enable="YES" Dit geeft &os; aan de NIS server processen te starten als het netwerk de volgende keer wordt opgestart. nis_yppasswdd_enable="YES" Dit schakelt de dameon rpc.yppasswdd in die, zoals al eerder aangegeven, clients toestaat om hun NIS wachtwoord vanaf een client machine te wijzigen. Afhankelijk van de inrichting van NIS, kunnen er nog meer instellingen nodig zijn. In het onderdeel NIS Servers die ook NIS Clients Zijn staan meer details. Nu hoeft alleen /etc/netstart als superuser uitgevoerd te worden. Dat stelt alles in met gebruikmaking van de waarden uit /etc/rc.conf. NIS Maps Initialiseren NIS maps Die NIS maps zijn databasebestanden die in de map /var/yp staan. Ze worden gemaakt uit de bestanden met instellingen uit de map /etc van de NIS master, met één uitzondering: /etc/master.passwd. Daar is een goede reden voor, want het is niet wenselijk om de wachtwoorden voor root en andere administratieve accounts naar alle servers in het NIS domein te sturen. Daar moet voor het initialiseren van de NIS maps het volgende uitgevoerd worden: &prompt.root; cp /etc/master.passwd /var/yp/master.passwd &prompt.root; cd /var/yp &prompt.root; vi master.passwd Dan horen alle systeemaccounts verwijderd te worden (bin, tty, kmem, games, enzovoort) en alle overige accounts waarvoor het niet wenselijk is dat ze op de NIS clients terecht komen (bijvoorbeeld root en alle andere UID 0 (superuser) accounts). /var/yp/master.passwd hoort niet te lezen te zijn voor een groep of voor de wereld (dus modus 600)! Voor het aanpassen van de rechten kan chmod gebruikt worden. Tru64 UNIX Als dat is gedaan, kunnen de NIS maps geïnitialiseerd worden. Bij &os; zit een script ypinit waarmee dit kan (in de hulppagina staat meer informatie). Dit script is beschikbaar op de meeste &unix; besturingssystemen, maar niet op allemaal. Op Digital UNIX/Compaq Tru64 UNIX heet het ypsetup. Omdat er maps voor een NIS master worden gemaakt, wordt de optie meegegeven aan ypinit. Aangenomen dat de voorgaande stappen zijn uitgevoerd, kunnen de NIS maps gemaakt worden op de volgende manier: ellington&prompt.root; ypinit -m test-domain Server Type: MASTER Domain: test-domain Creating an YP server will require that you answer a few questions. Questions will all be asked at the beginning of the procedure. Do you want this procedure to quit on non-fatal errors? [y/n: n] n Ok, please remember to go back and redo manually whatever fails. If you don't, something might not work. At this point, we have to construct a list of this domains YP servers. rod.darktech.org is already known as master server. Please continue to add any slave servers, one per line. When you are done with the list, type a <control D>. master server : ellington next host to add: coltrane next host to add: ^D The current list of NIS servers looks like this: ellington coltrane Is this correct? [y/n: y] y [..uitvoer van het maken van de maps..] NIS Map update completed. ellington has been setup as an YP master server without any errors. ypinit hoort /var/yp/Makefile gemaakt te hebben uit /var/yp/Makefile.dist. Als dit bestand is gemaakt, neemt dat bestand aan dat er in een omgeving met een enkele NIS server wordt gewerkt met alleen &os; machines. Omdat test-domain ook een slave server bevat, dient /var/yp/Makefile gewijzigd te worden: ellington&prompt.root; vi /var/yp/Makefile Als de onderstaande regel niet al uitgecommentarieerd is, dient dat alsnog te gebeuren: NOPUSH = "True" Een NIS Slave Server Opzetten NIS slave server Het opzetten van een NIS slave server is nog makkelijker dan het opzetten van de master. Dit kan door aan te melden op de slave server en net als voor de master server /etc/rc.conf te wijzigen. Het enige verschil is dat nu de optie gebruikt wordt voor het draaien van ypinit. Met de optie moet ook de naam van de NIS master meegegven worden. Het commando ziet er dus als volgt uit: coltrane&prompt.root; ypinit -s ellington test-domain Server Type: SLAVE Domain: test-domain Master: ellington Creating an YP server will require that you answer a few questions. Questions will all be asked at the beginning of the procedure. Do you want this procedure to quit on non-fatal errors? [y/n: n] n Ok, please remember to go back and redo manually whatever fails. If you don't, something might not work. There will be no further questions. The remainder of the procedure should take a few minutes, to copy the databases from ellington. Transferring netgroup... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring netgroup.byuser... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring netgroup.byhost... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring master.passwd.byuid... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring passwd.byuid... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring passwd.byname... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring group.bygid... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring group.byname... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring services.byname... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring rpc.bynumber... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring rpc.byname... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring protocols.byname... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring master.passwd.byname... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring networks.byname... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring networks.byaddr... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring netid.byname... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring hosts.byaddr... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring protocols.bynumber... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring ypservers... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred Transferring hosts.byname... ypxfr: Exiting: Map successfully transferred coltrane has been setup as an YP slave server without any errors. Don't forget to update map ypservers on ellington. Nu hoort er een map /var/yp/test-domain te zijn waarin kopieë van de NIS master server maps staan. Die moeten bijgewerkt blijven. De volgende regel in /etc/crontab op de slave servers regelt dat: 20 * * * * root /usr/libexec/ypxfr passwd.byname 21 * * * * root /usr/libexec/ypxfr passwd.byuid Met de bovenstaande twee regels wordt de slave gedwongen zijn maps met de maps op de master server te synchroniseren. Hoewel dit niet verplicht is, omdat de master server probeert veranderingen aan de NIS maps door te geven aan zijn slaves, is het wel verstandig om een slave tot bijwerken te dwingen, omdat wachtwoordinformatie van vitaal belang is voor systemen die van de server afhankelijk zijn. Dit is des te belangrijker op drukke netwerken, omdat daar het bijwerken van maps niet altijd compleet afgehandeld hoeft te worden. Nu kan ook op de slave server het commando /etc/netstart uitgevoerd worden, dat op zijn beurt de NIS server start. NIS Clients Een NIS client maakt wat heet een verbinding (binding) met een NIS server met de ypbind daemon. ypbind controleert het standaarddomein van het systeem (zoals ingesteld met domainname) en begint met het broadcasten van RPC verzoeken op het lokale netwerk. Die verzoeken bevatten de naam van het domein waarvoor ypbind een binding probeert te maken. Als een server die is ingesteld om het gevraagde domein te bedienen een broadcast ontvangt, dan antwoordt die aan ypbind dat dan het IP adres van de server opslaat. Als er meerdere servers beschikbaar zijn, een master en bijvoorbeeld meerdere slaves, dan gebruikt ypbind het adres van de eerste server die antwoord geeft. Vanaf dat moment stuurt de client alle NIS verzoeken naar die server. ypbind pingt de server zo nu en dan om te controleren of die nog draait. Als er na een bepaalde tijd geen antwoord komt op een ping, dan markeert ypbind het domein als niet verbonden en begint het broadcasten opnieuw, in de hoop dat er een andere server wordt gelocaliseerd. Een NIS Client Opzetten NIS client instellen Het opzetten van een &os; machine als NIS client is redelijk doorzichtig: Wijzig /etc/rc.conf en voeg de volgende regels toe om de NIS domeinnaam in te stellen en ypbind mee te laten starten bij het starten van het netwerk: nisdomainname="test-domain" nis_client_enable="YES" Om alle mogelijke regels voor accounts uit de NIS server te halen, dienen alle gebruikersaccounts uit /etc/master.passwd verwijderd te worden en dient met vipw de volgende regel aan het einde van het bestand geplaatst te worden: +::::::::: Door deze regel wordt alle geldige accounts in de password map van de NIS server toegang gegeven. Er zijn veel manieren om de NIS client in te stellen door deze regel te veranderen. In het onderdeel netgroups hieronder staat meer informatie. Zeer gedetailleerde informatie staat in het boek NFS en NIS beheren van O'Reilly. Er moet tenminste één lokale account behouden blijven (dus niet geïmporteerd via NIS) in /etc/master.passwd en die hoort ook lid te zijn van de groep wheel. Als er iets mis is met NIS, dan kan die account gebruikt worden om via het netwerk aan te melden, root te worden en het systeem te repareren. Om alle groepen van de NIS server te importeren, kan de volgende regel aan /etc/group toegevoegd worden: +:*:: Na het afronden van deze stappen zou met ypcat passwd de passwd map van de NIS server te zien moeten zijn. NIS Beveiliging In het algemeen kan iedere netwerkgebruiker een RPC verzoek doen uitgaan naar &man.ypserv.8; en de inhoud van de NIS maps ontvangen, mits die gebruiker de domeinnaam kent. Omdat soort ongeautoriseerde transacties te voorkomen, ondersteunt &man.ypserv.8; de optie securenets, die gebruikt kan worden om de toegang te beperken tot een opgegeven aantal hosts. Bij het opstarten probeert&man.ypserv.8; de securenets informatie te laden uit het bestand /var/yp/securenets. Dit pad kan verschillen, afhankelijk van het pad dat opgegeven is met de optie . Dit bestand bevat regels die bestaan uit een netwerkspecificatie en een netwerkmasker, gescheiden door witruimte. Regels die beginnen met # worden als commentaar gezien. Een voorbeeld van een securenetsbestand zou er zo uit kunnen zien: # allow connections from local host -- mandatory 127.0.0.1 255.255.255.255 # allow connections from any host # on the 192.168.128.0 network 192.168.128.0 255.255.255.0 # allow connections from any host # between 10.0.0.0 to 10.0.15.255 # this includes the machines in the testlab 10.0.0.0 255.255.240.0 Als &man.ypserv.8; een verzoek ontvangt van een adres dat overeenkomt met een van de bovenstaande regels, dan wordt dat verzoek normaal verwerkt. Als er geen enkele regel op het verzoek van toepassing is, dan wordt het verzoek genegeerd en wordt er een waarschuwing gelogd. Als het bestand /var/yp/securenets niet bestaat, dan accepteert ypserv verbindingen van iedere host. Het programma ypserv ondersteunt ook het pakket TCP Wrapper van Wietse Venema. Daardoor kan een beheerder de instellingenbestanden van TCP Wrapper gebruiken voor toegangsbeperking in plaats van /var/yp/securenets. Hoewel beide methoden van toegangscontrole enige vorm van beveiliging bieden, zijn ze net als de privileged port test kwetsbaar voor IP spoofing aanvallen. Al het NIS gerelateerde verkeer hoort door een firewall tegengehouden te worden. Servers die gebruik maken van /var/yp/securenets kunnen wellicht legitieme verzoeken van NIS clients weigeren als die gebruik maken van erg oude TCP/IP implementaties. Sommige van die implementaties zetten alle host bits op nul als ze een broadcast doen en/of kijken niet naar het subnetmasker als ze het broadcastadres berekenen. Hoewel sommige van die problemen opgelost kunnen worden door de instellingen op de client aan te passen, zorgen andere problemen voor het noodgedwongen niet langer kunnen gebruiker van NIS voor die client of het niet langer gebruiken van /var/yp/securenets. Het gebruik van /var/yp/securenets op een server met zo'n oude implementatie van TCP/IP is echt een slecht idee en zal leiden tot verlies van NIS functionaliteit voor grote delen van een netwerk. tcpwrapper Het gebruik van het TCP Wrapper pakket leidt tot langere wachttijden op de NIS server. De extra vertraging kan net lang genoeg zijn om een timeout te veroorzaken in clientprogramma's, in het bijzonder als het netwerk druk is of de NIS server traag is. Als een of meer clients last hebben van dat symptoom, dan is het verstandig om de clientsystemen in kwestie NIS slave server te maken en naar zichzelf te laten wijzen. Aanmelden voor Bepaalde Gebruiker Blokkeren In het lab staat de machine basie, die alleen faculteitswerkstation hoort te zijn. Het is niet gewenst die machine uit het NIS domein te halen, maar het passwd bestand op de master NIS server bevat nu eenmaal accounts voor zowel de faculteit als de studenten. Hoe kan dat opgelost worden? Er is een manier om het aanmelden van specifieke gebruikers op een machine te weigeren, zelfs als ze in de NIS database staan. Daarvoor hoeft er alleen maar username aan het einde van /etc/master.passwd op de client machine toegevoegd te worden, waar username de gebruikersnaam van de gebruiker die niet mag aanmelden is. Dit gebeurt bij voorkeur met vipw, omdat vipw de wijzigingen aan /etc/master.passwd controleert en ook de wachtwoord database opnieuw bouwt na het wijzigen. Om bijvoorbeeld de gebruiker bill aan te kunnen laten aanmelden op basie: basie&prompt.root; vipw [add -bill to the end, exit] vipw: rebuilding the database... vipw: done basie&prompt.root; cat /etc/master.passwd root:[password]:0:0::0:0:The super-user:/root:/bin/csh toor:[password]:0:0::0:0:The other super-user:/root:/bin/sh daemon:*:1:1::0:0:Owner of many system processes:/root:/sbin/nologin operator:*:2:5::0:0:System &:/:/sbin/nologin bin:*:3:7::0:0:Binaries Commands and Source,,,:/:/sbin/nologin tty:*:4:65533::0:0:Tty Sandbox:/:/sbin/nologin kmem:*:5:65533::0:0:KMem Sandbox:/:/sbin/nologin games:*:7:13::0:0:Games pseudo-user:/usr/games:/sbin/nologin news:*:8:8::0:0:News Subsystem:/:/sbin/nologin man:*:9:9::0:0:Mister Man Pages:/usr/share/man:/sbin/nologin bind:*:53:53::0:0:Bind Sandbox:/:/sbin/nologin uucp:*:66:66::0:0:UUCP pseudo-user:/var/spool/uucppublic:/usr/libexec/uucp/uucico xten:*:67:67::0:0:X-10 daemon:/usr/local/xten:/sbin/nologin pop:*:68:6::0:0:Post Office Owner:/nonexistent:/sbin/nologin nobody:*:65534:65534::0:0:Unprivileged user:/nonexistent:/sbin/nologin +::::::::: -bill basie&prompt.root; Udo Erdelhoff Geschreven door Netgroups Gebruiken netgroups De methode uit het vorige onderdeel werkt prima als er maar voor een beperkt aantal gebruikers en/of machines speciale regels nodig zijn. Op grotere netwerken gebeurt het gewoon dat er wordt vergeten om een aantal gebruikers de aanmeldrechten op gevoelige machines te ontnemen of dat zelfs iedere individuele machine aangepast moet worden, waardoor het voordeel van NIS teniet wordt gedaan: centraal beheren. De ontwikkelaars van NIS hebben dit probleem opgelost met netgroups. Het doel en de semantiek kunnen vergeleken worden met de normale groepen die gebruikt worden op &unix; bestandssystemen. De belangrijkste verschillen zijn de afwezigheid van een numeriek ID en de mogelijkheid om een netgroup aan te maken die zowel gebruikers als andere netgroups bevat. Netgroups zijn ontwikkeld om gebruikt te worden voor grote, complexe netwerken met honderden gebruikers en machines. Aan de ene kant is dat iets Goeds. Aan de andere kant is het wel complex en bijna onmogelijk om netgroups met een paar eenvoudige voorbeelden uit te leggen. Dat probleem wordt in de rest van dit onderdeel duidelijk gemaakt. Stel dat de succesvolle implementatie van NIS in het lab de interesse heeft gewekt van een centrale beheerclub. De volgende taak is het uitbreiden van het NIS domein met een aantal andere machines op de campus. De onderstaande twee tabellen bevatten de namen van de nieuwe gebruikers en de nieuwe machines met een korte beschijving. Gebruikersna(a)m(en) Beschrijving