diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml index b6e7b1572a..18bc791092 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/basics/chapter.sgml @@ -1,2884 +1,2884 @@ Chris Shumway Herschreven door Remko Lodder Vertaald door &unix; beginselen Overzicht Het volgende hoofdstuk behandelt de basiscommando's en functionaliteit van het &os; besturingssysteem. Veel van dit materiaal is relevant voor elk &unix; achtig besturingssysteem. Als de lezer reeds bekend is met het materiaal, hoeft dit hoofdstuk niet gelezen te worden. Lezer die nog niet eerder met &os; te maken hebben gehad wordt aangeraden door te lezen. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe virtuele consoles in &os; gebruikt kunnen worden; Hoe &unix; bestandspermissies werken en hoe bestandsvlaggen in &os; werken; Hoe het standaard &os; bestandssysteem eruit ziet; Hoe een &os; harde schijf is ingedeeld; Hoe bestandssystemen gemount en ge-unmount worden; Wat processen, daemons en signalen zijn; Wat een shell is en hoe de standaard omgevingsvariabelen veranderd kunnen worden; Hoe elementaire tekstverwerkers te gebruiken; Wat apparaten en apparaatmountpunten zijn; Welk binair formaat &os; gebruikt; Hoe handleidingen te gebruiken meer informatie. Virtuele consoles en terminals Virtuele consoles terminals &os; kan op diverse manieren gebruikt worden. Één van deze manieren is het typen van commando's in een tekstterminal. Veel van de flexibiliteit en kracht van een &unix; besturingssysteem is gemakkelijk beschikbaar als je &os; op deze manier gebruikt. Dit onderdeel beschrijft wat terminals en consoles zijn en hoe je deze kan gebruiken in &os;. De console console Als &os; niet is ingesteld om automatisch een grafische omgeving te starten tijdens het opstarten, geeft het systeem een login prompt als het gestart is. Dit gebeurt direct nadat de startscripts klaar zijn. Er wordt iets als het volgende getoond: Additional ABI support:. Local package initialization:. Additional TCP options:. Fri Sep 20 13:01:06 EEST 2002 &os;/i386 (pc3.example.org) (ttyv0) login: De meldingen op het scherm kunnen wellicht iets anders zijn op een systeem, maar het zal iets soortgelijks zijn. De laatste twee regels zijn de regels waar het nu over gaat. De voorlaatste regel toont: &os;/i386 (pc3.example.org) (ttyv0) Deze regel bevat enkele informatie over het systeem dat net gestart is: dit is een &os; console, draaiend op een Intel of soortgelijke processor op de x86 architectuur. Dit betekent i386. Let op: ook al draait &os; niet op een Intel 386 processor, toch is dit een i386. Het is niet het type processor, maar de processor architectuur. De naam van de machine (elke &unix; machine heeft een naam) is pc3.example.org en dit is de console van het systeem, de ttyv0 terminal. De laatste regel is altijd: login: Dit is het deel waar een gebruikersnaam ingevuld moet worden om aan te melden op &os;. Het volgende deel beschrijft hoe dat werkt. Aanmelden op &os; &os; is een multi-user en multi-processing systeem. Dit is de formele beschrijving die meestal gegeven wordt aan een systeem dat gebruikt wordt door meerdere personen die gelijktijdig verschillende programma's draaien op één enkele machine. Elk multi-user systeem heeft een manier nodig om een gebruiker van alle andere gebruikers te kunnen onderscheiden. In &os; (en alle andere &unix; achtige besturingssystemen), wordt dit bereikt door te eisen dat elke gebruiker moet aanmelden op het systeem voordat hij/zij programma's kan draaien. Elke gebruiker heeft een unieke naam (de gebruikersnaam) en een persoonlijke, geheime sleutel (het wachtwoord). &os; vraagt om deze twee gegevens voordat het een gebruiker toegestaat om programma's te draaien. startup scripts Direct nadat &os; is opgestart en de opstartscripts Opstart scripts zijn programma's die automatisch gestart worden tijdens het opstarten. Het hoofddoel van deze programma's is om dingen goed te zetten zodat alle andere programma's ook kunnen draaien, en om services te starten die je geconfigureerd hebt om bruikbare zaken in de achtergrond te doen. afgerond zijn, wordt een prompt getoond dat vraagt om een geldige aanmeldnaam op te geven. login: In dit voorbeeld wordt aangenomen de gebruikersnaam john is. Als na deze prompt john wordt getype en op Enter wordt gedrukt, verschijnt hierna een prompt om het wachtwoord in te voeren: login: john Password: Nu kan john's wachtwoord ingevoerd worden en op Enter gedrukt worden. Het wachtwoord wordt niet getoond! Daarover hoeft geen zorg te bestaan. Het is voldoende om te zeggen dat dit om veiligheidsredenen gedaan wordt. Als het juiste wachtwoord is ingegeven, is er aangemeld bij op &os; en in het systeem klaar om alle beschikbare commando's uit te voeren. Na het aanmelden is de MOTD of het bericht van de dag zichtbaar, gevolgd door een commandoprompt (een #, $ of een % karakter). Dit geeft aan dat er succesvol is aangemeld op &os;. Meerdere consoles &unix; programma's draaien in één console is prima, maar &os; kan veel programma's tegelijk draaien. Om maar één console te hebben waar commando's ingetypt kunnen worden zou zonde zijn van een besturingssysteem als &os; waar meerdere programma's tegelijkertijd op kunnen draaien. Hier kunnen virtuele consoles van pas komen. &os; kan ingesteld worden om verschillende virtuele consoles te tonen. Met toetscombinaties kan van de ene console naar de gewisseld worden. Elke console heeft zijn eigen uitvoerkanaal, en &os; zorgt ervoor dat alle toetsenbordinvoer en monitoruitvoer goed wordt gezet als er van de ene console naar de volgende wordt gewisseld. In &os; kunnen speciale toetscombinaties gebruikt worden om te wisselen naar een ander virtueel console. Een redelijk technische en accurate beschrijving van alle details over de &os; console en toetsenborddrivers staan in de hulppagina's van &man.syscons.4;, &man.atkbd.4;, &man.vidcontrol.1; en &man.kbdcontrol.1;. Hier wordt niet verder op ingegaan, maar de geïnteresseerde lezer kan altijd de hulppagina's raadplegen voor meer details en een grondige uitleg over hoe alles werkt. In &os; kan AltF1, AltF2 tot en met AltF8 gebruikt worden om te wisselen naar een ander virtueel console. Als wordt gewisseld van de ene naar de andere console zorgt &os; dat de uitvoer bewaard blijft. Het resultaat is een illusie van het hebben van meerdere schermen en toetsenborden die gebruikt kunnen worden om commando's in te voeren om &os; te laten draaien. De programma's die in de ene virtuele console draaien, stoppen niet als de console niet zichtbaar is. Ze blijven doordraaien als naar een andere virtuele console wordt gewisseld. Het bestand <filename>/etc/ttys</filename> De standaardinstelling van &os; start op met acht virtuele consoles. Dit is echter geen vaste waarde en een installatie kan eenvoudig aangepast worden, zodat het systeem gestart wordt met meer of minder virtuele consoles. De hoeveelheid en instellingen van de virtuele consoles worden ingesteld in /etc/ttys. /etc/ttys kan gebruikt worden om virtuele consoles in te stellen. Elke niet-commentaar regel in dit bestand (regels die niet beginnen met een # karakter) bevat instellingen voor een terminal of virtuele console. De standaardversie van dit bestand die meegeleverd wordt met &os; stelt negen virtuele consoles in en activeert er acht. Dit zijn de regels die beginnen met ttyv: # naam getty type status commentaar # ttyv0 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure # Virtual terminals ttyv1 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv2 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv3 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv4 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv5 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv6 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv7 "/usr/libexec/getty Pc" cons25 on secure ttyv8 "/usr/X11R6/bin/xdm -nodaemon" xterm off secure Een uitgebreide beschrijving van elke kolom in dit bestand en alle mogelijke opties voor virtuele consoles staan in de &man.ttys.5; hulppagina gebruiken. Single-user console In staat een gedetailleerde beschrijving van de single-user modus. Het is belanrijk te melden dat er in single-user modus maar één console is. Er zijn geen virtuele consoles beschikbaar. De instellingen van de single-user modus console staan ook in /etc/ttys . De regel begint met console: # name getty type status commentaar # # Als een console gemarkeerd is als "insecure", zal het init script om het root-wachtwoord # vragen wanneer het in single-user mode komt. console none unknown off secure Zoals het commentaar boven de console regel aangeeft, kan in deze regel het woord secure gewijzigd worden in insecure. In dat geval vraagt &os; bij het opstarten in single-user modus nog steeds om een root-wachtwoord. Pas op als dit wordt veranderd in insecure. Als het wachtwoord van de gebruiker root zoek is, wordt het opstarten in single-user modus lastig. Het is nog steeds mogelijk, maar het kan vrij moeilijk zijn voor iemand die &os; niet zo goed kent met betrekking tot het opstarten en de programma's die daarbij gebruikt worden. Rechten UNIX &os;, direct afgeleid van BSD &unix;, is gebaseerd op verschillende belangrijke &unix; concepten. Het meest bekende is dat &os; een multi-user systeem is. Het systeem kan meerdere gebruikers behandelen die tegelijkertijd totaal verschillende dingen doen. Het systeem is verantwoordelijk voor het netjes delen en beheren voor aanvragen voor hardware, randapparatuur, geheugen en cpu tijd tussen elke gebruiker. Omdat het systeem in staat is om meerdere gebruikers te ondersteunen, heeft alles wat door het systeem beheerd wordt een set van rechten die aangeeft wie mag lezen, schrijven en de bron mag uitvoeren. Deze rechten zijn opgeslagen in drie octetten, die weer in drie stukjes onderverdeeld zijn: één voor de eigenaar van het bestand, één voor de groep waar het bestand toe behoort en één voor de overigen. De numerieke weergave werkt als volgt: Rechten Bestandsrechten Waarde Recht Maprecht 0 Niet lezen, niet schrijven, niet uitvoeren --- 1 Niet lezen, niet schrijven, uitvoeren --x 2 Niet lezen, schrijven, niet uitvoeren -w- 3 Niet lezen, schrijven, uitvoeren -wx 4 Lezen, niet schrijven, niet uitvoeren r-- 5 Lezen, niet schrijven, uitvoeren r-x 6 Lezen, schrijven, niet uitvoeren rw- 7 Lezen, schrijven, uitvoeren rwx ls mappen De optie kan gebruikt worden met &man.ls.1; om een lange lijst met de inhoud van een map te zien die een kolom heeft met informatie over bestandsrechten voor de eigenaar, groep en de rest. ls -l in een willekeurige map kan het volgende laten zien: &prompt.user; ls -l total 530 -rw-r--r-- 1 root wheel 512 Sep 5 12:31 myfile -rw-r--r-- 1 root wheel 512 Sep 5 12:31 otherfile -rw-r--r-- 1 root wheel 7680 Sep 5 12:31 email.txt ... Zo ziet de eerste kolom van ls -l eruit: -rw-r--r-- Het eerste (meest linkse) karakter geeft aan of dit een reguliere bestand is, een map, een speciaal karakter component(!), een socket of een andere pseudo-file component(!). In dit geval betekent de - dat het een regulier bestand is. De volgende drie karakters, rw- in dit voorbeeld, geven de rechten voor de eigenaar van het bestand. De drie karakters r--erna geven de rechten van voor de groep van het bestand. De overige drie karakters r-- tonen de rechten voor de rest. Een streepje betekent dat de rechten uitgeschakeld zijn. In het geval van dit bestand zijn de rechten zo ingesteld dat de eigenaar kan lezen en schrijven naar het bestand, de groep het bestand kan lezen, en de rest kan het bestand alleen lezen. Volgens de tabel hierboven worden de rechten 644, waar de cijfers de drie stukjes van de rechten aangeven. Dit is allemaal leuk en aardig, maar hoe controleert het systeem dan rechten voor apparaten? &os; behandelt de meeste hardware apparaten als bestanden die door programma's kunnen worden geopend en gelezen, en waar data naar toe kan worden geschreven, net zoals elk ander bestand. Deze speciale apparaat bestanden worden bewaard in de map /dev. Mappen worden ook behandeld als bestanden. Ze hebben lees, schrijf en uitvoerbare rechten. De uitvoerbare vlag voor een map heeft een klein verschil qua betekenis dan die voor gewone bestanden. Als een map als uitvoerbaar gemarkeerd is, betekent het dat erin gekeken mag worden. Het is dus mogelijk om te wisselen naar de map met cd (wissel van map). Dit betekent ook dat in de map bestanden benaderd kunnen worden waarvan de naam bekend is. Dit is natuurlijk afhankelijk van de rechten op het bestand zelf. In het bijzonder, om een lijst van de map te kunnen maken, moet een gebruiker leesrechten op de map hebben. Om een bestand te verwijderen zijn de naam van het bestand en schrijf en uitvoerrechten op de map nodig waarin het bestand zich bevindt. Er zijn meer rechtenvlaggen, maar die worden slechts gebruikt in speciale gevallen, zoals bij setuid binaries en sticky mappen. Meer informatie over bestandsrechten en hoe die aangepast kunnen worden staat in &man.chmod.1;. Tom Rhodes Bijgedragen door Symbolische rechten rechten symbolisch Symbolische rechten, soms ook wel symbolische expressies, gebruiken karakters in plaats van octale getallen om rechten aan bestanden en mappen te geven. Symbolische expressies gebruiken de volgende opbouw: (wie) (actie) (permissies), waar de volgende waardes beschikbaar zijn: Optie Letter Vertegenwoordigt (wie) u Gebruiker (wie) g Groepseigenaar (wie) o Overigen (wie) a Iedereen (wereld) (actie) + Rechten toevoegen (actie) - Rechten verwijderen (actie) = Stel deze rechten in (recht) r Lezen (recht) w Schrijven (recht) x Uitvoeren (recht) t Sticky bit (recht) s Verander UID of GID Deze waardes worden gebruikt met &man.chmod.1;, net zoals eerder, alleen nu met letters. Het volgende commando kan gebruikt worden om de overige gebruikers toegang tot BESTAND te ontzeggen: &prompt.user; chmod go= BESTAND Er kan een door komma's gescheiden lijst geleverd worden als meer dan één wijziging aan een bestand moet worden uitgevoerd. Het volgende commando past de rechten voor de groep en de wereld aan door de schrijfrechten te ontnemen om daarna iedereen uitvoerrechten te geven: &prompt.user; chmod go-w,a+x BESTAND Tom Rhodes Geschreven door &os; bestandsvlaggen Naast de bestandsrechten die hiervoor zijn besproken, biedt &os; ondersteuning voor bestandsvlaggen. Deze vlaggen bieden een aanvullend beveiligingsniveau en controle over bestanden, maar niet over mappen. Bestandsvlaggen voegen een extra niveau van controle over bestanden, waardoor verzekerd kan worden dat in sommige gevallen zelfs root een bestand niet kan verwijderen of wijzigen. Bestandsvlaggen worden gewijzigd met het hulpprogramma &man.chflags.1;, dat een eenvoudige interface heeft. Om bijvoorbeeld de systeemvlag niet verwijderdbaar in te stellen op het bestand file1: &prompt.root; chflags sunlink file1 Om de vlag niet verwijderbaar weer te verwijderen kan het voorgaande command met no voor worden uitgevoerd: &prompt.root; chflags nosunlink file1 - Om de vlaggen op een bestand te bekijken, kan &man.ls.1; - met de vlaggen gebruikt worden: + Om de vlaggen op een bestand te bekijken, kan het &man.ls.1; + commando met de vlaggen gebruikt worden: &prompt.root; ls -lo file1 De uitvoer hoort er ongeveer als volgt uit te zien: -rw-r--r-- 1 trhodes trhodes sunlnk 0 Mar 1 05:54 file1 Een aantal vlaggen kan alleen ingesteld of verwijderd worden door de gebruiker root. In andere gevallen kan de eigenaar van een bestand vlaggen instellen. Meer informatie voor beheerders staat in &man.chflags.1; en &man.chflags.2;. Mappenstructuur mappenstructuur De &os; mappenstructuur is erg belangrijk om het systeem goed te leren kennen. Het belangrijkste concept om greep op te krijgen is die van de rootmap, /. Deze map is de eerste die gemount wordt tijdens het opstarten en bevat het basissysteem dat nodig is om het besturingssysteem gereed te maken voor multi-user taken. De rootmap bevat ook mountpunten voor elk ander bestandssysteem dat misschien gemount wordt. Een mountpunt is een map waar extra bestandssystemen aan het root bestandssysteem geplakt kunnen worden. Dit wordt beschreven in . Standaard mountpunten zijn /usr, /var, /tmp, /mnt en /cdrom. Naar deze mappen wordt meestal verwezen in /etc/fstab, een tabel met bestandssystemen en mountpunten ter referentie voor het systeem. De meeste bestandssystemen in /etc/fstab worden automatisch gemount tijdens het opstarten door het script &man.rc.8;, behalve als ze de optie hebben. Details staan beschreven in . Een complete beschrijving over het bestandssysteem staat in &man.hier.7;. Hier wordt volstaan met een overzicht van de voorkomende mappen. Map Omschrijving / Rootmap van het bestandssysteem. /bin/ Gebruikersapplicaties, belangrijk voor zowel single user als multi-user omgevingen. /boot/ Programma's en instellingenbestanden die gebruikt worden tijdens het opstarten van het besturingssysteem. /boot/defaults/ Bestanden met standaardinstellingen voor opstarten;, zie &man.loader.conf.5;. /dev/ Apparaatnodes;, zie &man.intro.4;. /etc/ Bestanden met systeeminstellingen en scripts. /etc/defaults/ Bestanden met standaard systeeminstellingen;, zie &man.rc.8;. /etc/mail/ Instellingenbestanden voor mail transport programma's zoals &man.sendmail.8;. /etc/namedb/ Instellingenbestanden voor named, zie &man.named.8;. /etc/periodic/ Scripts die dagelijks, wekelijks en maandelijks via &man.cron.8; worden uitgevoerd, zie &man.periodic.8;. /etc/ppp/ Instellingenbestanden voor ppp, zie &man.ppp.8;. /mnt/ Lege map, veel gebruikt door systeembeheerders als tijdelijk mountpunt voor opslagruimtes. /proc/ Process bestandssysteem;, zie &man.procfs.5; en &man.mount.procfs.8;. /rescue/ Statisch gelinkte programma's voor noodherstel, zie &man.rescue.8;. /root/ Thuismap van de gebruiker root. /sbin/ Systeemprogramma's en administratieprogramma's belangrijk voor zowel single-user en multi-user omgevingen. /stand/ Programma's die gebruikt worden in een standalone omgeving. /tmp/ Tijdelijke bestanden. De inhoud van /tmp blijft meestal NIET bewaard na een herstart. Er wordt vaak een geheugengebaseerd bestandssysteem gemount op /tmp. Dit kan geautomatiseerd worden met de tmpmfs-gerelateerde variabelen van &man.rc.conf.5; (of met een regel in /etc/fstab). Zie &man.mdmfs.8; (of &man.mfs.8; voor &os; 4.X). /usr/ Hier bevindt zich het leeuwendeel van alle hulpprogramma's en gewone programma's. /usr/bin/ Standaard programma's, programmeertools. /usr/include/ Standaard C invoegbestanden. /usr/lib/ Functiebibliotheken. /usr/libdata/ Diverse databestanden voor hulpprogramma's. /usr/libexec/ Systeemdaemons en systeemhulpprogramma's (uitgevoerd door andere programma's). /usr/local/ Lokale programma's, bibliotheken, etc. Wordt ook gebruikt als standaard locatie voor de &os; ports. Binnen /usr/local, wordt de algemene layout bepaald door &man.hier.7;, dat ook voor /usr wordt gebruikt. Uitzonderingen is de map man, die direct onder /usr/local ligt in plaats van onder /usr/local/share, en de documentatie voor ports is te vinden in share/doc/port. /usr/obj/ Architectuur afhankelijke doelstructuur voor resultaten van de bouw van /usr/src. /usr/ports De &os; Portscollectie (optioneel). /usr/sbin/ Systeemdaemons en systeemhulpprogramma's (uitgevoerd door gebruikers). /usr/share/ Architectuur onafhankelijke bestanden. /usr/src/ BSD en/of lokale broncodebestanden. /usr/X11R6/ Uitvoerbare bestanden en bibliotheken, etc, voor de X11R6 distributie (optioneel). /var/ Multifunctionele logboek-, tijdelijke, transparante en spool bestanden. /var/log/ Diverse logboekbestanden van het systeem. /var/mail/ Postbusbestanden van gebruikers. /var/spool/ Diverse printer- en mailsysteemspoolingmappen. /var/tmp/ Tijdelijke bestanden die bewaard worden bij een herstart van het systeem. /var/yp NIS maps. Organisatie van schijven De kleinste vorm van organisatie die &os; gebruikt om bestanden te vinden is de bestandsnaam. Bestandsnamen zijn hoofdlettergevoelig, wat betekent dat readme.txt en README.TXT twee verschillende bestanden zijn. &os; gebruikt de extensie niet (.txt) van een bestand om te bepalen of het bestand een programma, een document of een vorm van data is. Bestanden worden bewaard in mappen. Een map kan leeg zijn of honderden bestanden bevatten. Een map kan ook andere mappen bevatten, wat het mogelijk maakt om een hiërarchie van mappen te maken. Dit maakt het veel makkelijker om data te organiseren. Bestanden en mappen worden aangegeven door het bestand of de map aan te geven, gevolgd door een voorwaardse slash, /, gevolgd door andere mapnamen die nodig zijn. Als map foo de map bar bevat, die op zijn beurt het bestand readme.txt bevat, dan wordt de volledige naam of pad naar het bestand foo/bar/readme.txt. Mappen en bestanden worden bewaard op een bestandssysteem. Elk bestandssysteem bevat precies één map op het hoogste niveau die de rootmap van het bestandssysteem heet. Deze rootmap kan op zijn beurt andere mappen bevatten. Tot zover is dit waarschijnlijk hetzelfde als voor elk ander besturingssysteem. Er zijn een paar verschillen. &ms-dos; gebruikt bijvoorbeeld een \ om bestanden en mappen te scheiden, terwijl &macos; gebruik maakt van :. &os; gebruikt geen schijfletters, of andere schijfnamen in het pad. &os; gebruikt geen c:/foo/bar/readme.txt. Eén bestandssysteem wordt aangewezen als root bestandssysteem, waar naar wordt verwezen met /. Elk ander bestandssysteem wordt daarna gemount onder het root bestandssysteem. Hoeveel schijven er ook aan een &os; systeem hangen, het lijkt alsof elke map zich op dezelfde schijf bevindt. Stel er zijn drie bestandssystemen met de namen A,B en C. Elk bestandssysteem heeft één root map die twee andere mappen bevat, A1 en A2 (zo ook voor de andere twee: B1, B2, C1 en C2). A wordt het root besturingsysteem. Met ls, dat de inhoud van de map kan tonen, zijn de twee mappen A1 en A2 te zien. De mappenstructuur ziet er als volgend uit: / | +--- A1 | `--- A2 Een bestandssysteem moet gemount worden in een map op een ander bestandssysteem. Als nu bestandssysteem B wordt gemount onder de map A1 vervangt B A1 en zien de mappingen in B er als volgt uit: / | +--- A1 | | | +--- B1 | | | `--- B2 | `--- A2 Elk bestand dat in de mappen B1 en B2 aanwezig is, kan benaderd worden met het pad /A1/B1 of /A1/B2. Elk bestand dat in /A1 stond is tijdelijk verborgen en komt tevoorschijn als Bis ge-unmountvan A. Als B gemount is onder A2 ziet de diagram er als volgt uit: / | +--- A1 | `--- A2 | +--- B1 | `--- B2 en de paden zouden dan respectievelijk /A2/B1 en /A2/B2 zijn. Bestandssystemen kunnen op elkaar worden gemount. Doorgaand op het vorige voorbeeld kan het bestandssysteem C gemount worden bovenop de map B1 in het bestandssysteem B. Dit resulteert in: / | +--- A1 | `--- A2 | +--- B1 | | | +--- C1 | | | `--- C2 | `--- B2 Of C kan direct onder het bestandssysteem A gemount worden, onder de map A1: / | +--- A1 | | | +--- C1 | | | `--- C2 | `--- A2 | +--- B1 | `--- B2 Hoewel het niet gelijk is, lijkt het op het gebruik van join in &ms-dos;. Beginnende gebruikers hoeven zich hier gewoonlijk niet mee bezig te houden. Normaal gesproken worden bestandssystemen gemaakt als &os; wordt geïnstalleerd en er wordt besloten waar ze gemount worden. Meestal worden ze ook niet gewijzigd tot er een nieuwe schijf aan een systeem wordt toegevoegd. Het is mogelijk om één groot root bestandssysteem te hebben en geen andere. Deze benadering heeft voordelen en nadelen. Voordelen van meerdere bestandssystemen Verschillende bestandssystemen kunnen verschillende mount opties hebben. Met een goede voorbereiding kan het root bestandssysteem bijvoorbeeld als alleen-lezen gemount worden, waardoor het onmogelijk wordt om per ongeluk kritische bestanden te verwijderen of te bewerken. Het scheiden van andere bestandssystemen die beschrijfbaar zijn door gebruikers, zoals /home van andere bestandssystemen stelt de beheerder in staat om ze nosuid te mounten. Deze optie voorkomt dat suid/guid bits op uitvoerbare bestanden effectief gebruikt kunnen worden, waardoor de beveiliging mogelijk beter wordt. &os; optimaliseert automatisch de layout van bestanden op een bestandssysteem, afhankelijk van hoe het bestandssysteem wordt gebruikt. Een bestandsysteem dat veel bestanden bevat waar regelmatig naar geschreven wordt, wordt anders geoptimaliseerd dan een bestandssysteem dat minder maar grotere bestanden bevat. Door het gebruik van één groot bestandssysteem werkt de optimalisatie niet. &os;'s bestandssystemen zijn erg robuust als er bijvoorbeeld een stroomstoring is, hoewel een stroomstoring op een kritiek moment nog steeds kan leiden tot schade aan de structuur van het bestandssysteem. Door het verdelen van data over meerdere bestandssystemen, is de kans groter dat het systeem nog opstart, wat terugzetten van een backup makkelijker maakt als dat nodig is. Voordeel van één bestandssysteem Bestandssystemen hebben een vaste grootte. Als bij de installatie van &os; een bestandssysteem wordt gemaakt, is het later mogelijk dat de partitie groter gemaakt moet worden. Dit is niet zo makkelijk zonder een backup, het opnieuw maken van het bestandssysteem met gewijzigde grootte en het terugzetten van de gebackupte data. &os; 4.4 en latere versies hebben &man.growfs.8;, waarmee de grootte van het bestandssysteem is aan te passen terwijl het draait. Bestandssystemen worden opgeslagen in partities. Dit betekent niet hetzelfde als de algemene betekenis van de term partitie (bijvoorbeeld, &ms-dos; partitie), vanwege &os;'s &unix; achtergrond. Elke partitie wordt geïdentificeerd door een letter van a tot en met h. Elke partitie kan slechts één bestandssysteem hebben, wat betekent dat bestandssystem vaak omschreven worden aan de hand van hun mountpunt in de bestandssysteem hiërarchie of de letter van de partitie waar ze in opgeslagen zijn. &os; gebruikt ook schijfruimte voor wisselbestanden. Wisselbestanden geven &os; virtueel geheugen. Dit geeft de computer de mogelijkheid om net te doen alsof er veel meer geheugen in de machine aanwezig is dan werkelijk het geval is. Als &os; geen geheugen meer heeft, verplaatst het data die op dat moment niet gebruikt wordt naar de wisselbestanden en plaatst het terug als het wel nodig is (en zet iets anders in ruil daarvoor terug). Aan sommige partities zijn bepaalde conventies gekoppeld. Partitie Conventie a Bevat meestal het root bestandssysteem b Bevat meestal de swapruimte c Heeft meestal dezelfde grootte als de hele harde schijf. Dit geeft hulpprogramma's de mogelijkheid om op een complete schijf te werken (voor bijvoorbeeld een bad block scanner) om te werken op de c partitie. Meest wordt hierop dan ook geen bestandssysteem gecreeërd. d Partitie d had vroeger een speciale betekenis, maar die is verdwenen. Tegenwoordig werken sommige hulpprogramma's raar als ze verteld worden dat ze moeten werken op partitie d, dus sysinstall maakt normaal gesproken partitie d niet. Elke partitie die een bestandssysteem bevat is opgeslagen in wat &os; noemt een slice. Slice is &os;'s term voor wat meeste mensen partities noemen. Dit komt wederom door &os;'s &unix; achtergrond. Slices zijn genummerd van 1 tot en met 4. slices partities gevaarlijk toegewijd Slicenummers volgen de apparaatnamen, voorafgegaan door een s die begint bij 1. Dus da0s1 is de eerste slice op de eerste SCSI drive. Er kunnen maximaal vier fysieke slices op een schijf staan, maar er kunnen logische slices in fysieke slices van het correcte type staan. Deze uitgebreide slices zijn genummerd vanaf 5. Dus ad0s5 is de eerste uitgebreide slice op de eerste IDE schijf. Deze apparaten worden gebruikt door bestandssystemen waarvan verwacht wordt dat ze een slice in beslag nemen. Slices, gevaarlijk toegewijde (dangerously dedicated) fysieke drivers en andere drives bevatten partities, die worden weergegeven door letters vanaf a tot h. Deze letter wordt achter de apparaatnaam geplakt. Dus da0a is de a partitie op de eerste da drive, die gevaarlijk toegewijd is. ad1s3e is de vijfde partitie op de derde slice van de tweede IDE schijf. Elke schijf op het systeem wordt geïdentificeerd. Een schijfnaam start met een code die het type aangeeft en dan een nummer dat aangeeft welke schijf het is. In tegenstelling tot bij slices, start het nummeren van schijven bij 0. Standaardcodes staan beschreven in . Bij een referentie aan een partitie verwacht &os; ook dat aan de slice en schijf refereert die de partitie bevat wordt gerefereerd en als naar een slice wordt verwezen moet ook de schijfnaam genoemd worden. Dit kan door de schijfnaam, s, het slice nummer en de partitieletter aan te geven. Voorbeelden staan in . In staat een conceptmodel van een schijflayout die een en ander verduidelijkt. Voordat &os; geïnstalleerd kan worden moeten eerst de schijfslices gemaakt worden en daarna moeten de partities op de slices voor &os; gemaakt worden. Daarna wordt op elke partitie het bestandssysteem (of wisselbestand) gemaakt en als laatste wordt besloten waar het filesysteem gemount wordt. Schijf apparaatcodes Code Betekenis ad ATAPI (IDE) schijf da SCSI directe toegang schijf acd ATAPI (IDE) CDROM cd SCSI CDROM fd Floppydisk
Voorbeeld schijf-, slice- en partitienamen Name Betekenis ad0s1a De eerste partitie (a) op de eerste slice (s1) op de eerste IDE schijf (ad0). da1s2e De vijfde partitie (e) op de tweede slice (s1) op de tweede SCSI schijf (da1). Conceptmodel van een schijf Het onderstaande diagram geeft aan hoe &os; de eerste IDE schijf in het systeem ziet. Stel dat de schijf 4 GB groot is en dat deze twee 2 GB slices (&ms-dos; partities) bevat. De eerste slice bevat een &ms-dos; schijf, C: en de tweede slice bevat een &os; installatie. Deze &os; installatie heeft drie partities en een partitie met een wisselbestand. De drie partities hebben elk een bestandssysteem. Partitie a wordt gebruikt voor het root bestandssysteem, e voor de map /var en f voor de map /usr. .-----------------. --. | | | | DOS / Windows | | : : > Eerste slice, ad0s1 : : | | | | :=================: ==: --. | | | Partitie a, gemount als / | | | > gerefereerd als ad0s2a | | | | | :-----------------: ==: | | | | Partitie b, gebruikt als swap | | | > gerefereerd als ad0s2b | | | | | :-----------------: ==: | Partitie c, geen | | | Partition e, gebruikt als /var > bestandssysteem, bevat | | > gerefereerd als ad0s2e | alle &os; slices, | | | | ad0s2c :-----------------: ==: | | | | | : : | Partitie f, gebruikt als /usr | : : > gerefereerd als ad0s2f | : : | | | | | | | | --' | `-----------------' --'
Mounten en unmounten van bestandssystemen Het bestandssysteem wordt het best weergegeven als een boom, met de stam als /. /dev, /usr en de andere map in root zijn takken die weer hun eigen takken kunnen hebben, zoals /usr/local, etc. root bestandssysteem Er zijn verschillende redenen om sommige van deze mappen op aparte bestandssystemen te plaatsen. /var bevat de mappen log/, spool/ en verschillende types tijdelijke bestanden en kan volraken. Het laten vollopen van het root bestandssysteem is geen goed idee, dus het splitsen van /var van /is vaak de favoriet. Een andere vaak voorkomende reden om bepaalde mapbomen op aparte bestandssystemen te plaatsen, is om ze op verschillende fysieke schrijven te zetten of gescheiden virtuele schijven zoals gemounte Netwerk bestandssystemen of cd-rom drives. Het bestand <filename>fstab</filename> bestandssystemen gemount met fstab Tijdens het opstartproces, worden bestandssystemen die vermeld staan in /etc/fstab automatisch gemount (tenzij ze vermeld staan met ). /etc/fstab bevat een lijst van regels die aan het volgende formaat voldoen: apparaat /mountpunt fstype opties dumpfreq passno apparaat Een apparaatnaam (die moet bestaan) zoals uitgelegd in . mountpunt Een map (die moet bestaan) waarop het bestandssysteem gemount moet worden. fstype Het bestandssysteem type dat aan &man.mount.8; gegeven wordt. Het standaard &os; bestandssysteem is ufs. opties Dit is of voor lezen en schrijven bestandssytemen, of voor alleen lezen, gevolgd door elke andere optie die mogelijk nodig is. Een standaard optie is voor bestandssystemen die niet automatisch gemount worden tijdens het opstarten. Andere opties staan in &man.mount.8;. dumpfreq Dit wordt gebruikt door &man.dump.8; om te bepalen welke bestandssystemen gedumpt moeten worden. Als het veld niet is ingevuld, wordt aangenomen dat er een nul staat. passno Dit bepaalt in welke volgorde bestandssystemen gecontroleerd moeten worden. Bestandssystemen die overgeslagen moeten worden moeten hun passno waarde op nul hebben staan. Voor het root bestandssysteem (dat voor alle andere gecontroleerd moet worden) moet passno op één staan en passno waarden voor andere bestandssystemen moeten een waarde hebben groter dan één. Als bestandssysteem dezelfde passno waarde hebben probeert &man.fsck.8; deze bestandssystemen tegelijkertijd te controleren. In &man.fstab.5; staat meer informatie over de opmaak van /etc/fstab en de mogelijke opties. Het commando <command>mount</command> bestandssystemen mounten &man.mount.8; wordt gebruikt om bestandsystemen te mounten. De meest eenvoudige vorm is: &prompt.root; mount apparaat mountpunt Alle opties voor het commando staat in &man.mount.8;, maar de meest voorkomende zijn: Mountopties Mount alle bestandssystemen die in /etc/fstab staan, behalve die gemarkeerd staan als noauto, uitgesloten zijn door de optie of die al gemount zijn. Doe alles behalve het echt aanroepen van de mount systeemopdracht. Deze optie is handig in samen met de optie om te bepalen wat &man.mount.8; eigenlijk probeert te doen. Forceert het mounten van een niet schoon bestandssysteem (gevaarlijk) of forceert het innemen van schrijftoegang als de mountstatus van een bestandssysteem wijzigt van lezen en schrijven naar alleen lezen. Mount het bestandssysteem alleen lezen. Dit is identiek aan de optie ( voor &os; versies ouder dan 5.2) voor de optie . fstype Mount het opgegeven bestandssysteem als het opgegeven type bestandssysteem of mount alleen bestandssystemen van het aangegeven type als ook de optie is opgegeven. ufs is het standaard bestandssysteem. Werk mountopties van het bestandssysteem bij. Geef uitgebreide informatie (verbose). Mount het bestandssysteem lezen en schrijven. De optie accepteert een door komma's gescheiden lijst van opties, waaronder de volgende: nodev Interpreteer geen speciale apparaten op het bestandssysteem. Dit is een nuttige veiligheidsoptie. noexec Sta geen uitvoerbare bestanden toe op dit bestandssysteem. Ook dit is een nuttige veiligheidsoptie. nosuid Interpreteer geen setuid of setgid opties op het bestandssysteem. Ook dit is een nuttige veiligheidsoptie. Het commando <command>umount</command> bestandssystemen unmounten &man.umount.8; heeft een mountpunt, een apparaatnaam, of als parameter. Alle vormen kunnen de optie hebben om een bestandsysteem te forceren te unmounten en de optie voor uitgebreide informatie. De optie is meestal geen goed idee. Forceren dat een bestandssysteem geunmount wordt kan de computer laten crashen of data op het bestandssysteem beschadigen. De opties en worden gebruikt om alle bestandssystemen te unmounten, mogelijk nader gespecificeerd door de optie met daarachter op welke typen bestandssystemen het betrekking heeft. Voor de optie geldt dat deze niet probeert het root bestandssysteem te unmounten. Processen &os; is een multi-tasking besturingssysteem. Dit betekent dat het lijkt alsof er meer dan één proces tegelijkertijd draait. Elk programma dat draait wordt een proces genoemd. Elk commando dat wordt uitgevoerd start op zijn minst één nieuw proces en er zijn systeemprocessen die continu draaien om het systeem functioneel te houden. Elk proces wordt geïdentificeerd door een nummer dat process ID of PID heet, en net zoals bij bestanden heeft elk proces één eigenaar en groep. De eigenaars- en groepsinformatie wordt gebruikt om te bepalen welke bestanden en apparaten het proces mag openen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestandsrechten die eerder zijn behandeld. Veel processen hebben ook een ouderproces (parent process). Een ouderproces is een proces dat het nieuwe proces heeft gestart. Als commando's in een shell worden ingevoerd, start de shell een proces en elk commando dat draait is ook een proces. De uitzondering hierop is het speciale proces &man.init.8;. init is altijd het eerste proces, dus het PID is altijd 1. init wordt automatisch gestart door de kernel als &os; opstart. Twee commando's die erg handig zijn om te zien welke processen er draaien zijn &man.ps.1; en &man.top.1;. ps wordt gebruikt om een statische lijst op te vragen van de processen die op het moment van uitvoeren draaien en kan hun PID, geheugengebruik, de startende commandoregel, enzovoort, tonen. top geeft alle draaiende processen weer en werkt de status elke paar seconden bij zodat interactief wordt weergegeven wat een computer aan het doen is. Standaard laat ps alleen zien welke commando's draaien waarvan de gebruiker die het uitvoert de eigenaar is: &prompt.user; ps PID TT STAT TIME COMMAND 298 p0 Ss 0:01.10 tcsh 7078 p0 S 2:40.88 xemacs mdoc.xsl (xemacs-21.1.14) 37393 p0 I 0:03.11 xemacs freebsd.dsl (xemacs-21.1.14) 48630 p0 S 2:50.89 /usr/local/lib/netscape-linux/navigator-linux-4.77.bi 48730 p0 IW 0:00.00 (dns helper) (navigator-linux-) 72210 p0 R+ 0:00.00 ps 390 p1 Is 0:01.14 tcsh 7059 p2 Is+ 1:36.18 /usr/local/bin/mutt -y 6688 p3 IWs 0:00.00 tcsh 10735 p4 IWs 0:00.00 tcsh 20256 p5 IWs 0:00.00 tcsh 262 v0 IWs 0:00.00 -tcsh (tcsh) 270 v0 IW+ 0:00.00 /bin/sh /usr/X11R6/bin/startx -- -bpp 16 280 v0 IW+ 0:00.00 xinit /home/nik/.xinitrc -- -bpp 16 284 v0 IW 0:00.00 /bin/sh /home/nik/.xinitrc 285 v0 S 0:38.45 /usr/X11R6/bin/sawfish In het bovenstaande voorbeeld is de uitvoer van &man.ps.1; georganiseerd in een aantal kolommen. PID is het proces ID. PIDs worden toegekend vanaf 1 en lopen op tot 99999. Als ze allemaal zijn gebruikt, worden ze hergebruikt. De TT kolom toont de tty vanwaar het programma draait en wordt nu buiten beschouwing gelaten. STAT toont de huidige staat van het programma en ook deze kolom wordt buiten beschouwing gelaten. TIME is de hoeveelheid tijd die het programma gedraaid heeft op de CPU. Dit is meestal niet de verstreken tijd vanaf het moment dat het programma is gestart. Veel programma's wachten omdat er alleen gebruik wordt gemaakt van de CPU als er iets voor het programma te doen is. Als laatste is COMMAND de commandoregel die gebruikt is om het programma te starten. &man.ps.1; ondersteunt een aantal opties die de informatie wijzigen die wordt weergegeven. Één van de meest nuttige combinaties is auxww. De optie toont informatie over alle draaiende processen, niet alleen die van de gebruiker die is aangemeld. De optie toont de gebruikersnaam van de proceseigenaar, evenals geheugengebruik. De optie toont informatie over daemonprocessen en met de optie laat &man.ps.1; de volledige commandoregel zien, in plaats van een mogelijk afgekorte regel omdat die te lang is om op het scherm te passsen.. De uitvoer van &man.top.1; is hetzelfde: &prompt.user; top last pid: 72257; load averages: 0.13, 0.09, 0.03 up 0+13:38:33 22:39:10 47 processes: 1 running, 46 sleeping CPU states: 12.6% user, 0.0% nice, 7.8% system, 0.0% interrupt, 79.7% idle Mem: 36M Active, 5256K Inact, 13M Wired, 6312K Cache, 15M Buf, 408K Free Swap: 256M Total, 38M Used, 217M Free, 15% Inuse PID USERNAME PRI NICE SIZE RES STATE TIME WCPU CPU COMMAND 72257 nik 28 0 1960K 1044K RUN 0:00 14.86% 1.42% top 7078 nik 2 0 15280K 10960K select 2:54 0.88% 0.88% xemacs-21.1.14 281 nik 2 0 18636K 7112K select 5:36 0.73% 0.73% XF86_SVGA 296 nik 2 0 3240K 1644K select 0:12 0.05% 0.05% xterm 48630 nik 2 0 29816K 9148K select 3:18 0.00% 0.00% navigator-linu 175 root 2 0 924K 252K select 1:41 0.00% 0.00% syslogd 7059 nik 2 0 7260K 4644K poll 1:38 0.00% 0.00% mutt ... De uitvoer is gesplitst in twee secties. De kop (de eerste vijf regels) toont het laatst uitgegeven PID, de gemiddelde systeembelasting (hoe druk is een systeem), de uptime van het systeem (tijd verstreken sinds laatste reboot) en de huidige tijd. De andere cijfers in de kop tonen hoeveel processen er draaien (in dit geval 47) , hoeveel geheugen en swap er gebruikt wordt en hoeveel processortijd het systeem besteed aan verschillende taakgroepen. Daaronder staat een serie van kolommen die soortgelijke informatie bevatten als de uitvoer van &man.ps.1;. Zo zijn het PID, de gebruikersnaam, de hoeveelheid processortijd en het commando dat gebruikt is om het proces te starten te zien. &man.top.1; laat standaard ook zien hoeveel geheugen er gebruikt wordt door een proces. Dit staat in twee kolommen waarbij in de eerste kolom het maximale geheugengebruik wordt getoond en in de tweede kolom het huidige geheugengebruik. Maximale gebruik is de hoeveelheid geheugen die het proces nodig had in de tijd dat het bestaat en het residente gebruik is hoeveel er op het moment van weergeven gebruikt wordt. In dit voorbeeld is zichtbaar dat &netscape; bijna 30 MB RAM nodig had, maar op het moment van uitvoeren 9 MB verbruikt. &man.top.1; werkt het beeld automatisch iedere twee seconden bij. Dat kan gewijzigd worden met de optie . Daemons, signalen en het stoppen van processen Als een gebruiker een editor draait is het makkelijk om de editor te besturen, te vertellen om bestanden te openen, etc. Dit kan omdat de editor de mogelijkheden geeft om dat te doen en omdat de editor gekoppeld is aan een terminal. Sommige programma's zijn niet ontworpen om te draaien met continue gebruikersinvoer, dus als zij de kans krijgen ontkoppelen zij zich van de terminal. Een webserver reageert bijvoorbeeld de hele dag op webaanvragen en heeft eigenlijk geen input van een lokale gebruiker nodig. Programma's die email van locatie naar locatie transporteren zijn een ander voorbeeld. Deze programma's heten daemons. Daemons waren karakters in de Griekste mythologie, goed noch slecht, ze waren dienende geesten die op grote schaal nuttige dingen deden voor de mensheid. Net zoals de huidige webservers en mailservers nuttige dingen doen. Dit is waarom de mascotte voor BSD al lang een vrolijk kijkende daemon met puntoren en een drietand is. Er is een overeenkomst om programma's die meestal draaien als daemon te voorzien van het achtervoegsel d. BIND is de Berkeley Internet Name Daemon (het echte programma heet named), de Apache webserver heet httpd, de printerspooldriver heet lpd, etc. Deze overeenkomst geldt niet altijd. De hoofd maildaemon voor Sendmail heet bijvoorbeeld sendmail en niet maild. Soms is communicatie met een daemon nodig. Deze communicatie heet signaleren (signals). Er kan met een daemon (of met elk ander draaiend proces) gecommuniceerd worden door er een signaal naartoe te sturen. Er zijn een verschillende signalen. Sommige hebben een specifieke bedoeling, andere worden geïntrepeteerd door de applicatie. In de documentatie van de applicatie staat hoe de applicatie signalen intrepeteert. Er kan alleen een signaal naar een proces gezonden worden waar de uitvoerende gebruiker eigenaar van is. Als met &man.kill.1; of &man.kill.2; een signaal naar een proces van een andere gebruiker wordt gestuurd, wordt de toegang geweigerd. De enige uitzondering hierop is de root gebruiker, die signalen naar processen van alle gebruikers kan sturen. &os; stuurt soms ook signalen naar applicaties. Als een applicatie slecht geschreven is en hij probeert geheugen te benaderen waar hij niet naartoe mag, stuurt &os; het proces een Segmentation Violation signaal (SIGSEGV). Als een applicatie de systeemaanroep &man.alarm.3; heeft gebruikt om na een bepaalde periode een alarm te ontvangen, wordt er een Alarm signaal heen gestuurd (SIGALRM), etc. Twee signalen kunnen gebruikt worden om een proces te stoppen: SIGTERM en SIGKILL. SIGTERM is de nette manier om een proces te killen. Het proces kan het signaal afvangen, begrijpen dat de eigenaar wil dat het wordt afgesloten, wellicht logboekbestanden sluiten die geopend zijn en alle onderhanden activiteiten afhandelen. In een aantal gevallen kan een proces SIGTERM negeren: als het midden in een taak zit die niet beëindigd kan worden. SIGKILL mag niet worden genegeerd door een proces. Dit is het Wat je ook aan het doen bent, stop er nu mee signaal. Na een SIGKILL stopt &os; het proces meteen. Dit is niet geheel waar. Er zijn een aantal dingen die niet onderbroken kunnen worden. Als het proces bijvoorbeeld een bestand probeert uit te lezen dat op een andere computer in het netwerk staat en de andere computer is verdwenen (uitgezet of het netwerk heeft een fout), dan wordt er gezegd dat het proces niet onderbroken kan worden. Uiteindelijk loopt het proces uit de tijd, meestal na twee minuten. Zodra het uit de tijd loopt, wordt het proces alsnog gestopt. Andere veelgebruikte signalen zijn SIGHUP, SIGUSR1 en SIGUSR2. Dit zijn algemeen bruikbare signalen en verschillende applicaties zullen verschillend reageren als ze verstuurd worden. Stel dat het bestand met instellingen voor de webserver is aangepast. Dan moet aan de webserver verteld worden dat die de instellingen opnieuw moet lezen. Hiervoor zou httpd gestopt en gestart kunnen worden, maar dit resulteert in een korte onderbreking van de webserverdienst, wat ongewenst kan zijn. De meeste daemons zijn geschreven om te reageren op het SIGHUP signaal door het opnieuw inlezen van het instellingenbestand. Dus in plaats van het stoppen en herstarten van httpd kan het SIGHUP signaal gezonden worden. Omdat er geen standaard manier is om op deze signalen te reageren, reageren verschillende daemons anders. Het is verstandig eerst de documentatie van de daemon in kwestie te lezen. Zoals onderstaand voorbeeld laat zien, worden signalen door &man.kill.1; verzonden. Het versturen van een signaal naar een proces Dit voorbeeld toont hoe een signaal naar &man.inetd.8; wordt verstuurd. Het bestand met instellingen voor inetd is /etc/inetd.conf en inetd leest dit bestand opnieuw in als er een SIGHUP wordt verstuurd. Eerst moet het proces ID worden opgezocht van het proces waar een signaal naar verzonden moeten worden. Dit kan door &man.ps.1; en &man.grep.1; te gebruiken. &man.grep.1; wordt gebruikt om in de uitvoer te zoeken en te kijken naar de string die de gebruiker opgeeft. Dit commando wordt gedraaid als een normale gebruiker en &man.inetd.8; wordt gedraaid onder de gebruiker root, dus aan &man.ps.1; moet de optie meegegeven worden. &prompt.user; ps -ax | grep inetd 198 ?? IWs 0:00.00 inetd -wW Dus PID van &man.inetd.8; is 198. In sommige gevallen kan grep inetd ook voorkomen in de uitvoer. Dit komt door de manier waarop &man.ps.1; de lijst van draaiende processen moet vinden. Met &man.kill.1; kan het signaal verzonden worden. Omdat &man.inetd.8; wordt gedraaid door root moet &man.su.1; gebruikt worden om root te worden. &prompt.user; su Password: &prompt.root; /bin/kill -s HUP 198 Zoals zovaak met &unix; commando's, geeft &man.kill.1; geen uitvoer als het succesvol uitgevoerd is. Als een signaal wordt verzonden naar een proces waarvan de gebruiker niet zelf de eigenaar is, dan is de melding: kill: PID: Operation not permitted. Als het PID verkeerd wordt ingevuld, wordt het signaal naar het verkeerde proces verzonden, wat slecht kan zijn, of, als de gebruiker geluk heeft, wordt het verzonden naar een PID dat momenteel niet in gebruik is, waarop de foutmelding kill: PID: No such process verschijnt. Waarom <command>/bin/kill</command> gebruiken? Veel shells leveren kill als ingebouwd commando. Dat betekent dat de shell het signaal direct verstuurt in plaats van door het starten van /bin/kill. Dit kan erg nuttig zijn, maar verschillende shells hebben een verschillende opdrachtregel voor het specificeren van de naam van het signaal dat verstuurd moet worden. In plaats van ze allemaal te leren, is het eenvoudiger om gewoon /bin/kill PID te gebruiken. Andere signalen versturen werkt bijna hetzelfde door TERM of KILL op de commandoregel te vervangen door wat nodig is. Het stoppen van willekeurige processen op een systeem is meestal een slecht idee. In het bijzonder bij &man.init.8; met proces ID 1. Het draaien van /bin/kill -s KILL 1 is een snelle manier om een systeem uit te zetten. Argumenten die aan &man.kill.1; worden meegegeven moeten altijd twee keer gecontroleerd worden voordat op Enter gedrukt wordt. Shells shells commandoregel In &os; wordt een groot deel van het alledaagse werk gedaan vanuit een omgeving met een commandoregel die shell heet. De grootste taak van een shell is om commando's van het invoerkanaal op te vangen en deze uit te voeren. Veel shells hebben ook functies ingebouwd om mee te helpen om alledaagse taken zoals bestandsbeheer, bestandsglobbing, bestanden wijzigen vanaf de commandoregel, commandomacro's schrijven en uitvoeren en omgevingsvariabelen instellen en wijzigen. &os; heeft een aantal shells bijgeleverd zoals sh, de Bourne Shell en tcsh, de verbeterde C-shell. Er zijn veel andere shells beschikbaar in de &os; Portscollectie zoals zsh en bash. Welke shell gebruiken? Dit is een kwestie van smaak. Een C–programmeur voelt zich misschien prettiger bij een C–achtige shell, zoals tcsh. Een voormalig &linux; gebruiker of iemand die niet veel ervaring heeft met een &unix; commandoregel interface wil misschien bash proberen. Elke shell heeft zijn eigen unieke eigenschappen die wel of niet werken voor een bepaalde gebruiker. Een standaard optie in een shell is bestandsnaam completie. Door het intikken van de eerste paar letters van een commando of bestandsnaam, kan de shell opdracht gegeven worden om automatisch de rest het commando of bestandsnaam toe te voegen met de Tab toets op het toetsenbord. Stel dat er twee bestanden zijn met de namen foobar en foo.bar en foo.bar moet verwijderd worden. Dan kan op het toetsenbord rm fo[Tab].[Tab] ingevoerd worden. De shell geeft rm foo[BEEP].bar weer. De [BEEP] geeft aan dat de shell in staat was om de bestandsnaam te completeren omdat er meer dan één soortgelijk bestand was. foobar en foo.bar beginnen met fo, maar het was in staat om het af te maken tot foo. Na het invoeren van een . en daarna Tab, is de shell in staat om de rest van de bestandsnaam aan te vullen. omgevingsvariabelen Een andere optie van de shell is het gebruik van omgevingsvariabelen. Omgevingsvariabelen zijn variabele sleutelparen die opgeslagen zijn in de omgevingsruimte van een shell. Deze ruimte kan uitgelezen worden door elk programma dat door de shell wordt uitgevoerd en bevat dus veel programmainstellingen. Hieronder staat een lijst van standaard omgevingsvariabelen en wat ze betekenen: omgevingsvariabelen Variabele Omschrijving USER Gebruikersnaam van de gebruiker die is aangemeld. PATH Een lijst van mappen, gescheiden door een : voor het zoeken naar binaire bestanden. DISPLAY Netwerknaam van het X11 scherm om verbinding mee te maken, indien beschikbaar. SHELL De huidige shell. TERM De naam van de huidige gebruikersterminal. Gebruikt om de mogelijkheden van de terminal te bepalen. TERMCAP Databaseregel met terminal escape codes voor het uitvoeren van diverse terminalfuncties. OSTYPE Type besturingssysteem, bijvoorbeeld &os;. MACHTYPE De CPU architectuur waar het systeem op draait. EDITOR De teksteditor waar de gebruiker de voorkeur aan geeft. PAGER De tekstpager waar de gebruiker de voorkeur aan geeft. MANPATH Lijst van mappen gescheiden door een : voor het zoeken naar handleidingen. Bourne shells Het instellen van omgevingsvariabelen verschilt van shell tot shell. In de C–achtige shells zoals tcsh en csh moet setenv gebruikt worden om omgevingsvariabelen in te stellen. In Bourne-shells zoals sh en bash moet export gebruikt worden om de omgevingsvariabelen in te stellen. Om bijvoorbeeld de omgevingsvariabele EDITOR te wijzigen naar /usr/local/bin/emacs onder csh of tcsh moet het volgende gedaan worden: &prompt.user; setenv EDITOR /usr/local/bin/emacs In Bourne shells is dat: &prompt.user; export EDITOR="/usr/local/bin/emacs" Met de meeste shells kunnen de omgevingsvariabelen ook weergegeven worden door een $ karakter voor de variabelenaam te plaatsen op de commandoregel. echo $TERM zou weergeven wat er in $TERM gezet is, omdat de shell $TERM uitbreid en het resultaat doorgeeft aan echo. Shells kennen veel speciale karakters, die meta-karakters heten, als speciale weergaves van data. De meest voorkomende is het karakter * karakter, dat elk karakter in een bestandsnaam voorstelt. Deze speciale meta-karakters kunnen gebruikt worden om bestandsnaamglobbing te doen. Door bijvoorbeeld echo * in te voeren, is het resultaat bijna hetzelfde als door het uitvoeren van ls, omdat de shell alle bestanden die van toepassing zijn aan echo geeft om ze daarna te tonen. Om te voorkomen dat de shell deze speciale tekens verwerkt, kunnen ze uitgeschakeld worden door er het backslash karakter (\) voor te plaatsen. echo $TERM print de inhoud van TERM naar het scherm. echo \$TERM print $TERM zoals het geschreven is. Shell wijzigen De makkelijkste manier om de shell te wijzigen is door het chsh commando te gebruiken. Door chsh te starten wordt de editor gestart die in de EDITOR omgevingsvariable staat. Als deze niet is ingesteld, wordt vi gestart. In de editor kan de regel waarop Shell: staat gewijzigd worden. Aan chsh kan ook de optie meegegeven worden. Dit stelt de shell in, zonder dat een editor gebruikt hoeft te worden. Als de shell bijvoorbeeld gewijzigd moet worden in bash, kan dat als volgt: &prompt.user; chsh -s /usr/local/bin/bash De te gebruiken shell moet geregistreerd zijn in /etc/shells. Als een shell uit de Portscollectie is geïnstalleerd, is dit meestal automatisch gebeurd. Als de shell met de hand is geïnstalleerd moet het onderstaande gedaan worden. Als bijvoorbeeld bash met de hand geïnstalleerd is in /usr/local/bin, dient het onderstaande te gebeuren: &prompt.root; echo "/usr/local/bin/bash" >> /etc/shells Hierna kan chsh weer gedraaid worden. Teksteditors teksteditors editors Een groot deel van de instellingen in &os; wordt gemaakt door het bewerken van tekstbestanden. Hierdoor is het een goed idee om bekend te zijn met een tekstverwerker. &os; heeft er een paar in het basissysteem en veel anderen zijn beschikbaar via de Portscollectie. ee editors ee De makkelijkste en simpelste editor om te leren is de editor ee, wat easy editor betekent. Om ee te starten, moet op de commandoregel ee bestandsnaam ingevoerd worden, waar bestandsnaam de naam is van het bestand dat bewerkt moet worden. Om bijvoorbeeld /etc/rc.conf te bewerken, wordt ee /etc/rc.conf ingegeven. Eenmaal in ee worden alle manipulatie commando's die de editor heeft weergegeven aan de bovenkant van het scherm. Het karakter dakje ^ staat voor de toets CTRL op het toetsenbord, dus ^e vormt de toetscombinatie Ctrle . Om uit ee te komen wordt op de toets Esc gedrukt en daar kan gekozen worden om de editor te verlaten. De editor vraagt dan of de wijzigingen bewaard moeten worden als het bestand veranderd is. vi editors vi Emacs editors Emacs &os; heeft ook uitgebreidere tekstverwerkers, zoals vi, in het basissysteem en andere editors als Emacs en vim maken onderdeel uit van de &os; Portscollectie (editors/emacs en editors/vim). Deze editors leveren veel meer functionaliteit en kracht maar zijn lastiger om te leren. Als echter veel met tekstverwerking gedaan wordt, is het leren van een krachtige editor als vim of Emacs verstandig omdat deze uiteindelijk veel tijd kan besparen. Apparaten en apparaatnodes Apparaat is een term die meestal wordt gebruikt voor hardwareonderdelen in een systeem, zoals schijven, printers grafische kaarten en toetsenborden. Als &os; opstart laat het vooral zien welke apparaten gedetecteerd worden. Deze opstartmeldingen kunnen nagekeken worden door het bestand /var/run/dmesg.boot te bekijken. acd0 is bijvoorbeeld de eerste IDE cd-rom drive, terwijl kbd0 staat voor het toetsenbord. Veel van deze apparaten moeten