alpha, beta Gewone medewerkers van de IT afdeling charlie, delta Junior medewerkers van de IT afdeling echo, foxtrott, golf, ... Gewone medewerkers able, baker, ... Stagiairs Machinena(a)m(en) Beschrijving war, death, famine, pollution De belangrijkste servers. Alleen senior medewerkers van de IT afdeling mogen hierop aanmelden. pride, greed, envy, wrath, lust, sloth Minder belangrijke servers. Alle leden van de IT afdeling mogen aanmelden op deze machines. one, two, three, four, ... Gewone werkstations. Alleen echte medewerkers mogen op deze machines aanmelden. trashcan Een erg oude machine zonder kritische data. Zelfs de stagiair mag deze doos gebruiken. Als deze restricties ingevoerd worden door iedere gebruiker afzonderlijk te blokkeren, dan wordt er een -user regel per systeem toegevoegd aan de passwd voor iedere gebruiker die niet mag aanmelden op dat systeem. Als er maar één regel wordt vergeten, kan dat een probleem opleveren. Wellicht lukt het nog dit juist in te stellen bij de bouw van een machine, maar het wordt echt vergeten de regels toe te voegen voor nieuwe gebruikers in de produktiegase. Murphy was tenslotte een optimist. Het gebruik van netgroups biedt in deze situatie een aantal voordelen. Niet iedere gebruiker hoeft separaat afgehandeld te worden. Een gebruik kan aan een of meer groepen worden toegevoegd en aanmelden kan voor alle leden van zo'n groep worden toegestaan of geweigerd. Als er een nieuwe machine wordt toegevoegd, dan hoeven alleen de aanmeldrestricties voor de netgroups te worden ingesteld. Als er een nieuwe gebruiker wordt toegevoegd, dan hoeft die alleen maar aan de juiste netgroups te worden toegevoegd. Die veranderingen zijn niet van elkaar afhankelijk: geen voor iedere combinatie van gebruiker en machine moet het volgende .... Als de NIS opzet zorgvuldig is gepland, dan hoeft er maar één instellingenbestand gewijzigd te worden om toegang tot machines te geven of te ontnemen. De eerst stap is het initialiseren van de NIS map netgroup. &man.ypinit.8; van &os; maakt deze map niet standaard, maar als die is gemaakt, ondersteunt de NIS implementatie hem wel. Een lege map wordt als volgt gemaakt: ellington&prompt.root; vi /var/yp/netgroup Nu kan hij gevuld worden. In het gebruikte voorbeeld zijn tenminste vier netgroups: IT medewerkers, IT junioren, gewone medewerkers en stagiars. IT_MW (,alpha,test-domain) (,beta,test-domain) IT_APP (,charlie,test-domain) (,delta,test-domain) USERS (,echo,test-domain) (,foxtrott,test-domain) \ (,golf,test-domain) STAGS (,able,test-domain) (,baker,test-domain) IT_MW, IT_APP enzovoort, zijn de namen van de netgroups. Iedere groep tussen haakjes bevat een of meer gebruikersnamen voor die groep. De drie velden binnen een groep zijn: De na(a)m(en) van de host(s) waar de volgende onderdelen geldig zijn. Als er geen hostnaam wordt opgegeven dan is de regel geldig voor alle hosts. Als er wel een hostnaam wordt opgegeven, dan wordt een donker, spookachtig en verwarrend domein betreden. De naam van de account die bij deze netgroup hoort. Het NIS domein voor de account. Er kunnen accounts uit andere NIS domeinen geïmporteerd worden in een netgroup als een beheerder zo ongelukkig is meerdere NIS domeinen te hebben. Al deze velden kunnen jokerkarakters bevatten. Details daarover staan in &man.netgroup.5;. netgroups De naam van een netgroup mag niet langer zijn dan acht karakters, zeker niet als er andere besturingssystemen binnen een NIS domein worden gebruikt. De namen zijn hoofdlettergevoelig: alleen hoofdletters gebruiken voor de namen van netgroups is een makkelijke manier om onderscheid te kunnen maken tussen gebruikers-, machine- en netgroupnamen. Sommige NIS clients (andere dan die op &os; draaien) kunnen niet omgaan met netgroups met veel leden. Sommige oudere versies van &sunos; gaan bijvoorbeeld lastig doen als een netgroup meer dan 15 leden heeft. Dit kan omzeild worden door meerdere sub-netgroups te maken met 15 gebruikers of minder en een echte netgroup die de sub-netgroups bevat: BIGGRP1 (,joe1,domain) (,joe2,domain) (,joe3,domain) [...] BIGGRP2 (,joe16,domain) (,joe17,domain) [...] BIGGRP3 (,joe31,domain) (,joe32,domain) BIGGROUP BIGGRP1 BIGGRP2 BIGGRP3 Dit proces kan herhaald worden als er meer dan 225 gebruikers in een netgroup moeten. Het activeren en distribueren van de nieuwe NIS map is eenvoudig: ellington&prompt.root; cd /var/yp ellington&prompt.root; make Hiermee worden drie nieuwe NIS maps gemaakt: netgroup, netgroup.byhost en netgroup.byuser. Met &man.ypcat.1; kan bekeken worden op de nieuwe NIS maps beschikbaar zijn: ellington&prompt.user; ypcat -k netgroup ellington&prompt.user; ypcat -k netgroup.byhost ellington&prompt.user; ypcat -k netgroup.byuser De uitvoer van het eerste commando hoort te lijken op de inhoud van /var/yp/netgroup. Het tweede commando geeft geen uitvoer als er geen host-specifieke netgroups zijn ingesteld. Het derde commando kan gebruikt worden om een lijst van netgroups voor een gebruiker op te vragen. Het instellen van de client is redelijk eenvoudig. Om de server war in te stellen hoeft alleen met &man.vipw.8; de volgende regel in de regel daarna vervangen te worden: +::::::::: Vervang de bovenstaande regel in de onderstaande. +@IT_MW::::::::: Nu worden alleen de gebruikers die in de netgroup IT_MW geïmporteerd in de wachtwoord database van de host war, zodat alleen die gebruikers kunnen aanmelden. Helaas zijn deze beperkingen ook van toepassing op de functie ~ van de shell en alle routines waarmee tussen gebruikersnamen en numerieke gebruikers ID's wordt gewisseld. Met andere woorden: cd ~user werkt niet, ls –l toont het numerieke ID in plaats van de gebruikersnaam en find . –user joe –print faalt met de foutmelding No such user. Om dit te repareren moeten alle gebruikers geïmporteerd worden, zonder ze het recht te geven aan te melden op een server. Dit kan gedaan worden door nog een regel aan /etc/master.passwd toe te voegen: +:::::::::/sbin/nologin Dit betekent importeer alle gebruikers, maar vervang de shell door /sbin/nologin. Ieder veld in een passwd regel kan door een standaardwaarde vervangen worden in /etc/master.passwd. De regel +:::::::::/sbin/nologin moet na +@IT_MW::::::::: komen. Anders krijgen alle gebruikers die uit NIS komen /sbin/nologin als aanmeldshell. Na deze wijziging hoeft er nog maar één NIS map gewijzigd te worden als er een nieuwe medewerker komt bij de IT afdeling. Dezelfde aanpak kan gebruikt worden voor de minder belangrijke servers door de oude regel +::::::::: in de lokale versie van /etc/master.passwd door iets als het volgende te vervangen: +@IT_MW::::::::: +@IT_APP::::::::: +:::::::::/sbin/nologin Voor normale werkstations zijn het de volgende regels: +@IT_MW::::::::: +@USERS::::::::: +:::::::::/sbin/nologin En dat zou allemaal leuk en aardig zijn als er niet na een paar weken een beleidsverandering komt: de IT afdeling gaat stagiairs aannemen. De IT stagiairs mogen de normale werkstations en de minder belangrijke servers gebruiken en de junior beheerders mogen gaan aanmelden op de hoofdservers. Dat kan door een nieuwe groep IT_STAG te maken en de nieuwe IT stagiairs toe te voegen aan die netgroup en dan de instellingen op iedere machine te gaan veranderen. Maar zoals het spreekwoord zegt: Fouten in een centrale planning leiden tot complete chaos. Deze situaties kunnen voorkomen worden door gebruik te maken van de mogelijkheid in NIS om netgroups in netgroups op te nemen. Het is mogelijk om rol-gebaseerde netgroups te maken. Er kan bijvoorbeeld een netgroup BIGSRV gemaakt worden om het aanmelden op de belangrijke servers te beperken en er kan een andere netgroup SMALLSRV voor de minder belangrijke servers zijn en een derde netgroup met de naam USERBOX voor de normale werkstations. Al die netgroups kunnen de netgroups bevatten die op die machines mogen aanmelden. De nieuwe regels in de NIS map netgroup zien er dan zo uit: BIGSRV IT_MW IT_APP SMALLSRV IT_MW IT_APP ITSTAG USERBOX IT_MW ITSTAG USERS Deze methode voor het instellen van aanmeldbeperkingen werkt redelijk goed als er groepen van machines gemaakt kunnen worden met identieke beperkingen. Helaas blijkt dat eerder uitzondering dan regel. Meestal moet het mogelijk zijn om per machine in te stellen wie wel en wie niet mogen aanmelden. Daarom is het ook mogelijk om via machine-specifieke netgroups de hierboven aangegeven beleidswijziging op te vangen. In dat scenario bevat /etc/master.passwd op iedere machine twee regels die met + beginnen. De eerste voegt de netgroup toe met de accounts die op de machine mogen aanmelden en de tweede voegt alle andere accounts toe met /sbin/nologin als shell. Het is verstandig om als naam van de netgroup de machinenaam in HOOFDLETTERS te gebruiken. De regels zien er ongeveer als volgt uit: +@MACHINENAAM::::::::: +:::::::::/sbin/nologin Als dit voor alle machines is gedaan, dan hoeven de lokale versies van /etc/master.passwd nooit meer veranderd te worden. Alle toekomstige wijzigingen kunnen dan gemaakt worden door de NIS map te wijzigen. Hieronder staat een voorbeeld van een mogelijke netgroup map voor het beschreven scenario met een aantal toevoegingen: # Definieer eerst de gebruikersgroepen IT_MW (,alpha,test-domain) (,beta,test-domain) IT_APP (,charlie,test-domain) (,delta,test-domain) DEPT1 (,echo,test-domain) (,foxtrott,test-domain) DEPT2 (,golf,test-domain) (,hotel,test-domain) DEPT3 (,india,test-domain) (,juliet,test-domain) ITSTAG (,kilo,test-domain) (,lima,test-domain) D_STAGS (,able,test-domain) (,baker,test-domain) # # En nu een aantal groepen op basis van rollen USERS DEPT1 DEPT2 DEPT3 BIGSRV IT_MW IT_APP SMALLSRV IT_MW IT_APP ITSTAG USERBOX IT_MW ITSTAG USERS # # Een een groep voor speciale taken. # Geef echo en golf toegang tot de anti-virus machine. SECURITY IT_MW (,echo,test-domain) (,golf,test-domain) # # Machine-gebaseerde netgroups # Hoofdservers WAR BIGSRV FAMINE BIGSRV # Gebruiker india heeft toegang tot deze server nodig. POLLUTION BIGSRV (,india,test-domain) # # Deze is erg belangrijk en heeft strengere toegangseisen nodig. DEATH IT_MW # # De anti-virus machine als hierboven genoemd. ONE SECURITY # # Een machine die maar door 1 gebruiker gebruikt mag worden. TWO (,hotel,test-domain) # [...hierna volgen de andere groepen] Als er een soort database wordt gebruikt om de gebruikersaccounts te beheren, dan is het in ieder geval nodig dat ook het eerste deel van de map met de database rapportagehulpmiddelen gemaakt kan worden. Dan krijgen nieuwe gebruikers automatisch toegang tot de machines. Nog een laatste waarschuwing: het is niet altijd aan te raden gebruik te maken van machine-gebaseerde netgroups. Als er tientallen of zelfs honderden gelijke machines voor bijvoorbeeld studentenruimtes worden uitgerold, dan is het verstandiger rol-gebaseerde netgroups te gebruiken in plaats van machine-gebaseerde netgroups om de grootte van de NIS map binnen de perken te houden. Belangrijk om te Onthouden In een NIS omgeving werken een aantal dingen wel anders. Als er een gebruiker toegevoegd moet worden, dan moet die alleen toegevoegd worden aan de master NIS server en mag niet vergeten worden dat de NIS maps herbouwd moeten worden. Als dit wordt vergeten, dan kan de nieuwe gebruiker nergens anders aanmelden dan op de NIS master. Als bijvoorbeeld een nieuwe gebruiker jsmith toegevoegd moet worden: &prompt.root; pw useradd jsmith &prompt.root; cd /var/yp &prompt.root; make test-domain Er kan ook adduser jsmith in plaats van pw useradd jsmith gebruikt worden. De beheeraccounts moeten buiten de NIS maps gehouden worden. Het is niet handig als de beheeraccounts en wachtwoorden naar machines waarop gebruikers aanmelden die geen toegang tot die informatie horen te hebben zouden gaan. De NIS master en slave moeten veilig blijven en zo min mogelijk niet beschikbaar zijn. Als de machine wordt gehackt of als hij wordt uitgeschakeld, dan kunnen er in theorie nogal wat mensen niet meer aanmelden. Dit is de belangrijkste zwakte van elk gecentraliseerd beheersysteem. Als de NIS servers niet goed beschermd worden, dan worden veel gebruikers boos! NIS v1 Compatibiliteit ypserv voor &os; biedt wat ondersteuning voor NIS v1 clients. De NIS implementatie van &os; gebruikt alleen het NIS v2 protocol, maar andere implementaties bevatten ondersteuning voor het v1 protocol voor achterwaartse compatibiliteit met oudere systemen. De ypbind daemons die bij deze systemen zitten proberen een binding op te zetten met een NIS v1 server, hoewel dat niet per se ooit nodig is (en ze gaan misschien nog wel door met broadcasten nadat ze een antwoord van een v2 server hebben ontvangen). Het is belangrijk om te melden dat hoewel ondersteuning voor gewone clientcalls aanwezig is, deze versie van ypserv geen v1 map transferverzoeken af kan handelen. Daarom kan ypserv niet gebruikt worden als master of slave in combinatie met oudere NIS servers die alleen het v1 protocol ondersteunen. Gelukkig worden er in deze tijd niet meer zoveel van deze servers gebruikt. NIS Servers die ook NIS Clients Zijn Het is belangrijk voorzichtig om te gaan met het draaien van ypserv in een multi-server domein waar de server machines ook NIS clients zijn. Het is in het algemeen verstandiger om de servers te dwingen met zichzelf te binden dan ze toe te staan een bindverzoek te broadcasten en het risico te lopen dat ze een binding met elkaar maken. Er kunnen vreemde fouten optreden als een van de servers plat gaat als er andere servers van die server afhankelijk zijn. Na verloop van tijd treedt op de clients wel een timeout op en verbinden ze met een andere server, maar de daarmee gepaard gaande vertraging kan aanzienlijk zijn en de foutmodus is nog steeds van toepassing, omdat de servers dan toch weer opnieuw een verbinding met elkaar kunnen vinden. Het is mogelijk een host aan een specifieke server te binden door aan ypbind de vlag mee te geven. Om dit niet iedere keer handmatig na een herstart te hoeven uitvoeren, kan de volgende regel worden opgenomen in /etc/rc.conf van de NIS server: nis_client_enable="YES" # start ook het client gedeelte nis_client_flags="-S NIS domain,server" In &man.ypbind.8; staat meer informatie. Wachtwoordformaten NIS wachtwoordformaten Een van de meest voorkomende problemen bij het implementeren van NIS is de compatibiliteit van het wachtwoordformaat. Als een NIS server wachtwoorden gebruikt die met DES gecodeerd zijn, dan kunnen alleen clients die ook DES gebruiken ondersteund worden. Als er bijvoorbeeld &solaris; NIS clients in een netwerk zijn, dan moet er vrijwel zeker gebruik gemaakt worden van met DES gecodeerde wachtwoorden. Van welk formaat clients en servers gebruik maken is te zien in /etc/login.conf. Als een host gebruik maakt van met DES gecodeerde wachtwoorden, dan staat er in de klasse default een regel als de volgende: default:\ :passwd_format=des:\ :copyright=/etc/COPYRIGHT:\ [Overige regels weggelaten] Andere mogelijke waarden voor passwd_format zijn blf en md5 (respectievelijk voor Blowfish en MD5 gecodeerde wachtwoorden). Als er wijzigingen gemaakt zijn aan /etc/login.conf dan moet de login capability database herbouwd worden door het volgende commando als root uit te voeren: &prompt.root; cap_mkdb /etc/login.conf Het formaat van de wachtwoorden die al in /etc/master.passwd staan worden niet bijgewerkt totdat een gebruiker zijn wachtwoord voor de eerste keer wijzigt nadat de login capability database is herbouwd. Om te zorgen dat de wachtwoorden in het gekozen formaat zijn gecodeerd, moet daarna gecontroleerd worden of de waarde crypt_default in /etc/auth.conf de voorkeur geeft aan het gekozen formaat. Om dat te realiseren dient het gekozen formaat vooraan gezet te worden in de lijst. Als er bijvoorbeeld gebruik gemaakt wordt van DES gecodeerde wachtwoorden, dan hoort de regel er als volgt uit te zien: crypt_default = des blf md5 Als de bovenstaande stappen op alle &os; gebaseerde NIS servers en clients zijn uitgevoerd, dan is het zeker dat ze het allemaal eens zijn over welk wachtwoordformaat er op het