in een &unix; besturingssysteem benaderd worden via speciale bestanden die apparaatnodes heten en te vinden zijn in de map /dev. Apparaatnodes maken Als een nieuw apparaat wordt toegevoegd aan een systeem of als ondersteuning voor extra apparaten wordt gecompileerd, dan moeten misschien één of meer apparaatnodes voor het nieuwe apparaat gemaakt worden. Het MAKEDEV script Op systemen zonder DEVFS (dit is het geval voor alle &os; versies vóór 5.0) worden apparaatnodes gemaakt door het script &man.MAKEDEV.8; zoals hieronder wordt aangegeven: &prompt.root; cd /dev &prompt.root; sh MAKEDEV ad1 Dit voorbeeld maakt de juiste apparaatnode voor de tweede IDE drive wanneer die geïnstalleerd is. <literal>DEVFS</literal> (apparaatbestandssysteem - DEVice File System) Het apparaatbestandssysteem of DEVFS, levert toegang tot de apparaatruimte van de kernel in het globale bestandssysteem. In plaats van dat het nodig is om apparaatnodes te maken en te wijzigen, doet DEVFS dit. In &man.devfs.5; staat meer informatie. DEVFS wordt standaard gebruikt in &os; 5.0 en verder. Binaire formaten Om te kunnen begrijpen waarom &os; gebruik maakt van het &man.elf.5; formaat, is het belangrijk op de hoogte zijn van de drie dominante uitvoerbare formaten voor &unix;: &man.a.out.5; Het oudste en klassieke &unix; object formaat. Het gebruikt een korte en compacte kop met een magisch nummer aan het begin dat veel gebruikt wordt om het formaat aan te geven (&man.a.out.5; geeft meer details). Het bevat drie laadbare segmenten: .tekst, .data en .bss, een symbolentabel en een stringtabel. COFF Het SVR3 object formaat. De kop bestaat uit een sectietabel, dus er kunnen meer dan alleen .tekst, .data, en .bss secties zijn. &man.elf.5; De opvolger van COFF, heeft meerdere secties en 32-bit of 64-bit als mogelijke waarden. Één nadeel: ELF was ook ontworpen met de aanname dat er maar één ABI per systeemarchitectuur zou zijn. Deze aanname is eigenlijk redelijk incorrect, zelfs niet in de commerciële SYSV wereld (die op zijn minst drie ABIs heeft: SRV4, Solaris en SCO). &os; probeert om dit probleem heen te werken door een hulpprogramma te leveren voor het brandmerken van een bekend ELF uitvoerbaar bestand met informatie over de ABI waar hij mee kan werken. In &man.brandelf.1; staat meer informatie. &os; komt uit het klassieke kamp en gebruikt het &man.a.out.5; formaat, een technologie die zich bewezen heeft door meerdere generaties van BSD versies heen, tot het begin van de 3.X versies. Alhoewel het al mogelijk was om ELF programma's en kernels te bouwen en te draaien op een &os; systeem , verzette &os; zich eerst tegen de druk om over te schakelen naar ELF als standaard formaat. Waarom? Toen het &linux; kamp hun pijnlijke wissel maakte naar ELF, was dat niet zozeer om van het a.out formaat af te komen, maar meer omdat van het op de inflexibele jump-tabel gebaseerde gedeelde bibliotheekmechanisme af te komen, die het maken van gedeelde bibliotheken erg moeilijk maakte voor bedrijven en ontwikkelaars. Omdat de ELF hulprogramma's een oplossing voor het gedeelde bibliotheek probleem waren en algemeen gezien werden als een stap vooruit, werd de migratie geaccepteerd als noodzakelijk kwaad en werd de wissel uitgevoerd. Het gedeelde bibliotheek mechanisme van &os; is meer gebaseerd op het gedeelde bibliotheek mechanisme van Sun's &sunos; en daardoor erg makkelijk te gebruiken. Waarom zijn er zoveel verschillende formaten? In het duistere donkere verleden was er simpele hardware. Deze simpele hardware ondersteunde een simpel klein systeem. a.out was volledig adequaat voor de taak om binaire bestanden op dat simpele systeem te vertegenwoordigen (een PDP-11). Toen mensen &unix; van deze machine gingen porten, behielden ze het a.out formaat omdat het voldeed voor de vroege ports van &unix; naar architecturen als Motorola 68k, VAXen, enzovoort. Toen besloot een slimme hardware engineer dat als hij de software kon forceren om wat simpele truckjes te doen, hij in staat was om een paar onderdelen van het ontwerp af te schaven, waardoor zijn processorcore sneller kon draaien. Terwijl men probeerde om het met deze nieuwe vorm van hardware te laten werken (vandaag de dag beter bekend als RISC), was a.out te beperkt voor deze hardware. Dus werden er vele formaten ontworpen om betere prestaties te krijgen uit deze hardware dan het simpele formaat a.out kon leveren. Toen werden COFF, ECOFF en een paar andere duistere formaten uitgevonden en werden de limieten verkend, waarna men besloot om zich te richten op ELF. Daarnaast werden programma's groter en bleven schijven (en fysiek geheugen) relatief klein, zodat het concept van een gedeelde bibliotheek werd geboren. Het VM systeem werd ook meer verfijnd. Terwijl al deze verbeteringen bereikt werden door het a.out formaat, werd het nut met elke nieuwe eigenschap verder uitgerekt. Daarnaast wilde men dingen dynamisch laden tijdens het starten of delen weggooien nadat het programma zijn intiële code had gedraaid om te blijven hangen in het hoofdgeheugen en in de wisselbestanden. Talen werden verder verfijnd en men wilde dat code automatisch werd aangeroepen voor main. Er werden veel hacks gedaan in het a.out formaat om alles mogelijk te maken en dit werkte ook enige tijd. Na verloop van tijd was a.out niet meer in staat om alle problemen te adresseren zonder toenemende overhead in code en complexibiliteit. Hoewel ELF veel van deze problemem verhielp, was het moeilijk om te wisselen naar een systeem dat compleet anders werkte. Dus moest ELF wachten totdat het pijnlijker was om a.out te behouden dan het te migreren naar ELF. Met het verstrijken van de tijd, werden de bouwprogramma's die &os; heeft afgeleid van hun bouwprogramma's (vooral de assembler en de loader) ontwikkeld in twee parallel lopende takken. De &os; tree voegde gedeelde bibliotheken toe en heeft wat bugs opgelost. De mensen van GNU die deze programma's hebben geschreven, hebben ze herschreven en simpelere ondersteuning toegevoegd voor het bouwen van cross-compilers, waarbij verschillende formaten zo nodig ingevoegd konden worden, enzovoort. Omdat veel mensen cross-compilers wilden bouwen die gericht waren op &os;, hadden die pech, omdat de oudere broncode van &os; voor as en ld niet opgewassen was tegen deze taak. De nieuwe GNU programmaketen (binutils) ondersteunt cross-compiling, ELF, gedeelde bibliotheken, C++ extensies, enzovoort. Daarnaast leveren veel leverancierds ELF binaire bestanden en is het goed voor &os; om het te draaien. ELF heeft meer expressiemogelijkheden dan a.out en geeft meer uitbreidingsmogelijkheden aan het basissysteem. De ELF hulpprogramma's worden beter onderhouden en geven de mogelijkheid tot ondersteuning voor cross compilatie, wat voor veel mensen belangrijk is. ELF is misschien iets trager dan a.out, maar het meten daarvan kan vrij lastig zijn. Er zijn ook ontelbare verschillen tussen de twee in hoe ze pages opslaan, initiële code verwerken, enzovoort. Geen van allen zijn ze erg belangrijk, maar er zijn verschillen. Na verloop van tijd verdwijnt de ondersteuning voor a.out uit de GENERIC kernel en uiteindelijk ook helemaal uit de kernel als de noodzaak voor a.out gebaseerde programma's voorbij is. Meer informatie Handleidingen handleidingen De meest uitvoerige documentatie van &os; is geschreven in de vorm van handleidingen. Bijna elk programma op het systeem heeft een kleine handleiding die uitlegt wat de basisopties en verschillende argumenten doen. Deze handleidingen bekeken worden met man. Het gebruik van man gaat als volgt: &prompt.user; man commando commando is de naam van het commando waar meer informatie over getoond moet worden. Om bijvoorbeeld meer informatie weer te geven over ls kan het volgende uitgevoerd worden: &prompt.user; man ls De handleidingen zijn opgedeeld in genummerde onderdelen: Gebruikerscommando's. Systeemaanroepen en foutnummernummers. Functies in de C bibliotheken. Apparaatdrivers. Bestandsindelingen. Spelletjes en andere afleidingen. Diverse informatie. Systeemonderhoud en commando's Kernelontwikkelaars. In sommige gevallen kan een bepaald onderwerp vaker voorkomen in een onderdeel van de handleidingen. Er is bijvoorbeeld een gebruikerscommando chmod en een systeemaanroep chmod(). In deze gevallen kan man aangegeven worden welke documentatie weer te geven door het specificeren van het onderdeel: &prompt.user; man 1 chmod Dit geeft de handleiding van het gebruikerscommando chmod weer. Verwijzingen naar een bepaald onderdeel van de handleiding worden traditioneel tussen haakjes geplaatst: &man.chmod.1; verwijst naar het commando chmod en &man.chmod.2; verwijst naar de systeemaanroep. Dit werkt prima als de naam van het commando bekend is en alleen informatie nodig is over het het commando gebruikt kan worden, maar wat als de naam van het commando niet bekend is? Dan kan man gebruikt worden om naar trefwoorden te zoeken in de commandobeschrijvingen door de optie te gebruiken: &prompt.user; man -k mail Met dit commando wordt een overzicht getoond met commando's die het trefwoord mail in hun omschrijving hebben. Dit is gelijk aan het commando apropos. Dus om meer informatie over spannende commando's met een onbekende functie in /usr/bin te krijgen is het volgende commando voldoende: &prompt.user; cd /usr/bin &prompt.user; man -f * Het onderstaande commando resulteert in hetzelfde: &prompt.user; cd /usr/bin &prompt.user; whatis * Gnu infobestanden Free Software Foundation &os; heeft veel applicaties en hulpmiddelen die gemaakt zijn door de Free Software Foundation (FSF). Als extraatje voor de documentatie hebben deze programma's uitgebreidere html bestanden die infobestanden heten, die uitgelezen kunnen worden met info of, als emacs is geïnstalleerd, de infomodus van emacs. &man.info.1; wordt als volgt gebruikt: &prompt.user; info h geeft een korte beschrijving en ? toont een een kort commando–overzicht.
diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/desktop/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/desktop/chapter.sgml index afb2ff9b41..8622cccd02 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/desktop/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/desktop/chapter.sgml @@ -1,1221 +1,1224 @@ Chrisptophe Juliet Bijgedragen door René Ladan Vertaald door Bureaubladapplicaties Overzicht &os; kan een groot aantal bureaubladapplicaties draaien, zoals browsers en tekstverwerkers. De meeste hiervan zijn beschikbaar als packages of kunnen automatisch vanuit de Portscollectie gebouwd worden. Veel nieuwe gebruikers verwachten dit soort applicaties op hun bureaublad. Dit hoofdstuk laat zien hoe populaire bureaubladapplicaties moeiteloos geïnstalleerd kunnen worden vanuit een package of vanuit de Portscollectie. Als programma's vanuit ports geïnstalleerd worden, wordt hun broncode gecompileerd. Dit kan erg lang duren, afhankelijk van wat er gecompileerd wordt en de rekenkracht van een machine. Als compileren vanuit broncode te veel tijd kost, kunnen de meeste programma's van de Portscollectie als een voorafgebouwd package geïnstalleerd worden. Omdat &os; compatibel is met &linux;, zijn veel applicaties die voor &linux; zijn ontwikkeld beschikbaar een &os; bureaublad. Het wordt sterk aanbevolen om te lezen voordat &linux; applicaties geïnstalleerd worden. Veel ports die gebruik maken van &linux; compatibiliteit beginnen met linux-. Dit is handig om te onthouden wanneer er naar een port gezocht wordt met bijvoorbeeld &man.whereis.1;. In dit hoofdstuk wordt aangenomen dat &linux; binaire compatibiliteit is ingeschakeld voordat &linux; applicaties worden geïnstalleerd. In dit hoofdstuk worden de volgende categoriën behandeld: Browsers (zoals Mozilla, Opera, Firefox, Konqueror) Productiviteit (zoals KOffice, AbiWord, The GIMP, OpenOffice.org) Documentviewers (zoals &acrobat.reader;, gv, Xpdf, GQview) Financieel (zoals GnuCash, Gnumeric, Abacus) Er wordt aangenomen dat de lezer van dit hoofdstuk: Weet hoe aanvullende software van derde partijen geïnstalleerd wordt (). Weet hoe aanvullende &linux; software geïnstalleerd wordt (). Meer informatie over een multimedia-omgeving staat in . Installatie van e-mail staat beschreven in . Browsers browsers web &os; wordt zonder een voor-geïnstalleerde browser geleverd. In plaats hiervan bevat de www map van de Portscollectie browsers om te installeren. Het is ook mogelijk voor de meeste ports een package te installeren als compileren niet gewenst is. Compileren kan soms lang duren. KDE en GNOME bevatten reeds HTML-browsers. In staat meer informatie over de installatie van deze complete bureaubladen. Lichtgewicht browsers uit de Portscollectie zijn onder andere www/dillo, www/links of www/w3m. Dit gedeelte behandelt deze applicaties: Applicatie Bronnen Ports Afhankelijkheden Mozilla veel zwaar Gtk+ Opera weinig licht &os; en &linux; versies beschikbaar. De &linux; versie is afhankelijk van de &linux; binaire compatibiliteit en linux-openmotif. Firefox gemiddeld zwaar Gtk+ Konqueror gemiddeld zwaar KDE bibliotheken Mozilla Mozilla - Mozilla is misschien wel de - meest geschikte browser voor &os;. De browser is modern, - stabiel en volledig geschikt naar &os;. De HTML-weergave + Mozilla is een moderne en + stabiele browser die volledig geschikt gemaatks is voor + &os;. De HTML-weergave engine voldoet in grote mate aan de standaarden. Er worden een mail- en nieuwslezer bijleverd en het pakket bevat zelfs een HTML-bewerker voor het maken van webpagina's. Mozilla heeft dezelfde broncodebasis met &netscape; Communicator. Op langzame machines, met een CPU-snelheid van 233MHz of minder dan 64MB aan RAM, kan Mozilla te veeleisend zijn om volledig bruikbaar te zijn. In dat geval is Opera browser een mogelijke vervanger. Als het niet wenselijk of mogelijk is om Mozilla te compileren, dan is dit al door het &os; GNOME team gedaan. Het package kan geïnstalleerd worden met: &prompt.root; pkg_add -r mozilla Als het package niet beschikbaar is en er genoeg tijd en schijfruimte schikbaar zijn, kan de broncode van Mozilla gedownload, gecompileerd en geïnstalleerd worden. Dit gaat met: &prompt.root; cd /usr/ports/www/mozilla &prompt.root; make install clean De Mozilla port zorgt voor een correcte installatie door de chrome registry setup met root rechten te draaien. Als echter ook toevoegingen zoals muisgebaren geïnstalleerd moeten worden, dan moet Mozilla als root gedraaid worden om dat op de juiste wijze geïnstalleerd te krijgen. Als de installatie van Mozilla eenmaal voltooid is, is root zijn niet langer nodig. Mozilla kan als browser gestart worden met: &prompt.user; mozilla Het kan direct als mailprogramma of nieuwslezer gestart worden met: &prompt.user; mozilla -mail Tom Rhodes Bijgedragen door Mozilla en &java; plugin Mozilla installeren is eenvoudig, maar helaas neemt Mozilla installeren met ondersteuning voor add-ons zoals &java; en ¯omedia; &flash; zowel tijd als schijfruimte in beslag. Als eerste moeten de bestanden gedownload worden die gebruikt worden met Mozilla. Op kan een account aangemaakt worden. De gebruikersnaam en het wachtwoord moeten bewaard worden omdat ze in de toekomst nog nodig kunnen zijn. Download daarna de bestanden jdk-1_5_0-bin-scsl.zip (JDK 5.0 SCSL Binaries) en jdk-1_5_0-src-scsl.zip (JDK 5.0 SCSL Source) en plaats ze in /usr/ports/distfiles omdat de port ze niet automatisch download. Dit heeft te maken met beperkingen in de licentie. Ook kan meteen de java environment vanaf gedownload worden. De bestandsnaam is j2sdk-1_4_2_08-linux-i586.bin. Ook dit bestand dient in /usr/ports/distfiles/ te worden geplaatst. Download ook de java patchkit van en plaats deze in /usr/ports/distfiles/. Installeer tenslotte de port java/jdk15 met het standaardcommando make install clean. Start Mozilla ga naar de optie About Plug-ins in het menu Help. Daar hoort nu de &java; plugin in de lijst te staan. Mozilla en ¯omedia; &flash; plugin ¯omedia; &flash; plugin is niet beschikbaar voor &os;. Er is echter wel een softwarelaag (wrapper) om de &linux;-versie van de plugin te draaien. Deze wrapper ondersteunt ook &adobe; &acrobat; plugin, RealPlayer plugin en meer. Installeer de port www/linuxpluginwrapper. Deze is afhankelijk van emulators/linux_base wat een grote port is. Volg de instructies die door de port worden weergegeven om /etc/libmap.conf juist in te stellen! Voorbeeldinstellingen worden geïnstalleerd in de map /usr/local/share/examples/linuxpluginwrapper/. Installeer de www/mozilla port als Mozilla niet al is geïnstalleerd. Mozilla kan gestart worden met: &prompt.user; mozilla & Ga naar de optie About Plug-ins van het menu Help. Er verschijnt een lijst met alle beschikbare plugins. De linuxpluginwrapper werkt alleen op de &i386; systeemarchitectuur. Opera Opera - Opera is een zeer snelle, - complete browser en voldoet aan standaarden. Hij komt in twee - smaken: een &os; versie en een versie die draait onder &linux; - emulatie. + Opera is een volledige en + een standaard volgende browser. Hij wordt standaard + geleverd met een ingebouwde email-client, een nieuwslezer, + een IRC client, een RSS/ATOM feed lezer en nog veel meer. + Ondanks dat is Opera relatief gezien + niet zwaar en erg snel. Hij komt in twee smaken: een + &os; versie en een versie die draait onder &linux; emulatie. De &os; package versie van Opera wordt zo geïnstalleerd: &prompt.root; pkg_add -r opera Sommige FTP-sites hebben niet alle packages, maar hetzelfde resultaat kan worden behaald met de Portscollectie door te typen: &prompt.root; cd /usr/ports/www/opera &prompt.root; make install clean De &linux; versie van Opera kan geïnstlleerd worden door bij de bovenstaande voorbeelden linux-opera te gebruiken in plaats van opera. De &linux; versie is nuttig in situaties waarin plugins nodig zijn die alleen voor &linux; beschikbaar zijn, zoals Adobe &acrobat.reader;. In alle andere opzichten lijken de &os; en &linux; versies identiek. Firefox Firefox Firefox is de browser voor de volgende generatie, gebaseerd op de codebase van Mozilla. Mozilla is een volledig pakket van applicaties, zoals een browser, een mailclient, een chatclient en nog veel meer. Firefox is gewoon een browser wat het kleiner en sneller maakt. Het package is te installeren met: &prompt.root; pkg_add -r firefox Via de Portscollectie kan ook de broncode gecompileerd worden: &prompt.root; cd /usr/ports/www/firefox &prompt.root; make install clean Konqueror Konqueror Konqueror is deel van KDE, maar kan ook buiten KDE gebruikt worden door x11/kdebase3 te installeren. Konqueror is meer dan een browser. Het is ook een bestandsbeheerder en multimedia-viewer. Konqueror wordt ook met een verzameling plugins geleverd, beschikbaar in misc/konq-plugins. Konqueror ondersteunt ook &flash;. Daarover is meer informatie beschikbaar op . Productiviteit Als het op productiviteit aankomt, zoeken nieuwe gebruikers vaak een goed kantoorpakket of een vriendelijke tekstverwerker. Hoewel sommige bureaubladomgevingen zoals KDE reeds een kantoorpakket verschaffen, is er geen standaardapplicatie. &os; verschaft alles wat nodig is, ongeacht de bureaubladomgeving. In dit gedeelte worden de onderstaande applicaties beschreven: Applicatie Bronnen Ports Afhankelijkheden KOffice weinig zwaar KDE AbiWord weinig licht Gtk+ of GNOME The GIMP weinig licht Gtk+ OpenOffice.org veel erg zwaar &jdk; 1.4, Mozilla KOffice KOffice kantoorpakket KOffice De KDE-gemeenschap heeft zijn bureaubladomgeving met een kantoorpakket geleverd dat buiten KDE gebruikt kan worden. Het bevat de vier standaardcomponenten uit andere kantoorpakketten. KWord is de tekstverwerker, KSpread is het spreadsheetprogramma, KPresenter beheert diapresentaties en Kontour voorziet in grafische mogelijkheden. Voordat de nieuwste KOffice wordt geïnstalleert, moet er een recente versie van KDE geïnstalleerd zijn. KOffice als package installeren gaat met het volgende commando: &prompt.root; pkg_add -r koffice Als het package niet beschikbaar is, kan de Portscollectie gebruiken worden. Om KOffice voor KDE3 te installeren: &prompt.root; cd /usr/ports/editors/koffice-kde3 &prompt.root; make install clean AbiWord AbiWord AbiWord is een vrij tekstverwerkingsprogramma, ongeveer gelijk aandoet als µsoft; Word. Het is geschikt om verslagen, brieven, rapporten, memo's, enzovoort mee te typen. Het programma is snel, bevat veel mogelijkheden en is gebruikersvriendelijk. AbiWord kan veel bestandsformaten importeren en exporteren, waaronder enkele gesloten formaten, zoals µsoft; .doc. AbiWord is beschikbaar als package en te installeren met: &prompt.root; pkg_add -r abiword Als het package niet beschikbaar is, kan het worden gecompileerd vanuit de Portscollectie. De Portscollectie is meer recent. Dat kan als volgt: &prompt.root; cd /usr/ports/editors/abiword &prompt.root; make install clean The GIMP The GIMP Voor het bewerken of retoucheren van afbeeldingen is The GIMP een zeer geavanceerd afbeeldingenmanipulatieprogramma. Het kan als eenvoudig tekenprogramma worden gebruikt of als kwalititeitspakket voor het retoucheren van foto's. Het ondersteunt een groot aantal plugins en bevat een scripting interface. The GIMP kan een groot aantal bestandsformaten lezen en schrijven. Het ondersteunt interfaces met scanners en tabletten. Het pakket is te installeren als package met: &prompt.root; pkg_add -r gimp Als een FTP-site dit package niet heeft, kan de Portscollectie gebruikt worden. De graphics map van de Portscollectie bevat ook The GIMP Manual. Die kan zo geïnstalleerd worden: &prompt.root; cd /usr/ports/graphics/gimp &prompt.root; make install clean &prompt.root; cd /usr/ports/graphics/gimp-manual-pdf &prompt.root; make install clean De graphics map van de Portscollectie bevat de ontwikkelversie van The GIMP in graphics/gimp-devel. Een HTML versie van The GIMP Manual staan in graphics/gimp-manual-html. OpenOffice.org OpenOffice.org kantoorpakket OpenOffice.org OpenOffice.org bevat alle noodzakelijke applicaties in een compleet kantoorproductiviteitspakket: een tekstverwerker, een spreadsheet, een presentatiebeheerder en een tekenprogramma. De gebruikersinterface is vrijwel gelijk aan die van andere kantoorpakketten en het kan veel populaire bestandsformaten in- en uitvoeren. Het is beschikbaar in een aantal verschillende talen met interfaces, spellingcontrole en woordenboeken. De tekstverwerker van OpenOffice.org gebruikt een eigen XML-bestandsformaat voor overdraagbaarheid en flexibiliteit. Het spreadsheetprogramma bevat een macrotaal en kan gekoppeld worden aan externe databases. OpenOffice.org is stabiel en draait zonder aanpassingen op &windows;, &solaris;, &linux;, &os; en &macos; X. Meer informatie over OpenOffice.org staat op de OpenOffice.org website. Voor specifieke &os; informatie en om direct packages te downloaden is er de website van het &os; OpenOffice.org Porting Team. Om OpenOffice.org te installeren: &prompt.root; pkg_add -r openoffice Dit hoort te werken als er een -RELEASE versie van &os; wordt gedraaid. In andere gevallen is het verstandig om te kijken op de website van het &os; OpenOffice.org Porting Team en het juiste package met &man.pkg.add.1;te downloaden en te installeren. Zowel de huidige release als de ontwikkelversie kunnen op die locatie gedownload worden. Als het package geïnstalleerd is, start dan met het volgende commando OpenOffice.org: &prompt.user; openoffice.org Tijdens de eerste keer starten worden er een aantal vragen gesteld en wordt de map .openoffice.org2 in de thuismap van de aangemelde gebruiker gemaakt Als de OpenOffice.org packages niet beschikbaar zijn, kan het uit de ports gecompileerd worden. Hiervoer is veel schijfruimte en tijd nodig: &prompt.root; cd /usr/ports/editors/openoffice.org-2.0 &prompt.root; make install clean Vervang om een gelocaliseerde versie te bouwen de voorgaande commandoregel door de volgende: &prompt.root; make LOCALIZED_LANG=your_language install clean Vervang taal door de juiste ISO-taalcode. Een lijst met ondersteunde taalcodes is beschikbaar in het bestand files/Makefile.localized in de map van de port. Start hierna OpenOffice.org met: &prompt.user; openoffice.org Documentviewers Het kan zijn dat de standaardviewers voor een aantal populaire bestandsformaten niet in het basissysteem zitten. In dit gedeelte wordt aangegeven hoe die geïnstalleerd kunnen worden. Dit gedeelte behandelt de onderstaande applicaties: Applicatie Bronnen Ports Afhankelijkheden &acrobat.reader; weinig licht &linux; binaire compatibiliteit gv weinig licht Xaw3d Xpdf weinig licht FreeType GQview weinig licht Gtk+ of GNOME &acrobat.reader; &acrobat.reader; PDF bekijken Documenten worden vaak als PDF-bestanden, Portable Document Format, verspreid. Een van de aanbevolen viewers voor dit bestandstype is &acrobat.reader; dat Adobe voor &linux; heeft uitgegeven. Omdat &os; &linux; binaries kan draaien, is het ook beschikbaar voor &os;. Om &acrobat.reader; 5 te installeren uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/print/acroread7 &prompt.root; make install clean Vanwege de licentie is een package niet beschikbaar. gv gv PDF bekijken &postscript; bekijken gv is een &postscript; en PDF viewer. Het is gebaseerd op ghostview maar heeft een vriendelijker uiterlijk dankzij de Xaw3d bibliotheek. Het is snel en heeft mogelijkheden als oriëntatie, papiergrootte, schalen en anti-aliassen. Bijna elke bewerking kan met het toetsenbord of de muis worden gedaan. gv is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r gv Of uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/print/gv &prompt.root; make install clean Xpdf Xpdf PDF bekijken Xpdf een efficiënte lichtgewicht PDF-viewer voor &os;. Het heeft erg weinig bronnen nodig en is zeer stabiel. Het gebruikt de standaard X-fonts en is niet afhankelijk van &motif; of andere X-toolkits. Xpdf is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r xpdf Of uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/graphics/xpdf &prompt.root; make install clean Als de installatie voltooid is, kan Xpdf gestart worden en het menu kan met de rechtermuisknop geactiveerd worden. GQview GQview GQview is een afbeeldingenbeheerder. Een bestand kan met één klik bekeken worden, er kan een externe editor opgestart worden er kunnen thumbnail-voorbeelden gemaakt worden en nog veel meer. Het bevat ook een diapresentatie-modus en enkele standaard bestandsoperaties. Er kunnen afbeeldingsverzamelingen beheerd worden en eenvoudig duplicaten gevonden worden. GQview kan het complete scherm gebruiken en ondersteunt meerdere talen. GQview is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r gqview Of vanuit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/graphics/gqview &prompt.root; make install clean Financiën Om financiën via het &os; bureaublad te beheren zijn er krachtige en gemakkelijk te gebruiken applicaties om te installeren. Sommige zijn compatibel met wijdverbreide bestandsformaten zoals Quicken of Excel documenten. Dit gedeelte behandelt deze applicaties: Applicatie Bronnen Ports Afhankelijkheden GnuCash weinig zwaar GNOME Gnumeric weinig zwaar GNOME Abacus weinig licht Tcl/Tk GnuCash GnuCash GnuCash is onderdeel van GNOME dat gebruikersvriendelijke en krachtige applicaties aan eindgebruikers wil leveren. Met GnuCash kunnen inkomsten en uitgaven, bankrekeningen en voorraden bijgehouden worden. Het bevat een intuïtieve interface terwijl het erg professioneel blijft. GnuCash levert een slim kasboek, een hiërarchisch systeem van rekeningen, veel toetsenbordversnellers en auto-invul mogelijkheden. Het een transactie splitsen in meer gedetailleerde stukken. GnuCash kan Quicken QIF-bestanden invoeren en samenvoegen. Het kan ook met de meeste internationale datum- en valutaformaten omgaan. GnuCash is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r gnucash Of uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/finance/gnucash &prompt.root; make install clean Gnumeric Gnumeric spreadsheet Gnumeric Gnumeric is een spreadsheet uit de GNOME bureaubladomgeving. Het maakt gebruikt van auto-invullen afhankelijk van het celformaat. Het kan bestanden in een aantal populaire formaten zoals Excel, Lotus 1-2-3 en Quattro Pro inlezen. Gnumeric ondersteunt grafieken door middel van het grafiekprogramma math/guppi. Het heeft een groot aantal ingebouwde functies en kent gebruikelijke celformaten als nummer, valuta, datum, tijd en veel meer. Gnumeric is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r gnumeric Of uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/math/gnumeric &prompt.root; make install clean Abacus Abacus spreadsheet Abacus Abacus is een kleine en gemakkelijk te gebruiken spreadsheet en bevat veel ingebouwde functies die nuttig zijn in verschillende domeinen zoals statistiek, financiën, en wiskunde. Het kan Excelbestanden lezen en schrijven. Abacus kan &postscript; uitvoer produceren. Abacus is als package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r abacus Of uit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/deskutils/abacus &prompt.root; make install clean Samenvatting Hoewel &os; populair is bij ISP's om zijn prestaties en stabiliteit, is het behoorlijk klaar voor dagelijks gebruik als een bureaublad. Met enkele duizenden applicaties als packages of ports, is een perfect bureaublad te bouwen dat aan alle noden voldoet. Als een bureaublad is geïnstalleerd is het mogelijk een stap verder te gaan met misc/instant-workstation. Met deze meta-port kan een verzameling ports gebouwd worden die aangepast kan worden door /usr/ports/misc/instant-workstation/Makefile te bewerken en de gebruikte syntaxis voor de standaardverzameling om ports toe te voegen of te verwijderen te gebruiken. Het bouwen gaat volgens de gebruikelijke procedure. Uiteindelijk is het zo mogelijk één groot package te creëren voldoet aan de persoonlijke eisen van een gebruiker dat te installeren is op alle gebruikte werkstations! Nu volgt nog een overzicht van alle bureaubladapplicaties die in dit hoofdstuk zijn behandeld: Applicatie Package Port Mozilla mozilla www/mozilla Opera linux-opera www/linux-opera Firefox firefox www/firefox KOffice koffice-kde3 editors/koffice-kde3 AbiWord abiword editors/abiword The GIMP gimp graphics/gimp OpenOffice.org openoffice editors/openoffice-1.1 &acrobat.reader; acroread5 print/acroread7 gv gv print/gv Xpdf xpdf graphics/xpdf GQview gqview graphics/gqview GnuCash gnucash finance/gnucash Gnumeric gnumeric math/gnumeric Abacus abacus deskutils/abacus diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml index cd591e192c..7ec042cdd1 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/multimedia/chapter.sgml @@ -1,2052 +1,2052 @@ Ross Lippert Aangepast door Siebrand Mazeland Vertaald door Multimedia Overzicht &os; ondersteunt een breed bereik aan geluidskaarten, waardoor het mogelijk is van geluid van hoge kwaliteit op een computer te genieten. Hieronder vallen mogelijkheden om geluid op te nemen en af te spelen in de MPEG Audio Layer 3 (MP3), WAV en Ogg Vorbis formaten en vele andere formaten. De &os; Portscollectie bevat ook programma's waarmee opgenomen audio bewerkt kan worden, waarmee geluidseffecten toegevoegd kunnen worden en aangesloten MIDI apparaten bestuurd kunnen worden. Met wat wil om te experimenteren kunnen met &os; videobestanden en DVD's afgespeeld worden. Er zijn minder programma's om video te encoderen, te converteren en af te spelen dan er zijn voor audio. Op het moment van schrijven is er bijvoorbeeld geen programma in de &os; Portscollectie beschikbaar waarmee video goed gehercodeerd kan worden. Deze functie zou gebruikt kunnen worden om tussen formaten te converteren, zoals mogelijk is met audio/sox. De software in dit landschap is echter sterk aan verandering onderhevig. In dit hoofdstuk worden de stappen beschreven die uitgevoerd moeten worden om een geluidskaart in te stellen. Bij de installatie en instelling van X11 () is al beschreven hoe videokaarten ingesteld kunnen worden, hoewel er nog wel een aantal mogelijkheden zijn om het afspelen te verbeteren. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe een systeem zo in te stellen dat een geluidskaart wordt herkend; Hoe getest kan worden of een kaart werkt door gebruik te maken van voorbeeldapplicaties; Hoe problemen op te lossen met betrekking tot geluidsinstellingen; Hoe MP3's en andere audio af te spelen en te maken; Hoe video wordt ondersteund door de X server; Welke video speler/encoderports goede resultaten geven; Hoe DVD's, .mpg en .avi bestanden af te spelen; Hoe CD en DVD informatie naar bestanden geript kan worden; Hoe een TV-kaart in te stellen; Hoe een scanner in te stellen. Er wordt aangenomen dat de lezer van dit hoofdstuk: Weet hoe een nieuwe kernel in te stellen en te installeren (). Het proberen te mounten van audio CD's met &man.mount.8; resulteert in ieder geval in een foutmelding en op zijn ergst in een kernel panic. Dat type media heeft een formaat dat afwijkt van het gebruikelijke ISO-bestandssysteem. Moses Moore Geschreven door Marc Fonvieille Aangepast voor &os; 5.X door Geluidskaart installeren Systeem instellen PCI ISA geluidskaarten Alvorens te beginnen is het van belang te weten welk model een geluidskaart is, welke chip erop wordt gebruikt en of het een PCI of ISA kaart is. &os; ondersteunt vele PCI en ISA kaarten. De ondersteunde audioapparaten staan in een lijst in de Hardware Notes. In dit document staat ook beschreven welk stuurprogramma welke kaart(en) ondersteunt. kernel instellen Om een geluidsapparaat te gebruiken dient het juiste apparaatstuurprogramma geladen te worden. Dit kan op twee manieren. De meest eenvoudige manier is simpelweg een kernelmodule te laden voor de gewenste geluidskaart met &man.kldload.8;. Dit kan vanaf de commandoregel: &prompt.root; kldload snd_emu10k1 Of door als volgt de juiste regel toe te voegen aan /boot/loader.conf: snd_emu10k1_load="YES" De bovenstaande voorbeelden zijn voor een Creative &soundblaster; Live! geluidskaart. De overige beschikbare laadbare geluidsmodules staan beschreven in /boot/defaults/loader.conf. Als niet compleet duidelijk is welk stuurprogramma gebruikt dient te worden, dan kan het met de module snd_driver geprobeerd worden: &prompt.root; kldload snd_driver Dit is een metastuurprogramma, dat in één keer de meest voorkomende apparaatstuurprogramma's laadt. Hiermee kan het zoeken naar het juiste stuurprogramma versneld worden. Het is ook mogelijk om alle geluidsstuurprogramma's te laden via de optie /boot/loader.conf. Om uit te vinden welk struurprogramma na het laden van het metastuurprogramma snd_driver wordt geladen kan de inhoud van het bestand /dev/sndstat nagekeken worden met cat /dev/sndstat. Om onder &os; 4.X alle geluidsstuurprogramma's te laden, dient de module snd geladen te worden in plaats van snd_driver. Een tweede mogelijkheid is ondersteuning voor een geluidskaart statisch in de kernel te compileren. In de onderstaande paragrafen staat meer informatie over hoe op die manier ondersteuning voor hardware toegevoegd kan worden. Meer informatie over het hercompileren van een kernel staat in . Aangepaste kernel maken met geluidsondersteuning Eerst moet het generieke audiostuurprogramma &man.sound.4; aan de kernel toegevoegd worden. Daarvoor dient het volgende te worden opgenomen in het bestand met kernelinstellingen: device sound Voor &os; 4.X kan het volgende gebruikt worden: device pcm Daarna kan ondersteuning voor de specifieke geluidskaart toegevoegd worden. Daarvoor moet bekend zijn welk stuurprogramma de kaart ondersteunt. Dit kan opgezocht worden in de lijst met ondersteunde audioapparaten in de Hardware Notes, waar de correcte stuurprogramma's voor geluidskaarten beschreven staan. Zo wordt een Creative &soundblaster; Live! geluidskaart bijvoorbeeld ondersteund door het stuurprogramma &man.snd.emu10k1.4;. Ondersteuning voor deze kaart kan als volgt worden toegevoegd: - device "snd_emu10k1" + device snd_emu10k1 In de hulppagina voor een stuurprogramma staat welke syntaxis gebruikt kan worden. Informatie over de syntaxis van geluidsstuurprogramma's in de kernelinstellingen staat ook in /usr/src/sys/conf/NOTES (/usr/src/sys/i386/conf/LINT voor &os; 4.X). Voor niet-PnP ISA-kaarten kan het nodig zijn dat de kernel informatie gegeven moet worden over de instellingen van een geluidskaart (IRQ, I/O poort, enzovoort). Dit kan via het bestand /boot/device.hints. Bij het starten van een systeem leest de &man.loader.8; dat bestand uit en geeft de instellingen door aan de kernel. Zo gebruikt een oude Creative &soundblaster; 16 ISA niet-PnP-kaart het stuurprogramma &man.snd.sbc.4; samen met snd_sb16(4) en dient de volgende regel toegevoegd te worden aan het bestand met kernelinstellingen: device snd_sbc device snd_sb16 Daarnaast moet het volgende worden toegevoegd aan /boot/device.hints: hint.sbc.0.at="isa" hint.sbc.0.port="0x220" hint.sbc.0.irq="5" hint.sbc.0.drq="1" hint.sbc.0.flags="0x15" In dit geval gebruikt de kaart I/O poort 0x220 en IRQ 5. De gebruikte syntaxis voor /boot/device.hints staat beschreven in de hulppagina voor het geluidsstuurprogramma. In &os; 4.X worden deze instellingen direct in het bestand met kernelinstellingen gezet. In het geval van de bovenstaande ISA-kaart gaat dat al volgt: device sbc0 at isa? port 0x220 irq 5 drq 1 flags 0x15 De bovenstaande instellingen zijn de standaard instellingen. In sommige gevallen moeten IRQ of andere instellingen gewijzigd worden om een apparaat juist te laten werken. In &man.snd.sbc.4; staat meer informatie. Onder &os; 4.X hebben sommige systemen met audioapparaten op het moederbord de volgende optie in het bestand met kernelinstellingen nodig: options PNPBIOS Geluidskaart testen Na het herstarten met de aangepaste kernel of na het laden van de benodigde module, hoort de geluidskaart ongeveer als volgt te verschijnen in de systeemberichtbuffer (&man.dmesg.8;): pcm0: <Intel ICH3 (82801CA)> port 0xdc80-0xdcbf,0xd800-0xd8ff irq 5 at device 31.5 on pci0 pcm0: [GIANT-LOCKED] pcm0: <Cirrus Logic CS4205 AC97 Codec> De status van de geluidskaart kan gecontroleerd worden via het bestand /dev/sndstat: &prompt.root; cat /dev/sndstat FreeBSD Audio Driver (newpcm) Installed devices: pcm0: <Intel ICH3 (82801CA)> at io 0xd800, 0xdc80 irq 5 bufsz 16384 kld snd_ich (1p/2r/0v channels duplex default) De uitvoer kan per systeem wat verschillen. Als er geen apparaten pcm verschijnen, dienen eerdere stappen bekeken te worden. Bekijk nogmaals de instellingen van de kernel en bevestig dat het juiste apparaat is gekozen. Veel voorkomende problemen staan beschreven in . Als het goed is werkt de geluidskaart nu. Als de cd-rom of DVD-ROM drive juist is aangesloten op de geluidskaart, dan kan er een CD in de drive gestoken worden en kan deze met &man.cdcontrol.1; afgespeeld worden: &prompt.user; cdcontrol -f /dev/acd0 play 1 Applicaties als audio/workman kunnen een vriendelijker interface bieden. Wellicht is het handig om een applicatie als audio/mpg123 te installeren om naar MP3 audiobestanden te luisteren. Een snelle manier om de kaart te testen is het als volgt sturen van data naar /dev/dsp: &prompt.user; cat filename > /dev/dsp filename kan ieder bestand zijn. Deze commandoregel hoort wat ruis tot gevolg te hebben, waardoor wordt bevestigd dat de geluidskaart echt werkt. &os; 4.X gebruikers moeten de geluidskaart apparaatnodes maken voordat hij gebruikt kan worden. Als de kaart voorkomt in de berichtbuffer als pcm0, dan dient het volgende als root uitgevoerd te worden: &prompt.root; cd /dev &prompt.root; sh MAKEDEV snd0 Als de kaart herkend is als pcm1, kunnen dezelfde stappen als hierboven gevolgd worden, waarbij snd0 wordt vervangen door snd1. MAKEDEV maakt een groep apparaatnodes aan die gebruikt worden voor de applicaties die met geluid te maken hebben. Niveau's voor de geluidskaartmixer kunnen aangepast worden met het commando &man.mixer.8;. Er staan meer details in &man.mixer.8;. Bekende problemen apparaatnodes I/O poort IRQ DSP Fout Oplossing unsupported subdevice XX Eén of meer van de apparaatnodes zijn niet correct gemaakt. De bovenstaande stappen dienen opnieuw uitgevoerd te worden. sb_dspwr(XX) timed out De I/O poort is niet correct ingesteld. bad irq XX Het IRQ is niet correct ingesteld. Zorg dat het ingestelde IRQ en het IRQ voor het geluid hetzelfde zijn. xxx: gus pcm not attached, out of memory Er is niet genoeg geheugen beschikbaar om het apparaat te gebruiken. xxx: can't open /dev/dsp! Controleer fstat | grep dsp of een ander programma het apparaat geopend heeft. Bekende probleemgevallen zijn esound en KDE's geluidsondersteuning. Munish Chopra Geschreven door Meerdere geluidsbronnen gebruiken Het is vaak wenselijk om meerdere geluidsbronnen tegelijkertijd af te kunnen spelen, zoals wanneer esound of artsd het delen van een geluidsapparaat met een andere applicatie niet ondersteunen. Met &os; kan dit met Virtuele Geluidskanalen, die ingesteld kunnen worden met de &man.sysctl.8; faciliteit. Met virtuele kanalen kunnen de afspeelkanalen van een geluidskaart gemultiplext worden door het geluid in de kernel te mixen. Het aantal virtuele kanalen kan met twee sysctl knoppen als root als volgt ingesteld worden: &prompt.root; sysctl hw.snd.pcm0.vchans=4 &prompt.root; sysctl hw.snd.maxautovchans=4 In het bovenstaande voorbeeld worden vier virtuele kanelen gealloceerd, wat in het dagelijks gebruik voldoende is. In hw.snd.pcm0.vchans staat het aantal vitruele kanalen dat pcm0 heeft en is instelbaar als een apparaat is aangesloten. In hw.snd.maxautovchans staat het aantal virtuele kanalen dat aan een nieuw audio-apparaat wordt gegeven als het wordt aangesloten met &man.kldload.8;. Omdat de module pcm onafhankelijk van de hardware stuurprogramma's geladen kan worden, kan in hw.snd.maxautovchans opgeslagen worden hoeveel virtuele kanalen apparaten die later worden aangesloten krijgen. Het aantal virtuele kanalen voor een apparaat kan niet gewijzigd worden als het in gebruik is. Sluit eerst alle programma's die het apparaat gebruiken, zoals muziekspelers of geluidsdaemons. Als er geen gebruik wordt gemaakt van &man.devfs.5;, dan moeten applicaties wijzen naar /dev/dsp0.x, waar x tussen 0 en 3 ligt als hw.snd.pcm.0.vchans is ingesteld op 4, zoals in het bovenstaande voorbeeld. Op een systeem waar &man.devfs.5; wordt gebruikt, wordt het voorgaande voor een gebruiker automatisch transparant gealloceerd. Josef El-Rayes Geschreven door Standaardwaarden voor mixerkanalen instellen + + Dit wordt alleen ondersteund op &os; 5.3-RELEASE en + later. + + De standaard waarden voor de mixerkanelen zijn ingesteld in de broncode van het stuurprogramma &man.pcm.4;. Er zijn vele applicaties en daemons waarmee waarden voor de mixer ingesteld en onthouden kunnen worden en iedere keer bij het starten weer kunnen worden ingesteld. Maar dit is geen nette oplossing, omdat het netter is de standaardwaarden in te stellen op het niveau van het stuurprogramma. Die kunnen ingesteld worden door de gewenste waarden in te stellen in /boot/device.hints. Bijvoorbeeld: hint.pcm.0.vol="100" Met de bovenstaande instelling wordt het volume van een kanaal standaard op 100 ingesteld bij het laden van de module &man.pcm.4;. - - - Dit wordt alleen ondersteund in &os; 5.3-RELEASE en - later. - Chern Lee Geschreven door MP3 audio Met MP3 (MPEG Layer 3 Audio) kan geluid bijna in CD-kwaliteit weergegeven worden en dus is er een goede reden om dit vooral niet na te laten op een &os; werkstation. MP3 spelers Verreweg de meest populaire X11 MP3 speler is XMMS (X Multimedia Systeem). In XMMS kunnen Winamp skins gebruikt worden, omdat de GUI vrijwel gelijk is aan die van Nullsoft's Winamp. XMMS heeft ook een eigen plug-in ondersteuning. XMMS kan geïnstalleerd worden via de multimedia/xmms port of package. De interface van XMMS is intuïtief met een playlist, grafische equalizer en meer. Gebruikers die bekend zijn met Winamp vinden XMMS vast eenvoudig te gebruiken. De port audio/mpg123 is een alternatieve MP3 speler die gebruik maakt van de commandoregel. mpg123 werkt door het geluidsapparaat en het MP3 bestand aan te geven op de commandoregel, zoals hieronder wordt aangegeven: &prompt.root; mpg123 -a /dev/dsp1.0 Foobar-GreatestHits.mp3 High Performance MPEG 1.0/2.0/2.5 Audio Player for Layer 1, 2 and 3. Version 0.59r (1999/Jun/15). Written and copyrights by Michael Hipp. Uses code from various people. See 'README' for more! THIS SOFTWARE COMES WITH ABSOLUTELY NO WARRANTY! USE AT YOUR OWN RISK! Playing MPEG stream from Foobar-GreatestHits.mp3 ... MPEG 1.0 layer III, 128 kbit/s, 44100 Hz joint-stereo /dev/dsp1.0 dient gewijzigd te worden in het dsp apparaat van het systeem waarop de MP3 afgespeeld moet worden. CD audio tracks rippen Voordat een CD of een CD track naar MP3 ge-encodeerd kan worden moet de audiodata naar de harde schijf geript worden. Dit gaat door de ruwe CDDA (CD Digital Audio) data naar WAV-bestanden de kopiëren. Het hulpprogramma cdda2wav, dat onderdeel is van de suite sysutils/cdrtools, kan gebruikt worden om audio-informatie en de daarbij behorende informatie van CD's te rippen. Als de audio CD in de drive zit, kan het volgende commando als root uitgevoerd worden om een hele CD naar individuele (per track) WAV-bestanden te rippen: &prompt.root; cdda2wav -D 0,1,0 -B cdda2wav ondersteunt ATAPI (IDE) cd-rom drives. Om van een IDE drive te rippen, dient de apparaatnaam aangegeven te worden in plaats van de SCSI eenheidsnummers. Om bijvoorbeeld track 7 van een IDE drive te rippen: &prompt.root; cdda2wav -D /dev/acd0a -t 7 De optie geeft het SCSI apparaat 0,1,0 aan, dat overeenkomt met de uitvoer van cdrecord -scanbus. Om individuele tracks te rippen kan gebruik gemaakt worden van de optie : &prompt.root; cdda2wav -D 0,1,0 -t 7 In het bovenstaande voorbeeld wordt track 7 van de audio CD geript. Om een reeks tracks te rippen, bijvoorbeeld van 1 tot 7, kan een reeks opgegeven worden: &prompt.root; cdda2wav -D 0,1,0 -t 1+7 Ook het hulpprogramma &man.dd.1; kan gebruikt worden om audio tracks van ATAPI drives af te halen. Deze mogelijkheid wordt beschreven in . MP3's encoderen Tegenwoodig is de MP3 encoder lame. Lame staat in audio/lame in de portsstructuur. Met de geripte WAV-bestanden converteert het volgende commando audio01.wav naar audio01.mp3: &prompt.root; lame -h -b 192 \ --tt "Foo Titel" \ --ta "FooBar Artiest" \ --tl "FooBar Album" \ --ty "2005" \ --tc "Geript en encoded door Foo" \ --tg "Genre" \ audio01.wav audio01.mp3 192 kbits lijkt de standaard bitrate voor MP3 te zijn. Het is ook mogelijk 128 of 160 of andere bitrates te gebruiken. Hoe hoger de bitrate, hoe meer schijfruimte de uiteindelijke MP3-bestanden gebruiken, maar ook de kwaliteit wordt dan hoger. Met de optie wordt de modus hogere kwaliteit, maar iets langzamer ingeschakeld. Met de opties vanaf worden de ID3 tags ingegeven, die meestal informatie over een nummer bevatten en onderdeel uitmaken van het MP3-bestand. In de hulppagina voor lame staan nog meer opties die gebruikt kunnen worden bij het encoderen beschreven. MP3's decoderen Om een CD te kunnen branden van MP3's, moeten ze omgezet worden naar een niet gecomprimeerd WAV-formaat. Zowel XMMS als mpg123 ondersteunen de uitvoer van MP3 naar een niet gecomprimeerd bestandsformaat. Naar schijf schrijven met XMMS: Start XMMS; Klik rechts op het venster om het XMMS menu te zien; Selecteer Preference onder Options; Wijzig de Output Plugin naar Disk Writer Plugin; Klik Configure; Voer een map in (of kies browse) waar de ongecomprimeerde bestanden heengeschreven moeten worden; Laad de MP3-bestanden zoals gewoonlijk in XMMS, met het volume op 100% en de EQ instellingen uitgeschakeld; Klik Play. XMMS lijkt nu de MP3 af te spelen, maar er is geen muziek te horen. Nu wordt feitelijk de MP3 afgespeeld naar een bestand; Zorg ervoor dat de standaard Output Plugin wordt teruggezet naar hoe de instellingen waren om weer naar MP3's te kunnen luisteren. Schrijven naar stdout vanuit mpg123: Voer mpg123 -s audio01.mp3 > audio01.pcm uit. XMMS schijft een bestand in het WAV-formaat, terwijl mpg123 de MP3 converteert naar ruwe PCM audio data. Beide formaten kunnen gebruikt worden met cdrecord om audio CD's te maken. Met &man.burncd.8; moeten ruwe PCM-bestanden gebruikt worden. Als er WAV-bestanden worden gebruikt, is er een tik-geluid te horen bij het begin van iedere track. Dit is het geluid van de kop van ieder WAV-bestand. Met het hulpprogramma SoX kan de kop van WAV-bestanden verwijderd worden. Dit programma kan geïnstalleerd worden met de port of package audio/sox &prompt.user; sox -t wav -r 44100 -s -w -c 2 track.wav track.raw In staat meer informatie over het gebruiken van een CD-brander in &os;. Ross Lippert Geschreven door Video afspelen Video afspelen is een relatief nieuwe en zich snel ontwikkelende richting voor applicaties. In tegenstelling tot voor audio werkt alles hier niet zo soepel. Voor er wordt begonnen is het van belang te weten welk model videokaart zich in een systeem bevindt en welke chip die gebruikt. Hoewel &xorg; en &xfree86; vele videokaarten ondersteunen, zijn er veel minder geschikt om goed video mee af te spelen. Er kan een lijst met ondersteunde extensies getoond worden voor X server met de gebruikte videokaart door het commando &man.xdpyinfo.1; uit te voeren terwijl X11 draait. Het is verstandig een kort MPEG-bestand beschikbaar te hebben dat gebruikt kan worden als testbestand voor het evalueren van de spelers en hun opties. Omdat sommige DVD-spelers standaard zoeken naar DVD media in /dev/dvd of deze apparaatnaam standaard in de broncode hebben staan, is het wellicht verstandig om een symbolische link te maken naar de juist apparaten: &prompt.root; ln -sf /dev/acd0c /dev/dvd &prompt.root; ln -sf /dev/racd0c /dev/rdvd In &os; 5.X, dat &man.devfs.5; gebruikt, worden net iets andere links aangeraden: &prompt.root; ln -sf /dev/acd0 /dev/dvd &prompt.root; ln -sf /dev/acd0 /dev/rdvd Vanwege de werking van &man.devfs.5;, blijven handmatig aangemaakte links niet bestaan als een systeem wordt herstart. Om automatisch symbolische links aan te laten maken als een systeem start, kunnen de volgende regels toegevoegd worden aan /etc/devfs.conf: link acd0 dvd link acd0 rdvd Daarnaast zijn voor het decoderen van DVD, waarvoor bijzondere DVD-ROM functies aangeroepen worden, schrijfrechten op de DVD-apparaten nodig. kernelopties CPU_ENABLE_SSE kernelopties USER_LDT Een aantal van de hier besproken ports hebben specifieke kernelopties nodig om correct gebouwd te worden. Voeg de onderstaande instelling toe aan het bestand met kernelinstellingen, bouw en installeer daarna de kernel en herstart het systeem: option CPU_ENABLE_SSE In &os; 4.X dient option USER_LDT toegevoegd te worden aan het bestand met kernelinstellingen. In &os; 5.X en later bestaat deze optie niet. Om de gedeeld geheugen interface van X11 te verbeteren, wordt aangeraden dat een aantal variablelen van &man.sysctl.8; worden verhoogd: kern.ipc.shmmax=67108864 kern.ipc.shmall=32768 Videomogelijkheden vaststellen XVideo SDL DGA Er zijn een aantal methoden om video weer te geven onder X11. Welke echt werkt, is voornamelijk afhankelijk van de gebruikte hardware. Iedere hieronder beschreven methode geeft andere resultaten op andere hardware. De laatste tijd krijgt het renderen van video in X11 veel aandacht en bij iedere versie van &xorg; of &xfree86; kan er een aanzienlijke verbetering zijn. Een lijst van veel gebruikte video-interfaces: X11: normale X11 uitvoer met gebruikmaking van gedeeld geheugen; XVideo: een uitbreiding op de X11 interface die video in een door X11 getekend object ondersteunt; SDL: de Simple Directmedia Layer; DGA: de Direct Graphics Access; SVGAlib: low level console grafische laag. XVideo &xorg; en &xfree86; 4.X kennen een uitbreiding XVideo, ook bekend als Xvideo, Xv of xv, waarmee video direct weergegeven kan worden in getekende objecten door een speciale versneller. Deze uitbreiding geeft een goede afspeelkwaliteit, zelfs op machines met mindere specificaties. Of de uitbreiding actief is, kan gecontroleerd worden met het commando xvinfo: &prompt.user; xvinfo XVideo wordt ondersteund als de uitvoer er ongeveer als volgt uitziet: X-Video Extension version 2.2 screen #0 Adaptor #0: "Savage Streams Engine" number of ports: 1 port base: 43 operations supported: PutImage supported visuals: depth 16, visualID 0x22 depth 16, visualID 0x23 number of attributes: 5 "XV_COLORKEY" (range 0 to 16777215) client settable attribute client gettable attribute (current value is 2110) "XV_BRIGHTNESS" (range -128 to 127) client settable attribute client gettable attribute (current value is 0) "XV_CONTRAST" (range 0 to 255) client settable attribute client gettable attribute (current value is 128) "XV_SATURATION" (range 0 to 255) client settable attribute client gettable attribute (current value is 128) "XV_HUE" (range -180 to 180) client settable attribute client gettable attribute (current value is 0) maximum XvImage size: 1024 x 1024 Number of image formats: 7 id: 0x32595559 (YUY2) guid: 59555932-0000-0010-8000-00aa00389b71 bits per pixel: 16 number of planes: 1 type: YUV (packed) id: 0x32315659 (YV12) guid: 59563132-0000-0010-8000-00aa00389b71 bits per pixel: 12 number of planes: 3 type: YUV (planar) id: 0x30323449 (I420) guid: 49343230-0000-0010-8000-00aa00389b71 bits per pixel: 12 number of planes: 3 type: YUV (planar) id: 0x36315652 (RV16) guid: 52563135-0000-0000-0000-000000000000 bits per pixel: 16 number of planes: 1 type: RGB (packed) depth: 0 red, green, blue masks: 0x1f, 0x3e0, 0x7c00 id: 0x35315652 (RV15) guid: 52563136-0000-0000-0000-000000000000 bits per pixel: 16 number of planes: 1 type: RGB (packed) depth: 0 red, green, blue masks: 0x1f, 0x7e0, 0xf800 id: 0x31313259 (Y211) guid: 59323131-0000-0010-8000-00aa00389b71 bits per pixel: 6 number of planes: 3 type: YUV (packed) id: 0x0 guid: 00000000-0000-0000-0000-000000000000 bits per pixel: 0 number of planes: 0 type: RGB (packed) depth: 1 red, green, blue masks: 0x0, 0x0, 0x0 Sommige van de weergegeven formaten (YUV2, YUV12, enzovoort) zijn niet in iedere implementaties van XVideo beschikbaar en hun afwezigheid kan sommige spelers hinderen. Als het resultaat er als hieronder uitziet, is er geen ondersteuning voor XVideo aanwezig op de videokaart in een systeem: X-Video Extension version 2.2 screen #0 no adaptors present Als XVideo voor een kaart niet wordt ondersteund, dan betekent dat alleen dat het lastiger wordt om op een beeldscherm aan de vereisten voor het renderen van video te voldoen. Afhankelijk van de videokaart en de processor kan het toch nog mogelijk zijn om acceptabele prestaties neer te zetten. In staan verwijzingen naar leesvoer over mogelijkheden voor het verbeteren van prestaties. Eenvoudige Directmedia Laag De Eenvoudige Directmedia Laag (Simple Directmedia Layer), SDL, was bedoeld als een porting-laag tussen µsoft.windows;, BeOS en &unix;, waardoor cross-platform toepassingen konden worden ontwikkeld die efficiënt gebruik maken van geluid en beelden. De SDL laag biedt een abstractie op laag niveau naar de hardware die soms efficiënter kan zijn dan de X11 interface. De SDL staat in devel/sdl12. Directe Grafische Toegang Directe Grafische Toegang (Direct Graphics Access) is een X11 uitbreiding die een programma in staat stelt voorbij te gaan aan de X server en de framebuffer direct kan wijzigen. Omdat hij afhankelijk is van geheugenmapping op een laag niveau om dit delen uit te voeren, moeten programma's die er gebruik van maken als root draaien. De DGA uitbreiding kan getest en gebenchmarkt worden met &man.dga.1;. Als dga draait, verandert het de kleuren op een scherm als er een toets wordt ingedrukt. Om te stoppen kan de toets q gebruikt worden. Ports en packages met video videopoorten videopackages In dit onderdeel wordt de software die vanuit de &os; Portscollectie beschikbaar is voor het afspelen van video beschreven. Het afspelen van video is een tak van softwareontwikkeling die erg in beweging is en de mogelijkheden van de verschillende applicaties verschillen zeer waarschijnlijk van wat hier is beschreven. Als eerste is het belangrijk om te weten dat veel applicaties die met video te maken hebben en op &os; draaien ontwikkeld zijn als &linux; applicaties. Veel van die applicaties zijn op het moment van schrijven van beta-kwaliteit. Problemen die te verwachten zijn bij het gebruik van de beschreven videopakketten op &os; zijn: Een applicatie kan geen bestanden afspelen die zijn gemaakt met een andere applicatie; Een applicatie kan geen bestanden afspelen die met de applicatie zelf zijn gemaakt; Dezelfde applicatie, op twee verschillende machines gebouwd, speelt hetzelfde bestand op twee machines anders af; Een ogenschijlijk triviale filter, zoals het herschalen van beeldgrootte, kan resulteren in vreselijk vervelende artefacten door fouten in de routine voor het herschalen; Een applicatie dumpt zijn core regelmatig; Documentatie wordt niet geïnstalleerd bij de port en staat op het web of in de map work van de port. Veel van deze applicaties kunnen ook Linux-ismes vertonen. Zo kunnen er bijvoorbeeld problemen ontstaan door de wijze waarop standaard bibliotheken zijn geïmplementeerd in de &linux; distributies of een aantal van de mogelijkheden van de &linux;-kernel, waarvan door de makers van de applicatie wordt aangenomen dat ze aanwezig zijn. Dit soort problemen zijn niet altijd zichtbaar en er wordt ook omheen gewerkt door de beheerders van ports, wat tot de volgende mogelijke problemen kan leiden: Het gebruik van /proc/cpuinfo om processorkarakteristieken uit te lezen; Het verkeerd gebruiken van threads, waardoor een programma hangt als het klaar is, in plaats van dat het echt eindigt; Software die nog niet in de &os; Portscollectie zit en vaak gebruikt wordt samen met een applicatie die daar wel onderdeel van uitmaakt. Tot nu toe is gebleken dat de ontwikkelaars van applicaties wel coöperatief waren met de beheerders van ports om zo het aantal work-arounds dat nodig was voor het porten tot een minimum te beperken. MPlayer MPlayer is een zich snel ontwikkelende videospeler. De doelen van het MPlayer-team zijn snelheid en flexibiliteit onder &linux; en andere Unices. Het project is gestart toen de oprichter van het team genoeg had van de slechte afspeelprestaties van de destijds beschikbare spelers. Er zijn mensen die zeggen dat het grafische ontwerp is opgeofferd voor het stroomlijnen van het ontwerp, maar het blijkt dat, als een gebruiker gewend is aan de commandoregelopties en de toetsencommando's, de applicatie erg goed werkt. MPlayer bouwen MPlayer maken MPlayer staat in multimedia/mplayer. MPlayer voert een aantal hardwarecontroles uit tijdens het bouwen, wat resulteert in een binair bestand dat niet van het ene naar het andere systeem verplaatst kan worden. Daarom is het van belang dat het uit de ports wordt gebouwd en niet als binair package wordt geïnstalleerd. Daarnaast staan er ook nog opties die vanaf de make commandoregel meegegeven kunnen worden beschreven in de Makefile en aan het begin van de build: &prompt.root; cd /usr/ports/multimedia/mplayer &prompt.root; make N - O - T - E Take a careful look into the Makefile in order to learn how to tune mplayer towards you personal preferences! For example, make WITH_GTK1 builds MPlayer with GTK1-GUI support. If you want to use the GUI, you can either install /usr/ports/multimedia/mplayer-skins or download official skin collections from http://www.mplayerhq.hu/homepage/dload.html De standaard portopties zijn voor de meeste gebruikers voldoende. Maar als bijvoorbeeld de XviD codec nodig is, dan moet de optie WITH_XVID op de commandoregel meegegeven worden. Het standaard DVD-apparaat kan ook gedefinieerd worden met de optie WITH_DVD_DEVICE, waarbij standaard /dev/acd0 wordt gebruikt. Op het moment van schrijven wordt de MPlayer port gebouwd met de HTML documentatie en twee uitvoerbare bestanden, mplayer en mencoder, wat een hulpmiddel is voor het opnieuw encoderen van video. De HTML documentatie voor MPlayer is erg informatief. Als de lezer vindt dat er informatie over videohardware en interfaces in dit hoofdstuk mist, dan is de documentatie van MPlayer een zeer grondige aanvulling. Het is de moeite waard de tijd te nemen om de documentatie van MPlayer te lezen, als meer informatie over de ondersteuning van video in &unix; welkom is. MPlayer gebruiken MPlayer gebruiken Iedere gebruiker van MPlayer dient een submap .mplayer in zijn thuismap te hebben. Die kan als volgt gemaakt worden: &prompt.user; cd /usr/ports/multimedia/mplayer &prompt.user; make install-user De commando-opties voor mplayer staan in de hulppagina. Nog meer details staan in de HTML documentatie. In dit onderdeel worden slechts een aantal gebruiksmogelijkheden beschreven. Om een bestand als testfile.avi af te spelen met een van de beschikbare video-interfaces, kan de optie gebruikt worden: &prompt.user; mplayer -vo xv testfile.avi &prompt.user; mplayer -vo sdl testfile.avi &prompt.user; mplayer -vo x11 testfile.avi &prompt.root; mplayer -vo dga testfile.avi &prompt.root; mplayer -vo 'sdl:dga' testfile.avi Het is de moeite waard alle bovenstaande opties uit te proberen omdat hun relatieve prestatie afhangt van vele factoren die aanzienlijk verschillen tussen hardware. Om een DVD af te spelen dient testfile.avi vervangen te worden door waar N het titelnummer is dat afgespeeld moeten worden en APPARAAT de apparaatnode is voor de DVD-ROM. Om bijvoorbeeld titel 3 van /dev/dvd af te spelen: &prompt.root; mplayer -vo xv dvd://3 -dvd-device /dev/dvd Het standaard DVD-apparaat kan ingesteld worden bij het bouwen van de MPlayer port met de optie WITH_DVD_DEVICE. Standaard is dit apparaat /dev/acd0. Meer details staan in de Makefile van de port. Om te stoppen, pauzeren, verder te spoelen, enzovoort, kunnen de toetsendefinities gebruikt worden, die in te zien zijn door mplayer -h uit te voeren of de hulppagina te lezen. Overige belangrijke opties voor het afspelen zijn: , waarmee het volledige scherm wordt gebruikt, en , die prestatieverhogend werkt. Om ervoor te zorgen dat de commandoregels niet te lang worden, kan het bestand .mplayer/config met voorkeursinstellingen gemaakt worden: vo=xv fs=yes zoom=yes Tenslotte kan mplayer gebruikt worden om een DVD naar een bestand van het type .vob te rippen. Om de tweede titel van een DVD de dumpen kan het volgende commando gebruikt worden: &prompt.root; mplayer -dumpstream -dumpfile out.vob dvd://2 -dvd-device /dev/dvd Het uitvoerbestand out.vob, is van het type MPEG en kan bewerkt worden met andere in dit onderdeel besproken programma's. <command>mencoder</command> mencoder Voordat mencoder wordt gebruikt, is het verstandig de opties uit de HTML-documentatie te bekijken. Er is een hulppagina, maar die is niet echt bruikbaar zonder de HTML-documentatie. Er zijn ontelbare mogelijkheden om de kwaliteit te verhogen, de bitrate te verlagen en formaten te wijzigen en een aantal van die truuks maken het verschil tussen goede en slechte prestaties. Hieronder staan een aantal voorbeelden beschreven. Eenvoudigweg kopiëren: &prompt.user; mencoder input.avi -oac copy -ovc copy -o output.avi Verkeerde combinaties van commandoregelopties kunnen resulteren in uitvoerbestanden die zelfs niet af te spelen zijn door mplayer. Daarom wordt aangeraden om het bij de optie in mplayer te houden als het alleen maar nodig is een bestand te rippen. Om input.avi te converteren naar de MPEG4-codec met MPEG3-audio encoding (audio/lame is verplicht): &prompt.user; mencoder input.avi -oac mp3lame -lameopts br=192 \ -ovc lavc -lavcopts vcodec=mpeg4:vhq -o output.avi Hiermee wordt uitvoer gemaakt die af te spelen is met mplayer en xine. input.avi kan worden vervangen door en als root gedraaid worden om een DVD titel direct te hercoderen. Omdat het waarschijnlijk is dat de eerste experimenten niet direct tevredenstellend zijn, wordt aangeraden een titel eerst naar een bestand te dumpen en dat als werkbestand te gebruiken. <application>xine</application> videospeler De xine videospeler is een project met een brede scope, dat niet alleen tracht een allesomvattende video-oplossing te bieden, maar ook probeert een herbruikbare basisbibliotheek en een modulair uitvoerbaar bestand te maken dat uitgebreid kan worden met plug-ins. Het kan als package en port geïnstalleerd worden uit multimedia/xine. De xine speler heeft nog wat ruwe randjes, maar is zeker goed van start gegaan. In de praktijk heeft xine een snelle CPU met een snelle videokaart of ondersteuning voor de XVideo extensie nodig. De GUI is bruikbaar, maar wat onhandig. Op het moment van schrijven wordt er geen invoermodule bij xine geleverd waarmee CSS gecodeerde DVD's afgespeeld kunnen worden. Er zijn er die door andere partijen zijn gebouwd die dat type modules wel hebben, maar die zijn niet beschikbaar in de &os; Portscollectie. Vergeleken met MPlayer, doet xine meer voor de gebruiker, maar tegelijkertijd neemt het wat van de fijnafstellingsmogelijkheden weg. De xine videospeler werkt het beste op XVideo interfaces. Standaard start de xine speler op in een grafische gebruikersinterface. Via het menu kan een specifiek bestand geopend worden: &prompt.user; xine Het is ook mogelijk om zonder de GUI direct een bestand af te laten spelen: &prompt.user; xine -g -p mymovie.avi <application>transcode</application> hulpprogramma's De software transcode is geen speler, maar een verzameling hulpprogramma's voor het hercoderen van video- en audiobestanden. Met transcode wordt het mogelijk om videobestanden samen te voegen, kapotte bestanden te repareren en commandoregelprogramma's te gebruiken met stdin/stdout stream interfaces. Tijdens het bouwen van de port multimedia/transcode kan een groot aantal opties opgegeven worden en de volgende commandoregel wordt geadviseerd om transcode te bouwen: &prompt.root; make WITH_OPTIMIZED_CFLAGS=yes WITH_LIBA52=yes WITH_LAME=yes WITH_OGG=yes \ WITH_MJPEG=yes -DWITH_XVID=yes De geadviseerde instellingen zijn toereikend voor de meeste gebruikers. Om de mogelijkheden van transcode te illustreren volgt nu een voorbeeld van hoe een DivX-bestand om te zetten in een PAL MPEG-1-bestand (PAL VCD): &prompt.user; transcode -i input.avi -V --export_prof vcd-pal -o output_vcd &prompt.user; mplex -f 1 -o output_vcd.mpg output_vcd.m1v output_vcd.mpa Het resulterende MPEG-bestand, output_vcd.mpg, is klaar om afgespeeld te worden met MPlayer. Het kan ook op een CD-R gebrand worden om er een Video CD mee te maken. In dat geval is het nodig om de programma's multimedia/vcdimager en sysutils/cdrdao te installeren. Er is een hulppagina voor transcode, maar kijk ook op transcode wiki voor meer informatie en voorbeelden. Als de twee vergeleken worden, draait transcode aanzienlijk langzamer dan mencoder, maar is de kans wel groter dat er een bestand uit komt dat op de meeste spelers afgespeeld kan worden. MPEG-bestanden die met transcode zijn gemaakt, zijn bijvoorbeeld al afgespeeld op &windows.media; Player en Apple's &quicktime;. Verder lezen De beschikbare videosoftware pakketten voor &os; zijn fors in ontwikkeling. Het is goed mogelijk dat in de nabije toekomst de meeste problemen die hier aan de kaak zijn gesteld, zijn opgelost. Intussen kunnen zij die het hoogst haalbare uit de A/V mogelijkheden voor &os; willen halen, dat het beste doen door wat beschikbaar is bij elkaar te scharrelen uit de beschikbare FAQ's and tutorials en meerdere programma's gebruiken. Het doel van deze paragraaf is de lezer wat richting te geven op dat vlak. De MPlayer documentatie is technisch erg informatief. Deze documenten kunnen het beste bekeken worden door iemand die veel kennis wil opdoen over video in &unix;. Op de MPlayer mailinglijst wordt het niet op prijsgesteld als iemand de documentatie niet heeft gelezen, dus het is verstandig RTFM in gedachten te houden alvorens bug reports naar ze te mailen. De xine HOWTO bevat een hoofdstuk over het verbeteren van prestaties, dat op alle spelers van toepassing is. Tenslotte zijn er nog een aantal veelbelovende applicaties die het proberen waard zijn: Avifile bestaat ook als port: multimedia/avifile; Ogle is er ook als port: multimedia/ogle; Xtheater; multimedia/dvdauthor, een open source pakket voor authoring van DVD content. Josef El-Rayes Oorspronkelijk geschreven door Marc Fonvieille Verbeterd en aangepast door TV-kaarten installeren TV-kaarten Inleiding Met TV-kaarten is het mogelijk om naar (kabel)uitzendingen te kijken op een computer. Op de meeste kaarten kan composiet video aangeleverd worden via een RCA of S-video input en sommige kaarten hebben ook een FM tuner. &os; biedt ondersteuning voor PCI-gebaseerde TV-kaarten met een Brooktree Bt848/849/878/879 of een Conexant CN-878/Fusion 878a Video Capture Chip met het stuurprogramma &man.bktr.4;. Het is van belang dat er op de kaart ook een ondersteunde tuner zit. Hiervoor kan &man.bktr.4; geraadpleegd worden, waarin een lijst met ondersteunde tuners staat. Stuurprogramma toevoegen Voordat de kaart gebruikt kan worden, dient het stuurprogramma &man.bktr.4; geladen te worden. Dit kan door de volgende regel aan /boot/loader.conf toe te voegen: bktr_load="YES" Daarnaast is het ook mogelijk om statisch ondersteuning voor de TV-kaart in de kernel te compileren. Dan dient de volgende regel toegevoegd te worden aan de kernelinstellingen: device bktr device iicbus device iicbb device smbus De extra stuurprogramma's zijn nodig omdat de kaartcomponenten verbonden zijn via een I2C bus. Met deze instellingen kan een nieuwe kernel gebouwd en geïnstalleerd worden. Als een systeem eenmaal ondersteuning biedt, hoort de TV-kaart ongeveer als volgt bij een herstart getoond te worden: bktr0: <BrookTree 848A> mem 0xd7000000-0xd7000fff irq 10 at device 10.0 on pci0 iicbb0: <I2C bit-banging driver> on bti2c0 iicbus0: <Philips I2C bus> on iicbb0 master-only iicbus1: <Philips I2C bus> on iicbb0 master-only smbus0: <System Management Bus> on bti2c0 bktr0: Pinnacle/Miro TV, Philips SECAM tuner. Deze berichten kunnen afwijken, afhankelijk van de gebruikte hardware. Het is van belang te controleren of de tuner juist herkend wordt; er kunnen nog een aantal instellingen gemaakt worden voor parameters met &man.sysctl.8; MIB's en in het kernelinstellingenbestand. Om bijvoorbeeld het gebruik van een Philips SECAM tuner te forceren, kan de volgende regel aan het bestand met kernelinstellingen worden toegevoegd: options OVERRIDE_TUNER=6 Dit kan ook via een instelling van &man.sysctl.8;: &prompt.root; sysctl hw.bt848.tuner=6 In &man.bktr.4; en /usr/src/sys/conf/NOTES staan meer details over de beschikbare opties (onder &os; 4.X dient voor /usr/src/sys/conf/NOTES het bestand /usr/src/sys/i386/conf/LINT gelezen te worden). Handige programma's Om een TV-kaart te gebruiken, dient een van de volgende applicaties geïnstalleerd te worden: multimedia/fxtv biedt TV-in-een-window en beeld/audio/videocapture mogelijkheden; multimedia/xawtv is ook een TV applicatie met dezelfde mogelijkheden als fxtv; misc/alevt decodeert Videotext/Teletext en kan deze weergeven; audio/xmradio, een applicatie om de FM tuner die bij sommige TV-kaarten zit te gebruiken; audio/wmtune, een handige bureaubladapplicatie voor radiotuners. Er zijn nog meer applicaties beschikbaar in de Portscollectie. Problemen oplossen Bij problemen met een TV-kaart dient eerst gecontroleerd te worden of de videocapture chip en de tuner echt ondersteund worden door het stuurprogramma &man.bktr.4; en of de juiste instellingen worden gebruikt. Voor meer ondersteuning en vragen over een specifieke TV-kaart is het aan te raden de archieven van de &a.multimedia.name; mailinglijst te raadplegen of er contact mee op te nemen. Marc Fonvieille Geschreven door Scanners scanners Inleiding In &os; is het, net als in andere moderne besturingssystemen, mogelijk om scanners te gebruiken. Gestandaardiseerde toegang tot scanners is mogelijk met de SANE (Scanner Access Now Easy) API uit de &os; Portscollectie. SANE gebruikt ook een aantal &os; apparaatstuurprogramma's om toegang te krijgen tot de hardware van de scanner. &os; ondesteunt SCSI en USB scanners. Het is van belang te controleren of een scanner door SANE wordt ondersteund voordat er instellingen worden gemaakt. SANE heeft een lijst met ondersteunde apparaten waarin gekeken kan worden of een scanner wordt ondersteund en wat de status voor ondersteuning is. In &man.uscanner.4; staat een lijst met ondersteunde USB-scanners. Kernel instellen Zoals hierboven al is aangegeven, worden zowel SCSI als USB-scanners ondersteund. Afhankelijk van de gebruikte scannerinterface zijn verschillende apparaatstuurprogramma's nodig. USB interface In de GENERIC kernel zitten standaard de apparaatstuurprogramma's die nodig zijn voor ondersteuning van USB-scanners. In het geval wordt besloten tot het maken van een aangepaste kernel, dan dienen de volgende regels in het kernelinstellingenbestand te worden opgenomen: device usb device uhci device ohci device uscanner Afhankelijk van de USB-chipset op een moederbord, is alleen device uhci of device ohci nodig, maar het opnemen van beiden in het bestand met kernelinstellingen is niet schadelijk. Als het niet wenselijk is een nieuwe kernel te bouwen en er wordt geen GENERIC kernel gebruikt, dan kan de apparaatstuurprogrammamodule &man.uscanner.4; direct geladen worden met &man.kldload.8;: &prompt.root; kldload uscanner Om de module bij iedere systeemstart te laden kan de volgende regel aan /boot/loader.conf worden toegevoegd: uscanner_load="YES" Na een herstart met een juiste ingestelde kernel of na het laden van de benodigde module, kan de USB-scanner aangesloten worden. De scanner hoort ongeveer als volgt gemeld te worden in de systeemberichtbuffer (&man.dmesg.8;): uscanner0: EPSON EPSON Scanner, rev 1.10/3.02, addr 2 Het bovenstaande geeft aan dat de scanner de apparaatnode /dev/uscanner0 gebruikt. Om onder &os; 4.X bepaalde USB-apparaten te zien, moet daar de USB daemon (&man.usbd.8;) draaien. Om die in te schakelen, dient usbd_enable="YES" toegevoegd te worden aan /etc/rc.conf en dient een systeem herstart te worden. SCSI interface Als een scanner een SCSI interface heeft, is het belangrijk te weten welk SCSI controllerbord gebruikt gaat worden. Afhankelijk van de gebruikte SCSI chipset, dient het bestand met kernelinstellingen aangepast te worden. De GENERIC kernel ondersteunt de meest voorkomende SCSI controllers. In het bestand NOTES (LINT onder &os; 4.X) is de juiste instelling te vinden die toegevoegd moet worden aan het bestand met kernelinstellingen. Naast het toevoegen van het juiste SCSI-adapter stuurprogramma, dienen ook de volgende regels opgenomen te worden in het kernelinstellingenbestand: device scbus device pass Als de kernel juist gecompileerd is, horen de apparaten zichtbaar te zijn in de systeemberichtbuffer tijdens het opstarten: pass2 at aic0 bus 0 target 2 lun 0 pass2: <AGFA SNAPSCAN 600 1.10> Fixed Scanner SCSI-2 device pass2: 3.300MB/s transfers Als een scanner niet aan staat tijdens het opstarten, is het nog mogelijk handmatig detectie te forceren door de SCSI-bus te laten scannen met &man.camcontrol.8;: &prompt.root; camcontrol rescan all Re-scan of bus 0 was successful Re-scan of bus 1 was successful Re-scan of bus 2 was successful Re-scan of bus 3 was successful In het bovenstaande geval zal de scanner ongeveer als volgt verschijnen in de lijst met SCSI-apparaten: &prompt.root; camcontrol devlist <IBM DDRS-34560 S97B> at scbus0 target 5 lun 0 (pass0,da0) <IBM DDRS-34560 S97B> at scbus0 target 6 lun 0 (pass1,da1) <AGFA SNAPSCAN 600 1.10> at scbus1 target 2 lun 0 (pass3) <PHILIPS CDD3610 CD-R/RW 1.00> at scbus2 target 0 lun 0 (pass2,cd0) Meer details over SCSI-apparaten staan in &man.scsi.4; en &man.camcontrol.8;. SANE instellen Het SANE systeem is opgesplitst in twee delen: de backends (graphics/sane-backends) en de frontends (graphics/sane-frontends). Het deel met de backends zorgt voor de toegang tot de scanner zelf. In de lijst met door SANE ondersteunde apparaten staat welk backend welke scanner(s) ondersteunt. Het is echt nodig het juiste backend vast te stellen, omdat het anders bijzonder lastig wordt een scanner aan de praat te krijgen. Het deel met frontends levert een grafische scaninterface (xscanimage). Als eerste dient de port of het package graphics/sane-backends geïnstalleerd te worden. Daarna kan met het commando sane-find-scanner gecontroleerd worden welke scanner er door het SANE systeem is gedetecteerd: &prompt.root; sane-find-scanner -q found SCSI scanner "AGFA SNAPSCAN 600 1.10" at /dev/pass3 In de uitvoer is te lezen welk type interface en welke apparaatnode worden gebruikt om de scanner met een systeem te verbinden. Het merk en het model worden wellicht niet getoond, maar dat is ook niet echt van belang. Sommige USB-scanners verlangen dat er firmware wordt geladen. Dit wordt uitgelegd in de hulppagina van het backend. Het is ook van belang &man.sane-find-scanner.1; en &man.sane.7; te lezen. Hierna kan gecontroleerd worden of de scanner ook te zien is voor een scanner-frontend. Er zit bij de SANE backends een standaard hulpprogramma &man.scanimage.1;. Met dit commando kunnen de apparaten zichtbaar gemaakt worden en kan vanaf de commandoregel gescand worden. Met de optie kunnen de scannerapparaten getoond worden: &prompt.root; scanimage -L device `snapscan:/dev/pass3' is a AGFA SNAPSCAN 600 flatbed scanner De afwezigheid van uitvoer of een bericht dat aangeeft dat er geen scanners zijn aangetroffen, betekent dat &man.scanimage.1; niet in staat is een scanner te identificeren. Als dit gebeurt, dient het instellingenbestand voor het backend aangepast te worden en dient daar de juiste instelling gemaakt te worden. De map /usr/local/etc/sane.d/ bevat alle bestanden met instellingen voor de backends. Het is bekend dat dit identificatieprobleem optreedt bij bepaalde USB-scanners. De USB-scanner die in wordt gebruikt, toont bijvoorbeeld de volgende informatie met sane-find-scanner: &prompt.root; sane-find-scanner -q found USB scanner (UNKNOWN vendor and product) at device /dev/uscanner0 De bovenstaande uitvoer geeft aan dat de scanner juist is gedetecteerd, dat hij de USB interface gebruikt en is aangesloten op de apparaatnode /dev/uscanner0. Nu kan gecontroleerd worden of de scanner juist wordt geïdentificeerd: &prompt.root; scanimage -L No scanners were identified. If you were expecting something different, check that the scanner is plugged in, turned on and detected by the sane-find-scanner tool (if appropriate). Please read the documentation which came with this software (README, FAQ, manpages). Omdat in het bovenstaande voorbeeld de scanner niet wordt geïdentificeerd, dient het bestand /usr/local/etc/sane.d/epson.conf gewijzigd te worden. De gebruikte scanner is een &epson.perfection; 1650, dus in dit geval dient voor de scanner het backend epson gebruikt te worden. Het is van belang om het commentaar in de instellingenbestanden van de backends te lezen. Het aanpassen van regels is eenvoudig: plaats een commentaarkarakter voor alle regels voor andere interfaces dan die nodig zijn weg (in dit geval worden alle regels die beginnen met het woord scsi uitgeschakeld, omdat er een USB interface wordt gebruiken), en dan kan onderaan het bestand een regel met de gebruikte interface en apparaatnode geplaatst worden: usb /dev/uscanner0 Het is aan te raden de opmerkingen te lezen in het bestand met instellingen voor het backend en ook de hulppagina, omdat daarin meer details en de correcte syntaxis te vinden zijn. Nu kan gecontroleerd worden of de scanner wèl juist wordt geïdentificeerd: &prompt.root; scanimage -L device `epson:/dev/uscanner0' is a Epson GT-8200 flatbed scanner In het bovenstaande voorbeeld wordt duidelijk dat de USB-scanner is geïdentificeerd. Het is niet belangrijk dat het merk en model niet overeenkomen. Het belangrijkste is het veld `epson:/dev/uscanner0', dat de juiste benamingen voor het backend en de apparaatnode aangeeft. Als scanimage -L in staat is een scanner goed te zien, dan zijn de instellingen compleet. Er kan nu met het apparaat gescand worden. Hoewel &man.scanimage.1; in staat is om vanaf de commandoregel te scannen, is het aan te raden beelden te scannen vanuit de grafische gebruikersinterface. SANE heeft een eenvoudige, maar efficiënte grafische interface: xscanimage (graphics/sane-frontends). Xsane (graphics/xsane) is een ander populair grafisch scanfrontend, dat geavanceerde mogelijkheden biedt, zoals meerdere scanmodi (fotokopie, fax, enzovoort), kleurcorrectie, batchscannen, enzovoort. Beide applicaties zijn als plug-in voor GIMP te gebruiken. Scannergebruik voor andere gebruikers toestaan Alle voorgaande taken zijn uitgevoerd met root rechten, maar het is wellicht ook nodig dat andere gebruikers de scanner kunnen gebruiken. Dan heeft een gebruiker lees- en schrijfrechten nodig op de apparaatnode voor een scanner. Een USB-scanner gebruikt bijvoorbeeld apparaatnode /dev/uscanner0, waarvan de groep operator eigenaar is. Door gebruiker joe lid te maken van de groep operator, kan die gebruiker de scanner gebruiken: &prompt.root; pw groupmod operator -m joe In &man.pw.8; staan meer details. Op de apparaatnode /dev/uscanner0 moeten ook de juiste rechten staan. Standaard kan de groep operator alleen lezen op de apparaatnode. Dit is te wijzigen door de volgende regel aan /etc/devfs.rules toe te voegen: [system=5] add path uscanner0 mode 660 Daarna kan de volgende regel aan /etc/rc.conf toegevoegd worden en dient een machine herstart te worden: devfs_system_ruleset="system" Meer informatie over de bovenstaande instellingen staan in &man.devfs.8; manual page. Onder &os; 4.X heeft de groep operator standaard lees- en schrijfrechten op /dev/uscanner0. Natuurlijk dient ook beveiliging een factor te zijn in de afweging of een gebruiker lid gemaakt moet worden van een bepaalde groep, zeker als dat om de groep operator gaat. diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/ports/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/ports/chapter.sgml index afbfb96758..9809516ed9 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/ports/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/ports/chapter.sgml @@ -1,1493 +1,1499 @@ Rene Ketelaars Vertaald door Siebrand Mazeland Applicaties installeren: packages en ports Overzicht ports packages &os; bevat een grote collectie aan systeemgereedschappen als onderdeel van het basissysteem. De mogelijkheden reiken echter niet heel ver en daarom is er snel een applicatie van een andere partij nodig. &os; bevat twee complementaire technologieën om andere applicaties te installeren: de &os; Portscollectie (voor het installeren vanuit broncode) en packages (voor het installeren vanuit voorgecompileerde binaire bestanden). Beide systemen kunnen gebruikt worden om de nieuwste versies van een gewenste applicatie te installeren van lokale media of rechtstreeks van het netwerk. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Hoe binaire softwarepackages van derden te installeren; Hoe software van derden vanuit de Portscollectie vanuit broncode te installeren; Hoe eerder geïnstalleerde packages of ports te verwijderen; Hoe standaardwaardes die door de ports worden gebruikt te wijzigen; Hoe het juiste softwarepackage te vinden; Hoe applicaties bij te werken. Overzicht van softwareinstallatie Als de lezer eerder gebruik heeft gemaakt van een &unix; systeem dan is het bekend dat de standaardprocedure voor het installeren van software van derden ongeveer als volgt is: Download de software als broncode of als binair bestand; Pak de software uit vanuit zijn originele distributietype (meestal een tar-bestand gecomprimeerd met &man.compress.1;, &man.gzip.1;, of &man.bzip2.1;); Zoek de documentatie (meestal een INSTALL of README bestand of enkele bestanden in een submap doc/) en lees zorgvuldig hoe de software geïnstalleerd moet worden; Als de software als broncode is gedistribueerd, moet de broncode gecompileerd worden. Dit kan wijzigingen in een Makefile vereisen of het draaien van een configure script en andere werkzaamheden; De software installeren en testen. En dat geldt alleen als alles goed gaat. Als er een softwarepackage geïnstalleerd wordt dat niet specifiek gemaakt is voor &os; moet mogelijkerwijs zelfs de code aangepast worden om alles goed te laten werken. Als de gebruiker het wenst, kan hij in &os; doorgaan met het installeren van software op de traditionele manier. &os; levert echter twee technologieën die veel moeite kunnen besparen: packages en ports. Op dit moment zijn zo meer dan &os.numports; applicaties beschikbaar. Voor iedere gewenste applicatie is het &os; package voor die applicatie één te downloaden bestand. Het package bevat voorgecompileerde kopiën met alle commando's voor de applicatie en alle instellingenbestanden of documentatie. Een gedownload packagebestand kan gemanipuleerd worden met &os; packagemanagement commando's zoals &man.pkg.add.1;, &man.pkg.delete.1;, &man.pkg.info.1;, enzovoort. Het installeren van een nieuwe applicatie kan met één commando. Een &os; port van een applicatie is een groep bestanden ontworpen om het proces van compileren van een applicatie vanuit broncode te automatiseren. Het is te vergelijken met de stappen die normaal gevolgd worden om een programma te compileren (downloaden, uitpakken, aanpassen, compileren en installeren). De bestanden die samen een port vormen bevatten alle noodzakelijke informatie om het systeem dit te laten doen. Met een aantal eenvoudige commando's wordt de broncode voor de applicatie automatisch gedownload, uitgepakt, aangepast, gecompileerd en geïnstalleerd. Het portssysteem kan zelfs gebruikt worden om packages te maken die later weer gemanipuleerd kunnen worden met pkg_add en andere packagemanagement commando's, waarover later meer uitleg wordt gegeven. Zowel packages als ports kennen afhankelijkheden (dependencies). Stel dat er een applicatie geïnstalleerd gaat worden die er vanuit gaat dat een specifieke bibliotheek wordt geïnstalleerd. Zowel de applicatie als de bibliotheek zijn beschikbaar als &os; ports en packages. Als het commando pkg_add of het portssysteem wordt gebruikt om de applicatie toe te voegen, dan zien beiden dat de bibliotheek niet geïnstalleerd is en wordt deze automatisch eerst geïnstalleerd. Gezien het feit dat beide technologieën vrijwel identiek zijn, kan de vraag rijzen waarom &os; de moeite neemt om beide te faciliteren. Packages en ports hebben ieder hun eigen kracht. Welke gebruikt wordt hangt af van voorkeuren en omstandigheden. Voordelen van packages Een gecomprimeerd package tar-bestand is meestal kleiner dan het gecomprimeerde tar-bestand met de broncode van de applicatie; Packages vereisen geen additionele compilatie. Voor grote applicaties als Mozilla, KDE of GNOME kan dit belangrijk zijn, vooral als een systeem wat trager is; Packages vereisen geen begrip van het proces van het compileren van software op &os;. Voordelen van ports Packages worden meestal gecompileerd met conservatieve opties, omdat ze moeten draaien op een maximaal aantal systemen. Bij het installeren vanuit de port kunnen de compilatieinstellingen aangepast worden om zo bijvoorbeeld code te maken die specifiek voor een Pentium IV of een Athlon processor is; Sommige applicaties hebben compilatieinstellingen gerelateerd aan wat ze wel of niet kunnen doen. Apache kan bijvoorbeeld ingesteld worden met een uitgebreide hoeveelheid verschillende ingebouwde instellingen. Door vanuit de port te werken hoeven niet alle standaardinstellingen geaccepteerd te worden en kunnen ze ingesteld worden; In sommige gevallen zijn er meerdere packages voor dezelfde applicatie om specifieke instellingen aan te geven. Ghostscript is bijvoorbeeld beschikbaar als een ghostscript package en ghostscript-nox11 package, afhankelijk van het al dan niet geïnstalleerd hebben van een X11 server. Deze ruwe vorm van tweaking is mogelijk met packages, maar dit wordt snel onmogelijk als een applicatie meer dan één of twee verschillende compilatieinstellingen heeft; De licentievoorwaarden van sommige softwaredistributies verbieden binaire distributie. Ze moeten dus gedistribueerd worden als broncode; Sommige mensen vertrouwen binaire distributies niet. Broncode kan tenminste (in theorie) zelf doorgelezen en gecontroleerd worden op potentiële problemen; Als er lokale modificaties zijn, is de broncode nodig om ze toe te passen; Sommige mensen hebben graag de broncode zodat ze die kunnen lezen als ze zich vervelen, erin kunnen hacken, code kunnen overnemen (indien de licentie dit toestaat natuurlijk), enzovoort. Om vernieuwingen van ports bij te houden kan een abonnement genomen worden op de &a.ports; en/of de &a.ports-bugs;. Voordat een applicatie wordt geïnstalleerd is het aan te raden op na kijken of er geen beveiligingsproblemen voor de gewenste applicatie bekend zijn. Het is ook mogelijk om security/portaudit te installeren, dat automatisch alle geïnstalleerde applicaties controleert op bekende fouten. Deze controle wordt ook uitgevoerd voordat een port wordt geïnstalleerd. Met het commando portaudit -F -a kunnen de packages die al geïnstalleerd zijn worden gecontroleerd. In de rest van dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe packages en ports gebruikt kunnen worden om software in &os; te installeren en te beheren. Applicaties zoeken Voordat een applicatie geïnstalleerd kan worden, moeten de doelen bekend zijn en hoe de applicatie heet. De lijst met voor &os; beschikbare applicaties groeit continu. Gelukkig zijn er een aantal manieren om te zoeken: Op de &os; website staat een recente doorzoekbare lijst met alle beschikbare applicaties: http://www.FreeBSD.org/ports/. De ports zijn onderverdeeld in categorieën. Er kan naar een applicatie gezocht worden op naam (als die bekend is) of alle applicaties in een categorie kunnen bekeken worden. FreshPorts Dan Langille onderhoudt FreshPorts op . FreshPorts volgt veranderingen in applicaties in de ports en biedt de mogelijkheid om of meer ports te volgen. Er wordt dan een e-mail gestuurd als de port is bijgewerkt. FreshMeat Als de naam van de gewenst applicatie niet bekend is, is het wellicht mogelijk deze te achterhalen via een website als FreshMeat () en kan daarna op de &os; site gecontroleerd worden of de applicatie al geschikt gemaakt is voor gebruik met &os;. Als de precieze naam van de port bekend is, maar niet bekend is in welke categorie deze staat, kan dit achterhaald worden met &man.whereis.1;. Door simpelweg whereis bestand in te geven, waar bestand het te instelleren programma is. Als het op het systeem staat, wordt dat als volgt aangegeven: &prompt.root; whereis lsof lsof: /usr/ports/sysutils/lsof Dit geeft aan dat lsof (een systeemhulpprogramma) in de map /usr/ports/sysutils/lsof staat. Een andere manier om een port op te sporen is door het ingebouwde zoekmechanisme van de Portscollectie te gebruiken. Hiervoor moet het huidige pad de map /usr/ports zijn. Vanuit die map kan make search name=programmanaam uitgevoerd worden, waar programmanaam de naam is van het programma dat wordt gezocht. Als bijvoorbeeld lsof wordt gezocht: &prompt.root; cd /usr/ports &prompt.root; make search name=lsof Port: lsof-4.56.4 Path: /usr/ports/sysutils/lsof Info: Lists information about open files (similar to fstat(1)) Maint: obrien@FreeBSD.org Index: sysutils B-deps: R-deps: Het belangrijkste onderdeel van de uitvoer is in dit geval de regel waarop Path: staat, omdat die aangeeft waar de port staat. De andere informatie is niet nodig voor de installatie van de port en wordt hier niet behandeld. Voor nog dieper zoeken kan ook make search key=string gebruikt worden waar string tekst is waarnaar gezocht moet worden. Hiermee wordt naar namen van ports, commentaar, beschrijvingen en afhankelijkheden gezocht en dit kan gebruikt worden om ports te vinden die te maken hebben met een bepaald onderwerp als onbekend is hoe het gezochte programma heet. In beide gevallen is de zoekstring niet hoofdlettergevoelig. Zoeken naar LSOF geeft hetzelfde resultaat als zoeken naar lsof. Chern Lee Bijgedragen door Het packagessysteem gebruiken Packages installeren packages installeren pkg_add Met &man.pkg.add.1; kan een &os; softwarepackage geïnstalleerd worden vanaf een lokaal bestand of vanaf een server op het netwerk. Handmatig packages downloaden en lokaal installeren &prompt.root; ftp -a ftp2.FreeBSD.org Connected to ftp2.FreeBSD.org. 220 ftp3.FreeBSD.org FTP server (Version 6.00LS) ready. 331 Guest login ok, send your email address as password. 230- 230- This machine is in Vienna, VA, USA, hosted by Verio. 230- Questions? E-mail freebsd@vienna.verio.net. 230- 230- 230 Guest login ok, access restrictions apply. Remote system type is UNIX. Using binary mode to transfer files. ftp> cd /pub/FreeBSD/ports/packages/sysutils/ 250 CWD command successful. ftp> get lsof-4.56.4.tgz local: lsof-4.56.4.tgz remote: lsof-4.56.4.tgz 200 PORT command successful. 150 Opening BINARY mode data connection for 'lsof-4.56.4.tgz' (92375 bytes). 100% |**************************************************| 92375 00:00 ETA 226 Transfer complete. 92375 bytes received in 5.60 seconds (16.11 KB/s) ftp> exit &prompt.root; pkg_add lsof-4.56.4.tgz Als er lokaal geen bron is voor packages (zoals de &os; cd-rom set) dan is het waarschijnlijk makkelijker om de optie te gebruiken met &man.pkg.add.1;. Deze optie zorgt er voor dat het hulpprogramma automatisch het correcte formaat en de juiste versie bepaalt en die daarna binnenhaalt en installeert vanaf een FTP site. pkg_add &prompt.root; pkg_add -r lsof Het voorbeeld hierboven haalt het correcte package binnen en installeert het zonder dat de gebruiker iets hoeft te doen. Het is mogelijk een alternatieve &os; packagessite aan te geven in plaats van de hoofddistributiesite. Dan moet PACKAGESITE ingesteld worden om de standaardinstellingen aan te passen. &man.pkg.add.1; gebruikt &man.fetch.3; om de bestanden binnen te halen, dat gebruik maakt van diverse omgevingsvariabelen zoals FTP_PASSIVE_MODE, FTP_PROXY, en FTP_PASSWORD. Mogelijk moeten ook één of meer van deze variabelen gebruikt worden als een machine achter een firewall staat of als gebruik gemaakt moet worden van een FTP/HTTP proxy. In &man.fetch.3; staat de complete lijst. In het voorbeeld hierboven is gebruik gemaakt van lsof in plaats van lsof-4.56.4. Als het package wordt binnengehaald met behulp van de bovenstaande instellingen, dan moet het versienummer van het package niet gebruikt worden. &man.pkg.add.1; haalt automatisch de laatste versie van de applicatie binnen. &man.pkg.add.1; downloadt de meest recente versie van een applicatie als &os.current; of &os.stable;. Als een -RELEASE versie wordt gebruikt, wordt het package dat bij die release hoort gebruikt. Het is mogelijk dit gedrag te veranderen door de omgevingsvariabele PACKAGESITE te wijzigen. Als bijvoorbeeld &os; 5.4-RELEASE op een systeem draait, dan haalt &man.pkg.add.1; standaard de packages uit ftp://ftp.freebsd.org/pub/FreeBSD/ports/i386/packages-5.4-release/Latest/. Om &man.pkg.add.1; de &os; 5-STABLE packages te laten downloaden kan PACKAGESITE ingesteld worden op ftp://ftp.freebsd.org/pub/FreeBSD/ports/i386/packages-5-stable/Latest/. Packagebestanden worden gedistribueerd in de formaten .tgz en .tbz. Ze zijn te vinden op of op de &os; cd-rom distributie. Iedere cd-rom in de &os; 4-cd-rom set (en de PowerPak, enzovoort) bevat packages in de map /packages. De opbouw van de packages is ongeveer gelijk aan die van /usr/ports. Iedere categorie heeft zijn eigen map en ieder package staat ook in de map All. De mappenstructuur van het packagesysteem is gelijk aan die van het portssysteem. Samen vormen ze het package/portssysteem. Packages beheren packages beheren &man.pkg.info.1; is een hulpprogramma dat de diverse geïnstalleerde packages toont en beschrijft. pkg_info &prompt.root; pkg_info cvsup-16.1 A general network file distribution system optimized for CV docbook-1.2 Meta-port for the different versions of the DocBook DTD ... &man.pkg.version.1; is een hulpprogramma dat een samenvatting van de versie van alle geïnstalleerde packages geeft. Het vergelijkt de versie van het package met de huidige versie in de Portscollectie. pkg_version &prompt.root; pkg_version cvsup = docbook = ... De symbolen in de tweede kolom geven aan hoe de geïnstalleerde versie staat ten opzichte van de versie die beschikbaar is in de lokale Portscollectie. Symbool Betekenis = De versie van het geïnstalleerde package komt overeen met die in de lokale Portscollectie. < De geïnstalleerde versie is ouder dan die beschikbaar is in de ports. > De geïnstalleerde versie is nieuwer dan die in de lokale Portscollectie. De lokale Portscollectie is waarschijnlijk verouderd. ? Het geïnstalleerde package kan niet gevonden worden in index van de Portscollectie. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als een geïnstalleerde port uit de Portscollectie wordt verwijderd of hernoemd. * Er zijn meerdere versies van het package. Packages verwijderen pkg_delete packages deleting Voor het verwijderen van een geïnstalleerd package wordt het hulpprogramma &man.pkg.delete.1; gebruikt. &prompt.root; pkg_delete xchat-1.7.1 Diversen Alle informatie over packages wordt opgeslagen in de map /var/db/pkg. De lijst met geïnstalleerde bestanden en beschrijvingen van ieder package staat in de bestanden in deze map. De Portscollectie gebruiken In de volgende paragrafen worden basisinstructies gegeven over het gebruik van de Portscollectie om programma's op een systeem te installeren of ervan te verwijderen. Een gedetailleerde beschrijving van de make-doelen en omgevingsvariabelen staat in &man.ports.7;. De Portscollectie Voordat ports geïnstalleerd kunnen worden moet eerst de Portscollectie op een systeem staan, die in essentie een set van Makefiles, patches en bestanden met beschrijvingen is in /usr/ports. Tijdens het installeren van een &os; systeem, vraagt sysinstall of de Portscollectie geïnstalleerd moet worden. Als daar NO is aangegeven, dan kan met behulp van de volgende instructies alsnog de Portscollectie op een systeem gezet worden: Met CVSup Dit is een snelle methode voor het verkrijgen en bijhouden van een kopie van Portscollectie met behulp van CVSup. Meer informatie over CVSup staat in CVSup gebruiken. Installeer het package net/cvsup-without-gui: &prompt.root; pkg_add -r cvsup-without-gui Meer details staan in CVSup Installatie (); Draai cvsup: &prompt.root; cvsup -L 2 -h cvsup.FreeBSD.org /usr/share/examples/cvsup/ports-supfile Wijzig cvsup.FreeBSD.org in een CVSup server in de buurt. In CVSup Mirrors () staat een complete lijst van mirrorsites; Het kan wenselijk zijn een aangepaste ports-supfile te gebruiken, bijvoorbeeld om een CVSup server niet mee te hoeven geven op de commandoregel. Kopieer in dit geval, als root, /usr/share/examples/cvsup/ports-supfile naar een nieuwe locatie, zoals /root of een thuismap. Wijzig ports-supfile. Wijzig CHANGE_THIS.FreeBSD.org in een CVSup server in de buurt. In CVSup Mirrors () staat een volledige lijst met mirrorsites. Roep nu als volgt cvsup aan: &prompt.root; cvsup -L 2 /root/ports-supfile Als dit commando later wordt herhaald, dan worden alle recente veranderingen binnengehaald. De ports die al geïnstalleerd zijn worden niet opnieuw gebouwd! Met Portsnap - &man.portsnap.8; is een alternatief systeem voor het + Portsnap is een alternatief systeem voor het distribueren van de Portscollectie dat voor het eerst beschikbaar was in &os; 6.0. Op oudere systemen is het - te installeren uit de port sysutils/portsnap: &prompt.root; pkg_add -r portsnap In Portsnap gebruiken staat een gedetailleerde beschrijving van alle mogelijkheden van Portsnap. - Maak een lege map /usr/ports als die nog niet - bestaat. + Sinds &os;- 6.1-RELEASE en met recente versies van + de Portsnap port of package kan + de volgende stap worden overgeslagen. De /usr/ports wordt automatisch + gemaakt bij het eerste gebruik van het &man.portsnap.8; + commando. Met eerdere versies van + Portsnap moet de /usr/ports directory eerst + gemaakt worden als deze nog niet bestaat: &prompt.root; mkdir /usr/ports Download een gecomprimeerd snapshot van de Portscollectie naar /var/db/portsnap. Na deze stap kan eventueel de verbinding met internet verbroken worden. &prompt.root; portsnap fetch Als Portsnap voor de eerste keer draait, pak het snapshot dan uit in /usr/ports: &prompt.root; portsnap extract Als /usr/ports al gevuld is en er alleen wordt bijgewerkt, voer dan het volgende commando uit in plaats van het bovenstaande: &prompt.root; portsnap update Met sysinstall Bij deze methode wordt sysinstall gebruikt om de Portscollectie van installatiemedia te installeren. Hier wordt wel de Portscollectie op het moment dat de release gemaakt is geïnstalleerd. Bij toegang tot internet is het advies altijd een andere methode te gebruiken. Draai als root sysinstall (/stand/sysinstall in &os; versies ouder dan 5.2) zoals hieronder aangegeven: &prompt.root; sysinstall Scroll naar beneden en selecteer Configure, druk op Enter. Scroll naar beneden en selecteer Distributions, druk op Enter. Scroll naar ports, druk op Space. Scroll naar boven naarExit, druk op Enter. Selecteer de gewenste installatiemedia, zoals CD-ROM, FTP, enzovoort. Scroll omhoog naar Exit en druk op Enter. Druk op X om sysinstall af te sluiten. Ports installeren ports installeren Het eerste wat uitleg behoeft als het over de Portscollectie gaat is de term skelet (skeleton). In een notendop is een portskelet een minimaal aantal bestanden dat &os; aangeeft hoe een programma gecompileerd en geïnstalleerd kan worden. Ieder portskelet bevat: Een Makefile. De Makefile bevat verschillende definities die aangeven hoe de applicatie gecompileerd moet worden en waar die op een systeem geïnstalleerd moet worden; Een bestand distinfo. Dit bestand bevat informatie over de bestanden die gedownload moeten worden om de port te bouwen en hun checksums, om met &man.md5.1; vast te stellen dat de bestanden niet corrupt zijn geraakt tijdens de download.; Een map files. Deze map bevat patches om het programma op een &os; systeem te laten compileren en installeren. Patches zijn in essentie kleine bestanden waarin kleine veranderingen aan andere, specifieke, bestanden staan aangegeven. Ze zijn opgesteld in platte tekst en er staan dingen in als Verwijder regel 10 of Wijzig regel 26 in .... Patches staan ook wel bekend als diffs omdat ze gemaakt worden met het programma &man.diff.1;. Deze map kan ook andere bestanden bevatten die gebruikt worden om de port te bouwen; Een bestand pkg-descr. Dit is een meer gedetailleerde beschijving van het programma, vaak in één regel; Een bestand pkg-plist. Dit is een lijst met alle bestanden die door de port geïnstalleerd worden. Het geeft het portssysteem ook aan welke bestanden bij het verwijderen van de port weer verwijderd kunnen worden. Sommige ports bevatten nog andere bestanden, zoals pkg-message. Het portssysteem gebruikt die bestanden voor het afhandelen van bijzondere situaties. Meer details over die bestanden en over ports in het algemeen zijn na te lezen in het &os; Handboek voor Porters. De port bevat instructies over hoe de broncode gebouwd moet worden, maar de broncode zelf is er geen onderdeel van. De broncode staat op een cd-rom of op internet. De broncode wordt verspreid op de wijze waarop de auteur dat wenst. Vaak is dat als een tar of gzip bestand, maar het kan ook ingepakt zijn met een ander programma of helemaal niet ingepakt zijn. De broncode van een programma, in welke vorm dan ook, heet een distfile. De twee methoden om een &os; port te installeren worden hieronder beschreven. Ports installeren dient als root te gebeuren. Voordat een port wordt geïnstalleerd is het aan te raden op na kijken of er geen beveiligingsproblemen voor de gewenste applicatie bekend zijn. Het is ook mogelijk om security/portaudit te installeren. Hiermee wordt die controle automatisch uitgevoerd voordat een port wordt geïnstalleerd. Met het commando portaudit -F kan de meest recente versie van de database met beveiligingsproblemen opgehaald worden. Door deze port wordt dagelijks een beveiligingsaudit gedaan en wordt ook dagelijks de database bijgewerkt. Meer informatie is te vinden in &man.portaudit.1; en &man.periodic.8;. Een criterium voor gebruik van de Portscollectie is een werkende internetverbinding. Als die niet aanwezig is, zet dan handmatig een kopie van de benodigde distfile(s) in /usr/ports/distfiles. Ga om te beginnen naar de juiste map voor een port: &prompt.root; cd /usr/ports/sysutils/lsof Eenmaal in de map lsof is het skelet van de port te zien. In de volgende stap wordt de broncode voor de port gecompileerd of gebouwd. Dit wordt gedaan door op het prompt make in te voeren. Dat levert iets als het volgende op: &prompt.root; make >> lsof_4.57D.freebsd.tar.gz doesn't seem to exist in /usr/ports/distfiles/. >> Attempting to fetch from ftp://lsof.itap.purdue.edu/pub/tools/unix/lsof/. ===> Extracting for lsof-4.57 ... [uitvoer van uitpakken verwijderd] ... >> Checksum OK for lsof_4.57D.freebsd.tar.gz. ===> Patching for lsof-4.57 ===> Applying FreeBSD patches for lsof-4.57 ===> Configuring for lsof-4.57 ... [uitvoer van configure verwijderd] ... ===> Building for lsof-4.57 ... [uitvoer van compileren verwijderd] ... &prompt.root; Als het compileren is afgerond is het prompt weer zichtbaar. In de volgende stap wordt de port geïnstalleerd. Om dat te bewerkstelligen wordt het woord install aan make toegevoegd: &prompt.root; make install ===> Installing for lsof-4.57 ... [uitvoer installatie verwijderd] ... ===> Generating temporary packing list ===> Compressing manual pages for lsof-4.57 ===> Registering installation for lsof-4.57 ===> SECURITY NOTE: This port has installed the following binaries which execute with increased privileges. &prompt.root; Als het prompt weer beschikbaar is, is de applicatie klaar voor gebruik. Omdat lsof met verhoogde rechten wordt uitgevoerd, wordt er een waarschuwing getoond. Tijdens het bouwen en installeren van ports zijn de getoonde waarschuwingen van belang. Het is verstandig om de submap die als werkmap wordt gebruikt te verwijderen. Hierin staan alle tijdelijke bestanden die tijdens het compileren worden gebruikt. Die bestanden gebruiken niet alleen waardevolle schijfruimte, maar ze kunnen later ook problemen veroorzaken als de port wordt bijgewerkt. &prompt.root; make clean ===> Cleaning for lsof-4.57 &prompt.root; - Het is mogelijk een stap minder te gebruiken door + Het is mogelijk twee stappen minder te gebruiken door make install clean uit te voeren in plaats van make, make install en make clean als drie afzonderlijke stappen. Sommige shells houden een cache bij van de commando's die in de mappen uit de omgevingsvariabele PATH staan om het opzoeken van een uitvoerbaar bestand te versnellen. Als zo'n shell wordt gebruikt, moet er na de installatie van een port het commando rehash worden uitgevoerd voordat zojuist geïnstalleerde commando's kunnen worden gebruikt. Dit commando werkt voor shells zoals tcsh. Gebruik voor shells als sh hash -r. In de documentatie van een shell staat meer informatie. Sommige DVD-ROM-producten van andere partijen, zoals de &os; Toolkit van de FreeBSD Mall bevatten disfiles. Die kunnen met de Portscollectie gebruikt worden. Mount de DVD-ROM op /cdrom. Stel bij gebruik van een ander mountpunt de make variabele CD_MOUNTPTS in. De benodigde distfiles worden automatisch gebruikt als ze op de schijf aanwezig zijn. Licenties van sommige ports staan niet toe dat de code wordt opgenomen in een cd-rom. Dit kan komen doordat er een formulier ingevuld moet worden voor een download of doordat herdistributie niet is toegestaan of om een andere reden. Om een port te installeren die niet op de cd-rom staat moet de computer waarop de port geïnstalleerd wordt een internetverbinding hebben. Het portssysteem gebruikt &man.fetch.1; om bestanden te downloaden. Dat programma maakt gebruik van een aantal omgevingsvariabelen, waaronder FTP_PASSIVE_MODE, FTP_PROXY, en FTP_PASSWORD. Als een systeem achter een firewall staat, is het wellicht noodzakelijk om een of meer van deze omgevingsvriabelen in te stellen of om gebruik te maken van een FTP/HTTP proxy. In &man.fetch.3; staat een complete lijst. Als er geen continue internetverbinding is, kan gebruik gemaakt worden van make fetch. Door dit commando in de map /usr/ports uit te voeren worden alle benodigde bestanden gedownload. Dit commando werkt ook op een lager niveau als /usr/ports/net of /usr/ports/net/xmule. Als een port afhankelijk is van bibliotheken of andere ports dan worden de distfiles van die ports niet opgehaald. Om dat de bereiken dient fetch vervangen te worden door fetch-recursive. Het is mogelijk alle ports in een categorie te bouwen door make in een hogere map uit te voeren, naar analogie van het voorbeeld voor make fetch. Dit is wel gevaarlijk, omdat sommige ports niet tegelijk met andere geïnstalleerd kunnen zijn. In andere gevallen installeren twee ports hetzelfde bestand met een andere inhoud. In zeldzame gevallen willen of moeten gebruikers de tar-bestanden van een andere site dan de MASTER_SITES halen (de locatie waar de bestanden vandaan komen). Dat is mogelijk met de optie MASTER_SITES met een volgend commando: &prompt.root; cd /usr/ports/directory &prompt.root; make MASTER_SITE_OVERRIDE= \ ftp://ftp.FreeBSD.org/pub/FreeBSD/ports/distfiles/ fetch In het voorgaande voorbeeld is de optie MASTER_SITES gewijzigd naar ftp.FreeBSD.org/pub/FreeBSD/ports/distfiles/. Sommige ports staan toe (of schrijven zelfs voor) dat er een aantal instellingen worden meegegeven die bepaalde onderdelen (niet gebruikt, beveiligingsinstellingen en andere aanpassingen) van de applicatie in- of uitschakelen. Voorbeelden van ports waarbij dat het geval is zijn www/mozilla, security/gpgme en mail/sylpheed-claws. Er wordt een bericht getoond als dit soort instellingen beschikbaar zijn. Standaardmappen voor ports wijzigen Soms is het handig (of verplicht) om een andere map voor - distfiles of ports te gebruiken. Met de variabelen - PORTSDIR en PREFIX + werk of ports te gebruiken. Met de variabelen + WRKDIRPREFIX en PREFIX kunnen de standaardmappen veranderd worden: - &prompt.root; make PORTSDIR=/usr/home/example/ports install + &prompt.root; make WRKDIRPREFIX=/usr/home/example/ports install Het voorbeeld hierboven compileert de port in /usr/home/example/ports en installeert alles in /usr/local. &prompt.root; make PREFIX=/usr/home/example/local install Het voorbeeld hierboven compileert in /usr/ports en installeert in /usr/home/example/local. - &prompt.root; make PORTSDIR=../ports PREFIX=../local install + &prompt.root; make WRKDIRPREFIX=../ports PREFIX=../local install Het voorbeeld hierboven combineert de twee instellingen. Het gaat te ver om dit volledig in het handboek te beschrijven, maar hier krijgt de lezer een idee van de mogelijkheden. Het is ook mogelijk de bovenstaande variabelen als deel van de omgeving in te stellen. In de hulppagina's van de gebruikte shell staat hoe dat mogelijk is. Omgaan met <command>imake</command> Er zijn ports die imake gebruiken (een onderdeel van het X Window systeem) die niet goed werken met PREFIX en erop staan te installeren in /usr/X11R6. Er zijn ook een aantal Perl ports die PREFIX negeren en in de Perl hiërarchie installeren. Deze ports op de PREFIX locatie laten installeren is meestal erg moeilijk of onmogelijk. Geïnstalleerde ports verwijderen ports verwijderen In deze paragraaf wordt het verwijderen van ports behandeld. Dat kan nodig zijn als een port niet langer wordt gebruikt of als de verkeerde ports is geïnstalleerd. Dit wordt geïllustreerd door de port uit het vorige voorbeeld te verwijderen (lsof). Ports worden op precies