netwerk wordt gebruikt. Als er problemen zijn bij de authenticatie op een NIS client, dan is dit een prima startpunt voor het uitzoeken waar de problemen vandaan komen. Nogmaals: als er een NIS server in een heterogene omgeving wordt geplaatst, dan is het waarschijnlijk dat er gebruik gemaakt moet worden van DES op alle systemen, omdat dat de laagst overeenkomende standaard is. Greg Sutter Geschreven door Automatisch Netwerk Instellen (DHCP) Wat Is DHCP? Dynamic Host Configuration Protocol DHCP Internet Software Consortium (ISC) DHCP, het Dynamic Host Configuration Protocol, schrijft voor hoe een systeem verbinding kan maken met een netwerk en hoe het de benodigde informatie kan krijgen om met dat netwerk te communiceren. &os; gebruikt de ISC (Internet Software Consortium) DHCP implementatie, dus alle implementatie-specifieke informatie die hier wordt gegeven is bedoeld voor de ISC distributie. Wat Behandeld Wordt In dit onderdeel worden de client- en servercomponenten van het ISC DHCP systeem beschreven. Het programma voor de client, dhclient, zit standaard in &os; en de server is beschrikbaar via de net/isc-dhcp3-server port. Naast de onderstaande informatie, zijn de hulppagina's van &man.dhclient.8;, &man.dhcp-options.5; en &man.dhclient.conf.5; bruikbare bronnen. Hoe Het Werkt UDP Als dhclient, de DHCP client, wordt uitgevoerd op een clientmachine, dan begint die met het broadcasten van verzoeken om instellingeninformatie. Standaard worden deze verzoeken op UDP poort 68 gedaan. De server antwoordt op UDP 67 en geeft de client een IP adres en andere relevante netwerkinformatie, zoals een netmasker, router en DNS servers. Al die informatie komt in de vorm van een DHCP lease en is voor een bepaalde tijd geldig (die is ingesteld door de beheerder van de DHCP server). Op die manier kunnen IP adressen voor clients die niet langer met het netwerk verbonden zijn (stale) automatisch weer ingenomen worden. DHCP clients kunnen veel informatie van de server krijgen. Er staat een uitputtende lijst in &man.dhcp-options.5;. &os; Integratie &os; integreert de ISC DHCP client dhclient volledig. Er is ondersteuning voor de DHCP client in zowel het installatieprogramma als in het basissysteem, waardoor het niet noodzakelijk is om kennis te hebben van het maken van netwerkinstellingen voor het netwerk waar een DHCP server draait. dhclient is onderdeel van &os; distributies sinds 3.2. sysinstall DHCP wordt ondersteund door sysinstall. Bij het instellen van een netwerkinterface binnen sysinstall is de tweede vraag: Wil je proberen de interface met DHCP in te stellen? Als het antwoord bevestigend luidt, dan wordt dhclient uitgevoerd en als dat succesvol verloopt, dan worden de netwerkinstellingen automatisch ingevuld. Voor het gebruiken van DHCP bij het opstarten van het systeem zijn twee instellingen nodig: DHCP vereisten Het apparaat bpf moet in de kernel gecompileerd zijn. Dit kan door device bpf (pseudo-device bpf onder &os; 4.X) aan het bestand met kernelinstellingen toe te voegen en de kernel te herbouwen. Meer informatie over het bouwen van een kernel staat in . Het apparaat bpf is al onderdeel van de GENERIC kernel die bij &os; zit, dus als er geen sprake is van een aangepaste kernel, dan hoeft er geen nieuwe gemaakt te worden om DHCP aan te praat te krijgen. Voor de lezer die bijzonder begaan is met beveiliging, is het belangrijk aan te geven dat bpf ook het apparaat is waardoor pakketsnuffelaars hun werk kunnen doen (hoewel ze nog steeds als root moeten draaien). bpf is noodzakelijk voor DHCP, maar als beveiliging bijzonder belangrijk is, dan hoort bpf waarschijnlijk niet in een kernel te zitten omdat de verwachting dat er in de toekomst ooit DHCP gebruikt gaat worden. In /etc/rc.conf moet het volgende worden opgenomen: ifconfig_fxp0="DHCP" fxp0 dient vervangen te worden door de juiste aanduiding van de interface die dynamisch ingesteld moet worden, zoals beschreven staat in . Als er een andere lokatie voor dhclient wordt gebruikt of als er extra parameters aan dhclient meegegeven moeten worden, dan dient ook iets als het volgende toegevoegd te worden: dhcp_program="/sbin/dhclient" dhcp_flags="" DHCP server De DHCP server, dhcpd, zit bij de port net/isc-dhcp3-server in de - portscollectie. Deze port bevat de ISC DHCP server en + Portscollectie. Deze port bevat de ISC DHCP server en documentatie. Bestanden DHCP instellingenbestanden /etc/dhclient.conf Voor dhclient is een instellingenbestand /etc/dhclient.conf nodig. Dat bestand bevat meestal alleen maar commentaar, omdat de standaardinstellingen redelijk zinvol zijn. Dit bestand wordt beschreven in &man.dhclient.conf.5;. /sbin/dhclient dhclient is statisch gelinkt en staat in /sbin. Er staat meer informatie over dhclient in &man.dhclient.8;. /sbin/dhclient-script dhclient-script is het &os;-specifieke DHCP client instellingenscript. Het wordt beschreven in &man.dhclient-script.8;, maar het is niet nodig het te wijzigen om goed te werken. /var/db/dhclient.leases De DHCP client houdt in dit bestand een database bij van geldige leases, die naar een logboekbestand worden geschreven. In &man.dhclient.leases.5; staat een iets uitgebreidere beschrijving. Verder Lezen Het DHCP protocol staat volledig beschreven in RFC 2131. Er is nog een bron van informatie ingesteld op . Een DHCP Server Installeren en Instellen Wat Behandeld Wordt In dit onderdeel wordt beschreven hoe een &os; systeem zo ingesteld kan worden dat het opereert als DHCP server door gebruik te maken van de ISC (Internet Software Consortium) implementatie van de DHCP suite. Het servergedeelte van de suite is geen standaardonderdeel van &os; en om deze dienst aan te bieden dient de port net/isc-dhcp3-server geïnstalleerd te worden. In - staat meer informatie over de portscollectie. + staat meer informatie over de Portscollectie. DHCP Serverinstallatie DHCP installatie Om een &os; systeem in te stellen als DHCP server moet het apparaat &man.bpf.4; in de kernel zijn opgenomen. Om dit te doen dient device bpf (pseudo-device bpf onder &os; 4.X) aan het bestand met kernelinstellingen toegegvoegd te worden en dient de kernel herbouwd te worden. Meer informatie over het bouwen van kernels staat in . Het apparaat bpf is al onderdeel van de GENERIC kernel die bij &os;, dus het is meestal niet nodig om een aangepaste kernel te bouwen om DHCP aan de praat te krijgen. Het is belangrijk te vermelden dat bpf ook het apparaat is waardoor pakketsnuffelaars kunnen werken (hoewel de programma's die er gebruik van maken wel bijzondere toegang nodig hebben). bpf is verplicht voor DHCP, maar als beveiliging van belang is, dan is het waarschijnlijk niet verstandig om bpf in een kernel op te nemen alleen omdat er in de toekomst misschien ooit DHCP gebruikt gaat worden. Hierna dient het standaardbestand dhcpd.conf dat door de port net/isc-dhcp3-server is geïnstalleerd gewijzigd te worden. Standaard is dit /usr/local/etc/dhcpd.conf.sample en dit bestand dient gekopieerd te worden naar /usr/local/etc/dhcpd.conf voordat de wijzgingen worden gemaakt. De DHCP Server Instellen DHCP dhcpd.conf dhcpd.conf is opgebouwd uit declaraties over subnetten en hosts en is wellicht het meest eenvoudig te beschijven met een voorbeeld: option domain-name "example.com"; option domain-name-servers 192.168.4.100; option subnet-mask 255.255.255.0; default-lease-time 3600; max-lease-time 86400; ddns-update-style none; subnet 192.168.4.0 netmask 255.255.255.0 { range 192.168.4.129 192.168.4.254; option routers 192.168.4.1; } host mailhost { hardware ethernet 02:03:04:05:06:07; fixed-address mailhost.example.com; } Deze optie geeft het domein aan dat door clients als standaard zoekdomein wordt gebruikt. In &man.resolv.conf.5; staat meer over wat dat betekent. Deze optie beschrijft een door komma's gescheiden lijst met DNS servers die de client moet gebruiken. Het netmasker dat aan de clients wordt voorgeschreven. Een client kan om een bepaalde duur vragen die een lease geldig is. Anders geeft de server aan wanneer de lease vervalt (in seconden). Dit is de maximale duur voor een lease die de server toestaat. Als een client vraagt om een langere lease, dan wordt die wel verstrekt, maar is de maar geldig gedurende max-lease-time seconden. Deze optie geeft aan of de DHCP server moet proberen de DNS server bij te werken als een lease is geaccepteerd of wordt vrijgegeven. In de ISC implementatie is deze optie verplicht. Dit geeft aan welke IP adressen in de groep met adressen zitten die zijn gereserveerd om uitgegeven te worden aan clients. Alle IP adressen tussen de aangegeven adressen en die adressen zelf worden aan clients uitgegeven. Geeft de default gateway aan die aan de clients wordt voorgeschreven. Het hardware MAC adres van een host, zodat de DHCP server een host kan herkennen als die een verzoek doet. Geeft een host aan die altijd hetzelfde IP adres moet krijgen. Hier kan een hostnaam gebruikt worden, omdat de DHCP server de hostnaam zelf opzoekt voordat de lease-informatie terug wordt gegeven. Als dhcpd.conf is ingesteld, kan de server met het volgende commando gestart worden: &prompt.root; /usr/local/etc/rc.d/isc-dhcpd.sh start Als er later wijzigingen in de instellingen gemaakt moeten worden, dan is het belangrijk te onthouden dat het sturen van een SIGHUP signaal naar dhcpd niet resulteert in het opnieuw laden van de instellingen, zoals voor de meeste daemons geldt. Voor deze daemon dient een signaal SIGTERM gestuurd te worden om het proces te stoppen. Daarna dient de daemon met het hiervoor beschreven commando weer gestart worden. Bestanden DHCP instellingenbestanden /usr/local/sbin/dhcpd dhcpd is statisch gelinkt en staat in /usr/local/sbin. In de hulppagina voor &man.dhcpd.8; die meekomt met de port staat meer informatie over dhcpd. /usr/local/etc/dhcpd.conf dhcpd heeft een instellingenbestand, /usr/local/etc/dhcpd.conf, nodig voordat de daemon diensten aan clients kan leveren. Het bestand moet alle informatie bevatten die aan clients gegeven moet worden en de informatie die nodig is voor het draaien van de dienst. Dit instellingenbestand staat beschreven in de hulppagina voor &man.dhcpd.conf.5; die meekomt met de port. /var/db/dhcpd.leases De DHCP server houdt in dit bestand een database bij met leases die zijn uitgegeven en die naar een logboek worden geschreven. In de hulppagina &man.dhcpd.leases.5; die bij de port zit wordt dit uitvoeriger beschreven. /usr/local/sbin/dhcrelay dhcrelay wordt in uitgebreidere omgevingen gebruikt waar de ene DHCP server een verzoek van een client naar een andere DHCP server op een ander netwerk doorstuurt. Als deze functionaliteit nodig is, kan die beschikbaar komen door de port net/isc-dhcp3-relay te installeren. De hulppagina voor &man.dhcrelay.8; die bij de port zit bevat meer details. Chern Lee Geschreven door Domeinnaamsysteem (DNS) Overzicht BIND &os; gebruikt standaard een versie van BIND (Berkeley Internet Name Domain), wat de meest gebruikte implementatie van het DNS protocol is. DNS is het protocol waarmee namen aan IP adressen gebonden worden en vice versa. Zo wordt bijvoorbeeld op een zoekopdracht voor www.FreeBSD.org geantwoord met het IP adres van de webserver van het &os; Project en op een zoekopdracht voor ftp.FreeBSD.org wordt geantwoord met het bijbehorende IP adres van de FTP machine. Het tegenovergestelde kan ook gebeuren. Een zoekopdracht voor een IP adres kan de bijbehorende hostnaam opleveren. Het is niet nodig om een nameserver te draaien om op een systeem zoekopdrachten met DNS te maken. DNS DNS wordt op internet onderhouden door een complex systeem van autoritaire root nameservers en andere nameservers met een kleinere scope die domeininformatie hosten en cachen. In dit document wordt BIND 8.x beschreven, de stabiele versie die in &os; wordt gebruikt. BIND 9.x kan op &os; geïnstaleerd worden met de net/bind9 port. RFC1034 and RFC1035 schrijven het DNS protocol voor. Op dit moment wordt BIND beheerd door het Internet Software Consortium . Terminologie Voor het begrip van dit document dienen aan aantal termen begrepen te worden. resolver reverse DNS root zone Term Definitie Voorwaartse DNS Het koppelen van hostnamen aan IP adressen; Herkomst (origin) Verwijst naar het domein dat door een bepaald zonebestand wordt gedekt; named, BIND, nameserver Vaak gebruikte namen voor het BIND nameserver pakket in &os;; Resolver Een systeemproces waarmee een machine zoekopdrachten om zoneinformatie aan een nameserver stelt; Reverse DNS Het tegenovergestelde van voorwaartse DNS. Het koppelen van IP adressen aan hostnamen; Root zone Het begin van de internet zonehiërarchie. Alle zones vallen onder de root zone, net zoals alle bestanden in een bestandssysteem onder de rootmap vallen; Zone Een individueel domein, subdomein of een deel van de DNS die door dezelfde autoriteit wordt beheerd. zones voorbeelden Voorbeelden van zones: . is de root zone; org. is een zone onder de root zone; example.org. is een zone onder het zone org.; foo.example.org. is een subdomein onder de zone example.org.; 1.2.3.in-addr.arpa is een zone waarin alle IP adressen die onder de IP ruimte 3.2.1.* vallen. Zoals te zien is staat het meer specifieke deel van een hostnaam aan de linkerkant. Zo is example.org. bijvoorbeeld meer specifiek dan org. en is org. meer specifiek van de root zone. De indeling van ieder deel van een hostnaam lijkt veel op een bestandssysteem: de map /dev valt onder de root, enzovoort. Redenen om een Nameserver te Draaien Nameservers bestaan in het algemeen in twee smaken: een authoritative namserver en een caching namserver. Er is een authoritative namserver nodig als: het nodig is DNS informatie aan te bieden aan de wereld om met autoriteit (authoritatively) op verzoeken te antwoorden; een domein, zoals example.org, is geregistreerd en er IP adressen aan hostnamen die daaronder liggen toegewezen moeten worden; een IP adresblok reverse DNS entries nodig heeft (IP naar hostnaam); een backup namserver, die slave wordt genoemd, moet antwoorden op verzoeken als de primaire down of niet toegankelijk is. Er is een caching namserver nodig als: een lokale DNS server kan cachen en wellicht sneller kan antwoorden dan een namserver die verder weg staat; het wenselijk is om het totale netwerkverkeer te reduceren. Er is ooit vastgesteld dat DNS verkeer 5% of meer van het totale verkeer op internet uitmaakt. Als er een verzoek wordt gedaan voor www.FreeBSD.org, dan doet de resolver meestal een verzoek bij de nameserver van de ISP die de uplink levert en ontvangt daarop een antwoord. Met een lokale, caching namserver hoeft het verzoek maar één keer door de caching nameserver naar de buitenwereld gedaan te worden. Voor ieder volgend verzoek hoeft niet buiten het lokale netwerk gekeken te worden omdat het al lokaal in de cache staat. Hoe Het Werkt Om begrijpelijke redenen heet de BIND daemon in &os; named. Bestand Beschrijving named de BIND daemon ndc name daemon beheerprogramma /etc/namedb map waar BIND zoneinformatie staat /etc/namedb/named.conf daemon instellingenbestand Zonebestanden staat meestal binnen de map /etc/namedb en bevatten de DNS zone informatie die de namserver aanbiedt. BIND Starten BIND starten Omdat BIND standaard wordt geïnstalleerd, is het instellen relatief eenvoudig. Om de named daemon bij het booten te laten starten kan de volgende regel in /etc/rc.conf gezet worden: named_enable="YES" Om na het instellen de daemon handmatig te starten: &prompt.root; ndc start Instellingenbestanden BIND instellingenbestanden/secondary> <command>make-localhost</command> Gebruiken Het volgende commando dient uitgevoerd te worden om het bestand voor de lokale reverse DNS zone in /etc/namedb/localhost.rev op de juiste wijze aan te maken: &prompt.root; cd /etc/namedb &prompt.root; sh make-localhost <filename>/etc/namedb/named.conf</filename> // $FreeBSD$ // // In de hulppagina named(8) zijn meer details te vinden. Voor het // opzetten van een primaire server is begrip van de werking van DNS // noodzakelijk. Zelfs eenvoudige fouten kunnen de werking verstoren // of veel onnodig verkeer veroorzaken. options { directory "/etc/namedb"; // Als toevoeging op de "forwarders" clausule kan de namserver ook // worden aangegeven dat hij nooit zelf verzoeken mag maken, maar dat // altijd aan zijn forwarders moet vragen door de volgende regel te // activeren: // // forward only; // Als er een DNS server beschikbaar is bij een upstream provider dan // kan het IP adres op de regel hieronder ingegeven worden en kan die // geactiveerd worden. Hierdoor wordt voordeel gehaald uit de cache, // waardoor het DNS verkeer op internet vermindert. /* forwarders { 127.0.0.1; }; */ Zoals al in het commentaar staat kan het gebruik van een cache in de uplink met forwarders ingeschakeld worden. In normale omstandigheden maakt een namserver recursief verzoeken tot er een antwoord komt waar de server naar op zoek is. Door de bovenstaande optie in te schakelen wordt eerst bij de namserver die is opgegeven gevraagd, waardoor er gebruik gemaakt kan worden van de cache van die server. Als die namserver een drukke, snelle namserver is, kan het erg de moeite waard zijn van deze optie gebruik te maken. 