dezelfde manier verwijderd als packages met het commando &man.pkg.delete.1; (zoals beschreven in het onderdeel Packages): &prompt.root; pkg_delete lsof-4.57 Ports bijwerken ports bijwerken Stel als eerste een lijst samen met ports waarvoor een nieuwere versie beschikbaar is in de Portscollectie met het commando &man.pkg.version.1;: &prompt.root; pkg_version -v Als de Portscollectie eenmaal is bijgewerkt vóór het bijwerken van ports, is het verstandig het bestand /usr/ports/UPDATING te raadplegen. In dat bestand staan aanwijzingen en wijzigingen voor gebruikers die van belang zijn bij het bijwerken van ports. Ports bijwerken met portupgrade portupgrade Het hulpprogramma portupgrade is ontworpen als instrument om eenvoudig ports bij te werken. Het is beschikbaar via de port sysutils/portupgrade. Installeer het net als iedere andere port met het commando make install clean: &prompt.root; cd /usr/ports/sysutils/portupgrade &prompt.root; make install clean Scan de lijst met geïnstalleerde ports met het commando pkgdb -F en corrigeer alle gerapporteerde inconsistenties. Het is verstandig dit regelmatig te doen, voor iedere keer bijwerken. Door het draaien van portupgrade -a zal portupgrade beginnen met het bijwerken van alle geïnstalleerde ports op een systeem waarvoor een nieuwere versie beschikbaar ius. Met de vlag is het mogelijk in te stellen dat voor iedere bij te werken port om bevestiging wordt gevraagd. &prompt.root; portupgrade -ai Gebruik om alleen een specifieke applicatie bij te werken en niet alle beschikbare ports portupgrade pkgname. Gebruik de vlag om portupgrade eerst alle ports bij te laten werken die voor een bij te werken toepassing benodigd zijn. &prompt.root; portupgrade -R firefox Gebruik de vlag om bij installatie van packages in plaats van ports gebruik te maken. Met deze optie zoekt portupgrade in de lokale mappen uit PKG_PATH of haalt de packages via het netwerk op als ze lokaal niet worden aangetroffen. Als een package niet lokaal en niet via het netwerk wordt gevonden, dan gebruikt portupgrade ports. Om het gebruik van ports te voorkomen kan gebruik gemaakt worden van de optie : &prompt.root; portupgrade -PR gnome2 Om alleen de distfiles op te halen (of packages als is opgegeven), zonder bouwen of installeren, is beschikbaar. Meer informatie staat in &man.portupgrade.1;. Ports bijwerken met portmanager portmanager Portmanager is een ander hulpprogramma voor het eenvoudig bijwerken van geïnstalleerde ports. Het is beschikbaar via de port sysutils/portmanager: &prompt.root; cd /usr/ports/sysutils/portmanager &prompt.root; make install clean Alle geïnstalleerde ports kunnen bijgewerkt worden met het volgende eenvoudige commando: &prompt.root; portmanager -u Met de vlag kan ingesteld worden dat voor iedere stap die Portmanager wil uitvoeren vooraf toestemming moet worden gegeven. Portmanager kan ook nieuwe ports op een systeem installeren. Anders dan met het bekende commando make install clean worden alle afhankelijkheden bijgewerkt voordat de geselecteerde port wordt gebouwd en geïnstalleerd: &prompt.root; portmanager x11/gnome2 Als er problemen zijn ten aanzien van de afhankelijkheden voor een geselecteerde port, dan kan Portmanager ze allemaal herbouwen in de juiste volgorde. Als dat is afgerond, wordt daarna ook de port die problemen opleverde opnieuw gebouwd: &prompt.root; portmanager graphics/gimp -f Meer informatie staat in de handleiding voor Portmanager. Ports en schijfruimte ports disk-space Werken met de Portscollectie kan in de loop der tijd veel schijfruimte gebruiken. Na het bouwen en installeren van software uit de ports, is het van belang altijd de tijdelijke mappen work op te ruimen met het commando make clean. De complete Portscollectie kan geschoond worden met het volgende commando: &prompt.root; portsclean -C In de loop der tijd komen ook veel oude bestanden met broncode in de map distfiles te staan. Die kunnen handmatig verwijderd worden of met het volgende commando dat alle distfiles waarnaar in de huidige ports geen verwijzingen meer staan verwijdert: &prompt.root; portsclean -D Het hulpprogramma portsclean is onderdeel van de suite portupgrade. Vergeet niet ports die niet langer gebruikt worden te verwijderen. Een handig hulpmiddel hiervoor kan de port sysutils/pkg_cutleaves zijn. Activiteiten na het installeren Na het installeren van een nieuwe applicatie is het meestal verstandig om de documentatie te lezen die bij een applicatie zit, bestanden met instellingen die vereist zijn aan te passen, ervoor te zorgen dat de applicatie start na het booten (als het een daemon is), enzovoort. De exacte stappen om een applicatie in te stellen zijn natuurlijk voor iedere applicatie anders. Maar als er net een nieuwe applicatie is geïnstalleerd en het is niet vanzelfsprekend hoe verder te gaan, dan kunnen de volgende tips helpen: Met &man.pkg.info.1; kan uitgevonden worden welke bestanden geïnstalleerd zijn en waar. Om bijvoorbeeld uit te vinden welke bestanden door FooPackage versie 1.0.0 zijn geïnstalleerd: &prompt.root; pkg_info -L foopackage-1.0.0 | less Bestanden in mapnamen met man/ zijn hulppagina's, etc/ bevat bestanden met instellingen en doc/ bevat uitgebreidere documentatie. Als niet helemaal duidelijk is welke versie van het programma is geïnstalleerd, kan een commando als volgt gebruikt worden: &prompt.root; pkg_info | grep -i foopackage Hiermee worden alle packages getoond waar foopackage in de packagenaam voorkomt. Als de hulppagina's zijn gevonden, kunnen die bekeken worden met &man.man.1;. Zo kan er ook in de bestanden met voorbeeldinstellingen gekeken worden en naar aanvullende documentatie, als die is bijgeleverd. Als er een website is voor de applicatie staat daar vaak ook aanvullende documentatie, veelgestelde vragen, enzovoort. Als het webadres niet bekend is, kan dat nog staan in de uitvoer van het volgende commando: &prompt.root; pkg_info foopackage-1.0.0 Als er een regel met WWW: in staat, is dat de URL naar de website voor de applicatie. Ports die na het booten moeten starten (zoals internet diensten) hebben meestal een voorbeeldscript in /usr/local/etc/rc.d. Dit script kan bekeken, aangepast en hernoemd worden waar nodig. Meer informatie staat in Diensten Starten. Omgaan met kapotte ports Als een port niet werkt, zijn er een aantal mogelijke manieren om verder te komen: Zoek uit of er een oplossing voor de port staat te wachten in de Problem Report database. Als dat zo is kan wellicht de voorgestelde reparatie gebruikt worden. Vraag de beheerder van de port om hulp. Voor het e-mailadres van de beheerder kan make maintainer ingegeven worden of het kan in de Makefile staan. Zet in de mail in ieder geval de naam en versie van de port (de regel met $&os;: in de Makefile) en de uitvoer tot en met de foutmelding. Sommige ports worden niet beheerd door een individu maar in plaats daarvan door een mailinglijst. Veel, maar niet alle, van deze adressen zien eruit als freebsd-listname@FreeBSD.org. Houd hier alstublieft rekening mee bij het formuleren van vragen. In het bijzonder worden ports die geregistreerd staan als onderhouden door freebsd-ports@FreeBSD.org helemaal niet onderhouden. Reparaties en ondersteuning, als die al beschikbaar is, komt vanuit de gemeenschap die is geabonneerd op die mailinglijst. Meer vrijwilligers zijn altijd nodig! Als er geen antwoord komt, stuur dan met &man.send-pr.1; een foutrapport in. Zie Writing &os; Problem Reports). Repareren! In het Handboek voor de Porter is gedetailleerde informatie te vinden over de infrastructuur van de Ports, zodat een kapotte port gemaakt kan worden of er zelfs een nieuwe port ingestuurd kan worden. Zoek een package van een FTP site in de buurt. De master packagecollectie staat op ftp.FreeBSD.org in de map packages, maar het is van belang dat er eerst in de buurt wordt gekeken! Dat het package werkt is waarschijnlijker dan wanneer uit de broncode wordt gecompileerd en het is nog sneller ook. Een package kan met &man.pkg.add.1; geïnstalleerd worden. diff --git a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/x11/chapter.sgml b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/x11/chapter.sgml index 4ed7615d8b..44bdb39f6f 100644 --- a/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/x11/chapter.sgml +++ b/nl_NL.ISO8859-1/books/handbook/x11/chapter.sgml @@ -1,1950 +1,1822 @@ Ken Tom Geupdate voor X.Org's X11 server door Marc Fonvieille Erik Radder Vertaald door Het X Window systeem Overzicht &os; gebruikt X11 om gebruikers een krachtige grafische gebruikersschil te bieden. X11 is een open-source implementatie van het X Window System dat zowel &xorg; als &xfree86; bevat. &os; versies tot en met &os; 4.11-RELEASE en &os; 5.2.1-RELEASE hebben &xfree86; als standaard, de X11 server die is uitgebracht door The &xfree86; Project, Inc. Vanaf &os; 5.3-RELEASE is de officiële standaardversie van X11 gewijzigd naar &xorg;, de X11 server die is ontwikkeld door de X.Org Foundation. In dit hoofdstuk wordt de installatie en instelling van X11 behandeld met de nadruk op &xorg;. Meer informatie over de videohardware die X11 ondersteunt kan gevonden worden op &xorg; of &xfree86; websites. Na het lezen van dit hoofdstuk weet de lezer: Wat de componenten van het X Window systeem zijn en hoe zij samenwerken. Hoe X11 geïnstalleerd en ingesteld kan worden. Hoe verschillende window managers geïnstalleerd en gebruikt kunnen worden. Hoe &truetype; lettertypen in X11 te gebruiken. Hoe het systeem ingesteld moet worden voor grafisch aanmelden (XDM). Aangeraden voorkennis: Hoe extra software van derden te installeren (). In dit hoofdstuk wordt het installeren en instellen van de &xorg; en &xfree86; X11 servers behandeld. De bestanden met instellingen, commando's en syntaxis is overwegend hetzelfde. Waar dat anders is wordt het aangegeven. X begrijpen X voor de eerste keer gebruiken kan een hele schok zijn voor mensen die gewend zijn aan andere grafische omgevingen, zoals µsoft.windows; of &macos;. Het is niet noodzakelijk om alle details te kennen over de X componenten en hoe zij samenwerken, maar enige basiskennis draagt wel bij aan krachtiger gebruik kunnen maken van X. Waarom X? X is niet het eerste windows systeem dat geschreven is voor &unix;, maar wel het meest populaire. Het oorspronkelijke X ontwikkelteam werkte eerst aan een ander window systeem. De naam van dat systeem was W (van Window). X was gewoon de volgende letter in het alfabet. X kan gewoon X, X Window systeem, X11 of nog anders genoemd worden. X11 X Windows noemen kan door sommigen als een belediging opgevat worden. &man.X.7; kan hierover wat licht laten schijnen. Het X client/server model X is vanaf het begin aan ontworpen om netwerk-centraal te zijn en gebruikt een client-server model. In het X model, draait de X server op de computer waar het toetsenbord, beeldscherm en muis aan vast zit. De server is verantwoordelijk voor het regelen van beeldinformatie, verwerken van invoer van toetsenbord en muis, enzovoort. Iedere X applicatie (zoals XTerm, of &netscape;) is een client. Een client stuurt berichten naar de server zoals teken een venster op deze coördinaten en de server stuurt berichten terug zoals de gebruiker heeft op de OK knop gedrukt. Thuis of in kleine bedrijven draaien zowel de X server als de X clients op dezelfde machine. Het is heel goed mogelijk dat de X server op een minder krachtige desktop computer draait en de X applicaties (de clients) op een, zeg maar, dure krachtige machine van het bedrijf. Hier vindt de communicatie tussen de X client en server plaats over het netwerk. Dit verwart sommige mensen, omdat de X terminologie geheel omgekeerd is aan wat ze verwachten. Dat is namelijk dat de X server de grote krachtige machine aan het eind van de gang is en de X client de machine op hun bureau is. De X server is de machine met het beeldscherm en het toetsenbord en de X clients zijn de programma's die de vensters tonen. Het protocol vereist niet dat de clients en servers hetzelfde besturingssysteem moeten draaien of hetzelfde soort computer moeten zijn. Het is heel goed mogelijk om X server op een µsoft.windows; of Apple's &macos; te draaien en er zijn verschillende gratis en commerciële applicaties die dat doen. &xorg;, zit vanaf &os; 5.3-RELEASE als standaard X server bij &os; en is gratis onder een gelijksoortig licentie als de &os; licentie. Er zijn ook commerciële X servers voor &os; verkrijgbaar. De window manager De filosofie van het X ontwerp lijkt veel op die van &unix;: gereedschappen, geen beleid. Dit houdt in dat X niet bepaalt hoe een taak volbracht moet worden. In plaats daarvan worden gereedschappen geleverd aan de gebruiker die verantwoordelijk is voor het juiste gebruik hiervan. Deze filosofie verbreedt zich door X niet te laten bepalen hoe vensters er moeten uitzien op het scherm, hoe ze verplaatst moeten worden met de muis, welke toetsaanslagen gebruikt moeten worden om te schakelen tussen vensters (bijvoorbeeld AltTab in het geval van µsoft.windows;), hoe de titelbalken eruit moeten zien, of ze wel of niet sluitknoppen moeten hebben, enzovoort. In plaats daarvan delegeert X deze verantwoordelijkheid aan een applicatie die Window Manager heet. Er zijn tientallen window managers voor X: AfterStep, Blackbox, ctwm, Enlightenment, fvwm, Sawfish, twm, Window Maker en vele anderen. Elk van deze window managers heeft een eigen voorkomen en werking. Er zijn window managers met virtual desktops of met eigen toetscombinaties om de desktop te beheren; of hebben een Start knop of iets gelijksoortigs. Sommige gebruiken thema's die uiterlijk en beleving compleet veranderen door een nieuw thema te kiezen. Window managers zijn te vinden in de categorie x11-wm van de Portscollectie. De KDE en GNOME desktop omgevingen hebben hun eigen window managers die in het bureaublad zijn geïntegreerd. Iedere windows manager heeft zijn eigen manier van instellen. Sommige werken met handgetypte bestanden, anderen beschikken over grafische gereedschappen voor de meeste instellingen. Er is er minstens één (Sawfish) waarvan het instellingenbestand is geschreven in een dialect van de taal Lisp. Focusbeleid De window manager is ook verantwoordelijk voor het focusbeleid van de muis. Ieder window geörienteerd systeem heeft een manier nodig om te bepalen welk venster actief is, toetsaanslagen ontvangt en daarbij zichtbaar aangeeft welk venster actief is. Een bekend focus beleid heet click-to-focus. Dit model wordt gebruikt door µsoft.windows;, waarbij een venster actief wordt door er met de muis op te klikken. X ondersteunt geen specifiek focusbeleid. In plaats daarvan bepaalt de window manager op welk venster, op welk moment, de focus ligt. Een aantal window managers ondersteunen verschillende focusmethoden. Ze ondersteunen allemaal click to focus en de meerderheid ondersteunt ook nog andere. De meest populaire zijn: focus-volgt-muis (focus-follows-mouse) Het venster dat onder de muis zit is het venster waarop de focus ligt. Dit hoeft niet het venster te zijn dat bovenop alle andere vensters ligt. De focus verandert door te wijzen naar een ander venster. Het is niet nodig om er ook nog eens op te klikken. slordige-focus (sloppy-focus) Dit beleid is een kleine uitbreiding op focus-follows-mouse. Indien bij focus-follows-mouse de muis over het root venster (of de achtergrond) gaat, ligt op geen enkel venster de focus en gaan alle toetsaanslagen verloren. Bij sloppy-focus, verandert de focus alleen als de muis in een nieuw venster komt en niet als het huidige venster wordt verlaten. klik-voor-focus (click-to-focus) Het actieve venster wordt geselecteerd door erop te klikken. Het venster wordt dan opgetild en verschijnt dan voor alle andere vensters. Alle toetsaanslagen worden nu naar dit venster gestuurd, zelfs als de cursor naar een ander scherm wordt verplaatst. Veel window managers ondersteunen andere soorten of variaties op de bovenstaande typen muisbeleid. Hierover staat meestal meer in de documentatie van de betreffende window manager. Widgets De X aanpak door gereedschappen te leveren en niets af te dwingen breidt zich uit naar de widgets die in elk applicatievenster te zien zijn. Widget is een term voor alle dingen van de gebruikersinterface waarop geklikt kan worden of een andere actie mee uitgevoerd kan worden: knoppen, vinkvakjes, iconen, lijsten en ga zo maar door. µsoft.windows; noemt ze controls. µsoft.windows; en Apple's &macos; hebben beide een erg strikt widgetbeleid. Van de applicatieontwikkelaars wordt verwacht dat hun applicaties eenduidig zijn wat betreft uiterlijk en beleving. Bij X is ervoor gekozen geen grafische stijl of widgets te verplichten. X applicaties hebben dus niet allemaal hetzelfde uiterlijk. Er zijn populaire widgetsets en variaties, inclusief de originele Athena widgetset van MIT, &motif; (waarvan de widgetset van µsoft.windows; is afgeleid: schuine randen en drie gradaties grijs), OpenLook en anderen. De meeste nieuwe X applicaties gebruiken een modern uitziende widgetset: Qt, gebruikt door KDE, of GTK+ van het GNOME project. Vanuit dit oogpunt lijkt het enigzins op de &unix; desktop, wat het makkelijker maakt voor de beginnende gebruiker. X11 installeren Zowel &xorg; als &xfree86; kan op &os; geïnstalleerd worden. Vanaf &os; 5.3-RELEASE is &xorg; de standaard X11 implementatie voor &os;. &xorg; is de X11 server van de open source implementatie die is uitgebracht door de X.Org Foundation. &xorg; is gebaseerd op de code van &xfree86 4.4RC2 en X11R6.6. De X.Org Foundation heeft X11R6.7 uitgebracht in april 2004 en X11R6.8.2 in februari 2005. De laatstgenoemde versie is beschikbaar via de &os; Portscollectie. Om &xorg; vanuit de Portscollectie te bouwen en te installeren: &prompt.root; cd /usr/ports/x11/xorg &prompt.root; make install clean Om &xorg; compleet te bouwen is tenminste 4 GB vrije schijfruimte nodig. Om &xfree86; vanuit de Portscollectie te bouwen en te installeren: &prompt.root; cd /usr/ports/x11/XFree86-4 &prompt.root; make install clean X11 kan ook als package geïnstalleerd worden doordat er binaire packages beschikbaar zijn voor &man.pkg.add.1;. Als hiervoor de optie remote fetching van &man.pkg.add.1; wordt gebruikt, dan moet het versienummer verwijderd worden. &man.pkg.add.1; haalt automatisch de laatste versie van het programma op. Om het package voor &xorg; op te halen en te installeren: &prompt.root; pkg_add -r xorg Het &xfree86; 4.X package kan geïnstalleerd worden met: &prompt.root; pkg_add -r XFree86 Het voorbeeld hierboven installeert de complete X11 distributie inclusief de servers, clients, lettertypen enz. Er zijn ook afzondelijke packages en ports beschikbaar voor verschillende delen van X11. De rest van dit hoofdstuk licht toe hoe X11 wordt ingesteld en hoe een productieve desktopomgeving gebouwd kan worden. Van <application>&xfree86;</application> naar <application>&xorg;</application> Zoals voor iedere port, moet /usr/ports/UPDATING bekeken worden voor de wijzigingen. In dit bestand staan instructies die nodig zijn om een systeem te migreren van &xfree86; naar &xorg;. CVSup kan gebruikt worden om de ports tree bij te werken voordat er wordt begonnen met een migratie. Naast deze maatregel moet ook sysutils/portupgrade geïnstalleerd worden voor de migratie van een X11 systeem. In /etc/make.conf kan de variabele X_WINDOW_SYSTEM=xorg ingesteld worden. Hierdoor is het zeker dat een systeem weet welke X11 er wordt gebruikt. De oude variabele XFREE86_VERSION is komen te vervallen en vervangen door de variabele X_WINDOW_SYSTEM. Dan kunnen de volgende commando's uitgevoerd worden: &prompt.root; pkg_delete -f /var/db/pkg/imake-4* /var/db/pkg/XFree86-* &prompt.root; cd /usr/ports/x11/xorg &prompt.root; make install clean &prompt.root; pkgdb -F &man.pkgdb.1; is onderdeel van de portupgrade software en kan packages inclusief afhankelijkheden bijwerken. Om &xorg; compleet te bouwen is tenminste 4 GB vrije schijfruimte nodig. Christopher Shumway Geschreven door X11 instellen &xfree86; 4.X &xfree86; &xorg; X11 Voorbereiding Voordat er wordt begonnen met het instellen van X11 is de volgende informatie van de te installeren machine nodig: Monitor specificaties Chipset van de videokaart Geheugen van de videokaart horizontale scansnelheid verticale scansnelheid De specificaties van de monitor worden door X11 gebruikt om de resolutie en ververssnelheid te bepalen. Deze specificaties kunnen normaal gesproken verkregen worden uit de bij de monitor geleverde documentatie of van de website van de leverancier. Er zijn twee nummerreeksen nodig: de horizontale scansnelheid (scan rate) en de vertikale syncronisatiesnelheid (vertical synchronization). De chipset van de videokaart bepaalt welk stuurprogramma X11 gebruikt om de grafische hardware aan te spreken. Bij de meeste chipsets kan dit automatisch bepaald worden, maar het is altijd handig om dit te weten voor het geval de automatische detectie niet correct werkt. Het geheugen op de videokaart bepaalt de resolutie en kleurdiepte waarmee het systeem kan werken. Dit is belangrijk omdat de gebruiker zo de grenzen van zijn systeem kent. X11 instellen Het instellen van X11 bestaat uit meerdere stappen. De eerste stap is het bouwen van een instellingenbestand. Dit kan met: &prompt.root; Xorg -configure In het geval van &xfree86; is dat: &prompt.root; XFree86 -configure Dit genereert een kaal X11 instellingbestand in de map /root met de naam xorg.conf.new. Feitelijk wordt bepaald waar de map staat door hoe er superuser rechten zijn verkregen. $HOME is anders bij gebruik van &man.su.1; of bij direct aanmelden. Het X11 programma probeert dan de grafische hardware te detecteren en schrijft een instellingenbestand dat de juiste stuurprogramma's laadt voor de gevonden hardware van het systeem. De volgende stap is het testen van de bestaande instellingen om te controleren of &xorg; met de grafische kaart van het doelsysteem kan werken. Dit kan met: &prompt.root; Xorg -config xorg.conf.new Voor &xfree86; gebruikers: &prompt.root; XFree86 -xf86config XF86Config.new Als er een zwart/grijs rooster en een X muis cursor verschijnen was de instelling successvol. Om de test te stoppen dient gelijktijdig op CtrlAlt Backspace gedrukt te worden. Als de muis niet werkt, dan moet deze eerst ingesteld worden. Zie in het &os; installatie hoofdstuk. X11 optimaliseren Nu moet xorg.conf.new (of XF86Config.new als &xfree86; wordt gebruikt) worden aangepast aan de smaak van de gebruiker. Hiervoor moet het bestand in een teksteditor zoals &man.emacs.1; of &man.ee.1; worden geladen. Eerst moeten de frequenties van de monitor toegevoegd worden. Die zijn meestal weergegeven als horizontale en vertikale synchronisatiesnelheid. Deze waarden worden toegevoegd aan xorg.conf.new in het onderdeel "Monitor": Section "Monitor" Identifier "Monitor0" VendorName "Monitor Vendor" ModelName "Monitor Model" HorizSync 30-107 VertRefresh 48-120 EndSection In het instellingenbestand kunnen de sleutelwoorden HorizSync en VertRefresh missen. Als ze er niet staan, moeten ze toegevoegd worden met de juiste horizontale synchronisatiesnelheid achter het HorizSync sleutelwoord en de vertikale synchronisatiesnelheid achter het VertRefresh sleutelwoord. In het bovenstaande voorbeeld werden de gegevens van de monitor ingevoerd. X kan DPMS (Energy Star) eigenschappen gebruiken bij monitoren die dit ondersteunen. &man.xset.1; regelt de time-outs en kan de statussen standby, suspend of uit forceren. Om DPMS eigenschappen voor een monitor te activeren, moet de volgende regel toegevoegd worden aan de monitor sectie: Option "DPMS" xorg.conf XF86Config Als het instellingenbestand xorg.conf.new (of XF86Config.new) toch open staat in de editor dan kan ook meteen de gewenste standaardresolutie en kleurdiepte gekozen worden. Dit staat in het onderdeel "Screen": Section "Screen" Identifier "Screen0" Device "Card0" Monitor "Monitor0" DefaultDepth 24 SubSection "Display" Viewport 0 0 Depth 24 Modes "1024x768" EndSubSection EndSection Het sleutelwoord DefaultDepth beschrijft de kleurdiepte die standaard wordt gebruikt. Met de commandoregeloptie van &man.Xorg.1; (of &man.XFree86.1;) kan dit overschreven worden. Het sleutelwoord Modes beschrijft de resolutie waarmee gewerkt wordt bij de opgegeven kleurdiepte. Alleen VESA standaarden die door de grafische kaart van het systeem worden gedefinieerd worden ondersteund. In het voorbeeld hierboven is de standaardkleurdiepte 24 bits per pixel. Bij deze kleurdiepte is de toegestane resolutie 1024 bij 768 pixels. Bij het oplossen van problemen zijn de logboekbestanden van X11 vaak een goede hulp. Ze bevatten informatie voor ieder apparaat waar de X11 server verbinding mee maakt. Namen van &xorg; logboekbestanden hebben de vorm /var/log/Xorg.0.log (namen van &xfree86; logboekbestanden hebben de vorm XFree86.0.log). De precieze naam van een logboekbestand van variëren van Xorg.0.log tot Xorg.8.log enzovoort. Als alles is ingesteld, moet het instellingenbestand op een plaats gezet worden waar &man.Xorg.1; (of &man.XFree86.1;) het kan vinden. Dit is meestal /etc/X11/xorg.conf of /usr/X11R6/etc/X11/xorg.conf (voor &xfree86; heet het /etc/X11/XF86Config of /usr/X11R6/etc/X11/XF86Config): &prompt.root; cp xorg.conf.new /etc/X11/xorg.conf Voor &xfree86;: &prompt.root; cp XF86Config.new /etc/X11/XF86Config Het instellen van X11 is nu gereed. Om &xfree86; 4.X te kunnen starten met &man.startx.1; dient de x11/wrapper port geïnstalleert te worden. &xorg; heeft wrappercode en heeft geen extra wrapper nodig. De X11 server kan ook gestart worden met &man.xdm.1;. Er zit ook een grafisch instellingenprogramma bij de X11 distributie: &man.xorgcfg.1; (man.xf86cfg.1; voor &xfree86;). Hiermee kunnen de instellingen en stuurprogramma's interactief gekozen worden. Dit kan ook op het console gebruikt worden: xorgcfg -textmode. Meer details zijn te vinden in &man.xorgcfg.1; en &man.xf86cfg.1;. Er is ook nog het hulpprogramma &man.xorgconfig.1; (&man.xf86config.1; voor &xfree86;). Dit programma is op het console te gebruiken en is veel minder gebruikersvriendelijk, maar het zou wel kunnen werken in gevallen waarin andere hulpprogramma's dat niet doen. Bijzondere instellingen Instellen met de &intel; i810 graphische chipset Intel i810 grafische chipset Instellen met &intel; i810 integrated chipsets vereist de agpgart AGP programmeringsinterface voor X11 om de kaart aan te sturen. Het &man.agp.4; stuurprogramma zit in de GENERIC kernel sinds 4.8-RELEASE en 5.0-RELEASE. Bij eerdere versies dient het volgende toegevoegd te worden aan het bestand met kernelinstellingen: device agp Hierna dient een nieuwe kernel gebouwd te worden. In plaats hiervan, kan de kernelmodule agp.ko automatisch geladen worden met &man.loader.8; tijdens het opstarten. Hiervoor moet het volgende in /boot/loader.conf staan: agp_load="YES" Als gebruik wordt gemaakt van &os; 4.X of recenter, dan moet een apparaatnode gemaakt worden voor de programmainterface. Om deze AGP apparaatnode te maken, dient &man.MAKEDEV.8; gestart te worden in de map /dev: &prompt.root; cd /dev &prompt.root; sh MAKEDEV agpgart &os; 5.X of later gebruikt &man.devfs.5; om apparaatnodes transparant te verwerken, dan is de stap met &man.MAKEDEV.8; niet meer nodig. Hierdoor wordt het instellen van de hardware net als ieder andere grafische kaart. Bij systemen die zonder &man.agp.4; stuurprogramma gecompileerd zijn slaagt het laden van module met &man.kldload.8; niet. Het stuurprogramma moet in de kernel geladen zijn tijdens het opstarten door te compileren of door /boot/loader.conf te gebruiken. Als &xfree86; 4.1.0 (of later) gebruikt wordt en er verschijnen berichten over unresolved symbols zoals fbPictureInit, dan kan het toevoegen van de regel aan het &xfree86; instellingenbestand na Driver "i810" de oplossing zijn: Option "NoDDC" Murray Stokely Bijgedragen door Lettertypen gebruiken in X11 Type1 lettertypen De standaard lettertypen van X11 zijn allerminst ideaal voor het