127.0.0.1 werkt hier niet. Dat IP adres dient gewijzigd te worden naar een werkende namserver in de uplink. /* * Als er een firewall tussen een host en namservers staat waarmee * gesproken moet worden, dan dient het commentaar voor het * query-source hieronder verwijderd te worden. In eerdere versies van * BIND werden verzoeken altijd via poort 53 gedaan, maar vanaf * BIND 8.1 wordt een poort zonder privileges gebruikt. */ // query-source address * port 53; /* * Als de namserver in een sandbox draait, kan het wenselijk zijn om * een andere lokatie voor het dumpbestand in te geven. */ // dump-file "s/named_dump.db"; }; // Opmerking: het volgende wordt in een latere release ondersteund. /* host { any; } { topology { 127.0.0.0/8; }; }; */ // Het opzetten van een secondary is veel eenvoudiger en dat wordt // hieronder ruweg beschreven. // // Als er een lokale nameserver wordt gebruikt, dan dient niet // vergeten te worden om 127.0.0.1 in /etc/resolv.conf te zetten zodat // die eerst bevraagd wordt. Het is ook belangrijk wijzigingen aan te // brengen in /etc/rc.conf om named te starten. zone "." { type hint; file "named.root"; }; zone "0.0.127.IN-ADDR.ARPA" { type master; file "localhost.rev"; }; zone "0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.IP6.INT" { type master; file "localhost.rev"; }; // NB: De IP adressen hieronder zijn bedoeld als voorbeeld en dienen // niet gebruikt te worden! // // Voorbeeld secondary instellingen. Het kan handig zijn om tenminste // secondary te worden voor de zone waar de host onderdeel van // uitmaakt. Bij netwerkbeheerders kan nagevraagd worden welke server // de primaire server is. // // De reverse lookup zone (IN-ADDR.ARPA) mag nooit vergeten worden! Dat // zijn de eerste bytes van het respectievelijke IP adres in omgekeerde // volgorde met daarachter ".IN-ADDR.ARPA". // // Het is echter van groot belang om de werking van DNS en BIND te // begrijpen voordat er een primaire zone wordt opgeset. Er zijn // nogal wat onverwachte valkuiten. Het opzetten van een secondary is // veel eenvoudiger. // // NB: Het wordt afgeraden de onderstaande voorbeelden actief te maken. // Er dienen bestaande namen en adressen gebruikt te worden. // // BELANGRIJK!!! &os; draait BIND in een zandbak (zie named_flags in // rc.conf). In de map waarin de secundaire zones staat moet // geschreven kunnen worden door BIND. Dat kan als volgt: // // mkdir /etc/namedb/s // chown bind:bind /etc/namedb/s // chmod 750 /etc/namedb/s Meer informatie over het draaien van BIND in een zandbak staat in named in een Zandbak Draaien. /* zone "example.com" { type slave; file "s/example.com.bak"; masters { 192.168.1.1; }; }; zone "0.168.192.in-addr.arpa" { type slave; file "s/0.168.192.in-addr.arpa.bak"; masters { 192.168.1.1; }; }; */ De bovenstaande voorbeelden komen uit named.conf en zijn voorbeelden van instellingen voor een slave, voor een forward en reverse zone. Voor iedere nieuwe zone die wordt aangeboden dient een nieuwe instelling voor de zone aan named.conf toegevoegd te worden. De meest eenvoudige instelling voor de zone example.org kan er als volgt uitzien: zone "example.org" { type master; file "example.org"; }; De zone is een master, dat geeft de instelling aan, waarvan de zoneinformatie in /etc/namedb/example.org staat, wat de instelling aangeeft. zone "example.org" { type slave; file "example.org"; }; In het geval van de slave wordt de zoneinformatie voor een zone getransporteerd van de master namserver en opgeslagen in het ingestelde bestand. Als een master server het niet meer doet of niet bereikbaar is, dan heeft de slave server de getransporteerde zoneinformatie nog en kan die aanbieden. Zonebestanden Een voorbeeldbestand voor een master zone voor example.org (als bestand /etc/namedb/example.org): $TTL 3600 example.org. IN SOA ns1.example.org. admin.example.org. ( 5 ; Serial 10800 ; Refresh 3600 ; Retry 604800 ; Expire 86400 ) ; Minimum TTL ; DNS Servers @ IN NS ns1.example.org. @ IN NS ns2.example.org. ; Machinenamen localhost IN A 127.0.0.1 ns1 IN A 3.2.1.2 ns2 IN A 3.2.1.3 mail IN A 3.2.1.10 @ IN A 3.2.1.30 ; Aliases www IN CNAME @ ; MX Record @ IN MX 10 mail.example.org. Iedere hostnaam die eindigt op een . is een exacte hostnaam, terwijl alles zonder een . op het einde refereert aan de oorsprong. Zo wordt www bijvoorbeeld vertaald naar www.origin. In de zone uit het voorbeeld hierboven is de oorsprong example.org., dus www vertaalt naar www.example.org. De regels in een zonebestand volgen de volgende opmaak: recordnaam IN recordtype waarde DNS records De meest gebruikte DNS records: SOA begin van zoneautoriteit (start of authority) NS een bevoegde (authoritative) name server A een hostadres CNAME de canonieke (canonical) naam voor een alias MX mail exchanger PTR een domeinnaam pointer (gebruikt in reverse DNS) example.org. IN SOA ns1.example.org. admin.example.org. ( 5 ; Serial 10800 ; Refresh after 3 hours 3600 ; Retry after 1 hour 604800 ; Expire after 1 week 86400 ) ; Minimum TTL of 1 day example.org. de domeinnaam, ook de oorsprong voor dit zonebestand. ns1.example.org. de primaire/bevoegde namserver voor deze zone. admin.example.org. de persoon die verantwoordelijk is voor deze zone, e-mailadres met @ vervangen. admin@example.org wordt admin.example.org. 5 het serienummer van het bestand. Dit moet iedere keer als het zonebestand wordt aangepast opgehoogd worden. Tegenwoordig geven veel beheerders de voorkeur aan de opmaak yyyymmddrr voor het serienummer. 2001041002 betekent dan dat het voor het laatst is aangepast op 10–04–2001. De laatste 02 betekent dat het zonebestand een aantal keer is aangepast op die dag. Het serienummer is belangrijk omdat het slave nameservers aangeeft dat een zone is bijgewerkt. @ IN NS ns1.example.org. Hierboven staat een NS regel. Voor iedere nameserver die bevoegde antwoorden moet geven voor de zone hoort er zo'n regel te zijn. De @ betekent hetzelfde als example.org. Een @ vertaalt naar de oorsprong. localhost IN A 127.0.0.1 ns1 IN A 3.2.1.2 ns2 IN A 3.2.1.3 mail IN A 3.2.1.10 @ IN A 3.2.1.30 Een A record geeft een machinenaam aan. Hierboven is te zien dat ns1.example.org zou resolven naar 3.2.1.2. Nogmaals, het symbool voor oorsprong, @, wordt hier gebruikt en dus zou example.org resolven naar 3.2.1.30. www IN CNAME @ Een canoniek name record wordt meestal gebruikt voor het geven van aliasen aan een machine. In het voorbeeld is www een alias naar de machine die gelijk is aan de oorsprong, example.org (3.2.1.30). CNAME's kunnen gebruikt worden om een alias aan hostnamen te geven of om round robin één hostnaam naar meerdere machines te laten wijzen. MX record @ IN MX 10 mail.example.org. MX records geven aan welke mailservers verantwoordelijk zijn voor het afhandelen van inkomende mail voor de zone. mail.example.org is de hostnaam voor de mailserver en 10 is de prioriteit voor die mailserver. Het is mogelijk meerdere mailservers in te stellen met prioriteiten 3, 2 en 1. Een mailserver die probeert mail af te leveren voor example.org probeert dat eerst bij de MX met de hoogste prioriteit, daarna de op een na hoogste, enzovoort, totdat de mail afgeleverd kan worden. Voor in-addr.arpa zonebestanden (reverse DNS) wordt dezelfde opmaak gebruikt, maar dan met PTR regels in plaats van A of CNAME. $TTL 3600 1.2.3.in-addr.arpa. IN SOA ns1.example.org. admin.example.org. ( 5 ; Serial 10800 ; Refresh 3600 ; Retry 604800 ; Expire 3600 ) ; Minimum @ IN NS ns1.example.org. @ IN NS ns2.example.org. 2 IN PTR ns1.example.org. 3 IN PTR ns2.example.org. 10 IN PTR mail.example.org. 30 IN PTR example.org. Dit bestand geeft de juiste IP adressen voor hostnamen in het voorbeelddomein hierboven. Caching Nameserver BIND caching namserver Een caching namserver is een namserver die voor geen enkele zone bevoegd is en alleen verzoeken doet en die onthoudt voor later gebruik. Het opzetten ervan is eenvoudigweg het opzetten van een namserver zonder zones toe te voegen. <application>named</application> in een Zandbak Draaien BIND in een zandbak draaien chroot Als extra beveiligingsmaatregel is het wellicht wenselijk om &man.named.8; als een gebruiker zonder privileges te draaien en de instellingen zo te maken dat die &man.chroot.8; in een zandbakmap draait. Hierdoor is alles buiten de zandbak niet toegankelijk voor de named daemon. Hierdoor wordt de schade die aangericht kan worden beperkt in het geval dat named wordt gehackt. Standaard kent &os; een gebruiker en groep bind die voor dit doel bestemd zijn. Er wordt ook wel gesteld dat het verstandiger is om named met chroot te draaien, maar in plaats daarvan in een &man.jail.8; te draaien. Dit wordt hier niet beschreven. Omdat named niet in staat is ook maar iets buiten de zankbak te raadplegen (zoals gedeelde bibliotheken, log sockets, enzovoort), moeten er een aantal stappen gevolgd worden om named goed te laten draaien. In de onderstaande controlelijst wordt aangenomen dat het pad naar de zandbak /etc/namedb is en dat er geen wijzigingen gemaakt zijn aan de inhoud van die map. De volgende stappen dienen als root uitgevoerd te worden: Maak alle mappen die named verwacht: &prompt.root; cd /etc/namedb &prompt.root; mkdir -p bin dev etc var/tmp var/run master slave &prompt.root; chown bind:bind slave var/* named hoeft alleen in deze mappen te schrijven, dus krijgt het alleen daar rechten. Herschik en maak de basiszone en stel het bestand met instellingen in: &prompt.root; cp /etc/localtime etc &prompt.root; mv named.conf etc && ln -sf etc/named.conf &prompt.root; mv named.root master &prompt.root; sh make-localhost && mv localhost.rev localhost-v6.rev master &prompt.root; cat > master/named.localhost $ORIGIN localhost. $TTL 6h @ IN SOA localhost. postmaster.localhost. ( 1 ; serial 3600 ; refresh 1800 ; retry 604800 ; expiration 3600 ) ; minimum IN NS localhost. IN A 127.0.0.1 ^D Hierdoor kan named de correcte tijd melden aan &man.syslogd.8;. syslog logboekbestanden named Als er een oudere versie dan &os; 4.9-RELEASE draait, dient een statisch gelinkte kopie van named-xfer gebouwd te worden en naar de zankbak gekopieerd te worden: &prompt.root; cd /usr/src/lib/libisc &prompt.root; make cleandir && make cleandir && make depend && make all &prompt.root; cd /usr/src/lib/libbind &prompt.root; make cleandir && make cleandir && make depend && make all &prompt.root; cd /usr/src/libexec/named-xfer &prompt.root; make cleandir && make cleandir && make depend && make NOSHARED=yes all &prompt.root; cp named-xfer /etc/namedb/bin && chmod 555 /etc/namedb/bin/named-xfer Nadat de statisch gelinkte named-xfer is geïnstalleerd, is het nodig wat op te ruimen om te voorkomen dat er kopieen van bibliotheken of programma's in de boomstructuur met broncode achterblijven: &prompt.root; cd /usr/src/lib/libisc &prompt.root; make cleandir &prompt.root; cd /usr/src/lib/libbind &prompt.root; make cleandir &prompt.root; cd /usr/src/libexec/named-xfer &prompt.root; make cleandir Deze stap gaat wel eens verkeerd. Als dit gebeurt, kan het volgende commando uitgevoerd worden: &prompt.root; cd /usr/src && make cleandir && make cleandir Daarnaast kan de /usr/obj structuur verwijderd worden: &prompt.root; rm -fr /usr/obj && mkdir /usr/obj Hiermee wordt aanwezige rommel uit de broncodestructuur verwijderd en kunnen de hierboven beschreven stappen opnieuw uitgevoerd worden. Als &os; version 4.9-RELEASE of later wordt gebruikt, dan is named-xfer in /usr/libexec standaard statisch gelinkt en kan er simpelweg met &man.cp.1; een kopie naar de zandbak gemaakt worden. Maak een dev/null die zichtbaar is voor named en waar named kan schrijven: &prompt.root; cd /etc/namedb/dev && mknod null c 2 2 &prompt.root; chmod 666 null Symlink /var/run/ndc naar /etc/namedb/var/run/ndc: &prompt.root; ln -sf /etc/namedb/var/run/ndc /var/run/ndc Hiermee wordt voorkomen dat er iedere keer als &man.ndc.8; wordt uitgevoerd de optie meegegeven moet worden. Omdat de inhoud van /var/run bij het booten wordt verwijderd, kan het wenselijk zijn dit commando aan de &man.crontab.5; van root toe te voegen met de optie . syslog logboekbestanden named Stel &man.syslogd.8; in om een extra log socket te maken waar named heen kan schrijven. Dit kan door -l /etc/namedb/dev/log toe te voegen aan de syslogd_flags variable in /etc/rc.conf. chroot Maak de instelling om named te starten en zich met chroot in een zandbak te plaatsen met de volgende aanpassing in /etc/rc.conf: named_enable="YES" named_flags="-u bind -g bind -t /etc/namedb /etc/named.conf" In het instellingenbestand /etc/named.conf staan volledige paden relatief aan de zandbak. Het bestand in de regel hierboven is dus feitelijk /etc/namedb/etc/named.conf. Nu dient /etc/namedb/etc/named.conf gewijzigd te worden, zodat named weet welke zones geladen moeten worden en waar ze staan. Nu volgt een van commentaar voorzien voorbeeld. Alle regels zonder commentaar wijken niet af van de opzet voor een DNS server die niet in een zandbak draait: options { directory "/"; named-xfer "/bin/named-xfer"; version ""; // Laat versie BIND niet zien query-source address * port 53; }; // ndc control socket controls { unix "/var/run/ndc" perm 0600 owner 0 group 0; }; // Zones follow: zone "localhost" IN { type master; file "master/named.localhost"; allow-transfer { localhost; }; notify no; }; zone "0.0.127.in-addr.arpa" IN { type master; file "master/localhost.rev"; allow-transfer { localhost; }; notify no; }; zone "0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.ip6.int" { type master; file "master/localhost-v6.rev"; allow-transfer { localhost; }; notify no; }; zone "." IN { type hint; file "master/named.root"; }; zone "private.example.net" in { type master; file "master/private.example.net.db"; allow-transfer { 192.168.10.0/24; }; }; zone "10.168.192.in-addr.arpa" in { type slave; masters { 192.168.10.2; }; file "slave/192.168.10.db"; }; De opdracht directory heeft als waarde / omdat alle bestanden die named nodig heeft binnen die map staan. Dit staat dus gelijk aan /etc/namedb voor een normale gebruiker. Geeft het volledige pad naar het uitvoerbare bestand named-xfer (vanuit de optiek van named). Dit is nodig omdat named is gecompileerd om standaard te zoeken naar named-xfer in /usr/libexec. Geeft de bestandsnaam (relatief aan de instelling directory hierboven) waar named het zonebestand voor deze zone kan vinden. Geeft de bestandsnaam (relatief aan de instelling directory hierboven) waar named een kopie van het zonebestand moet schrijven nadat die succesvol van de master server is gekopieerd. Daarom moest de eigenaar van de map slave naar bind gewijzigd worden in een eerdere stap. Na het doorlopen van de hierboven beschreven stappen kan de server herstart worden of kunnen &man.syslogd.8; herstart en &man.named.8; gestart worden, mits de nieuwe opties voor syslogd_flags en named_flags zijn ingesteld. Dan draait named in een zandbak! Beveiliging Hoewel BIND de meest gebruikte