typische bureaubladprogramma. Grote presentatielettertypen zien er hoekig en onprofessioneel uit en kleine lettertypen in &netscape; zijn bijna onleesbaar. Er zijn diverse gratis, kwalitatief goede Type1 (&postscript;) lettertypen die meteen gebruikt kunnen worden met X11. De URW lettertypecollectie (x11-fonts/urwfonts) heeft bijvoorbeeld hoge kwaliteit versies van standaard Type1 lettertypen (Times Roman, Helvetica, Palatino en anderen). De Freefonts collectie (x11-fonts/freefonts) heeft nog meer lettertypen, maar de meesten ervan zijn bedoeld om in grafische software als Gimp gebruikt te worden en zijn niet compleet genoeg om als schermlettertypen te gebruiken. Daarbij kan X11 zonder veel moeite ingesteld worden worden om &truetype; lettertypen te gebruiken. Meer informatie staat in &man.X.7; of de paragraaf over &truetype; Lettertypen. Om de bovenstaande Type1 lettertypecollectie van de Portscollectie te installeren: &prompt.root; cd /usr/ports/x11-fonts/urwfonts &prompt.root; make install clean Dat geldt ook voor de freefont en andere collecties. Om de X server te vertellen dat deze lettertypen bestaan, dient de volgende regel toegevoegd te worden in XF86Config (in /etc/ voor &xfree86; versie 3 of in /etc/X11/ voor versie 4): FontPath "/usr/X11R6/lib/X11/fonts/URW/" Ook kan op de commando regel in de X sessie het volgende gestart worden: &prompt.user; xset fp+ /usr/X11R6/lib/X11/fonts/URW &prompt.user; xset fp rehash Dit werkt wel, maar zodra de X sessie wordt afgesloten is het weer verdwenen tenzij het is toegevoegd aan het opstartbestand (~/.xinitrc voor een normale startx sessie of ~/.xsession als er wordt aangemeld met een grafische aanmeldmanager als XDM). Een derde manier is het gebruik van het nieuwe bestand /usr/X11R6/etc/fonts/local.conf: zie hiervoor de paragraaf over over Anti-aliasing. &truetype; lettertypen TrueType lettertypen lettertypen TrueType &xfree86; 4.X en &xorg; hebben ingebouwde ondersteuning voor het renderen van &truetype; lettertypen. Er zijn twee verschillende modules die deze functionaliteit activeren. In dit voorbeeld wordt de freetype module gebruikt omdat deze beter werkt met de andere lettertypen die back-ends renderen. Om de freetype module te activeren dient de volgende regel toegevoegd te worden aan het onderdeel "Module" van /etc/X11/xorg.conf of /etc/X11/XF86Config. Load "freetype" Voor &xfree86; 3.3.X is een aparte &truetype; lettertypeserver nodig. Meestal wordt Xfstt gebruikt. Om Xfstt te installeren hoeft alleen de port x11-servers/Xfstt geïnstalleerd te worden. Hierna dient een map voor de &truetype; lettertypen gemaakt te worden (bijvoorbeeld /usr/X11R6/lib/X11/fonts/TrueType) en alle &truetype; lettertypen moeten naar deze map gekopieerd worden. &truetype; lettertypen kunnen niet direct van een &macintosh; gehaald worden. Ze moeten in een &unix;/&ms-dos;/&windows; formaat zijn voor X11. Zodra de bestanden naar deze map zijn gekopieerd, kan ttmkfdir gestart worden om een fonts.dir bestand te maken zodat de X lettertyperenderer weet waar deze nieuwe bestanden zijn geïnstalleerd. ttmkfdir zit in de &os; Portscollectie als x11-fonts/ttmkfdir. &prompt.root; cd /usr/X11R6/lib/X11/fonts/TrueType &prompt.root; ttmkfdir > fonts.dir Nu moet de &truetype; map toe aan het lettertypepad toegevoegd worden. Dit gebeurt op dezelde wijze als boven is beschreven voor Type1 lettertypen: &prompt.user; xset fp+ /usr/X11R6/lib/X11/fonts/TrueType &prompt.user; xset fp rehash of door een FontPath regel toe te voegen aan xorg.conf (of XF86Config). Dat is alles. Nu herkennen &netscape;, Gimp, &staroffice; en alle andere X applicaties de geïnstalleerde &truetype; lettertypen. Extreem kleine lettertypen (zoals hoge resolutie tekst op een webpagina) en extreme grote lettertypen (in &staroffice;) zien er nu veel beter uit. Joe Marcus Clarke Bijgewerkt door Anti-alias lettertypen anti-alias lettertypen lettertypen anti-alias Anti-aliasing wordt door X11 sinds ondersteund sinds &xfree86; versie 4.0.2. Maar instellingen voor lettertypen waren bewerkelijk voordat &xfree86; 4.3.0 geïntroduceerd werd. Vanaf &xfree86; 4.3.0 zijn alle lettertypen die X11 in de mappen /usr/X11R6/lib/X11/fonts/ en ~/.fonts/ aantreft automatisch beschikbaar voor anti-aliasing in applicaties die Xft ondersteunen. Niet alle applicaties ondersteunen Xft. Voorbeelden van applicaties met Xft ondersteuning zijn Qt 2.3 en hoger (de hulpprogramma's voor het KDE bureaublad), GTK+ 2.0 en hoger (de hulpprogramma's voor het GNOME bureaublad) en Mozilla 1.2 en hoger. Om te kunnen regelen welke lettertypen gebruik maken van anti-alias of om de eigenschappen van anti-aliasing in te stellen kan /usr/X11R6/etc/fonts/local.conf gemaakt of gewijzigd worden. In dit bestand kunnen speciale eigenschappen van het Xft lettertypesysteem aangepast worden. Deze paragraaf beschijft wat eenvoudige mogelijkheden. Meer details staan in &man.fonts-conf.5;. XML Dit bestand moet in het XML formaat opgemaakt worden. Hoofdletters en kleine letters worden onderscheiden en alle tags moeten netjes worden afgesloten. Het bestand begint met de gewone XML header gevolgd door een DOCTYPE definitie en daarna de <fontconfig> tag: <?xml version="1.0"?> <!DOCTYPE fontconfig SYSTEM "fonts.dtd"> <fontconfig> Zoals al eerder is vermeld zijn alle lettertypen in /usr/X11R6/lib/X11/fonts/ en in ~/.fonts/ al geschikt gemaakt voor Xft applicaties. Als naast deze twee mappen nog een andere lettertypen moeten kunnen bevatten, dan dient een soortgelijke regel als de onderstaande aan /usr/X11R6/etc/fonts/local.conf toegevoegd te worden: <dir>/path/to/my/fonts</dir> Na het toevoegen van nieuwe lettertypen en zeker nieuwe lettertypemappen dienen de lettertypecaches opnieuw opgebouwd worden met: &prompt.root; fc-cache -f Anti-aliasing maakt randen een beetje wazig wat kleine teksten beter leesbaar maakt en voorkomt trapvorming van grote letters. Maar het kan oogkramp veroorzaken als het op normale tekst wordt toegepast. Om lettertypen kleiner dan 14 punten uit te sluiten van anti-aliasing moeten de volgende regels toegevoegd worden: <match target="font"> <test name="size" compare="less"> <double>14</double> </test> <edit name="antialias" mode="assign"> <bool>false</bool> </edit> </match> <match target="font"> <test name="pixelsize" compare="less" qual="any"> <double>14</double> </test> <edit mode="assign" name="antialias"> <bool>false</bool> </edit> </match> lettertypen spacing Spatiëring voor sommige enkel gespatieerde lettertypen kan ook ongepast zijn bij anti-aliasing. Dit lijkt vooral een probleem te zijn bij KDE. Een mogelijke oplossing hiervoor is het vergroten van de spatiëring van die lettertypen naar 100: <match target="pattern" name="family"> <test qual="any" name="family"> <string>fixed</string> </test> <edit name="family" mode="assign"> <string>mono</string> </edit> </match> <match target="pattern" name="family"> <test qual="any" name="family"> <string>console</string> </test> <edit name="family" mode="assign"> <string>mono</string> </edit> </match> Het bovenstaande hernoemt de standaardnamen van lettertypen naar "mono"). Voeg daarna het volgende toe: <match target="pattern" name="family"> <test qual="any" name="family"> <string>mono</string> </test> <edit name="spacing" mode="assign"> <int>100</int> </edit> </match> Bepaalde lettertypen, zoals Helvetica, kunnen problemen hebben met anti-aliasing. Dit uit zich meestal in een lettertype dat vertikaal door midden lijkt gesneden. Op zijn ergst kan het applicaties zoals Mozilla laten crashen. Om dit te voorkomen kan overwogen worden om ook de volgende regels toe te voegen aan local.conf: <match target="pattern" name="family"> <test qual="any" name="family"> <string>Helvetica</string> </test> <edit name="family" mode="assign"> <string>sans-serif</string> </edit> </match> Als de wijzigingen in local.conf zijn gemaakt dient niet vergeten te worden het bestand te eindigen met de tag </fontconfig> tag. Als dit niet gedaan wordt, dan worden de wijzigingen niet gezien. De standaard lettertypeset die geleverd wordt bij X11 is niet erg geschikt als het aankomt op anti-aliasing. Een veel betere set standaardlettertypen is de x11-fonts/bitstream-vera port. Deze port maakt /usr/X11R6/etc/fonts/local.conf aan als het nog niet bestaat. Als het al wel bestaat maakt de port /usr/X11R6/etc/fonts/local.conf-vera aan. De inhoud van dit bestand dient in /usr/X11R6/etc/fonts/local.conf geplaatst te worden en dan vervangen de Bitstream lettertypen automatisch de standaard X11 Serif, Sans Serif en Monospaced lettertypen. Als laatste kunnen gebruikers hun eigen instellingen aan een persoonlijk .fonts.conf bestand toevoegen. Om dit te doen moet iedere gebruiker het bestand ~/.fonts.conf maken. Ook dit bestand moet in het XML formaat zijn. LCD screen lettertypen LCD screen Nog een laatste punt: bij een LCD scherm kan sub-pixel sampling prettig zijn. Eigenlijk zorgt dit er voor dat de (horizontaal gesplitste) rode, groene en blauwe componenten gewijzigd worden om de horizontale resolutie te verbeteren. Het resultaat is geweldig. Voeg hiervoor de volgende regels ergens aan local.conf toe: <match target="font"> <test qual="all" name="rgba"> <const>unknown</const> </test> <edit name="rgba" mode="assign"> <const>rgb</const> </edit> </match> Afhankelijk van het soort beeldscherm kan rgb veranderd moeten worden in bgr, vrgb of vbgr. Experimenteren levert de beste instelling op. Mozilla anti-aliasing lettertypen uitschakelen Anti-aliasing moet werken zodra de X server opnieuw gestart is. Programma's dienen echter wel te weten hoe ze er mee moeten werken. Op dit moment geldt dat voor de Qt toolkit en de hele KDE omgeving kan met - anti-alias omgaan (zie - over KDE). GTK+ en + anti-alias omgaan. GTK+ en GNOME anti-aliasing gebruiken via de Font capplet (zie ). Mozilla 1.2 en hoger gebruiken automatisch anti-aliasing. Om dit uit te zetten moet Mozilla opnieuw gebouwd worden met de optie -DWITHOUT_XFT. Seth Kingsley Bijgedragen door De X beeldschermmanager Overzicht X beeldschermmanager De X beeldschermmanager (XDM) is een optioneel onderdeel van het X Window systeem dat gebruikt wordt voor beheer van aanmeldsessies. Dit is vaak erg handig bij bijvoorbeeld X Terminals, desktops en grote netwerk beeldschermservers. Omdat het X Window systeem netwerk- en protocolonafhankelijk is, zijn er veel mogelijkheden om X clients en servers op verschillende machines in een netwerk te verbinden. XDM levert een grafische interface waarmee er gekozen kan worden welke beeldschermserver gebruikt moet worden en handelt authorisatie informatie (gebruikersnaam en wachtwoord) af. XDM levert de gebruiker dezelfde funtionaliteit levert als &man.getty.8; (zie ). Dus het regelt de systeemaanmeldingen voor de schermen waaraan verbonden moet worden en start dan een sessie manager namens de gebruiker (meestal een X window manager). XDM wacht dan tot het programma stopt en geeft aan dat de gebruiker klaar is en afgemeld kan worden. Hierna kan XDM het aanmeldscherm weer tonen zodat de volgende gebruiker kan aanmelden. XDM gebruiken De XDM daemon staat in /usr/X11R6/bin/xdm. Dit programma kan als root altijd gestart worden en regelt dan het X weergavegedeelte van de lokale machine. Als XDM iedere keer bij het opstarten moet starten is het handig om een regel toe te voegen aan /etc/ttys. Meer informatie over het gebruik van dit bestand staat in . In de standaardversie van /etc/ttys staat een regel om de applicatie deamon XDM op een virtuele terminal te draaien: ttyv8 "/usr/X11R6/bin/xdm -nodaemon" xterm off secure Standaard staat deze regel uit. Om hem aan te zetten moet veld 5 van off naar on gewijzigd worden en moet met &man.init.8; herstart worden met gebruikmaking van de aanwijzingen in . Het eerste veld, de naam van de terminal die het programma aanstuurt, is ttyv8. Dit houdt in dat XDM op de negende virtuele terminal begint te draaien. XDM instellen De map met instellingen voor XDM is /usr/X11R6/lib/X11/xdm. In deze map staan diverse bestanden die gebruikt kunnen worden om het gedrag en uiterlijk van XDM te veranderen. Meestal zijn dit de volgende bestanden: Bestand Omschrijving Xaccess Regels voor client authorisatie. Xresources Standaard waarden voor X bronnen. Xservers Lijst met op afstand en lokaal te beheren schermen. Xsession Standaard sessie script voor logins. Xsetup_* Script die applicaties start voordat de login interface start. xdm-config Algehele instellingen voor alle schermen op deze machine. xdm-errors Errors die gegenereerd zijn door het server programma. xdm-pid Het proces ID van de draaiende XDM. Tevens staan in deze map een aantal scripts en programma's om het bureaublad in te stellen als XDM draait. Het doel van elk van deze bestanden wordt kort omschreven. De juiste syntaxis en het gebruik van deze bestanden staat in &man.xdm.1;. De standaardinstelling regelt een eenvoudig rechthoekig aanmeldvenster met bovenin de hostnaam van de machine in een groot lettertype met een Login: en Password: prompt eronder. Dit is een goed beginpunt om het uiterlijk en werking van het XDM venster te veranderen. Xaccess Om een verbinding te maken met XDM gestuurde schermen wordt het protocol X Display Manager Connection Protocol (XDMCP) gebruikt. Het bestand is een set regels die XDMCP verbindingen met andere machines bestuurt. Het wordt genegeerd, tenzij xdm-config is gewijzigd zodat er wordt geluisterd naar inkomende verbindingen. Standaard wordt het clients niet toegestaan te verbinden. Xresources Dit is een bestand met standaarden voor de schermkiezer en de aanmeldschermen. Hier kan het uiterlijk van het aanmeldprogramma gewijzigd worden. De indeling is hetzelfde als bij het app-defaults bestand en is beschreven in de X11 documentatie. Xservers Dit is een lijst met netwerkschermen waaruit gekozen kan worden. Xsession Dit is het standaard sessiescript voor XDM dat start nadat de gebruiker is aangemeld. Normaal heeft iedere gebruiker een eigen sessiescript in ~/.xsession dat dit script overheerst. Xsetup_* Deze starten automatisch voordat de kiezers of aanmeldschermen getoond worden. Er is een script voor ieder gebruikt scherm met de naam Xsetup_ gevolgd door het lokale schermnummer (bijvoorbeeld Xsetup_0). Normaal draaien deze scripts éé of twee programma's in de achtergrond zoals xconsole. xdm-config Dit bevat de instellingen die toegepast worden op ieder scherm die deze installatie aanstuurt. De indeling is hetzelfde als van app-defaults. xdm-errors Hierin staan de meldingen die de X servers geven als XDM ze probeert te starten. Als een scherm dat gestart is door XDM om onduidelijke reden hangt, is dit een goede plaats om te zoeken naar foutmeldingen. Deze meldingen worden ook per sessie naar het ~/.xsession-errors van de gebruiker gestuurd. Een netwerk beeldschermserver gebruiken Om gebruikers een verbinding te laten maken met een X server moeten de toegangsregels gewijzigd worden en de connectielistener moet aangezet worden. Deze hebben standaard wat terughoudende waarden. Om XDM te laten luisteren naar verbindingen moet als eerste een regel uitgecommentarieerd worden in xdm-config: ! SECURITY: do not listen for XDMCP or Chooser requests ! Comment out this line if you want to manage X terminals with XDM DisplayManager.requestPort: 0 Hierna moet XDM herstart worden. Afwijkend in dit bestand is dat commentaar in app-defaults bestanden begint met het karakter ! en niet met het karakter #. Het kan wenselijk zijn om de toegangcontrole aan te scherpen. Hiervoor staan voorbeeldregels in Xaccess en &man.xdm.1;. Alternatieven voor XDM Er bestaan diverse alternatieven voor XDM programma. kdm (wordt geleverd bij KDE) wordt later in dit hoofstuk behandeld. De kdm beeldschermmanager biedt vele grafische verbeteringen en cosmetische franje en de mogelijkheid om de gebruiker de kans te geven een window manager te laten kiezen bij het aanmelden. Valentino Vaschetto Bijgedragen door Bureaubladomgevingen Deze sectie beschrijft de verschillende bureaubladomgevingen voor X op &os;. Een bureaubladomgeving kan van alles inhouden: van een simpele window manager tot een complete suite van bureaubladapplicaties zoals KDE of GNOME. GNOME Over GNOME GNOME GNOME is een gebruikersvriendelijke bureaubladomgeving die de gebruiker de mogelijkheid geeft om gemakkelijk de computer te gebruiken en in te stellen. GNOME heeft een paneel (voor het starten en tonen van statusinformatie van applicaties), een bureaublad (waar data en applicaties geplaatst kunnen worden), een set standaard bureaubladapplicaties en een regels die het makkelijker maakt voor applicaties om eenduidig met elkaar samen te werken. Gebruikers van andere besturingssystemen of omgevingen voelen zich meestal meteen thuis bij het gebruik van de krachtige grafisch gestuurde omgeving die GNOME biedt. Meer informatie over GNOME op &os; staat op de &os; GNOME Project website. De website bevat ook redelijk complete FAQ's over het installeren, instellen en beheren van GNOME. GNOME installeren De makkelijkste manier om GNOME te installeren is door middel van het Desktop Configuration menu tijdens de &os; installatie zoals beschreven in . Het kan ook makkelijk geïnstalleerd worden van een package of uit de Portscollectie: Om het GNOME package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r gnome2 Om GNOME vanuit de Portscollectie te installeren: &prompt.root; cd /usr/ports/x11/gnome2 &prompt.root; make install clean Zodra GNOME geïnstalleerd is, moet de X server verteld worden dat in plaats van de standaard window manager GNOME gebruikt moet worden. De meest eenvoudige manier om GNOME te starten is via GDM, de GNOME Display Manager. GDM wordt meegeïnstalleerd met de GNOME bureaubladomgeving, maar staat standaard uitgeschakeld. Dit programma kan ingeschakeld worden door gdm_enable="YES" toe te voegen aan /etc/rc.conf. Na herstarten start GNOME automatisch bij het aanmelden. Er zijn geen verdere instellingen nodig. GNOME kan ook gestart worden vanaf de commandoregel door het bestand .xinitrc juist in te stellen. Als er al een .xinitrc is, dan hoeft alleen de regel die de huidige window manager start veranderd te worden in een regel die /usr/X11R6/bin/gnome-session start. Als er niets speciaals met dit instellingenbestand is gedaan: &prompt.user; echo "/usr/X11R6/bin/gnome-session" > ~/.xinitrc Nu kan met startx de GNOME bureaubladomgeving gestart worden. Als een beeldschermmanager als XDM gebruikt wordt werkt het bovenstaande niet. In plaats daarvan moet een uitvoerbaar .xsession gemaakt worden met hetzelfde commando erin. Hiervoor moet het bestand aangepast worden door het bestaande window manager commando te vervangen door /usr/X11R6/bin/gnome-session: &prompt.user; echo "#!/bin/sh" > ~/.xsession &prompt.user; echo "/usr/X11R6/bin/gnome-session" >> ~/.xsession &prompt.user; chmod +x ~/.xsession Het is ook mogelijk de beeldschermanager zo in te stellen dat de window manager gekozen kan worden tijdens het aanmelden. In de paragraaf Meer KDE Details wordt uitgelegd hoe dit gedaan moet worden voor de kdm beeldschermmanager van KDE. Anti-alias lettertypen in GNOME GNOME anti-alias lettertypen X11 ondersteunt anti-aliasing via de RENDER uitbreiding. GTK+ 2.0 en hoger (de toolkit die gebruikt wordt bij GNOME) kunnen dit gebruiken. Het instellen van anti-aliasing is beschreven in . Dus met up-to-date software is anti-aliasing in de GNOME bureaublagomgeving mogelijk. In ApplicationsDesktop PreferencesFont kan gekozen wordne voor Best shapes, Best contrast of Subpixel smoothing (LCDs). Bij een GTK+ applicatie die geen onderdeel is van het GNOME bureaublad moet de omgevingsvariabele GDK_USE_XFT op 1 gezet worden voordat het programma wordt gestart. KDE KDE Over KDE KDE is een bureaubladomgeving die eigentijds is en makkelijk in gebruik. KDE biedt de gebruiker: Een schitterende eigentijdse desktop; Een desktop die volledig netwerktransparant is; Een geïntegreerd hulpsysteem dat eenvoudig bruikbare informatie geeft over het gebruik van het KDE bureaublad en de applicaties; Alle KDE applicaties werken op dezelfde manier en zien er hetzelfde uit; Gestandaardiseerde menu's en werkbalken, keybindings, kleurschema's, enzovoort; Internationalisatie: KDE is beschikbaar in meer dan 40 talen; Gecentraliseerde vraag en antwoord gestuurde bureaubladinstelling; Een grote hoeveelheid bruikbare KDE applicaties; - KDE heeft een office - applicatie suite die gebaseerd is op - KDE's - KParts technologie en bestaat uit een - spread-sheet, een presentatieprogramma, een organizer, een - nieuwsclient en meer. KDE heeft - ook de webbrowser Konqueror die + KDE wordt geleverd met een + webbrowser genaamd Konqueror die niet onder doet voor de andere bestaande webbrowsers op &unix; systemen. Meer informatie over KDE staat op de KDE website. Voor &os; specifieke informatie en bronnen over KDE is er de &os;-KDE team website. KDE installeren Net als bij GNOME of iedere andere bureaubladomgeving is de makkelijkste manier om KDE te installeren door middel van het Desktop Configuration menu in het &os; installatie proces. Dat wordt beschreven in . Ook nu geldt weer dat de software eenvoudig geïnstalleerd met een package of uit de Portscollectie: Om KDE van een package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r kde &man.pkg.add.1; haalt automatisch de laatste versie van de applicatie op. Om KDE vanuit de Portscollectie te bouwen en te installeren: &prompt.root; cd /usr/ports/x11/kde3 &prompt.root; make install clean Nadat KDE geïnstalleerd is, moet de X server verteld worden dat déze applicatie gestart moet worden in plaats van de standaard window manager. Hiervoor kan .xinitrc aangepast worden: &prompt.user; echo "exec startkde" > ~/.xinitrc Als het X Window System wordt gestart met startx is KDE het bureaublad. Als er een beeldschermmanager als XDM gebruikt wordt, is de instelling anders. Dan moet .xsession gewijzigd worden. Instructies voor kdm worden later in dit hoofdstuk beschreven. Meer KDE details Nadat KDE geïnstalleerd is op een systeem, kunnen de meeste dingen uitgezocht worden via de hulppagina's of door de verschillende menu's aan te wijzen en erop te klikken. &windows; en &mac; gebruikers voelen zich meestal helemaal thuis. Het beste naslagwerk voor KDE is de on-line documentatie. KDE heeft zijn eigen web browser, Konqueror, tientallen handige applicatie's en uitgebreide documentatie. De volgende paragrafen beschrijven de technische zaken die moeilijk proefondervindelijk te achterhalen zijn. De KDE beeldschermmanager KDE beeldschermmanager Een beheerder van een multi-user systeem die een grafisch aanmeldscherm willen hebben voor zijn gebruikers kan hiervoor XDM gebruiken, zoals eerder beschreven. KDE biedt kdm als alternatief. Dat is ontworpen met een beter uiterlijk en heeft meer aanmeldopties. Gebruikers kunnen via een menu kiezen welke bureaubladomgeving (KDE, GNOME of een andere) zij na het aanmelden willen gebruiken. - Om te beginnen dient het KDE - beheerpaneel kcontrol door - root uitgevoerd te worden. Er wordt in - het algemeen vanuit gegaan dat het niet veilig is om als - root de X omgeving te gebruiken. In - plaats daarvan wordt de window manager als normale gebruiker - gestart en in een terminalvenster (zoals - xterm of - KDE's - konsole) wordt root - met su aangemeld. De gebruiker moet - hiervoor wel in de groep wheel - in /etc/group staan). In het - terminalvenster kan dan kcontrol - ingegeven worden. - - Eerst dient geklikt te worden op het linker icoon - System, daarna op Login - manager. Rechts staan nu verschillende opties - om in te stellen die de KDE - handleiding uitgebreid behandelt. Klik op - sessions aan de rechterzijde. Klik - New type om de verschillende window - managers en bureaubladomgevingen toe te voegen. Dit zijn - alleen de labels, hierop staat dan - KDE en - GNOME in plaats van - startkde of - gnome-session. Er dient ook nog - een label failsafe gemaakt te - worden. - - Er wordt aangeraden ook met de andere menu's te spelen. - Die zijn hoofdzakeklijk voor cosmetische zaken en spreken - voor zich. Als de instellingen gemaakt zijn kan onderaan op - Apply geklikt worden en kan het - beheerprogramma verlaten worden. - - Om te zorgen kdm begrijpt - wat de labels (KDE en - GNOME etc) betekenen, dienen de - bestanden die XDM gebruikt - gewijzigd te worden. - - - In KDE 2.2 is dit veranderd: - kdm gebruikt nu zijn eigen - instellingenbestanden. In de - KDE 2.2 documentatie staan - meer details. - - - Als root, in een terminal venster, - dient /usr/X11R6/lib/X11/xdm/Xsession - gewijzigd te worden. In het midden van het bestand is een - onderdeel dat er als volgt uitziet: - - case $# in -1) - case $1 in - failsafe) - exec xterm -geometry 80x24-0-0 - ;; - esac -esac - - Er moeten een aantal regels toegevoegd worden aan dit - onderdeel. Aangenomen dat de gebruikte labels - KDE en GNOME waren, dient - dat het volgende de worden: - - case $# in -1) - case $1 in - kde) - exec /usr/local/bin/startkde - ;; - GNOME) - exec /usr/X11R6/bin/gnome-session - ;; - failsafe) - exec xterm -geometry 80x24-0-0 - ;; - esac -esac - - Om bij het aanmelden de KDE - bureaubladachtergrond hetzelfde te laten zijn als na het - aanmelden, dient de volgende regel toegevoegd worden aan - /usr/X11R6/lib/X11/xdm/Xsetup_0: - - /usr/local/bin/krootimage - - Nu moet kdm voorkomen in - /etc/ttys en starten bij de volgende - herstart. Om dit te doen kunnen de instructies uit XDM gebruikt worden en kan - /usr/X11R6/bin/xdm vervangen worden - in /usr/local/bin/kdm. - - - - Anti-alias lettertypen - - - KDE - - anti-alias lettertypen - + Om kdm te starten, moet de + ttyv8 regel in + /etc/ttys worden aangepast. De regel + moet er als volgend uitzien: - X11 ondersteunt anti-aliasing door de toevoeging de - RENDER toevoeging en vanaf - Qt versie 2.3 ondersteunt Qt (de toolkit die bij - KDE zit) deze toevoeging. Het - instellen hiervan is beschreven in - over anti-aliasing X11 lettertypen. Dus met up-to-date - software is anti-aliasing mogelijk op een - KDE bureaublad. In het - KDE menu moet in - PreferencesLook and - FeelFonts - het vinkvakje Gebruik - Anti-aliasing voor Lettertypen en Iconen - aangevinkt worden. Voor Qt applicaties die geen onderdeel - zijn van KDE moet de - omgevingsvariabele QT_XFT op - true gezet worden voordat het programma - wordt gestart. + ttyv8 "/usr/local/bin/kdm -nodaemon" xterm on secure XFce Over XFce XFce is een bureaubladomgeving die gebaseerd is op de GTK+ toolkit die gebruikt wordt bij GNOME, maar is eenvoudiger en bedoeld voor gebruikers die een simpel en efficient bureaublad willen dat toch eenvoudig en makkelijk in te stellen is. Het ziet er bijna hetzelfde uit als CDE dat bij commerciële &unix; systemen zit. Een aantal XFce functies zijn: Een eenvoudige, makkelijk te bedienen desktop; Geheel in te stellen met de muis, met klikken en slepen, enzovoort; Hoofdpaneel hetzelfde als CDE met menu's, applets en applicaties Geïntegreerde window manager, bestandsmanager, geluidsmanager, GNOME compliance module en andere zaken; Thema's (sinds het gebruik van GTK+); Snel, licht en efficient: ideaal voor de oudere of langzamere machines of machines met beperkte hoeveelheid geheugen; Meer informatie over XFce staat op de XFce website. Installeren van XFce XFce is met een package te installeren: &prompt.root; pkg_add -r xfce4 Of vanuit de Portscollectie: &prompt.root; cd /usr/ports/x11-wm/xfce4 &prompt.root; make install clean Nu moet de X server weten dat XFce gestart moet worden als X de volgende keer start: &prompt.user; echo "/usr/X11R6/bin/startxfce4" > ~/.xinitrc De volgende keer dat X start is XFce het bureaublad. Wederom: als een beeldschermmanager als XDM gebruikt wordt, moet .xsession gemaakt worden zoals beschreven in de paragraaf over GNOME. Nu moet echter het command /usr/X11R6/bin/startxfce4 gebruikt. Het is ook mogelijk de beeldschermmanager in te stellen om bureaublad te kiezen bij het aanmelden, zoals is uitgelegd in de paragraaf over kdm.