implementatie van DNS is, is er altijd nog het beveiligingsvraagstuk. Soms worden er mogelijke en te misbruiken beveiligingsgaten gevonden. Het is verstandig om bij te blijven met CERT beveiligingswaarschuwingen en een abonnement te nemen op de &a.security-notifications; om bij te blijven met de beveiligingsproblemen wat betreft internet en &os;. Als er problemen ontstaan, kan het bijwerken van broncode en het opnieuw bouwen van named geen kwaad doen. Verder Lezen BIND/named hulppagina's: &man.ndc.8;, &man.named.8;, &man.named.conf.5; Officiële ISC BIND pagina BIND FAQ O'Reilly DNS en BIND 4e Editie RFC1034 - Domeinnamen - Concepten en Faciliteiten RFC1035 - Domeinnamen - Implementatie en Specificatie Tom Rhodes Geschreven door <acronym>BIND</acronym>9 en &os; bind9 instellen Het uitbrengen van &os; 5.3 was het moment van introductie van de BIND9 DNS server software in de distributie. Dit betekende nieuwe beveiligingsmogelijkheden, een nieuwe indeling van het bestandssysteem en automatische instelling van &man.chroot.8;. Deze paragraaf bestaat uit twee delen. In het eerste deel worden de nieuwe mogelijkheden en hun instelling beschreven en het tweede gedeelte gaat over hulp bij het upgraden naar &os; 5.3. Vanaf dit moment wordt er simpelweg verwezen naar &man.named.8; in plaats van naar BIND. Dit onderdeel slaat het beschrijven van de terminologie over, omdat die eerder is besproken. De theorie wordt ook niet beschreven. Het is aan te raden om die eerdere onderdelen te lezen voor dit onderdeel. De bestanden met instellingen voor named staan op dit moment in /var/named/etc/namedb/ en moeten voor gebruik aangepast worden. Daar worden de meeste instellingen gemaakt. Een Master Zone Instellen Om een master zone in te stellen kan in /var/named/etc/namedb/ het volgende uitgevoerd worden: &prompt.root; sh make-localhost Als alles goed is gegaan hoort er een nieuw bestand in de master map te staan. De bestandsnamen horen localhost.rev voor de lokale domeinnaam te zijn en localhost-v6.rev voor IPv6 instellingen. Instellingen voor standaardgebruik staan al in het instellingenbestand named.conf file. Een Slave Zone Instellen Instellingen voor extra domeinen of subdomeinen kunnen worden ingesteld als slave zones. In de meeste gevallen kan het bestand master/localhost.rev gewoon naar de map slave gekopieerd worden en aangepast worden. Als dat is gedaan, moeten de bestanden op de juiste wijze toegevoegd worden aan named.conf, zoals in het volgende voorbeeld voor example.com: zone "example.com" { type slave; file "slave/example.com"; masters { 10.0.0.1; }; }; zone "0.168.192.in-addr.arpa" { type slave; file "slave/0.168.192.in-addr.arpa"; masters { 10.0.0.1; }; }; In dit voorbeeld is het master IP adres de primaire domain server vanwaar de zones gehaald worden. Die hoeft niet per se zelf een DNS server te zijn. Opstarten Instellen Om de named daemon met het systeem te laten starten, hoort de volgende optie in rc.conf te staan: named_enable="YES" Hoewel er nog andere mogelijkheden bestaan, is dit het absolute minimum. In &man.rc.conf.5; staan nog meer mogelijkheden beschreven. Als er niets in rc.conf staat, kan named gestart worden vanaf de commandoregel: &prompt.root; /etc/rc.d/named start <acronym>BIND</acronym>9 Beveiliging Hoewel &os; named automatisch in een &man.chroot.8; omgeving zet, zijn er nog een aantal andere beveiligingsmogelijkheden die kunnen helpen om mogelijke aanvallen op de DNS dienst af te slaan. Toegangscontrolelijsten Opvragen Een toegangscontrolelijst (acl) voor vraagstellingen kan gebruikt worden om vraagstellingen voor zones te beperken. De instelling gaat door een netwerk te definiëren binnen het token acl en dan een lijst met IP adressen aan te geven in de instellingen voor de zone. Om domeinen toe te staan om de voorbeeldhost te gebruiken, kan iets als het volgende gebruikt worden: acl "example.com" { 192.168.0.0/24; }; zone "example.com" { type slave; file "slave/example.com"; masters { 10.0.0.1; }; allow-query { example.com; }; }; zone "0.168.192.in-addr.arpa" { type slave; file "slave/0.168.192.in-addr.arpa"; masters { 10.0.0.1; }; allow-query { example.com; }; }; Opvragen Versie Beperken Het opvragen van de versie van de DNS server kan een ingang zijn voor een aanvaller, die deze informatie kan gebruiken om te zoeken naar bekende exploits of bugs om in te breken op de host. Er kan een vervalste versiestring gezet worden in de sectie options van named.conf: options { directory "/etc/namedb"; pid-file "/var/run/named/pid"; dump-file "/var/dump/named_dump.db"; statistics-file "/var/stats/named.stats"; version "None of your business"; Murray Stokely Geschreven door Apache HTTP Server webservers opzetten Apache Overzicht &os; wordt gebruikt om een paar van de drukste websites ter wereld te draaien. De meeste webservers op internet maken gebruik van de Apache HTTP Server. Apache softwarepackages staan op de &os; installatiemedia. Als Apache niet bij de oorsponkelijke installatie van &os; is meegeïnstalleerd, dan kan dat vanuit de www/apache13 of www/apache2 port. Als Apache succesvol is geïnstalleerd, moeten er instelingen gemaakt worden. In dit onderdeel wordt versie 1.3.X van de Apache HTTP Server behandeld omdat die het meest gebruikt wordt op &os;. Apache 2.X biedt veel nieuwe mogelijkheden, maar wordt hier niet beschreven. Meer informatie over Apache 2.X is te vinden op . Instellen Apache configuration file Het belangrijkste bestand met instellingen voor de Apache HTTP Server op &os; is /usr/local/etc/apache/httpd.conf. Dit bestand is een typisch &unix; tekstgebaseerd instellingenbestand waarin regels met commentaar beginnen met het karakter #. Het uitputtend beschrijven van alle mogelijke instellingen valt buiten het bereik van dit boek, dus worden alleen de meest gebruikte directieven beschreven. ServerRoot "/usr/local" Hierin wordt de standaard mappenhiërarchie voor de Apache installatie aangegeven. Binaire bestanden staan in de submappen bin en sbin van de serverroot en bestanden met instellingen staan in etc/apache. ServerAdmin beheerder@beheer.adres Het adres waaraan problemen met de server gemaild kunnen worden. Dit adres verschijnt op een aantal door de server gegenereerde pagina's, zoals documenten met foutmeldingen. ServerName www.example.com Met ServerName kan een hostnaam ingesteld worden die wordt teruggezonden aan de clients als de naam van de server anders is dan die is ingesteld (gebruik bijvoorbeeld www in plaats van de echte hostnaam). DocumentRoot "/usr/local/www/data" DocumentRoot: de map waaruit de documenten worden geserveerd. Standaard worden alle verzoeken uit deze map gehaald, maar er kunnen symbolische links en aliasen gebruikt worden om naar andere locaties te wijzen. Het is altijd een goed idee om back-ups te maken van het instellingenbestand voor Apache vóór het maken van wijzigingen. Als de juiste instellingen gemaakt zijn, kan Apache gestart worden. <application>Apache</application> Draaien Apache starten of stoppen Apache draait niet vanuit de inetd super server zoals veel andere netwerkdiensten. Hij is ingesteld om zelfstandig te draaien vanwege beter prestaties voor het afhandelen van inkomende HTTP verzoeken van client webbrowsers. Er wordt een shellscriptwrapper bijgeleverd om het starten, stoppen en herstarten zo eenvoudig mogelijk te maken. Het volgende commando start Apache voor de eerste keer: &prompt.root; /usr/local/sbin/apachectl start De server kan op iedere moment gestopt worden met: &prompt.root; /usr/local/sbin/apachectl stop Na het maken van wijzigingen aan het instellingenbestand moet de dienst herstart worden: &prompt.root; /usr/local/sbin/apachectl restart Om Apache te herstarten zonder bestaande connecties te verbreken: &prompt.root; /usr/local/sbin/apachectl graceful In &man.apachectl.8; staat meer informatie. Om Apache met het systeem mee te starten kan de volgende regel aan /etc/rc.conf worden toegevoegd: apache_enable="YES" Als het nodig is additionele commandoregelopties op te geven voor de Apache httpd bij het opstarten, dan kunnen die in de volgende regel in rc.conf meegegeven worden: apache_flags="" Nu de webserver draait, is die te benaderen door een webbrowser te wijzen naar http://localhost/. De standaard webpagina is /usr/local/www/data/index.html. Virtuele Hosting Apache ondersteunt twee verschillende manieren van Virtuele Hosting. De eerste methode is Naam-gebaseerde Virtuele Hosting. Naam-gebaseerde Virtuele Hosting gebruikt de HTTP/1.1 headers van de clients om de hostnaam uit te zoeken. Hierdoor kunnen meerdere domeinen hetzelfde IP adres delen. Om Apache gebruik te laten maken van Naam-gebaseerde Virtuele Hosting kan een regel als de volgende in httpd.conf worden opgenomen: NameVirtualHost * Als een webserver www.domein.tld heet en er moet een virtueel domein voor www.anderdomein.tld gaan draaien, dan kunnen de volgende regels aan httpd.conf worden toegevoegd: <VirtualHost *> ServerName www.domein.tld DocumentRoot /www/domein.tld <VirtualHost> <VirtualHost *> ServerName www.anderdomein.tld DocumentRoot /www/anderdomein.tld </VirtualHost> De adressen en de paden uit dit voorbeeld kunnen in echte implementaties uiteraard gewijzigd worden. Meer informatie over het opzetten van virtuele hosts staat in de officiële documentatie voor Apache op Apache Modules Apache modules Er zijn veel verschillende Apache modules die functionaliteit - toevoegen aan de basisdienst. De &os; portscollectie biedt + toevoegen aan de basisdienst. De &os; Portscollectie biedt op een eenvoudige manier de mogelijkheid om Apache samen met de meeste populaire add-on modules te installeren. mod_ssl webserver veilig SSL cryptografie De module mod_ssl gebruikt de OpenSSL bibliotheek om sterke cryptografie te leveren via de protocollen Secure Sockets Layer (SSL v2/v3) en Transport Layer Security (TLS v1). Deze module levert alles wat nodig is om een getekend certificaat aan te vragen bij een vertrouwde certificaatautoriteit om een veilige webserver onder &os; te kunnen draaien. Als Apache nog niet is geïnstalleerd, dan is er een versie van Apache 1.3.X die mod_ssl bevat en geïnstalleerd kan worden met de www/apache13-modssl port. SSL ondersteuning is ook voor Apache 2.X beschikbaar in de www/apache2 port, waar het standaard is ingeschakeld. mod_perl Perl Het Apache/Perl integratieproject brengt de volledige kracht van de Perl programmeertaal en de Apache HTTP Server samen. Met de mod_perl module is het mogelijk om Apache modules volledig in Perl te schrijven. Daarnaast voorkomt een ingebouwde persistente interpreter in de server de overhead van het starten van een externe interpreter en de nadelen van het opstarten van Perl. Als Apache nog niet is geïnstalleerd, dan is er een versie van Apache die mod_perl bevat en geïnstalleerd kan worden met de www/apache13-modperl port. PHP PHP PHP, dat staat voor PHP: Hypertext Preprocessor, is een veelgebruikte algemene Open Source scripttaal die bijzonder bruikbaar is voor webontwikkeling en die ingebed kan worden in HTML. De syntaxis is afgeleid van C, &java; en Perl en blijkt makkelijk te leren. Het belangrijkste doel van de taal is webontwikkelaars in staat te stellen om gemakkelijk dynamisch samengestelde webpagina's te schrijven. Maar er kan nog veel meer met PHP gedaan worden. PHP kan geïnstalleerd worden met de lang/php5 port. Murray Stokely Geschreven door File Transfer Protocol (FTP) FTP servers Overzicht Het File Transfer Protocol (FTP) biedt gebruikers een eenvoudige manier om bestanden van en naar een FTP server te verplaatsen. &os; bevat FTP server software, ftpd, in het basissysteem. Hierdoor is het opzetten en beheren van een FTP server op &os; erg overzichtelijk. Instellen De belangrijkste stap bij het instellen is de beslissing welke accounts toegang krijgen tot de FTP server. Een normaal &os; systeem heeft een aantal systeemaccounts die gebruikt worden voor daemons, maar onbekende gebruikers mag niet toegestaan worden van die accounts gebruikt te maken. In /etc/ftpusers staat een lijst met gebruikers die geen FTP toegang hebben. Standaard staan daar de voorgenoemde accounts in, maar het is ook mogelijk om daar gebruikers toe te voegen die geen FTP toegang mogen hebben. Het kan ook wenselijk zijn de FTP toegang voor sommige gebruikers te beperken, maar niet onmogelijk te maken. Dit kan met /etc/ftpchroot. In dat bestand staan gebruikers en groepen waarop FTP toegangsbeperkingen van toepassing zijn. In &man.ftpchroot.5; staan alle details die hier niet beschreven zijn. FTP anoniem Om anonieme FTP toegang voor een server in te schakelen, dient er een gebruiker ftp op een &os; systeem aangemaakt te worden. Dan kunnen gebruikers op de server aanmelden met de gebruikersnaam ftp of anonymous en met ieder wachtwoord (de geldende conventie schrijft voor dat dit een e-mail adres van de gebruiker is). De FTP server roep bij een anonieme aanmelding &man.chroot.2; aan, zodat er alleen toegang is tot de thuismap van de gebruiker ftp. Er zijn twee tekstbestanden waarin welkomstberichten voor de FTP clients gezet kunnen worden. De inhoud van /etc/ftpwelcome wordt getoond voordat gebruikers een aanmeldprompt zien. Na een succesvolle aanmelding wordt de inhoud van /etc/ftpmotd getoond. Het genoemde pad is relatief ten opzichte van de aanmeldomgeving, dus voor anonieme gebruikers wordt ~ftp/etc/ftpmotd getoond. Als een FTP server eenmaal correct is ingesteld, moet die ingeschakeld worden in /etc/inetd.conf. Daar moet het commentaarkarakter # voor de bestaande ftpd regel verwijderd worden: ftp stream tcp nowait root /usr/libexec/ftpd ftpd -l Nadat het bestand met instellingen is gewijzigd, moet er een HangUP signaal verstuurd worden naar inetd, zoals uitgelegd in . Nu kan aangemeld worden op de FTP server met: &prompt.user; ftp localhost Beheren syslog logboekbestanden FTP De ftpd daemon gebruikt &man.syslog.3; om berichten te loggen. Standaard plaatst de systeemlogdaemon berichten over FTP in /var/log/xferlog. De lokatie van het FTP logboek kan gewijzigd worden door de volgende regels in /etc/syslog.conf te wijzigen: ftp.info /var/log/xferlog FTP anoniem Het is verstandig na te denken over de gevaren die op de loer liggen bij het draaien van een anonieme FTP server. Dat geldt in het bijzonder voor het laten uploaden ven bestanden. Het is dan goed mogelijk dat een FTP site een forum wordt om commerciële software zonder licenties uit te wisselen of erger. Als anonieme uploads toch nodig zijn, dan horen de rechten op die bestanden zo te staan dat ze niet door andere anonieme gebruikers gelezen kunnen worden tot er door een beheerder naar gekeken is. Murray Stokely Geschreven door Bestands- en Printdiensten voor µsoft.windows; Clients (Samba) Samba server Microsoft Windows file server Windows clients print server Windows clients Overzicht Samba is een populair open source softwarepakket dat bestands- en printdiensten voor µsoft.windows; clients biedt. Die clients kunnen dan ruimte op een &os; bestandssysteem gebruiken alsof het een lokale schijf is en &os; printers gebruiken alsof het lokale printers zijn. Samba software packages horen op de &os; installatiemedia te staan. Als Samba bij de basisinstallatie niet mee is geïnstalleerd, dan kan dat alsnog via de net/samba3 port of met het package. Instellen Een standaardbestand met instellingen voor Samba wordt geïnstalleerd als /usr/local/etc/smb.conf.default. Dit bestand dient gekopieerd te worden naar /usr/local/etc/smb.conf en voordat Samba gebruikt kan worden, moeten er aanpassingen aan worden gemaakt. smb.conf bevat de instellingen voor Samba, zoals die voor de printers en de gedeelde bestandssystemen die gedeeld worden met &windows; clients. Het Samba pakket bevat een webgebaseerde beheermodule die swat heet, waarmee smb.conf op een eenvoudige manier ingesteld kan worden. De Samba Webbeheermodule Gebruiken (SWAT) De Samba Webbeheermodule (SWAT) draait als een daemon vanuit inetd. Daarom dient voor de volgende regel uit /etc/inetd.conf het commentaarkarakter verwijderd te worden voordat swat gebruikt kan worden om Samba in te stellen: swat stream tcp nowait/400 root /usr/local/sbin/swat Nadat het bestand met instellingen is gewijzigd, moet er een HangUP signaal verstuurd worden naar inetd, zoals uitgelegd in . Als swat is ingeschakeld in inetd.conf, kan de module gebruikt worden door met een browser een verbinding te maken met . Er dient aangemeld te worden met de root account van het systeem. Na succesvol aanmelden op de hoofdpagina voor de Samba instellingen, is het mogelijk de systeemdocumentatie te bekijken of te starten door op het tabblad Globals te klikken. Het onderdeel Globals correspondeert met de sectie [global] in /usr/local/etc/smb.conf. Systeembrede Instellingen Of Samba nu wordt ingesteld door /usr/local/etc/smb.conf direct te bewerken of met swat, de eerste instellingen die gemaakt moeten worden zijn de volgende: workgroup NT Domeinnaam of Werkgroepnaam voor de computers die verbinding gaan maken met de server. netbios name NetBIOS Hiermee wordt de NetBIOS naam waaronder de Samba server bekend zal zijn ingesteld. Standaard is de naam het eerste gedeelte van de DNS naam van een host. server string Hiermee wordt de string ingesteld die te zien is als het commando net view en een aantal andere commando's die gebruik maken van de descriptieve tekst voor de server gebruikt worden. Beveiligingsinstellingen Twee van de belangrijkste instellingen in /usr/local/etc/smb.conf zijn het gekozen beveiligingsmodel en het wachtwoord voor clientgebruikers. Deze worden met de volgende instellingen gemaakt: security De twee meest gebruikte mogelijkheden hier zijn security = share en security = user. Als de clients gebruikersnamen hebben die overeenkomen met hun gebruikersnaam op de &os; machine, dan is het verstandig om te kiezen voor beveiliging op gebruikersniveau. Dit is het standaard beveiligingsbeleid en kent als voorwaarde dat gebruikers zich eerst moeten aanmelden voordat ze toegang krijgen tot gedeelde bronnen. Bij beveiliging op shareniveau hoeft een client niet met een geldige gebruikersnaam en wachtwoord aan te melden op de server voor het mogelijk is om een verbinding te proberen te krijgen met een gedeelde bron. Dit was het standaardbeveiligingsmodel voor oudere versies van Samba. passdb backend NIS+ LDAP SQL database Samba kent aan de achterkant verschillende authenticatiemodellen. Clients kunnen authenticeren met LDAP, NIS+, een SQL database of een aangepast wachtwoordbestand. De standaard authenticatiemethode is smbpasswd. Meer wordt hier niet behandeld. Als aangenomen wordt dat de standaard achterkant smbpasswd wordt gebruikt, dan moet /usr/local/private/smbpasswd gemaakt worden om Samba in staat te stellen clients te authenticeren. Alle &unix; gebruikersaccounts toegang geven vanaf &windows; clients gaat met het volgende commando: &prompt.root; grep -v "^#" /etc/passwd | make_smbpasswd > /usr/local/private/smbpasswd &prompt.root; chmod 600 /usr/local/private/smbpasswd In de Samba documentatie staat meer informatie over instellingen. Met de hier gegeven basisuitleg moet het mogelijk zijn Samba draaiende te krijgen. <application>Samba</application> Starten Om Samba in te schakelen bij het starten van een systeem dient de volgende regel aan /etc/rc.conf toegevoegd te worden: samba_enable="YES" Samba kan op ieder moment gestart worden met: &prompt.root; /usr/local/etc/rc.d/samba.sh start Starting SAMBA: removing stale tdbs : Starting nmbd. Starting smbd. Samba bestaat feitelijk uit drie afzonderlijke daemons. Het script samba.sh start de daemons nmbd en smbd. Als de winbind name resolution diensten in smb.conf zijn ingeschakeld, dan start ook de daemon winbindd. Samba kan op ieder moment gestopt worden met: &prompt.root; /usr/local/etc/rc.d/samba.sh stop Samba is een complexe softwaresuite met functionaliteit waarmee verregaande ingratie met µsoft.windows; netwerken mogelijk wordt. Informatie die verder gaat dan de basisinstallatie staat op . Tom Hukins Geschreven door Tijd Synchroniseren met NTP NTP Overzicht Na verloop van tijd gaat de tijd van een computer meestal uit de pas lopen. Het Netwerk Tijd Protocol (NTP) kan ervoor zorgen dat de tijd accuraat blijft. Veel diensten op internet zijn afhankelijk, of hebben veel voordeel, van het betrouwbaar zijn van de tijd. Zo ontvangt een webserver bijvoorbeeld veel verzoeken om een bestand te sturen als dat gewijzigd is sinds een bepaald moment. In een LAN omgeving is het van groot belang dat computers die bestanden delen van eenzelfde server gesynchroniseerde tijd hebben zodat de tijdstempels consistent blijven. Diensten zoals &man.cron.8; zijn ook afhankelijk van een betrouwbare systeemtijd om commando's op het ingestelde moment uit te voeren. NTP ntpd Bij &os; zit de &man.ntpd.8; NTP server die gebruikt kan worden om bij andere NTP servers de tijd op te vragen om de eigen klok gelijk te zetten of om de juiste tijd te verstrekken aan andere apparaten. Passende NTP Servers Kiezen NTP choosing servers Om de tijd te synchroniseren moeten er één of meer NTP servers beschikbaar zijn. Een lokale systeembeheerder of een ISP heeft wellicht een NTP server voor dit doel opgezet. Het is verstandig om documentatie te raadplegen en te bekijken of dat het geval is. Er is een online lijst van publiek toegankelijke NTP servers waarop een NTP server gezocht kan worden die in geografische zin dichtbij een te synchroniseren computer ligt. Het is belangrijk te voldoen aan het beleid voor de betreffende server en toestemming te vragen als dat in de voorwaarden staat. Het is verstandig meerdere, niet van elkaar afhankelijke, NTP servers te kiezen voor het geval een van de servers niet langer betrouwbaar is of niet bereikbaar is. &man.ntpd.8; gebruikt de antwoorden die van andere servers ontvangen worden op intelligente wijze: betrouwbare servers krijgen voorrang boven ontbetrouwbare servers. Machine Instellen NTP instellen Basisinstellingen ntpdate Als het alleen de bedoeling is de tijd te synchroniseren bij het opstarten van een machine, dan kan &man.ntpdate.8; gebruikt worden. Dit kan van toepassing zijn op desktops die regelmatig herstart worden en niet echt regelmatig gesynchroniseerd hoeven te worden. Op sommige machines hoort echter &man.ntpd.8; te draaien. Het gebruik van &man.ntpdate.8; bij het opstarten is ook een goed idee voor machines waarop &man.ntpd.8; draait. De &man.ntpd.8; wijzigt de tijd geleidelijk, terwijl &man.ntpdate.8; gewoon de tijd instelt, hoe groot het verschil tussen de bestaande tijd van een machine en de correcte tijd ook is. Om &man.ntpdate.8; tijdens het opstarten in te schakelen kan ntpdate_enable="YES" aan /etc/rc.conf worden toegevoegd. Alle voor de synchronisatie te gebruiken servers moeten dan, samen met eventuele opties voor &man.ntpdate.8;, in ntpdate_flags aangegeven worden. NTP ntp.conf Algemene Instellingen NTP wordt ingesteld met het bestand /etc/ntp.conf in het formaat dat beschreven staat in &man.ntp.conf.5;. Hieronder volgt een eenvoudig voorbeeld: server ntplocal.example.com prefer server timeserver.example.org server ntp2a.example.net driftfile /var/db/ntp.drift De optie server geeft aan welke servers er gebruikt moeten worden, met op elke regel een server. Als de server wordt ingesteld met het argument prefer, zoals bij ntplocal.example.com, dan krijgt die server de voorkeur boven de andere. Een antwoord van een voorkeursserver wordt genegeerd als dat significant afwijkt van de antwoorden van de andere servers. In andere gevallen wordt het gebruikt zonder rekening te houden met de andere antwoorden. Het argument prefer wordt meestal gebruikt voor NTP servers waarvan bekend is dat ze erg betrouwbaar zijn, zoals die met speciale tijdbewaking hardware. De optie driftfile geeft aan welk bestand gebruikt wordt om de offset van de klokfrequentie van het systeem op te slaan. &man.ntpd.8; gebruikt die om automatisch te compenseren voor het natuurlijke afwijken van de tijd, zodat er zelfs bij gebrek aan externe bronnen een redelijke accurate tijdsinstelling mogelijk is. De optie driftfile geeft aan welk bestand gebruikt wordt om informatie over eerdere antwoorden van NTP servers die gebruikt worden op te slaan. Dit bestand bevat interne informatie voor NTP. Het hoort niet door andere processen gewijzigd te worden. Toegang tot een Server Instellen Een NTP server is standaard toegankelijk voor alle hosts op een netwerk. De optie restrict in /etc/ntp.conf maakt het mogelijk om aan te geven welke machines de dienst mogen benaderen. Voor het blokkeren van toegang voor alle andere machines kan de volgende regel aan /etc/ntp.conf toegevoegd worden: restrict default ignore Om alleen machines op bijvoorbeeld het locale netwerk toe te staan hun tijd te synchroniseren met een server, maar ze tegelijkertijd niet toe te staan om de server te draaien of de server als referentie voor synchronisatie te gebruiken, kan de volgende regel toegevoegd worden: restrict 192.168.1.0 mask 255.255.255.0 nomodify notrap Hierboven is 192.168.1.0 een IP adres op een LAN en 255.255.255.0 is het bijbehorende netwerkmasker. /etc/ntp.conf mag meerdere regels met restrict bevatten. Meer details staan in het onderdeel Access Control Support van &man.ntp.conf.5;. De NTP Server Draaien De NTP server kan bij het opstarten gestart worden door de regel ntpd_enable="YES" aan /etc/rc.conf toe te voegen. Om extra opties aan &man.ntpd.8; mee te geven kan de parameter ntpd_flags in /etc/rc.conf gebruikt worden. Om de server zonder een herstart van de machine te starten kan ntpd uitgevoerd worden, met toevoeging van de parameters uit ntpd_flags in /etc/rc.conf. Bijvoorbeeld: &prompt.root; ntpd -p /var/run/ntpd.pid In &os; 4.X, dienen de ntpd uit het bovenstaande voorbeeld vervangen te worden door xntpd. ntpd Gebruiken met een Tijdelijke Internetverbinding &man.ntpd.8; heeft geen permanente verbinding met een netwerk nodig om goed te werken. Maar als er gebruik gemaakt wordt van een inbelverbinding, is het wellicht verstandig om ervoor te zorgen dat uitgaande NTP verzoeken geen uitgaande verbinding kunnen starten. Als er gebruik gemaakt wordt van user PPP, kunnen er filter commando's ingesteld worden in /etc/ppp/ppp.conf. Bijboorbeeld: set filter dial 0 deny udp src eq 123 # NTP verkeer zorgt niet voor uitbellen set filter dial 1 permit 0 0 set filter alive 0 deny udp src eq 123 # Inkomend NTP verkeer houdt de verbinding niet open set filter alive 1 deny udp dst eq 123 # Uitgaand NTP verkeer houdt de verbinding niet open set filter alive 2 permit 0/0 0/0 Meer details staan in de PACKET FILTERING sectie in &man.ppp.8; en in de voorbeelden in /usr/share/examples/ppp/. Sommige internet providers blokkeren lage poorten, waardoor NTP niet kan werken omdat er nooit een antwoord ontvangen kan worden door een machine. Meer Informatie HTML documentatie voor de NTP server staat in /usr/share/doc/ntp/. diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/ports/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/ports/chapter.sgml index 91b9f254e7..2afbd07cd9 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/ports/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/ports/chapter.sgml @@ -1,1410 +1,1410 @@ Rene Ketelaars Vertaald door Siebrand Mazeland Applicaties Installeren: Packages en Ports Overzicht ports packages &os; bevat een grote collectie aan systeemgereedschappen als onderdeel van het basissysteem. De mogelijkheden reiken echter niet heel ver en daarom is er snel een applicatie van een andere partij nodig. &os; bevat twee complementaire technologieën om andere applicaties te installeren: de &os; - portscollectie en binaire softwarepackages. Beide systemen + Portscollectie en binaire softwarepackages. Beide systemen kunnen gebruikt worden om de nieuwste versies van een gewenste applicatie te installeren van lokale media of rechtstreeks van het netwerk. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe binaire softwarepackages van derden te installeren; - Hoe software van derden vanuit de portscollectie te + Hoe software van derden vanuit de Portscollectie te installeren; Hoe eerder geïnstalleerde packages of ports te verwijderen; Hoe standaardwaardes die door de ports worden gebruikt te wijzigen; Hoe het juiste softwarepackage te vinden; Hoe ports bij te werken. Overzicht van Softwareinstallatie Als de lezer eerder gebruik heeft gemaakt van een &unix; systeem dan is het bekend dat de standaardprocedure voor het installeren van software van derden ongeveer als volgt is: Download de software als broncode of als binair bestand; Pak de software uit vanuit zijn originele distributietype (meestal een tar-bestand gecomprimeerd met &man.compress.1;, &man.gzip.1;, of &man.bzip2.1;); Zoek de documentatie (meestal een INSTALL of README bestand of enkele bestanden in een submap doc/) en lees zorgvuldig hoe de software geïnstalleerd moet worden; Als de software als broncode is gedistribueerd, moet de broncode gecompileerd worden. Dit kan wijzigingen in een Makefile vereisen of het draaien van een configure script en andere werkzaamheden; De software installeren en testen. En dat geldt alleen als alles goed gaat. Als er een softwarepackage geïnstalleerd wordt dat niet specifiek gemaakt is voor &os; moet mogelijkerwijs zelfs de code aangepast worden om alles goed te laten werken. Als de gebruiker het wenst, kan hij in &os; doorgaan met het installeren van software op de traditionele manier. &os; levert echter twee technologieën die veel moeite kunnen besparen: packages en ports. Op dit moment zijn zo meer dan &os.numports; applicaties beschikbaar. Voor iedere gewenste applicatie is het &os; package voor die applicatie één te downloaden bestand. Het package bevat voorgecompileerde kopiën met alle commando's voor de applicatie en alle instellingenbestanden of documentatie. Een gedownload packagebestand kan gemanipuleerd worden met &os; packagemanagement commando's zoals &man.pkg.add.1;, &man.pkg.delete.1;, &man.pkg.info.1;, enzovoort. Het installeren van een nieuwe applicatie kan met één commando. Een &os; port van een applicatie is een groep bestanden ontworpen om het proces van compileren van een applicatie vanuit broncode te automatiseren. Het is te vergelijken met de stappen die normaal gevolgd worden om een programma te compileren (downloaden, uitpakken, aanpassen, compileren en installeren). De bestanden die samen een port vormen bevatten alle noodzakelijke informatie om het systeem dit te laten doen. Met een aantal eenvoudige commando's wordt de broncode voor de applicatie automatisch gedownload, uitgepakt, aangepast, gecompileerd en geïnstalleerd. Het portssysteem kan zelfs gebruikt worden om packages te maken die later weer gemanipuleerd kunnen worden met pkg_add en andere packagemanagement commando's, waarover later meer uitleg wordt gegeven. Zowel packages als ports kennen afhankelijkheden (dependencies). Stel dat er een applicatie geïnstalleerd gaat worden die er vanuit gaat dat een specifieke bibliotheek wordt geïnstalleerd. Zowel de applicatie als de bibliotheek zijn beschikbaar als &os; ports en packages. Als het commando pkg_add of het portssysteem wordt gebruikt om de applicatie toe te voegen, dan zien beiden dat de bibliotheek niet geïnstalleerd is en wordt deze automatisch eerst geïnstalleerd. Gezien het feit dat beide technologieën vrijwel identiek zijn, kan de vraag rijzen waarom &os; de moeite neemt om beide te faciliteren. Packages en ports hebben ieder hun eigen kracht. Welke gebruikt wordt hangt af van voorkeuren en omstandigheden. Voordelen van Packages Een gecomprimeerd package tar-bestand is meestal kleiner dan het gecomprimeerde tar-bestand met de broncode van de applicatie; Packages vereisen geen additionele compilatie. Voor grote applicaties als Mozilla, KDE of GNOME kan dit belangrijk zijn, vooral als een systeem wat trager is; Packages vereisen geen begrip van het proces van het compileren van software op &os;. Voordelen van Ports Packages worden meestal gecompileerd met conservatieve opties, omdat ze moeten draaien op een maximaal aantal systemen. Bij het installeren vanuit de port kunnen de compilatieinstellingen aangepast worden om zo bijvoorbeeld code te maken die specifiek voor een Pentium IV of een Athlon processor is; Sommige applicaties hebben compilatieinstellingen gerelateerd aan wat ze wel of niet kunnen doen. Apache kan bijvoorbeeld ingesteld worden met een uitgebreide hoeveelheid verschillende ingebouwde instellingen. Door vanuit de port te werken hoeven niet alle standaardinstellingen geaccepteerd te worden en kunnen ze ingesteld worden; In sommige gevallen zijn er meerdere packages voor dezelfde applicatie om specifieke instellingen aan te geven. Ghostscript is bijvoorbeeld beschikbaar als een ghostscript package en ghostscript-nox11 package, afhankelijk van het al dan niet geïnstalleerd hebben van een X11 server. Deze ruwe vorm van tweaking is mogelijk met packages, maar dit wordt snel onmogelijk als een applicatie meer dan één of twee verschillende compilatieinstellingen heeft; De licentievoorwaarden van sommige softwaredistributies verbieden binaire distributie. Ze moeten dus gedistribueerd worden als broncode; Sommige mensen vertrouwen binaire distributies niet. Broncode kan tenminste (in theorie) zelf doorgelezen en gecontroleerd worden op potentiële problemen; Als er lokale modificaties zijn, is de broncode nodig om ze toe te passen; Sommige mensen hebben graag de broncode zodat ze die kunnen lezen als ze zich vervelen, erin kunnen hacken, code kunnen overnemen (indien de licentie dit toestaat natuurlijk), enzovoort. Om vernieuwingen van ports bij te houden kan een abonnement genomen worden op de &a.ports; en/of de &a.ports-bugs;. Voordat een applicatie wordt geïnstalleerd is het aan te raden op na kijken of er geen beveiligingsproblemen voor de gewenste applicatie bekend zijn. Het is ook mogelijk om security/portaudit te installeren, dat automatisch alle geïnstalleerde applicaties controleert op bekende fouten. Deze controle wordt ook uitgevoerd voordat een port wordt geïnstalleerd. Met het commando portaudit -F -a kunnen de packages die al geïnstalleerd zijn worden gecontroleerd. In de rest van dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe packages en ports gebruikt kunnen worden om software in &os; te installeren en te beheren. Een Applicatie Zoeken Voordat een applicatie geïnstalleerd kan worden, moeten de doelen bekend zijn en hoe de applicatie heet. De lijst met voor &os; beschikbare applicaties groeit continu. Gelukkig zijn er een aantal manieren om te zoeken: Op de &os; website staat een recente doorzoekbare lijst met alle beschikbare applicaties: http://www.FreeBSD.org/ports/. De ports zijn onderverdeeld in categorieën. Er kan naar een applicatie gezocht worden op naam (als die bekend is) of alle applicaties in een categorie kunnen bekeken worden. FreshPorts Dan Langille onderhoudt FreshPorts op . FreshPorts volgt veranderingen in applicaties in de ports en biedt de mogelijkheid om of meer ports te volgen. Er wordt dan een e-mail gestuurd als de port is bijgewerkt. FreshMeat Als de naam van de gewenst applicatie niet bekend is, is het wellicht mogelijk deze te achterhalen via een website als FreshMeat () en kan daarna op de &os; site gecontroleerd worden of de applicatie al geschikt gemaakt is voor gebruik met &os;. Als de precieze naam van de port bekend is, maar niet bekend is in welke categorie deze staat, kan dit achterhaald worden met &man.whereis.1;. Door simpelweg whereis bestand in te geven, waar bestand het te instelleren programma is. Als het op het systeem staat, wordt dat als volgt aangegeven: &prompt.root; whereis lsof lsof: /usr/ports/sysutils/lsof Dit geeft aan dat lsof (een systeemhulpprogramma) in de map /usr/ports/sysutils/lsof staat. Een andere manier om een port op te sporen is door het - ingebouwde zoekmechanisme van de portscollectie te + ingebouwde zoekmechanisme van de Portscollectie te gebruiken. Hiervoor moet het huidige pad de map /usr/ports zijn. Vanuit die map kan make search name=programmanaam uitgevoerd worden, waar programmanaam de naam is van het programma dat wordt gezocht. Als bijvoorbeeld lsof wordt gezocht: &prompt.root; cd /usr/ports &prompt.root; make search name=lsof Port: lsof-4.56.4 Path: /usr/ports/sysutils/lsof Info: Lists information about open files (similar to fstat(1)) Maint: obrien@FreeBSD.org Index: sysutils B-deps: R-deps: Het belangrijkste onderdeel van de uitvoer is in dit geval de regel waarop Path: staat, omdat die aangeeft waar de port staat. De andere informatie is niet nodig voor de installatie van de port en wordt hier niet behandeld. Voor nog dieper zoeken kan ook make search key=string gebruikt worden waar string tekst is waarnaar gezocht moet worden. Hiermee wordt naar namen van ports, commentaar, beschrijvingen en afhankelijkheden gezocht en dit kan gebruikt worden om ports te vinden die te maken hebben met een bepaald onderwerp als onbekend is hoe het gezochte programma heet. In beide gevallen is de zoekstring niet hoofdlettergevoelig. Zoeken naar LSOF geeft hetzelfde resultaat als zoeken naar lsof. Chern Lee Bijgedragen door Het Packagessysteem Gebruiken Een Package Installeren packages installeren pkg_add Met &man.pkg.add.1; kan een &os; softwarepackage geïnstalleerd worden vanaf een lokaal bestand of vanaf een server op het netwerk. Handmatig een Package Downloaden en Lokaal Installeren &prompt.root; ftp -a ftp2.FreeBSD.org Connected to ftp2.FreeBSD.org. 220 ftp3.FreeBSD.org FTP server (Version 6.00LS) ready. 331 Guest login ok, send your email address as password. 230- 230- This machine is in Vienna, VA, USA, hosted by Verio. 230- Questions? E-mail freebsd@vienna.verio.net. 230- 230- 230 Guest login ok, access restrictions apply. Remote system type is UNIX. Using binary mode to transfer files. ftp> cd /pub/FreeBSD/ports/packages/sysutils/ 250 CWD command successful. ftp> get lsof-4.56.4.tgz local: lsof-4.56.4.tgz remote: lsof-4.56.4.tgz 200 PORT command successful. 150 Opening BINARY mode data connection for 'lsof-4.56.4.tgz' (92375 bytes). 100% |**************************************************| 92375 00:00 ETA 226 Transfer complete. 92375 bytes received in 5.60 seconds (16.11 KB/s) ftp> exit &prompt.root; pkg_add lsof-4.56.4.tgz Als er lokaal geen bron is voor packages (zoals de &os; CD-ROM set) dan is het waarschijnlijk makkelijker om de optie te gebruiken met &man.pkg.add.1;. Deze optie zorgt er voor dat het hulpprogramma automatisch het correcte formaat en de juiste versie bepaalt en die daarna binnenhaalt en installeert vanaf een FTP site. pkg_add &prompt.root; pkg_add -r lsof Het voorbeeld hierboven haalt het correcte package binnen en installeert het zonder dat de gebruiker iets hoeft te doen. Het is mogelijk een alternatieve &os; packagessite aan te geven in plaats van de hoofddistributiesite. Dan moet PACKAGESITE ingesteld worden om de standaardinstellingen aan te passen. &man.pkg.add.1; gebruikt &man.fetch.3; om de bestanden binnen te halen, dat gebruik maakt van diverse omgevingsvariabelen zoals FTP_PASSIVE_MODE, FTP_PROXY, en FTP_PASSWORD. Mogelijk moeten ook één of meer van deze variabelen gebruikt worden als een machine achter een firewall staat of als gebruik gemaakt moet worden van een FTP/HTTP proxy. In &man.fetch.3; staat de complete lijst. In het voorbeeld hierboven is gebruik gemaakt van lsof in plaats van lsof-4.56.4. Als het package wordt binnengehaald met behulp van de bovenstaande instellingen, dan moet het versienummer van het package niet gebruikt worden. &man.pkg.add.1; haalt automatisch de laatste versie van de applicatie binnen. &man.pkg.add.1; downloadt de meest recente versie van een applicatie als &os.current; of &os.stable;. Als een -RELEASE versie wordt gebruikt, wordt het package dat bij die release hoort gebruikt. Het is mogelijk dit gedrag te veranderen door de omgevingsvariabele PACKAGESITE te wijzigen. Packagebestanden worden gedistribueerd in de formaten .tgz en .tbz. Ze zijn te vinden op of op de &os; CD-ROM distributie. Iedere CD in de &os; 4-CD set (en de PowerPak, enzovoort) bevat packages in de map /packages. De opbouw van de packages is ongeveer gelijk aan die van /usr/ports. Iedere categorie heeft zijn eigen map en ieder package staat ook in de map All. De mappenstructuur van het packagesysteem is gelijk aan die van het portssysteem. Samen vormen ze het package/portssysteem. Packages Beheren packages beheren &man.pkg.info.1; is een hulpprogramma dat de diverse geïnstalleerde packages toont en beschrijft. pkg_info &prompt.root; pkg_info cvsup-16.1 A general network file distribution system optimized for CV docbook-1.2 Meta-port for the different versions of the DocBook DTD ... &man.pkg.version.1; is een hulpprogramma dat een samenvatting van de versie van alle geïnstalleerde packages geeft. Het vergelijkt de versie van het package met - de huidige versie in de portscollectie. + de huidige versie in de Portscollectie. pkg_version &prompt.root; pkg_version cvsup = docbook = ... De symbolen in de tweede kolom geven aan hoe de geïnstalleerde versie staat ten opzichte van de versie die - beschikbaar is in de lokale portscollectie. + beschikbaar is in de lokale Portscollectie. Symbool Betekenis = De versie van het geïnstalleerde package komt - overeen met die in de lokale portscollectie. + overeen met die in de lokale Portscollectie. < De geïnstalleerde versie is ouder dan die beschikbaar is in de ports. > De geïnstalleerde versie is nieuwer dan die - in de lokale portscollectie. De lokale portscollectie + in de lokale Portscollectie. De lokale Portscollectie is waarschijnlijk verouderd. ? Het geïnstalleerde package kan niet gevonden - worden in index van de portscollectie. Dit kan + worden in index van de Portscollectie. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als een geïnstalleerde port - uit de portscollectie wordt verwijderd of + uit de Portscollectie wordt verwijderd of hernoemd. * Er zijn meerdere versies van het package. Een Package Verwijderen pkg_delete packages deleting Voor het verwijderen van een geïnstalleerd package wordt het hulpprogramma &man.pkg.delete.1; gebruikt. &prompt.root; pkg_delete xchat-1.7.1 Diversen Alle informatie over packages wordt opgeslagen in de map /var/db/pkg. De lijst met geïnstalleerde bestanden en beschrijvingen van ieder package staat in de bestanden in deze map. De Portscollectie Gebruiken In de volgende paragrafen worden basisinstructies gegeven - over het gebruik van de portscollectie om programma's op een + over het gebruik van de Portscollectie om programma's op een systeem te installeren of ervan te verwijderen. De Portscollectie Voordat ports geïnstalleerd kunnen worden moet eerst - de portscollectie op een systeem staan, die in essentie een set + de Portscollectie op een systeem staan, die in essentie een set van Makefiles, patches en bestanden met beschrijvingen is in /usr/ports. Tijdens het installeren van een &os; systeem, vraagt - sysinstall of de portscollectie + sysinstall of de Portscollectie geïnstalleerd moet worden. Als daar NO is aangegeven, dan kan met behulp van de volgende instructies - alsnog de portscollectie op een systeem gezet worden: + alsnog de Portscollectie op een systeem gezet worden: Met Sysinstall Bij deze methode wordt sysinstall weer gebruikt om de - portscollectie te installeren. + Portscollectie te installeren. sysinstall (/stand/sysinstall in &os; versies ouder dan 5.2) dient als root uitgevoerd te worden: >&prompt.root; sysinstall Selecteer onderaan Configure en druk op Enter; Selecteer onderaan Distributions en druk op Enter; Selecteer ports en druk op Space; Selecteer bovenaan Exit en druk op Enter; Selecteer het gewenste installatiemedium, zoals CDROM, FTP, enzovoort; Selecteer bovenaan Exit en druk op Enter; Druk op X om sysinstall te verlaten. - De alternatieve methode om de portscollectie te installeren + De alternatieve methode om de Portscollectie te installeren en bij te werken maakt gebruik van CVSup. Zie hiervoor het bestand /usr/share/examples/cvsup/ports-supfile uit de port CVSup. In dat bestand en CVSup gebruiken () staat meer informatie over het gebruik van CVSup. Met CVSup - Dit is een snelle methode om de portscollectie te + Dit is een snelle methode om de Portscollectie te installeren met behulp van CVSup. Meer informatie over CVSup of over - het bijgewerkt houden van de portscollectie staat in de eerder + het bijgewerkt houden van de Portscollectie staat in de eerder genoemde paragraaf. De port net/cvsup dient geïnstalleerd te worden. Meer details zijn te vinden in CVSup Installatie (); /usr/share/examples/cvsup/ports-supfile dient als root naar een nieuwe lokatie zoals /root of een thuismap gekopieerd te worden; ports-supfile dient aangepast te worden; CHANGE_THIS.FreeBSD.org dient gewijzigd te worden in een CVSup server in de buurt. In CVSup Mirrors () staat een complete lijst van mirrorsites; Start cvsup: &prompt.root; cvsup -g -L 2 /root/ports-supfile Als dit commando later wordt herhaald, dan worden alle recente veranderingen binnengehaald. De ports die al geïnstalleerd zijn worden niet opnieuw gebouwd! Ports Installeren ports installeren Het eerste wat uitleg behoeft als het over de - portscollectie gaat is de term skelet + Portscollectie gaat is de term skelet (skeleton). In een notendop is een portskelet een minimaal aantal bestanden dat &os; aangeeft hoe een programma gecompileerd en geïnstalleerd kan worden. Ieder portskelet bevat: Een Makefile. De Makefile bevat verschillende definities die aangeven hoe de applicatie gecompileerd moet worden en waar die op een systeem geïnstalleerd moet worden; Een bestand distinfo. Dit bestand bevat informatie over de bestanden die gedownload moeten worden om de port te bouwen en hun checksums, om met &man.md5.1; vast te stellen dat de bestanden niet corrupt zijn geraakt tijdens de download.; Een map files. Deze map bevat patches om het programma op een &os; systeem te laten compileren en installeren. Patches zijn in essentie kleine bestanden waarin kleine veranderingen aan andere, specifieke, bestanden staan aangegeven. Ze zijn opgesteld in platte tekst en er staan dingen in als Verwijder regel 10 of Wijzig regel 26 in .... Patches staan ook wel bekend als diffs omdat ze gemaakt worden met het programma &man.diff.1;. Deze map kan ook andere bestanden bevatten die gebruikt worden om de port te bouwen; Een bestand pkg-descr. Dit is een meer gedetailleerde beschijving van het programma, vaak in één regel; Een bestand pkg-plist. Dit is een lijst met alle bestanden die door de port geïnstalleerd worden. Het geeft het portssysteem ook aan welke bestanden bij het verwijderen van de port weer verwijderd kunnen worden. Sommige ports bevatten nog andere bestanden, zoals pkg-message. Het portssysteem gebruikt die bestanden voor het afhandelen van bijzondere situaties. Meer details over die bestanden en over ports in het algemeen zijn na te lezen in het &os; Handboek voor Porters. De port bevat instructies over hoe de broncode gebouwd moet worden, maar de broncode zelf is er geen onderdeel van. De broncode staat op een CD-ROM of op internet. De broncode wordt verspreid op de wijze waarop de auteur dat wenst. Vaak is dat als een tar of gzip bestand, maar het kan ook ingepakt zijn met een ander programma of helemaal niet ingepakt zijn. De broncode van een programma, in welke vorm dan ook, heet een distfile. De twee methoden om een &os; port te installeren worden hieronder beschreven. Ports installeren dient als root te gebeuren. Voordat een port wordt geïnstalleerd is het aan te raden op na kijken of er geen beveiligingsproblemen voor de gewenste applicatie bekend zijn. Het is ook mogelijk om security/portaudit te installeren. Hiermee wordt die controle automatisch uitgevoerd voordat een port wordt geïnstalleerd. Met het commando portaudit -F kan de meest recente versie van de database met beveiligingsproblemen opgehaald worden. Door deze port wordt dagelijks een beveiligingsaudit gedaan en wordt ook dagelijks de database bijgewerkt. Meer informatie is te vinden in &man.portaudit.1; en &man.periodic.8;. Ports vanaf CD-ROM Installeren ports installeren vanaf CD-ROM De officiële &os; Project CD-ROM images bevatten geen distfiles meer. Die kostten veel ruimte die beter gevuld kon worden met voorgecompileerde packages. CD-ROM producten als het &os; PowerPak bevatten wel distfiles en deze kunnen besteld worden bij een verkoper als de &os; Mall. In deze paragraaf wordt aangenomen dat er een &os; CD-ROM set aanwezig is. De &os; CD-ROM dient in de drive te zitten en gemount te worden op /cdrom. Als er een ander mountpunt wordt gebruikt, dient de make variable CD_MOUNTPTS te worden ingesteld. Om te beginnen dient de juiste map voor een port aangegeven te worden: &prompt.root; cd /usr/ports/sysutils/lsof Eenmaal in de map lsof is het skelet van de port te zien. In de volgende stap wordt de broncode voor de port gecompileerd of gebouwd. Dit wordt gedaan door op het prompt make in te voeren. Dat levert iets als het volgende op: &prompt.root; make >> lsof_4.57D.freebsd.tar.gz doesn't seem to exist in /usr/ports/distfiles/. >> Attempting to fetch from file:/cdrom/ports/distfiles/. ===> Extracting for lsof-4.57 ... [uitvoer van uitpakken verwijderd] ... >> Checksum OK for lsof_4.57D.freebsd.tar.gz. ===> Patching for lsof-4.57 ===> Applying FreeBSD patches for lsof-4.57 ===> Configuring for lsof-4.57 ... [uitvoer van configure verwijderd] ... ===> Building for lsof-4.57 ... [uitvoer van compileren verwijderd] ... &prompt.root; Als het compileren is afgerond is het prompt weer zichtbaar. In de volgende stap wordt de port geïnstalleerd. Om dat te bewerkstelligen wordt het woord install aan make toegevoegd: &prompt.root; make install ===> Installing for lsof-4.57 ... [uitvoer installatie verwijderd] ... ===> Generating temporary packing list ===> Compressing manual pages for lsof-4.57 ===> Registering installation for lsof-4.57 ===> SECURITY NOTE: This port has installed the following binaries which execute with increased privileges. &prompt.root; Als het prompt weer beschikbaar is, is de applicatie klaar voor gebruik. Omdat lsof met verhoogde rechten wordt uitgevoerd, wordt er een waarschuwing getoond. Tijdens het bouwen en installeren van ports zijn de getoonde waarschuwingen van belang. Het is mogelijk een stap minder te gebruiken door make install uit te voeren in plaats van make en make install als twee afzonderlijke stappen. Sommige shells houden een cache bij van de commando's die in de mappen uit de omgevingsvariabele PATH staan om het opzoeken van een uitvoerbaar bestand te versnellen. Als zo'n shell wordt gebruikt, moet er na de installatie van een port het commando rehash worden uitgevoerd voordat zojuist geïnstalleerde commando's kunnen worden gebruikt. Dit commando werkt voor shells zoals tcsh. Voor shells als sh of shells/bash dient hash -r gebruikt te worden. In de documentatie van een shell staat meer informatie. Licenties van sommige ports staan niet toe dat de code wordt opgenomen in een CD-ROM. Dit kan komen doordat er een formulier ingevuld moet worden voor een download of doordat herdistributie niet is toegestaan of om een andere reden. Om een port te installeren die niet op de CD-ROM staat moet de computer waarop de port geïnstalleerd wordt een internetverbinding hebben. Dit staat in de volgende paragraaf beschreven. Ports vanaf Internet Installeren Net als in de vorige paragraaf wordt hier aangenomen dat er voor een systeem een werkende internetverbinding is. Als die er niet is, dient de CD-ROM installatie gevolgd te worden of moet met de hand de distfile in /usr/ports/distfiles gezet worden. Het installeren van een ports vanaf internet gaat op precies dezelfde manier als de installatie vanaf CD-ROM. Het enige verschil is dat de distfile van internet komt in plaats vanaf de CD-ROM. Het stappenplan is ook hetzelfde: &prompt.root; make install >> lsof_4.57D.freebsd.tar.gz doesn't seem to exist in /usr/ports/distfiles/. >> Attempting to fetch from ftp://ftp.FreeBSD.org/pub/FreeBSD/ports/distfiles/. Receiving lsof_4.57D.freebsd.tar.gz (439860 bytes): 100% 439860 bytes transferred in 18.0 seconds (23.90 kBps) ===> Extracting for lsof-4.57 ... [uitvoer van uitpakken verwijderd] ... >> Checksum OK for lsof_4.57D.freebsd.tar.gz. ===> Patching for lsof-4.57 ===> Applying FreeBSD patches for lsof-4.57 ===> Configuring for lsof-4.57 ... [uitvoer van configure verwijderd] ... ===> Building for lsof-4.57 ... [uitvoer van compileren verwijderd] ... ===> Installing for lsof-4.57 ... [uitvoer van installatie verwijderd] ... ===> Generating temporary packing list ===> Compressing manual pages for lsof-4.57 ===> Registering installation for lsof-4.57 ===> SECURITY NOTE: This port has installed the following binaries which execute with increased privileges. &prompt.root; Het enige verschil is de regel die aangeeft waar de distfile wordt opgehaald. Het portssysteem gebruikt &man.fetch.1; om bestanden te downloaden. Dat programma maakt gebruik van een aantal omgevingsvariabelen, waaronder FTP_PASSIVE_MODE, FTP_PROXY, en FTP_PASSWORD. Als een systeem achter een firewall staat, is het wellicht noodzakelijk om een of meer van deze omgevingsvriabelen in te stellen of om gebruik te maken van een FTP/HTTP proxy. In &man.fetch.3; staat een complete lijst. Als er geen continue internetverbinding is, kan gebruik gemaakt worden van make fetch. Door dit commando in de map /usr/ports uit te voeren worden alle benodigde bestanden gedownload. Dit commando werkt ook op een lager niveau als /usr/ports/net of /usr/ports/net/xmule. Als een port afhankelijk is van bibliotheken of andere ports dan worden de distfiles van die ports niet opgehaald. Om dat de bereiken dient fetch vervangen te worden door fetch-recursive. Het is mogelijk alle ports in een categorie te bouwen door make in een hogere map uit te voeren, naar analogie van het voorbeeld voor make fetch. Dit is wel gevaarlijk, omdat sommige ports niet tegelijk met andere geïnstalleerd kunnen zijn. In andere gevallen installeren twee ports hetzelfde bestand met een andere inhoud. In zeldzame gevallen willen of moeten gebruikers de tar bestanden van een andere site dan de MASTER_SITES halen (de locatie waar de bestanden vandaan komen). Dat is mogelijk met de optie MASTER_SITES met een volgend commando: &prompt.root; cd /usr/ports/directory &prompt.root; make MASTER_SITE_OVERRIDE= \ ftp://ftp.FreeBSD.org/pub/FreeBSD/ports/distfiles/ fetch In het voorgaande voorbeeld is de optie MASTER_SITES gewijzigd naar ftp.FreeBSD.org/pub/FreeBSD/ports/distfiles/. Sommige ports staan toe (of schrijven zelfs voor) dat er een aantal instellingen worden meegegeven die bepaalde onderdelen (niet gebruikt, beveiligingsinstellingen en andere aanpassingen) van de applicatie in- of uitschakelen. Voorbeelden van ports waarbij dat het geval is zijn www/mozilla, security/gpgme en mail/sylpheed-claws. Er wordt een bericht getoond als dit soort instellingen beschikbaar zijn. Standaardmappen voor Ports Wijzigen Soms is het handig (of verplicht) om een andere map voor distfiles of ports te gebruiken. Met de variabelen PORTSDIR en PREFIX kunnen de standaardmappen veranderd worden: &prompt.root; make PORTSDIR=/usr/home/example/ports install Het voorbeeld hierboven compileert de port in /usr/home/example/ports en installeert alles in /usr/local. &prompt.root; make PREFIX=/usr/home/example/local install Het voorbeeld hierboven compileert in /usr/ports en installeert in /usr/home/example/local. &prompt.root; make PORTSDIR=../ports PREFIX=../local install Het voorbeeld hierboven combineert de twee instellingen. Het gaat te ver om dit volledig in het handboek te beschrijven, maar hier krijgt de lezer een idee van de mogelijkheden. Het is ook mogelijk de bovenstaande variabelen als deel van de omgeving in te stellen. In de hulppagina's van de gebruikte shell staat hoe dat mogelijk is. Omgaan met <command>imake</command> Er zijn ports die imake gebruiken (een onderdeel van het X Window Systeem) die niet goed werken met PREFIX en erop staan te installeren in /usr/X11R6. Er zijn ook een aantal Perl ports die PREFIX negeren en in de Perl hiërarchie installeren. Deze ports op de PREFIX locatie laten installeren is meestal erg moeilijk of onmogelijk. Geïnstalleerde Ports Verwijderen ports verwijderen In deze paragraaf wordt het verwijderen van ports behandeld. Dat kan nodig zijn als een port niet langer wordt gebruikt of als de verkeerde ports is geïnstalleerd. Dit wordt geïllustreerd door de port uit het vorige voorbeeld te verwijderen (lsof). Net als bij het installeren van ports, moet eerst naar de juiste map gegaan worden (/usr/ports/sysutils/lsof). Daarna kan lsof verwijderd worden. Dit gaat met het commando make deinstall: &prompt.root; cd /usr/ports/sysutils/lsof &prompt.root; make deinstall ===> Deinstalling for lsof-4.57 Erg makkelijk dus. Nu is lsof van een systeem verwijderd. Om het opnieuw te installeren kan vanuit de map /usr/ports/sysutils/lsof make reinstall uitgevoerd worden. Het uitvoeren van make deinstall en make reinstall werkt niet als ooit make clean voor die port is uitgevoerd. Om een port te verwijderen na het cleanen van die port kan &man.pkg.delete.1; gebruikt worden, zoals wordt toegelicht in de paragraaf Het Packagessysteem Gebruiken. Ports en Schijfruimte ports schijfruimte - Werken met de portscollectie kan in de loop der tijd veel + Werken met de Portscollectie kan in de loop der tijd veel diskruimte gebruiken. Omdat de portsstructuur de neiging heeft in de loop der tijd in grootte te groeien, na het bouwen en installeren van software uit de ports, is het van belang altijd de tijdelijke werkmappen work op te ruimen met het commando make clean. Hiermee wordt de map work verwijderd nadat een port is gebouwd en geïnstalleerd. Daarnaast kunnen ook de distfiles met de broncode verwijderd worden uit de map distfiles en kunnen ports die niet meer gebruikt worden verwijderd worden. Sommige gebruikers kiezen ervoor om de beschikbare port categorieën te beperken met instellingen in het bestand refuse. Zo kan bij het draaien van de applicatie CVSup voorkomen worden dat bestanden in een categorie worden gedownload. Meer informatie over refuse staat in . Ports Bijwerken portupgrade ports bijwerken - Als de portscollectie eenmaal is bijgewerkt + Als de Portscollectie eenmaal is bijgewerkt vóór het bijwerken van ports, is het verstandig het bestand /usr/ports/UPDATING te raadplegen. In dat bestand staan aanwijzingen en wijzigingen voor gebruikers die van belang zijn bij het bijwerken van ports. Het bijwerken van ports kan een vervelend klusje zijn. Om bijvoorbeeld een port bij te werken is het nodig om naar de juiste portsmap te gaan, de port te bouwen, de oude port te verwijderen, de nieuwe port te installeren en daarna de werkmap op te ruimen. Het is voorstelbaar dat dit voor bijvoorbeeld vijf ports een vervelend klusje is. Dit was een groot probleem voor systeembeheerders, dus zijn daar hulpprogramma's voor gemaakt. Zo voert het hulpprogramma sysutils/portupgrade het complete hiervoor beschreven proces uit! Die port is gewoon als iedere andere port te installeren met make install clean. Nu kan er een database gemaakt worden met het commando pkgdb -F. Hiermee wordt de lijst van geïnstalleerde ports gelezen en wordt een databasebestand gemaakt in de map /var/db/pkg. Als daarna portupgrade -a wordt uitgevoerd, wordt die database gelezen en het bestand INDEX van de ports. Tenslotte begint portupgrade met het downloaden, bouwen, back-uppen, installeren en opschonen van de ports die zijn bijgewerkt. portupgrade kent veel opties voor verschillend gebruik. De meest belangrijke worden hieronder besproken. Om een specifieke applicatie bij te werken en niet de hele database, kan portupgrade pkgname gebruikt worden. De vlag kan gebruikt worden om portupgrade ook te draaien voor alle packages waar het opgegeven package van afhankelijk is en de optie zorgt ervoor dat het wordt gedraaid voor alle packages die van het opgegeven package afhankelijk zijn. Om bij installatie van packages in plaats van ports gebruik te maken kan gebruikt worden. Met deze optie zoekt portupgrade in de lokale mappen uit PKG_PATH of haalt de packages van via het netwerk op als het lokaal niet wordt aangetroffen. Als een package niet lokaal en niet via het netwerk wordt gevonden, dan gebruikt portupgrade ports. Om het gebruik van ports te voorkomen kan gebruik gemaakt worden van de optie . Om alleen de distfiles op te halen (of packages als is opgegeven), zonder bouwen of installeren, is beschikbaar. Meer informatie staat in &man.portupgrade.1;. Het is van belang om regelmatig de packagedatabase bij te werken met pkgdb -F om inconsistenties de repareren, in het bijzonder als portupgrade daar om vraagt. Als portupgrade tijdens het bijwerken van de packagedatabase wordt onderbroken levert dat een inconsistente database op. Er bestaan ook andere hulpprogramma's die de besproken taken uit kunnen voeren. Deze zijn te vinden in de map ports/sysutils. Activiteiten na het Installeren Na het installeren van een nieuwe applicatie is het meestal verstandig om de documentatie te lezen die bij een applicatie zit, bestanden met instellingen die vereist zijn aan te passen, ervoor te zorgen dat de applicatie start na het booten (als het een daemon is), enzovoort. De exacte stappen om een applicatie in te stellen zijn natuurlijk voor iedere applicatie anders. Maar als er net een nieuwe applicatie is geïnstalleerd en het is niet vanzelfsprekend hoe verder te gaan, dan kunnen de volgende tips helpen: Met &man.pkg.info.1; kan uitgevonden worden welke bestanden geïnstalleerd zijn en waar. Om bijvoorbeeld uit te vinden welke bestanden door FooPackage versie 1.0.0 zijn geïnstalleerd: &prompt.root; pkg_info -L foopackage-1.0.0 | less Bestanden in mapnamen met man/ zijn hulppagina's, etc/ bevat bestanden met instellingen en doc/ bevat uitgebreidere documentatie. Als niet helemaal duidelijk is welke versie van het programma is geïnstalleerd, kan een commando als volgt gebruikt worden: &prompt.root; pkg_info | grep -i foopackage Hiermee worden alle packages getoond waar foopackage in de packagenaam voorkomt. Als de hulppagina's zijn gevonden, kunnen die bekeken worden met &man.man.1;. Zo kan er ook in de bestanden met voorbeeldinstellingen gekeken worden en naar aanvullende documentatie, als die is bijgeleverd. Als er een website is voor de applicatie staat daar vaak ook aanvullende documentatie, veelgestelde vragen, enzovoort. Als het webadres niet bekend is, kan dat nog staan in de uitvoer van het volgende commando: &prompt.root; pkg_info foopackage-1.0.0 Als er een regel met WWW: in staat, is dat de URL naar de website voor de applicatie. Ports die na het booten moeten starten (zoals internet diensten) hebben meestal een voorbeeldscript in /usr/local/etc/rc.d. Dit script kan bekeken, aangepast en hernoemd worden waar nodig. Meer informatie staat in Diensten Starten. Omgaan met Kapotte Ports Als een port niet werkt, zijn er een aantal mogelijke manieren om verder te komen: Repareren! In het Handboek voor de Porter is gedetailleerde informatie te vinden over de infrastructuur van de Ports, zodat een kapotte port gemaakt kan worden of er zelfs een nieuwe port ingestuurd kan worden. Klaag alleen per e-mail! Er kan eerst een e-mail naar de beheerder van de port gestuurd worden. Voor het mailadres van de beheerder kan make maintainer ingegeven worden of het kan in de Makefile staan. In de mail dienen in ieder geval de naam en versie van de port te staan (de regel met $&os;: in de Makefile) en de uitvoer tot en met de foutmelding. Als er geen antwoord komt van de beheerder, kan er met &man.send-pr.1; een foutrapport ingestuurd worden. Zoek een package van een FTP site in de buurt. De master packagecollectie staat op ftp.FreeBSD.org in de map packages, maar het is van belang dat er eerst in de buurt wordt gekeken! Dat het package werkt is waarschijnlijker dan wanneer uit de de broncode wordt gecompileerd en het is nog sneller ook. Een package kan met &man.pkg.add.1; geïnstalleerd worden.